Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

Eva en Adam – Scheppingsverhaal voor de humaniste

 

Woord vooraf

We leven sinds kort in een mannenwereld. Nou ja, gerekend naar hoe lang “we” bestaan. En dat is toch al zeker wel zo’n vier miljoen jaar. Vier miljoen jaar geleden (4 mjg) waren we nog aapmensen. Nog gewone dieren. Wel bonobo-achtige wezens, vraag maar aan primatoloog Frans de Waal. We waren als bonobo-achtigen gewend aan een dominante positie van de vrouwen.

Als aapmensen, levend in een voor mensapen nogal gevaarlijke savanne-achtige omgeving waarin de wet gold van de overleving van de snelste, met de grootste slagtanden, de scherpste horens, of grootste gestalte met de dikste huid, waren zich op hun voeten voortbewegende – dus nog eens extra trage – mensapen gedwongen tot het foerageren in zeer hechte groepen. Derhalve in de grootst mogelijke onderlinge harmonie. Niks geen macho-gedrag, veel te gevaarlijk. De mannen deden braaf wat de vrouwen van hen verwachtten, en dat zou zo miljoenen jaren doorgaan, tot ieders tevredenheid.

Wanneer zijn de mannen de baas gaan spelen? 50.000 jaar geleden, schat ik. En dat neem ik alleen maar zo idioot ruim omdat ik traag in rekenen ben (oorlogskind) en dus houd van makkelijke getallen. 0,5% van de tijd dat we bestaan, leven we in een mannenwereld. Dat is een te korte tijd om tot onze ‘tweede natuur’ te gaan behoren. Een beetje vrouw heeft er nog steeds moeite mee, met bebaasd te worden.

Vrouwen zijn religieuzer dan mannen. Daar hebben bazige patriarchen slim gebruik van gemaakt, om religies te bedenken waarin God de vrouwen een ondergeschikte positie toebedeelde. Als je mensen in een onderdrukte positie wil houden, moet je als despoot of patriarch de vrouwen en de seks demoniseren (als des duivels, als fout propageren) en de mannen als baas over hun vrouwen aanstellen. Seks gaat om vrouwen, en dus is vrouwenseks mannen-eer. De enige eer voor de onderdrukte moslimman. Wij, vrije westerse consumenten, doen niet meer aan eer.

Vrouwen zijn religieuzer dan mannen, omdat onze natuur gevormd is in miljoenen jaren gedurende welke de vrouwen leidend waren in van alles, en onder meer in taligheid en dus het religieus beleven van de wereld. Omdat ze de zorg voor de kinderen hadden, waren ze ook meer gespitst op het handhaven van de harmonie: het meest leefbaar en veilig voor de kinderen.

Daarnaast hebben vrouwen de makke dat ze slecht zijn in het bijleggen van ruzie; als ze eenmaal de pik hebben op elkaar, komt dat nooit meer goed, wat hen betreft. Daarom hebben de vrouwen ook altijd graag een hoofdman gehad als leider van hun leefgroep. Die kon, als vrouwen elkaar in de haren vlogen, ze met zijn meerdere kracht en grotere gestalte tot de orde dwingen. Hun behoefte aan harmonie maakt ook dat vrouwen van nature loyaler zijn aan de heersende orde – zolang die de harmonie dient tenminste.

Hoe loyaal vrouwen ook van nature zijn, toch hebben veel hoger opgeleiden onder hen moeite gehad met bebaasd te worden. Aan die patriarchale uitleggingen van de religieuze baardmannen hebben ze altijd al wel gemorreld. Door er op te wijzen dat het toch Eva was die het eerst die appel van de kennisboom plukte, bijvoorbeeld.

Pas vandaag krijgen ze er echte argumenten voor aangereikt vanuit de wetenschappen. Ja, sorry dat het toch weer een man is die ze bij elkaar schrijft. Want als we op de vrouwen moeten wachten …

Over religie gesproken. We zitten nu al 2000 jaar onder de plak van de patriarchale vormgeving aan onze aangeboren religieuze gevoelens, en daardoor denkt men bij het woord ‘religie’ automatisch aan godsdienst. Dat maakt dat ik, als ik met atheïsten praat en hoog opgeef van onze aangeboren religieuze gevoelens, aanvankelijk verdacht word van godsdienstwaanzin of zo.

Nou, ik ga er juist prat op, een super-atheïst te zijn: omdat ik immers kan uitleggen – en dat aan het eind van dit boekje ook gá uitleggen – hoe we aan dat patriarchale en collectivistische denkbeeld van die Ene Ware God gekomen zijn, met alle ellende van dien. Dat kan een mainstream atheïst(-e) niet eens.

Het misverstand speelt zelfs in Van Dale’s woordenboek. Religie 1. Godsdienst 2. Geloofsleer 3. Godsvrucht. Maar in Van Dale’s Etymologisch Wb Religie: van relegere [weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen]

Kortom, ik maak een scherp onderscheid tussen onze religieuze neiging (vandaag vooral aan de dag tredend bij schoonheidsontroering, neiging tot samenzang in koor of voetbalstadion, en dergelijke ontroerende momenten) enerzijds, en anderzijds godsdienst, welke we zo snel mogelijk moeten vervangen door mensdienst.

Vrouwen zijn religieuzer dan mannen, omdat het, zoals deze tekst zal laten zien, de vrouwen tot voor ‘kort’ leidend zijn geweest in de vieringen van het leven en nog ‘korter’ niet alleen de uitvindsters en beoefenaars van de landbouw maar daarbij ook de hoedsters van de vruchtbaarheidsrituelen.

Als gender zijn de vrouwen behoudend en loyaal aan de bestaande orde. Ze zijn ook geestelijk sterker, vaak, dan mannen. Na een catastrofe huilen de vrouwen het hardst, maar zijn zij het die als eersten beginnen de troep op te ruimen – terwijl de mannen uit het lood geslagen neerzitten en op hun voorbeeld pas mee gaan opruimen.

Door die loyaliteitsneiging zijn het vandaag nog steeds veelal de oude vrouwen die de leeglopende kerken blijven bezoeken.

Maar vrouwen die daar vanwege het patriarchale karakter ervan resoluut mee gekapt hebben, staan toch relatief meer open voor surrogaat als New Age zweverigheid.

Vrouwen zijn loyaal en conservatief. Welke filosofe is dat ook weer? die stelde: “als het aan de vrouwen gelegen had, woonden we nu nog in plaggenhutten.”

Twee miljoen jaar hetzelfde ontwerp vuistbijl – wat een typisch vrouwenwerktuig was.

Hoe komt dat toch?

Hun prioriteiten liggen gewoon een slag elders dan die van mannen. Wanneer iets werkt, gewoon zo laten, er moet eten op tafel. Ik denk dat het komt omdat de vrouwen vanaf het allervroegste begin voor alles zorgden: voor het zwanger worden, voor het baren, voor het zogen, voor het onderdak, voor het eten elke dag, voor de kleding, voor de geneesmiddelen.

De mannen hadden enkel de taak om te zorgen voor de veiligheid tegen de roofdieren, en later voor het vlees. En nog later voor het vechten tegen de mannen van andere groepen toen er teveel mensen waren (er kan maar één groep overleven van één voedselgebied).

In deze laatste situatie kregen de mannen het in hun bolle hoofd om te denken dat ze toch wel héél erg belangrijk waren voor de overleving – en zijn ze de baas gaan spelen. Maar … dat is pas zo’n 50.000 jaar aan de gang.

Deze tekst laat zien dat alle belangrijke menselijke uitvindingen zoals werktuiggebruik, taal, vuurgebruik, landbouw, vrouwenuitvindingen zijn. Mijn boekje is bedoeld om een steentje bij te dragen aan het te niet doen van de mannenmaatschappij en het tot stand komen van de mensenmaatschappij.

Het hoort gewoon niet, dat de ene mens de baas speelt over de andere. Waarom niet?

Omdat in de vier miljoen jaar dat we een aparte soort zijn, dit – op die laatste 50.000 jaar na – dat de baas spelen not done is geweest. Het druist in tegen onze natuur.

Maar hoe is die menselijke natuur precies?

Nou, daar ga ik in mijn voorwoord dan al meteen een lesje voor afdraaien.

Omdat er vaak aan gerefereerd wordt, ook in dit voorwoord al, maar je nergens kunt lezen hoe die menselijke natuur nou precies in mekaar zit.

  1. de menselijke natuur

Daar hebben de filosofen geen helder beeld van. Terwijl het bij enig nadenken toch zo overzichtelijk is. Het is een ‘drietrapsraket’. Ik bedoel: samengesteld uit drie opeenvolgende stadia van onze evolutie – waarvan de primitiefste nog even hard werkzaam is in ons als de meest recente.

1. Onze aller-primitiefst neigingen (instincten) hebben we gemeen met al wat leeft. Zelfs met de bacteria. Bij die levensvormen draait het om zoveel mogelijk energie (alle energie is in basis-instantie afkomstig van de zon) te onttrekken aan de omgeving, ter instandhouding van het eigen organisme, en de voortplanting ervan, in blinde concurrentie met andere levensvormen en zelfs met die van de eigen soort.

Dat is de ikke-ikke- neiging die ook in ieder van ons huist en die bij ons opspeelt in (al dan niet vermeende!) panieksituaties. Bij brand in de bioscoop, zelfs als het achteraf loos alarm blijkt, vallen er slachtoffers bij het ‘redden wie zich redden kan’.

Wat nogal opvalt is dat geld, nee, niet het ‘sappel’-geld maar het ‘grote geld’, een ikke-ikke- effect heeft op mensen. Op alle mensen, ook op mij (oké, dat zóu het hebben). Dat heeft het gemeen met macht, en het corrumpeert al even hard.

2. Maar we zijn geen primitieve dieren, we zijn mensapen, groepsdieren dus. Groepsdieren moeten nog steeds zoveel mogelijk energie aan de omgeving onttrekken ter instandhouding van het eigen organisme en de voortplanting ervan, maar slagen daarin beter door dit in groepsverband te doen dan ieder op z’n eentje. Echter, dan moet die groep wel sterk genoeg zijn in concurrentie met andere dieren en ook met andere groepen van eigen soort. Concurrentiestrijd binnen de eigen groep verzwakt de kracht van de eigen groep. Harmonie is dus geboden. Daartoe dienen de leden van de groep de eigen ikke-ikke-neiging in te tomen. Ze dienen samen te werken. Ze dienen zichzelf in de situatie van de ander te kunnen verplaatsen, en mee te lijden als de ander lijdt. Ze dienen zich met elkaar te kunnen verzoenen als er toch ruzie is geweest. Allemaal sociale eigenschappen die Frans de Waal in zijn boek Van nature goed (1996) zo goed beschreven heeft bij de chimpansees en waarover onze soort dus al beschikte toen ze nog in het mensapenstadium verkeerde.
Sociaal gedrag, maar alleen ten opzichte van de leden van de eigen groep. De andere groepen zijn in principe voedselconcurrenten voor de eigen groep, dus vijanden. Zelfs de vreedzame bonobo’s, bij wie de groepen niet onder overpopulatiedruk staan, kennen bij een ontmoeting aanvankelijk spanning; maar dan beginnen vrouwen, die in de andere groep familieleden herkennen (jonge meiden vertrekken uit de eigen groep –anders inteelt immers – en sluiten zich aan bij een andere groep), elkaar blij te omhelzen en dan is de vrede snel hersteld. Chimpanseegroepen staan wel onder populatiedruk en staan uiterst vijandig tegenover elkaar. Onze vreemdelingenangst/haat ressorteert onder trap 2; het heeft in principe overlevingswaarde (er kan maar één groep leven van een voedselgebied), maar is bij ons is die neiging (dat instinct) veelal onterecht en schadelijk.

3. Als VOAP’s (mijn kortwoordje voor onze aapmensvoorouders) en als Vroege Mensen (van H. erectus t/m H. neanderthalensis), dus in de loop van vijf miljoen jaar, heeft onze soort daar vervolgens een derde trap van hypersociaal gedrag bovenop gebouwd.

Zoals gezegd leefden onze vroege voorouders met hun primitieve scharrel-economie, waarbij een te kleine leefgroep het niet redde maar een te grote ook niet, altijd op de rand van overleven. Net als de overige savannedieren. Mager maar taai en gezond.

De groepjes met de beste harmonie, zowel binnen de groep als met verwante groepen, deden het beter dan groepen in onenigheid.

De natuurlijke selectie heeft dus op harmonie geselecteerd. Al die miljoenen jaren lang. De neiging tot harmonie is zodoende deel van onze menselijke natuur geworden.

Pas toen en waar mensen in overpopulatie-situatie terechtkwamen, dus vanaf ruwweg 50.000 jg, is die natuur gefrustreerd geraakt. Filosofen zoals Thomas Hobbes (1588-1679), levend in tijden van burgeroorlogen en nog niet beschikkend over de (paleo-) antropologische kennis waarover wij vandaag kunnen beschikken, had begrijpelijkerwijs geen positieve kijk op de menselijke natuur. Hij meende dat de mens in zijn natuurstaat (bedoeld: prehistorie) leefde in een strijd van allen tegen allen. Homo homini lupus. Hobbes is niet bepaald een betrouwbare bron van wijsheid in deze.

Nogmaals, elk van deze drie aangeboren neigingen rukken aan het roer van ons gedrag en het hangt van de situatie af welke neiging op dat moment ‘sterker is dan ik’.

Waar ga ik het verder over hebben?

Ik vertel dus eerst hoe we van mensapen tot mensen geworden zijn.

Je denkt misschien dat je dat al honderd keer hebt uitgelegd gekregen in biologie-boeken.

Niet echt. Paleoantropologen en archeologen geven weliswaar een prachtig overzicht van fossiele botten en stenen werktuigen, overzichtelijk geordend vanaf de primitiefste tot en met de meest recente. Met de bijbehorende wetenschappelijke benamingen van hominiden, australopitheci, Homo habilis, Homo erectus, Homo heidelbergensis, Homo neanderthalensis, Anatomisch Moderne Mens (dat zijn wij dus). Prachtig. Maar … typisch opsommingen van feiten.

Een echt Verhaal echter vraagt naar: omstandigheden en motieven, oorzaken en gevolgen. Dat is waar ik in doe. Ik vertel dus waardoor het ónze voorouders zijn geweest die deze ontwikkelingsgang doorlopen, en niet ook andere soorten. En hoe het komt het dat ónze voorouders zijn geweest, en niet die van evenwelke andere soort, die het vuur zijn gaan gebruiken; die talige en religieuze wezens zijn geworden; die naar de Maan kunnen vliegen.

Als je de geleerde paleo’s (zo noem ik alle discipline-wetenschappers zoals antropologen, paleoantropologen, archeologen, die van belang zijn voor het reconstrueren van ons Ontstaansverhaal) dit soort wezenlijke vragen stelt vallen ze stil; ze opperen wat over een gen-mutatie, over grotere hersenen, grotere intelligentie. Maar daarbij blijft de vraag staan: waarom ónze voorouders, en niet evenwelke … by the way, het wordt steeds meer paleo’s duidelijk dat we met dat beroep op die hersenen geen moer opschieten.

Het is ook niet het werk van die brave paleoantropologen en archeologen om antwoorden op dit soort vragen te genereren. Laat deze disciplinewetenschappers vooral bezig blijven met waar ze goed in zijn. Het is filosofenwerk.

Het is het werk van antropologisch-filosofen. En vooral van filosofen die verbonden zijn aan een Universiteit voor Humanistiek. Ook wel van filosofen die verbonden zijn aan opleidingen voor theologie , maar die laatsten kun je minder kwalijk nemen omdat ze eerst hun monotheïstische God als studie-object zouden moeten kunnen zien, in plaats van blindelings van het reële bestaan ervan uit te gaan.

Waarom doen academisch opgeleide filosofen dit werk niet? Heel simpel: hun opleiding voorziet niet in andere kennis over de mens dan wat de oude filosofen daarover hebben geschreven. Maar die hadden nog geen wetenschappen tot hun beschikking.

Het is de vrije markt economie, die ons vanaf haar doorbraak in de zestiger jaren tot a-politieke en a-religieuze consumenten heeft doen worden, die ons bevrijd heeft van het onderdrukkende christendom. Door de welvaart die deze economie genereerde, zijn ook dure veldonderzoeken van antropologie, archeologie, paleoantropologie en ethologie betaalbaar geworden, en zijn deze disciplinewetenschappen aan een spectaculaire opbloei begonnen. Vanaf halverwege de jaren 70 kwamen hun data overvloedig beschikbaar voor leken zoals onze filosofen (alle wetenschappers zijn leken op elk ander vakgebied dan het hunne!), maar die zijn daar met hun rug naar toe gekeerd blijven zitten. Ze waren postmodern geworden.

Ook het humanisme – de denkers ervan zijn immers ook filosofen – heeft er nooit wat mee gedaan. Terwijl de consumenten, hun oude christelijke Verhaal verloren hebbende, nu met NIX moesten zien samen te leven. Wat duidelijk steeds slechter begon te lukken. De jongeren groeiden op met NIX en werden nihilistisch. De lui die bij het ‘grote geld’ kunnen, hadden NIX meer met de samenleving te maken en gingen graaien. Vandaag begint de roep om een nieuw Groot Verhaal steeds helderder op te klinken, maar de filosofen blijven autistisch staren in de boeken van oude filosofen of hun eigen esoterische vakliteratuur.

Daarom is schrijver dezes, die vanaf de zeventiger jaren wél met de data uit voornoemde disciplinewetenschappen aan het bouwen is geslagen, zich humanosoof gaan noemen.

Ik heb zelfs, toen een kennisje het vilten en hoedenmaken ging beoefenen als bijverdienste, haar een humanosofenhoed laten maken. Mooi hè? Nooit op gehad, behalve voor deze foto.

Maar met het zelfverzonnen ‘humanosofie’ ben ik wel makkelijk te googelen op het wereldwijde web.

Het postmodernisme onze filosofen echter kopschuw gemaakt voor allesomvattende Grote Verhalen, aangezien die in het verleden steeds tot collectivisme en dus tot onheil hebben geleid.

Nou, dat is toch ook zo? roept de lezeres nu, denkend aan de Grote Verhalen van fascisme, communisme en monotheïsme.

Hoho! roept de humanosoof. Ons menselijk verleden reikt heel wat verder terug dan de Grote Verhalen van monotheïsme, fascisme en communisme. Onze vroege voorouders hebben hun woordenwereld al zeker een miljoen jaar beleefd in het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal ervan, en dat deden ze als collectief. Geen stam die het ooit zonder zijn Scheppingsverhaal heeft kunnen of hoeven stellen. Vandaar dat het op deze wijze beleven van de wereld en het samenleven als religieuze neiging in ons zit ingebakken. We zijn van nature geneigd tot collectieven. Niks mis mee. Het gaat pas fout als er, in een machtssituatie, een –isme van wordt gemaakt, en een elite uitmaakt hoe en wat het collectief moet denken. Maar daar is in ons prehistorische verleden nimmer sprake van geweest; niemand had wat te vertellen over een ander, noch tussen de seksen nog tussen ouderen en jongeren.

De monotheïstische geloofssystemen, hoe onderdrukkend ze als –ismen ook waren, sloten wel nauw aan bij onze neiging tot het collectief beleven van ons leven. Het collectief beleven van de wereld en het samenleven zit in ons gebakken. Nu de vrije markt economie de onderdrukkende monotheïstische geloofssystemen aantast en in de alreeds vrije wereld (de westerse) de kerken leeglopen, lopen de stadions vol: de mensen blijven manieren zoeken om de wereld en het samenzijn collectief te beleven. Alleen: niet langer in een onderdrukkende vorm. We zijn vrije consumenten geworden. Maar we willen de wereld en het samenzijn nog steeds nog steeds ook collectief beleven. Pinkpop is al een half jaar tevoren uitverkocht, ik noem maar wat.

Dat collectief beleven van onze (woorden)wereld geschiedde in het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal (Groot Verhaal) ervan. Avond aan avond, rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. En waarom moest dat zo nodig avond aan avond? Omdat ze talige wezens geworden waren (ga ik nog uitleggen) maar die taligheid was nog erg hachelijk en moest dus steeds weer bevestigd worden.

Ik bedoel maar, een Groot Verhaal van de wereld, het Scheppingsverhaal, is dus niet inherent onderdrukkend. De latere patriarchen, behorende tot de macht van de overheersende elites, legden er een onderdrukkende versie van op aan de mensen. Een die de vrouwen uit hun macht over de landbouwreligies stootte. En uit hun macht over seks. Een versie die de vrouw demoniseerde en wegdrukte. Het Adam en Eva Verhaal. Adam als eerste door God geschapen. En Eva als een speeltje voor Adam, gemaakt uit zijn rib.

Nou, de biologische ontologie laat het omgekeerde zien.

Omdat de wereld vandaag nog steeds te lijden heeft onder godsdiensttwisten – al hadden die altijd en hebben die ook vandaag nog een economische ondergrond – laat ik het verhaal over de oorsprong van onze religieuze aanleg volgen door de reconstructies van het begin van de drie monotheïstische wereldreligies.

De studie van hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn, maakt geen deel uit van een filosofische opleiding. En zelfs niet van de opleiding tot cultureel antropoloog. Ik schrijf dit toe aan het feit dat het mogen uitmaken hoe mensen ontstaan zijn en hoe ze van nature zijn, altijd het terrein van de kerken geweest is. Hún terrein: daar hadden filosofen zich niet op te begeven; en als een filosoof dit waagde … de kerken hebben niet voor niks altijd zitting genomen in de besturen van de universiteiten en de hand op de knop der professoren-benoemingen gehouden.

Een zeker zo belangrijke andere oorzaak: tot de zestiger jaren waren ook de relevante menswetenschappen niet in staat om een goed alternatief ontstaansverhaal van de mens op poten te krijgen. Pas vanaf de zestiger jaren begonnen wetenschappen als paleoantropologie en ethologie geld te krijgen voor dure veldonderzoeken, en pas in de zeventiger jaren begonnen de resultaten ervan binnen te stromen.

Helaas, toen was de academische filosofie net aan het ronddolen in de postmodernistische woestijn …

Maar deze portrettekenaar ging toen gretig aan het bouwen met het aangedragen materiaal, want hij wou een echt Ontstaansverhaal rond krijgen.

Belangrijk werk, evengoed. Want kennis over hoe we geworden zijn is wezenlijk voor kennis over hoe we zijn. Voor ieders identiteit dus.

Tot vóór de zestiger jaren was het dus aan de kerken geweest om ons te geloven voor te houden hoe wij zijn. Dat was onveranderlijk een pessimistische visie (van nature ten kwade en gewelddadigheid geneigd, en dus tot eeuwig branden in de hel gedoemd tenzij we braaf gehoorzaamden aan wat de kerken en de bazen zeiden; en vooral de vrouwen waren foute en gevaarlijke wezens want die verleidden de mannen tot onkuisheid). Maar – en dat is het punt – het kan dan wel een stom Verhaal zijn geweest maar het wás er wel, en het gaf de gelovigen houvast in hun leven. Er wás IETS.

In de zeventiger jaren begonnen de kerken leeg te lopen. De kerkelijke invulling verdampte. Onze jongeren groeiden voortaan op met NIX. Geen vaste grond meer onder hun denkvoeten. Ze werden veelal cynisch en nihilistisch. Gingen rare kleren en kapsels dragen, en drugs gebruiken. No Future-punk.
Of werden hooligans.

De mensen die bij het ‘grote geld’ kunnen, hadden ook NIX meer met hun samenleving te maken, en gingen voor hun eigenbelang. Tot 1978 was het financierskapitaal altijd aan de ketting gehouden van de overheid. Maar onder Clinton werd het losgelaten. De libertaristische ideologie van filosofe/novelliste Ain Rand was in de leegte gesprongen die de filosofen lieten ontstaan. Nu zitten we met de gebakken peren. De filosofen, hoe slim ook, bleven ook hier met de rug naar toe gekeerd zitten, autistisch bladerend in hun klassieke of esoterische vakliteratuur. Ze hadden niet eens het idee (hebben dat blijkbaar nog steeds niet) dat wat ik nu op mijn gebrekkige manier presenteer, echt hún werk is, en van niemand anders.

Ik ga het dus hebben over hoe we talige en daardoor religieuze wezens geworden zijn. Dat de vrouwen altijd de belangrijkste sekse zijn geweest. Maar zonder de baas te spelen want dat was al die tijd not done. Je mag hun superieure status dus geen matriarchaat noemen, want ‘archè’ betekent ‘heerschappij’.

Ga vertellen hoe het komt dat de mannen op enig moment macht over de vrouwen en elkaar zijn gaan uitoefenen, en in de Late IJzertijd ook door middel van godsdiensten.

Ik ga vertellen hoe de westerse mensen daar vanaf de zestiger jaren van bevrijd geraakt zijn en waardoor ik nu dit verhaal wél kan opdissen, als gebrekkige ‘eenoog in een land vol blinden’.

Omdat de godsdiensten in de rest van de wereld volop, en in het Westen nog steeds hier en daar, van kracht zijn doordat ze niet worden uitgedaagd en er geen alternatief geloof in de aanbieding is, gaat uw portrettekenaar ook nog vertellen hoe het Judaïsme begon, hoe het Christendom begon en hoe de Islam begon. Nieuw-ieuw-ieuw!! Alleen in dit theater!

Waarom ik ‘eenoog’ kan zijn? Vanwege de blinden vooral. Maar ook doordat ik, begonnen als misdienaartje en later als priesterstudentje, gepokt en gemazeld ben in geloven. En doordat ik, toen ik zelf ging nadenken en niet langer geloofde, al even fanatiek heb willen weten hoe dan ons échte Verhaal is. Dat steekje zat bij mij vanaf het begin al los dus.

Als een halve autist (typisch mannenkwaaltje, hoor) ben ik daar levenslang gedreven mee bezig gebleven, mede in staat gesteld door een universitaire opleiding en later door een vrij beroep: portrettekenaar. Op een markt heb je buiten de hoogtijdagen vaak urenlang niks te doen. Kostbare uren voor studie. Allemaal ‘in de baas (ben je zelf) z’n tijd’! Met toch een bovenmodaal en stressloos verworven inkomen. Als ik het niet zelf had zou ik er stik jaloers op worden.

Ik word dit jaar 84 en geniet nog steeds met volle teugen van mijn ‘eenoog’-zijn. Nou ja, mijn rechteroog is het aan ‘t begeven, het letterlijk ‘eenoog-zijn’ is natuurlijk minder genotvol. Maar kom, zeg, de pret houdt sowieso een keer op.

DEEL I. Hoe we talige wezens geworden zijn.

Ik had hier aanvankelijk een heel verhaal over de Oreopithecus en de ‘waterside-theorie’, maar dat voor een humanosoof heel, maar voor een humanistendame wellicht wat minder, interessante gedeelte heb ik hier maar uitgelicht en in een andere tekst ondergebracht.

  1. aapmensen

In de tweede helft van het Mioceen nam de ver-ijzing van Antarctica dusdanig toe dat de regenwoudgordel verder versmalde richting evenaar en vanaf 8 mjg bereikte de afsterving de leefgebieden van de mensapen waar onze vroegste voorouders uit voort zouden komen. Voorlopig gaat men er van uit dat die leefden waar vandaag hun oudste fossielen gevonden worden: in Ethiopië.

Wat komt er voor in de plaats als het regenwoud afsterft? Savanne.

Savanne is een zeer afwisselende biotoop. Kent gewone bossen, vooral langs de oevers van meren en rivieren. Kent uitgestrekte gebieden met ondoordringbaar doornig struikgewas. En kent vooral uitgestrekte gebieden met gras en acacia’s; met grote grazers zoals olifanten, giraffen en zebra’s; en met hun predators, zoals grote katten en hyena’s.

Vanaf 7 mjg was het regenwoud waar onze voorouder-mensapen geleefd hadden, verdwenen en had het plaatsgemaakt voor een savanne-omgeving (wel veel bosrijker dan het Serengeti-plaatje hierboven; maar het is leuk omdat je er zeker vijf soorten vredig bij elkaar ziet foerageren en je er onze voorouders even vredig tussendoor kunt fantaseren, op zoek naar voedsel wat van hún gading is).

Onze vroegste voorouders. Hoe moeten we ze voorstellen? Frans de Waal heeft in Bonobo (1997) aannemelijk gemaakt dat de huidige bonobo’s daar verrassend veel van weg hebben. Immers, hún leefgebied (Congo) is al die 7 miljoen jaar niet veranderd, en dus ook de bonobo’s niet. Ze zien er dus nog steeds uit zoals onze gemeenschappelijke vooroudersoort. Ze zijn slanker dan de chimpansees, lopen veel vaker op hun voeten en de vrouwen zijn bij hen de dominante sekse.

De regio waar onze bonobo-achtige voorouders toen leefden (waar nu Ethiopië ligt), daar was het regenwoud door klimaar-afkoeling en –uitdroging verdwenen; was steeds meer en grotere open plekken met gras gaan vertonen (zoals het Serengeti-plaatje) en hun un nakomelingen hadden zich er aan aangepast. Die aanpassing was onmerkbaar verlopen: ze hebben er nooit erg in gehad dat hun leefomgeving ooit anders was geweest. Hetzelfde geldt voor hun aangepaste gedrag, inclusief de lichamelijke aanpassingen.

Die aan het overleven in een savanne-achtige omgeving aangepaste mensapen noemen we hominiden, oftewel aapmensen. Maar dat zijn dan verder nog gewone dieren, geen mensen.

Die verandering ging dus onmerkbaar geleidelijk. Je moet elke dag eten en drinken. Mensapen trekken van vruchtboom naar vruchtboom. De vruchtbomen verdwenen en hun leefgebieden vertoonden steeds grotere open plekken met gras. Dus hun foerageerroutes gingen steeds vaker over die open plekken. Ze hebben er nooit erg in gehad dat hun wereld er ooit anders had uitgezien.

Als we het vanuit de water-side theorie bekijken, zeggen we dat hun foerageren steeds minder om vruchten ging en steeds meer om schelpdieren, en dat de open plekken aanvankelijk vooral de oevers van zee of meer of rivier betroffen. Het is inderdaad zo dat alle vroege hominidenfossielen (zelfs die van de Oreopithecus al)
en de populaties die ze vertegenwoordigen zoals de beroemde Lucy-populatie maar ook nog de H. ergaster en de H. erectus, blijken te hebben geleefd langs de oevers van rivieren en meren en zich naar het Verre Oosten te hebben verbreid via de kusten.

Op de savannen was overigens ook eten genoeg te vinden, en ze wenden zich er aan om daar rond te struinen. Maar overnachten moesten ze nog steeds in hun nesten, gevlochten in de boomkruinen van de loofbossen, of desnoods in zo’n boom als op het Serengetiplaatje.

Het aanpassingsproces verliep voor hen volledig ongemerkt. Een heel ander beeld dus dan we vroeger altijd meekregen: dat onze voorouders uit de bomen waren geklommen en op twee benen zijn gaan lopen, om niet nader genoemde of heel rare redenen, zoals: konden ze over het hoge gras heen kijken (nou, dan zouden andere savannedieren dat ook al lang gedaan hebben). Nee, ze hadden hun handen broodnodig.

Het was op die open grasgebieden maar ook aan de waterkant een stuk gevaarlijker dan in een regenwoud: vanwege de krokodillen dan wel de grote katten en hyena’s die van de graseters leven en die ook heel tuk zijn op rondstruinende mensapen. Want vergeleken bij de op snelheid geselecteerde graseters waren de aapmensen traag, hadden geen hoorns, geen scherpe hoeven of klauwen, geen dikke huid.

Hoe hebben de aapmensen (naast aan de oevers) toch ook daar kunnen foerageren?

Mensapen kennen een kunstje dat andere dieren niet kennen: ze kunnen gooien met iets. Ze

verdedigen zich op afstand. Chimpansees maar ook andere apen hebben daar een handje van, daar moeten hun onderzoekers altijd op bedacht zijn.

Chimpansees zijn ‘te hooi en te gras’-gooiers. Als een gevaarlijk beest in hun buurt komt, gooien ze met wat voor het grijpen is: afgebroken takken, stront zelfs. Maar de aapmensen (hominiden, Australopithici, laten we ze hier verder lekker kort AP’s noemen) moesten hun eten op die open grasgebieden bij elkaar scharrelen. De AP’s zijn ‘professionele’ gooiers geworden. Ze moesten wel, ze konden geen stap zetten op die open terreinen zonder bewapening tegen de grote katten en de hyena’s.

Dat deze bestond uit stenen ligt voor de hand: die zijn overal wel te vinden, vooral aan de oevers, en ze doen flink pijn als je die als krokodil dan wel als sabeltandtijger tegen je kop krijgt.

Over de sabeltandtijgers moet ik even wat uitweiden. Ze waren gespecialiseerd in olifant-achtigen, neushoorns, nijlpaarden. Tegen die dikhuiden konden de grote katten en de hyena’s niks uitrichten. Een sabeltander kon dat wel; hij besloop zo’n vleesfort; dan een bliksemsnelle spurt ónder het dier door en rats! met de twee vlijmscherpe sabels die uit hun bovenkaak hingen (ze konden hun muil abnormaal ver opensperren) sloegen ze de zachtere onderbuik open zodat de darmen er uit vielen. De natuur is wreed en kent geen mededogen. Van een afstandje wachtte moeder sabeltand met haar jongen af tot het reddeloze dier door de knieën ging en dan voedde de familie zich met de ingewanden. Voor het spiervlees waren die sabels te kwetsbaar: de rest van het karkas was voor de aaseters.

Die lagen al in groten getale te wachten. Want de gieren volgen vanuit hun hoge uitkijkpost de gangen van de sabeltanders, en hebben als eersten in de gaten dat er een maaltijd aan zit te komen. De grote katten en de hyena’s letten altijd op de gieren: zodra die op een gejaagde manier ergens beginnen rond te cirkelen, snellen ze toe. De sterksten, de grote katten dus, mogen eerst. Daarna zijn de hyena’s aan de beurt. Pas als die het karkas voor gezien houden zijn de gieren aan de beurt.

Op de open grasgebieden zijn de savannebavianen succesvolle jagers. Maar dat zijn viervoeters en dus snelle sprinters; bovendien doen die dat ook met een strategische omsingeling en door in estafette elkaar af te wisselen, tot zo’n antilopenjong dat zich iets te ver van z’n kudde heeft gewaagd, uitgeput is. Maar dat was voor de betrekkelijk trage aapmensen allemaal niet weggelegd. Hoe kwamen die dan aan hun proteïnen?

Zo’n enorm karkas krijgt een troep leeuwen en een meute hyena’s en een zwerm gieren echt niet in één keer helemaal op, en ook van een kleiner karkas blijft in elk geval het vel over.

Op de open plekken van de Pliocene savanne lagen, als resultaat van de jachten van de grote sabeltanders (vandaar mijn uitweiding over speciaal die roofdieren), overal vellen te slingeren.

Daar zit altijd nog heel wat weefsel en vet aan, waar de tweebenige aapmensen (AP’s) dol op waren. De AP’s waren nog aaseters. Trouwens, dat waren de Vroege Mensen nog steeds. Zelfs een moderne jager zal een door een roofdier verschalkte prooi niet versmaden en zal proberen de eigenaar even van zijn maaltijd te verjagen en zich van een malse stuk vlees meester maken. Heel wat makkelijker dan zelf jagen.

Wanneer een vel helemaal leeg gepeuzeld is, leeg geschraapt met een steenscherf of een schelp, dan blijft er een prima draagzak voor spullen aan over. De vellen waren de eerste rijkdom voor de AP’s. Multifunctioneel. Als onderlegger om op te slapen in het nest, als zonnescherm of windscherm voor de kleinen. Maar vooral om dingen in te vervoeren.

Het stenen tijdperk begon met de stenen voor de verdediging en steenscherven om te schrapen en te snijden … en met de multifunctionele vellen.

En … vrouwenwerk dus, het schrapen en snijden met scherpe steenstukken. Elke ochtend stak elke vrouw een vers kapot gegooide steen in haar draagvel voor onderweg. Mannen gebruikten de stenen voornamelijk als bewapening. Dat zien de paleo’s al bij de chimpansees. Wat werktuiggebruik betreft zijn de bonobo’s minder goede voorbeelden. Die hebben dat gewoon nooit nodig, aangezien hun leefgebied veel voedselrijker en veiliger is dan dat van de chimpansees.

AP’s waren dus geen viervoeters meer en ook geen knokkellopers (zoals mensapen zijn), maar tweebeners. Want, duidelijk genoeg, ze hadden hun handen nodig om noodzakelijke dingen mee te dragen, zoals een zware zak stenen. Je kon als AP nogmaals geen stap zetten op de Pliocene savanne of aan de waterkant foerageren tussen de loerende krokodillen zonder bewapening.

Als bonobo-achtigen van afkomst was de overgang naar permanente tweebenigheid echt niet zo groot. Nogmaals, bonobo’s zijn slanker dan chimpansees en ze lopen veel vaker op twee benen dan de forsgebouwde chimpansees dat doen. Een argument te meer voor mijn stamboomschetsje zoals ik dat dadelijk voor u ga tekenen.

Al dit soort gedrag om gerieflijk aan je dagelijkse eten te komen, dat heeft zich in de loop van zeker twee miljoen jaar ontwikkeld, laten we zeggen van 7 tot 5 mjg.

Uiterst geleidelijk, van generatie op generatie, en ongemerkt door de AP’s zelf. Ook hun mededieren pasten zich aan deze stenengooiers aan en begonnen hen te mijden.

Wij vandaag kunnen van af afstand een overgang reconstrueren. Aan fossiele AP-botten kun je zien of het individu rechtop gelopen heeft.

Rechtop lopen kan en doet een mensaap alleen als hij zijn handen nodig heeft om iets zwaars mee te dragen. Want voor een mensaap is het moeizaam gedoe, hij waggelt erbij, het lichaam van het ene op het andere been overbrengend omdat zijn bekken niet aan tweebenigheid is aangepast.

Dat alle AP’s (want er waren meer mensapensoorten) rechtop lopen is dus een bewijs dat ze zich aan deze voortbeweging hebben aangepast uit noodzaak. Om zware dingen mee te dragen. Zoals een zak vol stenen.

Behalve een aangepast bekken ook aangepaste bilspieren, langere en sterkere benen, de voor het lopen naar de tenen migrerende ‘grote teen’, aangepaste bloedsomloop en zelfs een middenrif (nieuw!) om de bovenste organen die bij een mensaap vrij hangen, in de borstkas te houden … al dit soort ingrijpende aanpassingen aan het rechtop lopen, dat kost veel evolutietijd (steeds vaker en langer rechtop lopena.


Maar een tussenfase van krom lopen, zoals de evolutieprentjes laten zien? Denk ‘t niet.

Twee miljoen jaar. Maar dan mag je ook veronderstellen dat 5 mjg de AP’s , voormalige mensapen, zich volledig aan het savannebestaan hadden aangepast. Dus niks kromgebogen kobolden zoals in de populaire films als de Canadese La Guerre du Feu.

Niet alleen lichamelijke aanpassingen. Ook gedrag en leefstijl waren aan de nieuwe leefomgeving aangepast. Bijvoorbeeld taakverdeling tussen de seksen. Vrouwen en grotere kinderen verzamelden het voedsel en de volwassen mannen deden niets anders dan met hun stenen paraat te zorgen dat de loerende roofdieren op afstand bleven. Een man kon niet zijn zak stenen neerleggen en een knol gaan zitten uitgraven. Dat zouden de vrouwen veel te eng vinden: de grote katten en hyena’s lagen altijd hongerig op de loer. Niks. Voedsel verzamelen en knollen uitgraven deden de vrouwen wel. Ze droegen naast eventuele baby alles mee in hun draagtas. Op de overnachtingsplek in het volgende veilige bos werd het eerlijk onder iedereen verdeeld, de mannen kwamen niks tekort.

Het was er echt gevaarlijk. Daar hoorde dus ook uitgekiender sociaal gedrag bij. De AP’s konden zich het mensapenlijke gedonderjaag als een vrouw in de oestrus is (‘loops’ zeg maar) en de mannen vechten om met haar te paren, echt niet meer permitteren. Een bij de AP’s opvallende aanpassing is het kleiner worden van de hoektanden: dé wapens bij uitstek bij de chimpansees en bonobo’s bij de onderlinge gevechten. Maar AP-fossielen worden juist als zodanig herkend aan de kleinere hoektanden en het dichtgegroeide gat in het tegenover-liggende kaakgedeelte.

l. chimp, midden AP, r. mens

Dat je die hoektanden niet meer nodig hebt wil nog niet zeggen dat ze dan ook verdwijnen; mannen hebben ook nog steeds tepels tenslotte. Ze verdwijnen pas wanneer ze in de weg zitten. Dat de hoektanden veel kleiner werden wijst op een bepaald soort voedsel: graszaden.

Je kunt je voorstellen dat op de savannefoto boven behalve die antilopen en zebra’s ook een groep AP’s op doortocht is, op een rij achter elkaar, en dat ze onder ‘t lopen met hun vrije hand graszaden afrissen en in hun mond steken; en dus allemaal lopen te kauwen. Prehistorische kauwgum.

Die zaden moet je eerst vermalen voor je ze kunt eten. Voor malende beweging van boven- en onderkaak zitten slagtanden in de weg. In twee miljoen jaar weg geëvolueerd!

De savannebavianen hebben zich ook aan de savanne-omgeving aangepast; maar dat zijn enorme vechtersbazen en die hebben hun slagtanden dan ook overdadig bewaard.

Bij de chimpansees en de bonobo’s krijgt een vrouw in de oestrus een enorme, bloedrode, sterk geurende vagina waar de mannen helemaal gek van worden. Dus nog een frappante aanpassing in die twee miljoen jaar: het totaal onmerkbaar worden van de oestrus bij de vrouwen.

In de eerste plaats die vagina. Met zo’n enorm opgezwollen apparaat tussen je benen kun je niet lopen, dus dat kreeg de omvang zoals onze vrouwen het hebben. Maar ook die gekmakende geur: niets meer van te merken.

Dat is dus echt alleen omdat het hommeles voorkomt. Konden de AP’s niet meer gebruiken, hommeles: veel te gevaarlijk.

De chimpansees in hun betrekkelijk veilige regenwouden, zelfs die weten niet hoe gauw ze na een gevecht weer ‘vriendjes’ moeten maken. Want ook bij hen is hommeles gevaarlijk. Niet vanwege de roofdieren maar vanwege hun buren. Chimpanseemannen zijn er altijd op uit om de mannen van een andere groep af te maken; als ze daar vaak genoeg in slagen kunnen ze het leefgebied van die groep met vrouwen en al annexeren. Een chimpgroep met goed samenwerkende mannen overleeft.

Hiermee kom ik bij een volgende gedragskenmerk van de AP’s: dat bij hen vermoedelijk de vrouwen de baas speelden en niet de mannen. Is dat ook een gedragsaanpassing aan de gevaarlijke nieuwe omgeving? Nee, want dat is bij de bonobo’s al zo. Je kunt hooguit zeggen dat de gevaarlijke omgeving deze voorouderlijke mensapencultuur bevestigde. Maar … vanwaar dan de macho-cultuur bij de chimpansees en bij ons? Dat ga ik nu bespreken.

De conventionele paleo’s redeneren zo: de chimpansees zijn macho’s en wij ook, dus stammen wij af van een chimpansee-achtige voorouder.

Volgens mij was de gemeenschappelijke voorouder meer zoals de bonobo’s vandaag zijn, aangezien het regenwoud van de laatsten, pal op de evenaar liggend, al die acht miljoen jaar onveranderd gebleven is.

De humanosofen-stamboomschets (groen) gaat ook uit van een recent genen-onderzoek door het Max Planck Instituut van Leipzig aan het bonobo-genoom. Dat wijst uit dat de mens genetisch niet meer dan 1.3 % verschilt van zowel de bonobo als de chimpansee. Maar beide mensapen verschillen onderling 1,4 %.

Voor mij versterkt dat de juistheid van mijn schets: ik vond altijd al dat wij meer weghebben, zowel uiterlijk als in gedrag, van de bonobo’s. De chimps zijn gaan na 2,5 mjg gaan afwijken (forser en vechtlustiger gaan worden) door hun leefomstandigheden door de toen aangebroken ijstijden.

Welnu, een soort verandert pas als de omgeving ervan verandert. Ergo, de gemeenschappelijke vooroudersoort aldaar is gebleven zoals die was en de huidige bonobo’s zijn hun rechtstreekse nakomelingen. Dus teken ik het afstammingslijntje recht vanaf 8 mjg naar de bonobo’s van vandaag, laat onze soort er 6 mjg van aftakken en de chimps pas 2.5 mjg.

Met de leefgebieden waar nu de chimpansees leven is dus wel wat aan de hand geweest. Vanaf 2,5 mjg begonnen de ijstijden en die hadden daar drastische invloed op. Tot wel vijftig keer krompen hun regenwouden in tot er soms maar een paar kleine refugia rond de evenaar van overbleven; waarna die gedurende de opwarmingstijden weer uitbreidden, soms nog verder dan ze in onze opwarmingstijd zijn. Welnu, bij de inkrimpingen werden de voedselterritoria steeds kleiner, met alle overlevingsgevechten tussen de groepen van dien. Oorlog maakt mannen belangrijk. De chimpansees zijn in overpopulatie-situatie geraakt en dat heeft de chimpansees tot vechtersbazen en macho’s gemaakt.

Mensen zijn later ook in overpopulatie-situatie geraakt. Echter: heel veel later. Rond 50.000 jg begon dat pas. En toen begon het baas spelen van de mannen dus ook, hier en daar. Dat ging van kwaad tot erger. Maar … 50.000 jaar is een veel te korte tijd om zo’n wangedrag in onze aangeboren harmonische en egalitaire natuur te nestelen. We kunnen er nog steeds slecht tegen.

Wat overpopulatie betreft nog even het volgende. Overpopulatie (populatiedruk, overpopulatie-stress) begint er mee als in een bepaalde regio de groepen niet langer vrij kunnen rondzwerven zonder in het voedselgebied van een andere te belanden. Er kan maar één groep leven van één voedselgebied. Ze hebben nog lang geen overheid om dingen in banen te leiden. Nou, dan wordt het dus vechten voor de overleving – en oorlog maakt mannen belangrijk.

Maar nogmaals, overpopulatie speelt bij de AP’s nog geen enkele rol, evenmin voor de AP’s die onze vroegste voorouders zouden worden, en zelfs niet voor de Vroege Mensen die uit hen zouden voortkomen in de loop der miljoenen jaren. 95% van de tijd dat onze soort ‘mens’ genoemd wordt door de wetenschap, heeft ze rondgescharreld in kleine groepjes die erg van elkaar afhankelijk waren. Alle theorieën over ons elkaar woest uitmoordende voorgeslacht worden ontkracht door het harmonisch met elkaar omgaan van de meest primitieve Verzamelaars/Jagers (VJ) -gemeenschapjes zoals de Hadza en de Pygmeeën; immers, die zouden dat woeste gedrag dan nog het duidelijkst moeten vertonen?

Bedoelde theorieën berusten op de gaten in veel fossiele schedels. Echter, die bewijzen alleen dat onze vroege voorouders aaseters en kannibalen waren: ze lieten hun overleden dierbaren echt niet over aan hun meest geduchte concurrenten de hyena’s en de gieren. Tot in het recente verleden is het opeten van op z’n minst de hersenen van de overledenen een heilig ritueel gebleven. Bekend is het verhaal van de oude Papoea. Zelfs na het toedienen van het Heilig Oliesel door de missionaris bleef hij huilen. Ben je dan niet blij dat je dadelijk naar de hemel gaat? Jawel, maar ik moet huilen omdat ik niet zal voortleven in mijn kinderen en kleinkinderen – want dat barbaarse kannibalisme was door de missionaris verboden.

Van 7 tot 5 mjg: dat waren twee miljoen jaar van heel geleidelijke aanpassing aan een voor mensapen vreemde en vijandige omgeving. Of dat nou in een eiland-isolement is geweest of niet: het waren tweevoeters, dus geen regenwoud-mensapen meer. Hominiden. Ik noem ze hier AP’s dus.

Ook de roofdieren hadden zich in die twee miljoen jaar al wat aan de AP’s aangepast. Ze hadden door schade en schande geleerd dat je maar beter bij die AP’s uit de buurt kon blijven, wilde je geen hagelbui van stenen tegen je kop krijgen. Zelfs als een roofdier vanuit een hinderlaag een snel-overval pleegde liep het nog risico, want de vrouwen waren bewapend met een aangepunte graafstok en de mannen droegen naast hun zak stenen vermoedelijk ook een aangepunte stok mee, voor zo’n geval. En vergeet niet: mensapen zijn — en dus ook aapmensen wáren — oersterk. Ook hun verre nakomelingen de NT’s (Neanderthalers) waren dat nog. Zelfs de vroege Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) kenden nog veel oerkracht. Maar de energie voor het onderhoud van die steeds minder nodige spierkracht is steeds meer aangewend voor het onderhoud van het brein.

Toen de roofdieren geleerd hadden, voor AP’s op hun hoede te zijn, konden de vrouwen steeds veiliger als vrouwengroepje gaan foerageren: als ze maar zorgden lawaai genoeg te maken zodat de dieren zich tijdig uit de voeten konden maken. Dat kun je vandaag nog steeds aan onze vrouwen merken. Als ze met een groep bij elkaar zijn, hoor je ze al van verre kleppen en lachen.

Jagende mannen zijn doodstil. Maar als pygmee-mannen niet op jacht zijn en gewoon zich van A naar B begeven door hun regenwoud, maken ze voortdurend lawaai met handenklappen en geroep.

De AP-mannen werden geleidelijk overmoediger en durfden soms met een hagelbui van stenen en veel misbaar een roofdier tijdelijk van zijn prooi verjagen, om een bout van de buit af te snijden en mee te nemen.

Twee miljoen jaar. De AP-groepjes die het best aan het savanneleven aangepast waren en de effectiefste bewapening tegen de roofdieren hadden uitgevonden, hielden meer kinderen in leven en overtalligden de groepen die er minder van bakten – en die dus uitstierven (zo klein geworden waren dat de overgeblevenen zich aansloten bij een succesvollere groep). Zo werkt de evolutie: de best aangepasten floreren, de minder aangepasten sterven uit.

Tussen 5,75 en 5,333 mjg moet het een bijzonder barre tijd geweest, want toen heeft de Med (Middellandse Zee ) ten gevolge van de afsluiting bij Gibraltar (door de werking van de tektonische platen) zo’n 50.000 jaar grotendeels droog gestaan. Met alle zoute stofstormen van dien. Het is mij niet bekend wat dit met de AP’s gedaan kan hebben. Overigens, met 5.333, het weer vollopen van de Med, laten de paleo’s het Mioceen eindigen en het Plioceen beginnen.

Maar 5 mjg geleden waren onze AP’s (ik bedoel de AP’s waar onze voorouders uit voort gaan komen) geheel aangepast aan het waterkant-leven. Door het isolement, geschapen door de Rif-barrière en een tijdelijke eilandpositie op een door zee omringde Danakil-hoogte, vermengden zich niet meer met de voorouders van de bonobo’s en de chimpansees. Die leefden nog steeds in de regenwouden dichter bij de evenaar. Onze voorouder-AP’s waren een aparte soort geworden. Hun oudste fossielen worden in de buurt van Danakil gevonden. Van daar uit hebben ze zich, oevers van rivieren en meren volgend, geleidelijk zuidwaarts door de Riftvallei verbreid.

Een aparte diersoort. Nog steeds normale dieren, ook al waren ze volleerde tweevoeters, trokken ze in kleine groepen rond in een steeds savanne-achtigere omgeving, verdedigden zich met stenen en aangepunte stokken tegen de grote katten en de hyena’s, kenden taakverdeling tussen de seksen, droegen hun stenen (de mannen) en het verzamelde voedsel (de vrouwen) met zich mee in draagzakken van schoon geschraapte vellen. Maar nog steeds geen mens te bekennen.

Kijk nog even terug naar mijn stamboomplaatje. Tot aan 4,5 mjg is er nog steeds genen-uitwisseling geweest. Vanaf toen hield dat ineens op. Waardoor? Dat gaan we nu krijgen.

  1. het begon met een meidenspelletje

U en ik zouden vandaag nog steeds AP’s – dus normale dieren – zijn ergens in tropisch Afrika, als er niet, in één van die AP-groepjes iets bijzonders zou zijn voorgevallen.

Ik bedoel, er móet iets bijzonders zijn voorgevallen, want ze werden talige wezens en gingen daardoor een van de overige dieren afwijkend gedrag aan de dag leggen. Vanaf 4,5 mjg gingen ze geen tot vruchtbare nakomelingen leidende contacten met andere hominiden meer aan. Maar wát is dat voorval dan geweest?

Voor zover paleo’s of taalkundigen zich deze vraag al ooit stellen, maken ze zich er doorgaans van af met een hersenmutatie. En vond die dan plaats in één AP-hersenpan? In alle AP-hersens tegelijk? Waar kwam die zo ineens vandaan? Waarom niet ook bij andere soorten? Waarom niet vaker? Schei toch uit. Ik ben allergisch geworden voor die alomtegenwoordige hersen-neukerij , sorry, dat brein-feticisme, die dat alleen maar meer vragen oproept zonder er ook maar één te beantwoorden. Ik verzin gewoon een just-so-story.

Nee, trek daar nou niet je neus voor op. Want wat denk je van de oerknal? Dat is toch ook een beredeneerd maar niet te bewijzen ‘feit’ – al vinden de astronomen steeds nieuwe aanwijzingen die het bevestigen? Een hypothese waarmee vervolgens alle heelal-fenomenen coherent verklaard kunnen worden? Met mijn taalhypothese kan ik alle verdere mens-fenomenen coherent en bevredigend verklaren. Ik ruil mijn just-so-story meteen in als iemand een betere heeft. Maar kom niet aan met een hersenmutatie.

Hier komt mijn taalhypothese: een meidenspelletje. Ik heb er ook een schilderijtje bij verzonnen.

Op zekere ochtend, laten we zeggen 4 mjg, nadat de hele AP-groep uit de nesten was geklommen en al naar het water was geweest om te drinken, de mannen hun voorraad stenen hadden aangevuld, de vrouwen hun kalebassen vol water hadden en hun draagtassen en eventuele baby’s op hun rug hadden gehesen voor vertrek, had de alfa-vrouw beslist dat de foerageertocht vandaag dié kant op zou gaan.

Meteen begon haar dochter te stralen: ze wist dat ze dan die dag het bestand bessenstruiken zouden aandoen en ze was verzot op die lekkere bessen. Haar twee vriendinnen keken haar bevreemd aan: vanwaar die plotselinge euforie?

Het meisje pijnigde haar hersens af: hoe kon zij haar vriendinnen nou duidelijk maken waar zij aan dacht? En bij ingeving imiteerde ze met haar handen [bes], [plukken]en [in haar mond steken], gevolgd door een verzaligd proeven. Geen reactie. Toen nog eens, en nog eens. De jongste vriendin begon ongeduldig te worden: de groep was zich al op weg aan het begeven en het was heel gevaarlijk om los van de groep te raken. De oudere vriendin echter wist: die bedoelt iets, maar wat in godsnaam? En ineens viel bij haar het kwartje, en de deed de imitatie na. Yess!! En schaterend haalden ze de groep in. De hele dag hadden ze lol en deden ze de [bes]-imitatie opnieuw. Ook andere vrouwen begrepen het spelletje en lachten. De volgende dag ging de route een andere kant op en toen bedacht de oudere vriendin wat ze die dag dan zouden tegenkomen: [knollen uitgraven]. En weer de hele dag pret, en nog meer vrouwen deden de [knollen uitgraven]-imitatie.

Het zegt u misschien nog niks: gewoon een stom meidenspelletje. Maar bedenk wel: dit was nog nooit vertoond in de hele lange geschiedenis van het leven op Aarde: een dier dat het met een mededier kon hebben over iets wat er niet wás. Iets op een verre plek of zelfs in een ander seizoen. U zegt misschien: en de bijen dan? Ja, nee, niet instinctief zoals communicatie bij (sommige) insectensoorten voorkomt, maar bewust, als keuze.

Ja maar, oppert een ander: apen kunnen elkaar ook opmerkzaam maken op een dreigend gevaar, zelfs met een aparte kreet voor [slang!] die een andere is dan voor [roofvogel!]. Jaja, de beroemde groene meerkatten. En dan maar meteen ook de voedselkreten van de chimps, bij het zien of ruiken van iets lekkers. Ze hebben zelfs een aparte kreet voor [vlees], een andere dus dan voor [banaan] of ander plantaardig voedsel. Maar… dat is allemaal stimulus-respons reactie. Als je een chimpje een banaan geeft kan het die kreet niet eens binnenhouden. Net zoals wijzelf als we ons plotseling ergens aan branden of ons bij timmeren op de duim slaan: AWW!! Maar als een chimp zin heeft in een biefstukje, kan hij dit niet tegen de oppassers te kennen geven met de kreet [vlees!]: die kan hij niet bewust produceren. Zo meteen wordt duidelijk waardoor niet.

Nee, dit meidenspelletje was iets heel nieuws. Het was het overbrengen van een denkbeeld van de ene apekop in de andere. Zonder geluid. Ja, lachen achteraf, maar niet bij het overbrengen.

Omdat het behalve leuk ook wel handig was bleef het er in en breidde het zich uit. Aanvankelijk alleen binnen dat ene groepje, en onder de vrouwen. Wanneer een vrouw iets nodig had, water of zo, maakte ze het gebaar voor [water] en dan begreep haar dochter dat ze even water moest halen. Steeds meer van die gebaren-imitaties die iets speciaals betekenden. Het werd een ‘cultuurtje’ in die groep.

Wanneer een jonge vrouw naar een andere groep verkaste voor een partner, nam ze dat ‘cultuurtje’ mee. En zo verbreidde het zich generatie na generatie over die hele stam. Onze voorouder-AP’s!

Ik noem ze hier verder VOAP’s, dat praat makkelijker.

Je begrijpt: die gebaren-imitaties zijn woorden, symbolen, zijn namen voor dingen. De VOAP’s waren de eersten en tot nu toe enigen in de dierenwereld die beschikten over namen voor de dingen.

Die namen voor dingen maakten ze dus niet met hun stem. Alle taalkundigen gaan er van uit dat de oorsprong van ons taalvermogen – voor zover een linguïst zich daar al een voorstelling van wenst te maken – een verfijning en uitbreiding is van de mensapen-kretologie. Maar ze vergeten daarbij dat mensapen geen bewuste controle hebben over hun stem. Als een mensaap eten ziet, slaakt hij een voedselkreet. Dat komt: zijn stem wordt, zoals bij alle dieren, aangedreven vanuit het limbische systeem. Dat is een dieper hersengedeelte waar de emoties huizen. Terwijl bewustzijn zich afspeelt in de neocortex, de
hersenschors.

Je kunt een mensaap dus niet leren praten. Dat is in het Amerika van de jaren ’50 heel serieus geprobeerd: baby-chimps laten opgroeien binnen een gezin, samen met de eigen baby. In het begin was het chimpje voorlijk in alles. Maar toen het op praten aankwam, streefde de mensenkleuter ze chimpkleuter met gemak voorbij. Een ongelijke wedstrijd: het mensenkind wordt geboren met de taalaanleg als ‘programma’ in z’n hersentjes. Het chimpje leerde hooguit een paar woordjes als mama en papa, maar dan zonder de a’s, alleen de lip-medeklinkers. En ‘cup’ kon het ook zeggen, maar dan zonder de u. Het heeft geen bewuste controle over z’n stem. Ja, schreeuwen kon ‘ie als de beste, maar niet praten.

Wat chimpbaby’s wél konden leren was ASL (Amerikaanse gebarentaal). De beroemde Washoe heeft 125 ASL-woorden leren gebruiken, en ze heeft het zelfs, zonder hulp, een beetje aan haar (geadopteerde) zoontje aangeleerd.

Onze VOAP’s waren nog mensapen, zij het tweebenige. Ons taalvermogen is dus begonnen als gebarentaal. Daar ga ik verderop meer over zeggen. Eerst iets belangrijkers: wat is nu het bijzondere van het gaan beschikken over namen voor de dingen door onze VOAP’s? Zo bijzonder dat het onze voorouders mentaal uit de dierenwereld heeft doen migreren?

Zes dingen. Leer die maar van buiten als je voortaan paraat wilt hebben wat ons van dieren tot mensen heeft gemaakt.

1. Een naam voor een ding ís niet het ding. Er gaapt een onoverbrugbaar gat tussen het ding en de naam (symbool, woord) ervan/voor. Ik wijs nog even op het ‘statement’ van René Magritte uit 1929.

Maar waar het nu om gaat is:

er is hiermee een mentale (geestelijke) afstand tussen de ‘benoemer’ en het ‘benoemde ding’ ontstaan. Door steeds meer dingen van hun omgeving een naam te geven, kwam er ‘licht’ tussen de VOAP’s en hun (benoemde) omgeving. Althans mentaal (geestelijk), nogmaals. Ze kwamen gevoelsmatig een beetje ‘los’ van hun omgeving, terwijl de overige dieren daar willoos onderdeel van bleven uitmaken.

Er kwam afstand tussen subject (de benoemer) en object (het benoemde ding). De VOAP’s konden voortaan de dingen objectiveren. Ze kwamen er ‘afstandelijk tegenover te staan’, kun je ook zeggen.

2. Met een naam ‘grijp’ je ahw het ding. Je kunt een naam zien als een handvatje aan het ding, waarmee je er ‘vat’ op krijgt’. Je kunt het er mee beetpakken en het overreiken aan de ander, die het ‘vatten’, be-‘grijpen’ kan. Daarmee krijgt die het (als denkbeeld) ook in zijn brein.

Onze VOAP’s zijn het pad opgegaan van het gaan ‘begrijpen’ van de dingen. Dat pad leidde hen de dierenwereld uit, leidde hen uiteindelijk naar ons, naar het mens-zijn. Op dat pad bevinden we ons nog steeds, en er is geen terug naar het niet-begrijpen. We kunnen alleen maar verder op dat pad, naar het steeds beter begrijpen van de dingen.

3. Met een naam voor de sabeltandtijger kregen de VOAP’s ‘vat’ op dat gevreesde dier. Ze kregen er ‘grip’ op. Dat verminderde hun instinctieve angst voor het monster een beetje. Ze bleven ervoor op hun hoede, natuurlijk, maar de blinde paniek ging er af. Het gekke is: het leek een beetje op hun kunnen gooien met stenen. Wij zeggen ook nog wel eens: ik doe er een gooi naar.

Mensen die te horen krijgen dat ze kanker hebben, voelen ondanks de klap toch ook iets van opluchting; ze voelden al lang dat er iets heel fout was in hun lichaam en waren bang. De vaststelling van de ziekte gaf het toch een gevoel van ‘grip’: het had een naam, en kwam daarmee onder controle.

Dat ‘vat’ krijgen op iets of iemand is ook een aantasting. Bij primitieve stammen mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, je moet de persoon omschrijven. Iemand bij zijn naam noemen wordt gevoeld als aantasting van de integriteit van de persoon. De Joden mogen hun God nog steeds niet bij zijn naam noemen.

Iemand afbeelden heeft hetzelfde gevoelsmatige effect, en vandaar ook Magritte’s pijp-afbeelding die evenmin een pijp is als het woord ervoor. De moslims moeten het niet wagen om Mohammed af te beelden, of zelfs enig mens of dier. Afbeelden mag niet, punt uit. Heel ‘achterlijk’ dus, zijnde een standpunt van Bedoeïenen; een pre-islam standpunt, zoals ook hun besnijdenis en hun Ka’aba en nog veel meer pre-islam zijn.

Met de naam voor de dingen kregen de VOAP’s gevoelsmatig macht over de dingen. Dat heeft er toe geleid dat ze (ik schat zo’n 3 mjg) het vuur zijn gaan gebruiken in plaats van er, zoals hun mededieren, in paniek voor op de loop te blijven gaan. Maar ook dat heel belangrijke moment komt verderop aan de orde. Eerst deze opsomming af maken.

4. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s voortaan kennis, door de ene generatie opgedaan, overbrengen op de volgende. Kennis kon zich bij hen gaan opstapelen.

5. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s ieders individuele scherpzinnigheid op één hoop gooien. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan. De VOAP’s konden brainstormen. Dat is de kracht van het mens-zijn. De kracht van de democratie ook, in tegenstelling tot dictatuur die altijd tot achterlijkheid leidt en het vroeg of laat af moet leggen tegen democratie.

6. Met hun namen voor de dingen konden de VOAP’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken werden ze van bange troepjes aapmensen de hooligans van de savanne.

Zo, dat waren de zes dingen die je echt in gedachte moet houden als je wilt beseffen wat het verschil is tussen mensen en alle overige dieren. De zes dingen die ons zo bijzonder hebben gemaakt in de natuur.

Dit is iets wat Frans de Waal niet van mij wil horen. Zijn levenswerk is: het verkleinen van de onoverbrugbare kloof die ons, christenen, altijd heeft gescheiden van onze mededieren; en nou gaat die humanosoof die kloof weer enorm laten gapen!

Ik heb twee dingen voor me uit geschoven. Ons taalvermogen als gebarentaal. En de spectaculaire gevolgen van het vuur-gebruik (spectaculairder dan dat het hun macht over hun mededieren verschafte).

Gebarentaal. Nou ja, taal? Proto-taal. Het heeft in het eerste miljoen jaar (van 4 tot 3 mjg, ik doe maar een gooi) het proto-gebarentaaltje van de Washoe-familie in Ellensburg (Washington State) in het CHCI van de plaatselijke universiteit, niet veel overstegen. Met het vuur, waarover zo dadelijk, zal dit met sprongen vooruitgaan. Wat ik eerst nog wil benadrukken is, dat de taal-experimenten met chimpansees ons geleerd hebben dat blaas- en plofgeluiden met de lippen (labialen), tong- (dentalen) en keelgeluiden (gutturalen) vanaf het begin, toen de klinkers (vocalen) nog niet inzetbaar waren bij het vormen van namen voor de dingen, wél inzetbaar waren.

Als bonobo-achtige mensapen waren de VOAP’s al zeer communicatieve dieren, en ten zeerste geneigd om bij hun communiceren hun stem volop te laten meedoen. Chimpansees daarentegen zijn in rust weinig luidruchtig. Onderzoekers kunnen, op zoek naar hun studie-objecten, onder een boom vol foeragerende chimps door lopen zonder hen te horen of te zien. Maar bij bonobo’s is zo’n situatie ondenkbaar; al van verre is hun onophoudelijke communicatie, klinkend als van keffende hondjes, hoorbaar.

Hun stem heeft vanaf het begin meegedaan, weliswaar nog niet betekenisdragend maar als emotionele begeleiding. De k- en ch-klanken, de p- en f-klanken, de m- en ng-klanken die ze wél bewust konden maken (zijnde spiergevormd), zijn vermoedelijk al wél vanaf het begin als betekenisdragend ingezet. Een aanwijzing voor de juistheid van dit vermoeden leveren de klik!-talen van de Koi-San in Zuidelijk Afrika. De San behoren tot de oudste nog overlevende volkjes van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die nog rechtstreekse nakomelingen zijn van de gebarentalige Vroege Mensen aldaar.

Gebarentaal is vandaag doventaal. Het is echt taal – linguïsten hebben nog steeds moeite om daar rekening mee te houden. Doven kunnen een beetje leren praten door de spierbewegingen van gelaat en lippen van sprekenden te leren ‘lezen’, en na te bootsen – want ze beschikken over hun stem tenslotte. Maar de Vroege Mensen (de Neanderthalers behoorden daar nog steeds toe) waren niet doof en niet blind of zo; ze hadden alleen nog te weinig controle over hun stem. Dus die bleef een ondergeschikte rol spelen bij hun gebaren en hun klik! en klak! en prr- en chch- geluidencommunicatie.

Het gekke is – en of het er iets mee te maken heeft, durf ik niet te beweren – dat het Arabische schrift (dus ook het Joodse) aanvankelijk geen klinkers kende maar alleen medeklinkers.

Die controle brak zo’n 100.000 jg wél door bij de AMM’s. Daardoor werden zij de Anatomisch Moderne Mensen (conventionele paleo’s spreken van H. sapiens). Zij zouden de Vroege Mensen tot uitsterven brengen; maar dat is pas zo laat in mijn verhaal dat ik die ontwikkeling nog mijlenver voor me uit schuif.

Bij de AMM’s is de oorspronkelijke gebarentaal gedegradeerd tot een ondersteunend element bij het spreken; maar die zit zo diep in onze talige communicatie ingebakken dat we er nog steeds moeilijk buiten kunnen – vooral wanneer onze communicatie emotie-geladen is. Hoe emotioneler we zijn, des te breder onze gebaren. Telefonerende mensen laten het zien.

Onze woorden komen ook beter ‘los’ als we er gebaren bij mogen maken. Je ziet iemands gesticulatie ook een fractie eerder dan je diens woorden hoort, let maar eens op bij een tv-discussie.

  1. De vellen en andere werktuigen

Bij mijn korte uitweiding over de sabeltandtijgers in par. 1.1 heb ik er al over gehad: ook als normale AP’s gebruikten de VOAP’s al vellen als draagtassen. En ik heb daar al beweerd dat met de stenen waarmee de mannen de AP-groepen beveiligden, het Stenen Tijdperk was aangevangen. Maar meer dan er mee gooien deden de mannen niet met die stenen.

De vrouwen wel. Want die moesten voor alles zorgen: voor de kinderen, voor het eten en voor de draagtassen. En het is bij hun mensapenlijke voorouders al zo: het zijn vooral de vrouwen die gereedschappen maken en gebruiken. Bij de chimpansees bijvoorbeeld zijn het de vrouwen die met ontbladerde takjes geduldig hengelen naar termieten, met een klopsteen op een hamersteen keiharde noten kraken, met een aangepunte tak aapjes uit hun diepen holletje spietsen of in het natte seizoen knollen uitgraven.

Er is zeker ook verband met de aard van de regenwoud-omgeving. Bonobo’s tonen weinig neiging tot werktuiggebruik, in hun volledige regenwoud; maar de genoemde voorbeelden van de werktuig gebruikende chimpanseevrouwen zijn afkomstig van meer savanne-achtige omgevingen. Dan wordt werktuiggebruik door de VOAP-vrouwen in hun volledige savanne-omgeving vanzelfsprekend.

Dus nu komt de eerste van de uitvindingen die ons tot mensen hebben doen worden: de stenen messen, schrapers en shoppers (hakmessen, zie afb.).

Met hele stenen konden de vrouwen weinig uitrichten, ze hadden scherpe steenscherven nodig. Bij het bereiden van het voedsel, zoals het openhakken van botten voor het merg; maar vooral bij het maken van hun tassen. En dan niet alleen voor het schoonschrapen van de vellen, maar ook het vormgeven van de tassen en misschien ook al voor het snijden van steeds smallere repen die als riemen konden worden gebruikt. Slingers?

De eerste? Ja, werktuigen gebruiken zelfs regenwouddieren als chimpansees. Zeker chimpansee-vrouwen in een savanne-achtig wordende omgeving. Dus ik moet veronderstellen dat alle AP-vrouwen werktuigen gebruikt hebben, en dat de AP-mannen stenen als wapens gehanteerd hebben voor de veiligheid van hun foeragerende vrouwen. Maar de VOAP-vrouwen zullen het werktuiggebruik door in geïntensiveerde communicatie vast wel verder hebben ontwikkeld dan de huidige savanne-chimps.

Het maken van slingers als jachtwerktuig lijkt mij ook al een vroege uitvinding, en het zou me niet verbazen als ook dat van oorsprong een vrouwen-uitvinding is geweest. Maar dat zal wel nooit ‘hard gemaakt’ kunnen worden.

Maar ik durf wel keihard te beweren dat de vroegste stenen werktuigen, zowel van het Oldowan-type van 3,3 mjg (zie afb. hierboven ) als van het Acheuleen-type (afb. hiernaast) vrouwen-uitvindingen zijn geweest, en dat bijvoorbeeld de vuistbijl een typisch vrouwenwerktuig is geweest.

Dat is echt een andere kijk op de stenen werktuigen dan de paleo’s tot nu toe tonen. Paleo’s zijn discipline-wetenschappers en hebben nauwelijks tijd om inzichten uit andere disciplines bij te houden. Zoals ik al zei: dat dient typisch filosofenwerk te zijn. Zodra de filosofen hun eigenlijke taak op zich gaan nemen, zulle alle wetenschappelijke disciplines daar enorm van profiteren: hun werk gaat daardoor deel uitmaken van hét grootse mensenproject: het op wetenschap gebaseerde Scheppingsverhaal. Ik ken een paleo die ook ronduit schrijft dat de disciplinewetenschappers zitten te wachten op het Grote Verhaal waarin zij hun vondsten kunnen inpassen.

Natuurlijk zijn ook de mannen steeds meer werktuigen gaan gebruiken en hun eigen stenen werktuigen gaan vervaardigen. Maar wie begonnen met het afslaan van steenscherven? De vrouwen. En ik verdenk hen ook van het bedenken van vallen en strikken. De eerste belangrijke uitvinding , die zelfs nog aan die allerbelangrijkste vrouwenuitvinding, namen voor de dingen, is voorafgegaan. En nu snel naar hun derde grote uitvinding:

  1. het vuur

Zo’n 3 mjg zijn de VOAP’s het vuur gaan gebruiken. Zeg ik.

Geen enkele paleo die daar aan wil, aan zo’n vroege datering voor het vuurgebruik.

Dat komt vooral doordat ze als postmodernisten een lage dunk hebben van de menselijkheid van de Vroege Mensen. Zelfs de Neanderthalers (NT’s) werden door hen nog lang als uiterst stompzinnige oermensen aangezien. Speren? Welnee, de NT’s hadden hooguit ‘sondes’: aangepunte stokken om daar mee in de sneeuwlaag te prikken naar door de sneeuw begraven karkassen van mammoeten; stuitte een NT op iets dan rook hij aan de punt; rook hij vlees dan begonnen ze honk-honk-honk het karkas op te graven met hun grove grote handen. Jaja. Totdat er in Schöningen echte professionele speren werden opgedolven, van 350.000 jg. Dus van de verre voorouders van de NT’s! Nooit meer iets over die ‘sneeuwsondes’ gehoord.

Vuur? De conventionele paleo’s erkenden alleen vuurgebruik wanneer in de archeologie echte haarden werden blootgelegd. Dus hooguit 40.000 jg. Archeologische vondsten noopten hen om het tijdstip te vervroegen naar 300.000 jg. En toen in Israël werd in een grot een kennelijke stookplaats gevonden, OK, dan naar 400.000 jg. Maar toen in Koobi Fora, waar het oudste H.erectus-skelet van 1.5 mjg is opgedolven, ook sporen van verbrande aarde werden aangetroffen, werden deze laatste afgedaan als gevolgen van bliksem of zo. Zelfs een overigens heel gezaghebbende paleo als Richard Wrangham, die aantoonde dat het slanke kakement en de grotere hersenen van dat H. erectus-skelet alleen een gevolg kunnen zijn van het kunnen koken en braden, durft niet over vuur te praten!

Hoe durf ik dan terug te gaan tot 3 mjg?

Wel, ik ben geen paleo en niet conventioneel, ik gebruik gewoon behalve de beschikbare informatie mijn redeneervermogen en hoef geen reputatieschade te vrezen. Lekker makkelijk wel: fools jump in where angels fear to tread. Ik begin met te wijzen op het vuurgebruik van de Pygmeeën van het Afrikaanse Ituriwoud.

San Bushmen onderweg, even wat eten. Dus hebben ze een knol uitgegraven en stoven hem op ‘t vuurtje.

Evenmin als de Pygmeeën van de Andamanen (India), ook behorend tot de vroegste AMM’s, kunnen geen dag zonder vuur. Maar … zij kunnen niet zelf vuur maken.

Ook in die tropische klimaten kunnen ze nooit zonder vuur, noch zitten ze ooit zonder vuur.

Elke vrouw draagt onderweg een kooltje vuur mee. Zodra ze ergens een rustpauze nemen, maken ze een vuurtje. Ze hoeven helemaal geen vuur te kunnen máken, ze zitten nooit zonder.

Welnu, wat dacht je terug te kunnen vinden van zo’n vuurtje als op bovenstaande foto, na een paar maanden? Een speurder misschien zou nog iets kunnen traceren. Maar na een jaar? Echt geen spoor meer. Laat staan na 1000 jaar. Laat helemaal staan van de vuurtjes van de Vroege Mensen. Dus neem kennis van hoe Verzamelaars/Jagers het vuur gebruiken.

Belangrijker vind ik mijn taligheidsargument. Maar dat schuif ik nogmaals een stukje voor me uit, eerst verzin ik een just-so-story over het eerste aangelegde vuurtje. Dat moet ook weer door een vrouw gedaan zijn want het had met eten te maken. Maar nu een oudere vrouw, een oma. Het hoeft van mij niet eens de alfavrouw geweest te zijn.

De VOAP’s hadden al lang hun instinctieve angst voor het vuur verloren: ze hadden er immers een naam voor. In de droge tijd breken er in de savanne vaak natuurlijke branden uit. Voor veel savannedieren is dat weliswaar beangstigend, maar ook aanlokkelijk. Roofdieren en gieren gaan er op af om, zodra het gedoofd is, de geroosterde karkasjes van gedierte dat zich niet uit de voeten had kunnen maken, te verorberen. Zelfs antilopen komen op een gedoofde brand af, om te likken aan de zoutige as. Ook voor de VOAP’s, nog steeds aaseters als ze waren, was rook aan de horizon een teken om er zo snel mogelijk heen te gaan. Niet alleen vanwege geroosterde karkassen: daar waren ze natuurlijk te laat voor. Maar omdat ze wisten dat knollen die in rauwe toestand oneetbaar zijn (denk aan onze aardappel) dat in geroosterde toestand wél zijn, en zelfs heel lekker (denk aan onze frites).

Let nu op die oma. Als kind had ze al met de andere kinderen lopen spelen met nog half smeulende takken. Maar vandaag, nu ze weer bij zo’n nagenoeg gedoofde brand vertoefden, volvoerde ze het plannetje waar ze al heel lang op had lopen broeden. Ze sleept een nog smeulende tak naar een veilige plek, voedt het met droog materiaal, blaast het aan tot de vlammen opflakkerden. Terwijl de andere VOAP’s schreeuwend van ontzetting van een afstandje toekijken, neemt ze een uitgegraven oneetbare knol, steekt die aan haar graafstok, roostert heml langdurig.

Het gekrijs van de anderen is opgehouden. In de doodse stilte proeft de oma van de geroosterde knol. Ze komt moeizaam overeind en loopt er mee naar haar kleindochter. Die eet er ook van – en zal nooit vergeten wat haar oma die dag had gepresteerd.

Enorm gekrijs van opluchting en bewondering was haar deel.

Einde verhaaltje. Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur, ik ben daar gek. Maar ooit moet iemand het eerste vuurtje aangelegd hebben.

  1. de taalgevolgen van het vuurgebruik

Het gaat mij om de spectaculaire gevolgen van het vuurgebruik.

oude chimpansee-overnachtingsnesten, hoog in de kruinen

Vóór het moment van het eerste aangelegde vuurtje moesten de VOAP’s nog steeds voor een veilige overnachting tegen het vallen van de kortdurende schemer in de bomen klimmen en hun overnachtings-nest vlechten. Ze namen vermoedelijk wel hun vellen mee, om daar lekker zacht op te liggen, en nog een vel om zich toe te dekken, want ook in de tropen wordt het koud ‘s nachts. Wat hun gebaren-communicatie betreft: dat werkt in ‘t donker natuurlijk niet. Die bleef dus beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen ervan na aankomst op de overnachtingsplek. Proto-taal dus.

Maar hoe anders werd hun leven na dit vuur-moment, nu ze voortaan de nachten op de grond konden doorbrengen, rond een kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren en uren werden aan hun dagen toegevoegd. Uren die zich nergens anders voor leenden dan voor communicatie.

Wat communiceerden ze dan?

Natuurlijk iets dat hun gedachten erg bezighield. Bijvoorbeeld (en ja hoor, hier komt alweer een eigen verhaal) de beangstigende ontmoeting met een buffel die middag.

De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, met hun stenen in de aanslag. De vrouwen en kinderen waren een boom in gevlucht. De buffel had geaarzeld: de VOBO’s waren berucht. Als je ze te na kwam, kreeg je ze een hagelbui van pijnlijke keien naar je kop. Na een paar keer schrapen met zijn hoef had de buffel zich omgekeerd en was weggehold.

Die avond dacht een vrouw terug aan die angstige ogenblikken. Ze sprong op en imiteerde de buffel. De overige vrouwen krijsten. Een man sprong op en imiteerde de angstaanjagende buffel, schrapend met zijn [hoef]. Nog harder gekrijs. De overige mannen sprongen op en vormden een ‘muurtje’. En de [buffel] maakte dat hij weg kwam!

Opgelucht gekrijs. De rust keerde weer. Maar het was zo’n prachtige en opwindende opvoering geweest, dus ze deden hem nog een keer, en nog een keer. Totdat ieder zich in zijn vel draaide en ging meuren. De volgende avonden deden ze weer de [buffel], tot deze performance plaats moest maken voor een nieuwe gebeurtenis. Maar er ging voortaan geen avond meer voorbij zonder een ‘performance’.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. En nou komt het. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces. Ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaanster heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Wanneer de aanzet van een woordgebaar al begrepen wordt binnen de context maakt je het hele gebaar niet af. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren.

En die hebbelijkheid hebben we nog steeds. In ons taalgebruik schuwen we nodeloze herhalingen. Ikzelf haat herhaalde woordenreeksen als ‘miljoen jaar geleden’ en kort ze graag af tot mjg. Vandaag zie je het ff gebeuren met de sms-taal.

Na het trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij] – en vergeet niet de lip- en klik!-geluiden die ze erbij gebruikten – ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de VOAP’s zich nu veel sneller tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen.

Onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de VOAP’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? Taalgebruik werkt alleen als iedereen zich aan ontstane regeltjes houdt.

O zeker, de VOAP-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar een vaste woordvolgorde moet er al vanaf het begin deel van uitgemaakt hebben: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik. Taal is een puur sociaal verschijnsel, niemand is er de baas over. En dan ontstaan er regeltjes. Hoe die ontstaan?

Hoe ontstaat sms-taal? Hoe ontstaat mode? Hoe ontstaan rages? Gewoon: zomaar.

Ik vertel best wel nieuwe dingen allemaal. Maar ik maak me geen illusie: ik vertel ze als volslagen leek, en in gewone taal. Weinig kans dat mijn nieuwe dingen brede acceptatie vinden. Dat kan pas wanneer eindelijk iemand met wetenschappelijke status hetzelfde schrijft, in nette wetenschappers-taal. Ik wou toevoegen: met de nodige verwijzende voetnoten, maar … waar, naar wie, te verwijzen? Ik kan best wel hier en daar verwijzen, zoals voor het vroege gebruik van de vellen als draagtassen. Maar zit u daar echt op te wachten, humanistendame? En voor mijn nieuwe dingen kan ik dus naar niemand verwijzen.

Oké dan. Ik ben gewoon ook gemakzuchtig. En ben als filosoof humanosoof niet aan disciplinewetenschapsbeoefening gebonden.

  1. dansen/zingen

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam en luidruchtige stemgeluiden. Gebarentaal is nog steeds heel erg lichaamstaal. Trouwens, gesproken taal weinig minder. Let maar eens op hoe je zelf staat te bewegen op een opgewonden of ge-emotioneerd moment.

De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. Vooral bij een emotie-geladen performance leek dat steeds meer op dansen.
Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaal-hypothese, zou ik zeggen. Zoals de begeleidende langgerekte stemgeluiden moeilijk anders dan als gezang kunnen worden aangemerkt. Let echter wel: het dansen/zingen heeft pas echt goed vorm gekregen door het avond aan avond tot uitdrukking brengen van het Scheppingsverhaal van hun (woorden)wereld dat dadelijk ter sprake komt.

De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging. Want bedenk: voor de dieren die we oorspronkelijk waren, was deze vorm van communicatie nog heel nieuw en gebrekkig – terwijl we er toch steeds meer in gingen denken. Terwijl hun dierlijke lichaamstaal onmiddellijk z’n werk deed, behoefde de ondierlijke communicatie met namen voor de dingen voortdurende herhaling en bevestiging.

  1. in plaats van instinct: geloof

Namen voor de dingen. Het gevoel van afstand, van macht, heeft hen, als enige van alle soorten die de natuur kent, de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Het heeft gemaakt dat zij, begonnen als een volstrekt onaanzienlijk ondersoortje chimpansee-achtigen, als VOAP’s en met hun vuur dé dominante zoogdiersoort van de Aarde zouden worden.

Eerst een nieuwe naam verzinnen voor de VOAP’s, die door het kunnen koken en braden er echt wel anders uit waren gaan zien dan hun aapmensen-voorouders. Ze waren groter van gestalte (hun dieet was rijker en voedzamer), hun kakementen waren minder fors (ze hoefden niet meer zwaar te kauwen) en ze kregen grotere koppen (alle paleo’s hebben het alsmaar over die grotere hersenen, en denken dan: meer intelligentie; ik zelf denk eerder aan meer sociaal gedrag: hogere groepsdieren zoals dolfijnen en olifanten hebben ook grotere hersenen en zijn socialer dan bijvoorbeeld katten of tijgers.)

Vanaf nu praten paleo’s over Homo erectus, H. heidelbergensis tot en met H. neanderthalensis. Voor mijn verhaal zijn die taxonomische onderscheidingen
minder interessant dus ik noem ze gewoon Vroege Mensen. Ter onderscheiding van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die vanaf 100.000 jg van zich doen spreken en waar u en ik en alle mensen vandaag toe behoren. Ja, ik spreek van AMM’s, en niet van Sapiens, zoals mainstream auteurs nog steeds plegen te doen. Maar dat is zo’n achterlijke Linnaeus (1758)-aanduiding, die veronderstelt dat we pas als AMM’s ‘wetend’ werden. Nou, dat weten we anno 2015 toch beter, dacht ik.

Er zat ook een nare kant aan de overgang op het benoemen van de dingen, aan het overgaan van het instinct-gedreven handelen naar het handelen als resultaat van gezamenlijk (of inwendig) overleg. Daarmee wordt de voorouderlijke instinctzekerheid aangetast. Je kunt geen twee kapiteins op het schip van je besluitname hebben.

Laat ik het anders formuleren. Zolang de leefomgeving van een dier in de toestand blijft waarop zijn instincten in zijn specifieke evolutie zijn afgesteld, kent een dier geen onzekerheid. Maar de VOAP’s konden dat instinct-gedreven handelen steeds minder gebruiken omdat dit botste met het met elkaar overleggen over wat te doen.

Nou én? zou je zeggen, liever kwijt dan rijk toch, dat dierlijke instinct? Ja, maar hun begrijpen van de dingen was nog uiterst gebrekkig. De meeste dingen begrepen ze nog totaal niet. Het was met niks begonnen en het stelde aanvankelijk weinig voor. Maar even goed moesten ze in overlegsituaties hun instinctieve reacties onderdrukken.

Zo dreigden ze steeds meer ten prooi te raken aan een ‘existentiële’ onzekerheid. Aan getob: over de aarde die laatst zo boos was geweest en zo geschud had dat het hun hoofdvrouw het leven had gekost: dat die zo weer boos zou kunnen worden. Over de Lemagrut die weer boos dreigde te worden en misschien weer gloeiende aarde zou gaan braken en hete en verstikkende as over alles zou gaan uitblazen. Of dat de prooidieren van wie hun overleving afhankelijk was, niet zouden komen opdagen dit jaar. Verzin het maar.

We hebben namen gekregen voor steeds meer dingen, bijvoorbeeld voor de eindigheid van de dingen, inclusief onze naasten en onszelf. Namen voor de dood. Daar konden we over gaan tobben. Dat doen normale dieren nooit. Een tor die in je wastafel is gevallen, tobt niet maar blijft proberen tegen de gladde steilte omhoog te komen … tot welk einde dan ook daar is. Een hond die aan een boom is achtergelaten, is best wel ongerust maar tobt niet; hij blijft blaffen tot welk einde dan ook daar is. Natuurlijk kunnen ook andere hogere dieren depressief raken, bijvoorbeeld door het concrete verlies van kind of moeder of lief baasje – maar niet door een idee. Olifanten bezoeken jarenlang op gezette tijden het geraamte van een gestorven dierbare; maar dat is een geraamte, geen idee. Of toch ook? Hoe dan ook, ze hebben er geen namen (woorden) bij.

Er wordt beweerd dat het de angst voor de dood is die de oorsprong is van religie. Maar voor de oorsprong van religie heb ik, denk ik, een betere verklaring: religie spruit voort uit onze taligheid, en ik krijg het er nog uitvoerig over. Maar afgezien daarvan: dan zou je mogen veronderstellen dat, hoe primitiever een volkje is, des te meer angst voor de dood. Maar nee hoor. De meest primitieve volkjes (ik bedoel: het dichts bij hoe onze vroege voorouders miljoenen jaren geleefd hebben) zoals de Hadza (Congo) tobben helemaal niet over de dood. Terwijl ze toch religieus zijn. Ze staan aanvaardend in het leven.

Maar daar krijgen we het nog over, ik dwaal af. We hadden het over het aangeboren instinct. Dat moest een toontje lager zingen.

Het instinct-gedreven handelen, dus de instinctzekerheid, is uit het talig beleven van de wereld en het leven weggeduwd. Het zat in de weg, er was een modernere kapitein aan boord gekomen op het schip van ons denken die de gedragingen vanuit onderling overleg stuurde – de instincten werden naar het vooronder verdreven. En daarmee de instinctzekerheid.

Maar … dat heeft ons tot ‘tobbende apen’ doen worden.

Met onzekerheid valt niet te leven, dus de Vroege Mensen hebben van meet af aan mechanismen ontwikkeld ter bezwering ervan. Die zijn tweeërlei: herhalen en geloven.

Herhalen: De dingen precies doen zoals ze altijd al door hun voorouders gedaan werden: traditie, gewoonte. De Vroege Mensen waren oer- en oerconservatief. Hoe vroeger terug in de tijd, des te conservatiever ons voorgeslacht. De paleo’s raken niet uitverbaasd over de vuistbijl: anderhalf miljoen jaar hetzelfde ontwerp! Mijn verklaring is dus: de aanvankelijk extreme onzekerheid, dus aanvankelijk extreme behoudzucht. Geen millimeter durven afwijken van hoe de voorouders de dingen altijd gedaan hadden. Een verklaring temeer is dat de vuistbijl vooral een vrouwenwerktuig was, en voor vrouwen hoeven dingen die werken sowieso niet te veranderen.

Een andere vorm van herhalen: wanneer iemand rond het kampvuur een talige bedenking voordanste, werd die door de anderen eindeloos en met veel emotie herhaald. Elke avond dezelfde dansen, en daar geen millimeter van afwijken. Zingen mag hier ook bij genoemd worden. Zingen in het donker maakt je minder bang, of is in elk geval een beetje rustgevend: het is oergedrag, de Vroege Mensen, en de pristiene AMM’s, zongen bij alles en vooral bij het lopen en doen.

Onder herhalen valt ook: repeterende bewegingen. Die maken ook nog eens rustgevende endorfines vrij. Daarbij denk ik onmiddellijk aan die ene olifant in het oude Burgers Zoo die ik eindeloos zijn voorpoten zag kruisen, met op en neer zwaaiende kop en slurf – in gedachte was hij urenlang op weg door de savanne.

Ritme bij het dansen/zingen. Daardoor is lopen ook rustgevend. Joggen is voor joggers echt geen straf. Als je opgewonden bent, ga je ‘ijsberen’ om tot rust te komen.

Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag wilt dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloven in de werkzaamheid van bepaalde uitingen of handelingen of voorwerpen: magie.

Wanneer de ene mens de baas gaat spelen over de andere, of de ene groep over de andere – maar daar is 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geen sprake van geweest – komt hier het bastion van heiligverklaring
bij. Heilig is: mag je niet aankomen of aan twijfelen. De heiligverklaring is het bastion van de patriarchen voor de onaantastbaarheid van het geloof.

Waar je niet weet, vul je het vreeswekkende gat op met geloof. Daar is helemaal niks mis mee … behalve in een situatie van ongelijkheid. Dan kan die ‘zelfgebakken’ invulling voor de heersende elite politiek zo belangrijk zijn dat die wordt heiligverklaard. Dan wordt het geloof tot een blokkade voor het vrije onderzoek dat het vreeswekkende gat écht zou kunnen opvullen. Moslims zullen nooit vrij worden zolang ze hun Koran als heilig – dat is: onaantastbaar, mag niet aan getwijfeld worden – blijven beschouwen.

  1. Helen Keller en onze woordenwereld

Naarmate steeds meer dingen van de omgeving namen kregen, ‘onder woorden gebracht’ werden, ‘begrepen’ werden, leidde dit er toe dat voor onze voorouders hun hele omgeving uit ‘benoemde dingen’ kwam te bestaan. Vanaf die fase zijn ze ‘talige wezens’ geworden.

Wij beleven onze wereld als een benoemde wereld, een wereld van benoemde dingen. Dingen bestaan voor ons slechts als en in zoverre we er een naam voor hebben. Onze wereld is een woordenwereld.

Dat is een beetje moeilijk te begrijpen voor ons. Het laatste wat een vis zal ontdekken, is water. Ik kan het een beetje voelbaar maken door de beschrijving die Helen Keller (1880-1968) heeft gegeven van de tijd van haar leven (haar eerste zeven jaar) dat ze nog geen namen voor de dingen had. Dus weer even een verhaaltje. Ditmaal niet verzonnen.

De kleine Helen was bepaald een voorlijk kindje, kon al lopen voor ze 1 jaar was en ze brabbelde al volop. Tot ze een zware hersenvliesontsteking kreeg. Toen ze daarvan herstellende was, merkte haar moeder dat Helen niet meer reageerde als de bel ging en ook niet als ze haar hand voor Helens open oogjes bewoog. Helen was doof-blind geworden, voorgoed.

Maar ze was ook veranderd. Ze was niet langer aanspreekbaar. Ze was een huisdiertje geworden. De kleine Helen was een mooi kindje, met mooie kleertjes ook, maar verder een onhanteerbaar huisdiertje. Schreeuwde het huis bij elkaar als haar iets dwars zat of lachte onbeheerst als haar iets behaagde. Maar gelukkig hield haar moeder onvoorwaardelijk van haar kind en had de huishoudster een dochtertje dat elke dag met het ‘huisdiertje’ speelde.

Toen Helen zes jaar was, las haar moeder over een beroemde doofblinde, Laura Bridgman (1829-1889) die niettemin had leren lezen en schrijven. Ze nam contact op met de school waar die doofblinde dat geleerd had. De vader reisde er met Helen naar toe. De directeur ried hem aan, een pas afgestudeerde leerlinge, visueel gehandicapt maar geopereerd zodat ze weer kon zien en kon lezen, als lerares in dienst te nemen. En zo kwam Anne Sullivan in Helens leven.

Anne arriveerde in het gezin als gouvernante. Ze had voor de jarige Helen, net 7 geworden, een pop meegebracht en ‘schreef’ in Helens handje [p-o-p]. In handgebarentaal dus. Helen was aanvankelijk geïnteresseerd door deze nieuwe gevoelservaring, maar toen Anne maar bezig bleef met dat onbegrijpelijke gedoe in haar handje zette ze een keel op en begon wild om zich heen te meppen.

Het werd een moeilijke maand voor Anne, maar ze hield vol. Ze kreeg gedaan dat ze overdag met Helen in een leegstaande hut op de plantage mocht toeven, en inderdaad kreeg ze daar Helen wat beter onder controle. Helen leerde een aantal woorden terug te ‘schrijven’ in Anne’s hand. Maar dat was puur africhten. Helen besefte niet dat die tekens iets te maken hadden met de voorwerpen waar Anne haar tegelijkertijd aan liet voelen. Dus dat het ding en de naam ervoor bij elkaar hoorden.

Op het einde van die moeizame eerste maand waren ze aan het wandelen over de plantage en kwamen ze bij een pomp. Anne pompte water over Helen d’r hand en ‘schreef’ in de andere [water]. En nog een keer. En nog een keer, steeds sneller. Ineens trok Hellen d’r hand terug en raakte toen daarmee de grond aan, haar andere hand naar Anne uitstekend. Die ‘schreef’ daarin [aarde]. Vervolgens greep Hellen naar d’r jurk, en Anne ‘schreef’ [jurk]. Het kwartje was gevallen!

Voor het slapen gaan had Helen die dag al dertig woorden geleerd, en in de dagen daarna gaf ze Anne geen moment rust meer.

Vermeldenswaard is dat ook Laura Bridgman zo’n ‘kwartje’-moment heeft gehad. Ook zij was geboren als gezond kind, en was als tweejarige ten gevolge van roodvonk doofblind geworden. Ze had een eigen gebarentaaltje ontwikkeld, en als haar familie niet begreep wat ze wilde uitdrukken, werd ook zij razend van woede. Als zevenjarige was ze op het blindeninstituut van Samuel Howe (1801-1876) terechtgekomen. Die had een heel nieuwe leermethode ontwikkeld: het ‘vinger-alfabet’. De doofblinde kreeg in de linkerhand een voorwerp en dan ‘tekende’ Howe in de rechterhand de letters van de naam van het ding. Met eindeloos geduld … tot de doorbraak kwam: het besef bij het doofblinde kind dat die gekriebelde letters in haar ene hand hoorden bij het voorwerp in haar andere hand. Bij haar was dit k-e-y geweest: een sleutel.

Anne overtuigde de ouders dat Helen met haar terug moest naar de doofblindenschool en zo geschiedde. De directeur was erg goed in public relations en het duurde niet lang of de hele westerse wereld was op de hoogte van de beroemde doofblinde Helen Keller die binnen de kortste keren de school afmaakte, met Anne universiteit deed en haar
masters of Art haalde. Anne las de boeken voor in Helens hand, en die handgebarentaal gaat razend snel. Dat zie je aan de foto niet af. Een heel boek is ze aan het voorlezen. Een moeilijk boek ook nog. Van het ene brein in het andere, via vingergebaren!

Helen, sowieso hoogbegaafd, bleek een begaafd schrijfster. Ze schreef haar autobiografie The world I live in. Is in 52 talen vertaald; en terecht: voor mij is die hier pas een echte ‘verwijzing’.

Ze werd wereldwijd uitgenodigd en reisde weldra met Anne de hele wereld over. Overal wilden beroemdheden en presidenten met haar op de foto. Vind ik pleiten voor die presidenten en beroemdheden.

En nu mijn punt. In haar The world I live in (1904/08) beschrijft Helen haar belevingswereld van vóór de tijd dat Anne in haar leven was gekomen. Ze beschrijft die als een ‘niet-wereld’, een wereld van nietsheid. Ze ‘wist’ niets. Ze wist bijvoorbeeld niet dat ze bestond, dat ze iets deed of iets wilde of iets koos. Ze kende ook geen gevoelens, ook al had ze die blijkbaar wel. Dat ze zich dit alles toch herinnerde kwam doordat ze wel een tast-geheugen had. Ze kende haar omgeving op de tast, de reuk en het gewaarworden van de trillingen ervan, zoals voetstappen. Als ze toen een mens had getekend, zou ze diens hersens als vingertoppen hebben getekend, zei ze later wel eens.

Pas vanaf dat ze namen had voor de dingen, ‘bestonden’ de dingen pas en bestond ze ook zelf pas, bestonden er gevoelens en bestond er een wereld om haar heen, met al zijn rijkdom aan geuren en vormen en trillingen en tastbaarheden.

We leven in een woordenwereld, ook al hebben we dat niet door. Maar dat is het wat ons onderscheidt van alle andere levende wezens. Wij begrijpen de dingen, kunnen het er met elkaar over hebben, kunnen onze intelligenties op één hoop gooien. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen. En het verhaal over hoe wij zo geworden zijn, is ons Grote Verhaal, ons humanistische scheppingsverhaal. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen kan ik met u communiceren, lezer(-es).

Maar ik sla iets belangrijks over. Verderop in haar boek schrijft Helen, dat die namen voor de dingen voor haar aanvankelijk alleen maar een handig middel waren om dingen te krijgen die ze wou. Als vijfjarige had ze al ontdekt dat ze een ijsje kreeg van haar moeder als ze aan de knop van de koelkast draaide. De nieuw aangeleerde namen voor de dingen waren gewoon ook zoiets. De eigenlijke waarde (betekenis) ervan drong pas tot haar door toen het besef tot haar doordrong dat ze ‘iemand’ was, het besef van een eigen ‘ik’.

Menig moeder herkent dit bewustwordingsmoment – niet dat van zichzelf, omdat dit verloren gaat onder volgende bewustzijnsgroei, maar – van kleuters, die plotseling beweren: “Jij is Iris”. Dan duurt het even alvorens de volwassene beseft dat het kind tot dan toe meende dat ze “jij” heette omdat men zich immers altijd tot haar als “jij” richtten; maar dat ze nu begreep dat haar naam “Iris” was.

Helen toen ze 40 was. Doofblind. Maar als ik haar hersens had …

Och kom, hou op. Ja, dan was ik een slimmere student geweest. Maar zou ik dan nu kunnen vertellen hoe wij van apen tot mensen geworden zijn? Nee hoor. Er zijn ook vandaag van die hoogbegaafden genoeg, maar van hen kunt u niet vernemen wat u van deze beperkte geest verneemt.

Maar ze is wel mooi 88 jaar geworden. In goede gezondheid. Onvermoeibaar. Activistisch. Moedig. Optimistisch.

Wij kunnen ons deze bewustzijnsontwikkelingsfase niet meer van onszelf herinneren, maar omdat die bij Helen vanwege de tussentijd van de ‘niets-wereld’ pas rond haar achtste jaar plaatsvond, en ze bovendien over een fenomenaal geheugen beschikte, kon ze er nog over vertellen.

Ze vertelt ook over haar inner speech: haar praten in zichzelf. Bij haar was dat uiteraard vingerspelling-in-haar-eigen-hand. Op die manier ‘praatte’ ze ook tegen haar pop, tegen haar blokken, haar honden, tegen alle dingen van haar tastwereld die voor haar, nu beschikkend over namen voor de dingen, in het bestaan geroepen waren. Het op deze wijze ‘praten in zichzelf’ door het spellen in haar eigen hand werd later gedeeltelijk verdrongen door ‘lispelen’ doordat ze had leren liplezen, maar belangrijke gedachten bleef ze in haar eigen hand spellen.

Tot zover over Helen Keller, ter illustratie van ons leven in een woordenwereld.

  1. de geboorte van God en van de Grote Verhalen

Hoe heeft het gaan leven met namen voor de dingen ons tot religieuze dieren doen worden? Dat is een gevolg van onze taligheid, onze behoefte aan een Groot Verhaal.

Wat?? Behoefte aan een Groot Verhaal??

Ja, rustig maar. Ik kan het uitleggen.

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je ze niet ‘op een rijtje’ hebt. Ik bedoel, als in die chaos geen samenhang heerst.

Die samenhang wordt gecreëerd door een a tot z–verhaal, dat vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief de mensen, tot zoals ze nu zijn.

Ons talig geworden bewustzijn kon (en kan nog steeds) niet zonder een dóórlopend en samenhangend verhaal waarin alle dingen inclusief wijzelf begrijpelijk samenhangen. Wie ben ik, wat is mijn plaats in het geheel der dingen en waar moet het met mij naar toe? Wanneer we daar geen verhaal over hebben, leven we niet lekker.

Wanneer er geen Verhaal heerst in onze omgeving waarin ons eigen bestaan past, dan maken we ons eigen verhaal – maar omdat we sociale wezens zijn, is dat is fragiel en onbevredigend wanneer of zolang of in zoverre het niet door een gemeenschappelijk Verhaal wordt ondersteund. Je kunt voor sommige dingen wel eigen woordjes verzinnen, maar dat blijft waardeloos, daarmee kun je bij een ander niet krijgen wat je hebben wilt.

Zo lang er geen gedeeld Scheppingsverhaal (Ontstaansverhaal, Groot Verhaal) is, hebben we niet het gevoel, IETS met elkaar te maken te hebben. Je kunt dan iemand nergens op aanspreken, of jezelf aangesproken voelen. Nu ja, moeilijk, en niet echt: je hebt NIX om op terug te vallen. Ja, mensen die bij het ‘grote geld’ kunnen, maken hun eigen verhaal, een eigen rad voor hun ogen. Maar dat is toevallig altijd een asociaal verhaal. Sociaal is voor hen al gauw ‘socialistisch’, dus een –isme.

In de jaren ’90 las ik in de krant een rechtbankverslag. Een jongeman was meerdere malen bij studentes de kamer binnengedrongen en had ze verkracht. De rechter vroeg hem: waarom deed je dat? Zijn antwoord: waarom niet? En de rechter was even van haar á propos: er was inderdaad geen algemeen gedeeld Verhaal meer waar naar verwezen kon worden en waarop de knaap kon worden aangesproken.

Een verhaal ordent de werkelijkheid: brengt structuur in de veelheid van namen voor dingen in onze woordenwereld. Met name een scheppingsverhaal: het vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn. Het geeft grip op de werkelijkheid.

Elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal, om greep mee te houden op de veelheid van namen voor de dingen. Geen stam die het ooit zonder heeft kunnen of hoeven stellen. Hoe kwam elke stam er aan en hoe zagen die Verhalen er oorspronkelijk uit? Dat gaan we nu zien.

De Vroege Mens-groepjes waren nog steeds klein, levend op de rand van het bestaans-minimum maar wel gezond en sterk. In regelmatig contact met bevriende en/of verwante groepjes, elkaar tegenkomend waar hun ‘zangroutes’ (voedselverzamel-tochten binnen een zeer uitgestrekte regio, volgens een door de seizoenen bepaald patroon) elkaar kruisten. Routes die ze zingend aflegden.

Die ontmoetingen vonden plaats op vaste plekken. Wanneer de ene groep daar arriveerde, bleef die daar wachten tot de andere groep arriveerde. En dan was het feest en werden er nieuwtjes en dingen uitgewisseld. De groepen hadden elkaar nodig, al was het maar voor het uitwisselen van huwelijkspartners. Als ze na een paar dagen ieder huns weegs gingen, waren ze beide enigszins van samenstelling veranderd. Niet alleen doordat partners bij elkaar introkken. Maar ook doordat iemand die het niet goed kon vinden met een of meer andere leden van haar/zijn groep of haar/zijn partner, dan overstapte naar de andere groep.

Gemiddeld waren de groepen niet groter dan een mens of 25. Maar het kon zo gebeuren dat zo’n groep door een of andere ramp te klein geworden was. Dan sloot die zich aan bij een welvarendere groep.

Wat ook kon gebeuren was dat een welvarende groep daardoor te groot geworden was. Dan ontstonden er makkelijk wrijvingen en spanningen.

Dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een heel nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. De wereld was nog eindeloos groot.

Maar … niet te ver weg. Zo’n dagreis of tien verder. Want de groepen bleven elkaar nodig hebben, voor van alles.

Toch is het op deze manier gegaan dat de vroege Mensen zich over heel Eurazië hebben verbreid, in de loop van de honderdduizenden jaren. Onze geschiedenis is, net als die van de geschiedenis van het leven, er een van heel, héél veel tijd.

Zo’n groepje eerste ‘kolonisten’, dat waren dan de eerste mensen die zo’n gebied betraden. De eersten dus om er de dingen hun namen te geven. Voor talige wezens betekent dit dus: in het bestaan roepen. Dichters zijn echt scheppende kunstenaars. Creatief zijn betekent dat je graag dingen schept (in het bestaan roept).

Voor hun nakomelingen was dat eerste groepje, samengebald tot één Scheppende Figuur, de Grote Voorouder, die hun wereld (stamgebied) geschapen had!

Elke avond dansten/zongen ze rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield, hoe de Grote Voorouder, op een bepaalde plek het stamgebied was binnen gekomen en op Zijn tocht overal de voor de stam belangrijke dingen had achtergelaten: bergen en heuvels, rivieren en meren, kloven en moerassen, bomen, planten en dieren. Op één bijzonder heilige plek ook de zielen die bij een passerende vrouw konden binnendringen en bij haar een nieuw leven beginnen. Om na het overlijden weer naar die plek terug te keren en een nieuwe kans af te wachten.

Daar hebben we dus het Scheppingsverhaal. Geen stam die het ooit zónder zijn Groot Verhaal heeft kunnen of hoeven stellen. Nou, dacht je dat wij, hedendaagse nakomelingen, maar nog steeds talige wezens zijnde, dat dan ineens wél zouden kunnen?

  1. het gedanst/gezongen Scheppingsverhaal

Met deze Grote Voorouderfiguur maken we kennis met, u vermoedde het al, de oer-God, de proto-God. Honderdduizenden generaties van het op deze manier de (woorden)wereld en het samenzijn beleven, dat heeft onuitwisbare sporen nagelaten in onze aanleg, in onze menselijke natuur.

We geven er nog steeds blijk van. Als er ergens dansmuziek opklinkt, krijgen we de kriebels en gaan danspasjes maken.

De Grote Voorouder mag zich dan wel steeds verder hebben teruggetrokken, ergens hoog in de lucht, en zich niet meer direct bemoeiend met zijn schepping, maar hij is er nog steeds, in ons onderbewustzijn, als ‘iets’. Ook al zien we nooit meer een kerk van binnen, we blijven voelen ‘dat er IETS moet zijn’. We blijven ‘talige wezens’. Atheïsten snappen dit niet. Ze zijn een soort filosofen: ze weten niks over ‘de mens’.

Onze baby’s worden nog steeds geboren in de verwachting, terechtgekomen te zijn in een gemeenschapje van Neanderthalers of indianen of zo, weet die boreling veel. Boreling beschikt alleen over aangeboren ‘kennis’, en over een onuitputtelijke leerdrang. Boreling verwacht in eerste instantie geluiden van activiteiten en gezang, de reuk van het moederlichaam, de geur van vuur vermoedelijk ook. In elk geval menselijke geluiden en meegedragen worden. Wanneer boreling niets van dat alles gewaar wordt en alleen stilte en bewegingloosheid gewaar wordt, begint ‘ie te huilen: zijn enige manier om uit deze heilloze en levensgevaarlijke situatie verlost te raken. Als mama kindje hoort huilen, pakt ze het op en gaat er mee rond deinen, zachtjes zingend. Doen alle moeders, en zonder te beseffen waarom ze dat doen. Kindje wordt meteen stil en lacht: dit kent het ‘ergens’ van, het is alvast iets. Als mama kindje neerlegt, begint het teleurgesteld weer te huilen: het wil meer en constantere tekenen van menselijke nabijheid. Zou goed zijn als mama zou wéten wat er in haar boreling leeft. De meeste moeders weten niet meer dan dat een baby of peuter het lekker vindt om geschud te worden, door een rijdende kinderwagen dan wel door er ‘wild’ mee te doen. Vaders doen dat ook onbewust. Die doen dat nog iets ‘wilder’, en dat is ook prima.

In de meest pure vorm leven de Scheppingsverhalen nog bij de Australische Aboriginals. Althans bij “De clan van de Wilde Honing” (1996) van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom; met de Scheppingsverhalen van de overige 170 clans ben ik minder bekend.

Bij de meeste ‘wilde stammen’ en pure Verzamelaars/Jagers (VJ-) groepjes leeft de Grote Voorouder alleen nog voort als een ver Hoogste Wezen, ergens hoog in de lucht, een Wezen dat zich niet meer met de wereld bemoeit en waar de mensen ook verder weinig mee doen. Diens plaats is bij hen al lang ingenomen door geesten die van veel directer belang zijn.

Ik weet veel van de Ituri-pygmeeën, door het prachtige boek The Forest People (1961) van Colin Turnbull dat ik wel tien keer gelezen heb en nog heel vaak zal herlezen, als een bijbel. Vooral ook omdat daarin ook veel wordt verteld over de Bantoe’s met wie de Pygmeeën in nauwe relatie staan.

Voor de M’buti is hun regenwoud de schenker van alle goeds en ze zingen tot Haar/Hem/Het vol vertrouwen. Een ‘Allerhoogste Scheppende Figuur’ kennen ze desgevraagd ook wel, maar die vertoeft ergens hoog in de lucht. Daar onderhouden ze geen contact mee en die niet met hen.

Een Allerhoogste Schepper-figuur is echter als vage notie altijd blijven hangen, zoals ik zei. De latere patriarchen hebben daar natuurlijk volop gebruik van gemaakt voor hun ideologieën. Gaan we het ook nog over hebben.

  1. de AMM’s, weer een vrouwen-uitvinding

Zo’n 100.000 jg ontwikkelde zich in Afrika uit de Vroege Mensen aldaar een populatie die van (voornamelijk) gebarentaal overging op (voornamelijk) gesproken taal. Handiger, vooral in het donker, of om een hoekje, maar vooral: met je handen vol. Ik vertelde het al: de vrouwen hadden hun handen nodig om dingen te dragen, vruchten van takken te plukken, of voor hun hut zittend gereedschap te hanteren – terwijl ze toch ook voortdurend wilden babbelen. Dus ze hadden intussen zoveel extra spraakklanken ontwikkeld met lippen en tong en binnenmond (daar heb je wél bewuste controle over), en hadden al zoveel neurologische controle over hun stem gekregen door hun dansen/zingen van het Scheppingsverhaal, dat ze er nu hun handen niet echt meer bij nodig hadden om toch te kunnen kleppen.

De mannen daarentegen konden bij het jagen bepaald geen lawaai gebruiken. Gebaren wel. Dus de mannen deden heel lang nog niet mee met dat vrouwengeklep.

Gebarentaalsprekers kunnen niet liegen: te veel spieren en spiertjes om onder controle te houden zonder dat de ander het onmiddellijk ziet. Maar met alleen je stem en met een uitgestreken smoelwerk is dat met enige moeite wel mogelijk.

Nou maakten ze daar heus geen gewoonte van, ze bleven sociale wezens. En het waren vooralsnog alleen vrouwen die dat konden, en pas vele generaties later ook de mannen. Het is weer zo’n onmerkbaar geleidelijke overgang geweest.

Maar dát ze het konden deed iets met deze mensen. Het maakte hen een ietsje zelfverzekerder, een ietsje minder gebonden aan de vaste gebruiken van hoe je de dingen hoort te doen.

Hoe het ook zij (want u had hier weer te maken met een eigenwijze humanosofen-theorie, ik had hem moeten cursiveren), deze populatie, onze naaste voorouders de AMM’s, ging nieuwe materialen gebruiken dan alleen steen, om gereedschappen van te maken, namelijk been en hoorn. Daarmee konden ze geweerhaakte vissperen maken. Daarmee opende zich voor hen een rijke nieuwe voedselbron: de waterdieren en –planten. Wij noemen ze de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s).

Nogmaals, veel mainstream paleo’s blijven nog die achterlijke Linnaeus-benaming Homo sapiens hanteren; die suggereert echter dat de Vroege Mensen niet sapiens (= wetend) zouden zijn geweest! Maar dan zouden er geen AMM’s ontstaan zijn. Ik heb al melding gemaakt van een in 2015 vertaald en al meteen vier herdrukken belevend boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, van de Israëlische auteur Yuval Noah Harari, als historicus verbonden aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Zijn plezierig leesbare boek (hulde) laat een stuitend gebrek aan kennis zien over hoe wij van aapmensen tot mensen zijn geworden, dus hoe wij van normale dieren cultureel en mentaal tot talige wezens zijn geëvolueerd. Noch van onze taligheid, noch van de rol van de vrouwen in onze wordingsgeschiedenis heeft hij enig idee. Toch wil ik hem niet afbreken, want hij heeft ook veel verrassende observaties. Ik citeer er één: “We geloven niet in een bepaalde orde omdat hij objectief waar is, maar omdat het geloof erin ons in staat stelt om effectief samen te werken en een betere samenleving op te bouwen.” Dat daar geloofsdwang aan te pas gekomen is, vergeet hij.
Waarom ik aan zijn boek aandacht schenk is omdat het aantoont dat mainstream paleo’s aannemen dat de mens pas mens geworden vanaf zo’n 70.000 jaar geleden. Want dan verschijnen er sieraden, okergebruik, ingekraste figuren en later beeldjes en grottenschilderingen.

De paleo’s weten geen raad met het conservatisme van de Vroege Mensen. Anderhalf miljoen jaar hetzelfde ontwerp vuistbijl. Geen enkel verschil in werktuigen tussen (op dezelfde plek) een NT-kampplaats van 130.000 jg en een van 34.500 jg. Paleo’s zijn vooral mannen, en kunnen zich niet voorstellen dat verandering en vooruitgang een mannending is. Ze hebben ook geen aandacht voor de ingrijpende gevolgen van overpopulatie.

Overpopulatie. De AMM-groepen konden met hun uitgebreidere economie meer monden voeden dan de Vroege Mensen die alleen op grote grazers bleven jagen. Hun groepen werden groter: in plaats van de Vroege Mensengroepjes van hooguit 25 mensen konden AMM-groepen wel 150 zielen tellen.

In een kleine groep vindt een nieuw idee moeilijk ‘volgers’, en dan sterft het in schoonheid. Maar in een grote groep vind je al gauw een of meer ‘volgers’, en dan krijgt een nieuw idee een kans.

Grote groepen splitsen makkelijk, dus ook het aantal groepen van die bewuste populatie breidde zich snel uit. Door de uitwisseling tussen de groepen breidden zich ook nieuwe ideeën snel uit.

Door dit alles ‘fokten’ de AMM’s ‘als konijnen’.

Overpopulatie begon, hier en daar. Maar voorlopig was de wereld nog eindeloos groot. Ze verbreidden zich over heel Afrika. De kleine groepjes Vroege Mensen legden het loodje: werden verdrongen door de luidruchtige en veel talrijkere AMM’s.

Een aantal AMM-groepen migreerde naar het Midden-Oosten (via het huidige Israël) en verder naar India en het Verre Oosten. Ze werden de voorouders van de AMM-mensen buiten Afrika. De paleo’s duiden die olievlek-gewijze migratie buiten de bakermat Afrika aan als Out of Africa II. Want rond 1,8 mjg waren er toch ook al mensachtigen vanuit bakermat Afrika naar Eurazië gemigreerd? Dat was namelijk Out of Africa I geweest.

  1. de Toba-explosie

Maar toen onderbrak een wereldwijde ramp het hele ontwikkelingsproces van al het leven op Aarde. In 74.000 jg ontplofte de megavulkaan Toba op Sumatra. Er ging in één keer zoveel tefra (as-stof) de atmosfeer in dat de zon langdurig verduisterde en dieren, en dus ook mensen, massaal uitstierven bij gebrek aan voedsel.

In Zuid-Afrika overleefde een kleine populatie AMM’s doordat de waterwereld relatief beter standhield, en dus ook zij.

Maar ook ettelijke Neanderthaler groepjes wisten te overleven, blijkbaar. Waarschijnlijk in Palestina. Taai volkje.

De aspluim ging vooral over India. Dat werd grotendeels met een decimeter dikke tefra-laag bedekt.

Het mooie is dat ónder die (dateerbare) laag primitieve werktuigen gevonden zijn: afkomstig van de eerste AMM’s die daar gepasseerd zijn.

Op de foto hiernaast is in een opgraving de laag van toen goed te zien. Hier is hij wel erg dik: door de regens werd de aslaag uit de omgeving naar lage plekken gespoeld. Deze plek is zo’n opeenhoping.

Eenzelfde soort stenen werktuigen werden gevonden bovenóp die laag: na een jaar of dertig had de natuur zich kennelijk weer zo ver hersteld dat de flora terugkeerde, dus ook de fauna. Dus ook de mensen. Het was blijkbaar een veelgebruikte route-plek.

De AMM’s van die onderste laag, die van vóór de ramp, waren intussen al lang en breed voorbij India. Velen ervan overleefden de ramp van de vulkanische winter; die had ook hen overvalenl, maar minder erg. Ook zij herstelden zich, vermenigvuldigden zich weer en migreerden verder naar het Verre Oosten. Hun nakomelingen werden de eerste kolonisten van Nieuw Guinea en Australië.

Deze eerste AMM-migratiegolf noemen we Ooa II-A. Die AMM’s hebben zich onderweg ook een beetje vermengd met de onlangs (via hun DNA) ontdekte Denisova-mensen.

Na zes jaar begon de natuur op de wereld zich van de ramp te herstellen: de lucht klaarde op, de planten begonnen weer te groeien en te bloeien. Dus ook de dieren die het overleefd hadden, konden weer volop eten. Dus ook de mensen die het overleefd hadden.

In Afrika herstelden de AMM’s zich snel, met name langs de kustgebieden. De zogeheten Still Bay en Howiesons Poort-cultuur bewijst het.

Zo snel dat 60.000 jg de eerste AMM’s ook weer buiten Afrika migreerden, recentelijk geïdentificeerd als De Zeven Dochters van Eva (door Bryan Sykes, Bantam Press, 2001).

Die tweede AMM-migratiegolf noemen we OoA II-B.

Een genetische studie signaleert een bottleneck in de menselijke populatie rond die tijd, met een terugval tot rond de 10.000 volwassenen, in totaal wereldwijd. Maar gezien dat snelle herstel tot overpopulatie tie heb ik zo mijn twijfels bij deze schatting.

De AMM’s hebben de uitbarsting natuurlijk niet zelf aanschouwd; misschien zelfs geen verre dreun ervan bemerkt. Alleen hun wereld verduisterde en wilde niet langer licht worden.

De eerste weken of misschien zelfs maanden hebben ze zich natuurlijk het schompes gedanst/gezongen. Maar hoe ze zich ook uitgesloofd hebben om de Grote Voorouder te bewegen de dingen weer voor hen in orde te maken, Zij/Hij/Het heeft niet naar hen willen luisteren. Zij/Hij/Het had zich kennelijk afgewend van zijn schepping en van zijn kinderen, en zich terug getrokken hoog boven het verduisterde zwerk.

De nood had hen vindingrijk gemaakt. En no nonsense. De heiligste tradities moeten wijken voor praktische oplossingen. Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moraal.

De redding was gekomen van natuur-elementen die wél voedsel verschaften, zoals de zee of de regenwoud-refugia (de bonobo’s en de chimpansees hebben het ook overleefd tenslotte. En van de zon, die eindelijk steeds sterker door het duister had weten de dringen en het na zes jaar had verdreven.

De Grote Voorouder deed niet langer mee, en ze wendden zich ook niet meer tot hem. Maar verdwenen was hij niet. Ze bleven vaag weet van hem houden, als de Schepper van alle dingen, ergens hoog in de lucht. Maar die Schepper bemoeide zich niet meer met zijn schepping en zij wendden zich ook niet meer tot Haar/Hem/Het.

Voor de evolutie van het god-denken is voor mij de Toba-explosie van 74.000 jg een keerpunt.

De paleo’s ontwaren vanaf 70.000 jg nieuw gedrag bij de AMM’s. Met name in de steentechniek: microlithen. Heel kleine steenschilfers, gelijmd in een bot, als een geweerhaakte visspeer.

Opvallend was de vondst van regelmatige krasjes op stukken okersteen, opgedolven in de Blombos-grot aan Zuid-Afrika’s zuidkust.

De betreffende paleo’s zien daar een beginpoging tot iets van schrift in, maar wij hier snappen heus wel dat het voor die vrouw, die met haar steenscherf poeder van de okersteen aan het afschrapen was, dit makkelijker vond gaan als ze er af en toe krassen in zette (op de vergroting zie je duidelijk onderliggende krassen; op andere okerstenen, door andere vrouwen afgeschraapt, zie je geen krassen), maar laat maar zitten, wij zijn geen paleo’s die fondsen moeten krijgen voor hun opgravingen. Hulde aan de paleo’s, ik word al moe als ik aan hun werk dénk.

Maar de gevolgen van die enorme wereldramp Toba moeten echt meer aandacht krijgen.

Aanvankelijk gingen de overpopulatie-migraties alleen weer naar het Midden- en het Verre

Oosten, weer langs de kustgebieden. Ze waren van een iets andere bevolkingsgroep. Ze waren iets lichter van huidskleur en hadden geen kroeshaar maar sluik haar. Ze vonden zichzelf superieur aan de negrito’s van de eerste ‘lichting’ en zouden die verdringen, naar oerwouden en andere meer afgelegen streken. Om overigens later zelf weer door een nog ‘modernere’ populaties verdrongen te worden, de ariërs, en dalits te worden, althans in India.

45.000 jg koloniseerden een aantal groepen van die tweede Out of Africa-II (OoA II-B)
ook Europa, leefgebied van de Neanderthalers. 40.000 jg (ja, ik ga even versneld door) zaten ze in Frankrijk, als Cro Magnon-mensen. 30.000 jg hebben ze er de Neanderthalers doen uitsterven.

En toen werd het weer heel koud: de laatste ijstijd. In de winterverblijven van Europa ging het werk van de vrouwen (voor de kinderen zorgen en voor het eten, kleren naaien en manden vlechten) gewoon door maar de mannen hadden weinig om handen. Die brachten veel tijd door met handige uitvindingen, zoals de vuurboor, en pijl en boog. Ook de wolf werd toen gedomesticeerd. Kinderen hadden altijd al van schattige wolvenjongen gehouden en zo waren er steeds tammere wolven gekomen. Sommige jongens hadden gemerkt dat hun wolvenvriendjes verdomd goed konden meedoen bij de jacht, en zo kwam van het een het ander.

De vrouwen konden niet meer vrij rondzwerven (de groepen waren bij elkaar gedrongen in de leefbare valleien van de Dordogne en zo), en hadden heel zorgvuldig om leren gaan met belangrijke voedselplanten als peulen en bonen. De mooiste bonen en peulen zochten ze uit om die terug te geven aan Moeder Aarde. Die beloonde dat dankbare gedrag en schonk het volgende seizoen nog veel meer van die mooie bonen en peulen. Het begin van het telen van voedsel: je snapt dat het uitkiezen van de mooiste exemplaren een vorm van genetische manipulatie is. De echte vorm van landbouw begint natuurlijk in de Levant (het Midden- Oosten). Maar ik laat het hier al ontkiemen. Waarom?

Hier verschijnen de eerste vrouwenbeeldjes zoals de Willendorf-venus van 30. 000 jg hiernaast. Die beeldjes zijn de hele lange periode dat de vrouwen de landbouw hebben beheerst, ook en vooral in de Levant en Mesopotamië, de vrouwenreligie blijven vergezellen.

Een van de laatste is het beeldje hier onder: uit Palestina, van 700 vC, dus van vlak voor de tijd dat de Joodse patriarchen het daar voor ‘t zeggen kregen en de vrouwen uit alle machtsposities van de religie stootten.

Even meer over de vrouwenbeeldjes. Er moeten er honderdduizenden zijn gemaakt, in de loop van de vijf en dertig millennia tussen de twee hier afgebeelde. Verreweg de meeste leken op het oudste tot nu toe gevonden vrouwenbeeldje: zonder gezicht, en de iele armpjes nauwelijks zichtbaar over de tieten gelegd, deze ahw omlaag persend. Het ging niet om een bepaalde vrouw, maar om ‘het vrouwelijke’, om de rijke en gulle Moeder Aarde.

De jongste (foto hiernaast, gevonden in Palestina 800 vC) heeft wel gelaatstrekken, omdat het in de toenmalige door mannen gedomineerde cultuur normaal was geworden. De tieten worden ondersteund; geeft ook gulheid weer maar toch een subtiel verschil, na 35.000 jaar.

35.000 jaar lang hetzelfde ontwerp vrouwenbeeldje! Als dat geen hard bewijs van vrouwelijke behoudzucht is … daar kunnen alleen die twee miljoen jaar hetzelfde ontwerp vuistbijl, een typisch vrouwenwerktuig, aan tippen. Vrouwen zijn religieuzer dan mannen.

Hoezo? Wat heeft dit met religie te maken? Dit heeft alles met religie te maken. In die tijden had ALLES met religie te maken, en met het dansen/zingen van de wereld. Wij zijn talige, dus religieuze, apen.

Ook de grottenschilderingen zoals die van Chauver en Lascaux dateren van diezelfde ijstijdperiode, waarin de groepen werden samengedrongen in de leefbare refugia in Zuid-Frankrijk, Noord-Italië en Noord-Spanje. Dat houdt in: overlevingsgevechten dan wel inschikken en onderhandelen. In elk geval werden de mannen belangrijk, en grepen de macht. De mannen gingen eigen initiatierituelen ontwikkelen, geheim en buiten het zicht van die machtige vrouwen. Diep in duistere druipsteengrotten.  Daarover dadelijk meer.

  1. toen de vrouwen nog in volle status waren

Bij pure jager/verzamelaars, zoals de Vroege Mensen, nog rondscharrelend in een eindeloze wereld, vaak op de rand van het bestaansminimum, in sterke afhankelijkheid van elkaar, heerste – en heerst veelal nog – de grootst mogelijke harmonie en gelijkheid tussen de seksen en binnen de seksen.

Het gender vrouw heeft altijd een hoge status genoten, vanwege het vermogen tot kinderen baren en voeden en het zorgen voor het dagelijkse eten, het vuur en de hutten, de medische kennis en de religieuze rituelen. De vrouwen brachten ook het meeste voedsel in, en het meest constant. Namelijk elke dag. Met die vuistbijlen van ze. De mannen ontleenden hun status aan het zorgen voor de veiligheid tegen de grote katten en de hyena’s, en later steeds meer door hun hooggewaardeerde inbreng van vlees; verder hielpen ze de vrouwen naar vermogen bij dier veelheid van taken.

Links een grottenwandschildering van Kalahari-Bushmen, waarop in de middencirkel de menstruatie-hut te zien is waar omheen de vrouwen de Elanddans doen. De jongens en mannen blijven in de buitencirkel. Voor mij is deze wandschildering een icoon.

De ingevoegde tekening is zeker verduidelijkend maar niet helemaal goed: je ziet toch dat de mannen onder een brede rij vormen, er is alleen een schilfer tussenuit gevallen maar rechts ervan gaat de rij nog door. Een aaneengesloten rij van volwassen mannen, eerbiedig het diep-menselijke en wezenlijke deel van het leven bijwonend.

Rechts eenzelfde tafereel maar dan in Europa en veel ouder en primitiever weergegeven : vrouwen dansend rond de menstruatiehut.

Dat het gender vrouw hoog in aanzien stond werd door de mannen als vanzelfsprekend en passend ervaren. We mogen dus spreken van een ‘status-evenwicht’ tussen beide genders, dat nagenoeg de hele tijd van ons mens-zijn heeft geheerst.

De hoge status van het gender vrouw kwam vooral tot uiting bij de eerste menstruatie van meisjes. Hun verbazingwekkende vermogen tot bloeden zonder verwonding, hetgeen hun vermogen tot moederschap aankondigde, waar het voortbestaan van het mensdom om draait, werd met bijzondere gezangen en dansen en onderricht door oudere vrouwen in de geheimen van het vrouw-zijn gevierd. Door de hele gemeenschap, dus ook door de jongens en de mannen. Daar geeft de Bushmen-wandschildering hierboven een beeld van.

  1. de machtsgreep van de mannen

Vanaf het begin van het mens-zijn, nee, eerder al, vanaf dat aapmensen op de savanne moesten zien te overleven – wat? als onze mensapen-vooroudersoort echt veel weg gehad hebben van de huidige bonobo’s die zelfs een zekere vrouwendominantie kennen, nóg vroeger – hebben de vrouwen een hoge status gehad en hebben onze voorouders vreedzaam samengeleefd, ook hun groepen onderling.

Waarom leven wij nu dan in een mannenwereld, vol oorlog en geweld en met de vrouwen als tweederangs burgers? Waar, wanneer en waardoor is het fout met ons gegaan?

Waar? Overal waar er teveel groepen met elkaar om het bestaan moesten vechten, in een te krap geworden leefgebied. Hoe groot dat ook was: waar vrouwen op hun foerageertochten op de aanwezigheid van vreemde vrouwen stuitten, joegen ze er hun mannen op af om er mee af te rekenen. Oorlog maakt mannen belangrijk.

Wanneer? Tja, dat kan al in Afrika begonnen zijn. De migratie naar Eurazië kan al wijzen op populatiedruk. Alle vandaag levende populaties vinden (het genetische onderzoek is daar duidelijk in) hun oorsprong in één van de Zeven dochters van Eva. Er is vandaag geen enkele VJ-gemeenschap waar niet van een zeker overwicht van de mannen sprake is, hoe gelijkwaardig de verhoudingen tussen de seksen er ook nog mogen zijn. Zelfs bij de egalitaire Pygmeeën hebben de mannen zich van de heilige molimo-fluit meester gemaakt en moeten bij het ritueel de vrouwen in hun hutten blijven.

Dat de vrouwen in hun hutten moesten blijven bij de mannenrituelen is veelzeggend. Temeer ook omdat dit een algemeen verschijnsel is geweest. Bij de Xavante-indianen van Zuid-Amerika bijvoorbeeld: idem dito.

Het is namelijk tekenend voor de onzekerheid van de mannen over hun religieuze rituelen. Die waren vanaf de vroegste tijden een vrouwen-aangelegenheid geweest. Religie was altijd vrouwenwerk geweest. De mannen namen er graag aan deel, maar de vrouwen hadden de leiding. De machtsgreep van de mannen betekende dat de mannen nu ook de leiding over de rituelen moesten nemen. Daar waren ze niet voor toegerust. Hun gestuntel had de spotlust van de vrouwen gewekt. Vandaar de maatregel.

Ook moet het oprukkende ijs van de laatste ijstijd in Europa oorzaak geweest zijn van populatiedruk in de leefbare streken van Zuid-Europa. De mannen hebben daar eigen initiatierituelen ontwikkeld in schrikaanjagend diepe en duistere grottengangen, zoals die van Lascaux en Chauvet en tientallen andere, ook in Italië en Spanje.

Maar mannen, vooral ouder wordende mannen, vechten niet graag tegen andere mannen. De oudere mannen hebben al vroeg contact gelegd met de oudere mannen van de vijanden, en rituelen bedacht waarmee ze de vijandigheid zouden kunnen kanaliseren en van hun dodelijke impact ontdoen. Dat waren jaarlijkse vieringen op bepaalde plekken, die de paleo’s vandaag opgraven en publiceren. De grotten van Lascaux en Altamira kunnen daar een rol in gespeeld hebben. Stonehenge is zo’n plek geweest, en recentelijk is Gobekli Tepe in het hedendaagse Oost-Turkije overduidelijk zo’n plek geweest. Overal waar megalieten liggen, moet je aan die oudere mannen denken, en de jongelui die daarmee hun teveel aan jonge kracht mee kwijt konden. In die dagen dus.

De vrouwen ontwikkelden hun verering van Moeder Aarde daar ze niet langer vrij konden rond foerageren en zorgvuldiger moesten omgaan met hun voedselplanten.

Waardoor? Door de oorlogvoering ten behoeve van de overleving van de eigen groep kregen de mannen er een gewichtige taak bij: hun leven riskeren in gevecht met andere mannen. Een taak die volgens de mannen opwoog tegen het kinderen kunnen baren van de vrouwen, en even belangrijk voor hun voortbestaan!

De oeroude balans tussen de seksen (vrouwen zorgden voor alles en voor het eten, de mannen zorgden voor de veiligheid en later voor het vlees) raakte verstoord. De mannen begonnen zich nu héél belangrijk te vinden, werden minder geneigd de tweede viool spelen. Vooral de jongemannen, boordevol dadendrang om hun mannelijkheid te bewijzen, ervoeren de voorzichtige beslissingen van het vrouwenberaad als volslagen achterlijke en nodeloze, wat? schadelijke hinderpalen.

Het leidde er toe dat de mannen eigen rituelen gingen ontwikkelen, op afgelegen plekken, zoals diep in het woud, of, zoals in Zuid-Frankrijk, in duistere onderaardse grottengangen. Aanvankelijk stiekem, later steeds openlijker.

Boekdelen spreekt voor mij de molimo-viering bij de Mbuti-pygmeeën in het Congolese Ituriwoud, bekend van het prachtige boek The Forest People van Colin Turnbull (NY 1961) waar ik het al over had.

De molimo is een heilige fluit, waarmee door ervaren toeteraars een veelheid van tonen en klanken kunnen worden voortgebracht. De molimo verbeeldt de stem van het Woud, en wordt bij ruste verborgen diep in het Woud. Wanneer iemand overleden is of iets anders verontrustends aan de hand is, waarvoor Het Woud uit zijn sluimer gewekt dient te worden omdat zijn kinderen in nood zijn, wordt de molimo door een groepje jonge mannen opgehaald.

De vrouwen moeten daarbij in hun hutten blijven, met afgesloten deur. De mannen zingen rond het gemeenschappelijke vuur op de open ruimte. De molimo komt vanuit de verte steeds dichter bij, naar de mannen rond het vuur, die daarbij veelal in trance geraakt zijn.

De religie is dus ook bij de Pygmeeën al een mannen-aangelegenheid geworden. Maar … bij hen blijkbaar nog niet zo lang. Eens per jaar worden de rollen omgekeerd en nemen de vrouwen er de ceremonie over. Ze blijken dan alle gezangen minstens zo goed te beheersen als de mannen.

De mannen laten de vrouwen gelaten, ahw schuldbewust, hun gang gaan. De vrouwen laten merken dat de molimo-ceremonie oorspronkelijk een vrouwen-aangelegenheid was. Wanneer ze hun punt gemaakt hebben, ‘bevrijden’ ze de mannen en trekken zich tevreden terug in hun hutten (hutten maken en onderhouden is vrouwenwerk; de mannen wonen dus in vrouwenhutten).

Hierna vervolgen de mannen de molimo-ceremonie tot in het ochtendkrieken.

Op veel plaatsen in de antropologische literatuur, niet alleen in Afrikaanse veldonderzoeken, lees je dat de mannen de heilige fluiten van de vrouwen geroofd hebben. Maurice Godelier, de Franse veldonderzoeker bij de Baryua Papoea’s tussen 1967 en 1988, ook heel belangrijk voor mij, vertelt dat de jongens bij hun initiatie leren dat de heilige fluiten door een voorouder-man gestolen zijn uit het vrouwenverblijf, en tekent de opmerking van een oude man op: “De eerste vrouwen wisten hun macht niet goed te gebruiken. Bijvoorbeeld, ze doodden teveel prooidieren (sic), en veroorzaakten teveel wanorde. Het was nodig dat de mannen hun de macht ontnamen zodat de orde kon terugkeren in de gemeenschap en in de kosmos (sic).”

  1. besnijdenis: hoe kwamen de mannen zo gek?

De mannen wilden niet langer alleen toeschouwend deelnemers zijn aan de door de vrouwen geïnitieerde en geleide rituelen. Alleen braaf toekijken en meezingen bij de prestigieuze meisjes-initiatiefeesten rond de elima (menstruatiehut). Ze wilden eigen mannen-initiatierituelen.

Bij de pygmeeën en de San is het nog niet zover, maar bij de Baruya’s worden de jongens op (gespeeld) ruwe wijze uit de armen van de moeders gerukt, als hun ‘bevrijding’ uit de vrouwenwereld, en voor hun maandenlange initiatie opgesloten in het mannenverblijf.

Ik heb bij Godelier niet gelezen dat besnijdenis van de jongens deel uitmaakt van de initiatie. Maar dat is het bij veel stammen in Afrika en bij de Aboriginals wel geworden. Hoe kwamen de mannen toch tot dit vreemde en pijnlijke ritueel?

Om de jongens-initiatie als overgang naar de volwassenheid zo dicht mogelijk op het oorspronkelijke ritueel van de voor het eerst menstruerende meisjes te laten lijken, moesten ook de jongens bloeden. In Afrika werd dit bewerkstelligd door het afsnijden van de voorhuid, maar bij ettelijke Aboriginalstammen heeft het tot nog barbaarsere insnijdingen geleid. De Aboriginals behoren, hoewel ze nog pure VJ’s zijn, niet tot de voorbeeld-gemeenschappen waaraan we nog kunnen aflezen hoe onze vroegere voorouders samengeleefd hebben. Ze horen daar niet bij, omdat Australië, althans in de leefbare stroken van dat woestijn-continent, al lang volgepakt met stammen was. Dus al lang overpopulatie. Maar Australië kent (van oorsprong) geen domesticeerbare planten of dieren. Dus er heeft nooit landbouw of veeteelt kunnen ontstaan onder Aboriginals. Er zat voor de Aboriginals niets anders op dan hun kinderaantallen niet verder te laten groeien, het te doen met het stamgebied en met de buren een gewapende vrede te onderhouden. Een gedwongen VJ-bestaan. Geen puur en vrij VJ-bestaan, althans niet in de dichtbevolkte vruchtbare randgebieden van het continent.

De Mbutu-pygmeeën, beschreven door Colin Turnbull, leven al zeker 200 jaar samen met de Bantu-boeren die delen van het regenwoud platbranden om er tuinbouw te plegen. De Pygmeeën zijn natuurlijk begerig naar de ijzeren messen van die boeren en ook de bananen en de palmwijn en de tabak zijn erg in trek bij ze. De boeren van hun kant zijn begerig naar de bushmeat en de honing die de Pygmeeën kunnen leveren (door de tse-tse-vlieg kunnen de Bantoes daar geen vee houden). Ook de arbeidskracht van de sterke Pygmeeën bij het omkappen van de percelen voor hun tuinen, en bij het oogsten in oogsttijd, is in trek. De Bantu’s beschouwen de Pygmeeën als hun slaven.

De Pygmeeën laten hen in die waan: wanneer ze genoeg hebben van hun tijdelijk vertoeven in het Bantu-dorp (en het bestelen van de plantages), trekken ze gewoon het woud in om daar weer een tijd hun eigen vrije leven te leiden. Tot ze opnieuw zin krijgen in palmwijn, tabak en andere Bantoe-dingen.

In de loop van generaties zijn de Pygmeeën toch zo verknocht geraakt aan wat die domme Bantu-boeren te bieden hebben dat ze zelf grotendeels Bantu zijn gaan spreken. En dat niet alleen: ze laten hun jongetjes ook deel nemen aan het initiatie-ritueel van de Bantu’s. Hetgeen ook besnijdenis inhoudt: de Bantu’s beschouwen een Pygmee niet als een man wanneer die niet besneden is.

Je kunt je voorstellen wat een frustratie dit betekent voor zo’n vrij opgegroeid pygmee-jongetje, dat nu ineens zo’n barbaarse besnijdenis heeft moeten ondergaan. Het kan er echt met zijn verstand niet bij.

Zijn oom Masalito houdt hem beschermend en troostend vast. Later zal Kaoya het wel begrijpen.

(Foto van Colin Turnbull, 1960)

Ja, voor mij zijn de pygmeeën van Turnbull, samen met nog wat andere pure VJ (Verzamelaars/jagers)- groepen zoals de Hadza en de San Bushmen, de vandaag nog voorhanden voorbeeld-gemeenschappen van de Vroege Mensen. Ze zijn namelijk een soort ‘levende fossielen’ van hoe onze vroege voorouders samenleefden.

Dus vroeger heerste bij onze voorouders matriarchaat? zullen sommigen nu denken.

Fout! ‘archè ‘ = Gr. Voor ‘heerschappij.

Maar bij de Vroege Mensen, en ook nog heel lang bij de AMM’s zoals bij onze controlegroep (de M’buti, de Hadza en de Bushmen), was niemand de baas. Geen denken aan dat bij VJ’s iemand de baas kon spelen over een ander. Dat deden de ouders niet eens over hun kinderen. Dat zou ook helemaal niet werken.

  1. edele wilden

Zijn die genoemde voorbeeld-gemeenschappen voor mij ‘edele wilden’?

Juist! Precies! De ‘edele wilden’ bestonden echt.

En dat zijn wij eigenlijk nog steeds! Ten diepste voelen wij dat het leven zoals ik het in de volgende zeven punten ga opsommen, eigenlijk zo hoort.

De mainstream paleo’s nemen nog steeds de ‘wilde stammen’ als voorbeeldgemeenschappen voor ons prehistorische verleden. Ze trekken de lijn tussen de oorlogvoerende chimpansees, via de oorlogvoerende ‘wilde stammen’, naar ons-nu, die immers ook oorlogszuchtig zijn.

Fout! Wij zijn pas 10.000 jaar in overpopulatie-stress en dus oorlogszuchtig. Terwijl onze natuur gevormd is in de miljoenen jaren daarvóór. Al die lange-lange tijd waren we vreedzaam. Edele wilden. Niet doordat we toen betere mensen waren, maar doordat vreedzaamheid en harmonie overlevingseisen waren.

Hier mijn schematische voorstelling van de lange-lange tijd van onze ‘edele wilde’-voortijd (VJ) en de hyperkorte tijd dat we uit dat ‘paradijs’ geraakt zijn (AGR).

Ik heb niet lang geleden kennis genomen van een groep progressieve antropologen die, anders dan de conventionele antropologen niet de vele ‘wilde stammen’ maar de weinige nog resterende pure jager-verzamelaarsgroepjes als voorbeeld-gemeenschappen van ons prehistorische verleden nemen. Zoals ik dat al deed. Maar zij pakken dat wetenschappelijk aan. Ze hebben een vragenlijst opgesteld en die toegestuurd aan alle onderzoekers van juist deze pure VJ-groepjes. Ze hebben dezelfde vragen ook toegepast op de literatuur die over dergelijke maar nu niet langer zo levende gemeenschappen beschikbaar is.

Zeven eigenschappen springen er uit. Leer ze van buiten als je wilt weten hoe wij eigenlijk zijn.

1. Kleine groepen. Weinig groepen. Hun aantallen zijn beperkt, zowel per groep al wat het aantal groepen in het leefgebied betreft. De wereld is voor hen nog eindeloos groot. De groepen zijn op elkaar aangewezen voor de overleving, zowel bij noodgevallen als voor het uitwisselen van huwelijkspartners en informatie over het leefgebied.

2. Economie. Ze hebben een economie van het genoeg, leven onbekommerd van de hand in de tand, hebben geen zorgen voor morgen. Ze zijn mager maar gezond, zoals normale dieren in het wild plegen te zijn. Ze kennen elk detail en alle eigenschappen van hun ‘eindeloze’ leefgebied. Ze kennen geen bezit; de spullen die ze nodig hebben, maakt ieder zelf. Als een westerling iemand hunner een horloge cadeau doet, gaat zo’n prachtig ding van hand tot hand; als ze weggetrokken zijn naar een volgende voedselplek, blijft het ding in het zand liggen: ze kunnen er niks mee en elk ding van gewicht is belasting bij het dragen.

Zelfs het grenzeloze land waarin, waarop en waarvan ze leven, met zijn waterbronnen of grondstofmijnen, beschouwen ze niet als bezit, noch van iemand, noch van hun gemeenschap. Andersom beschouwen ze zichzelf als kinderen ervan, en ze dansen-zingen het toe uit dankbaarheid. Wat nieuwe spullen betreft zijn ze niet geïnteresseerd in het bezit ervan maar wel in de kennis om het te maken. Kennis is hun enige bezit; maar die wordt gul gedeeld.

3. Kennis. VJ’s moeten alles weten over de eigenschappen en de vindplaatsen van voedsel, zowel die van de planten als de dieren. Hun groepen tellen zelden meer dan vijftig individuen (door de oprukkende ‘beschaving’ zijn de laatste VJ-populaties verdrongen naar de voor de boeren oninteressante gebieden). Elk individu ervan moet zijn bijdrage leveren voor de overleving van de groep.

Elk VJ-individu moet over heel wat meer kennis beschikken dan een individu in een massamaatschappij als de onze. Onderwijs kennen zij niet en dat zou ook volstrekt ontoereikend zijn om elk individu van die vereiste hoeveelheid kennis te voorzien. Maar … elk kind wordt (ook bij ons nog steeds) geboren met een enorme drang om te leren, te onderzoeken en zich te oefenen.

Vandaag is dat niet meer zo nodig en wordt die drang door onze opvoeders afgedaan als kinderlijke nieuwsgierigheid, als hinderlijk ervaren en vaak zelfs ontmoedigd.

VJ-ouders daarentegen leggen hun kroost niets in de weg: ze hebben zelf nooit anders meegemaakt. VJ-kleuters mogen met alles spelen (scherpe messen, vuur) en in alles meedoen als ze dat willen. VJ’s vertrouwen hun kinderen, vertrouwen erop dat een kind niks stoms doet en uit zichzelf voorzichtig is.

Zelfs kleuters zijn dan ook al handiger met veel dingen, bijvoorbeeld vuur maken, dan volwassen Westerse onderzoekers.

Kinderen doen kennis en ervaring spelenderwijs op. Jonge kinderen leren het meest van iets oudere kinderen. Al oefenend wordt hun inbreng steeds betekenisvoller en zo spelen zij zich ongemerkt de volwassenheid in. Hoe belangrijk hun inbreng voor de groep uiteindelijk ook wordt, het spel-element blijft en de inbreng wordt nooit als ‘werk’ ervaren. Niet eens als verplichting. Hun hele leven is een spel. Depressie is een voor hen nagenoeg onbekende ziekte, zeker zolang de persoon gezond van lijf en leden blijft.

4. Werk. Ieders inbreng in de overleving van de VJ-groep wordt niet alleen spelenderwijs geleverd, maar neemt ook weinig tijd in beslag vergeleken met het werk in een boeren- of arbeiders-samenleving, namelijk gemiddeld drie tot vier uur. Ze kennen geen zondagen (niet eens weken of maanden), dus als we uitgaan van zeven ‘werkdagen’ per ‘week’ komen we hooguit op een 28-urige werkweek, vergeleken bij de 40-urige van vandaag. De vele ‘vrije’ tijd brengen VJ’s door met slapen, kletsen, buurten, spelen met de kinderen, knutselen aan werktuigen, religieus dansen-zingen, kortom ‘socialiseren’.

5. Gelijkheid. Deel van hun neiging tot harmonie is het elkaar en zelfs hun kinderen respecteren als volwaardig persoon. Daar hoort het streven naar gelijkheid bij. Mensen zijn weliswaar verschillend in begaafdheid, maar van niemand wordt geduld dat die zich erop laat voorstaan. Bij een speciaal karwei neemt de meest ervarene de leiding op zich, maar VJ-groepen kennen of dulden geen leiders (chiefs). Iemand kan bijzonder wijs zijn en gezag uitstralen, maar het zou meteen als onwijs worden ervaren als zo iemand zich erop zou laten voorstaan. Trouwens, ook wij vandaag kunnen nog steeds slecht tegen hoogmoed en blaaskakerij, van wie dan ook. We pikken het hooguit knarsetandend.

6. Voedseldelen. Of iemand nou veel inbreng heeft gehad of weinig in de dagelijkse maaltijd, of zelfs helemaal geen, ieders portie is even groot. Het respect voor ieders persoonlijkheid verhindert dat iemands niet-deelname aan de inbreng voor het eten als uitvreterij zou worden gevoeld: zo iemand heeft daar zeker haar of zijn reden voor en lijdt er waarschijnlijk zelf het ergst onder. Heeft misschien iets onder de leden; dat weet je toch niet?

Er wordt de nodige tijd gestoken in het eerlijk verdelen van het beschikbare voedsel; over een knap gerealiseerde eerlijke verdeling kan nog dagen worden nagepraat. Want eten is voor VJ’s, net als normale dieren levend op het bestaansminimum (voor consumenten moeilijk voorstelbaar) nog belangrijker dan hun Scheppingsverhaal. Erst kommt das Fressen und dann die Moral.

In een consumptiemaatschappij kan die aangeboren neiging om ons vol te proppen als er veel is (en dat is er elke dag), ons de das om doen. Eten kan onze vijand worden waar we mee worstelen. De consumenten- leefwereld is in veel opzichten ‘tegennatuurlijk’. Weten hoe onze vroege voorouders altijd geleefd hebben, is nuttige kennis.

Maar de economie moet wel blijven draaien: we kunnen niet terug. Alleen vooruit: met steeds meer kennis.

7. Scheppingsverhaal. Zeker het laatste miljoen jaar van mens-zijn hebben de VJ’s hun talige wereldbeschouwing beleefd in het dansen-zingen van het Scheppingsverhaal ervan. Elke lieve speeldag werd besloten met dansen-zingen rond het kampvuur. Doorgaans was elke avond Feierabend: ze leefden er hun dagen van verzamelen-jagen naar toe en maakten zich er mooi voor, met beschildering, piercings en veertjes.

Toen was geluk heel gewoon. Natuurlijk was eraf en toe hommeles, meestal als gevolg van een voor iemand onacceptabele vrijage, en dan kon het er heftig aan toe gaan. Tot iedereen het welletjes vond en de wijze vrouw of man tussenbeide kwam op het juiste moment. Maar qua wereldbeschouwing was er in ieders geestelijke leven het ene vaste punt: het Scheppingsverhaal.

Het is heel belangrijk om deze zes punten in je op te nemen om een beeld te hebben van ‘hoe het hoort’ tussen mensen. Zo zijn wij, en niet anders. Edele wilden.

Maar helaas, onze ‘recente’ geschiedenis vanaf 5000 jg is er tussen gekomen.

Ook bij pure VJ’s wel eens hommeles, zei ik. Ik ken een verhaal van de San Bushmen, waar iemand in razernij twee mensen dood schoot. Vervolgens vluchtte hij. Zoiets kan niet getolereerd worden. Twee mannen volgden het spoor van de moordenaar en doodden hem. Maar de San-Bushmen zijn al eeuwenlang onderhevig aan de aantasting van hun leefgebied en dus van hun leefwijze. Vandaag zijn ze nog hooguit als toeristische attractie ‘edele wilden’.

Kent u Ötzi, de ijsmummie die na 5000 jaar uit een gletsjer op de grens tussen Italië en Oostenrijk tevoorschijn is gekomen in perfect geconserveerde toestand? Ik vermoed dat ook die zo’n op de vlucht geslagen moordenaar is geweest. Zijn spoor werd gevolgd door een paar aangewezen hitmen, tot hoog in de alpen en ook hij ontkwam zijn lot niet. Waren deze Ötzi-mensen nog ‘edele wilden’? Het wordt steeds duidelijker dat zijn populatie AGR’s geweest zijn. De paleo’s hebben achterhaald waar Ötzi vandaan kwam: van een sedentair gemeenschapje.

Onze VJ-voorouders en de weinige VJ-volkjes die er zeker tot de jaren 60 nog over waren, waren/zijn dus ‘edele wilden’. De mainstream paleo’s en vooral antropologen steigeren wild als ze (weinig kans) dit zouden lezen. Wie wel grif geloofd wordt is de ‘rechtse’ Amerikaanse auteur Steven A. LeBlanc met zijn artikel “Constant Battles: the Myth of the Peaceful, Noble Savage”(2003) waarin hij betoogt dat het een fout is om aan te nemen dat pure VJ’s zoals mijn voorbeeldgroepjes ‘fossiele’ representanten zijn van onze VJ-voorouders. Want die zijn, zo zegt hij, in de tijd dat de AMM’s zich uit die voortijd ontwikkeld hebben, heus niet blijven stilstaan. Die lijken alleen maar vreedzaam, omdat ze gewoon met te weinigen zijn om elkaar te beoorlogen. Voor LeBlanc zijn trouwens de Amerikaanse indianenstammen dé voorbeelden van ons vroege voorgeslacht – terwijl dat geen pure VJ’s meer zijn maar Tuinbouwers, dus

‘wilde stammen’.

Nu kan ik gelukkig wijzen op de bevindingen van de paleo’s van de Still bay/Howiesons Poort Cultuur van 70.000 jg; deze paleo’s stellen dat de mensen toen dezelfde cultuur hadden als hun nakomelingen, de San People van vóór de jaren 60 (sindsdien zijn ze door de Zuidafrika-mijnbouw uit hun stamgebieden verdreven en gedeporteerd naar woningen).

Ja, ik weid hier even over uit omdat u lezer(-es) ook wel eens wat leest of op tv gezien hebt, en denkt dat ik een naïeve fantast ben als ik het over ‘edele wilden’ heb.

  1.      de AGR’s

Oké, wanneer wij dan van nature ‘edele wilden’ zijn, waarom heeft ons samenleven daar dan zo bedroevend weinig van weg?

Mijn voorbeeld-gemeenschapjes (Pygmeeën, Bushmen en Hadza) leven nog enigszins zoals de AMM’s 50.000 jg allemaal nog leefden: als ‘edele wilden’. Maar, zoals ik al ettelijke malen benadrukt heb, vanaf zo’n 20.000 jaar geleden zijn steeds meer van die zich zo explosief vermeerderende AMM-groepen in een overpopulatie-situatie komen te verkeren. Te veel groepen in een toch altijd beperkte regio. Dan wordt het vechten voor de overleving. En oorlog maakt mannen belangrijk.

Net als bij de chimpansees, van wie de leefgebieden gedurende de ijstijden tot wel vijftig keer toe zijn ingekrompen en die daardoor ook machistische vechtersbazen zijn geworden.

Ik heb zelfs gesuggereerd dat dit ‘trap 2’-gedrag (zie pag 4) van overlevingswaarde is. De natuur is wreed en kent geen mededogen. Mensen wel – tot op zekere hoogte.

De ‘wilde stammen’ die voor de conventionele paleo’s voorbeeld zijn, zijn de Yanomamö, beschreven door Napoleon Chagnon in The Fierce People (1983) en de Bergpapoea’s van Nieuw Guinea en nog vele, vele andere ‘wilde stammen’ — ik duid ze zo aan omdat ze permanent in oorlogvoering verwikkeld zijn of onder de dreiging ervan leven — zijn geen pure VJ’s meer zoals mijn voorbeeld-gemeenschapjes, ze zijn Tuinbouwers. Hun hoofdvoedsel (plantins dan wel zoete aardappelen) telen ze in tuinen van platgebrand bos. De slash-and-burn-methode. Ze zijn dus voedsel-telers.

Voedseltelers staan anders in het leven dan de nomadische voedselscharrelaars zoals hun voorouders vanaf de vroegste tijden geweest waren. Daarom noem ik ze AGR’s. Een handige aanduiding omdat er zowel ‘agrariër’ in zit als ‘agressie’.

Ook al zijn de ‘wilde stammen’ dus niet bepaald ‘edele wilden’ meer, ze hebben er vaak nog wel hartveroverende trekken uit overgehouden. Vandaar dat de missionarissen van de 17e eeuw er in hun verslagen vaak zo hoog over opgaven: dat die wilden eigenlijk veel aardiger waren dan wij, westerse Christenen. Vandaar dat Rousseau ze als ‘edele wilden’ aanduidde en ze liet contrasteren door de door geld en bezit verworden westerlingen. Vandaar ook dat deze aanduiding in diskrediet raakte toen bleek dat ze toch oorlogszuchtig waren en wreedheden bedreven.

Laten we de AGR’s met de VJ’s vergelijken. Waarin uit zich dan precies het verschil?

Nogmaals, ik ontleen mijn kennis vooral aan Colin Turnbull’s prachtige boekje The Forest People (1961). Dus voor mij laat het geloof van de Pygmeeën enerzijds en dat van de Bantu’s anderzijds het duidelijkst dit verschil zien.

De Pygmeeën hebben een aanvaardende houding tegenover het lot en de Bantoes een controlerende. Dat is het verschil in een notendop.

De Pygmeeën, voedselscharrelaars, nemen het leven zoals het komt. Ze kunnen enorm huilen bij iemands overlijden, maar als de overledene eenmaal ter aarde besteld is, dan is dat bij hen ook letterlijk ‘zand erover, en dan wordt er verder geen woord meer aan vuil gemaakt. Ze praten nooit meer over overledenen; het zou hen alleen maar van streek maken en het heeft geen enkel nut. Het Regenwoud is voor hen de schenker van alle goed: van voedsel in de vorm van paddestoelen, honing en prooidieren. Ze hebben een ongeschokt vertrouwen in het Regenwoud. Bij goede tijden danken ze het. Bij slechte tijden zingen ze tot het Regenwoud zodat dit wakker wordt en de dingen weer in orde maakt voor ze. En op dezelfde manier leefden hun voorouders van de voor-Toba-tijd in het volste vertrouwen op hun Grote Voorouder.

De Bantu’s hebben een controlerende houding doordat zij hun voedsel telen. Ze voelen macht over hun voedsel, en daardoor ook macht over de natuur. Die moet doen wat zij wensen. Wanneer de oogst mislukt komt dat ergens door, en dus moet de schuldige gevonden worden. Als iets niet goed gaat is (iemand ziek wordt, iemand dood gaat) het altijd iemands schuld.

Ze hebben sjamanen die optreden als specialisten in het contact met de geesten.

Omdat ze door overpopulatie hun vrije VJ-bestaan hebben moeten prijsgeven in het verleden, zijn de mannen de baas. Mannen zijn regelneven. Hun samenleving ligt vast in taboes en ongeschreven wetten, rituelen en protocollen. Het onvolprezen boek The Golden Bough van Georg Frazer (1854-1941) geeft een schier eindeloos overzicht van die mannen-taboes.

Geesten? Het geloof in geesten – of zielen, dat is hetzelfde – is al heel oud en komt voort uit het dromen. Iemand droomt over haar moeder, ziet haar bezig met dingen en hoort haar praten. Na het ontwaken weet ze zeker dat haar moeder dood en begraven is. Maar in haar droom was moeder echt levend. Voor de Vroege Mensen was het duidelijk: van de overledenen bleef er iets buiten het lichaam voortbestaan dat je in je droom kon bezoeken. Dat was de ziel/geest van iemand.

De Bushmen en de Pygmeeën houden van verhalen. (Natuurlijk houden ze van verhalen, dat snappen wij intussen: verhalen scheppen verband in de chaos van de massa namen voor de dingen.) Zoals dat de sterren aan de nachtelijke hemel zielen zijn, die naar ons twinkelen, of glimwormpjes die van duisternis houden en op de vlucht slaan als de zon boven de kim tevoorschijn komt. Geloven jullie dat? vroeg een onderzoeker. Natuurlijk niet, antwoordde de Bushman, overdag is het veel te licht om dan sterren te zien. Maar wij houden van verhalen.

De Bushmen, de Pygmeeën en de Hadza beleven de verhalen zoals onze kinderen spelen. Kinderen spreken met elkaar af: ik was de dokter en jij was de zieke. En dan spelen ze diep serieus de dokter en de zieke, anders is er niks aan. Maar ze zouden gillend weglopen als iemand écht zou denken dat hij dokter of zieke was, dan zou het spel eng worden.

Bij de Bantoes (AGR’s) is dat nou juist het geval. Die beleven hun verhalen als werkelijkheid. Bij hen zijn de geesten van de overledenen echt de baas. Dat is de voorouderverering.

Mannengeloof, door de vrouwen gehoorzaam meebeleefd. De overledenen leven écht voort in de geestenwereld. Alles moet in het werk gesteld worden om de overledenen tevreden te houden. Alles moet volgens de in de traditie vastgelegde wetten geschieden, anders worden de geesten der voorouders kwaad en laten die de oogsten mislukken en breken er ziekten uit. De sjamaan is de specialist die in trance contact legt met de geestenwereld en die kan ‘vernemen’ waar de fout zit die hersteld moet worden.

Geen wonder dat de M’buti hun Bantoes niet goed snik vinden.

De voorouderverering vigeert nog in heel wat agrarische samenlevingen, in meerdere of mindere mate.

Mannen zijn vanuit onze culturele evolutie niet toegerust om de baas te spelen – net zo min als de vrouwen dat zijn – en ze zijn al helemaal niet toegerust om be-baasd te worden. Het is juist door hun onzekerheid dat de mannen zo raar begonnen te doen. Het doet sterk denken aan pubergedrag.

De mannen overschreeuwden hun onzekerheid, met steeds bruter optreden tegen hun vrouwen, geholpen door hun meerdere kracht en door het feit dat ze vanouds over wapens dienden te beschikken. Ze verboden de aanwezigheid van vrouwen bij hun mannenrituelen, nieuwsgierige meisjes werden weggejaagd en bedreigd met boze geesten. Later gingen ze zover dat ze de vrouwenrituelen en elima’s verboden. En om hun hun jongens-initiatiehutten in het basiskamp zelf te bouwen.

Het dient gezegd te zijn dat dit wangedrag van de mannen het ergst was waar de stammengevechten door plaatselijke populatiedruk het hevigst was. Het meest bruut is het mannengeweld bij de Bergpapoea’s in Nieuw Guinea, en op veel eilanden, waar de omringende zee verdere uitbreiding onmogelijk maakt.

De Yanomami in de Amazoneregio zijn ook beruchte macho’s.

Maar waar populatiedruk laag bleef, bleven de verhoudingen tussen de seksen meestal meer egalitair.

Naarmate de millennia verliepen en de landbouw-economie zich breder verbreidde, kregen de sjamanen het steeds drukker en werden ze steeds belangrijker voor de boeren. De sjamanen bedachten steeds gecompliceerder theorieën over de geesten en dichtten niet alleen mensen maar ook dieren en dingen een geest toe. Dat geestengeloof heet animisme.

De VJ’s hebben daar nooit aan gedaan, tenminste, afgaande op mijn ‘controlegroep’. Die staan tamelijk nuchter in het leven, vanuit zichzelf. Maar ze hebben natuurlijk geen verweer tegenover de boerensjamanen of missionarissen, geen wetenschappelijke argumenten of zo.

Het animisme ging naadloos over in de godsdiensten zoals wij ze nog steeds kennen. In de Islamwereld waren de geesten (djins) nog volop rond, maar ook in het Christendom is de Heilige Geest nog steeds belangrijk voor je ziel. Ik heb altijd met een stalen gezicht bij ter sprake gekomen van de ziel met volle overtuiging beweerd dat ik zonder ziel leefde, en heb hem inderdaad nooit gemist. Ziel is gewoon hetzelfde als geest en dat is weer hetzelfde als iemands denkvermogen. Het is alleen omdat men zich ongaarne voorstelt dat dat denkvermogen verdwijnt als het lichaam er mee ophoudt. Evengoed stelde filosoof Wittgenstein, toch een ongelovige, in zijn Filosofische onderzoekingen (1953):
“Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.” Bert Keizer schreef recentelijk een boek Waar blijft de ziel? (2012), weliswaar als kritiek op de neurologen die stellen dat we niet meer zijn dan ons brein. Maar ja, filosofen, hè. Die weten niets over de mens.

  1.      de laatste belangrijke vrouwen-uitvinding: het voedseltelen

Hoe erger de stammenstrijd, des te bruter gingen de mannen tegen de vrouwen te keer. Alle mogelijke regels en taboes vonden ze uit. Vrouwen mochten nooit mannenwapens aanraken. Bij de Bergpapoea’s mogen de vrouwen zelfs geen gebruik maken van de paden van de mannen. Maar waar de stammen manieren gevonden hebben om in vrede met elkaar om te gaan, is de positie van de vrouwen ook veel gelijkwaardiger.

Maar nergens is het meer zoals het bij de Vroege Mensen zoals de Neanderthalers vermoedelijk geweest is.

(Jane Auel, De Stam van de Holenbeer ea, heeft zich in haar romans wat de man-vrouwverhoudingen braaf aan de mainstream opvattingen onder de antropologen gehouden. Maar haar vrijgevochten Ayla-figuur mag er zijn. Geen kwaad woord over Jane Auel. Ik heb haar ooit mogen ontmoeten.)

Mannen grepen de macht. Hebben vrouwen nooit gedaan. Er is, nogmaals, nooit matriarchaat geweest. Vrouwen stonden gewoon het hoogst in aanzien. Daarom hebben de mannen altijd gedaan wat de raad van ouderen vrouwen voor hen ‘voorkookten’. Dat was alles. Daardoor bleef alles altijd bij het oude, en was er vrede en geluk.

Het is de overpopulatie (teveel groepen in één regio) die de oude ‘edele wilden’-verhoudingen overhoop heeft gegooid.

Het begin van de landbouw bracht echter een terugkeer naar de vreedzame verhoudingen: landbouw was vrouwenwerk, en de vrouwen kwamen weer hoog in aanzien.

Maar toch wrong er iets bij de mannen.

De landbouw begon in de Levant, zei ik. Dat kwam doordat daar, vooral op de hellingen van het Zagros-gebergte waar de bronnen van de Tigris en de Eufraat ontspringen (Mesopotamië) maar ook in Palestina, wilde grassoorten groeiden met voedzame korrels. De vrouwen oogstten die door met hun graafstok tegen de halmen te tikken en de korrels op te vangen in een korfje. Die korrels kon je fijn wrijven op een platte steen, met een ronde maalsteen. Je kon er veel voedzame gerechte mee maken (later zelfs alcoholhoudende drank).

Maar het belangrijkste, je kon de voorraad korrels heel lang bewaren als je de opslag wist te beveiligen tegen muizen. Tot het volgende seizoen, waarin je de mooiste korrels kon uitzaaien en later rijkelijk beloond worden door Moeder Aarde.

Het heeft een ‘revolutie’ betekend, een omwenteling in het menselijk bestaan. Alweer: vrouwen-uitvinding. Maar het heeft de vrouwen veroordeeld tot elke dag urenlang graan malen. Op deze vermoeiende en rsi- pijn veroorzakende manier – de tekening laten de plekken zien waar door heel veel oudere vrouwen in het verleden ondraaglijke pijn geleden moet zijn.

Maar wat wrong er nou bij de mannen? Voor de mannen betekende het, dat ze gedwongen werden, hun vrije jagersbestaan en dus hun status op te geven en ook boeren te worden. Want wat moet je anders wanneer de vrouwen bij de graanbestanden willen blijven, zodat vrouwen van vreemde groepen hen niet voor zouden zijn bij het oogsten? En wanneer de vrouwen daar stenen hutten willen (tegen de muizen en ratten)? Er is geen andere keus dan bij de vrouwen te blijven. De prooidieren in de omgeving zijn binnen de kortste keren overbejaagd. In de opgravingen treffen de archeologen de fossiele dierbotten van steeds kleinere soorten aan.

Trouwens, die stenen behuizingen eisten ook steeds meer mannenwerk. Het betekent dorpsleven, velden bewerken, heel anders in het leven en in de religie komen te staan. Blijf de ‘wet’ in gedachte houden: mensen denken conform de heersende economie.

Maar ergens, diep in hun onbewuste, zijn de mannen het de vrouwen kwalijk blijven nemen dat die hen gedwongen hebben hun vrije nomadische jagersbestaan op te geven, hen veroordelend tot een kommervol gezwoeg op veldjes die maar hooguit een jaar of twee vruchtbaar blijven, waarna ze weer nieuwe bomen om moeten hakken en platbranden. Van VJ tot AGR worden.

Dat Eva de mens uit het paradijs (van het vrije VJ-bestaan) verdreven heeft, klopt dus ergens wel! Vandaar mijn voorplaat. Maar kom zeg, roept nu de lezeres, de vrouwen maakten alleen maar van de nood (overpopulatie) een deugd! En zo is dat.

De vrouwenuitvinding van de landbouw betekende een economische revolutie. Het graan moest veilig tegen muisvraat worden opgeslagen, dus stenen bergplaatsen en hutten. Dat werd mannenwerk. Toen de mannen de woeste oerrunderen hebben weten te domesticeren en als ossen voor hun ploegen en karren hebben weten te spannen, zijn de mannen volledig boeren geworden. Maar nog heel lang zijn de vruchtbaarheidsrituelen vrouwenrituelen gebleven, met vrouwenbeeldjes en al.

De AGR’s geloofden (en geloven nog) heel erg in geesten. In goede en in slechte, overal geesten, en hoe ze op dat idee gekomen waren heb ik al verteld. En waarom het juist de mannen zijn geweest, regelneven als ze zijn en onzeker in hun machtsgreep over de vrouwen, die daar zulke lachwekkende gebruiken bij bedacht hebben.

Als VJ’s maakten onze voorouders daar niet zo’n punt van. Zoals ik al zei hielden ze heel veel van verhalen maar ze bleven wel nuchter: ze wisten dat het maar verhalen waren. Net als kinderen weer: die spelen heel ernstig ‘vadertje-en-moedertje’ of ‘winkeltje’ (want anders zou er niks aan zijn) – terwijl ze evengoed weten dat het spel is. Als je je in deze kunt verplaatsen naar je kinderlijke beleving, kun je dat ook naar de geestenwereld van onze VJ-voorouders.

Maar als voedsel-telende AGR’s, met hun veldjes, afhankelijk van wel of geen regen en van andere factoren die de opbrengst beïnvloedden, werden onze voorouders, vooral toen de mannen ook boeren geworden waren, steeds bijgeloviger. De sjamanen, die met hun toverijen oplossingen moesten verzinnen voor onoplosbare vragen, bedachten steeds ingewikkelder theorieën met steeds meer soorten geesten in de hoofdrol. De overledenen ‘hielden de levenden vanuit hun onderwereld in de gaten’ en werden steeds belangrijkere factoren voor de bovenwereld van de levenden, werden steeds veeleisender in de offers. Vandaag noemen we het ‘voorouderverering’.

De hoofdfiguur van de vroegere Scheppingsverhalen, de Grote Voorouder (het oorspronkelijke groepje eerste kolonisten van het stamgebied) verdween overigens niet helemaal: daarvoor zat Hij te diep in het overgeërfde denken. Hij overleefde als een Allerhoogste Scheppende Figuur, ergens daarboven, die zich verder niet meer met de wereld bemoeide. En bij ons, consumenten, overleeft Hij in het gevoel dat er IETS moet zijn.

Maar dat heb ik al tig maal gezegd. Ik moet trouwens gaan opschieten, deze tekst wordt veel te lang. Kom op, grote stappen, snel thuis nu.

Angst voor boze geesten. Groeiende macht van de sjamaan die ook voor de gemeenschappelijke opslag van het graan zorgde in de vroege boerendorpjes. In het tempelcomplex van het groeiende dorp. De sjamanen werden priesters, vrijgesteld van het boerenwerk. Ze hielden de administratie bij van wat elke familie inbracht in de gemeenschappelijke opslag van landbouwproducten. Administratie vereist een vorm van opschrijven. Dat leidt tot schrift. Een familie die tegenslag heeft gehad, krijgt van de voorraad nieuw graan om te zaaien … maar met de velden van de familie als onderpand. Wanneer de familie niet kan terugbetalen, worden de velden bezit van de tempel en worden de leden van de familie lijfeigenen van de tempel.

Ontstaan van verschillen in aanzien tussen de altijd zo egalitair aangelegde mensen.

Dorpen raken in conflict over de toegang tot water. Het sterkste dorp, onder leiding van een hoofdman, neemt de vrouwen en de velden van het overwonnen dorp in BEZIT. Ook de op volle gang gekomen handel zorgt voor strijd om toegangswegen en bronnen van rijkdom. De overwinnende hoofdman wordt koning en zijn trawanten worden edelen. Hun dorpen worden steden, met enorme tempels en paleizen.

Afbeelding hiernaast: zo moet de ‘Toren van Babylon’ er ook uit gezien hebben. Gebouwd door tot slaven en horigen geworden overwonnen stammen. Die spraken allemaal hun eigen taal of dialect: Babylonische spraakverwarring volgens de Bijbelschrijvers die er in Babylon mee kennis maakten.

BEZIT. Een nieuw verschijnsel in de mensheid. En geen best. Alles is in wezen gemeenschappelijk. Ga je schoenen maar na. Heb je die zelf gemaakt? Het leer dan misschien? De veters? Het idee om ze zo te maken? Het idee om überhaupt schoenen te dragen? En dan heb ik het alleen nog maar over je schoenen, maar kijk eens om je heen, naar de dingen die je jouw bezit noemt. AGR dat je bent.

Voor de VJ’s was zelfs hun leefgebied en hun waterbron geen bezit, niet van iemand van hen noch van hun leefgroep als geheel. Ieder maakte haar/zijn eigen spullenen het enige wat voor hen vooral waardevol was, was de kennis over waar je dingen vindt en over hoe je dingen maakt. En zelfs die kennis deelden ze ruimhartig.

HOOFDMAN. Heeft die het privé-bezit ingevoerd? Nee hoor. Om hoofdman te zijn en te blijven moest je de beste, de voortreffelijkste, de meest onbaatzuchtige en evenwichtige zijn. Een hoofdman wordt gekozen door zijn gelijken; die kiezen geen onbetrouwbaar en zelfzuchtig iemand.

Maar zijn zoons, dat is een ander verhaal. Die stonden onder invloed van de trawanten van de hoofdman. De trawanten waren veelal kwade geniusssen. Ze waren net niet goed genoeg om hoofdman te worden, maar verder zijns gelijken. De hoofdman droeg de verantwoordelijkheid , maar achter zijn rug konden de trawanten hun zelfzuchtige doelen nastreven door diens zoons dan wel kleinzoons van alles wijs te maken en te beloven.

LOFZANGERS. Belangrijke trawanten waren de lofzangers. Hoe hoger zij de hoofdman in aanzien wisten te doen stijgen, des te hoger stegen de trawanten mee. De grofste mensenrechten-schendingen werden door hen, immers gevrijwaard van elke verantwoordelijkheid, als heldendaden bejubeld. De lofzangers waren de eerste ideologen.

Slaags geraakte koninkrijken worden deel van een keizerrijk. Het bewind daarover vereist een stoet van geleerde ambtenaren en schrijvers. Hun opleiding vereist onderwijs, scholen.

Het schrift leent zich tot brieven, tot boeken, tot literatuur. Beschaving.

Beschaving klinkt goed. Maar het houdt in wezen in dat onderworpen gemeenschappen hun taal en religie kwijtraken en de religie en taal van het rijk moeten aannemen. De ouderen blijven treuren; hun kinderen leren het noodgedwongen te accepteren. De kleinkinderen kennen niet anders en vinden de grootouders maar zeuren.

Er hangt veel leed in de coulissen van de beschaving.

Maar ook vooruitgang.

Is vooruitgang goed?

Niet gaan zeuren nou. Mensen zijn zo apart geworden doordat ze de dingen namen gingen geven, gingen ‘begrijpen’. Ze zijn de weg op gegaan van het steeds beter begrijpen van de dingen. Er is geen terug op die weg, alleen een ‘vooruit’.

Val maar terug op de VJ in je: maak er niet zo’n punt van. Beleef je leven als een spel, zoals we dat als VJ’s altijd deden. Dat kan nog steeds.

  1. vanwaar de angst voor seksualiteit in de godsdiensten?

De onzekerheid van de mannen (bedenk nogmaals dat 99% van de tijd het de vrouwen waren geweest die de beslissingen namen) leidde op veel plaatsen tot steeds ergere vrouwen-onderdrukking. De oudere mannen palaverden veel met elkaar over hoe te denken over de dingen en over hoe de jongeren zich dienden te gedragen. De oudere mannen, bij wie de hormonen uitgeraasd waren en die de wijsheid in pacht hadden, vonden het verkeerd dat de jonge meiden blijkbaar toch nog zoveel macht hadden over de jonge mannen op seksueel gebied. Seksueel verlangen maakte dat hun jongemannen zich uitsloofden voor een meisje, probeerden bij haar in het gevlei te komen en dus zo aardig mogelijk deden. Wat een vernedering voor mannelijkheid. Wat een zwakheid. De oude mannen gingen seksualiteit steeds meer als iets verwerpelijks zien. Ze gingen taboes bedenken en vernederende regels. Wat? Wetten.

BESNIJDENIS. Ze gingen het een fout vinden dat wel de jongens besnijdenis moesten ondergaan en dat de meisjes dat niet hoefden. Hier en daar – het gebruik ontstond waarschijnlijk in de regio van wat nu Soedan is en het vigeert vooral in nomadische veehoudersculturen – gingen ze besnijdenis op meisjes toepassen: zodat die later zelf geen seksueel genot meer konden voelen. Dat zou die meiden de lust tot seks en dus hun verleidelijkheid wel ontnemen. Ze dienden maagd te blijven.

Het is natuurlijk door een enkele rabiate patriarch bedacht, en vervolgens door steeds meer patriarchen als dé aangewezen leer overgenomen.

MAAGDELIJKHEID. Ja, vanwaar die mannelijke bezorgdheid over de maagdelijkheid van de meisjes? Die is ook een gevolg van de mannelijke oorlogvoering. Bij de overwinning op een ander dorp hoorde behalve het afslachten van de mannelijke tegenstanders ook het verkrachten en tot slavin maken van de vrouwen en meisjes. Heel gewoon.

Maar als een man nou een vrouw wilde voor een eigen gezin, of een extra vrouw er bij, dan wilde hij er wel zeker van zijn dat die niet zwanger was van een andere man. Hoe kon hij daar zekerder van zijn dan wanneer het meisje nog maagd was?

Dus dat werd geleidelijk een voorwaarde voor een meisje om in aanmerking te komen voor een huwelijk. Zo beslisten de raden van de oude baardmannen. Trouwen met een negenjarig kind? Natuurlijk: die is nog maagd.

Let op het open mondje van het geschokte meisje, en herinner je dezelfde open mondjes van de M’buti-jongetjes van pag. 43

Ah, en nu denken we meteen aan Mohammed. Dus de islam. Dus de Arabieren. Dus die hele droge regio waarin de baardmannen de vrouwenbesnijdenis bedacht hebben om hun vrouwen eronder te houden in hun mannelijke onzekerheid.

Zeker, het is typerend voor die nomadische veehouders-culturen.

En laat dat nou net de bakermat zijn van onze wereldgodsdiensten: Judaïsme, Christendom en Islam.

Deze godsdiensten (mannen-uitvindingen) hebben de vrouwen-onderdrukking en de angst voor seksualiteit (vrouwenmacht) in goddelijke geboden en verboden bevestigd, zoals we nu gaan zien. God wil het, zo beslisten de baardmannen.

Maar … besnijdenis van hun dochters wordt ook door de vrouwen gehandhaafd. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Wel, vrouwen zijn religieuzer dan mannen, vrouwen zijn conservatiever dan mannen (denk aan de vuistbijl, de vrouwenbeeldjes, het moeilijk afstand doen van manieren om de dingen te doen zoals hun moeders het deden). Vrouwen zijn loyaler aan de heersende cultuur dan mannen. De (baard)mannen zijn alleen maar zo handhaverig omdat ze daarmee hun bevoorrechte positie als man in een mannenmaatschappij handhaven. Alleen daarom.

  1. Conclusie bij deel I

En? Heb is het voor u een beetje aanvaardbaar weten uit te leggen hoe wij van normale dieren tot talige wezens geworden zijn, en dat het vooral de vrouwen zijn geweest die daarin de drijvende krachten zijn geweest?

Dan hier nog even iets voor de wetenschappelijk onderlegde lezeres die zo’n serie van de mainstream-wetenschappers afwijkende theorieën niet van een niet-wetenschapper wil aannemen.

De mainstream wetenschappers geloven (gelóven!) dat onze voorouders pas talige wezens geworden zijn toen ze die prachtige grottenschilderingen zijn gaan maken in Lascaux en zo. Ik heb zojuist de lezing voltooid van Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid, de Nederlandse vertaling (Thomas Rap Amsterdam, vijfde druk 2015) van het boek van de Israëlische schrijver Yuval Noah Harari From Animals into Gods. A Brief History of Mankind. 2011. Binnen een jaar vijf drukken, dus een bestseller in ons land. Laat ik die als voorbeeld nemen van het mainstream-denken over de mens.

Ik moet zeggen, mijn exemplaar staat vol strepen en opmerkingen. Het is toch zo duidelijk als wat, dat onze vroegste voorouders uit het normale dier-zijn gemigreerd zijn doordat ze namen voor de dingen hebben ontwikkeld? Die zes dingen die ik je van buiten heb laten leren in par. 1. 2 , humanistendame, die zes effecten van het beschikken over namen voor de dingen die onze soort, begonnen als bange troepjes aapmensen op de Afrikaanse savanne, tot de machtigste diersoort op Aarde hebben doen worden, die zijn toch boven elke twijfel verheven? En nou citeer ik Harari op p. 17:

“Waarom is het geslacht Homo het enige in het dierenrijk dat zulke gigantische denkmachines [hij bedoelt ‘uitzonderlijk grote hersenen’] heeft ontwikkeld? … Meer dan twee miljoen jaar lang bleven de neurale netwerken van mensen almaar groeien, maar los van een paar vuurstenen messen en scherpe stokken had de mens daar verdomd weinig profijt van. Wat was dan de motor die de evolutie van dat gigantische brein twee miljoen jaar lang aanjoeg? Om heel eerlijk te zijn weten we dat niet.”

En dat is – hoewel, er beginnen al contra-stemmen op te klinken – nog grotendeels mainstream hoor, dat hameren op die ‘grote hersenen’. Terwijl die hooguit te maken hebben met toegenomen sociaal gedrag ten behoeve van groepsharmonie. Dat hersenvolume is juist gaan afnemen bij de AMM’s toen ten gevolge van overpopulatie de mannen macht gingen uitoefenen en oorlog en geweld de groepsharmonie verminderden.

De mainstream wetenschappers zien taal uitsluitend als gesproken taal. Daar zijn ze moeilijk van af te krijgen. Maar ik blijf gewoon door toeteren (nou ja, piepen).

Harari snapt ook niet waarom de Vroege Mensen zo weinig neiging tot verandering en vooruitgang aan de dag gelegd hebben. Bedenk: de Vroege Mensen waren begonnen als normale dieren. Bij dieren speelt geen verandering en vooruitgang. Mensen zijn als VJ’s – denk nog even aan mijn tijdlijntje – tot 20,000 jg doorgegaan met elke ochtend ontwaken en dan kalmpjes op pad voor het eten van die dag. Ze slaagden daar onmerkbaar langzaam maar zeker steeds beter in omdat ze de dingen steeds beter gingen begrijpen. Maar verandering en vooruitgang? Ze kwamen niet eens op het idee dat dat ook maar ergens goed voor zou kunnen zijn.

De humanosoof wijst bovendien op de lange-lange dominantie van de vrouwen, voor wie de dingen niet hoeven te veranderen als ze goed genoeg werken en de kinderen goed te eten hebben. Het is pas sinds de machtsgreep van de mannen dat verandering en vooruitgang ingang begon te vinden. Maar zelfs toen nog bleven de mensen verandering en vooruitgang foute boel vinden.

Verandering en vooruitgang is typisch iets voor de vrije markt economie. Wij, westerse mensen, kunnen moeilijk anders denken dan conform onze heersende economie. Maar voor het kijken naar ons prehistorische verleden moeten we out of this box denken.

  1. DEEL II. Monotheïsme

    1. de geboorte van de Ene Ware God. Judaïsme

Nu ga ik vertellen hoe, waar, wanneer, door wie en waarom die kwalijke Enige Ware God van de Joden uitgevonden is. Niet door de Joden als volk: die zijn er vooral de pineut van geworden. Maar door Joodse patriarchen.

En die laatsten deden dat niet uit kwaadaardigheid, maar om de Joodse stammen te verlossen van die eeuwige onderdrukkers en uitzuigers: als ze niet werden afgeperst door de Egyptenaren dan was het wel door de Assyriërs.

Wanneer beide grootmachten even verzwakten, kregen de vazalstaatjes de kans om zelfstandig te worden, en daar had Israël, het noordelijke rijk onder koning Omri in 875 vC dan ook gebruik van gemaakt. Gesteund door zijn krijgsgod Jahweh veroverde Omri en zijn zoon Achab een gebied dat zich uitstrekte van Dan in het noorden tot bezuiden Beershaba. Juda, toen nog een onaanzienlijk bergstaatje, zie kaartje hiernaast, was door Israël ingelijfd in Groot-Israël.

Let wel: dit speelde zich af toen er nog lang geen sprake was van Judaïsme of Ene Ware God of van Bijbel. Het Judaïsme begon pas 622 vC.

Ja maar, protesteert u nu, de oude Joodse verhalen zoals de Exodus, die zijn toch veel en veel ouder? Nou, zal ik dan een Wikipedia-wijsheid laten lezen?

The central founding myth of the Israelite nation is the Exodus of the Israelites from Egypt under the guidance of Moses, followed by the conquest of the Promised Land (Canaan). There is little or no archaeological or historical evidence to support these accounts, and although they may in part originate as early as the 10th century BCE, according to the Wellhausen hypothesis they reached something like their present form only in the 5th to 4th centuries BCE, when they are alleged to have been edited to comply with the theology of Second Temple Judaism.

We hebben hier de Wikipedia-wijsheid niet eens voor nodig: het is in de Bijbel zelf te lezen! Heb je een bijbeltje in huis, humanistendame? Nou, ik wel – ik heb zelfs de Koran in huis. Welnu, lees in II Koningen 23 hoe koning Josia orders gaf om de tempel te ontdoen van “al het gerei voor de eredienst aan Baal en Asjera en het gehele heir des hemels”. Dat betrof onder meer een “heilige paal”, waarvoor de vrouwen hoezen voor Asjera naaiden. Ik denk dat dit een beatyl betrof: de oude herdersvolken van het schiereiland vereerden hun goden in de vorm van stenen rechthoeken – denk aan de Ka’aba van Mekka – die ze elk jaar met een nieuw kleed bedekten.

Vervolgens liet hij in heel Judea de priesters ontslaan en de offerplaatsen en heilige hoogten neerhalen.

Dat allemaal in 622 vC.

Met andere woorden: tot dat jaar 622 vC waren de erediensten nog gewoon zoals ze vanouds in Kana’an heersten; nog geen spoor van Judaïsme. Jaweh was nog gewoon de krijgsgod van Israël, met zijn tempel in Samaria, en El (-ohim), en dat zit ook in Ba’al en in Allah) en dat was de verre pan-Arabische oppergod. Ik tover hier nog even dit vrouwenbeeldje, bewijs van de ‘vrouwenmagie’ ter bevordering van de graanopbrengst, naar hier. De is gevonden in Palestina en dateert van rond 700 vC.

Dat de judaïstische Bijbelschrijvers hun godsdienst als ‘van alle tijden’ voorstellen is normale propaganda.

Natuurlijk maakten de judaïstische bijbelschrijvers ook gebruik van bestaande verhalen. En die waren er volop, al moesten ze die aanpassen. Maar 90% van de Bijbelse verhalen zijn van Babylonische oorsprong, en 90% van de riten, voorschriften en andere inhouden zijn aan het Zoroastrisme ontleend.

Ik vertel nog even verder over het glorieuze Groot-Israël van Omri en Achab. Assyrië kwam helaas weer op krachten en in 722 werd Israël verslagen. Zijn hoofdstad Samaria werd verwoest, de tempel van Jahweh met de grond gelijk gemaakt. Israël werd ingelijfd. Het bergstaatje Juda was nog niet de moeite van het inlijven waard.

De priesterij van de tempel had tijdig de benen genomen. De meesten hunner waren uitgeweken naar Egypte, maar een deel was neergestreken in Jeruzalem. Dat was toen nog een dorp maar het had natuurlijk wel een tempeltje. De Israëlische priesters richtten er een altaar van Jahweh in, naast het beeld van vruchtbaarheidsgod Baal en de vruchtbaarheidsgodin Astarte. De laatste werd vereerd in de vorm van een heilige paal waarvoor de vrouwen elk jaar een nieuw kleed weefden.

De Israëlische priesters bleven dromen van een herstel van Groot Israël. Na de dood van Sargon II van Assyrië in 705 vC leek er even een kans. Ze wisten de Judese koning Hizkia over te halen om de Assyrische belasting-inners weg te sturen en de muren van Jeruzalem te versterken. Maar Sargon’s opvolger Sanherib bleek geen doetje en kwam verhaal halen. Hij nam niet de moeite om het fort Jeruzalem in te nemen (zoiets kostte minstens een jaar) maar plunderde en brandschatte de rest van Juda. Hizkia haastte zich om de belegering af te kopen, en Juda werd weer braaf.

Onder Hizkia’s zoon Manasse (687-642) kwam Juda zelfs tot bloei, profiterend van de opbloeiende economie van Assyrië.

Manasse moest niets hebben van de ‘theologie’ van de Israëlische priesters. In hun latere Bijbel staat hij dan ook te boek als een koning die “deed wat kwaad was in de ogen van de HERE” (II Koningen 21:2), maar voor Juda was hij een zegen. We zouden hem nu Manasse de Grote kunnen noemen. De bevolking groeide van 10.000 naar 70.000 zielen; waarvan de helft woonachtig was in Jeruzalem dat uitgroeide tot een echte stad.

Ik heb dit allemaal uit het boek En de zee spleet in tweeën (2006) van Marcel Hulspas.

Ook andere steden groeiden en op het platteland verrezen veel nieuwe dorpen, zoals de archeologie laat zien.

In heel het Assyrische rijk nam de geletterdheid toe. Vooral toen het oude spijkerschrift-systeem werd vervangen door het Semitische alfabet, wat veel makkelijker te leren was. De kleitabletten maakten plaats voor papyrusrollen, die tegen muisvraat werden bewaard in urnen.

Ik denk (ik heb er echter in de numismatiek, de muntkunde, geen bewijs voor gevonden) dat er toen ook al munten in omloop begonnen te komen, gezien de economische bloei.

In 614 vC wankelde het eens zo machtige Assyrische rijk door een samenspannen van de Meden en de herrezen Babyloniërs. Tussen 614 en 609 vC verwoestten de Meden en Babyloniërs alle grote Assyrische steden, waaronder de hoofdstad Aššur in 612 vC.

Nog even kon een door Perzen en Egyptenaren gesteunde Assyrische generaal regeren vanuit Harran, maar in 609 werd Harran als laatste bolwerk ingenomen. Einde Assyriërs.

De Meden waren vervolgens in staat om hun Medisch koninkrijk (met Ecbatana als hun koninklijke centrum) te vestigen buiten hun oorspronkelijke thuisland (centraal-westelijk Iran) en hadden uiteindelijk een gebied dat zich grofweg uitstrekte van noordoostelijk Iran tot de rivier de Kizil Irmak in Anatolië.

Het rijk van de Meden werd in 550 vC veroverd door Cyrus de Grote, die de daaropvolgende Iraanse dynastie vestigde, de Achaemeniden.

Assyrië verslagen, de Egyptenaren nog niet op krachten gekomen! Het was nu of nooit, wisten de Israëlische priesters in Jeruzalem. Er moest nu een legermacht worden opgebouwd. Een staand leger, goed uitgerust, paraat en gedrild in kazernes. Als ze dat voor elkaar zouden weten te krijgen, dan lag hun Groot Israël-utopie weer in het verschiet.

Een extra gunstige factor was dat Manasse’s opvolger bij een paleisrevolutie was vermoord en dat diens zoontje Josia, nog pas acht jaar, opvolger was. Zijn opleiding lag in handen van de Israëlische priesters, ze hadden weinig moeite het kind te winnen voor hun plan. Josia moest de nieuwe David worden.

David? Ja, dat was de naam van een mythische Judese krijgsheer. Ze konden voor hun Groot Israël-verhaal niet de namen van Omri en Achab gebruiken, omdat die in Juda nog als bezetters golden. In plaats van deze gebruikten ze David; en voor Achab verzonnen ze een nooit bestaan hebbende zoon Salomon. Nou, voor die verzonnen Salomon hebben ze heel wat uit de kast gehaald. Helaas hebben de Bijbelse archeologen nog geen spoor van zijn schitterende rijk kunnen aantonen! Des te meer van Omri en Achab.

Zo’n staand leger kostte nogal wat. Hiskia’s poging was indertijd mislukt omdat hij onvoldoende ‘maatschappelijk product’ van Juda had kunnen concentreren, doordat er toen nog geen geld in omloop was: hij had alleen de revenuen van de tempels in de naaste omgeving van Jeruzalem kunnen benutten.

Maar nu was er geld in omloop (nogmaals, ik heb er nog geen bewijs voor, maar het moet haast wel). De boeren hoefden geen offerdieren en andere landbouwproducten meer naar de Tempel te vervoeren (dat is zeker namelijk) en de belasting werd door de ‘dorpelwachters’ geïnd, zoals we in de Bijbel kunnen lezen.

De boeren mochten hun offergaven vooral niet langer verspillen aan andere heiligdommen, altaren, heilige hoogten en heilige palen. Alle revenuen moesten naar de Tempel van Jeruzalem vloeien. Daar hadden de tempelpriesters een geheel nieuw soort godheid voor

bedacht: de Ene Ware God. Natuurlijk hún eigen Israëlische oorlogsgod, Jahweh. Die duldde voortaan geen enkele andere meer naast zich. Hij was niet langer een simpele krijgsgod, ergens onder aan de tafel van de oppergod El, tussen de andere tweederangs-goden, nee, hij werd de Oppergod zelf.

Voor hun basisverhaal maakte de priesterij van de Tempel volop gebruik van de oeroude

verhalen van de traditionele verhalenvertellers.

Dat was een in die dagen een belangrijk beroep. De verhalenvertellers leerden het vak van vader op zoon en trokken de hoeven langs, waar ze gefêteerd werden in ruil voor hun spannend gebrachte verhalen. De slavernij van Egypte waar alle boerenfamilies eeuwenlang zonen en dochters aan verloren hadden, gevoegd bij de vele heldenverhalen uit de stammenoorlogen van de Judese IJzertijd, waarin David prominent figureerde, vormden het uitgangspunt. Allemaal ‘orale’ literatuur, in een tijd dat er nog geen televisie of krant was.

De bruikbare elementen van die oude verhaaltraditie werden door de Tempelpriesters aangewend voor het relaas van Jahweh. De Enig Ware God, Jahweh, wilde Zijn volk bevrijden uit de slavernij. Want Hij had juist dat arme en gepijnigde volk uitverkoren boven alle volken!

Vanwaar dat laatste? Vanwege Zijn strenge voorwaarde: de Joden moest alleen Hem aanbidden en geen andere goden, en al helemaal geen godinnen. Dat was erg veel gevraagd, van een volk van veehouders en landbouwers. Dus een extra bonus als lokkertje.

Er werd een Verbond gesloten, zo schreven de Bijbelschrijvers, onder leiding van … nee, nog niet van Mozes: die is pas later, in Babylon bedacht. Ook het concept ‘verbond’ trouwens. In deze eerste Tempelversie doet Jahweh de klus nog in zijn eentje.

De Bijbelkundigen (niet-gelovige wetenschappers, heel andere lui dan de Bijbelgeleerden die uitgaan van de onomstotelijke waarheid ervan) weten vrij goed hoe dit Tempelverhaal het rompverhaal is geweest van het latere Deuteronomium, en dat het door de priesters in een urn verstopt is onder het puin van een Tempelrenovatie toen het ‘Uur U’ was aangebroken.

Dat was in 622 vC. Onthoud die datum, dames: het begin van jullie definitieve tweederangs-positie in de mannenwereld. Het was in het achttiende regeringsjaar (staat allemaal in de Bijbel) van koning Josia. Pas toen was deze er klaar voor.

Hij had er een hele klus aan gehad: een krachtige strijdgroep vormen van jongemannen, die allemaal waren opgegroeid in het geloof dat de vruchtbaarheid van Juda afhankelijk was van de offergaven op de altaren van de vruchtbaarheidsgodin Astarte en die van Baal. Deze jongemannen moesten worden gedoctrineerd dat Astarte en Baäl foute goden waren geweest en dat ze die moesten bestrijden in opdracht van de Ene Ware God en dat was Jahweh. De belangrijkste fout van die goden was geweest dat ze het Joodse volk niet hadden weten te beschermen tegen de goden van de Assyriërs. Maar Jahweh zou hun volk zeker van de onderdrukkers bevrijden!

In 622 vC dus trad het scenario in werking. Als u wilt kunt u het zelf lezen, in II Koningen 22-23 (en ook nog eens in Kronieken 33-34). Het voorgaande eenmaal wetend, leest u het als een in elkaar gestoken drama.

Ik heb ook wel wat gehad aan de boeken van Karen Armstrong. Wel wat: evenmin als onze filosofen weet zij iets over hoe wij mensen geworden zijn. Dus weet ze ook niet dat wij van nature religieus zijn. Ze voelt wel dat er IETS moet zijn en dus wil ze God niet kwijt. Daarom houdt ze toch maar vast aan de Bijbelse weergave van de werkelijkheid, compleet met Mozes als wetgever, en slikt ze de propagandistische Bijbelverhalen.

Maar ze vertelt zinnige dingen over het vernieuwende karakter van de Jahweh-ideologie (zal ze best wel van anderen hebben overgenomen; ik neem ook heel wat van anderen over; des te beter, toch?). Ik som haar zinnige dingen op.

  1. De Jahwehideologie werd gepresenteerd in een geschreven tekst (was tot dan toe een zaak geweest van gezangen en andere mondelinge overdracht). Een Boek had voor de mensen toen iets magisch: ‘het stond geschreven!’.
  2. De religieuze waarheid werd hiermee ook een beetje gedemocratiseerd. Mondelinge overlevering vereiste een lange leertijd bij een goeroe en een gedisciplineerde levensstijl. Maar nu ieder in principe zelfstandig een boek kon lezen, los van een goeroe, was eigen interpretatie mogelijk. Bovendien hoefde de content niet meer van buiten geleerd te worden – al werd dat nog lang op prijs gesteld – : je kon deze altijd opnieuw ter hand nemen.
  3. De boeren mochten voortaan de offerdieren zelf slachten en opeten, nu de prijs ervan in geld was geofferd. Ze moesten het offerdier wel ceremonieel slachten, en het bloed laten weglopen in de aarde. Evengoed was hiermee een seculier domein geschapen: in de hele Oude Wereld was het tot dan toe alleen toegestaan vlees te eten dat ceremonieel was geslacht en geofferd op een gewijde plaats. Als tegenprestatie moesten ze voortaan wel met geslagen munt betalen – wat de vrouwen dus op de plaatselijke markt moesten zien te krijgen in ruil voor hun land- en vleesproducten. Het was wel een achteruitgang voor de mensen. Of het een goed jaar was geweest of een slecht: de opgelegde schatting bleef gelijk.
  4. Vernieuwing ook op het gebied van de rechtspraak. Traditioneel was er rechtgesproken door stamoudsten bij de plaatselijke heiligdommen. Maar die waren nu afgeschaft. Er waren nu staatsrechters benoemd in elke stad, met een hooggerechtshof in Jeruzalem.
  5. De staat werd een theocratie. De koning werd niet langer gezien als Zoon van God, maar moest voortaan net als ieder ander gehoorzamen aan de Wet van Mozes.
  6. De theologie werd rationeler: God manifesteerde zich niet langer als een beeld op een heilige plaats, maar woonde voortaan in ieders hart en geweten.
  7. God eiste van de gelovige dat hij een deel van zijn inkomsten apart hield voor weduwen en wezen en andere onvermogenden. Bovendien eiste Hij dat hij de rechten van vreemdelingen respecteerde en dat hij slaven na zes jaar vrij liet. Stukje sociale rechtvaardigheid.

De ‘hervormingen van koning Josia’ van 622 vC – zo wordt de machtsgreep van de Israëlische priesters in hun Bijbel gepresenteerd – waren voorlopig een kort leven beschoren.

Nog even terug naar de val van Assyrië.

De Babylonische veldheer Nabopolassar was in opstand gekomen tegen de Assyriërs toen de Meden het Assyrische rijk waren binnengevallen. De gezamenlijke legers versloegen de Assyriërs en beide partijen verdeelden het rijk. Juda kwam nu officieel bij Babylon te horen.

De Egyptische koning Necho II was intussen, zogenaamd om de Assyriërs te hulp te komen in hun eindstrijd, opgerukt naar het huidige Syrië.

Voor Josia werd het nu gokken: welke partij moest hij kiezen. De Babyloniërs of de Egyptenaren? Hij koos voor de Babyloniërs, en trok op tegen Necho.

Maar bij de eerste confrontatie trof een Egyptische pijl hem dodelijk. Zijn lijk werd afgevoerd naar Jeruzalem, waar hij werd opgevolgd door zoon Jojakim.

Nabopolassar trok op tegen Necho om diens belastingmacht in de regio (want daar was het Necho natuurlijk om te doen geweest) uit te schakelen. Maar hij werd ziek en moest zich laten terugvoeren naar Babylon. Het commando te velde liet hij over aan zijn zoon Nebukadnessar II.

Deze ontpopte zich als een bekwaam veldheer en bracht de Egyptenaren een zware nederlaag toe. Necho ontkwam op het nippertje doordat Nebukadnessar bericht kreeg dat zijn vader overleden was en hij dus als de bliksem terug naar Babylon moest om zijn opvolging veilig te stellen.

Het succes tegen Necho had Nebukadnessar overmoedig gemaakt. Zodra hij kon vervoegde hij zich weer bij zijn generaals aan het Palestijnse front en richtte zich nu op de rijke handelsstad Tyrus.

Maar dat werd een mislukking. Dan nu snel door naar Egypte. Maar ook dat viel tegen. Necho won deze thuiswedstrijd. Nebukadnessar moest zich terugtrekken.

Deze nederlagen waren voor Jojakim, bevriend met Necho en natuurlijk opgestookt door de Israëlische priesterij, aanmoediging om in 597 vC de belastingplicht aan Babylon op te schorten, rekenend op de steun van Necho. Maar die was wel wijzer en bleef thuis. Jojakim’s haastte zich nu om zich aan Babylon te onderwerpen. Vanwege het krediet van zijn vader Josia spaarde Nebukadnassar Jojakim’s leven maar liet hem wel op transport stellen naar Babylon. Jojakim werd vervangen door zijn oom Zedekiah.

Maar ook deze liet zich bepraten door de Israëlische priesterij en bracht het fort Jeruzalem tersluiks op topsterkte. In 588 vC kwam Juda weer in opstand tegen Babylon.

Deze keer kende Nebukadnessar geen genade. Hij leidde persoonlijk de belegering, die een vol jaar duurde. Nadat eindelijk een bres was geslagen, ondernam Zedekiah een ontsnappingspoging. Maar hij werd gepakt. Hij moest toezien hoe zijn drie zonen werden afgemaakt. Vervolgens werden hem de ogen uitgestoken. De stad en de Tempel werden door legeroverste Nebuzadaran grondig verwoest, en de voornaamste burgers, inclusief de blinde Zedekiah, werden op transport naar Babylon gesteld.

Babylon was een wereldstad. Knooppunt van handel met o.m. Bactrië, Medië, Perzië, India, Arabië. Het enorme heiligdom dat volgens de beschrijving van Herodotus acht trapsgewijze verdiepingen telde, was gewijd aan Belos (Grieks voor B’el of Ba’al). De bovenste verdieping was een sterrenwacht, waar priesters zons- en maasverduisteringen konden voorspellen via ingewikkelde berekeningen die nog steeds kloppen. Ze maten ook de tijd met zonnewijzers. In Babylon gold een zevendaagse week, met elke zevende dag als rustdag. Vier weken maakten een maanmaand.

De Belostempel was enorm rijk, en de heersende priesterkaste was machtiger dan de koning. Nebukadnessar was een geweldenaar die 43 jaar geregeerd heeft. Hij heeft de ‘hangende tuinen’ van Babylon laten maken, de stad met een dubbele muur laten omringen (zie afb.), het verwaarloosde kanaalsysteem laten renoveren. Maar hij speelde het niet klaar om zijn oorlogs- en bouwkosten mede door het gigantische Tempelkapitaal te laten financieren. Met als gevolg een enorme inflatie en zelfs hongersnood. Toen hij in 561 stierf, was Babylon zo verzwakt dat de Perzische koning Cyrus in 540 vC de stad met weinig moeite heeft kunnen innemen.

  1. Zoroastrisme

Cyrus nu was een Zoroastrist. Zoroastristen waren een heel ander en nieuw slag mensen.

Dus daar ga ik het nu apart over hebben: over de leer van Zarathustra (Zoroastrisme is een vergriekste ontlening aan zijn naam.) Je begrijpt niets van de God zoals wij die kennen van het Judaïsme, het Christendom en de Islam, als je die van het Zoroastrisme niet kent.

Zarathustra moet geleefd hebben rond 900 vC. Hij was een Bactrische priester.

Bactrië lag in het noorden van het huidige Afghanistan, maakte deel uit van de Zijderoute: de oude handelsweg tussen de Levant (het Nabije Oosten) en China (het Verre Oosten). Handel houdt niet alleen uitwisseling in van goederen, maar ook van ideeën. In Bactrië is ook de tweebultige kameel gedomesticeerd.

Of Zarathustra nou zelf in India in de leer is geweest of niet, dat weten we niet, maar wat zeker is, is dat de door hem bedachte godsdienst Oosterse trekken heeft.

Zarathustra baalde van de verloedering van de oude moraal door de oorlogvoering van de jonge krijgers van zijn tijd. Die offerden alleen nog aan hun krijgsgod, en gingen zich bij hun raids (overvallen op welvarende maar ongewapende boerendorpen) aan de grofste mensenrechten-schendingen te buiten. Hij bezong (preken en verkondigen deed je in die tijd van massaal analfabetisme door het reciteren van gatha’s, heilige zangen) de eredienst aan Ahura Mazda, de Allerhoogste God.

Zarathustra, dat beseffen wij nu, greep hiervoor terug op het oeroude pre-Toba concept van de Grote Voorouder die nog steeds bij velen voortleeft in het gevoel ‘dat er IETS moet zijn’; en de lezer(-es) weet intussen dat die terug gaat op het eerste groepje dat in het nieuwe leefgebied de dingen hun namen had gegeven.

Zarathustra riep die Allerhoogste als eerste opnieuw in leven en duidde Hem aan als ‘De Grote Heer’. Die was zo hoog dat Hij zich echt niet liet beïnvloeden door beelden of dierenoffers. Je kon Hem alleen dienen door een goed schepsel van Hem te zijn. En dat kon alleen door goede dingen te dénken, goede dingen te zéggen en goede dingen te dóen.

Dat bezong hij in zijn gatha’s, dus.

Even tussendoor nog over die gatha’s, en dat je preken en verkondigen in die tijd van massaal analfabetisme deed door middel van makkelijk van buiten te leren ‘heilige zangen’. Als ik het straks over Mohammed krijg, moet je dit weer even in gedachten houden: ook die leefde in een cultuur van massaal analfabetisme, en was zelf ook analfabeet. De Joodse patriarchen daarentegen waren schriftgeleerden, dus die schreven boeken.

Zarathustra’s boodschap viel in zijn eigen stam niet in goede aarde, maar gelukkig vernam hij dat een naburige koning er wel oren naar had. En onder diens bescherming nam zijn leer vorm aan in vuurtempels. Want zijn leer legde alle nadruk op absolute reinheid; en niets is reiner dan vuur.

Een overledene mocht je niet begraven want dan verontreinigde je de grond. Voor de lijken liet hij torens bouwen, waar bovenop een lijk op een baar werd kaal gegeten door aasgieren. Waarna de beenderen konden worden verbrand op een brandstapel. Reinheid voor alles.

In het Babylon van rond 600 vC was het Zoroastrisme één van de meest moderne geloven onder de intellectuelen van die tijd. Het was na drie eeuwen door Zoroastristische theologen uitgebouwd tot een compleet geloofssysteem. Ik som er hier de tien belangrijkste elementen van op:

1. het geloven in één Allerhoogste god, verheven boven alle overige goden

2. het aanduiden van God als ‘De Heer’ (Ahura Mazda = grote heer)

3. het niet aanbidden van deze Allerhoogste in een fysiek godsbeeld

4. het geloven in een strijd tussen het goede en het kwade (God en de duivel) en het geloven in engelen en duivels

5. het geloven in een hemel en een hel

6. het geloven in ‘het einde der tijden’ en in een ‘laatste oordeel’

7. een stelsel van ge- en verboden voor individueel gedrag

8. het geloven in een Messias, een Verlosser

9. het geloven in een wederopstanding en een paradijs

10. uitgebreide reinigingsvoorschriften voor de rituelen.

(Toetje: het woord “Amen”)

Herkenbaar, niet? Ik zei het toch, dat je niets begrijpt van de genoemde monotheïstische godsdiensten als je je de herkomst van deze tien elementen niet weet. Welnu, de Joodse priesters arriveerden in Babylon met hun kale Jahweh-ideologie. Vanwege de goodwill die hun koning Josia, gesneuveld voor de Assyrische zaak, bij Nebukadnessar had gekweekt, genoot Jojakim een zekere voorkeurspositie, had een eigen paleisje gekregen en werd vaak aan het hof uitgenodigd. Jojakim’s ruime onderkomen werd het centrale punt voor de Joodse priesters, en misschien hebben die daar hun ideologie op schrift gesteld en aan gekleed met in Babylon in zwang zijnde elementen.

Genoemde Zoroastristische punten waren het belangrijkst, maar ze moesten ook nog een Scheppingsverhaal hebben. De eigen Joodse stammen moeten die zeker gehad hebben, maar dat was heidens dus daar konden de Judaïsten niks mee en bovendien zal elke stam zijn eigen versie gehad hebben.

Het Zoroastrisme kent bij mijn weten geen Scheppingsverhaal, maar Mesopotamië en vooral Babylon konden daarin rijk voorzien. Met name de Enoema Elisj, op kleitabletten teruggevonden in verscheidene versies. Er zijn meerdere versies van de Enoema Elisj, en de oudst bekende stamt waarschijnlijk uit de 20e eeuw vC (Wikipedia). Elk beetje stad van rond 1000 vC had zo zijn eigen versie. Dit Babylonische scheppingsverhaal is een belangrijke bron geweest voor de Judaïstische Genesis-auteurs.

Voor de belangrijke Mozes-figuur is het Mesopotamische Sargonverhaal de bron geweest.

Een ander element is de wekelijks rustdag van de Babylonbeschaving.

De Judaïsten hebben hun Sabbatdag-heiliging wel belachelijk belangrijk gemaakt. Iemand die voor z’n vrouw hout hakte, omdat er toch gekookt moest worden, werd vanwege deze grove ontheiliging van de Sabbatsrust terechtgesteld. Fanatiek geloof kost altijd mensenlevens.

  1. het Judaïsme

De Judaïstische priesters hebben hun ideologie met in Babylon voorhanden elementen aangekleed. Met vooral Zoroastristische dus. Hadden ze er zich maar toe beperkt. Dat zou de mensheid, en vooral het vrouwelijke deel ervan, onnoemelijk veel ellende bespaard hebben, tot op de dag van vandaag. Helaas, ze hebben hun Jahwistische ‘politieke’ punten gehandhaafd:

1. de voorstelling van de Joden als “het uitverkoren volk”

2. het demoniseren van vruchtbaarheidsgodinnen en stamgoden

3. het verbannen van de vrouwen uit de bediening van de eredienst

4. de vijandigheid ten opzichte van alle andere religies.

Het zijn juist deze Judaïstische elementen die de latere drie monotheïsmen zo kwaadaardig en vrouwvijandig hebben gemaakt. We hebben er vandaag, vooral in de Islamwereld, veel mee te stellen. Waar het Zoroastrisme het goede in de mens naar boven haalde en slechts een paar simpele vuistregels hanteerde: denk goede dingen – zeg goede dingen – doe goede dingen, hangt het Judaïsme aan elkaar van honderden regels en wetten, waarbij het miereneukerig volgen ervan bepaalt of je een goede Jood bent. Niet of je een goed mens bent.

In die tijd waren tempels niet alleen religieuze centra maar ook bestuurscentra. Cyrus de Grote was een overtuigd zoroastrist, hetgeen betekende dat hij de mensenrechten eerbiedigde en tolerant was ten opzichte van andere geloven (zoroastristen doen niet aan zieltjeswinnerij). Het maakte hem en zijn opvolgers Darius en Xerxes tot heel wat beschaafdere bestuurders dan de Assyriërs vóór hen en de meeste na hen.


Grafmonument van Cyrus de Grote (ca 580-530 vC).

Echt bekwame koningen kunnen het blijkbaar stellen met een sober monument. De laatste sjah van Perzië (Iran) en zijn Farah Diba hadden dit monument tot het centrale punt genomen voor hun nieuwe en moderne Perzië. Helaas mislukt …

Al snel na zijn aantreden verordende hij dat alle door de Assyriërs naar Mesopotamië gehaalde elites terug mochten keren naar hun land van herkomst, om daar hun tempels weer te gaan opbouwen. Zodat zijn enorme rijk er de nodige bestuurscentra bij zou krijgen. De repatrianten zouden er de nodige tempelschatten en financiële ondersteuning voor mee krijgen. Ook de Joden kregen deze uitnodiging. Velen gingen daar enthousiast op in, want vooral één populaire Joodse zanger had al jaren een heel romantisch beeld geschetst van Jeruzalem.

Voor de Gola (de groep terugkeerders) viel dat zwaar tegen. Jeruzalem’s tempel was een overwoekerde puinhoop en de bevolking van Jehud (het voormalige Juda, nu een deel van de vijfde satrapie van het Perzische rijk, waarvan het herbouwde Samaria de hoofdstad was) zat bepaald niet op hen te wachten en al helemaal niet op hun leer. De gouverneur van Samaria werkte hen tegen waar hij maar durfde: hij zou immers een deel van zijn ambtsgebied en dus van zijn inkomsten kwijtraken als Jehud een aparte satrapie zou worden.

De Gola integreerden ook niet echt in hun ‘beloofde land’. De meeste hunner waren Vromen, en distantieerden zich van de autochtonen. Voor hen waren dit simpel am-ha’aretz (boeren, plattelandsvolk, oftewel ‘heidenen’). De Golagroep droeg in zich de tweedeling die het Jodendom in zijn verdere geschiedenis zou kenmerken: enerzijds die van een politiek-realistische, moderne, ondernemende priesterij en burgerij, loyaal aan het heersende gezag, en anderzijds die van de fanatieke Vromen, die alleen het gezag van God gehoorzamen.

De eerste Gola had alle moeite om een dak boven het hoofd te krijgen en om aan eten te komen; verder kwamen ze niet. Onder Cyrus’ opvolger Darius kwam een tweede delegatie, beter toegerust ook, en toen kon pas aan de herbouw van de tempel annex bestuursgebouwen en een tempeldomein begonnen worden. De Vromen stonden niet toe dat de am-ha’aretz meebouwden aan de tempel. Dat zette natuurlijk kwaad bloed. De realistische priesterij van de tempel stelde zich echter politiek gematigd op en beloofde dat de Tempel voor iedereen toegankelijk zou worden. Want als ze hun inkomsten alleen van die Vromen moesten krijgen, zou het niet veel worden.

De Tempel kwam in acht jaar tot stand. Volgens sommige Bijbelkundigen zijn daar de twee Bijbelboeken Kronieken geschreven: herkenbaar aan de gematigde toon.

Maar de onverdraagzame stroming van de Vromen werd weldra behoorlijk virulent. De uitverkiezingsgedachte gaf de Vromen, met name de minder geslaagden en zich kansloos voelenden onder de Joden, een elitair gevoel. Ze versterkten dat gevoel door het pietluttig naleven van de ‘wetten van Mozes’, met name de reinheidswetten. Je weet hoe het werkt? Een Vrome bedenkt een bijzondere consequentie uit de letter van de Wet, bijvoorbeeld inzake de Sabbatsheiliging. Hij maakt er (ik bedenk maar wat) een gewoonte van om niet zelf de voordeur te openen maar om dat zijn vrouw of dienstmeid te laten doen. Nou, dat wordt door andere Vromen weldra nagevolgd, en zo kan het zomaar in een Wet worden vastgelegd.

Lange tijd bleef het rustig in het tempeldomein.

Tot Alexander de Grote het hele Midden-Oosten veroverde, tot en met Egypte, en de Hellenistische (Griekse) beschaving er werd verbreid. Vergelijkbaar met de huidige Amerikaans cultuur van Coca-Cola en McDonalds en freedom and democracy. Griekse mode en manieren, de kunst, de opvoeding en de atletiek, de wapens en de militaire tactieken, de Griekse taal (vergelijkbaar met het Engels vandaag) werden overal de nieuwe mode. Vooral bij de upper ten natuurlijk.

Tot afschuw van de chassidim (de Vromen). Maar die zouden tot een vreemde maar onbetekenende minderheid zijn gereduceerd als niet een latere Helleense heerser, Antiochus IV Epifanes (175-163 vC) zich zodanig provocerend had opgesteld dat dit tot een opstand leidde onder Judas de Maccabeeër. En als die (en diens opvolgers) niet dankzij hun tot dan toe onbekende geloofsfanatisme én met heel veel mazzel uiteindelijk hadden gewonnen.

Toen de Maccabeese koningen door de Romeinen erkend werden, werd het Judaïsme als staatsgodsdienst aan alle Joden opgelegd. Maar toen ook dié Joodse koningen Helleniseerden en Romaniseerden, kregen ook die het met de Vromen aan de stok!

De Vromen hoopten op een Messias die hen zou bevrijden van de Romeinse zware belastingheffing en de Joods-Romeinse zetbazen.

De ene na de andere Messias leidde een Joodse opstand.

Tot de Romeinen er in 70 AD genoeg van kregen en de Tempel, toentertijd de mooiste van de wereld (slechts zeven jaar na de voltooiing ervan, door de laatste koning Herodes schitterend vormgegeven) met de grond gelijk maakten. Het laatste bolwerk, de Massada, werd ingenomen en alle overlevende Vromen werden Palestina uitgejaagd.

Nu zijn De Joden er weer terug, en weer zijn de Vromen een pain in the ass voor iedereen, ook voor de Joden zelf.

Allemaal door het rond 600 vC om politieke redenen bedachte Judaïsme.

  1. het Christendom

Ik heb aan het Zoroastrisme en het Judaïsme veel bladzijden gewijd omdat daarin de God gestalte heeft gekregen die ons vandaag nog steeds vooral ellende bezorgt, parasiterend op onze verblijdende religieuze gevoelens.

Niet de schuld van de Joden dus – die hebben er het eerst en het ergst onder moeten lijden – maar door de bedenkers van de Judaïstische ideologie. Trouwens, die bedoelden daar eigenlijk ook alleen maar mee om de Joden te verlossen van uitpersing door de grootmachten van toen. Wat een gedoe allemaal, niet?

Nu gaan we zien hoe de God van het Christendom gestalte gekregen heeft.

Als je dacht dat dit een uitvinding is geweest van Jezus, dan heb je het mis. Jezus was een van minder bekende Joodse opstandelingenleiders (Messiassen) tegen de Romeinen, en is totaal onschuldig aan het Christendom.

Dat is een uitvinding van Paulus – maar ook die heeft er weer een heel andere bedoeling mee gehad.

Ook met het Christendom hangt het er helemaal van af wat de latere scherpslijpers er van maken. Het gaat het er niet om wat er in de Bijbel of de Koran staat, maar om wat de scherpslijpers en machthebbers zéggen dat er staat – in hun Heilige Boeken die trouwens ook pas vele jaren na het overlijden van hun hoofdfiguren geschreven zijn en daarna telkens opnieuw overgeschreven en waar nodig herschreven.

Toch eerst iets over de opstandelingenleider Jezus. Zoals de meeste Messias-pretendenten was hij een Galileeër, en voornamelijk in Galilea actief. Op het kaartje hierboven zie je hoe ver Galilea van Jeruzalem vandaan ligt. Voor de Judeeërs waren de Galileeërs ‘buitenlanders’, ook al behoorde ook Gallilea inmiddels tot het Romeinse Jehud. Het waren wel Joden en ook kwamen veel Galileeërs tijdens het Paasfeest naar de Tempel, maar de Judese Joden keken er op neer – nou ja, de gemiddelde Galileeër was wel langer en stoerder gebouwd dan de gemiddelde Judeeër.

Jezus is slechts één van de vele profeten/opstandleiders uit die dagen geweest, en blijkbaar een der onbelangrijkste. Want geen enkele historicus uit die tijd maakt melding van hem.

Is zijn executie door kruisiging geweest? Die vorm van executie was voor heel invloedrijke rebellen, en dan zou Philo zeker over hem gehoord hebben. De Joodse filosoof Philo (20 vC-40 AD), woonachtig in Alexandrië maar zich specialiserend in Joodse geschiedschrijving, heeft echter nooit wat van een optreden van ene Jezus meegekregen. De enige historische vermelding van Jezus is te lezen in het werk van Flavius Josephus (37-100 AD), maar men vermoedt dat die passage daar in gekomen is als een latere toevoeging, door een ijverige Christelijke overschrijver.

Jezus lijkt ook niet echt politiek gemotiveerd te zijn geweest. Vermoedelijk waren er verwachtingen naar hem en zijn familie toe. Hij opereerde heel omzichtig, alleen aanhang wervend door op te treden als gebedsgenezer en tovenaar zoals veel profeten voor hem en na hem. Door bij rijkere dames geld los zien te krijgen om daarmee weduwen en wezen te ondersteunen, intussen zelf sober levend. Hij schijnt er bepaald niet op uit geweest te zijn om zijn nek te riskeren, maar zijn volgelingen verwachtten voortdurend actie van hem. Toen die druk hem teveel werd, is hij er zowat een jaar lang tussenuit geweest, naar het buitenland uitgeweken. Maar uiteindelijk heeft hij toch met een aantal mede-Galileeërs een poging tot opstand gewaagd ter gelegenheid van het Paasfeest in de Tempel. Een poging die grandioos de mist in ging en waarbij hij is opgepakt.

Het enige bewijs van het bestaan hebben van Jezus is eigenlijk dat hij in Jeruzalem wel degelijk aanhangers naliet die na zijn dood als sekte bijeen bleven. Zijn broer Jacobus had er de leiding van. Jacobus was een vrome Jood en probeerde zo weinig mogelijk ergernis van de Vromen en de autoriteiten te wekken. Het werk van ondersteunen van weduwen en wezen en andere armen werd echter wel voortgezet. En vooral ook van preken dat het einde van de wereld nabij was en dat je dus maar beter al je rijkdom aan de armen kon schenken om je van een plek in de hemel te verzekeren.

Vooral Petrus en Johannes deden hun best om aanhangers te ronselen, en hadden zelfs een lamme bedelaar weer aan het lopen gekregen. Doorgestoken kaart natuurlijk, maar het had zo’n opschudding veroorzaakt dat ze waren opgepakt. Rabbi Gamaliël had toen betoogd: “Als het mensenwerk is geweest, die genezing, dan loopt het op niks uit. Wanneer het Gods werk is, is het zinloos om het tegen te werken!” Petrus en Johannes kwamen er met een geseling van af.

De sekte groeide gestaag. Zodanig dat het uitdelen aan de armen Petrus en Johannes teveel tijd ging kosten. Dus regelde Jacobus diakens: gemeenteleden die apart voor dit werk werden aangesteld. Een van die diakens, Stefanus, stelde zich nogal provocerend op, en dit leidde niet alleen tot zijn steniging maar tot een razzia onder alle Jezus-volgelingen. En nu komt Paulus op de proppen.

Paulus was uit Tarsus afkomstig. Zijn vader had daar een bloeiend tentenmakersbedrijf dat vooral het Romeinse leger als afnemer had. Paulus lijkt zich echter meer aangetrokken te hebben gevoeld tot geestelijkheid dan tot het bedrijfsleven, en hij mocht in Jeruzalem bij de bekende rabbi Gamaliël in de leer. Een oudere zus van hem was daar getrouwd en daar kon hij bij in trekken.

Daar hij Jezus nooit ontmoet of gehoord heeft en hij in Jeruzalem alleen met diens volgelingen te maken gekregen heeft, moet de jonge Paulus daar dus pas na 33 AD als rabbi-student begonnen zijn.

Een studiegenoot en vriend van Paulus, Barnabas, afkomstig van een rijke familie op Cyprus, had zich bij de sekte aangesloten. Barnabas probeerde Paulus er ook voor te interesseren, maar die moest er niets van hebben, van dat halfzachte gedoe. Leven in gemeenschap van goederen bijvoorbeeld. Rare lui. Bij de razzia na het optreden van Stefanus sloot hij zich zelfs aan bij een knokploeg en reisde mee naar Damascus, waar een aantal aanhangers, waaronder ook zijn vriend Barnabas, naar toe gevlucht waren.

Tijdens die dagenlange reis met dat stelletje tuig moet hij overdacht hebben wat Barnabas hem over die ‘halfzachten’ verteld had en over die Jezus die toch wel een apart figuur moest zijn geweest. Ook die Stefanus was een slimme jongen geweest. [Ik heb het donkerbruine vermoeden dat Stefanus Paulus in een discussie een keer heeft afgetroefd en dat deze daarom zo op hem gebeten was dat hij assistentie verleende bij Stefanus’ steniging]. Maar nu begon hij er steeds meer aan te twijfelen of hij wel goed bezig was.

Aangekomen in de grote stad Damascus verliet Paulus zijn knokploeg, vond Barnabas en die bracht hem in contact met de leider van de gemeente aldaar. Na een aantal gesprekken besloot hij zich bij de sekte aan te sluiten. Je ziet: ik volg niet het fantasieverhaal dat Lucas daar later van gemaakt heeft, maar probeer te reconstrueren.

Hij ging zelfs deelnemen aan hun ronselpreken. De leden van zijn knokploeg raakten over de rooie, spanden samen met gelijkgestemde Damascenen om Paulus van kant te maken.

Deze ontsnapte uit de stad en reisde zonder paard en geheel berooid naar het zuiden.

Van huis uit was hij een bekwaam tentenmaker, en met dat ambacht vond hij altijd wel ergens werk. Na een jaar of twee had hij genoeg verdiend om terug te reizen: in Damascus was de kust weer veilig als hij zich gedeisd hield.

Na een paar maanden moest Barnabas naar Jeruzalem en nam Paulus mee om die bij Jacobus te introduceren. De kennismaking verliep ongemakkelijk. Wellicht kwam Paulus toen al met zijn idee voor een Joodse cultus met Jezus als hoofdfiguur. Maar Jacobus wilde de beweging zo weinig mogelijk laten afwijken van de Joodse leer. (Jacobus heeft nooit hoeven vluchten zoals de Jezus-aanhangers die naar Damascus en andere plaatsen waren uitgeweken).

Of het nu dit meningsverschil is geweest of – wat mij ook aannemelijk lijkt – dat Paulus te horen had gekregen dat zijn vader overleden was en dat hij thuis verwacht werd om de leiding van de tentenmakerij over te nemen: hij vertrok naar Tarsus en is daar dertien jaar gebleven.

  1.      de culten

Joodse cultus? Dus nu eerst iets over de culten.

In het Romeinse rijk geloofden de mensen aan een bonte stoet van goden en (vooral) godinnen. Je kon het zo gek niet bedenken of er was een speciale cultus voor. De Romeinen hadden wel de officiële staatscultus aan Zeus en zijn gemalin en ondergoden, maar die was er alleen voor de rijks-aangelegenheden. De oppermachtige legioenen hadden de zonnecultus voor de hogere rangen en de Mithrascultus voor de gewone soldaten. Ik hanteer de benaming ‘cultus’ ter onderscheiding van ‘godsdienst’, maar in die tijd was alleen het Judaïsme een godsdienst, en in Perzië het Zoroastrisme misschien ook, maar dan wel een heel verdraagzame.

De Mithrascultus was vanwege haar brede aanhang onder de legioensoldaten de grootste. Verder had je de Isiscultus, de Adoniscultus, de Dionysoscultus, de Bacchuscultus, de Apollocultus … eigenlijk had elke grote stad haar eigen meest populaire cultus.

Kenmerk was dat het mysterieculten waren: je moest er voor ingewijd worden. Althans, voor het echte lidmaatschap. Een cultus kende verschillende gradaties van inwijding. Aan de gewone volgelingen die deelnamen aan de grote jaarlijkse festivals, werden geen speciale eisen gesteld. Maar je kon je ook opgeven voor verdiepingscursussen, waarbij je in gradaties kon stijgen. En als je nog verder wilde gaan kon je tenslotte ingewijd worden in het diepste mysterie.

Zo’n inwijding maakte op de inwijdelingen een onuitwisbare indruk. Ze mochten er niets over meedelen aan een ander, ook niet aan de lagere graduaten en zelfs niet aan hun eigen vrouw of familie. Wat het begrijpelijk maakt dat er inderdaad weinig of niets over bekend is.

Natuurlijk heb ik een theorie – het zou eens een keer niet!

Laat ik eerst vertellen wat het gemeenschappelijke van alle culten was, ongeacht welke Hoofdfiguur ervan. Dat was dat de Hoofdfiguur in het belang van de gelovigen geofferd werd dan wel zichzelf offerde, naar de onderwereld afdaalde, en na drie dagen herrees, bij voorkeur op het Paasfeest.

Dat gemeenschappelijke is weer terug te voeren op de nog veel vroegere vrouwenceremonies waarin het in de aarde vallen van de graankorrels werd gesymboliseerd, die in de grond moesten vallen en ontkiemen om in de lente ‘duizendvoudig’ nieuwe graankorrels terug te gaan schenken.

Maar dit hoofdelement was het mysterie niet. Dit gebeuren konden zelfs de simpelste gelovigen meevieren in de bijbehorende jaarlijkse festivals. Het mysterie ligt diep in onze menselijke prehistorie verborgen.

Daarvoor moeten we terugdenken aan de vermogens waar onze prehistorische voorouders nog wél beschikten en wij niet meer. Vermogens zoals het veel sterkere geheugen: één keer iets horen of zien en het staat er in gegrift voor het leven.

Daar krijgen Westerse onderzoekers mee te maken die met tussenpozen bij hun onderzoeksgroep verblijven: “Dat heb ik je de vorige keer toch al verteld! ”

(Ja, maar daar zitten wel drie jaar tussen, en in die tussentijd heeft de onderzoeker een publicatie moeten verzorgen en een nieuw onderzoeksvoorstel aangenomen zien te krijgen met het geld waarvan hij nu hier weer zit. Als westerling bovendien). Zelfs Plato wees nog op de verderfelijke invloed van het schrift op onze geheugens.

Of het geografische beeld van het uitgestrekte territorium waar ze misschien maar één keer doorheen getrokken hebben, en waardoor VJ’s zich ook bij nacht en ontij kunnen oriënteren.

Of het gemakkelijk in trance kunnen raken bij het dansen-zingen van hun Scheppingsverhaal.

Het zijn dit soort vermogens waarin de latere sjamanen zich door leren en oefening specialiseerden, en die de nog latere priesters overerfden.

Met name het laatste vermogen: de trance, al dan niet geholpen door drugs. De trance die voor onze VJ-voorouders het hoogtepunt was van hun religieuze beleving, was voor hen het toeven in de dreamtime zoals de Aboriginals het noemen: de voortijd van het mens-zijn, toen de mensen nog half dier en half al mens waren. De Homo erectus-tijd. De tijd van het begin van onze menselijke taligheid, toen we nog grotendeels normale en dus instinct-zekere dieren waren. De tijd van het begin van onze Scheppingsverhalen. De tijd van de Grote Voorouder, en … het besef dat de Grote Voorouder in feite het groepje eerste kolonisten van het stamgebied was.

Waar ik het over heb als ik denk te weten wat het diepste mysterie is waar de inwijdelingen in hun slot-inwijding mee geconfronteerd werden, was het besef dat de God, de Hoofdfiguur van hun cultus, eigenlijk wijzelf waren, wij mensen. We waren het zelf!

Nou, hoe moest je daar, in je familie en je gemeenschap van onwetenden, mee voor de dag komen? Die simpele gelovigen zouden je raar aankijken. Ze zouden zich in hun geloof gekwetst voelen. Ze zouden heel emotioneel worden, ze zouden naar hun messen grijpen om je voor altijd de mond te snoeren.

Bovendien maakte dit afwijkende inzicht het voor religieuze of statelijke machthebbers, indien die zich door die intellectuelen in hun corruptie of andere belangen bedreigd voelden, gemakkelijk om hen als ‘atheïsten’ te brandmerken en hen bloeddorstige knokploegen op het dak te sturen.

Daarom heten die culten mysterieculten.

  1. … en nu Paulus weer

Dertien jaar was Paulus thuis ondernemer, in het tentenmakersbedrijf van zijn familie.

Daar moeten twee dingen bij worden bedacht. De tenten werden gemaakt van huiden. Voor Joden was dit een onrein vak. Je kon immers nooit weten of de dieren wel ritueel geslacht waren. Bovendien was de opslag, het schoonmaken, het looien en de verdere bewerking in die Mediterrane hitte een stinkend vak. Zijn vak maakte Paulus bij Vromen onacceptabel en dus ook bij Jacobus. Voor Paulus zelf een argument temeer om te vinden dat Jezus’ boodschap meer aan gojim (niet-Joden) besteed zou zijn.

Het tweede was dat Paulus via dit bedrijf het Romeinse burgerschap had verworven of van zijn vader geërfd. Iets wat hem ettelijke malen zeer van pas gekomen is,

Gedurende de jaren in Tarsus was hij, behorend tot de vermogende bovenlaag, vermoedelijk een ingewijde in de Attiscultus die in Tarsus heel belangrijk was bij de elite. Tarsus was een belangrijke en rijke handelsstad, een schakel op de Zijderoute-handel tussen het Oosten en Rome. Paulus was een moderne Romein, én een Jood, door de modern denkende en geleerde Gamaliël opgeleid. Dus mag het geen verbazing wekken dat bij hem in die jaren het idee gerijpt is om het Joodse geloof te moderniseren met een Joodse mysteriecultus. Met als Hoofdfiguur een Joodse cultfiguur. Welnu, daar was die Jezus dus geknipt voor. Die had zich als Messias-pretendent immers opgeofferd voor zijn volk? En – heel belangrijk — onder zijn volgelingen had zich toch ook de mare verspreid dat hij herrezen was uit zijn graf?

Het was opnieuw Barnabas die vanuit Antiochië contact heeft gezocht met Paulus. Wellicht hebben ze al die jaren per brief contact met elkaar gehouden, is Barnabas op de hoogte geweest van de gedachten-ontwikkeling van Paulus en heeft daar mee gesympathiseerd.

De gemeente van Antiochië was bovendien veel internationaler georiënteerd dan die in het provinciale Jeruzalem, en stond vermoedelijk meer open voor Paulus’ idee om de boodschap ook onder de gojim te prediken. In elk geval, Paulus heeft zich na 13 jaar aangesloten bij de gemeente Antiochië.

Toen er in Jeruzalem hongersnood was en de rijke gemeente van Antiochië de moedergemeente te hulp wilde komen, boekten Barnabas en Paulus een passage op een vrachtschip, voeren naar de haven van Caesarea en reisden vandaar naar Jeruzalem met hulpgoederen en geld.

Daar verkregen ze van de leiders als dank toestemming voor missionering in Anatolië en Griekenland, waarbij ze zich dan niet hoefden te beperken tot de Joodse synagogen, maar mochten proberen hun boodschap ook onder de gojim te verkondigen.

Vanaf toen ondernam Paulus, eerst samen met Barnabas en later met andere gezellen zoals ene Lucas (de latere evangelie-schrijver) vier lange reizen door Anatolië en Griekenland. Overal pogend en soms ook slagend om nieuwe gemeenten te stichten. Overal kortere of langere tijd verblijvend en met tenten-maken aan de kost komend, en je wilt niet weten wat voor ellendige toestanden hij nog meer heeft weten te overleven. Soms ook geld krijgend van vermogende vrouwen die hij voor zijn Jezus-cultus wist te winnen.

ZOON VAN GOD. In Paulus’ Jezus-cultus moest Jezus als cultfiguur natuurlijk ‘Zoon van God’ worden: dat waren alle Hoofdfiguren, in alle culten. Het is dit element in Paulus’ leer waarop Barnabas weldra is afgehaakt. Maar het kan ook heel goed Paulus’ onuitstaanbare gedrag zijn geweest. Paulus heeft werkelijk overal na kortere of langere tijd hommeles gekregen. Hij was niet bepaald een begaafd spreker, ook nog.

“Zoon van God”: die titel was in die tijd goedkoop. Elk beetje heerser tooide zich er mee.

De makke van Paulus’ leer was vooral dat latere Christelijke scherpslijpers dat ‘zoon van god’ letterlijk gingen opvatten en zodoende hopeloos in een theologisch doolhof verzeild raakten. Ze waren toch monotheïsten, niet? één enkele god, niet meer! Het is een hinderpaal van formaat gebleken. Eén die eindeloze onenigheid, afscheidingen, excommunicaties, muggenzifterij en bloedvergieten heeft opgeleverd.

Sowieso werd deze ‘modernistische’ cultusvisie op Jezus door de conservatieve gemeente in Jeruzalem niet geaccepteerd: daar hadden ze Jezus immers als broer en profeet ‘aan de lijve’ meegemaakt, als een mens van vlees en bloed. Daarbij hechtte Paulus steeds minder aan de strikte navolging van de Joodse Wet. Aan de besnijdenis met name: daar hoefde je bij niet-Joden niet mee aan te komen.

In Antiochië viel het wellicht in betere aarde: het is daar geweest dat de Jesus-volgelingen voor het eerst ‘christenen’ (van christos=’gezalfde’) genoemd werden. Wat duidelijk verwijst naar Jezus’ Messias-pretentie: alleen een koning wordt gezalfd. Die pretentie was een erfenis van de Joodse nostalgie naar de tijd dat Juda een zelfstandig koninkrijk was. Het was ook een erfenis van het Zoroastristische gedachtegoed dat een Messias aankondigde als voorbode van de Eindtijd.

Maar nogmaals, de gemeente Jeruzalem bleef een Joods e sekte. Jacobus is vanwege zijn vroomheid en zijn strikte vasthouden aan de Joodse Wet en godsdienst, en zijn principiële keuze voor de zorg voor de armen, steeds een gerespecteerde figuur geweest. Niet alleen onder de Jezus-volgelingen; ook de Joden respecteerden hem. ‘De Rechtvaardige’ (zo werd hij genoemd) heeft nooit hoeven vluchten uit Jeruzalem daar hij zich voor het overige als een voorbeeldige Jood bleef gedragen en Jezus ook als een ook voor Joden acceptabele figuur is blijven uitdragen.

Dus wat Paulus allemaal uitspookte in Anatolië en Griekenland: prediken dat Jezus Zoon van God was en dat de Joodse Wet niet voor de niet-Joodse volgelingen gold en al helemaal die besnijdenis niet … dat begon de Jeruzalemse gemeente steeds meer te verontrusten.

Jacobus zond enkele mensen, met name Petrus, langs de gemeenten die Paulus had gesticht (Galatië, Korinthe, Filippi en Tessaloniki) om de volgelingen te overtuigen dat wat Paulus leerde, fout, want tegen de Joodse Wet was.

Dit heeft Paulus ziedend gemaakt, en zijn meeste brieven gaan dan ook over zijn status als apostel en zijn directe band met Jezus. Hij gaat er in te keer tegen de leiders in Jeruzalem, die hij zelfs ‘dienaren van Satan’ durft te noemen (2 Korintiërs 11:13-15).

De actie van de gerespecteerde Jacobus schijnt behoorlijk effect gehad te hebben, want Paulus verweet betreffende gemeenten dat ze hem in de steek gelaten hadden. In zijn Brieven bleef hij halsstarrig aan zijn Jezusvesie voortbouwen, intussen uitvarend tegen zijn tegenstrevers.

In 57 werd Paulus door de kerkleiders ter verantwoording naar Jeruzalem ontboden. Hij had geen andere keus dan zich, voorzien een zo groot mogelijke zak bijeengeschraapt geld voor de moedergemeente, in Jeruzalem te melden.

Hij werd daar weliswaar schuldig bevonden aan het verzaken van de Wet van Mozes, maar Jacobus wilde tot elke prijs een splitsing voorkomen. Om zowel kool als geit te sparen mocht Paulus zich ontlasten door het volgen van een streng reinigingsritueel in de Tempel.

Daar onderwierp Paulus zich opgelucht aan.

Maar hij had op zijn reizen heel wat Joden tot vijand gemaakt en nu werd hij herkend door een groepje van die Vromen die op pelgrimage waren. Ze herkenden hem, vielen hem aan in de Tempelvoorhof. De Romeinse wachtpost op het fort Antonia reageerde meteen op het opstootje, rekende Paulus in en voerde hem de trap op het fort in. De tribuun vermoedde dat Paulus ‘de Egyptenaar’ was, een oproerkraaier die door het Romeinse gezag gezocht werd. Hij ondervroeg Paulus en raakte van zijn stuk toen deze hem in het Grieks te woord stond (de gewone Jood sprak toen Aramees, de Vromen natuurlijk Hebreeuws) en bovendien meedeelde Romeins burger te zijn.

De tribuun stelde Paulus op transport naar Damascus, naar de gouverneur van Jehud. Die liet hem in het cachot werpen. Daar zou hij zijn weggekwijnd als de gouverneur niet al kort daarna vervangen was door een wat bekwamere, Festus, die Paulus, immers een Romeins burger, tenslotte naar Rome liet verschepen.

Paulus dolblij natuurlijk. Niet alleen bevrijd uit het nare gevang, maar ook verlost van het oppergezag van de gemeente in Jeruzalem. In Rome zou zijn Jezuscultus zeker meer gehoor vinden.

Had hij gedacht: inmiddels was Petrus ook in Rome gearriveerd. Paulus kreeg er geen poot aan de grond en besloot om het in Spanje te gaan proberen. Maar ook daar heeft hij geen succes meer geboekt. In 66 was het helemaal afgelopen met hem, en trouwens ook met Petrus.

Want keizer Nero had, om beschuldiging van het stichten van een vreselijke brand (om plaats in Rome vrij te maken voor een luxueus paleis) af te wenden, een christenvervolging ingesteld. Daarbij zijn ze beiden vermoedelijk omgebracht.

In Jeruzalem hadden de corrupte Joodse hogepriesters Annas en diens jongere opvolger, ook Annas geheten, de tienden die voor de arme dorpsrabbi’s bestemd waren, geconfisqueerd. De alom gerespecteerde Jacobus verhief daar zijn stem tegen. Toen gouverneur Festus plotseling overleed in 62 en diens opvolger nog niet was gearriveerd, maakte de jonge Annas van de gelegenheid gebruik om Jacobus door het Sanhedrin te laten oppakken en te stenigen. Tot grote verontwaardiging van vrijwel iedereen, want waar Jacobus algemeen waardering genoot, genoot Annas die bepaald niet. Deze is hierna ook meteen afgezet door Festus’ opvolger.

De Jeruzalemse gemeente was in het beginnende Christendom leidend geweest. Maar toen die gemeente kort voor de verwoesting van Jeruzalem in 70 AD was weg getrokken naar Transjordanië, was de moedergemeente voor het beginnende Christendom voorgoed uitgeschakeld en verdwenen. Wat overbleef waren behalve de gemeenten in Syrië de door Paulus gestichte gemeenten in Anatolië en Griekenland. De enige geschriften waar de christelijke gemeenten zich op konden baseren, was een tiental brieven van Paulus en nog enkele die aan Jacobus en Petrus, werden toegeschreven. Misschien heeft er ook een proto-evangelie gecirculeerd, de zogeheten Q-tekst. Maar de evangelies en de Handelingen zoals wij ze kennen, zijn alle geschreven decennia na de dood van de apostelen.

De figuur van Jacobus als broer van Jezus lag weldra niet lekker meer toen de vergoddelijkte Jezus moest geboren zijn uit een maagd, zoals nu eenmaal gebruikelijk voor een cultusfiguur. Zowel Jezus’ vrouw en zoon als diens broers en zussen zijn dus uit de evangelies weggemoffeld. Laat dat maar aan de evangelisten en de latere ‘kerkvaders’ over.

  1. de geloofsinhoud van het Christendom

De brieven van Paulus hebben, naast de evangelies (Jezus-biografieën in behoorlijk fantasierijke versies) de grondslag gevormd voor de geloofsinhoud van de christelijke gemeenten in het hele Romeinse rijk, inclusief gemeenten in Egypte en Noord-Afrika, in Italië en in Gallia (Frankrijk).

De gemeente in Jeruzalem is als gezegd vóór de inname en verwoesting van de stad in 70 AD uitgeweken naar Transjordanië (Pella) en uit het beginnende christendom verdwenen. Maar de sekte heeft het overleefd. Als Ebionieten (‘armen’) hebben ze in Arabische oases samen met andere Joodse kolonisten nederzettingen gesticht en rond 600 AD invloed uitgeoefend op de bedenkers van het Islamgeloof dat we hierna zullen behandelen. Met Jezus als een zeer belangrijke profeet en Messias – maar niet als (Zoon van) God. Wat trouwens een onzinverhaal is als je uitgaat van één God.

De hele christelijke sekte stelde aanvankelijk weinig voor, in de veelheid van de geloven en sektes toen. Maar ten opzichte van de Romeinse staatsreligie stelden de christenen zich wel fanatieker op dan de joden die veel diplomatieker reageerden op keizerlijke decreten. Bijvoorbeeld inzake het verplicht offeren aan het beeld van de keizer, als poging tot een eenheidsgeloof in het hele rijk. De joden wisten er met een goed praatje mee te schipperen.

Maar de christenen stelden zich fanatiek op. Sommige gemeenteleden ondergingen gevangenschap en marteling zelfs blijmoedig, omdat ze dan het paradijs in zicht kregen. Die ‘martelaren’ oogsten enorm prestige, vooral onder kansarme jongeren. De opvattingen van die ‘martelaren’ over de geloofsinhoud vonden, hoe uiteenlopend vaak ook, grif gehoor.

Een onaanvaardbare verbrokkeling dreigde.

Nu had elke christelijke gemeente (ecclesia) een episcopos (toezichthouder, bisschop), een latere variant van de vroegere diaken die over het geld ging van de gemeente. Voor het aanstellen van deze leiders had Paulus zich altijd zeer ingespannen bij het stichten van zijn gemeenten. Om tot bisschop te worden gekozen moest je van onbesproken gedrag zijn, betrouwbaar en wijs. Je werd gekozen door de bijeengekomen bisschoppen van omringende gemeenten.

Om de dreigende verbrokkeling van de Jezusleer te keren, besloten de bisschoppen om voortaan ook aparte bijeenkomsten (concilies) te beleggen om met elkaar de christelijke leerpunten te bespreken en met meerderheid van stemmen op schrift vast te leggen. Ieder gemeentelid dat op eigen houtje zijn visie op de leer propageerde, liep voortaan kans om ‘ge-excommuniceerd’ te worden: als ‘ketter’ uit de gemeenschap gestoten.

Het is deze organisatievorm geweest die uiteindelijk tot het succes heeft geleid.

De eerste slachtoffers van de bestrijding van individuele invulling van het geloof waren de gnostici. Gnosis (‘kennis’) is het geloof dat jouw contact met ‘Het Hogere’, en jouw uit dat directe ‘lijntje met God’ voortspruitende inzichten over het geloof, uitstijgen boven de door de autoriteiten opgelegde leerpunten over God.

Dat konden de bisschoppen uiteraard niet tolereren. Gnosticisme van welk allooi dan ook werd als ketterij beschouwd. Het is vooral de in 70 AD in de gemeente van Antiochië als bisschop gekozen Ignatius die zich in geschrifte het felst tegen de gezagsondermijnende gnostici heeft gekeerd. De laatsten beriepen zich vaak op de brieven van Paulus, die inderdaad een gnostieke geest ademden. Ignatius heeft zich niet ontzien om die brieven zoveel mogelijk te kuisen en hij wordt ervan verdacht, met eigen hand een enkele ‘rechtzinnige’ brieven onder Paulus’ naam aan het bestand toe te voegen. Daarin laat hij bijvoorbeeld Paulus schrijven dat de vrouwen hun mond dienen te houden in geloofszaken; iets wat Paulus zelf, te oordelen naar zijn omgang met vrouwen van wier rijkdom hij zeer afhankelijk was, nooit kan hebben geschreven. Maar die verzonnen brief is nog steeds de bron waarnaar verwezen wordt als de baardmannen de vrouwen uit het ambt willen weren, of uit de partij der mannenbroeders.

Op zich waren die concilies een nog nooit vertoonde, democratische gang van zaken: een bij meerderheid van stemmen vastleggen van de geloofsinhoud. De christenen waren dus echt hypermodern in dit opzicht, vergeleken bij welke cultus dan ook. Vermoedelijk droeg het ook bij tot de groei van de gemeenten en in het aantal ervan.

Wat zeker ook bijdroeg was, dat iedereen welkom was, ook slaven. Rijk of arm, iedereen was gelijk. Best een aantrekkelijke sekte voor die tijd.

Lange tijd bleven de gemeenten zichzelf, in aansluiting bij Paulus’ gedachtegoed en onder invloed van de eerste Jezus-gemeente in Jeruzalem, opvatten als een variant van of alternatief voor het Judaïsme. De Tora (de Judaïstische Bijbel) bleef het belangrijkste Boek.

Maar toen Jeruzalem in 70 AD was weggevaagd en Antiochië een beetje afstand nam van Paulus’ brieven vanwege de gnostieke geest, werden ook andere geschriften zoals de verhalen over Jezus en diens predikingen (de evangelies), en over de handelingen van diens eerste volgelingen (de ‘twaalf apostelen’) een belangrijke geloofsbron.

Deze unieke vastlegging van de geloofsinhoud heeft echter niet kunnen verhinderen dat er toch heftige afscheidingen ontstonden, van bisschoppen in de verschillende regio’s.

Laat ik eerst wat meer vertellen over die geloofsinhoud. Want die bleef niet beperkt tot de brieven van Paulus. Voor menig lezer zal dit onbekende materie zijn, maar het christelijk gedachtegoed maakt deel uit van de Europese beschaving dus enige kennis ervan is nooit weg.

Officieel bestaat de Christelijke Bijbel uit twee afzonderlijke delen. Enerzijds uit Het Oude Testament, dat de Joodse Bijbel omvat, qua volgorde van Boeken en inhoudelijk tamelijk getrouw overgenomen. Anderzijds uit Het Nieuwe testament, dat bestaat uit: 15 brieven van Paulus, zes brieven van Petrus en Johannes, vier evangelies (Marcus, Lucas, Mattheus en Johannes), de door Lucas fantasierijk geschreven Handelingen van de Apostelen, en de Openbaring van Johannes.

Er zijn veel meer evangelies in omloop geweest, maar met de zuiveringsacties tegen de gnostieken hebben de bisschoppen er maar vier als behorend tot de canon erkend.

Wat de evangelies betreft: er moeten oudere bronnen zijn geweest over het leven van Jezus. Bijbelkundigen vermoeden op grond daarvan dat het Marcus-evangelie het oudste is
en dat het Mattheüs-evangelie daar ook heel dicht tegenaan leunt. Het Lucas-evangelie heeft teveel ‘toeters en bellen’: de auteur heeft er veel uit eigen duim of van horen zeggen bij verzonnen. Voor Jezus’ goddelijkheid heeft Lucas nogal veel ontleend aan de populaire mythologieën over Dumuzi en Mithras.

Lucas is een metgezel van Paulus geweest, en zijn evangelie loop naadloos over in de Handelingen der Apostelen. Die Handelingen lijden aan hetzelfde euvel: voor Lucas moest een verhaal vooral mooi zijn, met veel opgesmukte details en met een zo onschuldig mogelijke rol voor de Romeinse soldaten; want Lucas heeft geschreven voor een Romeinse opdrachtgever. Lucas maakte er een opgeleukt geheel van: wist die man veel dat zijn verhaal als evangelie voor bijna twee millennia lang en miljarden gelovigen deel zou uitmaken van een van kaft tot kaft woordelijke Waarheid en zelfs Gods Woord?

Het Johannes-evangelie is vermoedelijk van 150 AD en van iemand die zich presbyter (priester) noemt. Wellicht een bisschop van de Ephese-gemeente. Van deze Johannes zijn veel wonderverhalen in omloop. Het is onduidelijk welke Johannes de auteur is: een vroege jonge leerling van Jezus op wie deze nogal gesteld was, of toch een veel latere figuur. Aan Johannes worden drie brieven toegeschreven, en de nogal fantasmagorische “Openbaring”. Het is trouwens van alle vier evangelies onzeker wie de echte auteur is en wat er waar is van de inhoud. Bovendien is bij het geregelde overschrijven ervan telkens naar believen in geschrapt of aan toegevoegd.

  1. staatsgodsdienst

De succesvolle veldheer Constantijn had rond 320 al zijn concurrenten verslagen en heerste nu over een groot Romeins rijk. Daarvoor wilde hij één staatsreligie. In de oude Romeinse Jupitergoden geloofde inmiddels geen enkele soldaat meer. Zelf was hij aanhanger van de Sol Invictus-cultus, een variant van de Mithrascultus, de meest populaire soldatenreligie.

Van Mithras waren de volgende mythes populair. Mithras was op 25 december geboren. Uit een maagdelijke moeder. Hij gold als de zoon van God. Hij had, zo vertelt de mythe verder, 12 discipelen. Voor zijn dood hield hij een laatste avondmaal. Hij werd in een graf in de rotsen gelegd, en herrees na drie dagen uit de dood.

Overeenkomstige mythes waren er toen ook van de cultusfiguren Osiris, Adonis en Dionysus in omloop. De christelijke mythes zijn dus later, toen het Christendom tot staatsgodsdienst gekozen was, voor een aanzienlijk deel aan deze populaire culten ontleend. Ook een beetje vanuit het idee If you can’t beat them, join them. In die tijd keek men niet zo nauw als vandaag. Alle culten hadden elementen van elkaar overgenomen. Het ging er in die tijden niet om of een verhaal waar was maar of het bruikbaar was en aansprekend. Sterker nog, álle godsdiensten zijn samenraapsels. Zelfs Zarathustra heeft niet alles zelf hoeven uit te denken.

Constantijn wilde dus een staatsgodsdienst. Daarvoor was eigenlijk geen van de culten geschikt. Wat die misten was een organisatie, een structuur van bisschoppen zoals de christenen hadden. Leiders die geregeld bij elkaar kwamen en dan de geloofsinhoud voor iedereen vastlegde. Geloofsdiscipline. Dat kende die verachtelijke Ecclesia (Kerk) dus wél. En Constantijn ging overstag. Het was zijn voorgangers niet gelukt de sekte te verdelgen, dus ging hij er nu maar mee in zee. Althans als staatsreligie voor het rijk; voor zichzelf bleef hij aan Sol Invictus offeren.

Jammer voor Constantijn was dat er toen net een hooglopende theologische ruzie aan de gang was. Natuurlijk weer over het Zoon van God zijn van Jezus, de Hoofdfiguur van het Christendom. Of was God de Vader de Hoofdfiguur? Nou, daar ging het dus over, over hoe je het moest zien. Laat ik proberen het geschil uiteen te zetten maar je moet beloven er serieus bij te blijven kijken.

Paulus was dus indertijd begonnen om Jezus, als centrale Figuur voor zijn Joodse Jezus-cultus, Zoon van God te noemen. Lucas had daar vervolgens het mooie verhaal van Jezus’ doop door Johannes de Doper bij verzonnen en een Heilige Geest in de gedaante van een duif. Nu gingen tekst-uitleggende scherpslijpers erover steggelen. Want we hadden toch beleden dat er maar één God was? Nou, dan kon Gods zoon dus geen God zijn.

Daar had kerkvader Tertullianus`(160-230) het volgende op gevonden. Als een acteur drie rollen kan uitbeelden door telkens één van de drie personae (maskers) op te zetten, zo kan God ook drie personae (personen) vertegenwoordigen en toch één God blijven.

Prima vondst, niet?

De Romeinse priester Sabellius bedacht in 215 dat je ook aan de drie aspecten van de zon kon denken: de warmte ervan (de Geest), het licht ervan (de Zoon) en de vorm ervan (de Vader). Nog mooier! Niets meer aan doen.

Ja, nee, zei Tertullianus, je moet ze wel uit elkaar blijven houden, want, hoe je het ook wendt of keert, Jezus was wel gewoon een mens geweest … aarchh! Daar gáán we weer.

En jawel hoor, Arius (256-336), een gezaghebbend ouderling in Alexandrië, bedacht dat je het zó moest zien: die Drie vormen wel één Wezen maar ze vallen niet samen, ze blijven afzonderlijke personen. Homo-ousios: gelijk van wezen (van het Griekde ὁμός = gelijk)

Daar trad zijn eigen bisschop, Alexander, tegen in het geweer. Nou, nee, eigenlijk vooral zijn assistent Athanasius, die de oude Alexander wilde opvolgen maar concurrentie vreesde van de veel geleerdere Arius. Athanasius betrok de stelling dat de drie personen van God homoi-ousios waren: soortgelijkend van wezen! (van het Griekse ὅμοιος=gelijkend op)

Het conflict draaide dus om één lettertje, het scheelde een iota. Maar het meningsverschil liep steeds hoger op. Gewone gelovigen snapten er geen jota van maar kozen partij (als dié lul die partij kiest dan kies ik dus de andere!) en vlogen elkaar driftig naar de keel.

De keizer moest er maar over beslissen.

Constantijn stak er zijn laatste geld in, hij riep er het grootste concilie voor bijeen. Alle bisschoppen, én hun assistenten, vanuit alle hoeken van zijn rijk, kregen betaalde reis- en verblijfkosten! Nou, al waren ze ziek of blind, dát wilden ze geen van allen missen. In Nicea (het ligt onder het huidige maar toen nog in aanbouw zijnde Constantinopel, en we schrijven 325 AD) waren ze met 318 man (man, ja, kom zeg, vrouwen waren er alleen voor de verzorging en de kuis) drie weken lang luxueus te gast.

Constantijn liet op het einde een geheime stemming houden. De uitkomst, hoe die ook zou uitvallen, zou bindend zijn.

En zo is de christelijke Drie-ene God als resultaat van stemming door patriarchen tot stand gekomen.

Arius heeft zijn nederlaag niet lang overleefd. Maar hij bleef aanhangers houden en het Arianisme bestaat hier en daar nog steeds.

Constantijn bevoordeelde vanaf nu het episcopale Christendom, en dat bouwde de ene basiliek na de andere. Bij voorkeur bovenop Mithras-heiligdommen. Deze bestonden vooral uit kelder-achtige zaaltjes, dus dat was niet moeilijk. Dit laatste heeft ook gemaakt dat er een aantal van bewaard zijn gebleven!

In 380 verhief de latere keizer Theodosius het Christendom definitief tot staatsgodsdienst.

Uit de aard van het geloof zijn kerkvaders tegen wetenschap. Geloven doe je waar je niet weet. Geloven en weten sluiten elkaar uit, en daarom dreigde de Bijbelse Prediker al dat wie kennis vermeerdert, smart vermeerdert.

Toen in 414 de Christenen ook in Alexandrië, hét centrum van wetenschap van de Helleense beschaving, aan de macht kwamen, vond patriarch Theophilus wetenschap in strijd met de bijbel en dus heidens; christelijke ‘jihadisten’, nota bene ook in het zwart gekleed, hebben in 415 er de beroemde bibliotheek aangevallen en de geleerde Hypathia (een vrouw, ook dat nog!) gruwelijk vermoord.

Twee eeuwen later kregen de islamitische scherpslijpers daar de macht en maakten de moslims het vernietigende werk af. Moslim-generaal Amr ibn al-As stelde: “Ofwel zijn de boeken in strijd met de Koran en in dat geval is het ketterij, en anders zijn ze in overeenstemming met de Koran en dus overbodig.” Dus werd met de vaak eeuwenoude teksten de kachel van het badhuis gestookt. En daarmee zijn we aanbeland bij de jongste monotheïstische wereldgodsdienst waar we mee te stellen hebben.

De Islam

[Hier stond zojuist nog een verhaal van 70 bladzijden lang. Alleen over het begin van de Islam, niet eens de zegetocht van die godsdienst over het hele ineengestorte Perzische rijk en ver daarbuiten, tot en met Spanje toe. 70 bladzijden! Dit terwijl ik voor het Judaïsme en het Christendom elk met zes bladzijden had volstaan! Mijn hele boekje was uit zijn evenwicht geraakt.
Ik heb dus de 70 bladzijden Mohammed eruit gelicht en er een aparte tekst van gemaakt. Ik print deze zo voor een geïnteresseerde uit: het verhaal leest als een roman. Dat kom je van de academische Islamologen niet te weten allemaal, want dat zijn filosofen.
Maar nu moet ik het beging van de Islam hier in niet meer dan zes bladzijden weten samen te vatten. Pff!
]

Eerst maar iets over het Arabische schiereiland. Op de invoeging linksonder is te zien dat het een deel is van de Sahara. Bevolkt door kameelrijdende Bedoeïenen, veehoudende ‘wilde stammen’, gehard in een zeer water-arme en dus voedselarme wereld. De overvloed aan water bij stortregens in de winter lopen via wadi’s kolkend uit in het droge zand. Maar aangezien talrijke vulkanen op veel plaatsen lagen basalt hebben neergelegd, zijn er ook meren en oases waar joodse en christelijke boeren vanuit de Levant landbouw zijn gaan bedrijven en waar dadelpalmbossen de Bedoeïenen van dadels, hun hoofdvoedsel, voorzien.

Al duizenden jaren waren er handelsstromen tussen China en India enerzijds en Egypte en de Grieks-Romeinse wereld anderzijds en die verliep via de Zijderoute, de rode lijnen op de kaart. Toen de Indiase zeevaarders gebruik hadden leren maken van de moessonwinden, werd de zeeroute ook belangrijk. Alleen bleek de Rode Zee voor de ranke zeilscheepjes moeilijk bevaarbaar en gaven de zeelui er weldra de voorkeur aan, hun scheepsladingen in Aden en Cane te lossen, vanwaar de koopwaar via karavanen naar het noorden ging, naar Gaza, vanwaar de goederen weer scheep gingen naar Egypte en de Grieks-Romeinse havens.

Dat de zuidkust van het schiereiland vooral werd aangedaan was omdat die regio twee zeer gewild producten leverde, frankincense en mirre, de belangrijkste ingrediënten voor wierook. De religies van alle beschavingen toen waren in wierookdampen gehuld.

Niet alleen in verrezen in wat vandaag Yemen is, rijke steden, maar ook de stammen langs de karavaanroute naar het noorden (de zwarte lijnen zijn karavaanroutes) werden rijk doordat ze ‘beschermingsgeld’ konden eisen voor veilige doortocht tegen de overvallen door wilde bedoeïenen. Kortom, het doodarme wilde schiereiland werd deel van de beschaving. In de regio Yemen werd een enorme dam gebouwd bij Marib, dat een binnenmeer aan winterregens kon opvangen en waarmee de regio bij de Romeinen bekend werd als Arabia felix (het vruchtbare = gelukkige Arabië). Het begin hiervan is rond 700 vC.

Mekka ligt ok op die route noordwaarts, dus je zou zeggen: Ah, nu komt ook Mekka tot bloei. Maar nee hoor. Mekka bestond nog niet. De oasestad Yathrib (later Medina) maakte er al wel deel van uit.

Het Arabische schiereiland kwam door zijn gelukkige ligging tussen Oost en West tot bloei … totdat in het jaar 0 de Romeinen de Nabateeërs (Arabische stam rond waar nu Petra ligt, ten zuiden van Jeruzalem) onderwierpen en Egypte bezetten. De Romeinen wilden nu proberen om ook Arabië bezetten.

Maar dat was op de toenmalige kaarten nog een witte vlek. Keizer Augustus gaf zijn generaal Gallus opdracht om een verkenningsexpeditie te ondernemen. Gallus vertrok met een 10.000 man aan troepen, waaronder ook een afdeling Nabateeërs, en met geograaf Strabo om het gebied in kaart te brengen. Het werd een barre tocht, waarbij Gallus wel Yemen bereikte maar met een gedecimeerd leger. Niet gesneefd bij schermutselingen maar gewoon door watertekort, verontreinigd water en ziekten.

Niettemin is de reisbeschrijving van Strabo zeer gedetailleerd, en levert een bewijs dat er toen nog geen Mekka bestond. Ook de archeologen die intussen alle inscripties die op alle bewoonbare plekken van het schiereiland in grote getale te vinden zijn, te boek gesteld hebben, vinden van vóór 350 AD van Mekka helemaal niets.

In de loop der jaren hebben de Romeinen andere wegen gevonden om hun doel, rechtstreeks handel drijven met het Oosten, te verwezenlijken. Ze hebben wegen en havens aangelegd aan de Afrikaanse kant van de Rode Zee, zoals Berenice, en daar scheepswerven gebouwd voor grote galeischepen. Toen ze er inderdaad in slaagden om de Arabische karavaanhandel uit te schakelen, raakte Arabia Felix in verval. De definitieve klap betekende de instorting van de Maribdam rond 750 AD. Maar al eerder had de verarming tal van Yemenitische stammen doen besluiten om naar het noorden te trekken.

  1. Mekka

Een van die stammen, de Quraish, was neergestreken bij een plek temidden van het laaggebergte waar plaatselijke veehoudersstammen bij een bron een klein heiligdom hadden ingericht, waar de vrouwen naakt dansten rond een beatyl, gewijd aan Allat, om vruchtbaarheid voor hun kudde af te smeken. De sjeik van de Quraysh, een ondernemend man, zag er de potentie in van een heiligdom zoals Hegra (tegenwoordig Medain Saleh) dat veel pelgrims trok die geld in het laatje brachten. Hij bewoog zijn mensen om huizen te bouwen tegen de omringende hellingen, om taken te verdelen tussen de clans voor een geregelde wateraanvoer, de bouw en het beheer van een beter heiligdom, de verdediging en zo meer.

Bovendien organiseerde hij een handelsronde, beginnend en eindigend in Mekka, met een structuur van verdragen met de sjeiks van de betrokken stammen.

Zijn opvolgers zetten zijn initiatieven door en maakten Mekka van een uit de grond gestampte onleefbare plek tot het kloppend hart van het totaal verarmde schiereiland. Vooral nadat de handel was uitgebreid met een zomerse karavaantocht naar Syrië en een winterse naar Yemen.

Het heiligdom, de Ka’aba, telde meer dan 360 godenbeelden van de betrokken stammen en fungeerde als een soortement eukumene. Want alles was er om te doen om de voortdurende stammenstrijd van de wilde Bedoeïenen te beteugelen. Bijvoorbeeld met ‘heilige maanden’ gedurende de stammen zich hadden verbonden om dan geen overvallen te plegen, zodat de karavanen veilig konden trekken.

Mekka werd niet alleen de rijkste stad maar ook de hoogst ontwikkelde. Rond 600 had er zich een groepje intellectuelen gevormd (de handelsrelaties met ‘vreemden’ zet aan het denken over de denkwerelden van die ‘vreemden’), dat vond dat ook de Arabieren, zoals alle omringende beschavingen dat bleken te hebben, een monotheïstisch geloof zouden moeten hebben. De Perzen met hun Zoroastrisme, de Byzantijnen met hun Christendom en de Joden met hun Judaïsme, hadden allemaal geen problemen meer met ‘wilde stammen’ en de roofovervallen op hun handel van dien: zoiets moesten zij toch ook kunnen bedenken?

Een belangrijke denker van het groepje was Waraqa — oom van de rijke Khadija, ze zou na de dood van haar echtgenoot trouwen met de jonge maar charismatische Mohammed.

Waraqa was in de leer geweest bij een Ebionitisch-christelijke sekte, volgelingen van de profeet Jezus – en verre ‘nazaten’ van de eerder besproken Jeruzalemde moedergemeente rond Jezus’ broer Jacobus, dus niet de vergoddelijkte Jezus zoals Paulus dat van die Joodse profeet gemaakt had. Waraqa had zich zelfs aan een Bijbelvertaling in het Arabisch gezet.

Zayyeed ibn Amr, een ander lid van het groepje wilde echter per se geen christelijke variant van hun monotheïsme, want dat zou hen onder de invloedsfeer van de Romeinen brengen. Net zo min als een zoroastrische variant, om de invloed van de Perzen uit te sluiten. Nee, hun God moest een puur Arabische zijn, Allah geheten.

Samen gingen de oude mannen kijken bij sekten in andere steden zoals Harran, waar ze rituelen hadden voor de Maangodin.

Het is vooral Zayyeed geweest die met die verzamelde elementen, vooral Bijbelse en Sabijnse, een religie met vaste dagelijkse gebedshoudingen, rituelen en onthoudings-voorschriften heeft ontworpen. Maar het is vermoedelijk Waraqa’s idee geweest om de Ka’aba gesticht te laten heten door Abraham, in opdracht van Allah. Abraham had zijn slavin Hagar met haar zoon Ismaël moeten weg doen, en had haar gedropt in de woestijn. Allah had op die plek vervolgens een bron laten ontstaan, waar Ismaël de Ka’aba had opgericht. Dus die 360 godenbeelden die er later in waren gezet, waren een heidense ontheiliging van Allah’s Ka’aba en die moesten nu worden verwijderd.

Zayyeed was nogal fanatiek en kwam in zodanig conflict met zijn eigen clangenoten — die hun rijkdom voor een groot deel juist dankten aan de pelgrimage naar de 360 goden in de Ka’aba – dat hij tenslotte uit Mekka verbannen werd.

Zayeed vestigde zich, vermoedelijk met financiële steun van Khadija, in een dorpje ten westen van Mekka. Maar hij vertoefde heel vaak in een grotje dat uitzicht gaf op de stad. Daar ging hij voort met het uitwerken van zijn nieuwe Allah-godsdienst.
Toen Mohammed, die niet alleen een bekwaam karavaanleider was maar zich ook altijd, zoals veel Arabieren, als dichter geprofileerd had, 40 jaar geworden was, wilde hij zoals veel rijkelui ook tannahud doen: zich voor een paar weken terugtrekken in de bergen om te mediteren. Khadija bewoog hem om dan in de leer te gaan bij Zayyeed: toch heel wat zinniger dan zomaar wat voor je uit te gaan zitten mediteren.

En zo gebeurde het dat Mohammed gedurende zijn tannahud-weken Zayyeeds gezangen uit zijn kop moest leren. Zayyeed maakte zich soms heel boos dat Mohammed het verrekte om te leren lezen en schrijven – zoals sommigen van mijn leeftijdgenoten halsstarrid digibeten wensen te blijven. Mohammed beschouwde zichzelf meer als een Arabische dichter. Perzen en Romeinen zijn van het schrift, maar trotse Arabieren zijn mensen van het woord. Bovendien, als 40-plusser leer je niet meer zo makkelijk uit het hoofd. Zayyeed had een kort lontje, zoals zijn hele familie trouwens – waartoe ook Omar behoorde, een jongere vriend van Abu Bakr en later diens opvolger als kalief.

Na een aantal ‘lessen’ heeft Mohammed het dan ook voor gezien gehouden.

De oude Zayyeed heeft, toen hij zijn einde voelde naderen, nog een laatste poging gewaagd om zijn project aan de Mekkanen te slijten. Hij heeft zich toch in de stad vertoond, en zijn leer gepredikt bij de Ka’aba. Maar de volgende ochtend al werd hij dood aangetroffen bij de ondermuur ervan: in zijn slaap door moordenaarshand omgebracht. Er werd gefluisterd dat zijn eigen familie daar de hand in had gehad, want die eiste geen weerwrak.

De oude Waraqa dichtte een elegie op zijn overleden makker.
.

Khadija en Abu Bakr, ook een lid van Waraqa’s groep, wisten Mohammed er nu toe te bewegen om Zayyeeds project voort te zetten en het profeetschap op zich te nemen. Mohammed was echt de enige die er voor in aanmerking kwam; niet alleen vanwege de lessen die hij bij Zayyeed had gevolgd maar ook vanwege zijn charismatische postuur en het aanzien dat hij al heel lang genoot in Mekka. En na dagenlang op hem in praten hebben ze hem weten over te halen om deze loodzware taak op zich te nemen.

Met loden schreden ging Mohammed terug naar het grotje en trachtte zich de gezangen en de gebedshoudingen weer te binnen te brengen; en thuis oefende hij zich in kleine kring in het voorgaan er in. De vrienden achtten het geraden om de rol van verbannen Zayyeed te verzwijgen en te doen alsof Mohammed zijn leer rechtstreeks van Allah had ‘neergezonden’ gekregen in het grotje, overgebracht door een engel, Gabriël.

Ze oefenden een paar jaar, en het kleine groepje breidde zich wat uit; de bijeenkomsten werden verplaatst naar het huis van een sympathisant, even buiten de stad. Dat was veiliger. Je moet niet vergeten dat ze kooplui waren, dus dat ze niet te veel vijandschap van de andere kooplui wilden wekken. Maar ai! Ik ben toch weer te gedetailleerd bezig! Ik zou het in deze tekst kort houden!

Na drie jaar oefenen voelde de groep ‘moslims’ (moslim betekent: ‘iemand die zich overgeeft’) zich sterk genoeg om naar buiten te treden. Eerst dienden de eigen clans overgehaald, als ruggensteun, om vervolgens de overige clans van Mekka tot het nieuwe geloof te bekeren.

Maar het draaide allemaal uit op een ramp. De tegenstand van de rijke clans werd zo groot dat die eerste moslims er nauwelijks het leven van af hebben brachten.

We zouden nooit wat over Islam vernomen hebben als niet juist toen de oasestad Yathrib (het latere Medina) een ander dieptepunt beleefde. De twee Bedoeïenenstammen die daar een eeuw of twee tevoren de baas waren gaan spelen over de drie joodse stammen die Yathrib tot een belangrijke voedselleverancier voor de regio hadden ontwikkeld, waren nu met elkaar in een uitzichtloze ‘burgeroorlog’. Op zoek naar een vredestichter hadden ze vernomen van ene Mohammed in Mekka. Een kleine delegatie brachten Mohammed een bezoek, en die bleek graag bereid hen te komen helpen: het betekende de redding van zijn Islamproject.
Eerst weken volgelingen uit naar Yathrib, en tenslotte wisten ook Mohammed en Abu Bakr naar Yathrib te ontsnappen. Daar werd Mohammed de gevierde profeet. Niets voor niets laat de Islam haar tijdrekening beginnen met Mohammeds verhuizing naar Yathrib, in 622.

De Mekkaanse Vrienden waren er als berooiden gearriveerd. Van rijkelui waren ze totaal verarmd en voor hun overleving afhankelijk van de twee Bedoeïenenstammen. Die bekeerden zich tot Mohammeds islam en werden zijn belangrijkste ansar (helpers). Onontwikkeld als ze waren en gemakkelijk te beïnvloeden door de charismatische Mohammed, geloofden zij hem op zijn woord.

In tegenstelling tot de Joodse stammen aldaar, die de spot dreven met Mohammeds knullige namaak-godsdienstje, werden de ansar diepgelovig, en sommigen hunner zelfs fanatiekelingen. Uit hun gelederen stegen dan ook geen kritische vragen op betreffende sommige ‘ingevingen’ of uitspraken van Mohammed. Kritiek, onder meer van zijn eigen vrouwen, pareerde Mohammed met een ‘ingeving’ van Boven’.

Ook al ging Mohammed nogal pragmatisch met zijn Goddelijke boodschappen om – hij kreeg ze naar het hem uit kwam – bij zijn ansar-volgelingen kwam hij er mee weg.

Mohammeds vrouw had de ellende in Mekka niet overleefd. Nu, in Medina, trouwde Mohammed een hele harem. Aanvankelijk vrouwen die hij met een huwelijk uit de nood hielp, maar steeds vaker ook jonge deernen.

De Vrienden waren hun hele rijkdom kwijtgeraakt en drongen aan op overvallen op de karavanen van de Mekkanen. Aanvankelijk mislukten die. Maar bij één boekten ze een geweldige overwinning, dankzij de onverschrokken ansar en niet weinig ook door de vechtkunst en moed van Mohammeds aangenomen zoon Ali, die altijd van voorbeeldig gedrag gebleven is.

Mohammed zelf heeft zich nogal eens tot bruut geweld laten verleiden, met name tegen de Joodse stammen van Yathrib, die hij uit hun eigen stad verdreef, met confisquering van al hun bezittingen. De laatste heeft hij zelfs uitgemoord. Hij werd hierbij vooral gedreven door geldnood. Het succes had steeds meer jonge strijders uit verarmde Bedoeïenenstammen aangetrokken. Het moslimleger groeide, maar daarmee ook de geldnood. Zelf leefde Mohammed overigens in armoede, en met hem ook zijn vrouwen …

Bedoeïenen vechten graag, maar het gaat hen om de buit en de eer. Zodra de kansen daarop verkeken zijn, nemen ze de benen. Het moslimleger groeide niet alleen, het werd ook steeds meer getraind en gedisciplineerd. Daardoor wisten de moslimlegers, hoewel meestal getalsmatig in de minderheid, toch de overwinning te behalen tegen de ongeorganiseerd bedoeïenenstammen. Zelfs coalities ervan moesten het op den duur afleggen tegen de moslims. Mede door het innemen van enkele rijke oases raakte Mohammed uit de geldzorgen. Yathrib heette voortaan Medina.

In 630 was Mohammeds leger zo groot geworden dat Mekka zich bij de nadering ervan overgaf. De Ka’aba werd van de 360 godenbeelden ontdaan en werd geheel gewijd aan Allah en de Islam. De overgang heeft de stad geen windeieren gelegd: de pelgrimage naar de Ka’aba werd er niet minder om. Mohammed heeft zich ook niet gewroken op zijn oude stadgenoten; die eens zo vijandige clans zouden uiteindelijk, via slinkse manipulaties, de soennitische leiders worden van de Islam.

Mohammed was pragmatisch; de Ka’aba liet hij, met alle heidense pelgrimagerituelen er om heen, intact. Bovendien mochten de pelgrims de tawaaf (zevenmaal rond de Ka’aba lopen) niet langer naakt doen maar gehuld in witte doeken.

Mohammed overleed in 632 als een vereerde profeet. Op het laatst van zijn leven heeft hij nog getracht om de brave en dappere Ali tot zijn opvolger te maken. Maar Ali was een waardig lid van zijn Hashim-clan, die zich nooit met zelfverrijking had ingelaten en altijd welvaart voor iedereen had voorgestaan. Dus de Vrienden Abu Bakr, Omar en Uthman zagen Ali’s opvolging niet zitten: ze wilden eerst hun investeringen terug. Ik beschrijf hun machtsgreep uitvoerig in mijn tekst “Het begin van de Islam”, en geef het gebeuren dus hier in het kort weer.

Terwijl Ali aan Mohammeds sterfbed zat en na diens overlijden druk was met aflegging en begrafenis, hadden de Vrienden van iedereen in Medina al de bayat (eed van trouw) aan de oudste der Vrienden, Abu Bakr, afgenomen. Ali was zo verstandig geweest om geen stennis te maken: Omar had al eens eerder fitna (afscheiding) begonnen toen Mohammed een besluit had genomen dat Omar een politieke nederlaag had geleken. Omar had toen bakzeil moeten halen. Later bleek dat het juist heel slim geweest te zijn van Mohammed.

Maar nu Mohammed stierf, is het echt Ali’s houding geweest die een splitsing (fitna) heeft voorkomen.

Deze vond niettemin enkele decennia later toch plaats, toen Ali eindelijk als vierde aan de beurt kwam om kalief te worden. De Mekkanen hebben Ali’s pogingen om de beginnende islam weer op het spoor van gelijkheid en uitbanning van zelfverrijking door machthebbers te krijgen, effectief weten te dwarsbomen. Ali werd hij al na enkele regeringsjaren vermoord. De Mekkanen, oorspronkelijk de doodsvijanden van Mohammeds project, hebben diens islam tot hun machtsapparaat gemaakt.

Het islamproject van Waraqa, Zayyeed en Mohammed was een ‘beschavings’-project. Het doel van hun Islam was om de ‘wilde stammen’ van de Bedoeïenen onder één God te pacificeren, net zoals de omringende beschavingen beschaafd waren onder hun diverse religies. Ali had een spirituelere inhoud ervan voorgestaan, een zachtmoediger en vreedzamere variant, en vooral met veel voorspoedverhoging voor de armen, niet voor de reeds rijken. De aanhangers van Ali werden de sjiieten.

Maar de rijke Mekkanen dachten daar anders over. Hun aanhangers werden de soennieten. De meerderheid van de huidige moslims. De splitsing leeft tot op de dag van vandaag voort als die tussen soennieten en sjiieten. Alle terroristische jihad-bewegingen van vandaag zijn van soennitische makelij, en de aanleg van deze islamtak ontwikkelde zich al met de rabiate vijandigheid van de rijke clans van Mekka toen Mohammed met zijn profeetschap begon.

  1. de verovering van een wereldrijk

Na Mohammeds dood (632) en zijn opvolging door zijn Vrienden Abu Bakr, Omar en Oetman ging alle aandacht uit naar de onderwerping van de Bedoeïenenstammen van Arabië. Die werd voltooid gedurende het tweejarige kalifaat van de oude Abu Bakr, en dat lag nog geheel in de lijn van Mohammeds project: een einde maken aan de willekeurige roofovervallen door de ‘wilde stammen’ onder het banier van hun strijdgoden, ten koste van de handel en de welvaart van de stadsbewoners. Een beschavingsproject dus, door ze te onderwerpen aan de dienst van de Eenheidsgod Allah.

Maar toen een stamhoofd ergens aan de grens met het vervallende Perzische rijk meldde dat hij een paar geslaagde rooftochten had gemaakt in het rijke gebied aan de overkant van de Eufraat, besloot Abu Bakr, vallend voor de verlokking van rijke oorlogsbuit, om hiervoor ook een aparte legerafdeling vrij te maken onder leiding van zijn bekwaamste aanvoerder, Khalid ibn Walid.

Vanaf dat moment ontaardde Mohammeds project in een volslagen a-religieus imperialisme. De veroverings-expedities verliepen daardoor zo gesmeerd omdat de toenmalige grootmachten, de Perzen en de Romeinen (Byzantijnen) zich tegen elkaar hadden doodgevochten en hun gebieden niet langer adequaat konden verdedigen. Eerst werd heel Perzië veroverd. En daarna Egypte. Enorme gebieden waaruit belastingen werden geëxtraheerd.

Dat het veroveren niet in het teken stond van de verbreiding van de Islam bleek toen de veroveraar van Syrië en Palestina, generaal Amr ibn al-As, aan kalief Omar permissie vroeg om nu ook Egypte binnen te mogen vallen. Amr’s argument was niet de verbreiding van het Islamgeloof maar het vooruitzicht van de enorme instroom aan belastinggelden vanuit deze graanschuur van de Romeinen.

Het tegendeel was eerder het geval. Bekering tot de islam (zodat je dan vrijgesteld werd van belastingbetaling) werd ontmoedigd en zelfs onmogelijk gemaakt. De islam was hooguit de ideologie, de noemer, de vlag van de veroveraars. Maar het doel was de belasting-extractie.

Voor menig islamkundige is het zelfs de vraag of er vóór het jaar 732 – toen de Arabische veroveringsgolf gestuit werd door Karel Martel bij Poitiers — wel sprake was van Islam. Pas vanaf die datum verrijzen er moskeeën en vind je er bewijzen van in de ‘annalen’ (opschriften, munten en papyri).

  1. de Koran

Vanaf het begin waren de op zangerige en gedragen toon voorgedragen ‘Goddelijke ingevingen’ van Mohammed van buiten geleerd en opgeschreven, en Mohammed had zich ook altijd omringd met jongemannen die de schrijfkunst beheersten: hij wilde wel dat ze werden opgeschreven.

De soera’s (tot Koranverzen vastgelegde’ingevingen’) stamden aanvankelijk af van de vermoorde Zayyeed. Maar in zijn Mekka-periode had Mohammed zich ook al behoorlijk laten informeren over de Bijbel door bij een christenslaaf in de leer te gaan. Mohammed gebruikte ook graag dichtregels van bedoeïenendichters. En in Yathrib leerde hij veel van een Joodse rabbi die in Mohammed een in de Thora voorspelde Profeet had gezien.

Al bij al ademt het later tot Koran gebundelde corpus aan ingevingen een zeer Bijbelse geest. Niet zozeer joods als wel christelijk. Maar nadrukkelijk niet Paulinisch-christelijk: geen vergoddelijkte Jezus. Een Oostelijk-christelijke, Nestoriaanse dan wel Ebionitische Jezus, Jezus als Profeet. De naam ‘Jezus’ komt 21 keer voor in de Koran, tegen de naam ‘Mohammed’ 2 keer.

De soera’s uit de Yathrib-periode bevatten veel pragmatische ‘ingevingen’, die Mohammed bedacht voor zaken die hij gedaan wilde krijgen. Ook al vatte Mohammed de meeste ‘ingevingen’ in een omfloerst en vaak duister taalgebruik, ze waren veelal duidelijk in zijn eigen belang, zodat zijn vrouwen daar wel eens stekelige opmerkingen over maakten.

De latere vormgevers van de Koran hebben de ontstaansgeschiedenis ervan verdoezeld door de volgorde ervan volledig door elkaar te husselen. Maar dat heeft latere deskundigen er niet van weerhouden om de historische volgorde van ‘neerdaling’ (zoals dat bij Islamgelovigen heet) te reconstrueren.

Veel soera’s zijn ook duister omdat het ingekorte notities zijn van Bijbelse vertellingen die bij de toenmalige toehoorders gesneden koek waren. Er is zelfs één lange soera die een inderhaast genoteerde preek is. Het heeft veel weg van een collegedictaat. Het zou zomaar kunnen dat dit een preek van Mohammed zelf is, een vrijdagpreek in de moskee van Medina.

Van een zestal soera’s valt helemaal geen chocola te maken, ook niet door Islamgeleerden. Waarschijnlijk een te knullig op een kameelbot geschreven maar toch bewaard fragment. Want echt elke snipper werd bewaard en belandde in de latere heilige Koran.

De taal van de Koran wordt, net als het Latijn van de christelijke rituelen, door gewone mensen niet verstaan, maar wordt in Koranscholen gewoon van buiten geleerd vanwege de fraaie zangerige voordracht. En als een islam-bobo ondersteuning zoekt voor willekeurig welke fatwa, kan hij deze
er altijd wel ergens uit destilleren. Net als de Bijbelse schriftgeleerden zijn ze een soort advocaten: als je ze betaalt, weten ze de mazen in Gods Wet te vinden.

  1. de hadith

Naast de ‘ingevingen’ van Mohammed zelf zijn ook de verhalen over het doen en laten en de uitspraken van Mohammed door zijn volgelingen onthouden en later opgeschreven en verzameld. Het zijn er honderdduizenden geweest. Want na Mohammeds dood bleven oude mensen zich maar dingen herinneren van de aanbeden profeet. De eerste kaliefs schroomden bovendien niet om uitspraken aan Mohammed toe te schrijven als hen dat politiek uitkwam. Vooral Abu Bakr deed dat nog al eens.

Latere hadith-verzamelaars hebben er behoorlijke en gewetensvolle schifting in aangebracht, dat moet gezegd. Toen de oudst bekende verzamelaar ervan, Ibn Ishaq (704-770) de opdracht kreeg om de biografie, Sirat Rasul Allah (Het leven van Allahs Boodschapper) te schrijven – in 733, dus een eeuw na Mohammeds overlijden – heeft hij er minstens de helft van verworpen als te duidelijk idolatrische verzinsels. Over de rest hield hij een slag om de arm: hij was er immers niet zelf bij geweest; maar als bepaalde hadiths in meerdere versies waren bewaard, vond hij ze wel te vertrouwen. Goed standpunt.

De meeste gehandhaafde hadiths zijn afkomstig van twee van Mohammeds vrouwen.

Ibn Ishaq’s boek is verloren gegaan en alleen bewaard in uittreksels en uitgebreide citaten van latere auteurs zoals Ibn Hisham. Ibn Ishaq was geboren in Medina en had tijdens zijn jeugd veel verhalen uit de tweede hand meegekregen. Dankzij hem weten we zoveel van Mohammeds jeugd, de eerste tekenen van zijn profeetschap, zijn ontsnapping naar Medina en zijn leven daar. Over zijn eerste veldslagen en nederlagen. Over de verdrijving en zelfs afslachting van de joodse stammen van Medina, de Banu Qaynuga, de Banu Nadir en de Banu Qurayza. Over M.’s haremproblemen. De veldslagen tegen Mekka, de verbreiding van de Islam in Arabië. En tenslotte de dood van de profeet en de verwikkelingen daaromheen. Kortom, mijn Begin van de Islam (zie mijn site ‘mens2000’) heeft vermoedelijk veel te danken aan Ibn Ishaq.

Frans Couwenbergh, humanosoof

Hezelstraat 4, 6576 JM Ooij

06 2097 8214

www.mens2000.nl

www.humanosofie.nl

www.humanosophy.org

PS Ik eindig met academisch filosofe Joke Hermsen: “Zonder hoop, enthousiasme of inspiratie verandert er niets”.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

commentaren