Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

God (wijzelf) en zijn latere schrikbeelden

Door Frans Couwenbergh

 

Update 8 aug. 2014

 

WOORDJE VOORAF

 

Deze tekst begon ik in 2004 naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh door Mohammed B. en zette hem in 2007 op mijn toen begonnen website Mens2000.

 

In 2014 schreef ik mijn tekst Eva en Adam. Een nieuw Scheppingsverhaal voor de Humanistendames. Voor het eerst maakte ik een gedegen studie vanMohammed, de stichter van de Islam.  Met alle beschikbare materiaal dat er vandaag voor een geïnteresseerde leek beschikbaar is. Nou, dat bleek veel te zijn. Omdat Mohammed veel later leefde dan de godsdienststichters vóór hem, en zijn volgelingen werkelijk iedere scheet van hem hebben onthouden en alles wat over hem herinnerd werd, later werd opgeschreven, valt er een gedetailleerd verhaal over hem te reconstrueren. Nou, ik vind het best een spannend wedervaren. En ook verhelderend over de aard van de Islam. Ook hier geldt: als je het begin ervan weet, snap je de rest beter.

Maar het Mohammedverhaal werd twee keer zo lang als het verhaal over hoe wij van apen tot mensen geworden zijn, plus het verhaal over het begin van het Judaïsme en plusdat van het Christendom bij elkaar. Dat bracht het humanistendames-scheppingsverhaal ernstig uit het lood.  Dus ik bedacht: het is wel passend voor het boekje De God van Mohammed B. en dan schrijf ik het Islamverhaal uit ’t hoofd in het kort opnieuw voor het humanistenboekje.
INHOUD

geachte lezer (-es)      (mijn voorwoord van 2007)

 

Voor velen was de moord op Theo van Gogh behalve onverteerbaar ook onbegrijpelijk. Wat gaat er om in iemands hoofd om zich geroepen te kunnen voelen een medemens af te maken omdat die iets gezegd heeft wat tegen die iemands geloof in gaat? Marc van den Eerenbeemd (De Volkskrant 5 nov.’04[1]) bevroedde dat de duivel in de moordenaar gevaren was. Maar het was erger. God was in hem gevaren.

 

Het geloof in een Ene Ware God kan mensen blijkbaar gevaarlijk maken voor elkaar.

Dat is weliswaar niet het enige geloof dat deze nare bijwerking kan hebben. Ook het geloof in het vaderland, in een politieke richting of in om het even welk ander collectief beleefd fenomeen kan onevenwichtige mensen verblinden en dus gevaarlijk maken. Opmerkelijk nu is dat, waar het nationalisme, het fascisme en het communisme reeds als Grote Verhalen definitief ontmaskerd zijn, en afgeschreven als strijdig met het democratisch samenleven, het geloof in een Allerhoogste, dat de drie monotheïstische godsdiensten delen en dat hen alle drie in gelijke mate teistert – al is het sinds 11/9 de Islam die het schrilst in het licht staat – tot nu toe weinig verdenking op zich heeft weten te vestigen.

De moord op de abortusarts in Florida in 1994 door een christenfanaat, de massamoord met een uzi door een joodse fanaat in de moskee in Hebron in datzelfde jaar en nu de moord op Theo van Gogh hebben ten lange leste tot de overweging geleid dat ook het monotheïsme dient te worden ontmaskerd als strijdig met het democratisch samenleven. Ook de Ene Ware God (EWG) zal als Groot Verhaal, als ondemocratische ideologie die onevenwichtige individuen tot zelotisme kan verleiden, moeten worden afgeschreven.

 

Dat zal nog niet meevallen. Want de EWG zit bij de belijders van de drie denominaties vastgebakken aan hun heiligste religieuze gevoelens. Zodanig dat bij heel weinig mensen het verschil tussen hun religieuze gevoelens en hun godsdienstig ‘partijlidmaatschap’ helder is. Terwijl ze toch weinig moeite zullen hebben met het besef dat ze niet met hun godsdienstige belijdenis geboren zijn maar dat ze die vanaf hun jonge jaren met de paplepel ingegoten hebben gekregen. Of – in zeldzame gevallen – als volwassene bewust zijn toegetreden.

Bij velen blijven de religieuze gevoelens opspelen ook al beschouwen ze zichzelf als kerkverlaters of ongelovigen. Ze blijven toch ‘iets’ missen en trachten dat op de ene of de andere manier op te vullen. En dat is helemaal geen raar gedrag, dat is menselijk gedrag. We worden als religieuze wezens geboren. We worden daarentegen niet godsdienstig geboren. Met andere woorden: we moeten wanneer we het over religie hebben, onderscheid maken tussen religieuze gevoelens en godsdienst. Anders praten we hopeloos langs elkaar heen.

 

Nog even over Mohammed B., en dan hou ik verder op over die puber. Ik denk dat de meeste Joden Baruch Goldstein als een gek beschouwen en de meeste Christenen ex-dominee Paul Hill dito. Maar niemand, ook niet-moslims, ook ik niet,  zien in Mohammed B. een gek. Dus wat is hier dan aan de hand?

Ik ga het hier niet hebben over de lastige positie waarin je als allochtone puber zit: tussen twee culturen en je hoort eigenlijk tot geen van beide. Ik ga het ook niet hebben over de gezinssituatie of zo, van Mohammed B. Daarvoor moet je het belangrijke boek van Margalith Kleywegt Onzichtbare ouders(Zutphen, 2005) aanschaffen en lezen. (Doen!). Maar mijn bijdrage hier gaat over Godgelovigheid. Niet alleen over het Islam-geloof. Niet alleen de moslims moeten zich lastige geloofsvragen stellen, zoals Ton Crijnen (Trouw 5 nov.’04) schreef, maar ook de christenen en de joden.

 

EWG-geloof en religieuze gevoelen staan echt los van elkaar. Met religieuze gevoelens worden we geboren. Maar in een EWG-geloof worden we geïndoctrineerd. Met onze religieuze gevoelens is niets mis. Met het EWG-geloof wel. Ik ga ze in deze tekst beide uit de doeken doen. Omdat er ons hele mens-zijn bij komt kijken, doe ik dat ordelijk, in paragraafjes.

 

1. de vrije markt

 

Onszelf lastige geloofsvragen stellen. Dat kunnen wij nu. Hier. In het hele Vrije Westen, maar zeker in ons verregaand geseculariseerde Nederland.

Waarom wij dat kunnen (en vaak niet snappen waarom moslims dat niét kunnen[2]), komt doordat hier de vrije markt heerst, terwijl de moslimlanden dictaturen dan wel schijndemocratieën zijn.

De vrije markt heerst weliswaar nog niet overal, ze is (markt = vr.) wel goed bezig met te globaliseren. Ze heerst ook bij ons nog niet zo lang. Het is eigenlijk pas sinds een jaar of tien dat wij ons hier lastige geloofsvragen beginnen te stellen. Twintig jaar geleden kon je dat eigenlijk nog niet maken. Als je toen een opiniestuk inzond aan een kwaliteitskrant, waarin je een lastige geloofsvraag aan de orde stelde, kreeg je het geheid niet geplaatst: zou nog teveel abonneeverlies opleveren voor de krant. En als je dat een paar eeuwen terug deed, een lastige geloofsvraag stellen, dan werd je uitgestoten, zoals Spinoza, of eindigde je in het rasphuis, zoals de gebroeders Koerbagh.

 

Wat is er zo speciaal aan de vrije markt dat ze ons in de luxe positie heeft gebracht om  lastige geloofsvragen aan de orde te kunnen stellen?

Op de markt is iedereen vrij. Als je maar koopkrachtig bent, ben je welkom bij elke koopvrouw of –man. Op de markt telt geen rang of stand, alleen koopkracht. Koopkracht valt niet echt aan je af te zien, evenmin als je koopbereidheid. En als je een relnicht bent en de koopvrouw/man dat onmiddellijk aan je afziet, dan wordt hij/zij extra welwillend: relnichten zijn vaak rijk en koopziek! Vrijheid-blijheid op de markt.

Overal waar in de geschiedenis de markt vrij was van despotie, bloeide particulier initiatief op, en kunst en wetenschap. Zodra een despoot met zijn trawanten zich met krijgsgeweld (macht) meester maakte van deze kip, hield die op met het leggen van gouden eieren. Dan zakten kunsten en wetenschappen weer in en was het armoe troef voor de mensen.

Ik ga het in deze tekst vaak hebben over macht. Machtcorrumpeert altijd alles en iedereen. Mensen verdragen geen macht, mensen zijn van nature ingesteld op gelijkheid. Waarom er dan toch macht binnengeslopen is in de mensheid, dat ga ik allemaal klip en klaar laten zien. Eerlijk gezegd, eigenlijk gaat de tekst vooral dáár over.

 

Mensen gedijen het best in verhoudingen van gelijkheid. Dan onderhandelen ze met elkaar om tot zaken te komen. Handel is handel: is geven en nemen. Natuurlijk is dat lastig: je moet je kwetsbaar opstellen, afhankelijk van de onvoorspelbaarheid van de ander. Natuurlijk is het verleidelijk om, als je in een machtspositie bent, de ander gewoon te dwingen naar je wens (hem zijn spul gewoon af te pakken zonder hem er iets voor terug te geven bijvoorbeeld). Maar dat kan alleen in een samenleving van machtsongelijkheid. Een samenleving van stilstand en achterlijkheid. Een samenleving dus waarin mensen niet gedijen.

De eerste vrije markten ontstonden in de handelssteden. Die ontstonden waar handelswegen samenkwamen, vaak bij havens – toen er nog weinig wegen waren, verplaatste men goederen en mensen het gemakkelijkst per schip, via min of meer bevaarbare rivieren en langs de kusten. De kooplui stichtten zo’n stad en onderhandelden met elkaar over het bestuur ervan. Als gelijken. Hadden ze geen moeite mee: het spoort met het handelaar-zijn en bovendien met onze menselijke natuur.

Het waren stadstaten. Met een gekozen bestuur. Democratisch gekozen. Er was geen despoot aan te pas gekomen die met zijn trawanten en een bewapende knokploeg  (krijgsmacht, leger) het voor ’t zeggen had (dictatuur) – zoals het tot dan toe lange tijd gebruikelijk was geweest.

In de stadstaten van het oude Griekenland werd het bestuur democratisch gekozen- al moest je daarvoor dan wel vrije burger zijn en geen slaaf of vrouw! Een echte vrije markt was het natuurlijk nog niet.

In een democratie geldt het geven en nemen van de vrije markt – ze horen onverbrekelijk bij elkaar. Daar wordt iedereen beter van. Daar werd ook in de stadstaten van het oude Griekenland (niet) iedereen beter van. Welvaart. Geld voor luxe, voor kunsten, voor wetenschap. Opbloei. Van filosofie zelfs, en van het eerste stellen van lastige geloofsvragen. Al moest zo’n lastpost dan soms wel de gifbeker drinken (Socrates). Nogmaals, een echte vrije markt zoals wij die kennen, was het nog niet.

 

Wij, hier, kunnen ons nú lastige geloofsvragen stellen, zonder lijfsgevaar. Wat is er zo speciaal aan de vrije markt van vandaag dat Tom Crijnen dit nu zonder schichtig om zich heen te kijken kan stellen? Wat is er zo speciaal aan ónze vrije markt, vergeleken bij die van de oude Grieken?

De onze heeft vleugels gekregen. In de zestiger jaren van de vorige eeuw. Toen kreeg namelijk iedereen televisie. En vanaf toen begonnen de kerken aan hun leegloop en werd alles anders.

Televisie is, met zijn bewegende beelden en suggestie van levensechtheid, een bijzonder machtig medium. Het dringt binnen in elke huis- en bovenkamer, elke dag, in ieders vrije tijd. Het presenteert daar een mensbeeld waar iedere kijker zich graag mee identificeert.

Om iemand te zijn of te worden, heeft een mens beelden van anderen nodig om zich mee te identificeren, zo zitten we nou eenmaal in elkaar.

Dat was altijd het pakkie-an van de kerken geweest: het aanreiken van ons zelfbeeld.  Die hadden onveranderlijk een pessimistisch mensbeeld in de aanbieding – ook al deden ze daar soms heel ‘blij’ over.  Dat van een tot niets goeds in staat zijnde zondaar, afhankelijk van Gods genade. Met een pessimistisch zelfbeeld hou je de mensen timide en dus braaf. Disciplinering was de core business van de kerken, daar waren ze in wezen en van oorsprong voor: monotheïsme dateert uit de Late IJzertijd, toen vrijgevochten stammen geïncorporeerd moesten worden in één groot rijk.

 

De kerken hadden het beeld van de zondige en van Gods genade afhankelijke mens in de aanbieding, maar … daar konden de kooplui voor hun reclames drie keer niks mee, met zo’n mensbeeld!

Ten eerste: welk geloof? Kozen ze voor protestant, dan zouden de katholieken zich daar niet mee identificeren en dus niet kopen. Verkleint je markt alleen maar. Hetzelfde gold voor de keuze voor een politieke kleur. Ten tweede: zo’n onvrije, vastende en onthoudende gelovige? Niks, ze moesten een vrije en genotzuchtige consument.

 

Om kort te gaan, de kooplui kozen en kiezen nog steeds bij hun productpresentatie een gelijkschakelend, a-godsdienstig, a-politiek mensbeeld: dat van de vrije, vrolijke, vrouw- en kindvriendelijke, aardige consument. Een mensbeeld waar iedereen zich graag mee identificeert, mede omdat het conform de uniforme menselijke natuur is.

Nou, en vanaf toen (de zestiger jaren) begonnen de kerken leeg te lopen.

 

Nee, niet meteen. De oudere generatie was nog geheel kerkelijk gevormd en hield het bij het oude vertrouwde patroon. Maar ze wensten hun kinderen niet met die oude hel en verdoemenis op te zadelen. De kinderen zelf groeiden op met een heel ander mensbeeld dan hun ouders. Dus die generatie vond dat kerkelijke gedoe niet van deze wereld en deed er niet meer aan. Hún kinderen kregen niks van het oude mensbeeld meer mee. ‘Generatie Nix’.  Het getal van de onkerkelijken groeide en groeide bij elke telling van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Dat van de kerkelijken slonk en slonk. Steeds meer kerkgebouwen werden afgebroken of voor heel iets anders gebruikt. En zo kwam het dat een brave krant als Trouw de opinie van Ton Crijnen plaatste zonder angst voor pijnlijk abonneeverlies.

We zouden kunnen stellen dat een vrije markt pas echt vrij is als de krantenlezers vrij zijn. Ik bedoel: aanspreekbaar voor het stellen van lastige geloofsvragen.

Die situatie was er in de Gouden Eeuw van het Hollandse koopmanschap nog niet, zoals de gebroeders Koerbagh aan den lijve ondervonden. Die vrijheid was er ook niet voor Spinoza, en voor Socrates en vele, vele anderen die op de brandstapel hun kostbare leven verloren. Die vrijheid is er voor de moslims, levend in of afkomstig uit een dictatuur, nog steeds niet. Hier wonend in principe wel, natuurlijk, maar dan zouden ze vrij moeten zijn van de onderlinge sociale controle, van de ‘familie-eer’.

 

Vanaf de zestiger jaren werden steeds meer gelovigen consumenten. Maar ze waren nog steeds mensen. Dus religieuze wezens. Mensen zijn anders dan alle overige dieren. Hoe ze zo anders geworden zijn, dat vertel ik in 15 van de 76 paragrafen. Redelijk toch, voor zo’n Groot Verhaal? Het bestrijkt minstens zes miljoen jaar.

De God (met een hoofdletter) van Mohammed B. is maar één van de (minstens) drie van die kwalijke EWG’s, maar die wordt met 33 paragrafen bedacht. Wel een spannend verhaal, hoor, het lukte Mohammed dankzij wel tien keer juist vallen van het dubbeltje op zijn kant.

Maar laat ik eerst de kwalijkheid van de EWG-ideologie schetsen.

2.  collectivisme

 

Geloven in een EWG of om het even in welk andere Grote Leider (Il Duce, Hitler, Stalin, Mao, noem de Grote Mannen met hun ideologieën maar op) zijn onder te brengen in gemeenschappelijke noemer: het collectivisme.

Collectivisme is het geloof dat het individu ’t beste af is als het deel uitmaakt van een sterk collectief. In een sterk collectief wordt van het individu niet verwacht dat het zelf nadenkt. Nee, het individu moet zich blindelings verliezen in het doel van het collectief en zich opofferen in de strijd van het collectief. De dood in de strijd is het hoogste ideaal van het individu, de ultieme glorie voor het verder zo nietswaardige individu in een collectief.

Waarvoor moet een collectief zo nodig sterk zijn? Waarom is er bij een collectief altijd sprake van een strijd, en van zichzelf opofferen in die strijd?  Omdat een collectief sinds een zeker aantal duizenden jaren – ja, in dat grote verhaal heb ik nog heel wat uit te leggen – bestaat bij de gratie van een overlevingsstrijd tegen concurrerende andere collectieven. Collectivisme houdt sindsdien altijd oorlog in, of op zijn minst weerbaarheid, strijdbaarheid.

Het is een –isme. Het is een ideologie, een geloofssysteem. Het is iets dat er niet zomaar is, maar iets dat gemaakt, gepropageerd wordt. Het is iets dat iemand bedenkt in een bepaalde maatschappelijke context, iets dat gelijkgestemden een goed idee vinden en die binnen die context de middelen en manieren vinden om er een massale aanhang mee te verwerven. De Islam, het idee van de profeet Mohammed, is er een goed voorbeeld van, ik bedoel: van context, van gelijkgestemden en van middelen en manieren met massale aanhang als resultaat.

Het EWG(Enige Ware God)-geloof, zoals het Judaïsme en de Islam, hebben collectivistische kenmerken in de ‘allerhoogste’ mate. Althans in de Grote Boeken ervan, en bij de fanatieke gelovigen erin –  en daar gaat het hier over. Ocharme, de massa der gewóne gelovigen in alle drie de godsdiensten. Dat zijn gewoon mensen, dus religieuze wezens. De massa der gelovigen wil gewoon rust, geen veroveringsoorlog of overlevingsstrijd. Voor hen maakt het op zich weinig uit in welke leer ze toevallig van jongs af geïndoctrineerd zijn (een godsdienst is een leer, een doctrine). Als er antwoord geboden wordt op hun grootste levensvragen en tegemoet gekomen wordt aan hun religieuze neigingen is het hun meestal best.

 

Mensen hebben vanaf de vroegste tijden in (kleine) collectieven geleefd. Daarom beleven we nog steeds emotionerende gebeurtenissen graag als collectief. Met collectief beleven is niks mis, met collectivisme wel. De grote collectivistische stelsels van de recente geschiedenis: fascisme, communisme en monotheïsme, zijn alle drie totalitaire ideologieën.

Onder ideologie verstaan we een bepaald geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving.Totalitair betekent dat de betreffende ideologie nagenoeg volledige controle heeft over het dagelijkse leven van het individu: over hoe het zich kleedt (liefst uniform, ‘klederdracht’), of en zo ja met wie het trouwt, wat het eet en drinkt en hoe het deelneemt aan het geheel van zijn samenleving.

Totalitaire ideologieën kenmerken zich ook door minachting voor het individuele mensenleven. Du bist nichts, dein Volk ist alles! Het is de ideologie waarmee de Rode Khmer van Pol Pot de gruwelen van de Killing Fields aan Dachau en de Goelags hebben toegevoegd. De stapels schedels en kinderbotten in de stupa van Tuol Sleng zijn de zwijgende getuigen. Daar komt ook geen mens onberoerd uit, conform zijn menselijke natuur.

Kenmerkend voor totalitarisme als systeem is dat de staat het machtsapparaat is van een elite[3], met hiërarchische vertakkingen naar de onderste regionen. Omdat macht altijd corrumpeert, is een totalitaire staat altijd corrupt. Een totalitaire staat is namelijk altijd een dictatuur. Een dictator heeft die positie dankzij trawanten; die trawanten moet hij tevreden houden, anders laten ze hem vallen. Als een baksteen. Net zo makkelijk.

Totalitaire ideologieën vereisen dictaturen. De zeggenschap over de samenleving in de totalitaire staat berust in naam bij één persoon, de Leider. In feite moet die Leider doen wat de machtskliek, de elite, wil[4]. Natuurlijk: iemand wordt niet zomaar Leider: hij moet wel kwaliteit hebben, hij moet de beste zijn[5]. Maar als je alleen de Leider afschiet en de machtskliek achter hem buiten schot laat, schiet je weinig op. God is dood. Maar de Kerk leeft voort. Ik bedoel maar.

 

Totalitarisme en dictatuur staan lijnrecht tegenover democratie.

In een democratie wordt het machtsapparaat, de overheid, in vrije verkiezingen volgens partijlijnen gekozen door in principe alle individuen van de samenleving, op voet van gelijkheid. Elk individu van betreffende samenleving heeft een stem die even zwaar weegt als die van welk ander individu van die samenleving ook. Als Balkenende, de minister-president van de democratie waar ik toe behoor, gefotografeerd wordt bij het uitbrengen van zijn stem, heeft die stem niet meer gewicht dan die van de werkster of de klusjesman in zijn huishouden.

Kenmerkend voor een democratie is dat daarin niemand zijn zin krijgt. Ik bedoel: dat niemands belang daarin speciaal gediend wordt. Behalve dat van de echte democraat wiens belang het is dat zijn eigen belang niet speciaal gediend wordt. (Ja, maak het  maar ingewikkeld.)

 

Samenvattend: Allah, de God van Mohammed B,  is zoals Zijn twee oudere EWG-broers Jahweh en de christelijke God, een collectivistische Leidersfiguur. Zich manifesterend, in het door hun devoten (toegewijden, vromen) , zeloten (overijverige devoten),  en de verkopers van het product ‘God’ (imams, dominees, bisschoppen) voorgehouden Heilige Boeken.

Gedrieën vertegenwoordigen ze het monotheïsme, dat als totalitaire ideologie niet spoort met de zich gestaag verbreidende vrije markteconomie,  die alleen kan bloeien in democratie. De vrije markteconomie nu globaliseert, langzaam maar zeker. De kerken blijven echt leeglopen, hoor. Maar natuurlijk stijgt ook de behoefte aan invulling van onze religieuze behoeften: we blijven gewoon mensen.

 

Met de voorstelling van God als een ‘gemaakt’ product hebben massa’s gelovigen nog steeds veel moeite, ik weet het. Omdat hun godsdienst zo nauw samenhangt met  hun religieuze gevoel. Ik hoop daar in deze tekst helderheid in te brengen. Mensen willen zich gelukkig voelen.

Geluk zit in het gevoel dat je van betekenis bent voor de ander. Die ander kan je naaste zijn, maar kan ook het collectief zijn waar je bij wilt horen. Dat zit allemaal diep in ons geworteld. In onze menselijke natuur. Daar heb ik het al een paar keer over gehad.  Maar hoe zit die in elkaar?

 

3. de menselijke natuur

 

Daar heeft de geachte lezer(es) nog geen weldoortimmerd idee van. Omdat onze filosofen dat als onderwerp van studie hebben laten liggen tot nu toe[6]. Onze filosofen bestuderen nog steeds oude filosofen in plaats van hedendaagse wetenschappen als antropologie, ethologie, biologie, psychologie en meer –logieën die licht werpen op onze menselijke natuur. De academische filosofen vallen terug op wat oude filosofen met de natte vinger in de lucht meenden gewaar te worden over de menselijke natuur. Maar die filosofen konden nog niet beschikken over menswetenschappen en leefden in samenlevingen vol oorlogsgeweld en slavernij. De mensheid heeft echter – zoals ons grote verhaal zal laten zien – de langste tijd van haar bestaan in harmonie en binnen gelijkheidsverhoudingen geleefd.

 

Vandaag weten we dat de menselijke natuur een drietrapsraket is. We dragen eigenschappen in ons mee 1. als vorm van leven, 2. als groepsdier, en 3. als mens.

 

De eerste vorm is het egoïstische in je. De eigenschap van het primitieve leven, zoals dat van het allerprimitiefste dierlijke leven: bacteriën, schimmels en zo. Het zelfzuchtige zit in hun genen ingebakken: het zoveel mogelijk energie te onttrekken aan de omgeving om zich in stand te houden en zich voort te planten, in concurrentie met andere levensvormen die uit dezelfde bron putten, inclusief die van de eigen soort.

Het ‘zelfzuchtige’ gen van een bacterie zit voor een beschamend groot deel ook nog in óns genoom ingebakken. Maar om dat ‘zelfzuchtig’ te noemen is wel goed voor de verkoop van Dawkins[7] boek maar moraal hoort bij mensen, niet bij bacteriën. Wanneer de primitieve bacteriën zich toen altruïstisch gedragen zouden hebben, waren we nog steeds bacteriën. Dawkins voorstelling van zaken, als zouden organismen niet meer zijn dan de vehikels van de genen, klopt volgens mij niet, omdat het de organismen zijn die zich aanpassen aan veranderde omstandigheden.

Hoewel … die kunnen dat doordat de celdelingen niet altijd perfect verlopen en er mutaties ontstaan waarvan sommigen gelukkig uitvallen gezien de nieuwe omstandigheden en zo ontstaat dan een nieuwe, aangepaste soort … Kom, laat ik mij nou geen kritiek op een Dawkins aanmeten: die is echt een paar maten te groot voor mij.

Maar deze eerste vorm, de bacteriële oorsprongsvorm, heeft ons met een diepgeworteld, het vege lijf reddend, blindelings reageren behept; het maakt zich van ons meester in panieksituaties. Dat is onze ikke-ikke-natuur. Werkt bij kinderachtigen (‘kort lontje!) actiever dan bij mensen die over zichzelf hebben leren nadenken (zelfreflectie). Opvallend is dat ook veel geldmensen terugwerpt in de ikke-ikke-modus. Ook ik word hebzuchtig als veel geld lonkt. En u ook.

 

Het tweede facet van de menselijke natuur is onze groepsdier-natuur. Groepsdieren zijn levensvormen die in het onttrekken van zoveel mogelijk energie aan de omgeving (ten behoeve van de eigen instandhouding en voortplanting) beter slagen als lid van een groep, van een collectief dus, dan wanneer ze dat in hun eentje zouden moeten doen. Dat betekent dat het individu alle belang heeft bij het zo krachtig mogelijk zijn van de groep (het collectief) waar het deel van uitmaakt. Hetgeen op zijn beurt betekent dat het individu zijn eigenbelang ondergeschikt maakt aan het groepsbelang.

Dit telt met name wanneer de eigen groep (collectief) op leven en dood moet concurreren met groepen (collectieven) die uit dezelfde energiebronnen putten. Het individu moet vooral dan (want zonder oorlogsdreiging kan ieder makkelijker zijn eigen naad naaien) aan eigenbelang ‘inleveren’ ten behoeve van het zo sterk mogelijk zijn van het collectief.

Twee zielen strijden in de borst van het groepsdier: eigenbelang contra groepsbelang. Deze tegenstrijdige gevoelens kanaliseert het groepsdier met cultuur, met ‘normen en waarden’ [8]. Wij kennen dit als de strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, als sociaal contra aso. Het monotheïsme symboliseert dit gevoel als God contra duivel.

 

Het derde facet. Als groepsdier erfden wij naast de ikke-ikke-natuur (1)  de sociale natuur (2). Maar we hebben er een derde laag bovenop gebouwd!

Wij zijn zulke aparte groepsdieren geworden doordat onze mensapenlijke vroegste voorouders hun regenwoud kwijtraakten en moesten zien te overleven in een open savanne-omgeving waar ze eigenlijk niet op gebouwd waren. Daar gaat dadelijk mijn lange verhaal over, dus maak je nog maar niet druk. Omdat de verandering zich heel geleidelijk en dus ongemerkt voltrok, hebben ze zich er even ongemerkt aan aangepast. Het zijn die gedwongen aanpassingen geweest die onze vroegste voorouders (en dus ook ons, als soort) zulke aparte dieren hebben laten worden. Dat begon zes miljoen jaar geleden. Al die onnoemelijk lange tijd, op de laatste tienduizend jaar na, hebben onze voorouders geleefd als VJ’s (Verzamelaars/jagers). Ik ga zo meteen uitleggen wat ik daarmee bedoel. Maar vooraf wil ik benadrukken dat de natuur van een dier is zoals de voorouders van dat dier altijd geleefd hebben. Op die leefwijze zijn de aangeboren gedragingen van het dier ingesteld. Het dier voelt zich gelukkig als het overeenkomstig die aangeboren gedragingen, zijn ‘natuur’, kan leven – en dat geldt onverminderd ook voor het dier ‘mens’.

 

We kunnen dankzij de antropologen (onderzoekers van menselijke gemeenschappen) weten hoe de nog overgebleven VJ-gemeenschapjes leven, die nog een beetje indruk geven van hoe onze voorouders twee miljoen jaar lang geleefd hebben. Twee miljoen jaar? Veel en veel langer. Vanaf hun vroegste oorsprong waren onze vooroudermensen voedselscharrelaars. Wat? mensapen zijn al voedselscharrelaars. Wat? Alle dieren zijn voedselscharrelaars. Maar ik bedoel: vanaf wanneer ga je onze voorouderdieren mensen noemen? Dat doen de paleo’s (paleontologen, antropologen, archeologen, kortom alle wetenschappers wier onderzoeken van belang zijn voor ons ontstaansverhaal noem ik ‘paleo’s’) vanaf de vondst van hun vroegste stenen werktuigen, en die dateren van 2,6 mjg (miljoen jaar geleden) in Afrika. De makers ervan worden als Homo (= mens) habilis aangeduid.

 

Al die Vroege Mensen hebben altijd in kleine groepjes geleefd, van zo’n mens of 25, zeg maar drie hutten. In grote onderlinge harmonie – want dat is het leefbaarst, en ze leefden meestal op het randje van honger, net als alle dieren. Maar vol vertrouwen dat ze die dag wel wat te eten zouden vinden. Ze hadden een economie van ‘net genoeg’. Maar konden vertrouwen op hun kennis en bekwaamheid om waar en wanneer dan ook aan eten te komen. Zo kunnen wij dat vandaag niet meer. Maar zo zijn er een boel dingen die zij nog wel konden en wij niet meer. Hoeft ook niet, want we leven nu in een heel andere economie.

 

Deze scharrel-economie veranderde pas 10.000 jg (jaar geleden). Toen begonnen vrouwen hier en daar, met name in het Midden-Oosten, hun voedsel te telen. De mannen bleven nog een tijdje jagen voor het vlees, maar omdat je voor voedsel telen op één plek moet blijven (aan de grond ‘genageld’ bent), waren de prooidieren zo op en gingen ze de vrouwen maar helpen met grond bewerken en geiten en schapen en runderen telen. Ze werden AGR’s (boeren). Een heel andere economie. Dus een heel andere manier van denken over de wereld en het leven. Niet langer een aanvaardendemanier, zoals ze als VJ’s altijd gehad hadden, maar een controlerende manier van denken. AGR’s telen hun voedsel, ze hebben controle over hun voedselgaring, althans, dat denken ze. En als hun veldje niet meer genoeg oplevert, ligt dat ergens aan: aan betovering door een afgunstige buurman of een vijand. Of aan boze geesten, Of aan henzelf: niet genoeg geofferd aan Moeder Aarde. En dan gaan ze de sjamaan er bij roepen. Die gaat met bezweringen en rook en vuur en gedans en trommelslagen zich in trance werken en contact met de geesten zoeken. Nou ja, de AGR’s staan dus heel anders in het leven dan hun voorouders als VJ’s altijd gestaan hebben.

 

Maar nog steeds zijn er hier en daar volkjes die nog leven als VJ’s. Daar kunnen we van leren hoe onze VJ-voorouders in het leven stonden. Dat is belangrijk, waarom?

Wel onze natuur (onze aangeboren neigingen) verandert niet zo snel. We hebben nog heel veel van de VJ in ons. Als is onze natuur als AGR’s gefrustreerd geraakt, vooral sinds we 5000 jg in grote rijken met slavernij en andere gruwelijke vormen van onderdrukking en collectivisme en godsdienst zijn komen te leven. Maar de VJ in ons komt als een ondergedompelde kurk weer boven tjoepen waar hij maak kan.

 

Ik zei dus dat een groepje niet-conventionele antropologen een speciale studie zijn gaan maken van de weinige nog levende VJ-groepjes. Terwijl de conventionele antropologen zich nog geheel verlaten op de ‘wilde stammen’ zoals de Indianen, doe echter allemaal AGR’s zijn, niet meer vrijelijk hun voedsel kunnen scharrelen, min of meer voedseltelers zijn geworden (horticulturalisten). De eerste van die niet-conventionelen was Hugh Brody.

 

Ik citeer hier de beschrijving van een VJ-familie uit het boek De andere kant van het paradijs van antropoloog Hugh Brody (Atlas, 2004).

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte, die van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Al mag ze dat zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.

Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[9] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen.

Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

 

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn opvallend gezond en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om.

Ik benadruk: ‘nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes’. Want de geachte lezer(-es) is niet van gister, die kent de antropologenverhalen over elkaar gruwelijk beoorlogende primitieve stammen: allesbehalve ‘edele wilden’. Maar: dat zijn ‘tuinbouwers’, geen VJ’s meer! En die zijn niet uit vrije wil geen VJ’s meer, maar door overpopulatie, dus oorlog.

Die schaar ik onder de noemer ‘wilde stammen’. De Bedoeïenen waar Mohammed zijn Eenheidsgeloof voor uitvond, waren ook nog ‘wilde stammen’.

 

Nee, de familiebeschrijving hierboven is kenmerkend voor de zeldzame nog echt een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes zoals de Hadza, de Pygmeeën en de San-Bosjesmannen. En de Inuit nog enigszins. Zo ongeveer hebben onze voorouders 97,5% van de tijd dat ze mensen zijn, geleefd. Dat gedrag zit nog in onze genen ‘ingebakken’, als een aangeboren neiging.

Dat VJ-gedrag is de derde laag van onze menselijke natuur! Gebouwd op onze groepsdiernatuur (2) en op onze ikke-ikke-natuur (1), die hun rol gewoon mee blijven spelen.

 

Dus onze voorouders waren een soort ‘edele wilden’? Jazeker. En omdat zij dat zó lange-lange tijd geweest zijn, zijn wij dat ook!

Nou, weinig van te merken! hoor ik geachte lezer(es) roepen. Mohammed B, Baruch Goldstein en Paul Hill edele wilden?

Ja. Maar wel: gefrustreerde edele wilden. Denk er om dat onze voorouders of de mensen van de familiebeschrijving geen haar beter zijn dan wij. Laat ze geboren worden in een samenleving als de onze en ze zullen zijn zoals wij. Laat Mohammed B, Goldstein en Hill geboren worden in een VJ-samenleving en ze zijn ‘edele wilden’. Het is je samenleving en de economie ervan die je vormt. En het milieu binnen die samenleving. En het gezin binnen dat milieu. Heb je allemaal niet voor kunnen kiezen. Ook niet de heersende economie van je samenleving.

 

Wat onze voorouders betreft vielen samenleving, milieu en gezin nog samen. Ze hebben altijd in heel kleine groepjes, van twee of hooguit drie families, geleefd. Edele wilden. Waarom zijn we dat niet gewoon gebleven?

 

Dat komt door ons succes. Gedurende de lange wintermaanden van de laatste ijstijd hadden de mannen in de winterverblijven – voor de vrouwen ging het dagelijkse werk van voor het eten en de kindjes zorgen en kleren naaien gewoon door – geen flikker te doen en deden om de tijd te doden (naast dansen/zingen en spelletjes en worstelwedstrijden) allemaal slimme uitvindingen. Ze vonden pijl en boog uit en domesticeerden de wolf tot jachthond. Daarmee werd hun jagen tien keer zo effectief! Na afloop van de laatste ijstijd waren de leefgroepen zozeer in aantal gegroeid dat er overlevingsgevechten uitbraken. Van één jacht- en verzamelgebied kan maar één groep leven. Als de vrouwen hun voormoederlijke struiken en planten leeg geoogst door vreemde vrouwen aantreffen, dan worden de mannen er op af gestuurd.

En dan komt ‘natuur 1’ van de edele wilde om de hoek – want die blijft zijn rol gewoon meespelen, al is het nu binnen een collectief. Het nu volgende gruwelverhaal draag ik al heel lang in mijn mensbeschouwing mee.

 

Het gaat om een onderzoeker (of missionaris? toevallige gast? ik moet het al 35 jaar geleden ‘meegekregen’ hebben, ik weet echt niet meer waarvan) bij een indianenclan (misschien de Montaignais-Nascapi, die in het noordoosten van het huidige Québec wonen?). Zulke aardige mensen, je houdt het als westerling niet voor mogelijk. Zo respectvol voor iedereen en voor hun kinderen. De bezoeker kwam er niet over uitverbaasd: veel ‘beter’ dan wij met onze westerse beschaving.

Op zekere dag meldden de mannen dat er vreemden in het noorden van hun gebied gesignaleerd waren en dat ze er dus even heen moesten. Of de bezoeker zin had om mee te gaan. Nou, zeker, graag, hij was er altijd tuk op om wat te leren.

Toen ze het kamp van de vreemden naderden werd het beslopen. Het bleek dat de mannen ervan op jacht waren. Nu werd het kamp overvallen en alle aanwezigen, vrouwen kinderen ouden, meedogenloos afgeslacht. Een meisje kroop in radeloosheid op de versteend toekijkende bezoeker toe, om hulp.

“Ach, wil je haar nog even neuken, witte?” vroeg een behulpzame clangenoot. “Wacht, ik zal ze even voor je vastzetten.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

 

Vanaf toen begreep ik dat wij heel sociaal zijn, maar alleen ten opzichte van mensen die wij als medemensen zien. De ‘indringers’  waren voor die leefgroep geen medemensen. Niet eens mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild dat je heel nodig moest uitroeien. Ik begreep ook dat dit afschuwelijke gedrag hen niet minder sociaal maakte maar dat het van overlevingswaarde was: er kan maar één clan leven van een jachtgebied. Er is voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden. Het is een panieksituatie, waarin de ikke-ikke-natuur (1) de voorrang neemt, maar dan als collectief.  Het verhaal is ook leerzaam als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat in een oorlog sociale jongens tot nietsontziende mensendoders gemaakt kunnen worden en tot de grofste mensenrechtenschendingen kunnen worden aangezet: dan wordt bij heb de sociale natuur uitgeschakeld en wordt alleen op de primitieve delen een beroep gedaan. Uiteraard lukt dat bij de één beter dan bij de ander: we hebben ook allemaal nog ons eigen ‘pakket’.

 

Om de God van Mohammed B uit te leggen moet ik diep gaan, zoals je ziet. Wacht eens, ik zou niet alleen de EWG uitleggen maar eerst en vooral ook het religieuze gevoel waarop het EWG-geloof parasiteert. Om uit te kunnen leggen hoe wij aan dat religieuze gevoel gekomen zijn, ontkom ik niet aan het grote verhaal. Moet ik namelijk uitleggen hoe wij mensen geworden zijn. Ooit waren wij immers apen?

 

Ho-ho! roept een gelovige maar daarom niet minder geachte lezer(es). Dat zeg jij! Maar ik zeg dat we geschapen zijn!

Ja hé! Wie is hier de baas? Ik toch? Dan schrijf jij toch leuk je eigen verhaal over de God van Mohammed B? Als kind geloofde ik dat ook, hoor, dat Adam-en-Eva-verhaal. Maar als puber ga je toch je eigen verstand gebruiken? Nou, het mijne was daar duidelijk in: er wordt niet getoverd in de natuur. Nooit en nergens. Dus ook wij zijn niet op de aarde getoverd maar gewoon gegroeid, net als alle andere dieren. En dan is het alleen nog maar ijverig zoeken en alles lezen om uit te vinden hoe wij zulke bijzondere dieren zijn geworden dat we een God hebben. En wanneer en waar, waarom en door wie die is uitgevonden. Leuk werk bovendien, vind ik tenminste.

 

Wat waren mensen vóór dat ze mensen waren? Apen. En wel: mensapen, het woord zegt het al.

Tweede vraag: waarom zijn we dan niet gewoon mensapen gebléven, zoals de chimpansees? Is toch veel makkelijker? Groeit je eten gewoon aan de bomen en je hoeft het maar te plukken!

Zoals ik al zei: zes miljoen jaar geleden was er het probleem dat het eten voor onze voorouders niet langer aan de bomen groeide. Erger nog: hun voorouderlijke vruchtbomen waren gewoon aan het verdwijnen! Het klimaat was veranderd. Nou, dan moet je wat. Daar begint ons verhaal.

 

 

 

DEEL I  Van aap tot mens

4. hoe onze vroegste voorouders van apen mensen werden

 

Tien mjg (miljoen jaar geleden) waren onze toenmalige voorouders (er is echt geen enkele generatie overgeslagen, hoor, tussen hen en ons) nog gewone regenwoud-mensapen. Zoals deze bonobo’s.

 

Hoe ze er uit zagen? Een soort chimpansees? Dat zeggen ‘rechtse’ paleo’s – paleo’s, zo noem ik alle paleoantropologen, geologen, archeologen, ethologen, taxonomen en alle overige onderzoekers die voor ons verhaal van belang zijn. De conventionele paleo’s trekken graag een stippellijntje tussen de chimpansees en ons. Omdat chimpansees net als wij vechtjasserige macho’s zijn.

Maar ze hebben het mis. Tien mjg waren onze voorouders én die van de chimps nog één soort. En … die zag er volgens primatoloog Frans de Waal uit als de hedendaagse bonobo’s. Dat zijn chimpansee-achtigen die in de regenwouden van Congo leven (voor zover nog niet uitgeroeid door de toestanden daar!) en die zijn helemaal niet vechtjasserig.

Met hún regenwoud is namelijk nooit wat gebeurd. Ook niet in de ergste ijstijden. Omdat het precies op de evenaar ligt, en daar is het altijd heet en nat. De bonobo’s en hun voorouders hebben altijd in een soort paradijs geleefd. Eten genoeg. Daardoor hebben ze de luxe om te leven in grote groepen.

Als chimpansee-achtigen in een grote groep leven, zijn daarin de vrouwen de baas. Dat heeft te maken met het feit dat vrouwen altijd voor kinderen moeten zorgen en mannen alleen voor zichzelf.

Doordat bij de bonobo’s de vrouwen de baas zijn, maken de bonobo’s weinig ruzie. Ze proberen namelijk alle conflicten in eerste instantie te bezweren met seks (de aandacht af te leiden met seks). Make love, not war lijkt hun devies wel te zijn[10].

 

Daarom spreek ik van vobo’s (Voorouder-Bonobo’s), en niet van ‘vochi’s’, zoals de mainstream paleo’s dat zouden doen, áls ze zich al met de reconstructie van ons verhaal zouden bezig houden.

 

Tien mjg leefden de vobo’s (voorouders van de bonobo’s, de mensen en de chimpansees) in de regenwouden van Afrika die toen nog noordwaarts tot aan de Middellandse zeekust reikten. Maar vanaf toen werd het klimaat koeler en droger. Daar kan regenwoud niet tegen, dat moet het hebben van heet en nat.

Waar ónze vobo’s ‘woonden’, in de zg Hoorn van Afrika, waar hun oudste fossielen vandaag gevonden worden, stierf het regenwoud uit en maakte het plaats voor een savanne-omgeving.

Savanne is een heel afwisselend gebied. Grote bossen, langs de oevers van meren en rivieren. Daartussen uitgestrekte grasgebieden[11], met kleine en grote grasetersoorten in soms enorme kudden. De vobo’s ‘woonden’ natuurlijk nog steeds in de bossen. Maar die bevatten niet langer de vruchtbomen waar hun voorouders altijd van geleefd hadden. Voor hun eten moesten ze toch steeds vaker de grasgebieden doorkruisen.

Daar was het voor mensapen echt levensgevaarlijk! Niet vanwege de graseters maar vanwege de roofdieren die van de graseters leefden – en die natuurlijk tuk waren op zo’n lekker malse (en trage!) mensaap.

Hoe hebben onze vobo’s het daar toch weten te redden?

Mensapen kennen een kunstje dat andere dieren niet kennen: ze gooien met van alles als er een roofdier in hun buurt komt. (Daar moeten hun onderzoekers ook altijd voor uitkijken!) In dat gooien werden onze vobo’s natuurlijk ‘professionals’. Je kon immers, als er een sabeltandtijger op je af kwam stormen, niet nog gauw wat gaan zoeken om mee te gooien, het was daar echt gevaarlijk. Misschien waren de hyena’s nog wel het bedreigendst.

Onze vobo’s moeten al vanaf het begin professionele stenengooiers zijn geweest, anders hadden ze het zeker niet gered.

 

Onvermijdelijk was ook taakverdeling tussen de seksen. Vrouwen hebben wel wat belangrijkers te doen dan met die stomme stenen in de weer te zijn: die hebben baby’s en kleintjes en ze moeten voor het eten zorgen. Vrouwen en kinderen verzamelen het voedsel, en de volwassen mannen doen niets anders dan met hun stenen zorgen dat het voedsel verzamelen in veiligheid kan geschieden.

 

Hoe dragen ze dat allemaal mee? Met hun handen natuurlijk.

 

 

Hiernaast een bonobo met de handen vol

 

Voor deze bonobo-man is het een incidenteel gebeuren, dat meedragen met de handen en het lopen op twee benen. Met het regenwoud van de bonobo’s is, nogmaals, nooit wat aan de hand geweest. Maar ook in dat meedragen zijn ónze vobo’s professionals moeten worden.

 

Ach, tijd genoeg. Acht mjg was het begonnen, het veranderen van hun leefomgeving. Zes mjg waren onze vobo’s al zeker tweebenige aapmensen. Twee miljoen (!) jaar de tijd om van generatie op generatie de nodige lichamelijke en geestelijke aanpassingen aan de nieuwe omgeving te ontwikkelen.

Je moet het zo zien. Mensapen trekken – en onze toenmalige voorouders trókken – voor hun voedsel rond in een uitgestrekt regenwoudterritorium. Volgens een seizoenmatig patroon, van overnachtingsplek naar de volgende overnachtingsplek. Voor onze vroegste voorouders kwamen de veranderingen door het klimaat er op neer dat hun dagelijkse trekroutes steeds meer open plekken met gras gingen beslaan. In de opeenvolging der generaties steeds grotere open grasgebieden. Zonder dat dit overigens verandering bracht in hun dagelijkse routine: er moest gewoon elke dag gegeten worden en ze hebben echt geen dag overgeslagen.

 

De studies naar de begintijd, de tijd rond 6 mjg, is volop in beweging, en in andere teksten vertel ik het dan ook met andere details. Maar omdat het aan het geheel van ons verhaal niets verandert, val ik u met die details niet lastig en houd ik het hier bij de grote lijn.

 

Onze vobo’s werden noodgedwongen tweebenig. Ze werden hominiden. Niet langer mensapen maar aapmensen. Dus wordt het tijd dat ik er een nieuwe naam voor verzin, voor die hominide voorouders van ons in die nieuwe omgeving. Want er waren meer mensapensoorten die zich hebben weten aan te passen aan de savanne-omgeving en die ook tot aapmensen werden. Hun fossiele resten worden gerangschikt onder Hominidae (tweebenige mensapen). Oftewel Australopithecinen (hier verder AP’s genoemd). Sommige AP-soorten bleven planteneters en worden, vanwege hun robuuste tanden en kakementen als robustus aangeduid. Onze voorouders worden toch meer vermoed onder de graciele[12] soorten zoals AP-africanus  of –afarensis.

Men vermoedt dat de onze vroegste voorouders rondgelopen hebben in de Hoorn van Afrika (Eritrea, Ethiopië, Kenia), want daar worden de oudste fossielen en andere sporen gevonden. Zuid-Afrikaanse paleo’s claimen Zuid-Afrika als onze bakermat, vanwege hun AP-africanus. Maar Ardipithecus ramidus (‘Kaddaba’, Ethiopië) en Orrorin tugenensis (‘de Millennium Mens’, Kenia),op 6 mjg gedateerd, zijn veel oudere kandidaten. En Tsjaad heeft zich met Toumaï (bijna 7 mjg!) als vroegste kandidaat-bakermat aangemeld.

Helaas hangt er aan een fossiel nooit een labeltje. Het onderbrengen van alle vondsten in soorten is een paleo-vak apart: taxonomie. In de gangbare publicaties over de oorsprong der mensheid vind je de opsommingen. Maar het gaat ons om die ene kleine voorouderpopulatie die onze voorouders geworden zijn. Die zijn pas herkenbaar waar en wanneer hun fossielen vergezeld gaan van menselijk gedrag zoals professioneel vervaardigde stenen werktuigen en/of de snijsporen ervan op botten. Maar die bewijzen verschijnen pas 2.6 mjg. Toch moeten onze voorouders er vanaf 7 mjg tussen gelopen hebben. Noem ik ze dus voap’s(voorouder-AP’s). Oké?

 

5. vellen

 

Er lagen overal vellen te slingeren op de open grasgebieden. Dat kwam door de sabeltandtijgers. Die waren heel goed in het besluipen en met hun sabeltanden de buik openrijten van grote prooidieren als olifantachtigen en andere dikhuiden. Maar als zo’n kolos het loodje had gelegd, aten de sabeltanders alleen de ingewanden, want voor het spiervlees waren hun sabeltanden te kwetsbaar. De rest van het kadaver was voor de hyena’s. Die verslonden met hun machtige kaken zelfs de botten. Maar de taaie vellen waren natuurlijk niet te vreten.

De voap’s waren er dol op. Voor bekwame pulkers die zelfs nietige vlooien uit elkaars haar konden priegelen, zat aan zo’n vel nog van alles eetbaars te snoepen. Ze schraapten er met een steenscherf of schelp de laatste restjes vet en weefsel af. En dan hielden ze er nog een prima draagzak aan over, voor het meedragen van de stenen en het verzamelde voedsel en de baby’s en alles. De vellen waren ook prima schermen tegen zon, wind of regen. Dienden als deken in de kou van de nachten: ’s nachts daalt de temperatuur op de savannen soms wel tot drie graden. Multifunctioneel, die vellen. Ze zijn bijna ons hele verhaal lang de enige rijkdom van onze voorouders geweest. Met name van de dames.

Het omgaan met de vellen is ook belangrijk geweest om de techniek van het maken van steenscherven te ontwikkelen. De dagelijkse voedseltocht leidde vanuit het overnachtingsbos eerst naar een wateroever. Behalve voor een watervoorraad (in een dierenblaas of een kalebas) en het aanvullen van de voorraad werpstenen zochten de vrouwen ook naar steenscherven. Of ze produceerden ze ter plekke door een kei kapot te smijten tegen een grotere kei. Of andersom: een kei verbrijzelen op een aambeeld-kei met een hamer-kei.

 

De geachte lezer(es) wordt – weet ik heus wel – een beetje kregel: hoe kan die man dat nou weten! Was ‘ie er bij soms?

Natuurlijk was daar niemand van ons bij. Te bewijzen valt er bar weinig. Hier wordt alleen maar zo aannemelijk mogelijk gespeculeerd. Weet je wat wetenschapsfilosoof Herman de Regt zegt? “Wetenschap biedt geen zekerheid, maar is de best geïnformeerde gok” (Filosofie Magazine 7/2007).

 

 

 

6. ‘menselijk’ gedrag

 

Onze voorouderpopulatie wordt pas herkenbaar waar en wanneer hun fossielen vergezeld gaan van menselijk gedrag zoals professioneel vervaardigde stenen werktuigen en/of de sporen ervan op fossiele botten (met hun microscoop kunnen de paleo’s die onderscheiden van de krassen van roofdiertanden). Maar de oudste werktuigvondsten dateren van 2.6 mjg (zie afbeelding Kada Gona-werktuigen). Menselijk gedrag! Héé! Hoe zijn die op twee benen lopende, zich met stenen verdedigende savannestruiners dan aan menselijk gedrag gekomen?

Hiernaast de weergave van de stenen werktuigen die door het team van Sileshi Semaw zijn gevonden in de vallei van de Kada Gona-rivier in Ethiopië. Op een slachtplek van o.m. prehistorische olifanten.

Bewijs dat de voap’s met hun stenen werktuigen een voedselbron veroverd hadden waar andere aaseters als leeuwen en hyena’s het nakijken bij hadden (er zijn in die contreien nog 14 andere van die slachtplekken blootgelegd).

 Een olifantshuid is zo sterk als een autoband. Hun concurrenten moesten een dag of twee geduld hebben tot zo’n karkas door inwendige gasvorming openbarst. De voap’s konden met hun messen meteen aan de slag!

 

Ik zou ook foto’s kunnen laten zien van paleo’s die met zulke ‘messen’ een dode olifant aan het slachten zijn, bij wijze van leerzaam experiment. Ging prima!

De afgebeelde  ‘messen’ zijn gedateerd op 2.6 mjg

 

Menselijk gedrag. Deze werktuigen worden toegeschreven aan Ap garhi Geen enkele andere AP-soort is tot nu toe getraceerd, aan welke dit gedrag kan worden toegeschreven. De ap garhi- hominiden moeten echt onze voorouders geweest zijn.[13]

Ze zagen er toen nog bepaald mensaap-achtig uit, met kleine hersenpannen. Nog te veel geleerden menen dat ze daar intelligentie aan af kunnen meten. Dus hebben ze een lage dunk van de Vroege Mensen. Volgens mij valt intelligentie, en met name opeenstapeling van intelligentie, beter af te meten aan gedrag en werktuigen zoals de afgebeelde.

 

Wat heeft de ap garhi zo anders doen worden dan de overige AP’s? Dan alle overige dieren? Ze hadden namen voor de dingen.

Wat zeg je dáár nou?!

Ik zeg: namen voor de dingen. Ik keer nu weer terug naar zes mjg. De vroegste voap’s. Tweebenig op voedseltocht op open graslanden. In hechte groepjes. Met taakverdeling: de vrouwen en de kinderen verzamelen het voedsel terwijl de volwassen mannen niets anders doen dan met hun stenen paraat zorgen voor veiligheid.

Een heel wat complexere voedselgaring dan in het voorouderlijke regenwoud waar het eten gewoon aan de bomen groeit. De voap-dames moesten veel meer weten: ze moesten weten wáár, wannéér wát verkrijgbaar was. En die meerdere kennis moesten ze ook zien over te dragen op hun dochters.

De voorouderlijke mensapencommunicatie, een combinatie van gebaren en lichaamshoudingen en grimassen en kreten, prima voor een regenwoudbestaan, was in de totaal nieuwe leefomgeving niet meer toereikend!

De voapgroep die als eerste zou slagen om hun communicatiemogelijkheden uit te breiden, zouden onze voorouders worden … ten koste van de overige.

En jawel, hoor. In één voapgroep begon één voap-meisje de gewoonte aan de dag te leggen om met haar handen uit te beelden wat ze bedoelde: een bepaalde plant, een bepaalde plek waar die te vinden was, een bepaalde handeling, een bepaald dier, noem het maar op. Ik denk dat het begon als een meidenspelletje: toen één meisje per se aan haar vriendinnen wou uitleggen waar ze op dat moment aan dacht (bijvoorbeeld aan de lekkere bessen waar ze die dag op de voedseltocht in die richting vast en zeker langs zouden gaan. Gewoon een stom meidenspelletje. Maar daarmee werd er wel iets heel nieuws geboren in de culturele evolutie van die aapmensenpopulatie. Nieuw in de hele dierenwereld: een dier dat het met een mededier kon hebben over iets wat ern niet was, althans niet ter plekke waarneembaar.

En dat was het begin.

Want haar vriendinnen begrepen wat ze bedoelde, vonden het grappig, en wel handig ook, eigenlijk, en ze gingen het ook doen, en steeds meer vrouwen.

En zo ontstonden er meer van die handige aanduidingen.

De jonge meiden namen die eigenaardige gewoonte mee als verkasten naar een bevriende groep voor hun partner. Zo verbreidde die ‘handige’ gewoonte zich over de hele stam. Dat waren onze voorouders! Zij, en geen enkele andere populatie elders in Afrika of op Aarde.

 

7. namen voor de dingen

 

Een terloops ontstaan ‘cultuurtje’. In één groep begonnen. Die groep had kunnen verongelukken. Waren we er dan niet geweest?

Nou, ik denk niet dat het ook niét had kunnen gebeuren. Waar iets kán, gebeurt het ook, vroeg of laat.

Nogmaals, hiermee was iets totaal nieuws ontstaan in de natuur. Die gebaren-nabootsingen waren symbolen, waren namen voor de bedoelde dingen! Dat heeft geen enkele andere soort …

Oké, helemaal nieuw was het niet. Bekend is dat vervet-aapjes aparte waarschuwingskreten hebben voor verschillende soorten predators. Chimpansees hebben zelfs een aparte voedselkreet voor ‘vlees’, een andere dus dan die voor vruchten. Maar kunnen we dat namen voor dingen noemen? Nee. Want dat zijn niet meer dan met hun stem geproduceerde reacties op het gewaarworden van die dingen.

De stemgeluiden van normale dieren (en devoap’s waren nog steeds normale dieren)  worden hersenkundig aangestuurd vanuit het limbische systeem, een primitief gedeelte binnenin het zoogdierbrein. Daar zetelt vooral ons gevoelsleven. Vandaar dat mensapen onwillekeurig een voedselkreet slaken bij het zien van iets lekkers. Hetzelfde overkomt ook ons nog steeds bij onverwachte schrik of pijn of woede.

Bewuste handelingen, zoals een boom in klimmen om te eten of een overnachtingsnest te vlechten boven in de kruin, of een gebaar maken naar een mededier, het gooien met een steen, worden aangestuurd vanuit de hersenschors, de neocortex (het ‘modernste’ gedeelte van het zoogdierbrein), waar het denken van een dier zetelt. (Als een leeuwin of een poes niet kan denken, kan ze ook niet jagen.)

Dieren hebben – en dus ook onze voap’s hadden – geen bewuste controle over hun stem.

Dus moet ons bijzondere taalvermogen van namen voor de dingen met gebarentaal begonnen zijn. Natuurlijk gebruikten ze daarbij niet alleen hun handen (met die tien handige vingers) maar ook mimiek en andere lichaamstaal. En geluiden. Niet zozeer kreten, als wel klak! en prt! en blaas!- en grom!geluiden. Ze gebruikten er hun hele hebben en houden bij. Vooral als het emotioneel werd- en dat werd het al gauw. Bonobo’s reageren overal op, en dat zullen onze voap’s zeker ook gedaan hebben.

 

8. talige wezens

 

Onze voap’s waren nog mensapen, zij het tweebenige. Ons taalvermogen is dus begonnen als gebarentaal. Daar ga ik verderop meer over zeggen. Eerst iets belangrijkers: wat is nu het bijzondere van het gaan beschikken over namen voor de dingen door onze voap’s? Zo bijzonder dat het onze voorouders mentaal uit de dierenwereld heeft doen migreren?

Zes dingen. Leer die maar van buiten als je voortaan paraat wilt hebben wat ons van dieren tot mensen heeft gemaakt.

 

1. Een naam voor een ding ís niet het ding. Er gaapt een onoverbrugbaar gat tussen het ding en de naam (symbool, woord) ervan/voor. Wou ik even op wijzen. Maar waar het nu om gaat is:

er is hiermee een mentale (geestelijke) afstand  tussen de ‘benoemer’ en het ‘benoemde ding’ ontstaan. Door steeds meer dingen van hun omgeving een naam te geven, kwam er ‘licht’ tussen de voap’s en hun (benoemde) omgeving. Althans mentaal (geestelijk), nogmaals. Ze kwamen gevoelsmatig een beetje ‘los’ van hun omgeving, terwijl de overige dieren daar willoos onderdeel van bleven uitmaken.

Er kwam afstand tussen subject (de benoemer) en object (het benoemde ding). De voap’s konden voortaan de dingen objectiveren. Ze kwamen er ‘afstandelijk tegenover te staan’, kun je ook zeggen.

2. Met een naam ‘grijp’ je ahw het ding. Je kunt een naam zien als een handvatje aan het ding, waarmee je er ‘vat’ op krijgt’. Je kunt het er mee beetpakken en het overreiken aan de ander, die het ‘vatten’, be-‘grijpen’ kan. Daarmee krijgt die het (als denkbeeld) ook in zijn brein.

Onze voap’s zijn het pad opgegaan van het gaan ‘begrijpen’ van de dingen. Dat pad leidde hen de dierenwereld uit, leidde hen uiteindelijk naar ons, naar het mens-zijn. Op dat pad bevinden we ons nog steeds, en er is geen terug naar het niet-begrijpen. We kunnen alleen maar verder op dat pad, naar het steeds beter begrijpen van de dingen.

3. Met een naam voor de sabeltandtijger kregen de voap’s  ‘vat’ op dat gevreesde dier. Ze kregen er ‘grip’ op. Dat verminderde hun instinctieve angst voor het monster een beetje. Ze bleven ervoor op hun hoede, natuurlijk, maar de blinde paniek ging er af. Het gekke is: het leek een beetje op hun kunnen gooien met stenen. Wij zeggen ook nog wel eens: ik doe er een gooi naar.

Mensen die te horen krijgen dat ze kanker hebben, voelen ondanks de klap toch ook iets van opluchting; ze voelden al lang dat er iets heel fout was in hun lichaam en waren bang. De vaststelling van de ziekte gaf het toch een gevoel van ‘grip’: het had een naam, en dat kan het begin van de genezing zijn.

Dat ‘vat’ krijgen op iets of iemand is ook een aantasting. Bij primitieve stammen mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, je moet de persoon  omschrijven. Iemand bij zijn naam noemen wordt gevoeld als aantasting van de integriteit van de persoon. De Joden mogen hun God nog steeds niet bij zijn naam noemen.

Iemand afbeelden heeft hetzelfde gevoelsmatige effect. Ik ben portrettekenaar en ken nog het gevoel van triomf toen ik , omstoeid door mijn mede-priesterstudenten, de gevreesde pater rector portretteerde: ik had hem een beetje in mijn macht.  De moslims moeten het niet wagen om Mohammed af te beelden, of zelfs enig mens of dier. Afbeelden mag niet, punt uit.

Met de naam voor de dingen kregen de voap’s gevoelsmatig macht over de dingen. Dat heeft er toe geleid dat ze (ik schat zo’n 3 mjg) het vuur zijn gaan gebruiken in plaats van er, zoals hun mededieren, in paniek voor op de loop te blijven gaan. Maar ook dat heel belangrijke moment komt verderop aan de orde. Eerst deze opsomming af maken.

4. Met namen voor de dingen konden de voap’s voortaan kennis, door de ene generatie opgedaan, overbrengen op de volgende. Kennis kon zich bij hen gaan opstapelen.

5. Met namen voor de dingen konden de voap’s ieders individuele scherpzinnigheid op één hoop gooien. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan. De voap’s konden brainstormen. Dat is de kracht van het mens-zijn. De kracht van de democratie ook, itt dictatuur die altijd tot achterlijkheid leidt en het vroeg of laat af moet leggen tegen democratie.

6. Met hun namen voor de dingen konden de voap’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken werden ze van bange troepjes aapmensen de hooligans van de savanne.

 

Ik heb twee dingen voor me uit geschoven. Ons taalvermogen als gebarentaal. En de spectaculaire  gevolgen van het vuur-gebruik (spectaculairder dan dat het hun macht over hun mededieren verschafte).

 

Gebarentaal. Nou ja, taal? Proto-taal. Het heeft in de eerste miljoenen jaren (van 5 tot 3 mjg bedoel ik) vermoedelijk het proto-gebarentaaltje van de Washoe-familie in Ellensburg (Washington State) in het CHCI[14] van de plaatselijke universiteit, niet veel overstegen. Dat nu werd anders met het vuur, waarover zo dadelijk. Wat ik nu wil benadrukken dat die taal-experimenten met chimpansees ons geleerd hebben dat  taal-elementen zoals medeklinkers vanaf het begin, toen de klinkers (stem) nog niet inzetbaar waren bij het vormen van namen voor de dingen, wél inzetbaar waren.

Als bonobo-achtige mensapen waren de voap’s al zeer communicatieve dieren, en ten zeerste geneigd om bij hun communiceren hun stem volop te laten meedoen. Chimpansees daarentegen zijn in rust weinig luidruchtig. Onderzoekers kunnen, op zoek naar hun studie-objecten, onder een boom vol foeragerende chimps door lopen zonder hen te horen of te zien. Maar bij bonobo’s is zo’n situatie ondenkbaar; al van verre is hun onophoudelijke communicatie, klinkend als van keffende hondjes, hoorbaar.

Hun stem heeft vanaf het begin meegedaan, weliswaar nog niet betekenis dragend maar als emotionele begeleiding. De k- en ch-klanken, de p- en f-klanken, de m- en ng-klanken die ze wél bewust konden maken (zijnde spiergevormd),  zijn vermoedelijk al wél vanaf het begin als betekenis dragend ingezet. Een ‘hard’ bewijs leveren de klik!-talen van de Koi-San in Zuidelijk Afrika,. De San behoren tot de oudste nog overlevende volkjes van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die nog rechtstreekse nakomelingen zijn van de gebarentalige Vroege Mensen aldaar.

Gebarentaal is vandaag doventaal. Het is echt taal –  linguïsten hebben nog steeds moeite om daar rekening mee te houden. Doven kunnen een beetje leren praten door de spierbewegingen van gelaat en lippen van sprekenden te leren  ‘lezen’, en na te bootsen – want ze beschikken over hun stem tenslotte. Maar de Vroege Mensen (de Neanderthalers behoorden daar nog steeds toe) waren niet doof en niet blind of zo; ze hadden alleen nog te weinig controle over hun stem. Dus die bleef een ondergeschikte rol spelen bij hun gebarencommunicatie.

Die controle brak zo’n 100.000 jg wél door bij de AMM’s. Daardoor werden zij de Anatomisch Moderne Mensen (conventionele paleo’s spreken van H. sapiens). Zij zouden de Vroege Mensen tot uitsterven brengen; maar dat is pas zo laat in mijn verhaal dat ik die ontwikkeling nog mijlenver voor me uit schuif. Bij de AMM’s is de gebarentaal gedegradeerd tot een ondersteunend element bij het spreken. Maar gebarentaal zit zo diep in onze talige communicatie ingebakken dat we er nog steeds moeilijk buiten kunnen – vooral wanneer onze communicatie emotie-geladen is. Hoe emotioneler we zijn, des te breder onze gebaren. Onze woorden komen ook beter ‘los’ als we er gebaren bij mogen maken, en de gebaren zie je ook een fractie eerder dan je de woorden hoort, let maar eens op.

 

Zo’n 3 mjg zijn de voap’s het vuur gaan gebruiken. Geen enkele paleo die daar aan wil, aan zo’n vroege datering voor het vuurgebruik. Dat komt vooral doordat ze een bijzonder lage dunk hebben van de menselijkheid van de Vroege mensen. Zelfs de Neanderthalers (NT’s) werden door hen nog lang als uiterst stompzinnige oermensen aangezien. Speren? Welnee, de NT’s hadden hooguit ‘sondes’: aangepunte stokken om daar mee in de sneeuwlaag te prikken naar door de sneeuw begraven karkassen van mammoeten; stuitte een NT op iets dan rook hij aan de punt; rook hij vlees dan begonnen ze huilend het karkas op te graven en was er honk-honk-honk feest. Jaja. Totdat er in Schöningen echte professionele speren werden opgedolven, van 350.000 jg. Dus van de verre voorouders van de NT’s! Nooit meer iets over die ‘sneeuwsondes’ gehoord.

Vuur? De conventionele paleo’s erkenden alleen vuurgebruik wanneer in de archeologie echte haarden werden blootgelegd. Dus hooguit 40.000 jg. OK, archeologische vondsten noopten hen om het tijdstip te vervroegen naar 300.000 jg. En toen in Israël werd  in een grot een kennelijke stookplaats  gevonden, naar 400.000 jg. Toen in Koobi Fora, waar het oudste H.erectus-skelet van 1.5 mjg  is opgedolven, ook sporen van verbrande aarde werden aangetroffen, werden deze laatste afgedaan als gevolgen van bliksem of zo. Zelfs een overigens heel gezaghebbende paleo als Richard Wrangham, die aantoonde dat het slanke kakement en de grotere hersenen van dat skelet alleen een  gevolg kunnen zijn van het kunnen koken en braden, vindt nog steeds weinig geloof.

Hoe durf ik dan terug  te gaan tot 3 mjg?

Wel, ik ben geen paleo en niet conventioneel, ik gebruik gewoon behalve de beschikbare informatie mijn redeneervermogen en hoef geen reputatieschade te vrezen. Lekker makkelijk wel: fools jump in where angels fear to tread. Ik begin met te wijzen op het vuurgebruik van de Pygmeeën van het Afrikaanse Ituriwoud.

Evenmin als de Pygmeeën van de Andamanen (India) kunnen zij zelf vuur maken. Hoeven ze ook nooit. Elke vrouw draagt onderweg een kooltje vuur mee, en zodra ze ergens een rustpauze nemen, maken ze eerst een vuurtje.  Ook in die tropische klimaten kunnen ze nooit zonder vuur en zitten ze nooit zonder vuur. Welnu, wat dacht je terug te kunnen vinden van zo’n vuurtje na een paar maanden? Een speurder misschien zou nog iets kunnen traceren. Maar na een jaar? Echt geen spoor meer. Laat staan na 1000 jaar. Laat helemaal staan van de vuurtjes van de Vroege Mensen. Dus gebruik je redeneervermogen.

 

9.  vuur

 

Belangrijker vind ik mijn taligheidsargument. Maar dat schuif ik nogmaals een stukje voor me uit,  eerst verzin ik een just-so-story over het eerste aangelegde vuurtje. Dat moet ook weer door een vrouw gedaan zijn want het had met eten te maken. Maar nu een oudere vrouw, een oma.

Het hoeft van mij niet eens de alfavrouw geweest te zijn.

De voap’s hadden al lang hun instinctieve angst voor het vuur verloren: ze hadden er immers een naam voor. In de droge tijd breken er in de savanne vaak natuurlijke branden uit. Voor veel savannedieren is dat weliswaar beangstigend, maar ook aanlokkelijk. Roofdieren en gieren gaan er op af om, zodra het gedoofd is, de geroosterde karkasjes van gedierte dat zich niet uit de voeten had kunnen maken, te verorberen. Zelfs antilopen komen op een gedoofde brand af, om te likken aan de zoutige as. Ook voor de voap’s, nog steeds aaseters als ze waren, was rook aan de horizon een teken om er zo snel mogelijk heen te gaan. Niet alleen vanwege geroosterde karkassen: daar waren ze natuurlijk te laat voor. Maar omdat ze wisten dat knollen die in rauwe toestand oneetbaar zijn (denk aan onze aardappel) dat in geroosterde toestand wél zijn, en zelfs heel lekker (denk aan onze frites). Als kind had oma al met de andere kinderen lopen spelen met nog half smeulende takken. Maar vandaag, nu ze weer bij zo’n nagenoeg gedoofde brand vertoefden, volvoerde ze het plannetje waar ze al heel lang op had lopen broeden. Ze sleepte een nog smeulende tak naar een veilige plek, voedde het met droog materiaal, blies het aan  tot de vlammen opflakkerden. Terwijl de andere voap’s schreeuwend van ontzetting van een afstandje toekeken,  nam ze een uitgegraven oneetbare knol, stak die aan haar graafstok, roosterde de knol langdurig. Het gekrijs van de anderen was opgehouden. In de doodse stilte proefde ze nu van de geroosterde knol. Ze kwam moeizaam overeind en liep er mee naar haar kleindochter.  Die proefde ook – en die zou nooit vergeten wat haar oma die dag had gepresteerd.

Einde verhaaltje. Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur, ik ben daar gek. Maar zoiets moet ooit een keer voor het eerst gedaan zijn.

Het gaat mij om de spectaculaire gevolgen van het vuurgebruik.

oude chimpansee-overnachtingsnesten, hoog in de kruinen

 

Vóór het moment van het eerste aangelegde vuurtje moesten devoap’s nog steeds voor een veilige overnachting tegen het vallen van de kortdurende schemer in de bomen klimmen en hun overnachtings-nest vlechten. Ze namen vermoedelijk wel hun vellen mee, om daar lekker zacht op te liggen, en  nog een vel om zich toe te dekken, want ook in de tropen wordt het koud ’s nachts. Wat hun gebaren-communicatie betreft: dat werkt in ’t donker natuurlijk niet. Die bleef dus beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen ervan na aankomst op de overnachtingsplek. Proto-taal dus.

 

Maar hoe anders werd hun leven na dit vuur-moment, nu ze voortaan de nachten op de grond konden doorbrengen, rond een kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren en uren werden aan hun dagen toegevoegd. Uren die zich nergens anders voor leenden dan voor communicatie.

Wat communiceerden ze dan?

 

Natuurlijk iets dat hun gedachten erg bezighield. Bijvoorbeeld (en ja hoor, hier komt alweer een eigen verhaal) de beangstigende ontmoeting met een buffel die middag.

De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, met hun stenen in de aanslag. De vrouwen en kinderen waren een boom in gevlucht. De buffel had geaarzeld: de VOBO’s waren berucht. Als je ze te na kwam, kreeg je ze een hagelbui van pijnlijke keien naar je kop. Na een paar keer schrapen met zijn hoef had de buffel zich omgekeerd en was weggehold.

Die avond dacht een vrouw terug aan die angstige ogenblikken. Ze sprong op en imiteerde de buffel. De overige vrouwen krijsten. Een man sprong op en imiteerde de angstaanjagende buffel, schrapend met zijn [hoef]. Nog harder gekrijs. De overige mannen sprongen op en vormden een ‘muurtje’. En de [buffel] maakte dat hij weg kwam!

Opgelucht gekrijs. De rust keerde weer. Maar het was zo’n prachtige en opwindende opvoering geweest, dus ze deden hem nog een keer, en nog een keer. Totdat ieder zich in zijn vel draaide en ging meuren. De volgende avonden deden ze weer de [buffel], tot deze performance plaats moest maken voor een nieuwe gebeurtenis. Maar er ging voortaan geen avond meer voorbij zonder een ‘performance’.

 

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. En nou komt het. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces. Ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaanster heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Wanneer de aanzet van een woordgebaar al begrepen wordt binnen de context maakt je het hele gebaar niet af. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.

 

Na het trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij] – en vergeet niet de lip- en klik!-geluiden die ze erbij gebruikten –  ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de voap’s zich nu veel sneller tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen.

Onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de voap’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de VOAP-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al vanaf het begin deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik. Taal is een puur sociaal verschijnsel, niemand is er de baas over. Taalgebruik werkt alleen als iedereen zich aan ontstane regeltjes houdt. En hoe die ontstaan?

Hoe ontstaat sms-taal? Hoe ontstaat mode? Hoe ontstaan rages? Gewoon: zomaar.

 

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam en luidruchtige stemgeluiden. Gebarentaal is nog steeds heel erg lichaamstaal. Trouwens, gesproken taal weinig minder. Let maar eens op hoe je zelf met je naasten communiceert.

De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. Vooral bij een emotie-geladen performance leek dat steeds meer op dansen.Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaal-hypothese, zou ik zeggen. Zoals de begeleidende langgerekte stemgeluiden moeilijk anders dan als gezang kunnen worden aangemerkt. Let echter wel: het dansen/zingen heeft pas echt goed vorm gekregen door het avond aan avond tot uitdrukking brengen van het Scheppingsverhaal van hun (woorden)wereld dat dadelijk ter sprake komt.

 

De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging. Want bedenk: voor de dieren die we oorspronkelijk waren, was deze vorm van communicatie nog heel nieuw en gebrekkig – terwijl we er toch steeds meer in gingen denken. Terwijl hun dierlijke lichaamstaal onmiddellijk z’n werk deed, behoefde de ondierlijke communicatie met namen voor de dingen voortdurende herhaling en bevestiging.

 

10. oer- en oerconservatief

 

Namen voor de dingen. Het gevoel van afstand, van macht, heeft hen, als enige van alle soorten die de natuur kent, de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Het heeft gemaakt dat zij, begonnen als een volstrekt onaanzienlijk ondersoortje chimpansee-achtigen, als voap’s en met hun vuur dé dominante zoogdiersoort van de Aarde zouden worden.

 

Eerst een nieuwe naam verzinnen voor de voap’s, die er door het kunnen koken en braden echt wel anders uit waren gaan zien dan hun aapmensen-voorouders. Ze waren groter van gestalte (hun dieet was rijker en voedzamer), hun kakementen waren minder fors (ze hoefden niet meer zwaar te kauwen) en ze kregen grotere koppen (alle paleo’s hebben het alsmaar over die grotere hersenen, en denken dan: meer intelligentie; ik zelf denk eerder aan meer sociaal gedrag: hogere groepsdieren zoals dolfijnen en olifanten hebben ook grotere hersenen en zijn socialer dan bijvoorbeeld katten of tijgers.) Vanaf nu praten paleo’s over Homo erectus, H. heidelbergensis tot en met H. neanderthalensis. Voor mijn verhaal zijn die taxonomische onderscheidingenminder interessant dus ik noem ze gewoon Vroege Mensen. Ter onderscheiding van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s)  die vanaf 100.000 jg van zich doen spreken en waar u en ik en alle mensen vandaag toe behoren.

 

Er zat  ook een nare kant aan de overgang op het benoemen van de dingen, aan het overgaan van het instinct-gedreven handelen naar het handelen als resultaat van gezamenlijk (of inwendig) overleg. Daarmee wordt de voorouderlijke instinctzekerheid aangetast. Je kunt  geen twee kapiteins op het schip van je besluitname hebben.

 

Laat ik het anders formuleren. Zolang  de leefomgeving van een dier in de toestand blijft  waarop zijn instincten in zijn specifieke evolutie zijn afgesteld, kent een dier geen onzekerheid. Maar de voap’s konden dat instinct-gedreven handelen steeds minder gebruiken omdat dit botste met het met elkaar overleggen over wat te doen.

Nou én? zou je zeggen, liever kwijt dan rijk toch, dat dierlijke instinct? Ja, maar  hun begrijpen van de dingen was nog uiterst gebrekkig. De meeste dingen begrepen ze nog totaal niet. Het was met niks begonnen en het stelde aanvankelijk weinig voor. Maar even goed moesten ze in overlegsituaties hun instinctieve reacties  onderdrukken.

Zo dreigden ze steeds meer  ten prooi te raken aan een ‘existentiële’ onzekerheid. Aan getob: over de aarde die laatst zo boos was geweest en zo geschud had dat het hun hoofdvrouw het leven had gekost: dat die zo weer boos zou kunnen worden. Over de Lemagrut die weer boos dreigde te worden en misschien weer gloeiende aarde zou gaan braken en hete en verstikkende as over alles zou gaan uitblazen[15].  Of dat de prooidieren van wie hun overleving afhankelijk was, niet zouden komen opdagen dit jaar. Verzin het maar.

 

We hebben namen gekregen voor steeds meer dingen, bijvoorbeeld voor de eindigheid van de dingen, inclusief onze naasten en onszelf. Namen voor de dood. Daar konden we over gaan tobben. Dat doen normale dieren nooit.  Een tor die in je wastafel is gevallen, tobt niet maar blijft proberen tegen de gladde steilte omhoog te komen … tot welk einde dan ook daar is. Een hond die aan een boom is achtergelaten, is best wel ongerust maar tobt niet; hij blijft blaffen tot welk einde dan ook daar is. Natuurlijk kunnen ook andere hogere dieren depressief raken, bijvoorbeeld door het concrete verlies van kind of moeder of lief baasje– maar  niet door een idee. Olifanten bezoeken jarenlang op gezette tijden het geraamte van een gestorven dierbare; maar dat is een geraamte, geen idee. Of toch ook? Hoe dan ook, ze hebben er geen namen (woorden) bij.

 

Er wordt beweerd[16] dat het de angst voor de dood is die de oorsprong is van religie. Maar voor de oorsprong van religie heb ik, denk ik, een betere verklaring: religie spruit voort uit onze taligheid, en ik krijg het er nog uitvoerig over. Maar afgezien daarvan: dan zou je mogen veronderstellen dat, hoe primitiever een volkje is, des te meer angst voor de dood. Maar nee hoor. Het meest primitieve volkje (ik bedoel: het dichts bij hoe onze vroege voorouders miljoenen jaren geleefd hebben) zijn o.m. de Hadza (Congo). Die tobben helemaal niet over de dood. Terwijl ze toch religieus zijn.

 

Uit dat talig beleven van de wereld en het leven is het instinct-gedreven handelen, dus de instinctzekerheid, weggedrongen. Het zat in de weg, er was een modernere kapitein aan boord gekomen op het schip van ons denken die de gedragingen vanuit onderling overleg stuurde – de instincten werden naar het vooronder verdreven.

Dat heeft ons tot ‘tobbende apen’ doen worden.

 

Met onzekerheid valt niet te leven, dus de Vroege Mensen hebben van meet af aan mechanismen ontwikkeld ter bezwering ervan. Die zijn tweeërlei: herhalen en geloven.

 

Herhalen: De dingen precies doen zoals ze altijd al door hun voorouders gedaan werden: traditie, gewoonte. De Vroege Mensen waren oer- en oerconservatief. Hoe vroeger terug in de tijd, des te conservatiever ons voorgeslacht. De paleo’s raken niet uitverbaasd over de vuistbijl: anderhalf miljoen jaar hetzelfde ontwerp! Mijn verklaring is dus:  de aanvankelijk extreme onzekerheid, dus aanvankelijk extreme behoudzucht. Geen millimeter durven afwijken van hoe de voorouders de dingen altijd gedaan hadden. Een verklaring temeer is dat de vuistbijl vooral een vrouwenwerktuig was, en voor vrouwen hoeven dingen die werken sowieso niet te veranderen.

Een andere vorm van herhalen: wanneer iemand rond het kampvuur een talige bedenking voordanste, werd die door de anderen eindeloos en met veel emotie herhaald. Elke avond dezelfde dansen, en daar geen millimeter van afwijken. Zingen mag hier ook bij genoemd worden. Zingen in het donker maakt je minder bang, of is in elk geval een beetje rustgevend: het is oergedrag, de Vroege Mensen, en de pristiene AMM’s, zongen bij alles en vooral bij het lopen en doen. Nog steeds loopt het lekkerder bij de Vierdaagse als we er bij zingen.

Onder herhalen valt ook: repeterende bewegingen. Die maken ook nog eens rustgevende endorfines vrij. Daarbij denk ik onmiddellijk aan die ene olifant Burgers Zoo die ik eindeloos zijn voorpoten zag kruisen, met op en neer zwaaiende kop en slurf. Ritme bij het dansen/zingen. Daardoor is lopen ook rustgevend. Joggen is voor joggers echt geen straf. Als je opgewonden bent, ga je ‘ijsberen’ om tot rust te komen.

 

Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag wilt dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloven in de werkzaamheid van bepaalde uitingen of handelingen of voorwerpen: magie.

Wanneer de ene mens de baas gaat spelen over de andere, of de ene groep over de andere – maar daar is 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geen sprake van geweest – komt hier het bastion van heiligverklaring bij. Heilig is: mag je niet aankomen of aan twijfelen. De heiligverklaring is het bastion voor de onaantastbaarheid van het geloofde.

Waar je niet weet, vul je het vreeswekkende gat op met geloof. Daar is helemaal niks mis mee … behalve in een situatie van ongelijkheid. Dan kan die ‘zelfgebakken’ invulling  voor de heersende elite politiek zo belangrijk zijn dat die wordt heiligverklaard.  Dan wordt het geloof tot een blokkade voor het vrije onderzoek dat het vreeswekkende gat écht zou kunnen opvullen. Moslims zullen nooit vrij worden zolang ze hun Koran als heilig – dat is: onaantastbaar, mag niet aan getwijfeld worden – blijven beschouwen.

 

11. woordenwereld

 

Naarmate steeds meer dingen van de omgeving namen kregen, ‘onder woorden gebracht werden’, ‘begrepen’ werden, leidde dit er toe dat voor onze voorouders hun hele omgeving uit ‘benoemde dingen’ kwam te bestaan. Vanaf die fase zijn ze ‘talige wezens’ geworden.

Wij beleven onze wereld als een benoemde wereld, een wereld van benoemde dingen.  Dingen bestaan voor ons slechts als en in zoverre we er een naam voor hebben. Onze wereld is een woordenwereld.

 

Dat is een beetje moeilijk te begrijpen voor ons. Het laatste wat een vis zal ontdekken, is water. Ik kan het een beetje voelbaar maken door de beschrijving die Helen Keller heeft gegeven van de tijd van haar leven (haar eerste zeven jaar) dat ze nog geen namen voor de dingen had. Dus weer even een verhaaltje, ook als is het ditmaal niet verzonnen.

 

De kleine Helen was bepaald een voorlijk kindje, kon al lopen voor ze 1 jaar was en ze brabbelde al volop. Tot ze een zware hersenvliesontsteking kreeg. Toen ze daarvan herstellende was, merkte haar moeder dat Helen niet meer reageerde als de bel ging en ook niet als ze haar hand voor Helens open oogjes bewoog. Helen was doofblind geworden, voorgoed.

Maar ze was ook veranderd. Ze was niet langer aanspreekbaar. Ze was een huisdiertje geworden. De kleine Helen was een mooi kindje, met mooie kleertjes ook, maar verder een onhanteerbaar maar temperamentvol huisdiertje. Schreeuwde het huis bij elkaar als haar iets dwars zat of lachte onbeheerst als haar iets behaagde.

Toen Helen zes jaar was, las haar moeder over een beroemde doofblinde die niettemin had leren lezen en schrijven. Ze nam contact op met de school waar die doofblinde dat geleerd had. De vader reisde er met Helen naar toe.  De directeur ried hem aan, een pas afgestudeerde leerlinge, visueel gehandicapt maar geopereerd zodat ze weer kon zien en kon lezen, als lerares in dienst te nemen. En zo kwam Anne Sullivan in Helens leven.

Anne arriveerde in het gezin als gouvernante. Ze had voor de jarige Helen, net 7 geworden, een pop meegebracht en ‘schreef’ in Helens handje [p-o-p]. In handgebarentaal dus. Helen was aanvankelijk geïnteresseerd door deze nieuwe gevoelservaring, maar toen Anne maar bezig bleef met dat onbegrijpelijke gedoe in haar handje zette ze een keel op en begon wild om zich heen te meppen.

Het werd een moeilijke maand voor Anne, maar ze hield vol. Ze kreeg gedaan dat ze overdag met Helen in een leegstaande hut op de plantage mocht toeven, en inderdaad kreeg ze daar Helen wat beter onder controle. Helen leerde een aantal woorden terug te ‘schrijven’ in Anne’s hand.  Maar dat was puur africhten. Helen besefte niet dat die tekens iets te maken hadden met de voorwerpen waar Anne haar tegelijkertijd aan liet voelen. Dus dat het ding en de naam ervoor bij elkaar hoorden.

 

Op het einde van die moeizame eerste maand waren ze aan het wandelen over de plantage en kwamen ze bij een pomp. Anne pompte water over Helen d’r hand en ‘schreef’ in de andere [water]. En nog een keer. En nog een keer, steeds sneller. Ineens trok Hellen d’r hand terug en raakte toen daarmee de grond aan, haar andere hand naar Anne uitstekend. Die ‘schreef’ daarin [aarde]. Vervolgens greep Hellen naar d’r jurk, en Anne ‘schreef’ [jurk]. Het kwartje was gevallen!

Voor het slapen gaan had Helen die dag al dertig woorden geleerd, en in de dagen daarna gaf ze Anne geen moment rust meer.

 

Anne overtuigde de ouders dat Helen met haar terug moest naar de doofblindenschool en zo geschiedde. De directeur was erg goed in public relations en het duurde niet lang of de hele westerse wereld was op de hoogte van de beroemde doofblinde Helen Keller die binnen de kortste keren de school afmaakte, met Anne universiteit deed en haar masters of Art haalde. Anne las de boeken voor in Helens hand, en die handgebarentaal gaat razend snel. Dat zie je aan de foto niet af. Een heel boek is ze aan het voorlezen. Een moeilijk boek ook nog. Van het ene brein in het andere, via vingergebaren!

Helen, sowieso hoogbegaafd,  bleek een begaafd schrijfster. Ze schreef haar autobiografie The world I live in.  Is in 52 talen vertaald; en terecht: voor mij is die hier pas een echte ‘verwijzing’.

Ze werd wereldwijd uitgenodigd en reisde weldra met Anne de hele wereld over. Overal wilden beroemdheden en presidenten met haar op de foto. Vind ik pleiten voor die presidenten en beroemdheden.

 

En nu mijn punt.  In haar The world I live in (1904/08) beschrijft Helen haar belevingswereld van vóór de tijd dat Anne in haar leven was gekomen. Ze beschrijft die  als een ‘niet-wereld’, een wereld van nietsheid. Ze ‘wist’ niets. Ze wist bijvoorbeeld niet dat ze bestond, dat ze iets deed of iets wilde of iets koos. Ze kende ook geen gevoelens, ook al had ze die blijkbaar wel. Dat ze zich dit alles toch herinnerde kwam doordat ze wel een tast-geheugen had. Ze kende haar omgeving op de tast, de reuk en het gewaarworden van de trillingen ervan, zoals voetstappen. Als ze toen een mens had getekend, zou ze diens hersens als vingertoppen hebben getekend, zei ze later wel eens.

Pas vanaf dat ze namen had voor de dingen, ‘bestonden’ de dingen pas en bestond ze ook zelf pas, bestonden er gevoelens en bestond er een wereld om haar heen, met al zijn rijkdom aan geuren en vormen en trillingen.

We leven in een woordenwereld, ook al hebben we dat niet door. Maar dat is het wat ons onderscheidt van alle andere levende wezens. Wij begrijpen de dingen, kunnen het er met elkaar over hebben, kunnen onze intelligenties op één hoop gooien. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen. En het verhaal over hoe wij zo geworden zijn, is ons Grote Verhaal, ons humanistische scheppingsverhaal. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen kan ik met jou communiceren, dame.

 

Maar ik sla iets belangrijks over. Verderop in haar boek schrijft Helen, dat aanvankelijk die namen voor de dingen voor haar alleen maar een handig middel waren om dingen te krijgen die ze wou. Als vijfjarige had ze al ontdekt dat ze een ijsje kreeg van haar moeder als ze aan de knop van de koelkast draaide. De nieuw aangeleerde namen voor de dingen waren gewoon ook zoiets. De eigenlijke waarde (betekenis) ervan drong pas tot haar door toen het besef tot haar doordrong dat ze ‘iemand’ was, het besef van een eigen ‘ik’.

Menig moeder herkent dit bewustwordingsmoment – niet dat van zichzelf, omdat dit verloren gaat onder volgende bewustzijnsgroei, maar – van kleuters, die plotseling beweren: “Jij is Iris”. Dan duurt het even alvorens de volwassene beseft dat het kind tot dan toe meende dat ze “jij” heette omdat men zich immers altijd tot haar als “jij” richtten; maar dat ze nu begreep dat haar naam “Iris” was.

 

Wij kunnen ons deze bewustzijnsontwikkelingsfase niet meer van onszelf herinneren, maar omdat die bij Helen vanwege de tussentijd van de ‘niets-wereld’ pas rond haar achtste jaar plaatsvond, en ze bovendien over een fenomenaal geheugen beschikte, kon ze er nog over vertellen.

Ze vertelt ook over haar inner speech: haar praten in zichzelf. Bij haar was dat uiteraard  vingerspelling-in-haar-eigen-hand. Op die manier ‘praatte’ ze ook tegen haar pop, tegen haar blokken, haar honden, tegen alle dingen van haar tastwereld nu die voor haar, nu beschikkend over namen voor de dingen, in het bestaan geroepen waren. Het op deze wijze ‘praten in zichzelf’ door het spellen in haar eigen hand werd later gedeeltelijk verdrongen door ‘lispelen’ doordat ze had leren liplezen, maar belangrijke gedachten bleef ze in haar eigen hand spellen.

 

Tot zover over Helen Keller, ter illustratie van ons leven in een woordenwereld.

 

12. de conceptie van het Grote Verhaal en van God

 

Hoe heeft het gaan leven met namen voor de dingen ons tot religieuze dieren doen worden? Dat is een gevolg van onze taligheid, onze behoefte aan een Groot Verhaal.

 

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je ze niet ‘op een rijtje’ hebt: als in die chaos geen samenhang heerst.

Die samenhang wordt gecreëerd door een a tot z–verhaal, dat vertelt hoe de dingen begonnen  en zich ontwikkelden, inclusief de mensen, tot zoals ze nu zijn.

Ons talig geworden bewustzijn kon (en kan nog steeds) niet zonder een dóórlopend en samenhangend verhaal waarin alle dingen inclusief wijzelf begrijpelijk samenhangen. Wie ben ik, wat is mijn plaats in het geheel der dingen en waar moet het met mij naar toe? Wanneer we daar geen duidelijkheid over hebben, leven we niet lekker. Wanneer er geen verhaal heerst in onze omgeving waarin ons eigen bestaan past, dan maken we ons eigen verhaal – maar omdat we sociale wezens zijn, is dat is fragiel en onbevredigend wanneer of zolang of in zoverre het niet door een gemeenschappelijk verhaal wordt ondersteund. Zo lang dat er niet is, hebben we niet het gevoel, iets aan elkaar verplicht te zijn. We kunnen dan nergens op worden aangesproken.

 

In de jaren ‘90 geleden las ik in de krant een rechtbankverslag. Een jongeman was meerdere malen bij studentes de kamer binnengedrongen en had ze verkracht. De rechter vroeg hem: waarom deed je dat? Zijn antwoord: waarom niet? En de rechter viel even stil: er was inderdaad geen algemeen gedeeld Verhaal meer waar naar verwezen kon worden en waarop de knaap kon worden aangesproken.

 

Een verhaal ordent de werkelijkheid: brengt structuur in de veelheid van namen voor dingen in onze woordenwereld.  Met name een scheppingsverhaal: het vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn.

Elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal, om greep mee te houden op de veelheid van namen voor de dingen. Geen stam die het ooit zonder heeft kunnen of hoeven stellen. Hoe kwam elke stam er aan en hoe zagen die Verhalen er oorspronkelijk  uit? Dat gaan we nu zien.

 

De Vroege Mens-groepjes waren nog steeds klein, levend op de rand van het bestaansminimum maar wel gezond en sterk. In regelmatig contact met bevriende en/of verwante groepjes, elkaar tegenkomend waar hun ‘zangroutes’ ( voedselverzamel-tochten binnen een zeer uitgestrekte regio, volgens een door de seizoenen bepaald patroon) elkaar kruisten. Routes die ze zingend aflegden.

Die ontmoetingen vonden plaats op vaste plekken. Wanneer de ene groep daar arriveerde, bleef die daar wachten tot de andere groep arriveerde. En dan was het feest en werden er nieuwtjes en dingen uitgewisseld. De groepen hadden elkaar nodig, al was het maar voor het uitwisselen van huwelijkspartners. Als ze na een paar dagen ieder huns weegs gingen, waren ze beide enigszins van samenstelling veranderd. Niet alleen doordat partners bij elkaar introkken. Maar ook doordat  iemand die het niet goed kon vinden met een of meer andere leden van haar/zijn groep of haar/zijn partner, dan overstapte naar de andere groep.

 

Gemiddeld waren de groepen niet groter dan een mens of 25. Maar het kon zo gebeuren dat zo’n groep door een of andere ramp te klein geworden was. Dan sloot die zich aan bij een welvarendere groep.

 

Wat ook kon gebeuren was dat een groep te groot werd. Dan ontstonden er makkelijk wrijvingen en spanningen. En dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een heel nieuw gebied op te zoeken, buiten de regio dus. De wereld was nog eindeloos groot. Toch is het op deze manier gegaan  dat de vroege Mensen zich over heel Eurazië hebben verbreid, in de loop van de honderdduizenden jaren.

 

Zo’n groepje eerste ‘kolonisten’, dat waren dan de eerste mensen die zo’n gebied betraden, de eersten dus om er de dingen hun namen te geven. Voor talige wezens betekent dit dus: in het bestaan roepen.

Voor hun nakomelingen was dat eerste groepje, samengetrokken tot één Figuur, de Grote Voorouder, die hun wereld (stamgebied) geschapen had!

Elke avond dansten/zongen ze rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield, hoe de Grote Voorouder, op een bepaalde plek het stamgebied was binnen gekomen en op Zijn tocht overal de voor de stam belangrijke dingen had achtergelaten: bergen en heuvels, rivieren en meren, kloven en moerassen, bomen, planten en dieren. Op één bijzonder heilige plek ook de zielen die bij een passerende vrouw konden binnendringen en bij haar een nieuw leven beginnen. Om na het overlijden weer naar die plek terug te keren en een nieuwe kans af te wachten.

Daar hebben we dus het Scheppingsverhaal. Geen stam die het ooit zónder heeft kunnen of hoeven stellen.

 

Met deze Grote Voorouderfiguur maken we kennis met, u vermoedde het al, de oergod, de proto-God. Honderdduizenden generaties van het op deze manier de (woorden)wereld en het samenzijn beleven, dat heeft onuitwisbare sporen nagelaten in onze aanleg, in onze menselijke natuur.

We geven er nog steeds blijk van. Als er ergens dansmuziek opklinkt, krijgen we de kriebels en gaan danspasjes maken.

Ook al zien we nooit meer een kerk van binnen, we blijven voelen ‘dat er IETS moet zijn’.

 

Onze baby’s worden nog steeds mee geboren in de verwachting, terechtgekomen te zijn in een gemeenschapje van Neanderthalers of indianen of zo, weet die boreling veel. Boreling beschikt alleen over aangeboren ‘kennis’, en over een onuitputtelijke leerdrang. Boreling verwacht in eerste instantie geluiden van activiteiten en gezang,  de reuk van een moederlichaam, de geur van vuur vermoedelijk ook. In elk geval ook menselijke geluiden en meegedragen worden. Wanneer boreling niets van dat alles gewaar wordt en alleen stilte en bewegingloosheid gewaar wordt, begint ‘ie te huilen: zijn enige manier om uit deze heilloze situatie verlost te raken.  Als mama kindje hoort huilen, pakt ze het op en gaat er mee rond deinen, zachtjes zingend. Doen alle moeders, en zonder te beseffen waarom ze de neiging hebben om dat te doen. Kindje wordt meteen stil en lacht: dit kent het ‘ergens’ van, het is alvast iets. Als mama kindje neerlegt, begint het teleurgesteld weer te huilen: het wil meer en constantere tekenen van menselijke nabijheid. Zou goed zijn als mama zou wéten wat er in haar boreling leeft. De meeste moeders weten niet meer dan dat een baby of peuter het lekker vindt om geschud te worden, door een rijdende kinderwagen dan wel door er ‘wild’ mee te doen. Vaders doen dat ook onbewust. Die doen dat nog iets ‘wilder’, en dat is ook prima.

 

In de meest pure vorm leven de Scheppingsverhalen nog bij de Australische Aboriginals. Althans bij “De clan van de Wilde Honing” (1996) van de Nijmeegse  antropoloog  Ad Borsboom; met de Scheppingsverhalen van de overige 170 clans ben ik minder bekend. Kom zeg, ik ben maar een portrettekenaar.

Bij de meeste ‘wilde stammen’[17] en pure Verzamelaars/Jagers (VJ-) groepjes weet ik dat de Grote Voorouder alleen nog leeft als een ver Hoogste Wezen, ergens hoog in de lucht, een Wezen dat zich niet meer met de wereld bemoeit en waar de mensen ook verder weinig mee doen. Diens plaats is bij hen al lang ingenomen door geesten die van veel directer belang zijn.

Ik weet veel van de Ituri-pygmeeën, door het prachtige boek The Forest People (1961) van Colin Turnbull dat ik wel tien keer gelezen heb en nog heel vaak zal herlezen, als een bijbel.  Voor de M’buti  is hun regenwoud de schenker van alle goeds en ze zingen tot Haar/Hem/Het vol vertrouwen. De ‘Allerhoogste’ kennen ze desgevraagd ook wel, maar die woont ergens hoog in de lucht en daar onderhouden ze geen contact mee en die niet met hen.

 

Een Allerhoogste Schepper-figuur is echter als vage notie altijd blijven hangen. Zelfs bij ons leeft hij nog als het ‘IETS’ dat er toch moet zijn. De latere patriarchen hebben daar natuurlijk volop gebruik van gemaakt voor hun ideologieën. Gaan we het allemaal over hebben.

 

13. dansen/zingen

 

Vanwaar dat dansen/zingen rond dat nachtelijke kampvuur?

Vergeet niet dat hun communicatie gebarentalig was: hun stembeheersing noch hun stemapparaat waren geschikt om er woorden meer te vormen; en dat is nog heel lang zo gebleven, ik denk dat zelfs de Neanderthalers nog voornamelijk gebarentalig waren. Mensapen hebben – ik zeg het nog maar eens – geen bewuste controle over hun stem omdat die wordt aangestuurd vanuit het limbische systeem, de zetel van onze emoties. Gebaren –  maar ook lip- en huigklanken – daarentegen worden aangestuurd door de hersenschors (cortex, corticaal dus). Vandaar dat ons taalvermogen begon met (voornamelijk) gebarentaal en niet met gesproken taal.

Met gebarentaal, eigenlijk een uitbreiding en verfijning van de dierlijke lichaamstaal, komen niet alleen je hele gezicht en je handen, maar komt je hele lichaam in touw. Vooral aanvankelijk beeldden de Vroege Mensen met hun hele lichaam uit wat ze bedoelden. Overdag, gedurende de foeragetocht, was de communicatie zakelijk. Maar rond het kampvuur waren de performances en de reacties van de anderen emotioneel geladen, dus met veel stemgeluid er bij en lange uithalen. Onze vroege voorouders waren van oorsprong bonobo’s en die zijn sowieso al veel emotioneler en expressiever dan de chimpansees. Dat emotionele is alleen maar gegroeid.

 

Hun groepen konden elkaar niet missen. De leefgroepen waren klein, ik heb redenen om aan te nemen dat ze uit niet meer dan drie hutten bestonden. Er zijn al ettelijke kampplekken van Vroege Mensen aan het daglicht gebracht – onder meer door enorme ontginningsmachines in steengroeven waar bij toeval een geïnteresseerde werknemer of een archeoloog alert was – en die[18] omvatten nergens meer dan drie hutten of kookvuren.

Een heel belangrijke opgravingsplek, de Kt9-site in de Semliki-valley (Congo), gedateerd 80-90.000 jg,  geeft de indruk dat het kamp door maar twee families werd gebruikt. In mijn verbeelding stel ik me dat voor als het kampje van Efe-pygmeeën zoals op de foto hiernaast. Twee hutten. Als je de honden wegdenkt: precies Semliki!

Ze konden elkaar niet missen voor het uitwisselen van ‘huwelijks’partners. Ook voor het uitwisselen van goederen en diensten, met name de gezamenlijke drijfjachten op grote prooidieren,  konden de groepen niet zonder elkaar overleven.

Maar het was wel: uit het oog: uit het hart. Wanneer de betrekkingen niet regelmatig werden onderhouden, door welke oorzaak dan ook, werden ze vreemden voor elkaar en dus potentiële vijanden. Denk er om: die mensen waren niet beter dan wij. Ze leefden alleen maar in andere omstandigheden dan wij. Vandaag kunnen wij die omstandigheden, en dus elkaar, steeds beter begrijpen. Dus kunnen wij vandaag veel beter met ‘vreemden’ samenleven dan onze primitieve voorouders. Kúnnen.

Onze ‘aardige’ menselijke natuur is vooral gevormd in die lange-lange tijd dat onze voorouders in heel kleine groepen samen moesten overleven in een hachelijke leefomgeving, van de hand in de tand en met bijna altijd honger. Ze waren volledig op elkaar aangewezen en dan is de geringste onenigheid binnen de groep al gauw levensbedreigend als die niet bekwaam bezworen wordt.

 

vuistbijlen, vrouwenwerktuigen, Dandero-rivier (Eritrea), van een olifant-slachtplaats van 1 mjg

 

De paleo’s begrijpen maar niet waarom de Vroege Mensen geen enkele neiging tot verandering of vooruitgang aan de dag gelegd hebben. Hun meest kenmerkende stenen werktuig, de vuistbijl, zoals die op deze foto, bleef meer dan een miljoen jaar hetzelfde. Typisch vrouwengereedschap. Multifunctioneel. Fraai gemaakt.

 

Echt niet zo simpel, hoor, een vuistbijl maken. Daar komt een van generatie op generatie opgebouwde kennis over de eigenschappen van de verschillende steensoorten aan te pas, plus de opgebouwde ervaring met het werken er mee, om er je nodige gereedschap (messen en klievers) mee te kunnen maken[19]. Je snapt gewoon niet dat ze die achteloos achterlieten op zo’n slachtplek. Moet een magische bedoeling gehad hebben, zoiets als een offer.

1 mjg wisten deze mensen dus al wat ze wilden maken en hoe dat moest. En waar ze het meest geschikte grondmateriaal konden vinden. Ze zagen er nog steeds bepaald mensaap-achtig uit. Maar ze bezaten mentale eigenschappen die geen enkele andere soort had. Eigenschappen die tot hun geestelijke vermogen waren geworden door het kunnen uitwisselen van gedachten: door middel van namen voor de dingen.

De kennis over de stenen en de vaardigheid om er van te maken wat ze nodig hadden, behoorde evenwel al tot het geestelijke eigendom van hun ruim anderhalf miljoen (!) jaar oudere voorouders. Die leefden nota bene niet ver daar vandaan: in Kada Gona. Hun werktuigen zag je op blz 9. Dat konden ze dus al 2,6 mjg!

 

We praten hier net zo makkelijk over miljoenen jaren alsof het een paar generaties betreft. Maar één miljoen jaar is een al bijna niet voor te stellen tijd. Laten we vanaf vandaag even één miljoen jaar terug kijken.  Hoe onze voorouders er toen uitzagen?

Ik vermoed dat het ‘science fiction’-plaatje van hiernaast best wel herkenbaar was voor hen – al zouden ze het misschien vreemd vinden om die man daar zonder zijn wapens te zien. De vrouw op de achtergrond zit  te eten wat ze zo-even geplukt heeft – om het paradijselijke van toen te suggereren. Maar ik denk dat de vrouwen het voedsel verzamelden in tassen om het in het kamp in gelijke porties voor iedereen te verdelen. Ook 1 mjg was het nog steeds link om zo ver van je groep en ongewapend te gaan zitten snoepen: de roofdieren waren altijd hongerig en loerend.

 

De Vroege Mensen kenmerkten zich door een voor ons bijna niet te begrijpen conservatisme. Eenmaal een goed ontwerp vuistbijl, dan hielden ze het daar ook bij.

Onze paleo’s, kinderen van een tijd van rusteloze verandering en vooruitgang, snappen daar werkelijk niks van. Maar die hebben geen enkel idee over hoe onze voorouders van apen tot mensen geworden zijn. Als ze dat nu even van mij overnemen, dan wordt dat starre conservatisme heel begrijpelijk.

Dan bedenk je namelijk wat de overgang op het begrijpen van de dingen doet met een dier. Wanneer en zolang de omgeving van een dier overeenkomt met het overgeërfde gedragspatroon (instinct)van het dier, kent het geen onzekerheid. Onze voorouders zijn echter hun handelingen meer en meer het resultaat laten zijn van onderling (dan wel inwendig) overleg. Dat ging ten koste van hun instinctieve handelen: geen twee kapiteins op het schip van je gedachten.

Ging ten koste dus van hun dierlijke instinctzekerheid!

En daarbij was hun begrijpen van de dingen nog eens uiterst armzalig aanvankelijk!

 

14. religieuze wezens

 

Hoe heeft het gaan leven met namen voor de dingen ons tot religieuze dieren doen worden?

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je ze niet ‘op een rijtje’ hebt: als in die chaos geen samenhang heerst. Die samenhang ontstaat door middel van een a tot z–verhaal, dat vertelt hoe de dingen begonnen zijn en werden tot wat ze nu zijn, inclusief je eigen stam.

 

Ons talig geworden bewustzijn kon (en kan nog steeds) niet zonder een sluitend, dóórlopend en samenhangend verhaal waarin alle dingen inclusief wijzelf begrijpelijk samenhangen. Wie ben ik, wat is mijn plaats in het geheel der dingen en waar moet het met mij naar toe? Wanneer we daar geen duidelijkheid over hebben, leven we niet lekker. Wanneer er geen verhaal heerst in onze omgeving waarin ons eigen bestaan past, dan maken we ons eigen verhaal – maar omdat we sociale wezens zijn, is dat is fragiel en onbevredigend wanneer of zolang of in zoverre het niet door een gemeenschappelijk verhaal wordt ondersteund.

Taal ordent de werkelijkheid[20]. Elke filosoof zal het meteen beamen. Taal ordent voor mensen wat ze als de werkelijkheid ervaren: hun woordenwereld.

Zo’n ordenend Verhaal hebben mensen dan ook altijd al gehad. Elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal, om greep mee te houden op de veelheid van namen voor de dingen. Geen stam die het ooit zonder heeft kunnen of hoeven stellen. Hoe kwamen onze voorouders er aan en hoe zagen die Verhalen er oorspronkelijk[21] uit?

 

Onze voorouders verbreidden zich over Eurazië. Dat verbreiden ging heel langzaam. Waarschijnlijk gedicteerd door de trek van hun favoriete prooidieren en die hun trek weer door de veranderende omstandigheden. Je moet bedenken dat de mensen toen nog niets achterlieten als ze weggingen: ze hoefden nooit terug. Hun enige bezit was (behalve wat opgerolde vellen misschien) hun kennis en vaardigheid. Konden ze overal mee terecht áls er maar voedsel verkrijgbaar was.

Als een stam te groot werd, kreeg je spanningen en dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet al te ver weg, want je bleef elkaar nodig hebben.

Zo’n groepje eerste ‘kolonisten’ waren wel de eerste mensen die in dat nieuwe gebied  (nog ‘woest en ledig’, want nog onbenoemd)  de dingen hun namen gaven. Voor talige wezens zijn de dingen er pas áls en in zoverre ze er een naam voor hebben. Door de dingen van dat nieuwe  gebied een naam te geven, ‘riepen’ ze de dingen ‘in het bestaan’. (“In den beginne was het Woord.”) Voor hun nakomelingen waren zij, in het spraakgebruik als groep tot één figuur samengetrokken (zoals wij nog steeds graag spreken over ‘de Mof’ of ‘de Jap’ of ‘de Amerikaan’): de Grote Voorouder. Het prototype van de latere Godsfiguur. Alle stammen kenden hun Scheppende Voorouder-figuur.[22]

 

Het Scheppingsverhaal vertelt hoe de Grote Voorouder in de Droomtijd het stamgebied was binnengekomen en op zijn weg alle belangrijke dingen  (de vruchtbomen, de bergen en rivieren, de vissen en de moerassen, de kloven en de noem maar op) geschapen had. Veel van die belangrijke dingen werden ook belangrijke Figuren in het scheppingsverhaal. Dit Verhaal dansten/zongen ze bij elke gelegenheid, en ze hadden ook het gevoel dat ze al dansend/zingend hun stamwereld telkens opnieuw in leven riepen, schiepen, en dat die zou ophouden te bestaan als ze hun wereld niet langer zouden dansen/zingen. Alle plekken waar de Grote Voorouder (nooit een man of een vrouw en dat klopt, het was een groep) zijn sporen had achtergelaten: een berg of een bron of wat dan ook, waren heilige plaatsen, mochten niet dan met de vereiste gebeden en schroom betreden worden.

Ik ben op het idee van deze gang van zaken gebracht door De clan van de Wilde Honing (Haarlem 1996)van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom. De Aboriginals van Arnhemland hebben hun Scheppingsverhaal van de Grote Voorouder Jareware waarmee ze hun wereld onder controle hadden en hielden, tot nu toe ongerept bewaard. Maar de ouderen beseffen dat hun jongeren door de moderne tijd worden beïnvloed en dat die het zullen verwaarlozen en vergeten. Daarom kwam de Nijmeegse onderzoeker voor hen als geroepen: die zou hun Verhaal en hun gezangen op schrift kunnen vastleggen en zo aan de dreigende vergetelheid ontrukken. En ze adopteerden hem in hun stam. Borsboom heeft zich zo goed als hij kon van zijn taak gekweten en doet dat nog steeds. Het bijzondere van het Scheppingsverhaal van de clan van de Wilde Honing is dat het voor een onderzoeker zo herkenbaar valt terug te voeren op de vroegste kolonisatie van Australië, zo’n 60.000 jaar geleden.

 

15. zit nog steeds in ons

 

Het leven van onze voorouders draaide rond het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal. Ze hadden het gevoel dat ze er hun wereld mee in stand hielden en dat deze zou ophouden te bestaan wanneer zij die niet langer zouden dansen/zingen. En dat is eigenlijk ook zo, want het was een woordenwereld. Vooral voor de vroege mensen was hun talige bewustzijn een hachelijke beleving die met eindeloos herhalen van het scheppingsverhaal bevestigd en in stand gehouden moest worden.

Het is te begrijpen dat het tienduizenden generaties lang onze wereld op deze wijze dansend/zingend beleven zijn sporen heeft nagelaten in onze wereldbeleving. Als een overerfelijke neiging. Kindjes komen nog steeds ter wereld in de verwachting dat hun moeder een verhaal danst/zingt. Als baby huilt, neemt mama het op en dan gaat ze er zachtjes dansend/zingend mee ronddeinen. Baby wordt stil en lacht: kent het ‘ergens’ van. Onze wereld beleven in een gemeenschappelijk gedanst/gezongen Scheppingsverhaal zit de mensen als het religieuze gevoel in het bloed. Ook al zijn we sinds we vijfduizend jaar geleden meer en meer in klassenmaatschappijen komen te leven, waarin de scheppingsverhalen van de afzonderlijke stammen plaats hebben moeten maken voor het Grote Verhaal van een Eenheidsgodsdienst. Hoe dat ging, vertel ik in mijn tekst “Bestaat God?” (gewoon ‘bestaatgod’ googelen).

 

Pristine gemeenschapjes zoals de Hadza, de Pygmeeën en de San Bushmen dansen/zingen niet meer het Scheppingsverhaal van de Grote Voorouder. Hun religie draait om Figuren die dichter bij hen staan. Voor de Pygmeeën is hun Regenwoud de Gever van alle goeds. De Alles scheppende Grote Voorouder is voor hen een verre Figuur geworden, ergens hoog in de hemel, tussen de sterren, en die bemoeit zich niet meer met de mensen en zij niet meer met hem. Maar ze kennen hem desgevraagd nog steeds. Zelfs voor onkerkelijken bestaat hij nog: als IETS (het gevoel dat er ‘iets’ moet zijn).

 

In onze dagen is er van de oorspronkelijke scheppingsverhalen van de stammen evenals van hun talen weinig herkenbaar gebleven. Alleen de behoefte om de werkelijkheid in verhalen te vatten is gebleven, daar worden we mee geboren. Maar om die behoefte te bevredigen is elk verhaal wat je graag hoort al gauw goed genoeg … en je kunt er je naasten mee manipuleren, je kunt ze heel wat op de mouw spelden. Tobbende apen zijn we.

 

16.talig bewustzijn

 

Niet alleen filosofen, ook neurologen breken zich het hoofd over het bewustzijn. Ook voor hen schept de taligheidshypothese, het uitgaan van hoe onze vroegste voorouders tot talige wezens werden en wat dat met die mensapen deed, duidelijkheid. Bewustzijn in de vorm van zelfbewustzijn is niet uitzonderlijk in de dierenwereld: dat is bij een aantal hogere soorten zoals chimpansees en dolfijnen aangetoond.[23] Talige wezens, bij wie er die gevoelsmatige afstand tussen de benoemer en het benoemde, tussen subject en object ontstond en die in een ‘virtuele’ woordenwereld kwamen te leven, werd het ‘zelf’ gevoelsmatig deel van die ‘virtuele’ wereld. We kregen een talig bewustzijn. Een (zelf)bewustzijn waarin we de dingen, inclusief ons zelf, beleven binnen een woordenwereld, een wereld van benoemde dingen.

Maar altijd is het gevoel blijven leven dat onze ‘woordenwereld anders is dan de echte, en dat we in een ‘virtuele’ wereld leven, anders dan onze mededieren. Vooral toen we nog VJ’s (Verzamelaars/Jagers) waren en we onze wereld nog gevoelsmatig deelden met onze mededieren, waren onze voorouders zich bewust dat er iets was dat hen van de onbekommerde (niet-tobbende) dierenwereld gescheiden hield en waren daar nostalgisch over. Ze hadden het gevoel dat ze in hun dromen soms weer terug keerden in die vroegere wereld, de Droomwereld, de tijd dat de Grote Voorouder de wereld schiep en de dieren ‘nog konden praten’. Dit gevoel van een ‘verloren paradijs’ is 10.000 jg bij de op landbouw overgaande groepen natuurlijk versterkt (afscheid van het voorouderlijke vrije en gelukkige VJ-leven) en in veel der latere religies kreeg de nostalgie velerlei vorm. De godsdienstpatriarchen konden er de worst van een hiernamaals mee bereiden, waarin het verloren paradijs je beloning voor braafheid werd. Godsdienst parasiteert op ons aangeboren religieuze gevoel. Je moet die twee fenomenen wel uit elkaar houden als je het over religie hebt, anders wordt je betoog ook voor je zelf een ondoordringbare jungle.

Voor de denkers van de beschavingen was het verschil tussen onze woordenwereld en de fysieke wereld een favoriet onderwerp van bespiegeling. En nu zijn onze neuro-psychologen er vreselijk druk mee. Terwijl het in de grond zo simpel is. Toch?

 

Denk er om dat, vooral voor onze vroege voorouders, dat talige bewustzijn maar een hachelijk bordpapieren vlierinkje was waarop ze meenden te leven. ‘Gebouwd’ boven op hun normale mensapenlijke zelfbewustzijn.

Een der beide oorzaken van hun oerconservatisme (een dik miljoen jaar hetzelfde ontwerp vuistbijl!). De andere oorzaak is dat hun samenleving door de vrouwen gedomineerd werd[24] (voor vrouwen zijn er belangrijkere dingen dan verandering: wanneer iets ‘werkt’, mag dat zo blijven).

 

17.de geboorte van ons religieuze gevoel

 

Het dansen/zingen van het scheppingsverhaal van hun wereld is voor onze voorouders altijd het belangrijkste en kostbaarste element in hun bestaan geweest. Hun hele leven draaide er om. Ze leefden naar de avond toe, en ze maakten zich mooi, met bloemen en veren en stokjes door neustussenschot, oorlel of lip. Hun wereld was het stamgebied: voor primitieve mensen houdt de wereld buiten hun stamgebied gewoon op en zijzelf, de leden van hun stam, zijn ook de enige mensen; vreemden  (bijv. antropologen!) zijn voor hen geen mensen, want ze kunnen niet eens praten! Ze kunnen het hooguit een beetje wórden, als iemand zo’n figuur adopteert aan zijn haardvuur.

 

Dat ook de Vroege Mensen zo hun wereld beleefden, althans die in het Europa van het Reinsdorf-interglaciaal, de warme tijd tussen 400.000 en 350.000 jg, daarvoor heb ik een intrigerende aanwijzing gevonden. In Bilzingsleben is in een travertijn-afgraving (travertijn is een kalksteen die nogal gewild is als sierbouwmateriaal[25] en waar een dikke afzetting zich daar sinds 350.000 jg gevormd heeft) een HE (Homo erectus)-kampplaats bloot gekomen, met de resten van drie hutjes en … een dansplaats! Althans, het is een min of meer geplaveide plek die de onderzoekers zeer intrigeert en die ik als dansplaats interpreteer[26].

 

Als wij met concrete dingen bezig zijn, met ons werk of onze studie, gebruiken wij ons verstand, ons begrijp-vermogen; zijn we uit op het bedenken van oplossingen voor problemen. Maar zodra wij mijmeren en neuriën beleven wij de wereld en het samenleven religieus: als omsponnen door een zingevend iets, een verhaal. En al helemaal wanneer wij ons ‘laten meeslepen’ door muziek of om het even welke andere ‘meeslepende’ ervaring.  We verkeren beurtelings in de ‘rationele toestand’ en in de ‘spirituele toestand’. [27]

Weer bij zinnen komend vragen we ons soms af hoe zo’n ervaring in te passen is in je bewuste ‘verhaal’. Vroeger was daar dan de met velen gedeelde godsdienstige invulling, het van jongs af geïndoctrineerde ‘verhaal’. In een vrije markt economie werkt die oude invulling door onze omgeving niet meer en lopen de kerken leger en leger; maar is er ook geen nieuwe zingevende vulling. Je mag zelf wat gaan bedenken, maar dat is voor weinigen weggelegd; de massa doet het met voetbal- en andere gekten. Trouwens, voor een sociaal wezen is het pas zingevend wanneer het een gemeenschappelijk verhaal is. 99,5 % van ons mens-zijn hebben we de wereld immers zo beleefd.

Een gat dat onze filosofen laten gapen. Postmodern geworden volstonden zij met het (terecht) juichen over het verdwijnen van de oude Grote Verhalen. Maar zonder te beseffen dat we nog steeds mensen zijn en dus niet goed kunnen samenleven met Nix.

Eigenlijk is die verhaalloosheid een noodtoestand, want daar zijn we als mensen niet op ‘gebouwd’  in onze specifieke evolutie. Een boel dingen gaan dan ook niet goed. De invulling die ik in gedachten heb, daar heb je nu al wel een idee over, maar daar gaat een andere tekst[28] speciaal over.

 

In deze telst moeten we de God van Mohammed B gestalte geven. Mag ik vaststellen dat ik mij van het eerste deel van de mijzelf opgelegde taak: het uitleggen van de oorsprong van ons aangeboren religieuze gevoel, bevredigend gekweten heb? Dat ik aannemelijk heb weten te maken dat het religieuze gevoel behoort tot ons talige wezens-zijn, tot onze menselijke natuur?

Dus nu de geboorte van de EWG (Ene Ware God).

 

Maar daarvoor wil ik eerst ons Verhaal (van hoe wij van apen tot mensen geworden zijn) afmaken! Want we waren tot nu toe gebleven bij de Vroege Mensen, die 400.000 jg hun scheppingsverhaal, het verhaal van hun talige wereld, dansten/zongen rond het kampvuur bij die drie hutjes aan de oever van een meer bij wat nu Bilzingsleben heet.  Maar nu zijn we geen Vroege Mensen meer, we zijn AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen).

Hoe zijn we dát dan geworden?

 

18. AMM’s

 

Weet u nog dat ik in paragraafje 2, over de menselijke natuur, onze voorouders VJ’s (Verzamelaars/Jagers) noemde? En dat het ‘edele wilden’ waren? En dat we dat in wezen nog steeds zijn? Ook Mohammed B, Baruch Goldstein en Paul Hill? Maar dat hun natuur van ‘edele wilde’ gefrustreerd is geraakt?

Onze menselijke natuur is in haar algemeenheid door de beschaving (klassenmaat-schappijen, met slavernij en andere vormen van schrijnende ongelijkheid en onrecht) gefrustreerd geraakt.

Ze is eigenlijk al veel vroeger gefrustreerd geraakt. De beschaving is vijfduizend jaar geleden begonnen in de mensheid. Maar de frustratie van onze edele VJ-natuur begon zeker al vijfduizend jaar eerder. Door ons succes, zoals ik in par.2 al zei. Door de verbetering van de jachtwerktuigen (pijl en boog, jachthond) kwamen er teveel leefgroepen binnen een eindig jachtgebied.

Overpopulatie heet dat. Dan raken ze met elkaar in de clinch en ontstaan er taferelen zoals in mijn gruwelverhaal. Dan gaat de ‘edele wilde’ op zijn retour.

Dat speelde na afloop van de laatste ijstijd, 10.000 jg.

Maar eigenlijk is het nóg vroeger in ons verhaal beginnen te spelen. Misschien 50.000 – 60.000 jaar geleden al.

Onze directe voorouders leefden toen nog in Afrika. Vanaf toen begonnen ze uit te zwermen over Azië en Europa. Dat is niet voor de luxe geweest, dat had met een overpopulatiedruk te maken. De vroegste overpopulatiedruk in de mensengeschiedenis.

 

50.000 jaar lijkt heel erg bijzonder lang geleden, maar vergeleken bij de tijd dat onze soort bestaat, een dikke 2 miljoen (!) jaar, is dat maar 2,5 % van de tijd. In die overige 97,5 % van de tijd dat we mensen zijn, waren onze voorouders op hun gemak ‘edele wilden’. Omdat in die héél lange tijd van die 97,5 %, de wereld nog eindeloos groot was. Al die lange tijd waren de mensengroepjes een onopvallend deel van de eindeloos grote dierenwereld. Niks geen overpopulatiedruk, eerder het tegendeel. Ze hadden ze elkaar hard nodig.

Ze waren voor geen cent beter dan wij, gefrustreerden. Maar hun wereld was nog eindeloos groot, ze konden nog elke kant op die ze maar wilden. De enige beperking was dat ze niet te ver van de anderen verwijderd wilden zijn: ze konden niet zonder de andere groepen, voor partners, voor grote jachten, voor te weinig eten in hun eigen gebied, voor goederen- en medicijnenruil, voor feesten en religieuze zang/dansen.

 

In die Semliki-site (Kt 9) van par.10, die gedateerd is op 80–90.000 jaar geleden, was, behalve dat de groep uit slechts twee families leek te bestaan, nog iets bijzonders te vinden. Benen werktuigen, en met name geweerhaakte punten voor vissperen. Plus de resten, behalve van zoogdierprooien, ook van vissoorten (twee soorten grote katvis) en waterschildpadden. Deze Vroege Mensen hadden via hun technologische vernieuwing een nieuwe voedselbron tot hun beschikking gekregen: de waterdieren. En met name de zeekustdieren. Oesters. De opgegraven woonplaatsen van hun nakomelingen kenmerken zich door afvalbergen oesterschelpen.

De Semliki-mensen waren AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen). Die waren anders dan de HE’s, de primitievere Vroege Mensen. Je hebt vast wel van Neanderthalers gehoord. Dat waren nog Vroege Mensen. Maar die zijn uitgestorven. Alle mensen die vandaag de wereld bevolken, zijn AMM’s. Wat heeft de AMM’s zo anders gemaakt dat die een einde hebben gemaakt aan een vanaf 2 mjg ononderbroken trage voortgang van de Vroege mensen?

Een einde ook aan 2 miljoen jaar onaangetast ‘edel’ VJ-bestaan?

Dat is een tiental innovaties die ik dadelijk opsom. Maar die innovaties laten de hamvraag onbeantwoord: hoe kwamen zíj en niet eerdere Vroege Mensen tot die innovaties? In welk opzicht zijn ze dan vooral van hun voorgangers gaan verschillen?

Het – nou ja, een – antwoord krijgt u dus van mij: het niet onbelangrijke ‘elfde opzicht’.

 

De innovaties citeer ik uit een internet-tekst van de beroemde paleo Donald Johanson.

De AMM’s zijn volgens Johanson in tien opzichten gaan afwijken van de Vroege Mensen

 

  1. grotere verscheidenheid in stenen werktuigen
  2. vooral langwerpige afslagen, met een duidelijke bestemming
  3. afwijkingen in het ontwerp ervan naargelang tijd en plaats
  4. naast steen als grondstof ook ivoor, hoorn en been
  5. begrafenissen met tekenen van ritueel en grafgiften
  6. behuizingen en gebouwde kookvuren
  7. visvangst en jacht op gevaarlijke dieren
  8. grotere leefgroepen, hogere populatiedichtheid
  9. rotskunst en sieraden
  10. ruilhandel van vuursteen en schelpen over grote afstanden

 

Onze naaste voorouders zijn afkomstig van één uit Afrika gemigreerde groep, van de populatie die deze Semliki-mensen (van de Kt 9 site) als voorouders had. Dat heeft vooral te maken met het achtste ‘opzicht’: grotere groepen, hoge populatiedichtheid. Dat de AMM’s uiteindelijk alle Vroege Mensen hebben doen verdwijnen uit ons plaatje, is vooral te wijten aan hun grote aantallen. Maar ze hebben zich ook niet met hen vermengd! En dat komt vooral door een elfde ‘opzicht’ dat Johanson over het hoofd heeft gezien. Omdat alle paleo’s dat over het hoofd zien. Omdat ze niet weten hoe onze voorouders tot talige wezens geworden zijn en dat ze pas als AMM’s met (voornamelijk) hun stem zijn gaan communiceren.  

 

Als de Vroege Mensen zouden zijn opgegaan in de AMM-zee, zouden ze sporen hebben achtergelaten in ons genoom. Maar er is nauwelijks een spoor van terug te vinden! Dat dit zo is en dat we van één groep afkomstig blijken te zijn kunnen de geleerden vandaag nagaan aan de hand van DNA-metingen.  Alle primitievere Vroege Mensen, zowel in Afrika als in Azië als in Europa, zijn uitgestorven. En daar hebben onze AMM-voorouders vast wel een handje bij geholpen. Want overal waar die verschenen, verdrongen ze de primitieven naar steeds slechtere gebieden. De Vroege Mensen kwamen in een soort reservaten te leven, afgesneden van hun verwante groepen. Ze stierven uit door inteelt en uitzichtloosheid. Ze leven alleen nog voort, behalve in fossiele vondsten, in de sprookjes over trollen en kabouters. Holbewoners.

Holbewoners? De AMM’s zochten zelf ook graag de grotten en rotsoverhangen op, als de beste schuilplaatsen tegen de snijdende winden van de ijstijd. Waardoor waren de AMM’s dan superieur? In de eerste plaats door hun aantallen. Ze kregen de beschikking over een nieuwe, voedingsrijke voedselbron: de waterwereld. Vervolgens door de versnelde uitwisseling van ideeën en technieken ten gevolge van die grote aantallen.

 

Die nieuwe voedselbron kwam tot hun beschikking doordat de AMM’s over verfijndere benen werktuigen (zoals geweerhaakte vissperen) kwamen te beschikken om die te vangen. Waarom de AMM’s wél, en de Vroege Mensen niet? Dat gaat nu juist mijn elfde, door Johanson over ’t hoofd geziene, en in de volgende paragraaf behandelde punt over.

 

De HE-Vroege Mensen hielden star vast aan hun tradities en bleven vrijwel uitsluitend op grote zoogdierprooien als mammoets en paarden jagen. De AMM’s daarentegen waren innovatiever. Door hun nieuwe en onuitputtelijke voedselbron, met hogere voedingswaarde dan de traditionele jachtopbrengst van de Vroege Mensen, namen de AMM-leefgroepen ‘explosief’ toe en verdrongen ze de Vroege Mensen-leefgroepen. Om te beginnen in Afrika, heel lang alleen nog in Afrika. Het is opvallend dat ze zich ook daar nergens vermengd hebben. Ik vermoed dat de AMM’s de Vroege Mensen als ‘apen’ beschouwd hebben.

Terwijl de AMM’s er in de ogen van de Vroege Mensen als een soort aliens uitzagen, met hun hoge voorhoofd en hun uitstekende kin. En door hun luidruchtige aanwezigheid. En door hun aantallen. Voor de Vroege mensen leek het een overval op hun wereld vanuit een vreemde planeet.

 

 

Kaart van de AMM-migratie over de wereld, volgens de populatie-genetica (het mtDNA). Alle mensen op de wereld kunnen worden ingedeeld, op basis van overeenkomst in hun mtDNA, in zg haplo-groepen. De letters op de pijlen geven groepen mensen aan die tot dezelfde haplogoep behoren. Linksonder is Afrika, onze bakermat. Afrika bevat de haplogroepen L, L1, L2 en L3. Je ziet dat alle Out of Africa-pijlen vertrekken vanuit L3 

 

 

De Vroege Mensen waren tot uitsterven gedoemd. Er is, juist in die tijd, nog iets anders aan de hand geweest. 74.000 jg explodeerde de Toba-vulkaan op Sumatra. Een ramp van ongekende omvang in de mensheidsgeschiedenis, die alle zoogdierpopulaties, inclusief de menselijke heeft gedecimeerd. Vooral de grote zoogdieren, dé voedselbron van de Vroege Mensen, had zwaar te lijden. De zeedieren hadden iets minder te lijden dan de landdieren. Dus de belangrijkste voedselbron van de kustbewonende AMM’s bleef redelijk in stand en dus waren die in het voordeel vergeleken bij de Vroege Mensen die nagenoeg uitsluitend van landdieren leefden.

 

19.de AMM’s werden ‘praters’

 

Wat de paleo’s over het hoofd zien en wat Johanson dan ook niet opneemt in het rijtje verschillen tussen de AMM’s en hun voorouders is, dat ze praters geworden zijn.

De Vroege Mensen waren gebarentaal-sprekers (al kwamen er al lang de nodige spraakklanken als <klik!> en <plop!>- en <sis!> en <fluit!>-klanken bij te pas. Hun hele lichaam en mimiek kwam er ook aan te pas. Vooral hun emotionele Scheppingsverhaal-optredens leken meer op dansen en zingen. Ze dansten/zongen hun grote verhaal.

Maar zo’n 200.000 jaar geleden was in de streek van het huidige Soedan een populatie Vroege Mensen op ons huidige praten over aan het gaan. En dan worden het ook andere mensen! Zelfverzekerdere mensen.

 

Laat ik eerst het anatomische verhaal doen.

Voor het echt woorden met je stem maken heb je een grote keelholte nodig, dus een permanent ingedaald strottenhoofd. Omdat in die streek de mensen lang en dun zijn, dus ook langere nekken hebben, was die populatie vrouwen in dat opzicht in ’t voordeel. Zij zijn bij hun dansen/zingen hun stem geluiden steeds betekenisdrágender laten worden. Steeds meer gebarenwoorden konden zij uitdrukken met alleen hun stem! De communicatie met alleen hun stem begon die met alleen gebaren te overtreffen.

 

Ik denk dat het vooral een vrouwen-gebeuren is geweest. Bekend is dat de jagers bij hun voorbereidingen voor de jacht zich tot op de dag van vandaag[29] met gebaren tot hun Grote Voorouder richten. Voor zo’n gewichtig gebeuren vertrouwden ze niet op dat wijvengebabbel!

Het waren vooral de vrouwen die dansten/zongen. En die vooral op hun stemgeluiden moesten terugvallen omdat ze altijd hun handen vol hadden – omdat ze altijd alles moesten doen: de kinderen, voor het eten en de hut zorgen, voor de kleding, voor touw- en mandenvlechtwerk, voor zieken en gewonden.

De mannen zorgden alleen voor de veiligheid en later voor jachtbuit.

Vanaf zo’n 200.000 jg begon die populatie zoals wij te worden: AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen). Van die populatie zijn alle mensen die vandaag de aarde bevolken, afkomstig. Waarom werden die mensen daardoor dan anders? Zelfverzekerder zelfs?

Nu komt mijn zelfverzonnen theorie, en ik verzoek u beleefd om er alleen maar om te lachen indien u een betere weet te verzinnen.

 

Met gebarentaal kun je niet liegen. Omdat je daarbij alle spieren en spiertjes van je lichaam onder controle moet houden om jezelf niet te verraden. Geen beginnen aan, zeker niet voor die geoefende waarnemers van zelfs de geringste spierverandering bij elke emotie. Ze kwamen niet eens op het idéé. Waarom zouden ze? Ze hadden elkaar immers hard nodig?

Maar met enkel je stem, en met een uitgestreken gezicht, kun je dat wél, liegen.

Niet dat die AMM’s er nou een sport van maakten om elkaar te bedonderen; maar het feit dat ze het kónden, maakte hen een ietsje onafhankelijker, zelfverzekerder, brutaler zeg maar. Ietsje individualistischer. Ietsje losser van het starre conservatisme dat de Vroege Mensen altijd zo gekenmerkt had.

Zelf vind ik het best een aannemelijke theorie. In elk geval ís het er een, terwijl de paleo’s er gewoon géén hebben. De paleo’s vinden nieuwe schedels, nieuwe werktuigen, resten van nieuwe voedselbronnen, nieuw woonplekken, enfin, de tien ‘innovaties’ van Johanson. Vind ik heel goed en bruikbaar, daar niet van. Maar waarom dáár, en waarom toen? Daar moet je toch een verklaring voor bedenken?

 

Wat zeker is, dat de AMM’s innovatiever waren dan de star-conservatieve Vroege Mensen. Zeker is dat ze vanaf 90.000 jg gekomen zijn tot het ontwikkelen nieuwe werktuigen. Namelijk van been en hoorn. Geweerhaakte (vis)speerpunten en angels bijvoorbeeld. Die vallen van steen niet te maken. Wel van been. De oudste harpoenen, gevonden in Congo, dateren van 90,000 jaar geleden. De AMM’s werden echte vissers, vooral op twee soorten katvis – al leefden ze, zoals enorme afvalbergen bij hun opgegraven kampen getuigen, ook van oesters. Het waterdierenrijk is voor bekwame vissers een veel rijkere en constantere voedselbron dan de landdieren dat waren voor de Vroege Mensen.

Met die extra en rijke nieuwe voedselbron konden de AMM’s er grotere groepen op na houden (ik bedoel: meer dan drie hutten per leefgroep). Die grotere groepen splitsten zich ook veel sneller; ergo: meer groepen. En nu komt het.

In een kleine groep, van hooguit 25 mensen, kan ook wel een nieuw idee geboren worden; maar bij gebrek aan bijval sterft het een vroegtijdige dood. Maar in een groep van 100 mensen vindt een nieuw idee gemakkelijk één of meer ‘volgers’. En wanneer die grote groepen ook nog eens veelvuldig ideeën uitwisselen, vinden nieuwe ideeën snel verbreiding. Verandering en vooruitgang begon zich te nestelen in het mensdom. Dat was bij de Vroege Mensen altijd ondenkbaar en not done geweest.

 

Dus de AMM’s breidden zich uit als een plaag, ‘bij de konijnen af’ zeg maar. Ten koste van de Vroege Mensen die door de AMM’s verdrongen werden naar slechtere plekken.

De AMM’s waren voornamelijk kustbewoners en verbreidden zich langs de kustlijnen. Eerst zuidwaarts, naar Zuid-Afrika. Van 70.000 jg worden hun sporen gevonden in de Blombos-grot, aan de zuidkust. Verfijnde en gepolijste benen werktuigen, stukken rode oker, afgeschraapt om het poeder te gebruiken voor lichaamsbeschildering en grottenschilderingen.

Eén beroemd stuk oker draagt ook ruitvormige inkrassingen. De vinders beschouwen het als de eerste vormen van schrift. Maar de vrouw die met haar schaafscherf het poeder van de okerklomp afschaafde, had de gewoonte om er eerst overdwarse krassen in te kerven. Zou ik ook doen. Je ziet ook de afgesleten sporen van de vorige inkervingen.

Andere okerklompen zijn afgeschaafd zonder kerven.

Naast Blombos-grot is een hele reeks andere AMM-verblijfplaatsen uit die periode bekend. Ze waren echt een nieuwe, ondernemender soort mensen. En vooral: talrijker.

De AMM’s hebben zich eerst verbreid over het Afrikaanse continent, tot in alle uithoeken. Er is geen enkele populatie Vroege Mensen overgebleven. Er zijn ook geen mengvormen gevonden, tot nu toe. Alle Afrikanen behoren tot één van de drie L-haplogroepen, dat hebben de mtDNA-metingen vastgesteld. Vergelijkingen uit DNA-resten, onttrokken aan botmateriaal van Vroege Mensen, blijkt daar behoorlijk van af te wijken.

 

Fossiele AMM’s worden aanvankelijk alleen herkend aan hun schedelvorm, aan hun anatomie. Niet aan hun werktuigen of zo. Het ‘moderne’ gedrag kwam pas veel later. Daarom denk ik dat hun ‘praten’ ook pas veel later hun voorouderlijke gebarentaal is gaan vervangen.

De oudste fossielen zijn door de Amerikaanse paleo Tim White gevonden in Herto (Ethiopië) en zijn gedateerd op 160,000 jaar oud. De oudste ‘moderne’ werktuigen, de benen harpoenen van Semliki, zijn van 90.000 jg.

De vroegste AMM’s die uit Afrika migreerden, OoA-II (naast OoA-I: die van de eerste Vroege Mensen van bijna twee miljoen jaar terug) zijn de bewoners van de grotten bij de Israëlische opgravingsplaatsen Qafzeh en Skhul. De daar gevonden skeletten zijn gedateerd op 100.000 jg. Maar de technologie is daar nog hetzelfde als die van de Vroege Mensen. Ik noem die vroegste emigranten daarom OoAII-a. Want de grote AMM-invasie gebeurde pas na de Toba-ramp. Die invasie noem ik OoAII-b.

Het lijkt er op dat de meeste paleo’s maar één OoAII kennen: die van –b. Maar hoe zien ze dan –a, die van Qafzeh en Skhul?

 

Out of Africa. Dat wordt veelal afgekort tot OoA. De mensheid is in Afrika ontstaan. Een kleine twee miljoen jaar geleden verlieten – ik denk dus: gewapend met hun kooltjes vuur – de eerste mensachtigen de tropen, de kuddes achterna, naar de koelere streken van Eurazië. Hun eerste sporen: fossielen en werktuigen, zijn opgegraven in Dmanisi (Georgië). Die eerste ‘emigratie’ wordt OoA-I genoemd. Die mensachtigen waren nog aapachtig klein. Het zijn de nakomelingen van de makers van de werktuigen van Kada Gona van par. 6. Ze worden aangeduid als Homo ergaster.  Hun opvolgers zijn de makers van de vuistbijlen van par.11: de ‘boomlange’ Homo erectus (HE’s).

Het scenario zoals ik dat nu vertel, lijkt echter achterhaald te worden.

Een groeiend aantal paleo’s oppert dat het OoA I-scenario er wellicht anders uit moet zien. Onder aanvoering van Prof. Robin Dennell die al vanaf de jaren ’80 in Pakistan opgravingen doet.  Onder andere bij Riwat heeft hij stenen werktuigen aangetroffen van bijna 2 mjg! Daarnaast blijken er in het Verre Oosten (Java) al 1,8 mjg mensachtigen te hebben geleefd!

Wat is dan een waarschijnlijker scenario?

Enkele groepen van de populatie van de makers van de Kada Gona-werktuigen van par. 3 volgde 2,6 mjg al hun kuddes prooidieren noordwaarts en oostwaarts. Het was daar dezelfde savanne-omgeving als die van Afrika. Hun nakomelingen lieten stenen werktuigen achter in Riwat, en nog latere nakomelingen bereikten Java. De grotere gestalten van H. erectus kwamen misschien pas daar in het Verre Oosten tot ontwikkeling.

De migraties van heel wat savannedieren zoals de bavianen migreerden op en neer tussen Afrika an Azië. Zo is Nariokotome Boy misschien een nakomeling van een HE-populatie uit het oosten, terug naar Afrika gezworven.

Het meeste geld voor paleo-werk is tot nu toe naar Afrika gegaan. Misschien heeft dat ons beeld wel wat vertekend. Het blijft spannend, het gereconstrueer van OoA-I.

 

Maar we hadden het over OoAII: die van onze directe voorouders, de AMM’s. Hoe zagen die er uit? Ik denk dan altijd aan de Negrito’s van de Andamanen.

Ik denk dat het hun nieuwe voedselbron geweest is die de AMM’s in staat gesteld heeft om de barre tijden na de Toba-ramp van 74.000 jg door te komen, waar de Vroege Mensen in veel grotere aantallen het loodje legden omdat die zo gespecialiseerd waren in grote graseters.

 

20.de explosie van de Toba

 

De Toba, op het eiland Sumatra, was een vulkaan. Een van de 46 vulkanen van de Indonesische archipel, een berucht vulkanismegebied. De uitbarsting van de Krakatau van 1883 is heel bekend. Niet alleen omdat die plaatsvond in ‘ons Nederlandsch Indië’, maar ook omdat de gevolgen tot hier te lande, tot aan de was op overgrootmoeders bleekveldje, te merken was. Tien kubieke kilometer (!) as was er toen de lucht ingegaan en die regende nog jaren achtereen uit, onder meer op haar wasgoed.

Nog erger, maar verder terug in de vergetelheid, was de uitbarsting van de Tambora, ook in Indonesië. Toen ging er maar liefst 100 km° de lucht in en dat nam zoveel zonlicht van de aarde weg dat er de eerste paar jaar nadien geen zomers waren.

Maar dat was echt allemaal kinderspel vergeleken bij de explosie van de Toba[30], 74.000 jg.

Ik zei: het wás een vulkaan. Want de Toba, voorheen een hoge berg, is nu een meer. Een caldera. Een van de diepste ter wereld (450 m). De hele berg is de lucht ingegaan. De zon verduisterde. Het werd nacht. En dat voor zes jaar lang. Een ijstijd brak aan. En sommige geleerden zeggen dat die 10.000 jg eigenlijk pas afgelopen was – maar hij heeft natuurlijk behalve dieptepunten ook minder koude perioden gehad.

 

Het was de grootste ramp in de geschiedenis van de mensheid. Geschat wordt dat er van de AMM-populatie hooguit 10.000 mensen over waren.

Heel belangrijk is waar je woont als er zo’n ramp plaatsvindt en hoe de heersende windrichting is die de aswolk meevoert. Pompeï lag onder de aswolk en werd bedolven; de dorpen en steden aan de andere kant van de Vesuvius hadden niets te lijden van de uitbarsting. De aswolk van de Toba ging vanaf Sumatra richting India. Het midden van het Indiase subcontinent werd bedolven onder een aslaag van gemiddeld drie meter dik. Het was dus met name het noordelijke halfrond dat van de gevolgen te lijden heeft gekregen. Hoewel een zes jaar durende zonsverduistering natuurlijk wereldwijd een massale uitsterving van vooral de grote zoogdieren tot gevolg heeft gehad.

Het is tekenend voor de taaiheid van de NT’s (Neanderthalers) dat die, toch levend op het noordelijke halfrond, hebben weten te overleven – al zullen ook hun aantallen gedecimeerd zijn geweest. Maar de NT’s zijn pas 30.000 jg uitgestorven.

Ook van de negrito’s hebben er mensen de ramp weten te overleven!

De negrito’s zijn de nakomelingen van de Semliki-populatie die 80.000 jg via de oversteek (in vaartuigen!) ter hoogte van Aden als kustbewoners zich langs de zuidkust van het Indiase schiereiland hadden verbreid naar Maleisië, alwaar hun sporen (een ‘werkplaats’ van stenen werktuigen in een grot in Kota Tampan) zijn opgegraven onder een 1 m dikke aslaag, afkomstig van de Toba – chemici kunnen daar de ‘vingerafdruk’ van herkennen!  Kota Tampan ligt nog op de rand van de aslaag. Maar verder oostwaarts, in de binnenlandse jungle van Maleisië,  overleefden, hoewel gedecimeerd, nakomelingen van die eerste AMM-emigranten en die hebben 50.000 jg het Verre Oosten bevolkt, inclusief Nieuw Zeeland, Australië en Tasmanië.

In het al genoemde artikel in Current Anthropology van apr.’07 lees ik dat genetisch materiaal er op wijst dat de AMM’s 60.000 jg de oversteek maakten van het Euraziatische continent (het is dan nog steeds Toba-ijstijd, dus daar zat ook Borneo nog aan vast, en Bali-Lombok- Sumba-Sumbawa) naar Sahul (het toenmalige continent Flores-Timor-Nieuw Guinea-Australië). “Zeker voor passage van langere stukken onbewoonbare kust of naar vermoed ‘land-in-zicht’ was voldoende drinkwater nodig. Men zocht naar plaatsen waar zowel hout voor boten (uitgeholde boomstammen met liggers), voedsel (visrijke koraalriffen en zeegrasbedden), brandhout (mangrovebos) als zoet water voorhanden was. Die vond men aan riviermondingen.” Nederzettingen op zulke plaatsen vormden (volgens de Australische antropoloog David Bulbeck) de vertrekpunten voor avontuurlijke nieuwe ‘kolonisten’-groepjes. Ook volgens hem “na oplopende bevolkingsdruk”.

Nog een foto, opgehaald uit de prachtige site van George Weber The Andaman Negrito. Deze om te laten zien dat ze veel kleiner zijn dan de meeste AMM’s vandaag (de Andamanen horen bij India en hier zie je een Indiër, ook niet bepaald een reus, op bezoek bij de Jarawa van Great Andaman. Hij heeft als geschenk kokosnoten meegebracht.

Ik bedoel maar: hier zie je dus de OoAIIb-mensen zoals ze 60.000 jg naar Eurazië migreerden. De Zwarte Eva en haar Adams. De migranten naar Europa waren al gauw minder zwart en hulden zich in vellen vanwege het koelere klimaat. En ze waren bepaald niet klein. De eerste AMM-mensen in Europa en Noord-Azië werden weldra ‘reuzen’. Hun eerstgevonden fossiele resten, in 1868 door Louis Lartet onder het rotsoverhang van Cro-Magnon ontdekt[31], waren forser dan wij vandaag zijn. Het waren ijstijdmensen.

 

Tot zover de Toba-ramp. Wat is er met de AMM’s gebeurd dat ze zich zo heel anders gingen gedragen dan de Vroege Mensen?

Na die zes moeilijke jaren herstelde de natuur zich snel. De dierenwereld leefde weer op en vanaf toen breidden de AMM’s zich onstuitbaar uit. Ze hadden een bijna lege wereld vóór zich. Hun groepen waren door de ruimere voedsel-inbreng sowieso veel groter dan die van de Vroege Mensen: ze konden wel 150 individuen tellen. Ik zei al: hun superioriteit kwam vooral door hun aantallen.

Wat niet vergeten mag worden is, dat het ook door hun grotere groepen is gekomen dat ze tot vernieuwingen kwamen. Twee weten meer dan één en met een hele groep kun je grote problemen aan. Hoe groter de groep, des te meer intelligenties er mee spelen. Ondergraaft dit niet mijn prachtige theorie? Ben ik niks bang voor. Ik ga hem nog verder ‘falcificeren’. Door hun grotere aantallen gebeurde er nóg iets met de AMM’s wat de Vroege Mensen nooit overkomen is. De dominantie van de mannen.

 

 

 

 21. de machtsgreep van de mannen.

 

Vanaf het begin van het mens-zijn, nee, eerder al, vanaf dat aapmensen op de savanne moesten zien te overleven – wat? als onze mensapen-vooroudersoort echt veel weg gehad hebben van de huidige bonobo’s die zelfs een zekere vrouwendominantie kennen, nóg vroeger – hebben de vrouwen een hoge status gehad en hebben onze voorouders vreedzaam samengeleefd, ook hun groepen onderling.

Waarom leven wij nu dan in een mannenwereld, vol oorlog en geweld en met de vrouwen als tweederangs burgers? Waar, wanneer en waardoor is het fout met ons gegaan?

 

Waar? Overal waar er teveel groepen met elkaar om het bestaan moesten vechten, in een te krap geworden leefgebied. Hoe groot dat ook was: waar vrouwen op hun foerageertochten op de aanwezigheid van vreemde vrouwen stuitten, joegen ze er hun mannen op af om er mee af te rekenen. Oorlog maakt mannen belangrijk.

 

Wanneer? Tja, dat kan al in Afrika begonnen zijn. De migratie naar Eurazië kan al wijzen op populatiedruk. Alle vandaag levende populaties vinden (het genetische onderzoek is daar duidelijk in) hun oorsprong in één van de Zeven dochters van Eva. Er is vandaag geen enkele VJ-gemeenschap waar niet van een zeker overwicht van de mannen sprake is, hoe gelijkwaardig de verhoudingen tussen de seksen er ook nog moge zijn. Zelfs bij de egalitaire Pygmeeën hebben de mannen zich van de heilige molimo-fluit meester gemaakt en moeten bij het ritueel de vrouwen in hun hutten blijven.

Ook moet  het oprukkende ijs van de laatste ijstijd in Europa (24.000-12.000 jg) oorzaak geweest zijn van populatiedruk in de leefbare refugia van Zuid-Europa. De mannen hebben daar eigen initiatierituelen ontwikkeld in diepe en duistere grottengangen, zoals die van Lascaux en Chauvet en tientallen andere, ook in Italië en Spanje.

De vrouwen ontwikkelden hun verering van Moeder Aarde daar ze niet langer vrij konden rond foerageren en zorgvuldiger moesten omgaan met hun voedselplanten.

Hier zien we ook het eerste sjamanisme (zie afb.)

 

Waardoor? Door de oorlogvoering ten behoeve van de overleving van de eigen groep kregen de mannen er een gewichtige taak bij: hun leven riskeren in gevecht met andere mannen. Een taak die volgens de mannen opwoog tegen het kinderen kunnen baren van de vrouwen, en even belangrijk voor hun voortbestaan!

De oeroude balans tussen de seksen (vrouwen zorgden voor alles en voor het eten, de mannen zorgden voor de veiligheid en later voor het vlees) raakte verstoord. De mannen begonnen zich nu héél belangrijk te vinden, werden minder geneigd de tweede viool spelen. Vooral de jongemannen, boordevol dadendrang om hun mannelijkheid te bewijzen, ervoeren de voorzichtige beslissingen van het vrouwenberaad als volslagen achterlijke en nodeloze, wat? schadelijke hinderpalen.

Het leidde er toe dat de mannen eigen rituelen gingen ontwikkelen, op afgelegen plekken, zoals diep in het woud of in duistere onderaardse grottengangen. Aanvankelijk stiekem, later steeds openlijker.

 

Boekdelen spreekt voor mij de molimo-viering bij de M’buti-pygmeeën in het Congolese Ituriwoud, bekend van het prachtige boek The Forest People van Colin Turnbull (NY 1961) waar ik het al over had.

De molimo is een heilige fluit, waarmee door ervaren toeteraars een veelheid van tonen en klanken kunnen worden voortgebracht. De molimo verbeeldt de stem van het Woud, en wordt bij ruste verborgen diep in het Woud, om tevoorschijn gehaald te worden door een groepje jonge mannen wanneer iemand overleden is of iets anders verontrustends aan de hand is, waarvoor Het Woud uit zijn sluimer gewekt dient te worden omdat zijn kinderen in nood zijn.

De vrouwen moeten daarbij in hun hutten blijven, met afgesloten deur. De mannen zingen rond het gemeenschappelijke vuur op de open ruimte. De molimo komt vanuit de verte steeds dichter bij, naar de mannen rond het vuur, die daarbij veelal in trance geraakt zijn.

Het is dus een mannen-aangelegenheid geworden, zelfs bij de Pygmeeën al. Maar …  bij hen blijkbaar nog niet zo lang. Eens per jaar worden de rollen omgekeerd en nemen de vrouwen er de ceremonie over. Ze blijken dan alle gezangen minstens zo goed te beheersen als de mannen, en die laten de vrouwen gelaten, ahw schuldbewust, hun gang gaan. De vrouwen laten merken dat de molimo-ceremonie oorspronkelijk een vrouwen-aangelegenheid was.

Wanneer ze hun punt gemaakt hebben, ‘bevrijden’ ze de mannen en trekken zich tevreden terug in hun hutten (hutten maken en onderhouden is vrouwenwerk; de mannen wonen dus in vrouwenhutten). Hierna vervolgen de mannen de molimo-ceremonie tot in het ochtendkrieken.

Op veel plaatsen in de antropologische literatuur lees je dat de mannen de heilige fluiten van de vrouwen geroofd hebben, en niet alleen in Afrikaanse veldonderzoeken. Maurice Godelier, de Franse veldonderzoeker bij de Baryua Papoea’s tussen 1967 en 1988, ook heel belangrijk voor mij, vertelt dat de jongens bij hun initiatie leren dat de heilige fluiten door een voorouder-man gestolen zijn uit het vrouwenverblijf, en tekent de opmerking van een oude man op: “De eerste vrouwen wisten hun macht niet goed te gebruiken. Bijvoorbeeld, ze doodden teveel prooidieren (sic), en veroorzaakten teveel wanorde. Het was nodig dat de mannen hun de macht ontnamen zodat de orde kon terugkeren in de gemeenschap en in de kosmos.”

 

 22. besnijdenis: hoe kwamen onze voorouders zo gek?   

 

De mannen wilden niet langer, zoals in de eervorige paragraaf, braaf toekijken bij de prestigieuze meisjes-initiatiefeesten rond de elima (menstruatiehut). Ze wilden eigen mannen-initiatierituelen. Bij de pygmeeën en de San is het nog niet zover, maar bij de Baruya’s worden de jongens op (gespeeld) ruwe wijze uit de armen van de moeders gerukt, als hun ‘bevrijding’ uit de vrouwenwereld, en voor hun maandenlange initiatie opgesloten in het mannenverblijf. Ik heb bij Godelier niet gelezen dat besnijdenis van de jongens deel uitmaakt van de initiatie. Maar dat is het bij veel stammen in Afrika en bij de Aboriginals wel geworden. Hoe kwamen de mannen toch tot dit vreemde en pijnlijke ritueel?

 

Om de jongens-initiatie als overgang naar de volwassenheid  zo dicht mogelijk op het oorspronkelijke ritueel van de voor het eerst menstruerende meisjes te laten lijken, moesten ook de jongens bloeden. In Afrika werd dit bewerkstelligd door het afsnijden van de voorhuid, maar bij ettelijke Aboriginalstammen heeft het tot nog barbaarsere insnijdingen geleid. De Aboriginals behoren, hoewel ze nog pure VJ’s zijn, niet tot de voorbeeld-gemeenschappen waaraan we nog kunnen aflezen hoe onze vroegere voorouders samengeleefd hebben. Ze horen daar niet bij, omdat Australië, althans in de leefbare stroken van dat woestijn-continent, al lang volgepakt met stammen was. Maar Australië kent (van oorsprong) geen domesticeerbare planten. Dus er heeft nooit landbouw kunnen ontstaan onder Aboriginals. Er zat voor de Aboriginals niets anders op dan hun kinderaantallen niet verder te laten groeien, het te doen met het stamgebied en met de buren een gewapende vrede te onderhouden. Een gedwongen VJ-bestaan. Geen puur en vrij VJ-bestaan, althans niet in de dichtbevolkte delen van het continent.

 

De M’buti-pygmeeën, beschreven door Colin Turnbull, leven al zeker 200 jaar samen met de Bantu-boeren die delen van het regenwoud platbranden om er tuinbouw te plegen. De Pygmeeën zijn natuurlijk begerig naar de ijzeren messen van die boeren en ook de bananen en de palmwijn en de tabak zijn erg in trek bij ze. De boeren van hun kant zijn begerig naar de ­bushmeat  en de honing die de Pygmeeën kunnen leveren. Ook de arbeidskracht van de Pygmeeën bij het omkappen van de percelen voor hun tuinen, en bij het oogsten in oogsttijd, is in trek. De Bantu’s beschouwen de Pygmeeën als hun slaven. De Pygmeeën laten hen in die waan: wanneer ze genoeg hebben van hun tijdelijk vertoeven in het Bantu-dorp (en het bestelen van de plantages), trekken ze gewoon weer het woud in om daar weer een tijd hun eigen vrije leven te leiden. Tot ze weer zin krijgen in palmwijn, tabak en andere Bantoedingen.

Maar in de loop van generatie op generatie zijn de Pygmeeën toch zo verknocht aan wat die domme Bantu-boeren te bieden hebben dat ze zelf grotendeels Bantu zijn gaan spreken. En dat niet alleen: ze laten hun jongetjes ook deel nemen aan het  initiatie-ritueel  van de Bantu’s. Hetgeen ook besnijdenis inhoudt: de Bantu’s beschouwen een Pygmee niet als een man wanneer die niet besneden is.

 

Je kunt je voorstellen wat een frustratie dit betekent voor zo’n vrij opgegroeid pygmee-jongetje, dat nu ineens zo’n barbaarse besnijdenis heeft moeten ondergaan. Het kan er echt met zijn verstand niet bij.

Zijn oom Masalito houdt hem beschermend en troostend vast. Later zal Kaoya het wel begrijpen.

(Foto van Colin Turnbull, 1960)

 

Dus vroeger heerste bij onze voorouders matriarchaat? zullen sommigen nu denken.

Fout!  ‘archè ‘ = Gr. Voor ‘heerschappij. Maar bij de Vroege Mensen, en ook nog heel lang bij de AMM’s zoals bij onze controlegroep (de M’buti, de Hadza en de Bushmen), was niemand de baas. Geen denken aan dat bij VJ’s  iemand de baas kon spelen over een ander. Dat deden de ouders niet eens over hun kinderen. Dat zou ook helemaal niet werken.

 

Ja, voor mij zijn de pygmeeën van Turnbull, samen met nog wat andere pure VJ (Verzamelaars/jagers)- groepen zoals de Hadza en  de San Bushmen, de vandaag nog voorhanden  voorbeeld-gemeenschappen  van de Vroege Mensen. Ze zijn namelijk een soort ‘levende fossielen’ van hoe onze vroege voorouders samenleefden.

 

23. edele wilden

 

Zijn die genoemde voorbeeld-gemeenschappen voor mij ‘edele wilden’?

Juist! Precies! De ‘edele wilden’ bestaan echt.

En dat zijn wij eigenlijk nog steeds! Ten diepste voelen wij dat het leven zoals ik het in de volgende zes punten ga opsommen, eigenlijk zo hoort.

De conventionele paleo’s nemen nog steeds de ‘wilde stammen’ als voorbeeldgemeenschappen voor ons prehistorische verleden. Ze trekken de lijn tussen de oorlogvoerende chimpansees, via de oorlogvoerende ‘wilde stammen’, naar ons-nu, die immers ook oorlogszuchtig zijn.

Fout! Wij zijn pas 10.000 jaar in overpopulatie-stress en dus oorlogszuchtig. Terwijl onze natuur gevormd is in de miljoenen jaren daarvóór. Al die lange-lange tijd waren we vreedzaam. Edele wilden. Niet doordat we toen betere mensen waren, maar doordat vreedzaamheid en harmonie overlevingseisen waren.

 

Ik heb niet lang geleden kennis genomen van een groep progressieve antropologen die, anders dan de conventionele antropologen  niet de vele ‘wilde stammen’ maar de weinige nog resterende pure jager-verzamelaarsgroepjes als voorbeeld-gemeenschappen van ons prehistorische verleden nemen. Zoals ik dat al deed. Maar zij pakken dat wetenschappelijk aan. Ze hebben een vragenlijst opgesteld en die toegestuurd aan alle onderzoekers van juist deze pure VJ-groepjes. Ze hebben dezelfde vragen ook toegepast op de literatuur die over dergelijke maar nu niet langer zo levende gemeenschappen beschikbaar is.

Zeven  eigenschappen springen er uit. Leer ze van buiten als je wilt weten hoe wij eigenlijk zijn.

 

1. Kleine groepen. Weinig groepen. Hun aantallen zijn beperkt, zowel per groep al wat het aantal groepen in het leefgebied betreft. De groepen zijn op elkaar aangewezen voor de overleving, zowel bij noodgevallen als voor het uitwisselen van huwelijkspartners en informatie over het leefgebied.

 

2. Economie. Ze hebben een economie van het genoeg, leven onbekommerd van de hand in de tand, hebben geen zorgen voor morgen. Ze zijn mager maar gezond, zoals normale dieren in het wild plegen te zijn. Ze kennen geen bezit; de spullen die ze nodig hebben, maakt ieder zelf. Als een westerling iemand hunner een horloge cadeau doet, gaat zo’n prachtig ding van hand tot hand; als ze weggetrokken zijn naar een volgende voedselplek, blijft het ding in het zand liggen: ze kunnen er niks mee en elk ding van gewicht is belasting bij het dragen.

Zelfs het land waarin, waarop en waarvan ze leven, met zijn waterbronnen of grondstofmijnen, beschouwen ze niet als bezit, noch van iemand, noch van hun gemeenschap. Andersom beschouwen ze zichzelf als kinderen ervan, en ze dansen-zingen het toe uit dankbaarheid. Wat nieuwe spullen betreft zijn ze niet geïnteresseerd in het bezit ervan maar wel in de kennis om het te maken. Kennis is hun enige bezit; maar die wordt gul gedeeld.

 

  1. Kennis. VJ’s moeten alles weten over de eigenschappen en de vindplaatsen van voedsel, zowel die van de  planten als de dieren. Hun groepen tellen zelden meer dan zeventig individuen; elk individu ervan moet zijn bijdrage leveren voor de overleving van de groep. Elk VJ-individu moet over heel wat meer kennis beschikken dan een individu in een massamaatschappij als de onze. Onderwijs kennen zij niet en dat zou ook volstrekt ontoereikend zijn om elk individu van die vereiste hoeveelheid kennis te voorzien. Maar elk kind wordt (ook bij ons nog steeds) geboren met een enorme drang om te leren, te onderzoeken en zich te oefenen.

Vandaag is dat niet meer zo nodig en wordt die drang door onze opvoeders als hinderlijk ervaren en vaak zelfs ontmoedigd. VJ-ouders leggen  hun kroost niets in de weg: ze hebben zelf nooit anders meegemaakt. VJ-kleuters mogen met alles spelen (scherpe messen, vuur) en in alles meedoen als ze dat willen. Zelfs kleuters zijn vaak al handiger met veel dingen dan volwassen Westerse onderzoekers. Kinderen doen kennis en ervaring spelenderwijs op. Jonge kinderen leren het meest van iets oudere kinderen[32]. Al oefenend wordt hun inbreng steeds betekenisvoller en zo spelen zij zich ongemerkt de volwassenheid in. Hoe belangrijk hun  inbreng voor de groep uiteindelijk ook wordt, het spel-element blijft en de inbreng wordt nooit als ‘werk’ ervaren. Niet eens als verplichting. Hun hele leven is een spel. Depressie is een voor hen nagenoeg onbekende ziekte, zeker zolang de persoon gezond van lijf en leden blijft.

4. Werk. Ieders inbreng in de overleving van de VJ-groep wordt niet alleen spelenderwijs geleverd, maar neemt ook weinig tijd in beslag vergeleken met het werk in een boeren- of arbeiders-samenleving, namelijk gemiddeld drie tot vier uur. Ze kennen geen zondagen (niet eens weken of maanden), dus als we uitgaan van zeven ‘werkdagen’ per ‘week’ komen we hooguit op een 28-urige werkweek, vergeleken bij de 40-urige van vandaag. De vele ‘vrije’ tijd brengen VJ’s door met slapen, kletsen, buurten, spelen met de kinderen, knutselen aan werktuigen, religieus dansen-zingen, kortom ‘socialiseren’.

 

5. Gelijkheid. Deel van hun neiging tot harmonie is het elkaar en zelfs hun kinderen respecteren als volwaardig persoon. Daar hoort het streven naar gelijkheid bij.  Mensen zijn weliswaar verschillend in begaafdheid, maar van niemand wordt geduld dat die zich erop laat voorstaan. Bij een speciaal karwei neemt de meest ervarene de leiding op zich, maar VJ-groepen kennen of dulden geen leiders (chiefs). Iemand kan bijzonder wijs zijn en gezag uitstralen, maar het zou meteen als onwijs worden ervaren als zo iemand zich erop zou laten voorstaan. Trouwens, ook wij vandaag kunnen nog steeds slecht tegen hoogmoed en blaaskakerij, van wie dan ook. We pikken het hooguit knarsetandend.

 

6. Voedseldelen. Of iemand nou veel inbreng heeft gehad of weinig in de dagelijkse maaltijd, of zelfs helemaal geen, ieders portie is even groot. Het respect voor ieders persoonlijkheid verhindert dat iemands niet-deelname aan de inbreng voor het eten als uitvreterij zou worden gevoeld: zo iemand heeft daar zeker haar of zijn reden voor en lijdt er waarschijnlijk zelf het ergst onder.

Er wordt de nodige tijd gestoken in het eerlijk verdelen van het beschikbare voedsel; over een knap gerealiseerde eerlijke verdeling kan nog dagen worden nagepraat. Want eten is voor VJ’s, net als normale dieren levend op het bestaansminimum (voor consumenten moeilijk voorstelbaar) nog belangrijker dan hun Scheppingsverhaal. Erst kommt das Fressen und dann die Moral.

In een consumptiemaatschappij kan die aangeboren neiging om ons vol te proppen als er veel is, ons de das om doen. Eten kan onze vijand worden waar we mee moeten worstelen. Tja, het kan verkeren.

 

7. Scheppingsverhaal. Vooral het laatste miljoen jaar van mens-zijn hebben de VJ’s hun talige wereldbeschouwing beleefd in het dansen-zingen van het Scheppingsverhaal ervan. Elke lieve speeldag werd besloten met dansen-zingen rond het kampvuur. Doorgaans was elke avond Feierabend: ze leefden er hun dagen van verzamelen-jagen naar toe en maakten zich er mooi voor, met beschildering, piercings en veertjes.

Toen was geluk heel gewoon. Natuurlijk was eraf en toe hommeles, meestal als gevolg van een voor iemand onacceptabele vrijage, en dan kon het er heftig aan toe gaan. Tot iedereen het welletjes vond en de wijze vrouw of man tussenbeide kwam op het juiste moment. Maar qua wereldbeschouwing was er in ieders geestelijke leven het ene vaste punt: het Scheppingsverhaal.

 

Het is heel belangrijk om deze zes punten in je op te nemen om een beeld te hebben van ‘hoe het hoort’ tussen mensen. Zo zijn wij, en niet anders. Maar helaas, onze ’recente’  geschiedenis is er tussen gekomen.

 

Ook bij pure VJ’s wel eens hommeles, zei ik. Maar ik ken ook een verhaal van de San Bushmen, waar iemand in razernij twee mensen dood schoot. Vervolgens vluchtte hij. Zoiets  kan niet getolereerd worden. Twee mannen volgden het spoor van de moordenaar en  doodden hem.

Kent u Ötzi, de ijsmummie die na 5000 jaar uit een gletsjer op de grens tussen Italië en Oostenrijk tevoorschijn is gekomen in perfect geconserveerde toestand? Ik vermoed dat die ook zo’n op de vlucht geslagen moordenaar is geweest. Zijn spoor werd gevolgd door een paar aangewezen hitmen, tot hoog in de alpen en ook hij ontkwam zijn lot niet. Waren deze Ötzi-mensen nog ‘edele wilden’? Vermoedelijk waren ze AGR’s. De paleo’s hebben achterhaald waar Ötzi vandaan kwam: van een sedentair gemeenschapje.

 

24. de AGR’s

 

Wanneer wij van nature ‘edele wilden’ zijn, waarom heeft ons samenleven daar dan zo bedroevend weinig  van weg?

Mijn voorbeeld-gemeenschapjes (Pygmeeën, Bushmen en Hadza) leven nog zoals de AMM’s 50.000 jg allemaal nog leefden: als ‘edele wilden’. Maar, zoals ik al ettelijke malen benadrukt heb,  vanaf 10.000 jaar geleden zijn steeds meer AMM-groepen in een overpopulatie-situatie komen te verkeren. Te veel groepen in een toch altijd beperkte regio. Dan wordt het vechten voor de overleving. En oorlog maakt mannen belangrijk. Net als bij de chimpansees, van wie de leefgebieden gedurende de ijstijden tot wel vijftig keer toe zijn ingekrompen en die daardoor ook machistische vechtersbazen zijn geworden. Ik heb zelfs gesuggereerd dat dit ‘trap 2’-gedrag van overlevingswaarde is.

De ‘wilde stammen’ die voor de conventionele paleo’s voorbeeld zijn, zijn de Yanomamö, beschreven door Napoleon Chagnon in The Fierce People (1983) en de Bergpapoea’s van Nieuw Guinea en nog vele, vele andere  ‘wilde stammen’, zo geheten omdat ze permanent in oorlogvoering verwikkeld zijn of onder de dreiging ervan leven, zijn geen pure VJ’s meer zoals mijn voorbeeld-gemeenschapjes, ze zijn Tuinbouwers. Hun hoofdvoedsel (plantins dan wel zoete aardappelen) telen ze in tuinen van platgebrand bos. Ze zijn dus voedseltelers.

 

Voedseltelers staan anders in het leven dan de nomadische voedselscharrelaars zoals hun voorouders vanaf de vroegste tijden geweest waren. Daarom noem ik ze AGR’s. Een handige aanduiding omdat er zowel ‘agrariër’ in zit als ‘agressie’.

Ook al zijn de ‘wilde stammen’ dus niet bepaald ‘edele wilden’ meer, ze hebben er vaak nog wel hartveroverende trekken uit overgehouden. Vandaar dat de missionarissen van de 17e eeuw er in hun verslagen vaak zo hoog over opgaven: dat die wilden eigenlijk veel aardiger waren dan wij, westerse Christenen. Vandaar dat Rousseau ze als ‘edele wilden’ aanduidde en ze liet contrasteren door de door geld en bezit verworden westerlingen. Vandaar ook dat deze aanduiding in diskrediet raakte toen bleek dat ze toch oorlogszuchtig waren en wreedheden bedreven.

 

De AGR’s met  de VJ’s vergelijkend, waarin uit zich dan precies het verschil? Nogmaals, ik ontleen mijn kennis vooral aan Colin Turnbull’s prachtige boekje The Forest People (1961). Dus voor mij laat

het geloof van de Pygmeeën enerzijds en dat van de Bantu’s anderzijds  het duidelijkst dit verschil zien.

De Pygmeeën hebben een aanvaardende houding tegenover het lot en de Bantu’s een controlerende. Dat is het verschil in een notendop.

 

De Pygmeeën, voedselscharrelaars, nemen het leven zoals het komt. Ze kunnen enorm huilen bij iemands overlijden, maar als de overledene eenmaal ter aarde besteld is dan is dat bij hen ook letterlijk ‘zand erover, en dan wordt er verder geen woord meer aan vuil gemaakt. Ze praten ook nooit meer over overledenen; het zou hen alleen maar van streek maken en het heeft geen enkel nut.  Het Regenwoud is voor hen de schenker van alle goed: van voedsel in de vorm van paddenstoelen, honing en prooidieren. Ze hebben een ongeschokt vertrouwen in het Regenwoud. Bij goede tijden danken ze het en bij slechte tijden zingen ze tot het Regenwoud zodat dit wakker wordt en de dingen weer in orde maakt voor ze.

 

De Bantu’s hebben een controlerende houding doordat zij hun voedsel zelf telen. Ze voelen macht over hun voedsel, en daardoor ook macht over de natuur. Die moet doen wat zij wensen. Wanneer de oogst mislukt komt dat ergens door, en dus moeten er maatregelen getroffen worden. Als iets niet goed gaat is (iemand ziek wordt, iemand dood gaat) het altijd iemands schuld. Om de dingen weer in orde te krijgen moet de schuldige gevonden worden en gestraft. Ze hebben sjamanen die optreden als specialisten in het contact met de geesten.

Omdat ze door overpopulatie hun vrije VJ-bestaan hebben moeten prijsgeven in het verleden, zijn de mannen de baas. Mannen zijn regelneven. Hun samenleving ligt vast in taboes en ongeschreven wetten, rituelen en protocollen.

 

Geesten? Het geloof in geesten– of zielen, dat is hetzelfde – is al heel oud en komt voort uit het dromen. Iemand droomt over haar moeder, ziet haar bezig met dingen en hoort haar praten. Na het ontwaken weet ze zeker dat haar moeder dood en begraven[33] is. Maar in haar droom was moeder echt levend. Voor de Vroege Mensen was het duidelijk: van de overledenen bleef er iets buiten het lichaam voortbestaan dat je in je droom kon bezoeken. Dat was de ziel/geest van iemand.

 

De Bushmen en de Pygmeeën houden van verhalen. (Natuurlijk houden ze van verhalen, dat snappen wij intussen: ze scheppen verband in de chaos van de massa namen voor de dingen.) Zoals dat de sterren aan de nachtelijke hemel zielen zijn, die naar ons twinkelen, of glimwormpjes die van duisternis houden en op de vlucht slaan als de zon boven de kim tevoorschijn komt. Geloven jullie dat? vroeg een onderzoeker. Natuurlijk niet, antwoordde de Bushman, overdag is het veel te licht om dan sterren te zien. Maar wij houden van verhalen

De Bushmen, de Pygmeeën en de Hadza beleven de verhalen zoals onze kinderen spelen. Kinderen spreken met elkaar af: ik was de dokter en jij was de zieke. En dan spelen ze diep serieus de dokter en de zieke, anders is er niks aan. Maar ze zouden gillend weglopen als iemand echt zou denken dat hij dokter of zieke was. Dan zou er iemand gek geworden zijn, dan zou het spel eng worden.

 

Bij de Bantoes is dat nou juist het geval. Die beleven hun verhalen als werkelijkheid. Bij hen zijn de geesten van de overledenen echt de baas. De overledenen leven echt voort in de geestenwereld. Alles moet in het werk gesteld worden om de overledenen tevreden te houden. Alles moet volgens de in de traditie vastgelegde wetten geschieden, anders worden de geesten der voorouders kwaad en laten die de oogsten mislukken en breken er ziekten uit. De sjamaan is de specialist die in trance contact legt met de geestenwereld en die kan ‘vernemen’ waar de fout zit die hersteld moet worden. Geen wonder dat de M’buti hun Bantoes niet goed snik vinden.

 

Mannen zijn vanuit onze culturele evolutie  niet toegerust om de baas te spelen – net zo min als de vrouwen dat zijn – en ze zijn al helemaal niet toegerust om be-baasd te worden. Het is juist door hun onzekerheid dat de mannen zo raar begonnen te doen. Het doet sterk denken aan pubergedrag.

De mannen overschreeuwden hun onzekerheid, met steeds bruter optreden tegen hun vrouwen, geholpen door hun meerdere kracht en door het feit dat ze vanouds over wapens dienden te beschikken. Ze verboden de aanwezigheid van vrouwen bij hun mannenrituelen, nieuwsgierige meisjes werden weggejaagd en bedreigd met boze geesten. Later gingen ze zover dat ze de vrouwenrituelen en elima’s verboden. En om hun hun jongens-initiatiehutten in het basiskamp zelf te bouwen.

 

Het dient gezegd te zijn dat dit wangedrag van de mannen het ergst was waar de stammengevechten door plaatselijke populatiedruk het hevigst was. Het meest bruut is het mannengeweld bij de Bergpapoea’s in Nieuw Guinea, en op veel eilanden, waar de omringende zee verdere uitbreiding onmogelijk maakt. De Yanomamö in de Amazoneregio zijn ook beruchte macho’s.

Maar waar populatiedruk laag bleef, bleven de verhoudingen tussen de seksen meestal meer egalitair.

 

Naarmate de millennia verliepen en de landbouweconomie zich breder verbreidde, kregen de sjamanen  het steeds drukker en werden ze steeds belangrijker voor de boeren.  De sjamanen bedachten steeds gecompliceerder theorieën over de geesten en dichtten niet alleen mensen maar ook dieren en dingen een geest toe. Dat geestengeloof heet animisme.

 

De VJ’s hebben daar nooit aan gedaan, tenminste, afgaande op mijn ‘controlegroep’. Die staan tamelijk nuchter in het leven, vanuit zichzelf. Maar ze hebben natuurlijk geen verweer tegenover de boerensjamanen of missionarissen, geen wetenschappelijke argumenten of zo.

 

Het animisme ging naadloos over in de godsdiensten zoals wij ze nog steeds kennen. In de Islamwereld waren de geesten (djinns) nog volop rond, maar ook in het Christendom is de Heilige Geest nog steeds belangrijk voor je ziel. Ik heb altijd met een stalen gezicht bij ter sprake gekomen van de ziel met volle overtuiging beweerd dat ik zonder ziel leefde, en heb hem inderdaad nooit gemist. Ziel is gewoon hetzelfde als geest en dat is weer hetzelfde als iemands denkvermogen, Het is alleen omdat men zich ongaarne voorstelt dat dat denkvermogen verdwijnt als het lichaam er mee ophoudt. Maar Wittgenstein, toch een ongelovige, stelde in zijn Filosofische onderzoekingen (1953):   “Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.” Mijn dierbare vriend Bert Keizer schreef recentelijk een boek Waar blijft de ziel? (2012), weliswaar als kritiek op de neurologen die stellen dat we niet meer zijn dan ons brein. Maar ja, filosofen, hè. Die weten niets over de mens.

 

25. vanwaar in de godsdiensten de angst voor seksualiteit?

 

De onzekerheid van de mannen (bedenk nogmaals dat 99% van de tijd het de vrouwen waren geweest die de beslissingen namen) leidde op veel plaatsen tot steeds ergere vrouwenonderdrukking. De oudere mannen palaverden veel  met elkaar over hoe te denken over de dingen en over hoe de jongeren zich dienden te gedragen.  De oudere mannen, bij wie de hormonen uitgeraasd waren en die de wijsheid in pacht hadden, vonden het verkeerd  dat de jonge meiden blijkbaar toch nog zoveel macht hadden over de jonge mannen op seksueel gebied. Seksueel verlangen maakte dat hun jongemannen zich uitsloofden voor een meisje, probeerden bij haar in het gevlei te komen en dus zo aardig mogelijk deden. Wat een vernedering voor mannelijkheid. Wat een  zwakheid. De oude mannen gingen seksualiteit steeds meer als iets verwerpelijks zien. Ze gingen taboes bedenken en vernederende regels. Wat? Wetten.

 

BESNIJDENIS. Ze gingen het een fout vinden dat wel de jongens besnijdenis moesten ondergaan en dat de meisjes dat niet hoefden.  Hier en daar – het gebruik ontstond waarschijnlijk in de regio van wat nu Soedan is – gingen ze besnijdenis op meisjes toepassen: zodat die later zelf geen seksueel genot meer konden voelen. Dat zou die meiden wel in toom houden. Ze dienden maagd te blijven.

 

MAAGDELIJKHEID. Ja, vanwaar die mannelijke bezorgdheid over de maagdelijkheid van de meisjes? Die is ook een gevolg van de mannelijke oorlogvoering. Bij de overwinning op een ander dorp hoorde behalve het afslachten van de mannelijke tegenstanders ook het verkrachten van de vrouwen en meisjes. Heel gewoon. Maar als een man nou een vrouw wilde voor een eigen gezin, of een extra vrouw er bij, dan wilde hij er wel zeker van zijn dat die niet zwanger was van een andere man. Hoe kon hij daar zekerder van zijn dan wanneer het meisje nog maagd was? Dus dat werd geleidelijk een voorwaarde voor een meisje om in aanmerking te komen voor een huwelijk. Zo beslisten de raden van de oude baardmannen. Trouwen met een negenjarig kind? Moet kunnen.

 

De latere godsdiensten (mannen-uitvindingen) hebben de vrouwenonderdrukking en de angst voor seksualiteit (vrouwenmacht) alleen maar in goddelijke geboden en verboden bevestigd, zoals we nu gaan zien. God wil het, zo beslisten de baardmannen. Maar … besnijdenis van hun dochters wordt ook door de vrouwen gehandhaafd. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Wel, vrouwen zijn religieuzer dan mannen, vrouwen zijn conservatiever dan mannen (denk aan de vuistbijl, de vrouwenbeeldjes, het moeilijk afstand doen van manieren om de dingen te doen zoals hun moeders het deden). Vrouwen zijn loyaler aan de heersende cultuur dan mannen. De (baard)mannen zijn alleen maar zo handhaverig omdat ze daarmee hun bevoorrechte positie als man in een mannenmaatschappij handhaven. Alleen daarom.

26. de laatste belangrijke vrouwen-uitvinding: de landbouw

 

Hoe erger de stammenstrijd, des te bruter gingen de mannen tegen de vrouwen te keer. Alle mogelijke regels en taboes vonden ze uit. Vrouwen mochten nooit mannenwapens aanraken. Bij de Bergpapoea’s mogen de vrouwen zelfs geen gebruik maken van de paden van de mannen. Maar waar de stammen manieren gevonden hebben om in vrede met elkaar om te gaan, is de positie van de vrouwen ook veel gelijkwaardiger. Maar nergens is het meer zoals het bij de Vroege Mensen zoals de Neanderthalers vermoedelijk geweest is. (Jane Auel, De Stam van de Holenbeer ea, heeft zich in haar romans wat de man-vrouwverhoudingen te braaf aan de heersende opvattingen onder de antropologen gehouden. Al mag haar vrijgevochten Ayla-figuur er zeker zijn.)

 

Mannen grepen de macht. Hebben vrouwen nooit gedaan. Er is, nogmaals, nooit matriarchaat geweest. Vrouwen stonden gewoon het hoogst in aanzien. Daarom hebben de mannen altijd gedaan wat de raad van ouderen vrouwen voor hen ‘voorkookten’. Dat was alles. Daardoor bleef alles altijd bij het oude, en was er vrede en geluk. Het is de overpopulatie (teveel groepen in één regio) die de oude ‘edele wilden’-verhoudingen overhoop heeft gegooid.

Het begin van de landbouw bracht echter een terugkeer naar de vreedzame verhoudingen: landbouw was vrouwenwerk, en de vrouwen kwamen weer hoog in aanzien. Maar toch wrong er iets bij de mannen.

 

De landbouw begon in de Levant, zei ik. Dat kwam doordat daar, vooral op de hellingen van het Zagros-gebergte waar de bronnen van de Tigris en de Eufraat ontspringen (Mesopotamië) maar ook in Palestina, wilde grassoorten groeiden met voedzame korrels. De vrouwen oogstten die door met hun graafstok tegen de halmen te tikken en de korrels op te vangen in een korfje. Die korrels kon je fijn wrijven op een platte steen, met een ronde maalsteen. Je kon er veel voedzame gerechte mee maken (later zelfs alcoholhoudende drank). Maar het belangrijkste, je kon de voorraad korrels heel lang bewaren als je de opslag wist te beveiligen tegen muizen. Tot het volgende seizoen, waarin je de mooiste korrels kon uitzaaien en later rijkelijk beloond worden door Moeder Aarde.

Het heeft een ‘revolutie’ betekend, een omwenteling in het menselijk bestaan. Alweer: vrouwen-uitvinding. Maar het heeft de vrouwen veroordeeld tot elke dag urenlang graan malen. Op deze  vermoeiende en rsi- pijn veroorzakende manier – de tekening laten de plekken zien waar door heel veel vrouwen in het verleden ondraaglijke pijn geleden moet zijn.

 

Maar wat wrong er nou bij de mannen? Voor de mannen betekende het, dat ze gedwongen werden, hun vrije jagersbestaan en dus hun status op te geven en ook maar boeren te worden. Want wat moet je anders wanneer de vrouwen bij de graanbestanden willen blijven om ze in de gaten te houden zodat vrouwen van groepen elders hen niet voor zouden zijn bij het oogsten? En als ze daar stenen hutten willen (tegen de muizen en ratten)? Er is geen andere keus dan bij de vrouwen te blijven. De prooidieren in de omgeving zijn binnen de kortste keren overbejaagd. In de opgravingen treffen de archeologen de fossiele dierbotten van steeds kleinere soorten aan.

Trouwens, die stenen behuizingen eisten ook steeds meer mannenwerk. Het betekent dorpsleven, velden bewerken, heel anders in het leven en in de religie komen te staan. Blijf de ‘wet’ in gedachte houden: mensen denken conform de heersende economie.

Maar ergens, diep in hun onbewuste, zijn de mannen het de vrouwen kwalijk blijven nemen dat die hen gedwongen hebben hun vrije nomadische jagersbestaan op te geven in ruil voor een kommervol gezwoeg op veldjes die maar hooguit een jaar of twee vruchtbaar blijven, waarna ze weer nieuwe bomen om moeten hakken en platbranden. Van VJ tot AGR worden.

Dat Eva de mens uit het paradijs (van het vrije VJ-bestaan)  verdreven heeft, klopt dus ergens wel! Vandaar mijn voorplaat.

 

De vrouwenuitvinding van de landbouw betekende een economische revolutie. Het graan moest veilig tegen muisvraat worden opgeslagen, dus stenen bergplaatsen en hutten. Dat werd mannenwerk. Toen de mannen de woeste oerrunderen hebben weten te domesticeren en als ossen voor hun ploegen en karren hebben weten te spannen, zijn de mannen volledig boeren geworden. Maar nog heel lang zijn de vruchtbaarheidsrituelen vrouwenrituelen gebleven, met vrouwenbeeldjes en al.

 

Ze geloofden heel erg in geesten. In goede en in slechte, overal geesten, en hoe ze op dat idee gekomen waren heb ik al verteld.

Als VJ’s maakten onze voorouders daar niet zo’n punt van. Zoals ik al zei hielden ze heel veel van verhalen maar ze bleven wel nuchter: ze wisten dat het maar verhalen waren. Net als kinderen weer: die spelen heel ernstig ‘vadertje-en-moedertje’ of ‘winkeltje’ (want anders zou er niks aan zijn) – terwijl ze evengoed weten dat het spel is. Als je je in deze kunt verplaatsen naar je kinderlijke beleving, kun je dat ook naar de geestenwereld van onze VJ-voorouders.

 

Maar als voedsel-telende AGR’s, met hun veldjes, afhankelijk van wel of geen regen en van andere factoren die de opbrengst beïnvloedden, werden onze voorouders, vooral toen de mannen ook boeren geworden waren, steeds bijgeloviger. De sjamanen, die met hun toverijen oplossingen moesten verzinnen voor onoplosbare vragen, bedachten steeds ingewikkelder theorieën met steeds meer soorten geesten in de hoofdrol. De overledenen ‘hielden de levenden vanuit hun onderwereld in de gaten’ en werden steeds belangrijkere factoren voor de bovenwereld van de levenden, werden steeds veeleisender in de offers. Vandaag noemen we het ‘voorouderverering’.

De hoofdfiguur van de vroegere Scheppingsverhalen, de Grote Voorouder (het oorspronkelijke groepje eerste kolonisten van het stamgebied) verdween overigens niet helemaal: daarvoor zat Hij te diep in het overgeërfde denken.  Hij overleefde als een Allerhoogste Scheppende Figuur, ergens daarboven, die zich verder niet meer met de wereld bemoeide.  En bij ons, consumenten, overleeft Hij in het gevoel dat er IETS moet zijn.

 

Angst voor boze geesten. Groeiende macht van de sjamaan die ook voor de gemeenschappelijke opslag van het graan zorgde in de vroege boerendorpjes.  In het tempelcomplex van het groeiende dorp. De sjamanen werden priesters,  vrijgesteld van het boerenwerk. Ze hielden de administratie bij van wat elke familie inbracht in de  gemeenschappelijke opslag van landbouwproducten. Administratie vereist een vorm van opschrijven. Dat leidt tot schrift. Een familie die tegenslag heeft gehad, krijgt van de voorraad nieuw graan om te zaaien … maar met de velden van de familie als onderpand. Wanneer de familie niet kan terugbetalen, worden de velden bezit van de tempel en worden de leden van de familie lijfeigenen van de tempel.

Ontstaan van verschillen in aanzien tussen de altijd zo egalitair aangelegde mensen.

 

Dorpen raken in conflict over de toegang tot water. Het sterkste dorp, onder leiding van een hoofdman, neemt de vrouwen en de velden van het overwonnen dorp in BEZIT. Ook de op volle gang gekomen handel zorgt voor strijd om toegangswegen en bronnen van rijkdom. De overwinnende hoofdman wordt koning en zijn trawanten worden edelen. Hun dorpen worden steden, met enorme tempels en paleizen.

Afbeelding hiernaast: zo moet de ‘Toren van Babylon’ er ook uit gezien hebben. Gebouwd door tot slaven en horigen  geworden overwonnen stammen. Die spraken allemaal hun eigen taal of dialect: Babylonische spraakverwarring volgens de Bijbelschrijvers die er in Babylon mee kennis maakten.

 

BEZIT. Een nieuw verschijnsel in de mensheid. En geen best. Alles is in wezen gemeenschappelijk. Ga je schoenen maar na. Heb je die zelf gemaakt? Het leer dan misschien? De veters? Het idee om ze zo te maken? Het idee om überhaupt schoenen te dragen? En dan heb ik het alleen nog maar over je schoenen, maar kijk eens om je heen, naar de dingen die je jouw bezit noemt. Voor de VJ’s was zelfs hun leefgebied en hun waterbron geen bezit, niet van iemand van hen noch van hun leefgroep als geheel. Ieder maakte haar/zijn eigen spullenen het enige wat voor hen vooral waardevol was, was de kennis over waar je dingen vindt en over hoe je dingen maakt. En zelfs die kennis deelden ze ruimhartig.

 

HOOFDMAN. Heeft die het privébezit ingevoerd? Nee hoor. Om hoofdman te zijn en te blijven moest je de beste, de voortreffelijkste, de meest onbaatzuchtige en evenwichtige zijn. Een hoofdman wordt gekozen door zijn gelijken; die kiezen geen onbetrouwbaar en zelfzuchtig iemand.

Maar zijn zoons, dat is een ander verhaal. Die stonden onder invloed van de trawanten van de hoofdman, en die waren veelal kwade geniusssen. Ze waren net niet goed genoeg om hoofdman te worden, maar verder zijns gelijken. De hoofdman droeg de verantwoordelijk, maar achter zijn rug konden de trawanten hun zelfzuchtige doelen nastreven zoor zoons dan wel kleinzoons van alles wijs te maken en te beloven.

LOFZANGERS. Belangrijke trawanten waren de lofzangers. Hoe hoger zij de hoofdman in aanzien wisten te doen stijgen, des te hoger stegen de trawanten mee. De grofste mensenrechtenschendingen werden door hen, immers veilig achter de rug van de hoofdman, als heldendaden bejubeld. De lofzangers waren de eerste ideologen.

 

Slaags geraakte koninkrijken worden deel van een keizerrijk. Het bewind daarover vereist een stoet van geleerde ambtenaren en schrijvers. Hun opleiding vereist onderwijs, scholen.

Het schrift leent zich tot brieven, tot boeken, tot literatuur. Beschaving.

Beschaving klinkt goed. Maar het houdt in wezen in dat onderworpen gemeenschappen hun taal en religie kwijtraken en de religie en taal van het rijk moeten aannemen. De ouderen blijven treuren; hun kinderen leren het noodgedwongen te accepteren. De kleinkinderen kennen niet anders en vinden de grootouders maar zeuren.

Er hangt veel leed in de coulissen van de beschaving. Maar ook vooruitgang.

Is vooruitgang goed? Niet gaan zeuren nou. Mensen zijn zo apart geworden doordat ze de dingen namen gingen geven, gingen ‘begrijpen’. Ze zijn de weg op gegaan van het steeds beter begrijpen van de dingen.  Er is geen terug op die weg, alleen een ‘vooruit’. Val maar terug op de VJ in je: maak er niet zo’n punt van. Beleef je leven als een spel.

 

 

27. wilde stammen (tuinbouwers)

 

De leefgroepen van de Vroege Mensen zoals die zingend rondtrokken in hun voorouderlijke voedselgebied, telden te oordelen naar de gevonden kampementen twee, hooguit drie ‘hutten’, van naar schatting elk vijf tot tien mensen. Dus telde een leefgroep hooguit vijfentwintig vrouwen, kinderen en mannen.

De leefgroepen van de AMM’s konden heel wat groter zijn. Maar meer individuen dan zo’n 150 kon ook hún leefgroep niet tellen, want dan ontstonden er al gauw spanningen. Dan besloot een groepje jonge mensen om een nieuw stamgebied in gebruik te gaan nemen. Hetgeen leidde tot de geboorte van weer een nieuw Scheppingsverhaal.

Maar het tempo van het in gebruik nemen van een nieuw leefgebied lag bij de AMM’s ook veel en veel hoger dan bij de Vroege Mensen. En dan is de wereld zo vol!

Dan komen de vrouwen, aangekomen op de volgende kampplek – hun takkenhutjes in elkaar gestoken hebbende en op pad gegaan om het maal voor de avond bij elkaar te scharrelen terwijl de mannen al meteen op jacht gegaan waren – aan bij de struiken of voorkomens van hun voormoederlijke voedselplanten en vinden die tot hun ontzetting al leeg geoogst! Al leeggeplukt door vreemden!

 

Van één territorium kan maar één groep leven. Komen er teveel groepen in een altijd beperkt voedselgebied (hoe groot ook) dan wordt het vechten voor de overleving. Dan vinden de taferelen plaats zoals mijn gruwelverhaal dat ik in par.3 aangaande de menselijke natuur heb weergegeven.

 

Nogmaals, ook deze mensen waren nog steeds hypersociaal. Maar – alleen voor hun eigen mensen. Die vreemdelingen waren voor de clan geen mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild, dat je nodig moet uitroeien. Dit afschuwelijke gedrag maakte hen niet minder sociaal. Het was ‘goed’ gedrag: het diende hun overleving. Van één gebied kan maar één leefgroep leven. Er was voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden.

 

Ook hun populatiegroei werd niet in banen geleid. Hun leefgroepen groeiden als kool. Het werd dringen in de jachtgebieden. En toen overkwam de mensen hetzelfde als wat de chimpansees 2,5 miljoen jaar eerder al overkomen is toen hún leefgebieden door de oprukkende ijstijden inkrompen – en na duizenden jaren weer uitbreidden en dan wéér inkrompen, en zo tot twintig keer toe. Overpopulatie. Dan wordt het vechten voor de overleving.

 

Vechten is mannenwerk. De vrouwen gingen het gewelddadige in hun mannen en jongetjes als een goede eigenschap zien, en stimuleren.

De mannen hadden tot dan toe altijd de tweede viool gespeeld. Nu kwamen ze tot de ontdekking dat hun sekse toch eigenlijk wel verdomde belangrijk was! En dat hún rituelen toch eigenlijk véél belangrijker waren dan die belachelijke vrouwenrituelen!

En ze maakten zich meester van de heilige fluiten[34]. Ze trokken zich terug in de bossen of in diepe onderaardse grotten om daar, niet gestoord door de vrouwen, hun eigen initiatierituelen te houden.

 

Mannen zijn (als sekse) onvolwassener dan vrouwen. Vrouwen hebben (als sekse) de verantwoordelijkheid voor meer dan zichzelf. Altijd al gehad. Vanaf de vroegste tijden. De mannen vinden kinderen wel leuk, hoor. Maar er verantwoordelijkheid voor dragen, dat niet natuurlijk. Kinderen is vrouwenwerk. De goede mannen niet te na gesproken. Maar verantwoordelijkheid is (dgmntng) niet de sterkste kant van mannen. Mannen kennen alleen verantwoordelijkheid voor zichzelf. En houden bij het behartigen ervan nergens anders rekening mee (dgmntng) dan met medemannen.

Mannen blijven altijd pubers. Meisjes beginnen al vroeg (de slechte vrouwen niet te voor gesproken) verantwoordelijkheidsgevoel aan de dag te leggen en zich verzorgend te gedragen. Met poppen en troeteldieren als er zo gauw geen kleine kindjes voorhanden zijn.

 

Mannen hebben dan ook nooit verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van de leefgroep hoeven dragen. Niet eens de spullen voor de onderkomens of het hout voor het vuur. De mannen droegen alleen hun eigen wapens, en daar stonden ze mee op en daar gingen ze mee naar bed. De vrouwen droegen alles, ook de verantwoordelijkheid, voor de kleintjes, voor de ouden, voor alles en iedereen. En dat al zes miljoen jaar!

En in al die lange tijd dat we VJ’s zijn (Verzamelaars/Jagers, weet je nog?), die twee miljoen jaar waarin onze menselijke natuur (zie par.3) gevormd is, is dat goed gegaan. Maar nu ontstond er overpopulatie onder de AMM’s, in Afrika en werd onze VJ-natuur voor het eerst aangetast.

 

Oorlog maakt mannen belangrijk. Dat zei antropoloog Marvin Harris al, in zijn Our Kind (vert. Onze Soort, Baarn 1989). En dan krijgen de mannen het hoog in hun puberale bollen en gaan ze zich tegen die machtige vrouwen afzetten. Hoe erger de overpopulatie (teveel groepen in één gebied), hoe erger de oorlogvoering en hoe erger de mannen tegen hun vrouwen tekeer gaan.

Dat was voor de intellectuelen die eerst omtrent de primitieve mensen hadden ‘meegekregen’ dat die zo aardig waren, een tegenvaller om te vernemen dat ook die primitieve mensen helemaal niet zulke gelukkige ‘edele wilden’ waren maar dat die ook oorlog voerden en zich aan wreedheden te buiten gingen. Koren op de molen van de pessimistische filosofen die altijd al de mens als van nature barbaars hadden voorgesteld. En ze verwelkomden het boek The Fierce People  van antropoloog Napoleon Chagnon.

Dat is ook voor mij nog een van de belangrijkste boeken in mijn biebje. Maar ik weet nu dat de Yanomamö (waar zijn onderzoek over gaat) geen VJ’s meer zijn maar Tuinbouwers.  De Yanomamö trekken nog een paar maanden per jaar als VJ-groep rond in hun krappe territorium. De Bergpapoea’s van Nieuw Guinea kunnen helemaal niet meer rondtrekken en hebben zich moeten verschansen achter hun palissaden.

De Yanomamö-mannen achten hun vrouwen tot weinig in staat (behalve voor de kinderen zorgen natuurlijk en voor het vuur en voor het bereiden van het maal en voor het tuinwerk en voor het aanvoeren van brandhout). De vrouwen praten met een jankerige stem en vinden het normaal dat hun man hen slaat: daar is hij man voor. De mannen doen het zware werk in de tuinen, zoals bomen kappen als er een nieuwe tuin in gebruik genomen moet worden, en het afbranden van het gekapte perceel. Als het tuinwerk klaar is, maken de mannen zich op en nemen drugs en zingen de oeroude scheppingsverhalen. Maar de vrouwen moeten dan eerst nog brandhout halen, voordat ook zij zich mooi kunnen maken met veertjes en stokjes door hun wang, en mee kunnen gaan zingen.

De Bergpapoea-mannen maken het helemaal bont. Bij hen zijn de vrouwen echt slavinnen. De mannen voeren hen ’s morgens buiten de palissaden en laten hen al het zware werk doen terwijl de mannen zwaarbewapend de wacht houden, kletsend en lachend met elkaar, maar voortdurend uitspiedend naar eventuele overvallers van het naburige dorp waar ze permanent mee in oorlog zijn en waar ze gaan ‘koppensnellen’ voor hun prestige.

Ze leven van zoete aardappelen en varkens. Het vlees is voor de mannen, de vrouwen leven op de rand van de hongerdood. De mannen kunnen zelfs de geur van vrouwen niet verdragen; hun dorpen hebben aparte paden waar de vrouwen geen voet mogen zetten, die moeten maar omwegen gebruiken. Scheppingsverhalen en andere rituelen kennen ze al lang niet meer: luxe.

 

Het is de overpopulatie die de klad heeft gebracht in de gelukkige VJ-natuur van de AMM’s. De eerste overpopulatie-toestanden deden zich, binnen het geheel van het menszijn vanaf 2 miljoen jaar geleden, voor het eerst voor onder AMM-populaties van Afrika. Ze hebben eerst dat hele continent bevolkt, tot zelfs de regenwouden rond de evenaar toe. De regenwouden zijn voor mensen nog onleefbaarder dan de woestijnen. Kun je nagaan.

In warme klimaten, en vooral in regenwouden, is het van voordeel als je een kleine gestalte hebt. De pygmeeën en de San-volken zijn voorbeelden van deze aanpassingen. Ze behoren in alles (zowel hun DNA als hun talen) tot de meest oorspronkelijke AMM’s.

 

De oorlogvoering, dus ook het machisme, de mannelijke dominantie, hebben bij de vroege AMM’s waarschijnlijk slechts lichte vormen aangenomen. Maar van de oorspronkelijke vrouwelijke dominantie, die de ’onaangetaste’ VJ’s zoals de Vroege Mensen waren (toen de wereld nog eindeloos groot was) is bij de San of de Efe, hoe weinig ‘aangetast’ dan ook, geen sprake meer. Dus ook de emigranten van OoAIIb, waar wij, de niet-Afrikanen, allemaal van afkomstig zijn, waren ‘aangetaste’ VJ’s. Ik ben daar zo van overtuigd omdat je nergens ter wereld meer echte vrouwelijke dominantie hebt, en wel overal, tot in de verste uithoeken van Vuurland en Australië, min of meer mannelijke dominantie.

 

Mannen (dgntng) kennen weinig verantwoordelijkheidsgevoel en zoeken altijd de grenzen op. Bij de Vroege Mensen waren de vrouwen dominant. Voor vrouwen hoeft er niks te veranderen wanneer het eenmaal ‘werkt’. Vandaar meer dan een miljoen jaar lang geen spoor van verandering of vooruitgang. Mag ik daar nog een staaltje uit eigen waarneming aan toevoegen?

 

Twee jaar geleden nam ik met een kameraad deel aan de Neandertal Convention in Tongeren. Leuk, al die grote paleo’s die je alleen maar uit de literatuur kent, zie je en spreek je daar in levenden lijve. Ik ontmoette er zelfs Jane Auel, weet je wel, schrijfster van De stam van de holenbeer.[35] Na afloop gezamenlijk bezoek, in bussen, aan naburige NT-sites. In Veldwezelt-Hezenwater werden we gewezen op de sporen van twee NT-kampen; één uit het Eemien (de warme periode van rond 130.000 jg) en één van 34.000 jg. Mijn kameraad vroeg: is er ook verschil in stenen werktuigtechniek te zien tussen die beide vindplaatsen? Antwoord: nee, geen enkel verschil!

 

Dat was bij de AMM’s wel anders! Ze breidden zich uit als een plaag. Vooral langs de kustlijnen. Ze waren vissers. En ze gebruikten waarschijnlijk ook al heel vroeg boten, van wat voor materiaal dan ook en hoe dan ook vervaardigd. Vlotten van riet of bamboe. Als je een mat van riet omhoog zette, kon je je door de wind naar een eiland laten blazen.

Zwemmen konden ze ook, als ratten. Van jongs af. Misschien heeft de nog wat aapachtige, gedrongen lichaamsbouw van de Vroege Mensen die altijd verhinderd om te zwemmen. De ranke AMM’s waren zwemmers, omdat de waterwereld hen vanaf het begin (harpoenen van 90.000 jg !) vertrouwd was.

Misschien ben ik te voorzichtig. In Current Anthropology (apr.’07) lees ik dat archeologische vondsten in Oost-Afrika er op wijzen dat al 125.000 jg riffen voor de kust werden geëxploiteerd! “Met kleine vaartuigen”. Opgeblazen dierenhuiden: kon je ook prima vaartuigjes van maken. Door hun grotere groepen was ook hun vindingrijkheid groter.

 

Maar, roept een oplettende geachte lezer(es), dan heb je toch heel die belachelijke theorie van jou, dat ze zo anders werden doordat ze waren gaan praten (en konden liegen) niet meer nodig? Dan is het toch duidelijk: nieuwe werktuigen ® nieuwe en rijkere voedselbron ® overpopulatie ® machisme ® vooruitgang ?

Ai! Heb ik mijn fraaie theorie dan toch te ver ondergraven? … Héé, wacht u eens even, geachte. Hoe kwamen ze dan tot die nieuwe werktuigen? Wat zette de innovaties van Johanson dan in gang, na twee miljoen jaar stilstand?

O zo!

 

De eventuele Vroege Mensen die nog in de nieuwe stamgebieden van de AMM’s bleken te wonen, werden door de luidruchtige, brutalere én beter bewapende (speerwerpers!) verdrongen naar onherbergzame uithoeken, waar ze zouden uitsterven. Dat is ook het lot van de Neanderthalers geworden.  Hen overkwam dus hetzelfde als wat in de zeventiende eeuw de ‘wilde’ AMM’s te verduren kregen van de ‘beschaafde’ blanke AMM’s uit het Westen.

28. ‘aangetaste’ edele wilden

 

De AMM’s zijn onze naaste voorouders. ‘Aangetaste’ VJ’s (Verzamelaars/Jagers). Ze zijn anders geworden dan hún voorouders, de Vroege Mensen die nog leefden in een eindeloos grote wereld; die dus nog echte, nog niet door overpopulatie aangetaste, VJ’s waren, met vrouwendominantie. De AMM’s werden anders doordat ze niet langer gebarentaalsprekers, communicerend met hun hele lichaam, waren maar spraakklankensprekers, communicerend met hun mond – hun gelaatsuitdrukkingen, hun mimiek en hun gebaren in de bijrol.

Hun groepen werden niet meer door de vrouwen gedomineerd maar door de mannen. Echter: permanente oorlogstoestanden zoals bij de Bergpapoea’s kenden ze voorlopig nog niet[36]. Dus de mannendominantie was nog lichtjes, mannen en vrouwen leefden vrijwel overal nog tamelijk egalitair samen. Ze dansten/zongen hun wereld nog steeds in hun Scheppingsverhaal, rond kampvuur of totempaal.

Ze geloofden dat hun mededieren dachten zoals zijzelf – dat die dat alleen maar voor zich hielden uit slimheid! Ze waren er stellig van overtuigd dat die instinctzekere dieren slimmer waren dan zijzelf, tobbende apen als ze waren. Hun geloof was totemistisch: ze geloofden dat ze afstamden van dieren (wat natuurlijk ‘ergens’ ook wel zo was) en dat hun stamgroep afstamde van het éne bepaalde dier en de andere stamgroep van een ander dier. Elke man had vaak ook zijn eigen totemdier toegewezen gekregen van de sjamaan. Twee voorbeelden van totemistisch denken.

 

Een indiaan op jacht. Een onderzoeker mag mee. “Kijk eens hoe mooi ik daar zwem!”, fluistert de indiaan. “Ach gekkie, dat is een otter!” lacht de onderzoeker. “Nee man, dat ben ik!” gromt de indiaan, en denkt: die blanken zijn écht stom.

 

In Afrika hoor je het nog steeds wel, bij een begroeting. “Wat dans je?” En als de vreemdeling dan zegt: de antilope, en de begroetende is toevallig ook antilope, dan zijn ze meteen meer aan elkaar verwant dan twee stamgenoten.

[Wij kennen het nog een beetje als sterrenbeeld. Jij bent zeker een Stier? Nee, een Waterman. O, maar dan een Stier als ascendant?)

  

De sjamaan, nog meestal een vrouw, was de centrale figuur voor de rituele zang/dansdiensten aan de Grote Voorouder. De rituelen rond het Scheppingsverhaal vonden onder haar leiding plaats. Vrouwen zijn religieuzer dan mannen omdat het dansen/zingen van de Scheppingsverhalen vooral vrouwenwerk was geweest. Al werd die bij de AMM’s meer en meer (ook) mannenwerk. De mannen gingen meer en meer hun eigen initiatierituelen houden, diep in het bos of in een ontoegankelijke geheimzinnige grot. Om de doodsbange initianten nog meer de stuipen op het lijf te jagen gingen de mannen bij het licht van hun fakkels de grillige rotsvormen extra angstaanjagend maken met kleivormen of met verf.

Ze waren jagers dus hun wereld was een dierenwereld. De grottenschilderingen van Altamira en Chauvet en Lascaux en al die andere laten het overduidelijk zien. Een mannenwereld, die van de jacht. De plantenwereld was een vrouwenwereld, en die werd beschermd door de Grote Moeder, waar de vrouwen de bekende ‘venus’-beeldjes voor maakten.

Om zich voor te bereiden op een jacht baden de mannen in gebarentaal tot de Grote Voorouder (een bepaald dier meestal). Niet met gesproken taal, want dat was vooral vrouwentaal!

De mannen onderwierpen zich ook aan taboes (voedselverboden bijvoorbeeld). Mannen kennen geen grenzen. Ze vervallen gemakkelijk in extremen. Proberen elkaar te overtreffen. Vast de ene man ter voorbereiding van zijn jacht een halve dag, de andere wil het nog beter doen en vast een hele dag. En de volgende twee dagen. In de godsdiensten (mannenzaken-bij-uitstek) zul je de ‘regels’ en verboden tot in het extreme zien uitwassen. Bij voetballers, wielrenners en andere topatleten zie je soms de raarste rituelen ter voorbereiding op een wedstrijd. Hedendaags totemisme.

 

Ik had het zojuist even over de grottenschilderingen. Nergens in de toenmalige wereld hebben de naar Eurazië gemigreerde AMM’s zulke spectaculaire innovaties laten zien als in de Franse (en Italiaanse en Spaanse) grotten en onder rotsoverhangen.

Het is namelijk ijstijdkunst. Weer iets wat de paleo’s naar mijn (intussen toch wel tamelijk onbescheiden) mening te weinig beseffen. Misschien heeft het boek van Fred Bruemmer Leven met de Inuit (oorspr. titel Arctic memories: living with the Inuit, 1993)

Atrium, 1993) of vergelijkbare inzichten uit hedendaagse ijstijdculturen[37] bij hen nog weinig meegespeeld. Bruemmers boek heeft op mij een soms verwarrende maar onuitwisbare indruk gemaakt inzake inzicht in onze menselijke natuur.

De Inuit zijn ‘minimaal-aangetaste’ VJ’s (in hun woongebied valt geen voedsel te telen). Het voorbeeldstukje van onze VJ-natuur in par.3 de menselijke natuur is afkomstig van Inuit. In oorspronkelijkheid zijn ze te vergelijken met de San-volkjes van Zuid-Afrika. Maar in technisch en kunstzinnig opzicht hálen die laatsten het niet bij de Inuit. Hebben de San in dat warme woestijnklimaat ook niet echt nodig. Het ijzige en boomloze woestijnklimaat van Arctica stelt veel hogere technische eisen. Dezelfde eisen als de ‘arctische woestijn’ van de ijstijdmaxima van de laatste ijstijd aan de West-Europese AMM’s stelde. In een relatief warme periode waren ze in het huidige Frankrijk verzeild geraakt, in het spoor van hun favoriete jachtdieren. De kou overviel hen natuurlijk niet abrupt: alle tijd voor de vindingrijke en vernieuwingsgezinde AMM’s om zich eraan aan te passen.

‘Arctische’ toestanden. In de winterverblijven hadden de mannen (ik vertelde het al in par.3 de menselijke natuur) geen moer te doen. Voor de vrouwen ging het verantwoordelijke werk: zorgen voor de kinderen, de ouderen, het huishouden en alles, gewoon door, elke dag, of het nou zomer was of winter. (O ja, dat is bij de Inuit van Bruemmer nog precies zo, al heeft hij daar als man natuurlijk niet echt oog voor. Maar ook uit zijn belevenissen komt het duidelijk genoeg naar voren: de vrouwen zorgen voor het eten en de kinderen en de kleren en zo.)

De mannen doodden de tijd met spelletjes, met worstelwedstrijden, met dansen/zingen van de scheppingsverhalen (met allerhande muziekinstrumenten) en … met het doen van de slimste uitvindingen.

 

Vier staaltjes uitBruemmer.

Op verzoek van een Canadese ondernemer tekende een oude Inuit een landkaart van de Belcher Eilanden. Hoewel het meer dan twintig jaar geleden was dat de oude daar geweest was, tekende hij de grillig gevormde groep eilanden verbazingwekkend accuraat, met aangeven van de afmetingen – waarbij hij er hooguit 15 km naast zat! – en zonder ook maar één baai of bocht over te slaan. Geheel uit het hoofd.

Een andere Inuit legde zich toe op het bouwen van schepen voor de kustvaart. Met simpel timmermansgereedschap en zonder ook maar iets op papier te zetten of te hebben. Hij werkte langzaam maar secuur, maar zijn schepen waren sterk en ruim en ideaal voor de kustvaart en ze voeren vele jaren lang in de Jamesbaai en de Hudsonbaai.

Bruemmer’s gastheer vroeg hem eens zijn Zwitserse horloge te repareren: Bruemmer was immers zo’n knappe blanke. Toen Bruemmer zei dat hij daar echt de ballen verstand van had, zuchtte de Inuit en ging toen maar zelf aan het werk. Met een stopnaald uit diens vrouws naaidoos als basismateriaal klopte en veilde hij urenlang maar hij kreeg het voor elkaar: het horloge liep weer!

In de jaren dertig van de vorige eeuw had een vliegtuigje een noodlanding moeten maken. De piloot kreeg onderdak bij een Inuit-oudste. Deze vroeg de piloot of hij het kapotte onderdeel van ‘dat ding dat vliegt’ eens mocht zien. De piloot stemde hoofdschuddend toe. Die nacht was de oude Inuit doende met gehamer en gevijl. De volgende ochtend overhandigde hij de verbouwereerde piloot een nieuw exemplaar van het onderdeel. Het paste precies en de piloot steeg weer op.  

 

Het zijn de arctische omstandigheden, waaronder de lange duistere winters, die de ijstijdmensen in vele, en vooral technische opzichten zo vindingrijk maken en maakten.

Na afloop van de laatste ijstijd bleken de mannen over pijl en boog te beschikken en was de wolf tot jachthond gedomesticeerd. Vanaf toen breidden de jagersstammen zich ongebreideld uit, ontstonden er overlevingsgevechten en werden de VJ’s ‘behoorlijk-aangetaste’ VJ’s.

Opvallend: vanaf toen was het afgelopen met de technische hoogstandjes! Niet meer zo nodig namelijk.

 

Het waren dit soort jagersstammen waar de zeventiende-eeuwse kolonisten en de christelijke missionarissen in hun kielzog mee kennis maakten in ‘de nieuwe wereld’.

Deze ‘blanken’ beschouwden zichzelf als beschaafd, omdat ze beschikten over grote schepen, over geweren en kanonnen, over schrift, over kleren en over God. We gaan nog zien in hoeverre ze hierin gelijk hadden, maar voorlopig waren ze vooral machtig, vooral met die geweren.

Sommige missionarissen beseften dat die ‘wilden’ eigenlijk heel aardig met hun kinderen en elkaar omgingen. Veel aardiger dan ze zelf van hun beschaafde thuis gewend waren. Hun schriftelijke verslagen gaven menige denker in Europa een andere kijk op de eigen beschaving. Romantische schrijvers als Rousseau begonnen de ‘oerstaat’ van de mens als ‘edele wilde’ te zien.

Latere missionarissen en antropologen maakten uiteindelijk ook melding van oorlogvoerende en elkaar afslachtende wilden, daarmee korte metten makende met de romantische ideeën over onze ‘oerstaat’. Waarmee steeds meer duidelijk werd dat mensen zijn zoals hun manier van aan de kost komen is. Ze zijn (althans: gedragen zich) overeenkomstig de wijze waarop de voedselvoorziening in hun samenleving geordend is. Elke verandering of ontwikkeling daarin heeft weerslag op hoe de mensen zich onderling verhouden. Sinds de ‘zestiger jaren’ veranderden bijvoorbeeld de verhoudingen bij ons ook drastisch: ze werden minder autoritair, democratischer.

 

97,5 % van de tijd dat we mensen zijn, waren onze Vroege Mensen-voorouders volledige Verzamelaars/jagers (VJ’s) en was er geen sprake van verandering of vooruitgang in hun economie. Je moet dus aannemen dat deze onmetelijk lange voortijd onze menselijke natuur onverwoestbaar gevormd heeft, en dat elke afwijking van die natuur als een frustrerende aantasting ervan beleefd wordt. Onbewust. Je kunt zeggen dat onze diepste verlangens uitgaan naar die oertoestand van vanzelfsprekende vrede en geluk.

 

Dat is de toestand waarin de Vroege Mensen hun wereld en het leven beleefden. Bij de AMM’s werd die beleving al een beetje aangetast en bij sommige populaties behoorlijk-aangetast.

 

29. vrouwen de eerste voedseltelers

 

Verreweg de meeste ‘wilde’ stammen vandaag zijn geen VJ’s meer. Ze zijn Tuinbouwers. Dat zijn parttime- VJ’s. Ze wonen in grote gemeenschapshuizen waarin elke familie zijn eigen vuur heeft. Omheind met palissaden (niet voor de luxe). In het midden een groot veld voor gemeenschapsactiviteiten, waar het dansen/zingen van de Scheppingsmythen en de initiatierituelen natuurlijk het belangrijkst zijn. De mannen jagen nog wel wat, maar ze steken ook veel tijd, samen met hun vrouwen, in de tuinen: afgebrande stukjes bos. Een tuin blijft maar drie jaar vruchtbaar. Daarna wordt hij in de steek gelaten en wordt een nieuw stuk bos gekapt, platgebrand en als tuin in gebruik genomen. De mannen helpen elkaar daarbij. Vele leefgroepen laten hun dorp nog enige maanden per jaar in de steek om op trektocht te gaan, en dan zijn ze blij. Als ze terugkomen hebben de trekmieren alle troep schoon gevreten. De vrouwen hangen hun spullen weer aan de wanden en het leven hervat zijn gewone gangetje. Overdag werken in de tuinen, de vrouwen moeten daarna nog brandhout halen want het vuur is vrouwenwerk. En ’s avonds dansen/zingen.

 

Na afloop van de laatste ijstijd, 12.000 jaar geleden, zijn op veel plaatsen dit soort Tuinbouwers full-time-boeren geworden. We kennen ze het beste van het Midden-Oosten. Ze woonden in permanente dorpen, bij permanente velden. Elke familie in de eigen hut, de vloer een meter diep in de grond gegraven (koel in de hitte, en minder koud bij vorst) en de wanden met leem besmeerd. Aanvankelijk nog vreedzaam. De mannen gaan nog graag op jacht, het bewerken van de velden is vrouwenwerk vooral, al steken veel oudere mannen een handje toe. Verzamelen van het plantaardige voedsel was vanaf de vroegste tijden al vrouwenwerk, dus de landbouw is een vrouwen-

uitvinding. Ontstaan waar de vrouwen lang-bewaarbare voedselgewassen wisten, zoals peulen en granen (emerkoorn en gerst met name). De vruchtbaarheid van hun veldjes werd door de vrouwen afgesmeekt van de Grote Moeder, afgebeeld en vereerd met de talrijk gevonden ‘venus’-beeldjes, met die dikke dijen en altijd zonder gelaatstrekken (het ging namelijk niet om ‘een’ vrouw maar om ‘het’ vrouwelijke).

De grasetersoorten die op de velden af kwamen (geiten, schapen, varkens) werden weldra gevangen en geteeld: vleesvoorziening waar de jacht steeds minder opbracht. De inbreng van de mannen in de landbouw werd groot toen die het rund gingen temmen, en ossen voor de ploeg en voor karren gingen spannen. Ploegen met ossen is mannenwerk.

De vruchtbaarheidsvrouwenbeelden kregen een mannelijke component: de ‘heilige’ stier.

Het offeren is ook van vrouwelijke oorsprong. De vrouwen hadden altijd al de mooiste peulen en graankorrels uitgezocht om als dank terug te geven aan Moeder Aarde. Die beloonde dit gedrag met nóg mooiere peulen en granen in het volgende seizoen op diezelfde plek! Door dat uitkiezen ‘teelden’ de vrouwen steeds rijkere voedselgewassen: met grotere en aan de aar hechtende zaden. Het offeren werd de belangrijkste landbouwmagie. De vrouwen maakten altaartjes voor hun beeldjes, waar ze kleine voedseloffers brachten, om de Grote Moeder te eren en gunstig gestemd te houden. Hun dorpen hadden al een soort tempel voor de gemeenschappelijke zang/dansrituelen voor de Grote Voorouder. Want hun Grote Verhaal hielden ze ook nog levend. Al had dit in de loop der tijden al de nodige aanpassingen ondergaan en was er veelal weinig van de oorspronkelijke vorm van overgebleven.

 

De rituelen werden geleid door de sjamaan, die vrouw of man kon zijn. Hun geloof was niet langer totemistisch maar animistisch: ze geloofden dat niet alleen mensen één of meer zielen had (sommige stammen onderscheidden ze wel zeven zielen!) maar ook alle planten en dieren. Ook dingen zoals bergen, rivieren, bronnen en meren. Al die zielen of geesten moesten te vriend gehouden worden. Ze waren er erg druk mee.  

 

30.  de  IJzertijd

 

Ik moet nu even een spurt maken door de beschavingsgeschiedenis, want de geachte lezer(es) die nu eindelijk de God van Mohammed B onthuld wil zien, begint met de vingers op tafel te trommelen.

Aan het vreedzame tijdperk van het Neolithicum (zo heet de tijd van die vroege boerendorpjes) kwam een eind toen ook die weer op elkaars grenzen gingen stuiten. Ai! Dan wordt het weer oorlog. Dan worden mannen weer belangrijker.

De dorpen kregen palissaden (moet je even voorstellen: een heel dorp omheinen met rechtop ingegraven boomstammen: wat daar aan omhak- en sleepwerk bij komt kijken). Waar begon dat mee? Aanleidingen voor bloedige vetes genoeg. Beschuldigingen door elkaars sjamanen van kwade magie, terwijl door de veehouderij allerlei akelige ziekten ontstonden (door het overspringen van virussen van dier op mens doordat ze nu samenleefden) en droogte en andere natuurrampen die voor boeren veel fataler uitpakken dan voor vrij rondzwervende VJ’s. Waar twee vechten overwint er één. Het vijandige dorp wordt platgebrand en de bewoners afgemaakt, op de jonge vrouwen na die op de velden van de overwinnaars te werk worden gesteld. Slavernij doet zijn intrede. Hoe meer oorlogen, des te permanenter de aanvoerder en zijn krijgslui. Slavernij en roof worden weldra doel op zich, de aanvoerder wordt koning over een heel gebied van onderworpen en tot schattingen verplichte dorpen. Zijn krijgslui worden edellieden. Weldra was elk dorp wel schatplichtig aan een of ander koninkrijk. De koningen gingen ook aan gebiedsuitbreiding doen. Waar twee vechten overwint er één en de overwinnende koning wordt keizer over een aantal voormalige koninkrijkjes. Oorlog, plundering, afpersing en andere maffiapraktijken wordt de normale manier voor een heerser om aan het geld te komen voor de bouw van zijn stadsmuren, paleizen en tempels. Beschaven gaat van au!

 

In de tempels werden de Grote Voorouderfiguren van de overwinnende stammen vereerd. Maar elke onderworpen stam hield zijn eigen tempeltjes en altaren voor het offeren aan de eigen vruchtbaarheidsgodinnen. Alles draaide nog steeds om de landbouw. De vruchtbaarheid werd afgesmeekt van de vooral vrouwelijke godenbeelden. De religie was, net als de landbouw, nog steeds vooral een vrouwen-aangelegenheid.

En volkeren zijn makkelijker te overheersen als je hun goden ook een plaatsje geeft in de godenwereld van het rijk.

Beschaven gaat van au! Gaat gepaard met onnoemelijke ellende en onrecht, met bloed, zweet en tranen.  De nakomelingen van de gelukkige en gezonde VJ’s waren boeren (AGR’s) geworden, afhankelijk van de grillen van de natuur, en slachtoffer van overvallen en oorlogvoering. Zwoegend op hun velden waarvan de opbrengst grotendeels moest worden afgestaan. Natuurlijk heeft dat ook iets goeds opgeleverd, al hebben de boeren zelf daar nooit van kunnen profiteren. Die grote koninkrijken vereisten ambtenaren, administratie. Dus schrift. Dus onderwijs. Dus wetenschap. De opbouw van het weten. Hoe meer je weet, des te minder hoef je te geloven. Des te onafhankelijker ben je van degenen die je wat op de mouw spelden en van je profiteren. Maar nogmaals, dat was de winst voor de ‘hogere kasten’, niet voor de werkende klasse.

 

Maar ik vergeet de herders! Naast boerenstammen had je ook stammen die zich geheel op de teelt van schapen en geiten en andere graseters hadden toegelegd. De herders trokken van weidegrond naar weidegrond. Dat wordt natuurlijk op zeker moment ook vechten met de zich uitbreidende landbouwgemeenschappen. Hoewel: de ruil van wederzijdse opbrengsten was natuurlijk prettiger, ze hebben op veel plaatsen ook eeuwenlang vreedzaam samengeleefd. Het werd eigenlijk pas een ramp toen herdersvolken op de steppen (dat zijn streken die voor boeren niet interessant zijn maar waar wel herders kunnen overleven) het paard temden. De ruitervolken zijn eeuwenlang een plaag geweest voor alle boerenrijken. De snelle ruiters specialiseerden zich in bliksemsnelle overvallen op welvarende boerengemeenschappen. De ongewapende boeren konden kiezen tussen alles afgeven of uitgemoord en platgebrand worden.

 

De bronzen zwaarden en helmen en wagenwielen maakten plaats voor ijzeren. Om ijzer en staal te maken (de grondstof ervan komt veelvuldiger voor dan koper en tin) heb je veel hogere temperaturen, dus veel meer houtskool nodig. De bossen werden in versneld tempo omgehakt voor de houtskoolwinning. Dat had een onvoorzien effect. De jacht was tot nu toe dé statusverhogende vrijetijdsbesteding voor vorsten en adel. Maar nu viel er steeds minder te jagen. De jonge edellieden konden voortaan veel meer de blits maken bij de jonkvrouwen door het zingen van heldenliederen met muzikale omlijsting, met gedichten en voordracht, met blijk geven van ontwikkeling en culturele bagage. Filosofen en leraren werden welkom aan de vorstenhoven.

 

Het waren nog steeds stammenoorlogen, gevoerd onder geestelijke aanvoering van de krijgsgoden. In de Bijbel lezen we dat voor de Moabieten Kemos streed, de Ammonieten hadden El en Milkom, de Edomieten (in het zuiden van Kanaän) vereerden Qaws, El, Baäl en Hadad.

Maar eigenlijk was het zo dat El de hoofdgod was. De Grote Voorouderfiguur, maar dan in ver-aangepaste vorm. Maar nog steeds als de Keizer gezeten aan het hoofd van zijn familie, met zijn gemalin, en de rest van de goden als dochters en zonen. De Storm- of Krijgsgod was een zoon.

In Byblos werd Baäl Shamem en zijn gemalin Bala’at Gubal vereerd. In Tyrus Melqart en gemalin Astarte. In Sidon Eshmun en Astarte. Jahweh had zijn Asjera, al werd die gemalin later door de patriarchen van Jeruzalem in de ban gedaan. Allemaal lagere goden die door de vereerders tot hoofdgoden waren gepromoveerd, terwijl El steeds vaker vergeten werd.

Jahweh was een echte krijgsgod, een stormgod. Aanvankelijk een der lagere goden onder hoofdgod El werd hij dé ‘God van Israël’. En nog later dé God van Juda, en het judaïsme, de EWG.

In het ijzeren tijdperk, dat van de bloedige stammenoorlogen, werden steeds meer de Krijgsgoden (de goden van storm, donder en bliksem) de belangrijkste goden van de stammen, ten koste van de wijze en oudere hoofdgoden.

Tot droefenis van de oude en wijze hoofdpriesters van die goden. Tot droefenis van Zarathustra bijvoorbeeld.

 

 

DEEL II. Monotheïsme

 

A. Het Judaïsme

 

31. de geboorte van de Ene Ware God (EWG)

 

Ahura Mazda, de eerste EWG,  voorvader van Jahweh, van de christelijke God en van Allah, werd geboren in Bactrië. Dat ligt net ten noorden van Afghanistan.

In dat steppegebied leefde duizend jaar vC bereden herdersstammen, ruitervolken. Bendes van hun jongemannen waren volop bezig met plundertochten op vreedzame boerendorpen. Onder ‘aanvoering’ van hun Stormgod. De jongemannen offerden niet aan vreedzame goden van hun stam, ze offerden aan de woeste oorlogsgod, die plundering en roof voorstond.

De priester Zarathustra zag de teloorgang van de oude zeden met lede ogen aan. Hij schreef een reeks gezangen, gewijd aan de wijze hoofdgod Ahura Mazda, en bedacht een veelomvattende eredienst. Met uitgebreide reinheidsvoorschriften, met vuuraltaren, met naast de goede hoofdgod een god van het kwade en een strijd tussen beiden. Met engelen en duivels. Met een hiernamaals: een leven na de dood; een hemel en een hel.

Allemaal nieuwe elementen, nog onbekend in de toenmalige religies. Nieuw was ook dat  voor Ahura Mazda man en vrouw gelijk waren, en dat andere geloven met alle respect bejegend werden. Het Zoroastrisme was een uiterst vreedzame en mensvriendelijke godsdienst. Zarathustra dacht er niet aan om zijn Ahura Mazda (Grote Heer; her Bijbelse ‘de Heere’ is één van de vele dingen die de Judaïsten van het Zoroastrisme hebben overgenomen) aan andersgelovigen op te dringen.

Het was voornamelijk een Perzische (Iraanse) godsdienst. Hoewel de ideologische invloed op het toenmalige denken in het hele Midden-Oosten groot was, had het geen enkele zendingsdrift.

Die karaktertrekken heeft het nog steeds. Het is door de islam uit nagenoeg heel Iran verdreven. Veel aanhangers zijn uitgeweken naar India, waar ze als Farsi-minderheid voortbestaan. Ook in oa de VS leven zoroastristen. Het menslievende van die godsdienst uit zich namelijk ook in het aanmoedigen van ondernemingszin en wetenschap. Je vindt de zoroastristen vooral in beroepen van handel en nijverheid, en arme zoroastristen zijn er eenvoudigweg niet[38].

Het Judaïsme, waar het christendom en de islam uit zijn voortgekomen, heeft bijna alle genoemde elementen van het Zoroastrisme overgenomen. Bijna: helaas niet dat verdraagzame, mens- en vrouwvriendelijke ervan. De wereld zou er heel wat leefbaarder uitzien als de scheppers van het Judaïsme ook dat hadden overgenomen. Dan had de wereld en nu heel anders en leefbaarder uitgezien. Dan was deze tekst “de God van Mohammed B “ ook nooit geschreven. Maar as is verbrande turf.

 

32. Juda, een bergstaatje in Kanaän

 

Kanaän is een gebied in de oudheid, gelegen ten westen van de Jordaanrivier, dat bij benadering overeenkwam met het hedendaagse Israël en Palestina plus aangrenzend kustland en delen van Libanon en Syrië. Op enkele kuststeden na waar overzeese handel

bloeide, leefden er voornamelijk schaapherders, boeren en olijventelers. Vanaf de 15e eeuw vC was het een wingewest van de Egyptische farao’s, die het bestuurden vanuit garnizoenssteden zoals Gaza, Megiddo, Kunidi (Bekaa-vallei), Byblos en Tyrus, met kleine maar getrainde soldatenbezetting.

Eenmaal per jaar reisde een koninklijke ambtenaar naar Kanaän om vast te stellen wat de verschillende districten aan belasting zouden kunnen en dus moeten opbrengen. Geld was er nog niet, dus bestond die uit gedwongen levering van hout, graan, olijfolie, koperen gebruiksvoorwerpen en … slaven. De farao’s lieten voor al hun bouwwerken slaven uit Kanaän importeren, meestal te werk gesteld in steengroeven en steenbakkerijen. De belangrijkste Egyptische tempels werden door de farao’s ook te vriend gehouden met slaven. Vaak kregen de tempels van de farao het eigendom van Kanaänitische dorpen en steden. Zo bezaten de priesters van de Amontempel op zeker moment 56 steden en dorpen; de tempel van Ra zelfs 110. Wat er ook allemaal uit de propagandistische duim gezogen is in de Bijbel, slavernij van Kanaänieten in Egypte is was echt.

 

Hiernaast: het Midden-Oosten van toen. De stippellijn geeft de grootste omvang van het Assyrische rijk aan

Lokale Kanaänitische heersers werden geacht hun zoons naar Egypte te sturen, zodat deze een Egyptische opvoeding konden krijgen en later als ‘ver-egyptischte’ onderdanen naar hun hoven konden terugkeren. Velen bleven in Egypte hangen, geïntegreerd als dokters, schrijvers of zelfs hoge ambtenaren; de Kanaänitische namen van zulke carrièremakers getuigen daarvan.

 

Begrijpelijk dat de Kanaänitische heersers in opstand kwamen zodra de macht van Egypte even verzwakte. Bijvoorbeeld toen het tijdens Toetanchamon (1336-1327) te stellen kreeg met de Hittieten uit Anatolië (vandaag Turkije). En later tijdens Ramses II, wiens feitelijke nederlaag in de slag bij Kades in 1275 vC als een grootse overwinning staat uitgebeeld op de Hathortempel bij Abu Simbel. Geschiedschrijving in die tijden bestond voornamelijk uit propaganda.

 

Rond 1100 vC had Egypte zwaar te verduren van invallen door de ‘Zeevolken’: een soort Vikings-avant-le-date, afkomstig van verschillende oorden van wat vandaag Zuid-Turkije, Sardinië en Sicilië is. Zeeschuimerij, plundering en handel zijn ook altijd hand in hand gegaan, denk aan Hollands glorie en Piet Hein. En net als de Vikingen stichtten ook sommige ‘Zeevolken’ handelsnederzettingen. De Tjkr[39] stichtten de havenstad Dor en de Prst, oftewel de Peleset (de Filistijnen uit de Hebreeuwse bijbel, Palestina heet naar ze) vestigden zich tussen Dor en Gaza.

De Kanaänitische koninkrijkjes konden even van hun vrijheid genieten. Maar zodra de grootmacht weer op adem was, herstelde die zijn greep.

Over koninkrijkjes gesproken: waar was Juda (® judaïsme ® EWG ® de God van Mohammed B) in die tijd?

Hoe gedetailleerd de oudheidkundige ‘annalen’ (inscripties op steles, taferelen op tempelmuren, papyrussen, archeologische opgravingen) ook zijn, nergens een spoor van de stammen van Juda. Maar op een stele van Ramses II’s zoon Merenptah (1213-1203 vC) komt, in een opsomming van door hem onderworpen volken, de naam ‘Israël’ voor. Dat is het grotere joodse koninkrijkje ten noorden van Juda. De Bijbelse Exodus, de bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij, zo’n gebeurtenis zou zeker sporen hebben achtergelaten in de ‘annalen’ indien deze werkelijk zou hebben plaatsgevonden. Ook van een gewelddadige verovering van Kanaänitische gebieden door een Joodse krijgsheer zou zeker iets teruggevonden zijn indien deze werkelijk zou hebben plaatsgehad. Maar het is allemaal latere EWG-propaganda.

 

Rond 1000 vC bloeide, na de Zeevolken-malaise, de economie weer op. Archeologisch te zien aan de groei van het aantal nederzettingen in Kanaän. Vooral door de handel van de Feniciërs (Tyrus). Tyrus was een soort stadstaat. Het kende wel een priester/koning, maar die was verantwoording verschuldigd aan een Raad van Oudsten, en die weer aan een volksvergadering. Handel en democratie gaan hand in hand.

De opgekrabbelde farao’s waren hun vroegere wingewesten niet vergeten. Shoshenk (945-924 vC) veroverde niet minder van 154 dorpen en steden. Waaronder Jeruzalem, want in de Bijbel wordt Shoshenk genoemd als farao Shishaq. Maar op zijn eigen stele komt Jeruzalem niet voor. Het was toen nog een te onbetekenend ‘gat’ of de plek was misschien zelfs nog onbewoond.

Na Shoshenk volgde een machtsvacuüm waar Egypte zich als grootmacht eigenlijk nooit meer van heeft hersteld. De Kanaänitische koninkrijkjes leefden op.

Het koninkrijk Israël werd zelfs even een plaatselijke grootmacht! Onder koning Omri breidde het, met steden als Dan, Megiddo en Hasor, uit van de Middellandse Zee-kust tot over de Jordaan, en van Dan in het noorden, via Gezer en Lachis, tot in de Negev-woestijn, waar Omri’s beambten de karavaanhandel controleerden, vanuit het garnizoen Kuntillet-al-Agrud. (Kijk, van dit soort feiten zijn wél archeologische sporen!) Omri versterkte zijn steden met muren en trotse stadspoorten. En onderaardse gangen die bij belegering toegang tot een waterbron garandeerden. En hij bouwde een nieuwe hoofdstad, Samaria, omstreeks 880 vC.

Versterkte steden waren niet alleen noodzakelijk vanwege buren als het koninkrijk Aram (hoofdstad Damascus), maar vooral vanwege de dreiging van Assyrië.

Assyrië had zich na bijna een eeuw van economische machteloosheid hersteld, ook door de handel met de Feniciërs (Tyrus).

Koning Salmanessar III achtte het weer tijd voor expansie en ondernam in 853 vC een veldtocht om de westelijke koninkrijkjes als Aram en Israël in te lijven. Maar Omri’s zoon en opvolger Achaz had tijdig de onderlinge vijandschappen weten te bezweren en een gezamenlijke strijdmacht van duizenden strijdwagens, ruiters en infanteristen bijeen weten te brengen. Salmanessar moest afdruipen. We kennen de precieze aantallen van de vijandelijke legeronderdelen van zijn ‘overwinnings’-stele, de beroemde Kurkh-monoliet. Aram had de meeste infanteristen geleverd, maar Israël de meeste strijdwagens.

Voorlopig hielde de Assyriërs zich koest. Dus vlamde de rivaliteit tussen Aram en Israël weer in volle hevigheid op. Zo vocht Achab’s zoon Joram samen met koning Achazja ‘van het Huis van David’ tegen koning Hazaël van Aram. Dat “tegen de koning” moet tamelijk letterlijk worden begrepen: in die tijd vochten de koningen zelf in de voorste linies.

Beide jonge koningen sneuvelden. Hoefde op zich niet zo’n ramp te zijn: er was altijd wel een broer of neef om hem op te volgen. Maar nu betekende het ’t einde van het koninkrijk Israël. Op de overwinningsstele van Hazaël, teruggevonden in de ruïne van de stad Dan, lezen we, in de vertaling uit “En de zee spleet in tweeën[40]” van Marcel Hulspas waaraan ik dit hele relaas van de Joodse koninkrijkjes ontleen: “Ik doodde Joram, zoon van Achab koning van Israël, en ik doodde Achazja, zoon van Joram koning van het huis van David. En ik veranderde hun steden in puinhopen en veranderde hun land in woestijn”.

Israël, dat met zijn krijgsgod Jahweh een eeuw lang een lokale macht van betekenis was geweest, werd nu schatplichtig aan de Aramese koning.

 

Voor het eerst is hier in de ‘annalen’ melding gemaakt van Juda. Van het bergachtige zuidelijke koninkrijkje dat tot dan toe nergens noemenswaardig was geweest maar dat de bakermat zou worden van de geschiedenisbepalende EWG, de God van Mohammed B.  Hoe is dat nietige bergstaatje vanuit het niets opgeklommen?

Door de vernietiging van Israël, die nu ophanden is.

 

33. de opkomst van Jahweh

 

De ‘annalen’ vermelden in deze tijd nog een andere figuur die vanaf nu geschiedenisbepalend zal gaan worden: Jahweh. Voor het eerst komt zijn naam nu voor als … wéér een inscriptie op een overwinningsstele – wat een geluk dat de ‘koningen’ van toen zo veel aan propaganda deden!

Wat was het geval? Omri’s opvolger Achaz had de Moabieten, het koninkrijkje oostelijk van de Jordaan, niet onder de duim weten te houden. Hun koning Mesa had Achaz in een krachtmeting weten te verslaan.  Op Mesa’s overwinningsstele[41] lezen we:

 

 “(…) En Kemos [de Moabitische strijdgod] zei tegen mij: “’Ga en neem Nebo van Israël. En ik ging, in de nacht, en ik vocht van de ochtend tot de middag en ik nam haar en ik doodde de gehele bevolking. (…) Want ik had haar in de ban van Astar Kemos gedaan. En ik nam de vaten van Jahweh weg vandaar, en ik zette ze voor het aangezicht van Kemos (…)”’.

 

Ik vind het een belangrijk stuk, deze Mesa-stele.

  1. archeologische bewijs – de Bijbelboeken zijn immers voornamelijk ‘achterafgelul’: later geschreven EWG-propaganda – van de geboorte van de God van Israël. En zijn naam is Jahweh!

2. hier zie je dat het toeschrijven van je eigen (mis-)daden aan de influisteringen of zelfs het bevel van je god normaal taalgebruik was in die dagen

3. Jahweh, de Israëlische EWG, wordt hier genoemd in verband met stammenoorlog.

 

Dat laatste klopt met zijn oorspronkelijke status in de literatuur over de Kanaänitische godenwereld. Daarin is El de hoofdgod, de voorzitter van een hemelse raad. Of liever een huisvader met zijn echtgenote en een stoet kinderen en bedienden. Of een koninklijke hofhouding. Daarin was Jahweh als god van storm en ontij een der bijgoden. Klopt ook met het verschijnsel in de ijzertijd dat juist die stormgoden dan belangrijk worden. Oorlog maakt mannen belangrijk, weet je wel. En een oppergod heeft dan nog teveel weg van de Grote Voorouder, en die was noch man noch vrouw – want het was een groep, weet je nog?

Klopt ook met de oorlogssuccessen van Omri, die een groot deel van Kanaän had weten te onderwerpen. Offerend aan zijn stormgod Jahweh.

Hulspas wijst terecht op die ‘vaten van Jahweh’: niet op een bééld van Jahweh. Kennelijk stond ook in de Jahwehtempel van Samaria al geen beeld! Als het te massief zou zijn geweest om als oorlogstrofee mee te slepen, dan zouden de archeologen het immers gevonden hebben. De vaten zijn offervaten van goud. Tempelgerei is favoriete oorlogsbuit in die tijden.

Overigens: echt herkenbare bijbeltaal, vind je ook niet? Dit komt dus niet van een papyrusrol maar van een ‘stenen tafel’!  De door de EWG met eigen hand beschreven stenen tafelen van Mozes zijn echter nooit gevonden. Zelfs niet de berg waarop God zich zou hebben laten zien. Geen spoor ook van Mozes zelf. Noch van Aäron, noch van Jozua. Noch van een verovering van een ‘beloofd land’. Allemaal EWG-propaganda van latere bijbelschrijvers. Achteraf-schrijverij: dan kun je zo leuk je profeten verrassende dingen laten voorzeggen! Het is toch van de gekke dat er vandaag nog steeds mensen rondlopen die dit ‘van kaft tot kaft’ als dé waarheid aannemen?

 

In die tijd hoefde een verhaal niet ‘waar’ te zijn. Een verhaal was een ‘goed’ verhaal als je het graag hoorde. Of als het in propagandistisch opzicht effectief was.

Tegenwoordig moet een verhaal aan waarheidseisen voldoen. Zomaar met aplomb iets beweren, zonder geloofwaardige argumenten, dat werkt vandaag (gelukkig) niet meer. We leven nu in een tijd van democratie. Een tijd van democratisch tot stand komende kennis – door elkaar bevittende en op de vingers kijkende wetenschappers en uit gemeenschapsgeld bekostigde veldonderzoeken.

 

Dus wat hebben we vandaag nog aan die duimzuigerij? Moeten we daardoor onze levens en onze geschiedenis laten bepalen? In een vrije markt-samenleving moet er zo min mogelijk geloofd, en zo veel mogelijk geweten worden! We mogen nog best wel gaatjes vullen met geloven, maar alleen met zo veel mogelijke argumenten voor dat geloof en met volledige bereidheid om de aanname in te ruilen voor een betere wanneer die zich voor blijkt te doen. Als je twijfelt of iets waar is, neem je de moeite om een en ander uit te zoeken. Door kennis te nemen van wat er al te weten valt vandaag. We hebben vandaag internet. Het is allemaal toegankelijk. Je hoeft alleen maar eerlijk tegenover jezelf te durven zijn. Het rad van godgelovigheid dat er eventueel nu voor je ogen draait, hou je wel zelf op gang, hoor.

Geloven? In de kracht van ons mens-zijn, dat is het enige geloof waar we wat mee opschieten. Daarvoor moet je ‘de mens’ kennen. Nou, daar schrijf ik voor.

 

De god van Israël is dus een Strijdgod, zoals alle krijgsgodengoden in die tijd van stammen- en veroveringsoorlogen. Maar … een krijgsgod heeft niets met landbouw of vruchtbaarheid. Dus bleven de Israëlieten natuurlijk ook aan de landbouwgoden Baäl en Anat offeren op de ontelbare altaren overal in het land, en hun vaste feestdagen vieren. Want voor een goede oogst moest je nou eenmaal offers brengen, dat stond voor de diepgelovigen van toen als een paal boven water.

 

Maar Jahweh was de god van Israël. Hoe werd die nu ook de god van Juda? En van het Judaïsme?

Het toenmalige bergstaatje Juda was te onbetekenend en te arm om de begeerte van de grootmachten te wekken. Egypte gebruikte het om er slaven te halen, meer niet.

Men mag aannemen dat Juda het normale goden- en godinnenpantheon had als de rest van Kanaän. Het was ook een eeuw lang bezet door Israël.

Op de Mesa-stèle is Juda voor ’t eerst ook in de ‘annalen’ op gedoken! Koning Achazja sneuvelde toen hij samen met de koning van Israël optrok tegen de koning van Aram, en het leverde hem in elk geval een vermelding in de ‘annalen’ op, gegrift in keiharde steen: “Achazja, van het huis van David.” – waarbij trouwens ook ‘koning’ David vereeuwigd is in de historische werkelijkheid.

 

Voorlopig is het bergstaatje Juda nog te futiel voor de ‘annalen’. Het veel grotere Israël daarentegen, na de inzinking van grootmacht Egypte door koning Omri en zijn zoon Achab  in korte tijd tot glorie gebracht en zelfs enige tijd stand houdend tegen grootmacht Assyrië, heeft in zijn laatste levensdagen moeten buigen voor zijn buurman, de Aramese koning Hazaël, aan wiens overwinning we de ‘Dan-stele’ danken.

Maar Aram heeft daar niet lang van kunnen genieten. De nederlaag van het geduchte Israël was Salmanessar namelijk niet ontgaan. In 840 vC ondernam hij een nieuwe veldtocht en nu slaagde hij er wel in om zowel Israël als Aram schatplichtig te maken en tot Assyrische vazalstaten. Het kleine Juda wordt daarbij niet genoemd; waarschijnlijk was het een ‘provincie’ van vazalstaat Israël en werden de belastingen van Juda door de tempel van Samaria geïnd en afgedragen aan Salmanessar.

Hoe kwam het eigenlijk dat de twee Joodse koninkrijkjes niet één waren gebleven zoals het onder bendeleider David heet te zijn geweest? Het antwoord op deze vraag heb ik uit de Bijbel gehaald. Daaruit valt op te maken dat Davids zoon Salomo op een nogal grote koninklijke voet leefde – dus zijn onderdanen buitensporig belastte. Na Salomo’s overlijden verzochten de noordelijke stammen diens opvolger Rechabeam beleefd om lastenverlichting. Toen deze daar nogal grof ‘nee’ op verkocht, scheidden de noordelijke stammen zich gewoon af en kozen een eigen koning, Jerobeam. Sindsdien bleven beide koningshuizen proberen om de ander in te lijven en het oude rijk te herstellen. Omri is dat blijkbaar gelukt.

 

Ik heb geprobeerd om de glansrol van koning Omri en zijn opvolger Achaz in de Bijbel weerspiegeld te vinden. Maar dat valt zwaar tegen. Aan de politieke successen van beide koningen besteden de bijbelschrijvers hoegenaamd geen aandacht. Daaraan is pijnlijk duidelijk te merken dat de Bijbel een puur EWG-propagandaproject is: alleen aandacht voor waar die  koningen aan offerden: aan Jahweh dan wel aan de oude stamgoden. En wanneer er sprake was van andere goden dan alleen Jahweh – bij vrijwel allemaal dus – dan werden die, politieke successen of niet, als waardeloze gozers weggezet.

Het optreden van profeten gedurende beider regeringen wordt wél breed uitgemeten; met name dat van Elia en diens opvolger Elisa.

Tamelijk slaapverwekkend om te bestuderen trouwens, die teksten. Petje af voor de bijbelkundigen. Het is een beetje een warboel ook: twee afwijkende versies door en na elkaar. Je moet er echt een aantekenblaadje bij houden.

 

Het is goed mogelijk dat figuren als Elia historisch zijn. Profeten waren sinds de toename van geletterdheid rond tempels en hoven in het oude Midden-Oosten geaccepteerde figuren. Extatische geestelijken die ‘voor hun goden spraken’, en voor de zuiverheid van hun cultussen opkwamen. In hun ‘theologie’ had oppergod El aan elke natie een god toegewezen. Moab had zijn Kemos, Ammon had Milkom en zo had Israël Jahweh toegewezen gekregen. Dus moest je Jahweh niet laten beconcurreren door andere goden zoals Baäl. Baäl hoorde immers bij Fenicië? Fenicië had toch ook geen Jahweh-altaren?

 

Niet alleen in het Midden-Oosten, ook in het Verdere en zelfs Verre Oosten verschenen deze geletterde figuren aan de hoven en bepleitten daar een nieuwe moraal in die ruwe ijzertijd. Zarathustra van Bactrië is er een voorbeeld van, maar zo kende ook het vedische India en het taoïstische China hun in deze tijd opkomende ‘wijzen’. Karen Armstrong bespreekt ze successievelijk in haar boek De Grote Transformatie. Het is deze Omslagtijd, waarin de God van Mohammed B zijn oorsprong vindt. Voor het eerst verschijnen er in al die contreien pleidooien voor sociale rechtvaardigheid. Een psalm van Elia of een andere profeet geeft het goed weer:

 

El staat op in de hemelse raad

            hij spreekt recht in de kring der goden

            Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig

            en kiest u partij voor wie kwaad doen?

            Doe recht aan weerlozen en wezen,

            kom op voor verdrukten en zwakken,

            bevrijd wie weerloos zijn en arm’         

red hen uit de greep van wie kwaad wil.

 

Dat kon de krijgszuchtige Omri in zijn zak steken. Het had geen zin om buitenlandse vijanden te verslaan als je door onrechtvaardig sociaal beleid thuis vijanden schiep.

           

Deze theologische ‘school’ zou later mee naar Jeruzalem verkassen. Jeremiah  was er de prominentste vertegenwoordiger van. Ook een bijzondere man. Het zullen best wel rare lui zijn geweest, die profeten, maar ik vind ze sympathieker dan die ‘koningen’.

 

34. het EWG-project van de Tempel

 

Het hele Midden-Oosten was het toneel van strijd tussen krijgsheren. De onbetwiste grootmacht was van oudsher Egypte. Het ‘Amerika’ van die tijd: ook op cultureel gebied leidend. Maar heel stabiel[42], althans vergeleken bij de andere grootmacht: Mesopotamië. Daar was een opeenvolging van krijgsheren aan de macht, en in Juda’s tijd waren dat de  Assyriërs.

Onder koning Jeroboam II was Israël dan wel een vazalstaat van Assyrië maar het kwam toch tot grotere welvaart. Het profiteerde namelijk van de economische bloei van het hele Assyrische rijk en kon door zijn gunstige ligging een belangrijke rol spelen in de handel. Zelf produceerde het steeds meer olijfolie. Het areaal olijfgaarden en het aantal oliepersen vervijfvoudigde. Verder leverde het paarden, krijgswagens en de bemanningen ervan.  (Zie je: allemaal door de archeologen blootgelegde gegevens!). Het betekende toename van geletterdheid. Optreden van de profeten Amos en Hosea.

Maar vanaf 744 vC werd het Assyrische politiek om alle rijke vazalstaten gewoon in te lijven, tot provincie te maken. Toen de koning van Israël het waagde om te lonken naar het machtige Egypte, nam Sargon II Samaria in, deporteerde een deel van de elite naar Assyrië en lijfde Israël in bij zijn rijk.

Een deel van de elites van Israël ontliep de deportatie door tijdig te emigreren. Het grootste deel daarvan week uit naar Egypte, waar zich langzamerhand een aanzienlijke kolonie Joden vormde. Een behoorlijk contingent ervan was echter in Jeruzalem neergestreken. Jeruzalem werd toen in korte tijd wel drie keer zo groot. Ik vermoed dat de Jahweh-priesterij van Samaria, met de gouden offerschalen en ander tempelgerei in hun bagage, de voorkeur gaf aan Jeruzalem, waar ze de Tempel zo’n beetje overnam.

De Israëlische geestelijken maakten de god van Israël tot de god van Juda, tot de god van alle joden. Ze dichtten aan deze krijgsgod ook steeds meer vruchtbaarheids-bevorderende kwaliteiten toe, presenteerden hem zo multifunctioneel mogelijk. Ze konden bij de priesterijen van Egypte en andere buren afkijken hoe die dat deden, en leentjebuur spelen voor hun hymnen en psalmen.

 

Voor het woord ‘priesterij’, als geestelijke variant van ‘ambtenarij’, heb ik goede argumenten. Omdat in die diep-religieuze tijden de tempels een belangrijke bestuursfunctie vervulden. Met name voor de belasting-inning. Er was nog steeds geen geld in omloop; de belastingen werden geïnd in natura. De maatschappelijke productie was nog voornamelijk agrarisch, al waren er ook nijverheidsproducten als gouden, koperen of bronzen gebruiksvoorwerpen en sieraden die waarde vertegenwoordigden. Van de landbouw-opbrengsten ging altijd een zo groot mogelijk deel naar de tempels en offerhoogten en andere altaren om voorspoed en welvaart af te smeken van de vele daarop wachtende goden. En hun priesters lieten niets na om het belang van zo groot mogelijke offers voortdurend te benadrukken. Want zij waren het aan wie de belasting-eisen gesteld werden. Dus: graag offers aan hún god, op hún altaar.

 

Sargon werd in 705 vC opgevolgd door zijn onervaren zoon Sanherib. De koningen van Juda hadden tot nu toe de Assyrische krijgsheren van het lijf weten te houden door hen enorme bedragen te betalen, maar de nu zittende koning, Hizkia, werd door de (Israëlische) priesterij van de Tempel overgehaald om van de gelegenheid van een onervaren Assyrische machthebber gebruik te maken om de belasting-inners met lege handen naar huis te sturen of hen zelfs te laten ‘verongelukken’. De profeet Jesaja deed een toepasselijke profetie dat de grootmachten ineen zouden storten en dat Juda en Israël tot één rijk en macht zouden komen. Hizkia bereidde zich op een confrontatie voor door Jeruzalem van een nieuwe stadsmuur te voorzien en een onderaardse gang naar de bron buiten de stad aan te leggen. Ook – en dat is belangrijk! – concentreerde hij de cultus van Jahwe in de Tempel en brak daartoe de altaren buiten Jeruzalem af!

De religieuze en politieke macht werd in Jeruzalem geconcentreerd. En Jahweh was in de Tempel de belangrijkste god. Of hij de enige was is mij niet duidelijk. Onder Hiskia’s opvolger in elk geval niet.

Hizkia’s opstand werd rampzalig. Sanherib bleek geen doetje. In 701 arriveerde hij aan het hoofd van een ontzagwekkend leger. Hij ontweek het onneembare Jeruzalem maar liet zijn leger onbeteugeld huishouden op het platteland van Juda. Lachis, de tweede stad, werd met de grond gelijk gemaakt en vijftienhonderd doden werden begraven in een massagraf. Om niet te spreken over de rest van het land. Tenslotte werd Jeruzalem omsingeld. Toen leverde Hizkia haastig alle goud en andere rijkdommen in en kocht de belegering af. De jahwistisch-chauvinistische theologie was desastreus gebleken voor het land. Hizkia’s zoon Manasse (687-642) had dan ook een gezonde allergie voor die theologie en “deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE” (II Koningen 21:2): hij herstelde de oude religie.

Manasse bleef een trouwe vazal van Assyrië en onder zijn lange heerschappij bloeide Juda weer op. Net als eertijds Israël profiteerde Juda nu van de opbloeiende economie van Assyrië en van het handelsverkeer. Vooral onder het bewind van Assurbannipal (668-631 vC) groeide Jeruzalem uit tot een echte stad. De bevolking van heel Juda groeide van 10.000 tot 70.000 zielen; waarvan de helft woonachtig in Jeruzalem.  Dat werd toen, zoals opgravingen bewijzen, flink uitgelegd. Ook andere Judese steden groeiden in deze tijd uit en op het platteland verrezen veel nieuwe dorpen. In het hele Assyrische rijk, dus ook in Juda, nam de geletterdheid toe, vooral toen het oude spijkerschriftsysteem was vervangen door het Semitische alfabet, wat veel makkelijker te leren was. De kleitabletten maakten plaats voor papyrusrollen, die tegen muisvraat werden bewaard in urnen. (Dit is allemaal geen Bijbelse propaganda-kul, maar resultaat van archeologie.) Of toen ook het geld zijn intrede heeft gedaan, weet ik zo gauw niet.

De tijden van verzet tegen Assyrië leken voorbij, Assyrië was oppermachtig en Assurbannipal veroverde zelfs Egypte. Op het kaartje van p. 41 zie je aan de stippellijn welke afmeting zijn rijk kreeg.

 

Maar ook dat duurde niet. Assyrië kreeg te maken met aanvallen van de Meden[43], waar Assurbanipal de handen mee vol had. Zeker toen ook de Babyloniërs onder Nabopolasser de kop weer opstaken en met de Meden gingen samenspannen. Overal werden de bezettingsgarnizoenen teruggetrokken. In Egypte joeg farao Psamtek I de Assyrische bezettingstroepen het land uit.

 

35. de ‘hervorming’ van koning Josia

 

Adempauze voor Juda. Even zonder de wurgende belastingafdrachten. Alle rijkdom voor de eigen elites. Nu kwam het oude idee van Hizkia: herstel van het Joodse eenheidsrijk, weer volop in de gedachten. Als je je land niet wil laten uitzuigen door een der grootmachten, dan moest je tot de tanden bewapend zijn. Maar een leger, zeker een staand leger, goed uitgerust, paraat en gedrild in kazernes, kost nogal wat. Om die kosten op te brengen moeten alle stammen, zowel de twee van Juda als de tien van Israël, verenigd zijn onder één god. Onontkoombaar als je alle offers naar één altaar bijeen wil laten vloeien. Op het altaar van Jahweh, die moet worden opgewaardeerd tot de enige ware God-met-een-hoofdletter. Alle offerrijkdom van alle heiligdommen samengebracht in één Tempel, die van Jahweh in Jeruzalem. Want die van Samaria was verwoest en verlaten.

Een stout plan. Het betekende dat alle andere heiligdommen, altaren, heilige hoogten en heilige palen in alle Joodse landen met de grond gelijk gemaakt moesten worden – zoals Hizkia dat al had gepraktiseerd – en alle andere priesterijen dan die van de Tempel van Jeruzalem ontslagen en uitgerangeerd moesten worden. Koning Hizkia had daar een wat amateuristisch begin mee gemaakt: nu moest dat tot in de finesses worden uitgewerkt en professioneel worden uitgevoerd.

De religies aan alle andere goden en vooral godinnen van de Joodse stammen moesten dus verboden worden, uitgeroeid zelfs. Dat lukt niet als er geen alternatief voor in de plaats geschoven wordt. Er moest een geheel nieuwe ideologie ontwikkeld worden, een nieuw Joods Verhaal. Uitgedokterd en op schrift gesteld. Het moest allemaal geloofwaardig aan het volk gepresenteerd kunnen worden. Je moest er zelf in kunnen geloven, zo goed moest het zijn. Maar als het plan zou slagen, dan zouden ze voor altijd van de buitenlandse uitzuigerij bevrijd zijn.

Het door de priesterij van de Tempel ontworpen verhaal was bepaald geniaal. Het maakte gebruik van de oeroude verhalen van de verhalenvertellers. Die trokken al sinds onheuglijke tijden van vader op zoon de hoeven langs, waar ze verwelkomd en gefêteerd werden in ruil voor hun spannende verhalen. De slavernij in Egypte waar alle boerenfamilies eeuwenlang zonen aan verloren hadden, gevoegd bij de vele heldenverhalen, vormde het uitgangspunt. Tal van elementen waren geknipt voor een relaas van Jahweh die juist dat arme en gepijnigde volk speciaal had uitverkoren boven alle volken! De Ene Ware God, Jahweh, wilde Zijn uitverkoren volk bevrijden uit de slavernij van Egypte. Op slechts één voorwaarde: het volk moest alleen Hem aanbidden en geen andere goden!

Daartoe werd een Verbond gesloten, vastgelegd op schrift. Onder leiding van … nee, niet van Mozes, want die is pas later in Babylon bedacht; in deze eerste versie doet Jahweh de klus nog zelf – werd het volk uit Egypte geleid en binnen gevoerd in het Beloofde Land.

 

De EWG-ideologie heeft pas in de eeuwen daarna, in talloze nieuwe edities, de vorm gekregen waarin wij er nu kennis van kunnen nemen. Maar de bijbelkundigen weten vrij goed hoe die eerste rompvorm van wat later Deuteronomium zou heten, er uitgezien moet hebben: nog zonder Mozes bijvoorbeeld.

 

Er deed zich een geschikte gelegenheid voor. Toen koning Manasse eindelijk werd opgevolgd door zijn zoon Amon,  kwam die al in zijn tweede regeringsjaar bij een paleiscoup om het leven en zijn achtjarige zoontje Josia werd op de troon gezet. Josia werd door de priesterij van de Tempel voor het plan, waarin hij de nieuwe David zou worden, enthousiast gemaakt. Terwijl Josia in de achttien beginjaren van zijn koningschap  alles in het werk stelde om een flinke  en goed geïndoctrineerde[44] militie op de been te brengen, werd het bovenbeschreven nieuwe Joodse Verhaal door (of in opdracht van) hogepriester Chilkia in een boekrol uitgewerkt. Met alle beloningen voor het afzweren van alle andere goden, en gruwelijke straffen voor het eventuele hervallen in de voorouderlijke erediensten. De boekrol werd in een urn gedaan en verborgen onder het puin van een in gang zijnde Tempelrenovatie.

In 622 vC, in zijn achttiende regeringsjaar, was Josia er klaar voor. De bewuste urn werd ‘toevallig’ gevonden en met veel bombarie en vertoon aan het volk voorgelezen. Vervolgens kwam de verwoesting van de altaren en heilige hoogten buiten Jeruzalem op gang. Allemaal te lezen in II Koningen 22-23 (eveneens in Kronieken 33-34): het is dit overduidelijk in elkaar gestoken drama dat mij op het spoor bracht van de ‘geboorte van God’. En toen bleek dat ik niet de enige was die hierdoor argwaan had gekregen! Lees nou zelf ook eens de Bijbel, geachte!

 

De tot EWG opgewaardeerde Jahweh en de verplaatsing van de Israëlische eredienst van het verwoeste Samaria naar het Judese Jeruzalem is ook geheel in de lijn van de studies die er in het laatste decennium verschenen en door mij bestudeerd zijn. Ik noem God against the gods van Jonathan Kirsch[45], The Origins of Biblical Monotheism van Mark S. Smith[46], Atheology van Michal Onfray[47] en het zeer behulpzame en dus al genoemde En de zee spleet in tweeën van Marcel Hulspas[48].

Wat ook niet ongenoemd mag blijven is het boek van Karen Armstrong De Grote Transformatie[49], al legt dat weinig nadruk op de figuur van de Ene Ware God als een politieke uitvinding. Armstrong heeft geen idee van hoe wij mensen geworden zijn en dus ook niet waarom wij van nature religieus zijn. Ze voelt wel dat er ‘iets’ moet zijn en dus wil ze de EWG niet kwijt. Ze houdt zich dus toch maar vast aan de Bijbelse weergave van de werkelijkheid, compleet met Mozes als wetgever. Ze ziet de propagandistische vertekening in de Bijbel gewoon door de vingers. Vrouwen zijn ongeneeslijk loyaal. Voor mijn kritische EWG-benadering heb ik er weinig aan. Maar verder …

 

Karen Armstrong zegt, vind ik, wel zinnige dingen over het vernieuwende (!) karakter van de EWG-ideologie. Of ze het van zichzelf heeft of van een man, kan me niet schelen.

– Deze werd gepresenteerd in een geschreven tekst, waar de religieuze waarheid tot nu toe een zaak van gezangen en andere mondelinge overlevering was geweest. Een Boek had voor de mensen iets magisch: het was niet meer vrijblijvend want ‘het stond geschreven’!

– van de andere kant werd de zeggenschap over de religieuze waarheid enigszins gedemocratiseerd. Mondelinge overlevering eiste, zoals in India waar men terughoudender stond tegenover de Schriftuur, een lange leertijd bij een goeroe en een gedisciplineerde levensstijl. Zelfstandig het Boek bestuderen, los van een goeroe, maakt daarentegen eigen interpretatie mogelijk. Bovendien hoéfde men de religieuze waarheid niet meer van buiten te leren – al werd dat nog lang op prijs gesteld – : men kon de tekst immers altijd opnieuw ter hand nemen

– de concentratie van alle offers op één plek: de Tempel van Jeruzalem. Dat was overigens nu pas een haalbare kaart geworden doordat er geld in omloop was gekomen. De boeren moesten hun offers in geld leveren. Het hele scenario zou onuitvoerbaar geweest zijn als alle boeren en veehouders er met hun slachtoffers een hele reis voor zouden moeten ondernemen

– “de Deuteronomisten [de samenstellers van het boek in de urn] hadden hiermee een seculier domein geschapen” : tot nu toe was het – in de hele Oude Wereld was dat zo –alleen toegestaan vlees te eten dat ceremonieel geslacht en geofferd was op een gewijde plaats. Maar nu de plaatselijke offerhoogten en altaren waren afgeschaft, mochten de Joden voortaan hun dieren op hun eigen woonplek slachten. Alleen het bloed, dat de levenskracht bevatte, moesten ze eerbiedig in de grond laten lopen

– vernieuwing ook op het gebied van de rechtspraak. Traditioneel was er rechtgesproken door stamoudsten (sjeiks) bij de plaatselijke heiligdommen. Nu werden er staatsrechters in elke stad benoemd, met een hooggerechtshof in Jeruzalem

– een eerste aanleg van de scheiding tussen kerk en staat: de koning (staat) werd voortaan niet langer gezien als de zoon van God, maar moest net als iedereen  gehoorzamen aan de Wet van Mozes (kerk). Ik zeg: ‘eerste aanleg’

– een rationelere theologie: de Deuteronomisten lieten veel oude mythen buiten beschouwing. God verscheen niet als beeld, was niet met vleesoffers manipuleerbaar, woonde niet in een tempel maar in ieders innerlijk

– eiste van de gelovige dat hij een deel van zijn inkomsten apart hield voor weduwen en wezen en andere armen; dat hij de rechten van vreemdelingen respecteerde en slaven na zes jaar vrijliet. Kortom: institutionalisering van sociale rechtvaardigheid

 

Armstrong brengt ook een andere theorie naar voren die moet worden meegedacht in het door mij geschetste scenario. De landadel, die in de Bijbel am haäretz (het volk van het land) genoemd wordt en die vreselijk onder de plundering en doodslag van Sanherib’s leger te lijden hadden gekregen –  terwijl de stedelijke elite met de schrik was vrij gekomen en nu, onder Manasse, weer volop profiteerde van de opbloei –  wilde alsnog wraak nemen voor de voor hen zo rampzalig uitgepakte stommiteit van Hizkia. Daarvan werd Manasses zoon Amon de pineut. Na de dood van Manasse heerste die pas twee jaar toen hij werd vermoord door een am haäretz-samenzwering in het paleis. De coup-plegers zetten Amons achtjarige zoon Josia op de troon,  omdat diens moeder een am haretz was (ze kwam uit Boskat, een dorpje in de heuvels van Juda). Ze konden natuurlijk niet vermoeden dat het knaapje later toch weer de rampzalige Hizkia-politiek zou opnemen, toen Assyrië in de moeilijkheden kwam.

 

Toen Josia enige jaren later sneuvelde bij een veldtocht, trok zijn opvolger diens decreten meteen in en herstelden zich de heiligdommen van de oude goden en godinnen. Waarmee Josia’s opzet het lot van dat van Akhnaton deelde. Maar helaas niet helemaal. Akhnatons tempel, afbeeldingen, graf en zelfs zijn hele Heilige Stad is na diens dood met de grond gelijk gemaakt en van de bedienaren en de gelovigen in Aton bleef geen spoor over.

Maar Jahweh’s tempel bleef overeind en de verering van de Ene Ware God bleef leven binnen de Jahweh-priesterij. Hun profeten bleven de Joden voorhouden dat ze de in Babylon uitgedachte ‘voorschriften van Moses’ (besnijdenis, geen varkensvlees eten, de Sabbath heiligen) moesten volgen. En geleidelijk groeide hun aanhang bij de gewone Joden.

 

Ik besluit dit paragraafje met te wijzen op hoe het EWG-project van de Tempel en de gewelddadige doorvoering ervan door koning Josia in mijn NBG-bijbeltje staat vermeld: als “de hervormingen van koning Josia”. Terwijl het toch alles heeft van een omwenteling. Voordien onderscheidden de religieuze praktijken in Juda zich in niets van die der omliggende koninkrijken. Met de gewelddadige invoering van de EWG-ideologie werd iets geheel nieuws geschapen, met onafzienbare historische gevolgen. Maar de bijbelschrijvers was er alles aan gelegen om het zo voor te stellen dat hun EWG het Joodse volk al vanaf het begin der tijden had bijgestaan.

 

36. einde Assyrië, Juda deel van het Nieuw-Babylonische rijk

 

Het machtige Assyrische rijk, dat het aanzien van het hele Midden-Oosten in het algemeen en het eens zo onaanzienlijke Juda in het bijzonder zo veranderd had, met name onder Assurbanipal, liep na diens overlijden in 627 vC ten einde. De Scythen (nomadische veehouders van rond de Zwarte Zee, uit hun weidegronden verdreven door de sterkere Sarmaten, ook veehouders) en Cimmeriërs (paardenvolk vanuit de Oekraïne) waren het noorden van het rijk aan het binnendringen. De Meden, Iraanse stammen, verenigd onder Fraortes, bedreigden het rijk vanuit het oosten. Ze spanden samen met Babylon in het zuid-oosten, dat al 200 jaar door de Assyriërs geregeerd werd. Dat zag onder de Chaldeeër[50] Nabopolassar nu de kans schoon om ook in opstand te komen.

De Meden versloegen onder Fraortes’ zoon Deiokes het Assyrische leger en verwoestten in 614 vC de hoofdstad Assur. Nabopolassar benaderde Deiokes en ze besloten om samen Niniveh te belegeren, dat in 612 viel. Dat was het begin van het einde voor het roemrijke Assyrië. Assur-uballit II, koning van de Assyriërs, wist de verstrooide troepen nog te verzamelen en vestigde een nieuwe machtsbasis in Harran. Deze stad werd in 609 vC. door de Babyloniërs ingenomen en daarmee viel het doek voor Assyrië.

In 550 vC zouden de Achaemeniden onder leiding van Cyrus II de Meden verslaan, waarmee het Nieuw-Babylonische rijk zijn aanvang nam.

 

Voor de vazalstaten was het lange tijd de vraag op welk paard ze moesten wedden: zouden de Assyriërs tenslotte toch zegevieren of zouden de Babyloniërs de nieuwe heersers worden?

De farao’s keken de kat uit de boom. Ze deden alsof ze de Assyriërs trouw bleven maar zagen met welgevallen toe hoe die het steeds moeilijker kregen. Josia van Juda wedde op de Babyloniërs.

Toen de Egyptenaren de tijd rijp achtten om de zieltogende Assyriërs zogenaamd te hulp te snellen, en de farao Necho II aan het hoofd van een legermacht optrok langs de Filistijnse kust noordwaarts naar Megiddo, vond Josia het slim om de Babyloniërs te laten zien dat hij aan hun kant stond. Dat had hij beter uit zijn hoofd kunnen laten: bij de eerste confrontatie trof een Egyptische pijl hem dodelijk. 609 vC.

Necho II vervolgde monter zijn veldtocht maar moest zich al gauw achter de Eufraat terug trekken. Hij moest zich beperken tot een sterk garnizoen in Karkemish (Syrië).

Josia werd opgevolgd door zijn oudste zoon Joachaz. Die herstelde meteen de oude goden in ere. Farao Necho verving Joachaz weldra door diens in Egypte opgeleide broer Joakim.

 

Deze was overigens even ‘heidens’ in de ogen van de latere bijbelschrijvers: II Koningen, 23:31-37. Ze deden “wat kwaad was in de ogen des HEREN, geheel zoals hun vaderen gedaan hadden”. En dat wil zeggen: gewoon de voorouderlijke religies weer alle ruimte geven[51]. Ik vind het veelzeggend dat ze er telkens weer bij schrijven: “in de ogen des HEREN”. Het is een relativering –  “de HERE” = de priesterij – die het bijbelboek echt als een priesterlijke propagandatekst kenmerkt.

 

Necho’s poging om Kanaän als zijn inkomstenbron te behouden, mislukte. In 605 vC trok Nabopolassar op naar Karkemish teneinde de belastingmacht van Necho in deze regio uit te schakelen. Nabopolassar werd echter ziek en moest zich laten terugvervoeren naar huis. Het commando te velde liet hij over aan zijn zoon Nebukadnessar II. Deze ontpopte zich als een waardige opvolger. Het kwam tot een beslissend treffen, waarbij Egypte een zware nederlaag leed. Necho had nog geluk dat Nebukadnessar bericht kreeg dat zijn vader overleden was en hij als de bliksem naar huis moest om zijn opvolging veilig te stellen. Zo ontsprong Necho – zwaar gehavend maar toch – de dans.

 

De Babylonische generaals rukten verder op naar het zuiden en Joakim onderwierp zich meteen aan de Babyloniërs. Nebukadnessar richtte zich nu naar Tyrus en belegerde deze uiterst belangrijke havenstad in 604 vC vergeefs. Dan maar naar Egypte! Maar ook dat viel tegen. Necho II won deze thuiswedstrijd en Nebukadnessar moest zich terugtrekken.

 

We schrijven inmiddels 598 vC. Nebukadnessar’s nederlaag was voor Joakin (Jojakim’s opvolger) van Juda reden om in 597 vC tegen hem in opstand te komen, rekenend op ruggesteun van Necho II. Maar die steun bleef uit en Joakin wist niet hoe snel hij zich, met veel verontschuldigingen en het overhandigen van alle tempelgoud, moest overgeven aan de genade van legerleiding van de Babyloniërs! Hij werd, samen met degenen die hem tot deze domme daad hadden aangezet, op transport gesteld naar Babylon. Joakin’s oom Zedekiah werd door de Babyloniërs als regent aangesteld.

 

In 588 vC kwam Jeruzalem, waarvan de muren door Zedekiah op topsterkte waren gebracht zodat hij de stad onneembaar achtte, weer in opstand. Deze keer kende Nebukadnessar geen genade. Hij leidde persoonlijk de belegering, die een vol  jaar duurde. Nadat eindelijk een bres geslagen was, ontsnapte Zedekiah met zijn gevolg. Maar hij werd gepakt. Hij moest toezien hoe zijn drie zonen werden afgemaakt. Vervolgens werden hem de ogen uitgestoken. De stad en de tempel werden door legeroverste Nebuzaradan grondig verwoest. Alle voornaamste burgers en priesters werden, inclusief Zedekiah, afgevoerd naar Babylon.

 

37. de Babylonische ‘ballingschap’      

 

De profeet Jeremiah werd niet mee naar Babylon gedeporteerd: hij had principieel de bezetters gesteund. Jeremiah was een echte EWG-gelovige, voor Jeremiah bestond Hij echt. Voor Jeremiah waren de Assyriërs en nu de Babyloniërs ‘krijgsknechten’ van de EWG, om de Joden tot Zijn dienst te dwingen. Daarom had eertijds Hizkia en had nu Joakim zich niet mogen verzetten tegen de grootmachten. Juda had immers straf verdiend door andere goden dan de EWG te aanbidden!

Hoewel hij het inhoudelijk eens was met het ‘gevonden’ Boek, was hij niet een van de schrijvers ervan. Een vreemde figuur. Hoewel van priesterlijke afkomst (hij was een zoon van hogepriester Chilkia) en kennelijk behorend tot het personeel van het Tempelcomplex was hij blijkbaar analfabeet – ongeveer zoals vandaag sommige intellectuelen en zelfs schrijvers ‘principieel digibeet’ zijn.  Jeremiah liet ‘het woord des HEREN dat tot hem kwam’ opschrijven door zijn trouwe helper Baruch. Jeremiah had dus aan het schrijven van de ‘gevonden’ bijbelrol geen deel kunnen nemen.

Nog opmerkelijker is dat in zijn boek met geen woord over het ‘gevonden Boek’ wordt gerept; noch over Josia’s razzia onder de oude heiligdommen in Juda en Israël[52]. In tegendeel, hij klaagt:

 

Zie je niet wat er in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gebeurt? De kinderen sprokkelen hout, de vaders stoken het vuur en de vrouwen kneden het deeg om koeken voor de koningin van de hemel te bakken. Ook krenken ze mij door wijnoffers aan andere goden te brengen (Jer, 7:17-18a)

 

Dus niet alleen de godin Asjera maar ook Baäl en andere goden waren nog steeds in zwang.Heel vreemd allemaal.

Ja, het valt niet meer uit te maken wat Jeremiah echt gezegd heeft en wat de achterafschrijvers er allemaal van gemaakt hebben natuurlijk Ze lieten hem exact zeventig jaar ballingschap voorspellen bijvoorbeeld. De aanduiding ‘HEERE’ voor Jahweh kon hij nog niet kennen. We kennen hem alleen uit latere geschriften. Maar zeker is dat Jeremiah de eerste is van een stroming van extremistische EWG-profeten, los van de diplomatieke en compromisbereide EWG-priesterij.

 

Wie er wél gedeporteerd was, en wel met de ‘eerste lichting’, die van Jojakin, in 597 vC,  was de priester Ezechiël. Ook een echte EWG-gelovige. Volgens Armstrong woonde hij in de nederzetting Tel-Abib, bij het Kebarkanaal. Vermoedelijk een autist of zoiets. Liep door Tel-Abib met zijn reisbagage alsof hij niet wist waarheen te gaan, sloot zich dan weer op in zijn huis, sprak maandenlang geen woord, en toen zijn vrouw overleed, toonde hij geen enkele droefheid. Dit alles schreef hij toe aan ‘bevelen van Jahweh’ zelf. Het bijbelboek Ezechiël is in de ik-vorm geschreven. Hij kreeg allerlei boodschappen door van  “Een die sprak”, dan wel “de Geest”, en die hem als “Mensenkind” aansprak. Vooral boodschappen aan het adres van “het huis Israëls” dat allerlei ellende wordt aangezegd vanwege het offeren aan andere goden. “Daarom zal ik in grimmigheid met hen handelen, en geen deernis hebben”.  Elke paragraaf van het lange boek begint met “En het woord des Heren kwam tot mij”.  En dan volgen weer allerhande dreigementen, afgewisseld met klaagliederen. Nogmaals, het valt achteraf niet meer uit te maken wat de inbreng van de echte Ezechiël is geweest, maar ik denk wel dat hij echt bestaan heeft.

 

In 586 vC, met Zedekiah, was dus de definitieve deportatie. Het is niet zo dat Juda nu totaal ontvolkt was. Bijbelse overdrijving: ‘de ballingschap van het Joodse volk’[53]. Maar het verviel wel van een welvarende natie tot een armoedige landstreek. De opgravingen laten zien dat Jeruzalem is platgebrand en ook niet meer is herbouwd. De Klaagliederen beschrijven de lege pleinen, afbrokkelende muren en geruïneerde poorten. De elite was voor een deel afgevoerd naar Babylon en voor een nog groter deel gevlucht naar Egypte. Voor de afgevoerden kwamen gedeporteerden van elders in de plaats.

 

Ook voor de Babyloniërs was, net als hun Assyrische voorgangers, deportatie van de kopstukken van een onderworpen stam de gemakkelijkste manier om die stam tot medewerking te dwingen. Op geloofsgebied waren de Babyloniërs als ‘heidenen’ verdraagzaam: ze gunden de gedeporteerden hun eigen geloofsbeleving. De Joden werden gehuisvest in dorpen in de omgeving van Babylon, aan de Euphraat, en vonden werk in Nebukadnessar’s grote project van de renovatie van Babylons kanalenstelsel. Omdat het een geletterde elite betrof, vonden velen ook werk in de administratieve sectoren en op den duur ook in het onderwijs, al was het voor de meesten een behoorlijk statusverlies vergeleken bij wat ze in Jeruzalem betekend hadden. Het boek Job is een typisch Babylonisch boek.

Jojakin genoot, als zoon van de Babylongetrouwe vazalkoning Josia, weldra een voorkeursbehandeling. Hij kreeg een uitkering en een ‘residentie’, en  bleef tot zijn dood als aanspreekpunt van de Joodse ballingen fungeren.

 

Toen Ewil-Merodak de troon besteeg als koning van Babel, verleende hij koning Jojakin van Juda gratie en ontsloeg hem uit de gevangenis. Dat was op de vijfentwintigste dag van de twaalfde maand in het zevenendertigste jaar van zijn ballingschap. Hij had met hem een vriendelijk onderhoud en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die in Babel gevangen zaten. Jojakin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en mocht voor de rest van zijn leven de maaltijd gebruiken met de koning van Babel.  Jeremia[54] 52:30-34.

 

De Joden mochten er ook hun eigen geestelijke centrum bouwen. Het is jammer dat we daar niet meer van weten, want het is daar dat heel wat van de eerste versies van de bijbelboeken tot stand zijn gebracht. Maar ook de uitwerking van de eerste, door Chilkia en de zijnen samengestelde en in de urn ‘gevonden’ versie van Deuteronomium is in Babylon duchtig omgewerkt. In de grondtekst van de EWG-ideologie is nog geen sprake van Mozes:

 

“De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we Jahweh, de god van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En Jahweh bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen”. (Deuteronomium, 26:6-8)

 

In het geestelijk centrum in Babylon – wellicht was dat de ‘residentie’ die Jojakim als gunsteling van de keizer had toegewezen gekregen – werd de grondtekst herschreven en uitgewerkt  “tot één lange redevoering van leider/wetgever Mozes, waarbij verschillende ‘profetieën’ over de ballingschap werden toegevoegd” (Hulspas p.274). En: “De introductie van de wetgever Mozes is ongetwijfeld het meest opmerkelijke aspect aan deze bewerking. In de kern van het verbondsboek leidt Jahweh zelf het volk naar Kanaän, en wordt geen Mozes genoemd.”

Nieuw is ook dat de priesters zichzelf in hun geschriften de hoofdrol toekennen: als het volk een koning wilde, kon dat; maar deze moest aangewezen worden door “de HERE” (lees: de priesters) en zich strikt houden aan de wetten van Mozes (lees: de priesters).

Bijbelwetenschappers identificeren de redacties van deze auteurs als (P), waar de oudere versies als (JE) worden aangemerkt. Ene Baruch[55] schijnt een groot aandeel gehad te hebben in de achteraf-schrijverij. Natuurlijk worden er geen namen in genoemd: het is immers “het Woord Gods”.

 

Veel psalmen waren al bekend van Israëlische profeten, maar de meeste stammen uit deze 70 jaar. Verreweg de meeste bijbelboeken, en ook de definitievere versies van de eerste, zijn nog  later geschreven. Met telkens nieuwe toevoegingen uit de actualiteit, in de mond gelegd van de vroegere profeten.

De belangrijkste bijdrage van de (P)-auteur(-s) van de Babylonië-tijd (586-538 vC) is, naast de ‘Mozes’-wetgeving, de psalmen (veelal ‘omgebouwde’ oude Mesopotamische mythen en gezangen) en de profetieën,  het Genesis-verhaal.  Veel ervan is ontleend aan de Enuma Elish.Ik citeer hier Wikipedia: “De Enuma Elish (“wanneer in het hoge”) is een oude Babylonische mythe die ons vertelt hoe de wereld is geschapen. Het is tegelijk een verheerlijking van de god Marduk en de stad Babylon. De tekst is van groot belang omwille van zijn gelijkenis met het Bijbels scheppingsverhaal” .

De (P)-auteurs maakten van de scheppende figuur een veel zachtaardiger God dan de krijgshaftige God Marduk. Wellicht onder invloed van de andere inspiratiebron voor het Genesis-verhaal: het, eveneens in Babylon populaire, zoroastrische scheppingsverhaal. Vooral het begin ervan: de scheiding tussen licht en duisternis; een God zonder begin of einde, zonder plaats of verleden; de schepping van de aarde in zes fasen, is aan het zoroastristische scheppingsverhaal ontleend.

 

Het Zoroastrisme is van bepalende invloed geweest voor de hele vormgeving van het judaïstische EWG-geloof – en daarmee voor de vormgeving van het christelijke geloof en dat van de nog latere islam.Laat ik hier een tiental zoroastrische elementen opsommen:

 

1. geloof in één allerhoogste god, verheven boven alle overige goden

2. geloven in een strijd tussen het goede en het kwade (God en Duivel)

3. geloof in engelen

4. geloven in een hemel en een hel

5. geloven in een individuele eindbeoordeling

6. een stelsel van ge- en verboden voor individueel gedrag

7. het geloof in een Messias, een Verlosser

8. geloof in een wederopstanding

9. geloof in een paradijs

10. uitgebreide reinigingsvoorschriften voor de rituelen

(toetje: het woordje “Amen!”)

 

Allemaal begrippen en geloofsvoorstellingen die de Joden voordien volslagen onbekend waren. Nou ja, het geloof in geesten is natuurlijk zo oud als het animisme. Maar om die als ‘engelen’ voor te stellen en als hulpjes (bijvoorbeeld boodschappers) van een EWG, dat is Zoroastrisme.

 

Waarom ontleenden de bijbelschrijvers hun scheppingsverhaal aan andere culturen? De Joodse stammen waren toch niet van gister? Die hadden toch ook hun eigen oeroude scheppingsverhaal?

Misschien wel. Maar zo ja, dan zou zo’n verhaal ongeschikt zijn om de stammen te verenigen: droeg het verhaal teveel het karakter van één der stammen, dan zouden de andere stammen het niet als het hunne accepteren. Nog een reden: het zou teveel ‘heidense’ elementen bevatten. Dus liever een geheel nieuw vervaardigd. Bronnen voor ‘leentjebuur’ genoeg.

 

De geloofsinhoud van de (P)-auteurs ademde dus een vredelievender geest dan die van de JE-versies. Dit vastgesteld hebbende is het optreden, tegen het einde van de ‘ballingschap’, van de zg ‘Tweede Jesaja’ (zo geheten omdat zijn orakels bewaard zijn gebleven in de dezelfde boekrol als die van Jesaja, die echter in Hizkia’s tijd profeteerde) opmerkelijk. Diens orakels waren ineens weer opvallend triomfalistisch. Een Marduk-achtige Jahweh die al zijn vijanden verslaat. Opmerkelijk ook omdat er dan ineens vier gedichten tussen staan – van iemand die zich ‘dienaar van Jahweh’ noemde – die juist weer heel timide zijn en lijdzaam. Toch zijn de zangen van die ‘tweede Jesaja’ blijkbaar heel populair geweest onder de Joden.

 

“Ballingschap” tussen aanhalingstekens. Met dat woord wordt de deportatie van de Judese elite naar Babylon steevast aangeduid. Maar ook dat hoort tot de Bijbelse propaganda. Want dergelijke deportaties waren in die tijden de normale manier van onderwerping van een geannexeerd land. Gedwongen emigratie, zo moet je het zien, en de slachtoffers integreerden in hun nieuwe vaderland. Het was dan ook maar een fractie van de Joden die in 538 vC terugkeerde.

 

38. de Judaïsten naar Jeruzalem

 

In de Bijbel wordt dit de terugkeer van de Joden uit de ballingschap genoemd. Maar van de afgevoerden was toen al niemand meer in leven. In Juda zelf was men niet meer van hun bestaan op de hoogte.

Bij dat ‘terugkeren’ moeten we ook niet denken aan dezelfde voortsukkelende groep die indertijd naar Babylon op weg ging. Wat? We moeten zelfs die eerste groep niet als voortsukkelend voorstellen. Kijk even op het kaartje bij par. 32 Juda. Daar zie je links Jeruzalem en rechts Babylon. Met de Syrische woestijn er tussen. Dat zou geen man overleefd hebben als hij dat via een stippellijn tussen die twee punten voortsukkelend zou hebben moeten afleggen. Ten eerste waren het rijkelui. Dus die hadden wagens en rijdieren. Ten tweede moet dat eerst noordwaarts, via Damascus, zijn gegaan, en dan langs of per boot óver de Euphraat, afzakkend naar Babylon. Nu waren de mensen qua reizen wel wat gewend toen, maar het betekende ook voor die tijd een behoorlijke onderneming, zeker voor een groot gezelschap. Als die veel slachtoffers geëist zou hebben, was daar zeker melding van gemaakt in een klaaglied.

Wat de ‘terugkeer’ betreft: daar was na zeventig jaar niemand meer bij van de oorspronkelijke groep: die mensen waren al lang overleden.

De priesterij van het eerdergenoemde geestelijke centrum bij Babylon had de gedachte aan een terugkeer naar Jeruzalem echter altijd levend gehouden. In hun fantasie hadden Jeruzalem en de Tempel hemelse proporties aangenomen. Vooral de zg Tweede Jesaja had die overspannen verwachtingen zeer gevoed. Van de overwoekerde puinhopen en vooral de uitzichtloze armoe van het reële Jeruzalem had hij blijkbaar geen flauw idee.

 

Na het overlijden van de geweldenaar Nebukadnessar was diens ‘huis’ door onderling gekonkel en wanbeheer ingestort en was Babylon in handen gekomen van een nieuwe heerser: Cyrus de Grote. Van een Perzische koningshuis. Cyrus was een zoroastrist, in elk geval zeer netjes en verdraagzaam. Kort na zijn geweldloze verovering van Babylon (herfst 539 vC) liet hij een edict uitgaan dat de godenbeelden en tempelvoorwerpen die door Nebukadnessar naar Babylon waren versleept, terug moesten keren naar hun tempels van herkomst. Behalve dat het overeenkwam met zijn zoroastrische instellingzouden de aan hem loyale priesterijen voor hem mooi de belastingen van de vazalstaten innen en afdragen. Want Cyrus was geen ‘gekke Henkie’.

Wat ‘terugkeerde’ was dus een kleine delegatie Joodse priestelijke beambten. In opdracht van de koning, en ook toegerust om die uitzending met succes te kunnen bekronen: herbouwen van hun tempel en herstellen van hun eredienst, alsmede van Juda een zelfstandige satrapie (provincie) maken. Ze hadden ook de gouden tempelschalen en andere buitgemaakte tempelschatten meegekregen.

Hun hooggespannen verwachting kreeg een behoorlijke domper. Niet alleen belandden de Gola (de ‘terugkeerders’) op een overwoekerde puinhoop in een ontredderd land. Maar ze kregen ook geen enkele medewerking van de gouverneur van Israël, waar Juda toen onder viel. Stiekeme tegenwerking zelfs: wanneer hun missie zou slagen, was hij immers een stuk van zijn ambtsgebied kwijt.

Wat ook een domper was: de inheemse Joden was elke gedachte aan een EWG-achtige Jahwehverering vreemd: ze offerden behalve aan Jahweh ook aan alle oude Kanaänitische goden van weleer, op dezelfde altaren en heilige hoogten en Asjera’s (heilige palen). Juda was trouwens, zoals heel Kanaän, ten gevolge van de Assyrische deportatiepolitiek een smeltkroes van volken geworden: Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Joden, Edomieten, Feniciërs. De Gola-priesters noemden hen allemaal am-haretz : plattelandsvolk.

De eerste delegatie kwam niet verder dan zichzelf in leven houden en zich onderdak verschaffen. Twintig jaar na hun terugkeer was de Tempel waar het om te doen was geweest, nog steeds dezelfde overwoekerde puinhoop.

Darius (521-486 vC) stuurde een tweede delegatie Joden terug, groter, en ruimer toegerust. Onder leiding van Zerubabbel, kleinzoon van Jojakin. Samen met hogepriester Jozua. Ook deze terugkeerders moesten natuurlijk eerst voor eigen onderdak zorgen. Maar de profeet Haggai, lid van het priestergezelschap, kon zijn teleurstelling niet voor zich houden en verweet de mensen van de eerste Gola-groep dat die alleen maar aan zichzelf gedacht hadden en de woonplaats van Jahweh een ruïne gelaten hadden. Beschaamd togen die nu aan het werk en slaagden er in om onder de bezielende leiding van Haggai zelf – en met diens nieuwe middelen – in enkele maanden een bescheiden wederopbouw van de Tempel te laten zien. Alleen Gola-leden hadden daar aan mee mogen helpen overigens, de ‘heidense’ am-haretz hadden alleen mogen toekijken.

Op de dag van het eertijds traditionele herfstfestival stroomden de Gola naar het bouwterrein voor de her-inwijding. De schamele aanblik van wat de schitterende Tempel van Salomo, zoals die door de bombastische orakeltaal van de Tweede Jesaja was voorgespiegeld, moest voorstellen, deed sommigen in huilen uitbarsten. Maar Haggai beloofde dat de tweede Tempel grootser zou worden dan de verwoeste eerste. Een andere profeet uit het gezelschap, Zacharia, viel hem bij en voorspelde een vreedzame samenleving van alle Joden, inclusief de am-haretz,in de voor iedereen toegankelijke stad Jeruzalem. Alsmede een Tempel waarin ook de gojim (heidenen) welkom zouden zijn.

De tweede Tempel herbergde niet alleen een Jahweh-altaar maar omvatte natuurlijk ook de woon- en bestuursvertrekken van de priesterij. Het werd weer een heel complex, met bibliotheek en al. Volgens Armstrong zijn daar de twee boeken Kronieken geschreven.

Deze boeken ademen de insluitende geest van Haggai en Zacharia, vrij van de rivaliserende toon van Deuteronomium.

Maar de Deuteronomistische, onverdraagzame EWG-stroming, die van de fanatieke EWG-gelovigen, was ook nog steeds actief. Jeremiah was daar de eerste vertegenwoordiger van geweest. In Babylon was de ideologie nader uitgewerkt met in EWG-stijl vormgegeven oude Joodse verhalen van slavernij, van verblijf in Egypte (nog steeds bevond zich daar een uitbreide Joodse kolonie overigens), van een uitverkiezing door de EWG-Jahweh, die zijn uitverkoren volk uit de slavernij bevrijd had en onder leiding van wetgever Mozes het beloofde land had binnen gevoerd. Deze uitverkiezingsgedachte had vrome (de EWG-ideologie toegedane) Joden een elitair gevoel gegeven. De reinheidswetten en -regels van Mozes waren steeds verfijnder en pietluttiger geworden, en het naleven ervan door de vromen was voor gewone leken niet haalbaar. Tenzij ze zich lieten onderwijzen door de ingewijden: zo’n ‘vrome’ moest toch ook ergens van leven?  De vromen waren er ook op tegen dat Joden trouwden met ‘vreemde vrouwen’ (vrouwen afkomstig van ‘heidense’ Joodse families).   

De meeste mensen uit de Gola-groep waren Vromen en voelden zich ver verheven boven de am-haretz. Dat ze niet hadden toegestaan dat anderen dan Gola aan de herbouw van de Tempel zouden werken, had kwaad bloed gezet onder de werkzoekende Jeruzalemmers. Haggai en Zacharia hadden vergeefs geprobeerd deze tegenstelling in de kiem te smoren met hun ‘insluitende’ Boeken. Maar de Vromen bleven zich elitair opstellen, en ze wisten door te drijven dat het voor Vromen verboden werd om te trouwen met een vrouw uit een niet-Vrome familie.

 

Er speelde nog een andere tegenstelling. De Israëliërs, aangevoerd door gouverneur Sanballat, wilden nog steeds niets weten van een aparte satrapie Juda. Het gouvernement moest in Samaria gezeteld blijven, dus géén apart gouvernement in Jeruzalem asjeblieft. De priesterij van de Tempel had zich bij deze politieke stroming aangesloten, de hogepriester was zelfs getrouwd met een dochter van Sanballat.

De Vromen echter wensten dat hun EWG, dus ook Zijn Tempel,  ook de wereldlijke macht zou vertegenwoordigen; over Jeruzalem, over Israël, over de hele wereld zelfs.

Hoe zal ik de tegenstelling noemen? Ik noem die: tussen Vromen en Modernen.

 

39. de opmars van de Vromen

 

Omstreeks 445 vC (de voornaamste bron is de Bijbel en die is niet bijster helder) wist de Joodse lobby in Soesa, de nieuwe Perzische regeringsstad, gedaan te krijgen dat voor Jeruzalem een eigen gouverneur zou worden aangewezen. Nehemia, een Vrome, had als beambte aan het hof van koning Artaxerxes I gewerkt en had deze weten te overtuigen dat met hem, als gouverneur van een afzonderlijke satrapie Jeruzalem, de belasting-afdracht veel soepeler zou verlopen dan die vanuit Samaria verliep. Nehemia werd inderdaad benoemd en kreeg toestemming om de stadsmuren van Jeruzalem weer op te trekken.

Met een klein maar goedbewapend en bereden gevolg reisde Nehemia af naar Jeruzalem. Reizen was nog steeds een gevaarlijke onderneming, maar ook zijn reisdoel was gevaarlijk. Pas in Jeruzalem maakte hij zich aan de priesterij bekend, mét de opdracht van de koning. Met zo min mogelijk ophef werd de herbouw van de muur ter hand genomen, onder zware bewaking van Nehemia’s soldaten.

Het lukte Nehemia om een volksopstand te vermijden. Namelijk door veel beloften te doen om de armoede te bestrijden én deze ook na te komen. Het aantal burgers van de stad breidde zich uit en de welvaart steeg. Wat de am-haretz gevreesd hadden: dat die stadsmuren, spreek uit de verzelfstandiging van Juda als satrapie, zou leiden tot lastenverhoging, wist Nehemia voorlopig te voorkomen. Maar hij was wel een Vrome, en tijdens zijn tweede ambtstermijn die rond 432 vC begonnen moet zijn, dreef hij een nieuwe wet door die het de leden van de Gola (de Vromen dus) verbood om getrouwd te zijn met een vrouw uit een niet-Vrome familie. Het betekende het ontslag voor hogepriester Eljasib, die getrouwd was met Sanballats dochter. Het betekende ook hernieuwde vijandschap tussen Juda en Israël.

 

Soesa was bezig, de wetten van de vazalstaten te toetsen aan hun verenigbaarheid met de veiligheid van het Perzische rijk. Ezra, een Vrome en wetsgeleerde van de Joodse Thora, wist het hof te overtuigen dat de Thora verenigbaar was met het Perzische wetsysteem en dat het dus zaak was dat ook in Jeruzalem de Thora zou worden opgelegd. En ook hij slaagde er in om als officiële wetsvertegenwoordiger des konings naar Jeruzalem te worden gestuurd.

Aldaar gaf hij met veel vertoon van geschrei en verscheuren van kleding en het rukken aan zijn haar te kennen, geschokt te zijn door het getrouwd zijn van tempelpriesters met am-haretz vrouwen. Vervolgens belegde hij een bijeenkomst, op het plein voor de Waterpoort, van alle Gola-leden (Vromen dus). Iedereen die weigerde om zich daar te laten zien, zou uit de Gola-gemeenschap worden gestoten en zijn bezit zou verbeurd verklaard worden. Staande op een getimmerde verhoging las Ezra de Thora voor, voorzien van zijn commentaar. En nu werd het eenieder klip en klaar duidelijk: je had de keus tussen óf je vrouw weg te sturen óf alles kwijt te zijn!  Er een gejammer los. Ezra stapte snel over naar een tekst die de Joden opdracht gaf om het Loofhuttenfeest te vieren. Dus dat het nu een feestdag was! En opgelucht rende iedereen weg om takken te gaan plukken en een loofhut te bouwen voor zijn gezin. Zo werd het toch nog gezellig en dat bleef het gedurende die hele maand Sukkoth.

Maar de boodschap bleef gehandhaafd. In de daaropvolgende maand belegde Ezra een nieuwe bijeenkomst. Het stortregende die dag en de halve stad stond onder water en het was koud. En nu wees Ezra erop dat de wet van het Perzische rijk onverbiddelijk was: in Juda diende de Thora te worden nageleefd. En dat betekende maar één ding: stuur je vrouw terug naar haar familie als ze een am-haretz is! Met haar kinderen!

Het water droop van de helmen van de zwaarbewapende militie van Nehemia. Treuriger kon het allemaal niet.

 

Even iets tussendoor over de spijswetten. Waarom mogen de Joden en de moslims geen varkensvlees eten?

De voedseltaboes ontstonden al in de tijden van het totemisme. Bepaalde voorouderdieren mocht je niet eten want dan zou je jezelf of je voorouder opeten. De voorschriften namen zeer uiteenlopende vormen en detailleringen aan. Ze hadden alles te maken met de onzekerheden waar de mensen vroeger aan ten prooi waren en die ze nog niet of maar half begrepen. Met onzekerheid valt niet te leven, die moet je bezweren, met magische en rituele handelingen die heel precies moeten worden uitgevoerd anders werken ze niet. De voorschriften werden be- en uitgesproken door de sjamanen en de raad van stamoudsten. Vooral voor de initiaties werden die geraadpleegd. Ze hadden ook alles te maken met mannenreligie: mannen zijn regelneukers, vrouwen hebben dat veel minder. 

Ten tijde van de primitieve landbouw en het animisme werden de voedseltaboes alleen maar stringenter. De bezweringen en offerhandelingen werden uitgevoerd in tempels, die tevens de opslagplaatsen en de administratie bevatten van de gemeenschappelijke voorraden. Wie de gemeenschapsvoorraden beheert en verdeelt, heeft de macht bij de staart.

Het taboe op varkensvlees vindt zijn oorsprong in de animositeit die in de vroege landbouwperiode bestond tussen de sedentaire en velden- en boomgaarden bewerkende boeren en de nomadische, tent bewonende veehouders. Van wie zijn de grazige weiden? Nomaden beroepen zich op hun voorouderlijke rechten. De boeren op hun zwoegende arbeid.  Het verhaal van Kaïn (boer) en Abel (herder) weerspiegelt deze animositeit.

 

De boeren hielden en offerden runderen en varkens. De nomadische veehouders hielden en offerden schapen, geiten en runderen: varkens houden was voor nomaden niet te doen.  De Joden en andere Semieten waren herdersvolken, nomaden dus, en in hun animositeit minachtten ze de boeren én hun varkens.

 

Armstrong wijst er nog op dat de Thora behalve Deuteronomistische EWG-teksten ook verdraagzamere (P)-teksten bevat, zoals Genesis en Exodus. Nou, in elk geval niet verdraagzamer tegenover haar eigen sekse. Armstrong blijft toch een vrouw, dus loyaal door dik en dun. Én ze weet niets over de menselijke natuur.

Ze heeft in zoverre gelijk dat naast de Vromen (later de Zeloten) ook altijd een verdraagzame en insluitende stroming is blijven bestaan.

Van de eerste (Vrome) stroming waren de Makkabeeën de eerste extreme opflakkering. Dat was tijdens de regering van Antiochus IV (215-164 vC). Die liet niets na om de Vromen te schofferen. Het was echt een ramp, die man. Wanneer dat nou toevallig een wijze man zou zijn geweest, had onze geschiedenis er misschien heel anders uitgezien.

De gevolgen van Antiochus’ rabiate optreden bleven helaas niet uit  Een oude priester, Hasmon Mattathias, met vijf uit de kluiten gewassen zoons, verzamelde een strijdgroep en begon een guerrilla tegen Antiochus. Judah, een van de zoons, was een echte mannetjesputter en werd maccabee (hamer) genoemd. Hij werd de hoofdaanvoerder en zijn partizanen werden voortaan Maccabeeërs genoemd.

De strijd van de Maccabeeërs was niet zomaar een vrijheidsstrijd. Het was de eerste jihad (heilige oorlog) uit de geschiedenis. De strijd was namelijk niet alleen tegen Antiochus gericht maar ook tegen alle Joden die ervoor gekozen hadden om als normale moderne mensen, dus als Helleen, te leven. Talibaan-avant-la-lettre. Iedere man of jongen werd door hen gecontroleerd op het besneden-zijn. Was iemand dat niet dan werd de besnijdenis ter plekke wel even uitgevoerd met de punt van het zwaard. Besneden zijn was het teken dat men tot het ‘uitverkoren volk’ behoorde; een onbesnedene werd als heiden beschouwd. Een nieuw begrip in de mensengeschiedenis.

 

Hoe is het mogelijk dat een geoefend leger als dat van Antiochus het aflegde tegen een bende ‘amateurs’? De Maccabeeërs waren een geheel nieuw type strijders: ze streden voor een denkbeeld.

Tot dan toe streed een soldaat niet uit begeestering maar uit hebzucht. Een leger was voornamelijk een geordende roversbende. Natuurlijk kon je sneuvelen, maar dat was het risico van ’t vak. De bedoeling was om je hachje te redden en zoveel mogelijk buit en rijkdom te verzamelen. Doordat je met z’n allen, zwaarbewapende soldaten, een overmacht vormde tegen de boeren en herders die je tegenkwam, kon je die afpakken wat je wou. Vechten tegen een gelijkwaardige tegenstander was weinig aanlokkelijk en het bleef meestal bij het aftasten van elkaars stootkracht. Maar het vooruitzicht van het daarna kunnen plunderen van een rijke stad was behoorlijk motiverend. Ook de Bijbel geeft voorbeelden genoeg van deze mentaliteit.

 

Wanneer nu de HERE, uw God, u in het land gebracht zal hebben, waarvan Hij uw vaderen, Abraham, Isaak en Jacob, gezworen heeft het u te zullen geven – grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt; huizen, vol met allerlei goederen, waarmee gij ze niet gevuld hebt’ uitgehouwen drinkbakken die gij niet uitgehouwen hebt; wijngaarden en olijfbomen die gij niet geplant hebt – en gij gegeten hebt en verzadigd zijt, neem u er dan voor in acht, dat gij de HERE niet vergeet, die u uit het land van Egypte, uit het diensthuis, geleid heeft. (Deuteronomium 6: 10 – 12)

 

(Je ziet de Joodse kolonisten al smullen bij deze passage uit hun Heilige Boek, met hun gebedsriem om de arm en het geweer aan de voet.)

 

In 164 vC werd het leger van Antiochus verslagen en werd een lid van de Hasmonfamilie tot koning uitgeroepen.

Maar onder de Hasmoniden kregen de Modernen weer de overhand, en geraakte het land weer tot bloei en welvaart. Beeldbepalend voor de hele geschiedenis. Waar de Vromen het voor ’t zeggen krijgen, is er stilstand, achteruitgang, armoede, verval. Waar de Modernen de kans krijgen, bloeit alles op.

 

In de eerste eeuw nC was het Joodse land bezet door de Romeinen en toen startte een groep zeloten (Vromen) een opstand. Die zou uiteindelijk tot de totale verwoesting van de Tempel leiden, maar aanvankelijk leken ze succes te hebben.

De Realistische stroming werd vooral gedragen door de Farizeeën. Dat waren Vromen, maar wijze Vromen: ze zagen het als hun taak om hun omgang met God te delen met het gewone volk. In tegenstelling tot de gehelleniseerde (vergriekste) Sadduceeën die tot de hogere standen behoorden en Hogepriesters leverden.

De Farizeeën hadden voor hun geloofsinhoud veel overgenomen van de zoroastristen: ze geloofde in engelen, in een hiernamaals en een Laatste Oordeel. Allemaal dingen die door de Sadduceeën als volks bijgeloof werden aangemerkt.

In het Sanhedrin, het hooggerechtshof van de Joden, bezetten de Farizeeën de minste zetels maar vertolkten daar wel het volksgevoel. Rabbi Hillel (80vC-30nC) was heel beroemd. Toen een Romeinse blaaskaak hem uitdaagde dat hij (de blaaskaak) Joods zou worden als de rabbi hem op één been staande de hele Thora zou kunnen leren, antwoordde Hillel: “Doe je naaste niet aan wat je zelf niet zou willen ervaren[56]. Dat is de hele Thora en de rest is commentaar. Ga dat maar naleven.”

De Farizeeën stonden bij de opstand tegen de Romeinen aan de kant van het volk (in tegenstelling tot de partij van de Sadduceeën). Maar ze wezen het terrorisme van de zeloten af! Rabbi Yohanan ben Zakkai wist dat ze toch nooit tegen de Romeinen op zouden kunnen en hield redevoeringen tegen gewapende opstand. Toen hij door de zeloten bedreigd werd, liet hij zich in een doodskist de stadspoort uit smokkelen, liep over naar het Romeinse kamp en mocht met andere geleerden in Jabneël gaan wonen. Jabneël zou na de verwoesting van Jeruzalem het nieuwe Joodse geestelijke centrum worden. Een andere Farizese leider, Flavius Josephus, werd door de Romeinen gevangen genomen, en werd later een verdienstelijk geschiedschrijver – althans naar de norm van die tijd.

 

Veel bijbelgeleerden nemen aan dat door of onder gezag van Ezra de bijbelboek-rollen opnieuw zijn overgeschreven[57], vanuit de gezichtspunten van toen. Hun definitieve vorm schijnen ze overigens pas gekregen te hebben in 90 AD, in de yeshiva van rabbi Yohanan ben Zakkai in Jabneël.

 

De Essenen,  en de gemeenschap van Qumran idem dito, hadden zich al tijdig teruggetrokken in de woestijn bij de Dode Zee, om zich daar voor te bereiden op de naderende eindtijd. Zodat ze als ‘kinderen van het licht’ bij het laatste oordeel aan de goede kant zouden staan. Dat geloof in ‘het einde der tijden’ en in ‘de dag van het laatste oordeel is nabij’ heeft door de hele geschiedenis van tijd tot tijd opgespeeld en doet dat tot de dag van vandaag! Je hebt echt heel rare lui onder gelovigen, hoor. Overbodig te zeggen dat die oprispingen steeds weer door de moderniteit worden achterhaald.

 

 

 

B. Het Christendom

 

         40. het begin van het Christendom

 

 

Ik heb aan het Judaïsme bijna 10 paragrafen gewijd omdat daarin de God gestalte heeft gekregen die ons vandaag nog steeds vooral ellende bezorgt, parasiterend op onze blije religieuze gevoelens. Niet de schuld van  de Joden dus – die hebben er het eerst en het ergst onder moeten lijden – maar door de bedenkers van de Judaïstische ideologie. Trouwens,  die bedoelden daar eigenlijk ook alleen maar mee om de Joden te verlossen van uitpersing door de grootmachten van toen. Wat een gedoe allemaal, niet?

Nu gaan we zien hoe de God van het Christendom gestalte gekregen heeft. Dat kan ik in slechts 5 paragrafen vertellen.

 

Als je dacht dat dit een uitvinding is geweest van Jezus, dan heb je het mis. Jezus (Christus) was gewoon een van de Joodse opstandelingenleiders tegen de Romeinen, en is totaal onschuldig aan het Christendom. Dat is een uitvinding van Paulus – maar ook die heeft  er weer  een heel andere bedoeling mee gehad.

Ook met het Christendom hangt het er helemaal van af  wat de latere scherpslijpers er van maken. Het  gaat het er niet om wat er in de Bijbel of de Koran staat, maar om wat de scherpslijpers en machthebbers zéggen dat er staat – in hun Heilige Boeken die trouwens ook pas vele jaren na het overlijden van hun hoofdfiguren geschreven zijn en daarna telkens opnieuw overgeschreven en waar nodig herschreven.

 

Toch eerst iets over de opstandelingenleider Jezus. Zoals de meeste Messias-pretendenten was hij een Galileeër, en voornamelijk in Galilea actief.  Op het kaartje hiernaast zie je hoe ver dat van Jeruzalem vandaan ligt. Voor de Judeeërs waren de Galileeërs buitenlanders. Het waren wel Joden en ook kwamen veel Galileeërs  tijdens het Paasfeest naar de Tempel, maar de Judese Joden keken er op neer – ook al waren de meeste  Galileeërs veelal langer en stoerder gebouwd dan de meeste Judeeërs.

 

Jezus is slechts één van de vele profeten/opstandleiders uit die dagen geweest, en blijkbaar een der onbelangrijkste. Want geen enkele historicus uit die tijd maakt melding van hem. Is zijn executie door kruisiging geweest? Die vorm van executie was voor heel invloedrijke rebellen, en dan zou Philo zeker over hem gehoord hebben.  De Joodse filosoof Philo (20 vC-40 AD), woonachtig in Alexandrië maar zich specialiserend in Joodse geschiedschrijving, heeft nooit wat van een optreden van ene Jezus meegekregen.  De enige historische vermelding van Jezus is te lezen in het werk van Flavius Josephus (37-100 AD), maar men vermoedt dat die passage daar  in gekomen is als een latere toevoeging, door een ijverige Christelijke overschrijver.

 

Jezus lijkt ook niet echt politiek gemotiveerd te zijn geweest. Vermoedelijk waren er verwachtingen naar hem en zijn familie toe. Hij opereerde heel omzichtig, alleen aanhang wervend door op te treden als gebedsgenezer en tovenaar zoals veel profeten voor hem en na hem. Bij rijkere dames geld los zien te krijgen om daarmee weduwen en wezen te ondersteunen, intussen zelf sober levend. Hij schijnt er bepaald niet op uit geweest te zijn om zijn nek te riskeren, maar zijn volgelingen verwachtten voortdurend actie van hem. Toen die druk hem teveel werd,  is hij er zowat een jaar lang tussenuit geweest, naar het buitenland uitgeweken. Maar uiteindelijk heeft hij toch met een aantal mede-Galileeërs een poging gewaagd ter gelegenheid van het Paasfeest in de Tempel. Een poging die grandioos de mist in ging en waarbij hij opgepakt is.

 

Het enige bewijs van het bestaan hebben van Jezus is eigenlijk dat hij in Jeruzalem wel degelijk aanhangers had die na zijn dood als sekte bijeen bleven. Zijn broer Jacobus had er de leiding van. Jacobus probeerde zo weinig mogelijk ergernis van de Vromen en de autoriteiten te wekken. Het werk van ondersteunen van weduwen en wezen en andere armen werd echter wel voortgezet. En vooral ook van preken dat het einde van de wereld nabij was, dus dat je maar beter al je rijkdom aan de armen kon schenken om je van een plek in de hemel te verzekeren.

Vooral Petrus en Johannes deden hun best om aanhangers te ronselen, en hadden zelfs een lamme bedelaar weer aan het lopen gekregen. Doorgestoken kaart natuurlijk, maar het had zo’n opschudding veroorzaakt dat ze waren opgepakt. Rabbi Gamaliël had toen betoogd: “Als het mensenwerk is geweest, die genezing, dan loopt het op niks uit. Wanneer het Gods werk is, is het zinloos om het tegen te werken!” Petrus en Johannes kwamen er met een geseling van af.

 

De sekte groeide gestaag. Zodanig dat het uitdelen aan de armen  Petrus en Johannes teveel tijd ging kosten. Dus regelde Jacobus diakens:  gemeenteleden die apart voor dit werk werden aangesteld. Een van die diakens, Stefanus, stelde zich nogal provocerend op, en dit leidde niet alleen tot zijn steniging maar tot een razzia onder alle Jezus-volgelingen. En nu komt Paulus op de proppen.

 

Paulus was uit Tarsus afkomstig. Zijn vader had daar een bloeiend tentenmakersbedrijf dat vooral het Romeinse leger als afnemer had. Paulus lijkt zich echter meer aangetrokken te hebben gevoeld tot geestelijkheid dan tot het bedrijfsleven, en hij mocht in Jeruzalem bij de bekende rabbi Gamaliël  in de leer. Een oudere zus van hem was daar getrouwd en daar kon hij bij in trekken.

Hij heeft Jezus nooit ontmoet of gehoord, hij heeft daar in Jeruzalem alleen met diens volgelingen te maken gekregen. Dan moet de jonge Paulus dus pas na 33 AD als rabbi-student begonnen zijn.

 

Een medestudent en vriend van Paulus, Barnabas, afkomstig van een rijke familie op Cyprus, had zich bij de sekte aangesloten. Barnabas probeerde Paulus er ook voor te interesseren, maar die moest er niets van hebben, van dat halfzachte gedoe. Leven in gemeenschap van goederen bijvoorbeeld.  Rare lui.  Bij de razzia na het optreden van Stefanus sloot hij zich zelfs aan bij een knokploeg en reisde mee naar Damascus, waar een aantal aanhangers, waaronder ook zijn vriend Barnabas, naar toe gevlucht waren.

Tijdens die dagenlange reis met dat stelletje tuig moet hij overdacht hebben wat Barnabas hem over die ‘halfzachten’ verteld had en over die Jezus die toch wel een apart figuur moest zijn geweest. Ook die Stefanus was een slimme jongen geweest. [Ik heb het donkerbruine vermoeden dat  Stefanus Paulus in een discussie een keer heeft afgetroefd en dat deze daarom zo op hem gebeten was dat hij assistentie verleende bij Stefanus’ steniging]. Maar nu begon hij er steeds meer aan te twijfelen of hij wel goed bezig was.

Het verhaal van de stem uit de hemel en de val van zijn paard mogen we gevoeglijk toeschrijven aan de dikke duim van evangelieschrijver Lucas. Die was nog wel een graadje erger dan ik in het opsmukken van zijn verhaal.

Aangekomen in de grote stad Damascus verliet Paulus zijn knokploeg, vond Barnabas en die bracht hem in contact met de leider van de gemeente aldaar. Na een aantal gesprekken besloot hij zich bij de sekte aan te sluiten. Hij ging zelfs deelnemen aan hun ronselpreken.

De leden van zijn knokploeg raakten over de rooie, spanden samen met gelijkgestemde Damascenen om Paulus van kant te maken.  Paulus ontsnapte uit de stad en reisde zonder paard en tamelijk berooid  naar het zuiden, naar Pella wellicht. Van huis uit was hij een bekwaam tentenmaker, en met dat ambacht vond  hij altijd  wel ergens werk.

Na een jaar of twee had hij genoeg verdiend om terug te reizen: in Damascus was de kust weer veilig als hij zich gedeisd hield.

Na een paar maanden moest Barnabas  naar Jeruzalem en nam hij Paulus mee om die bij Jacobus te introduceren.

De kennismaking verliep ongemakkelijk.  Zo fanatiek als Paulus eerst tegenstander was geweest, was hij nu vóór de Jezusbeweging. Wellicht  had hij toen al het idee voor een Joodse cultus met Jezus als hoofdfiguur.  Maar Jacobus wilde de beweging zo weinig mogelijk laten afwijken van de Joodse leer.  (Jacobus heeft nooit hoeven vluchten zoals de Jezus-aanhangers die naar Damascus en andere plaatsen waren uitgeweken).

Of het nu dit meningsverschil is geweest of – wat mij ook aannemelijk lijkt – dat Paulus te horen had gekregen dat zijn vader overleden was en dat  hij thuis verwacht werd om de leiding van de tentenmakerij over te nemen: hij vertrok spoorslags naar Tarsus en is daar dertien jaar gebleven.

 

41. de culten   

 

Joodse cultus?  Dus nu eerst iets  over de culten. In het Romeinse rijk geloofden de mensen aan een bonte stoet van goden en (vooral) godinnen. Je kon het zo gek niet bedenken of er was een speciale cultus voor. De Romeinen hadden wel de officiële staatscultus aan Zeus en zijn gemalin en ondergoden, maar die was er alleen voor de rijks-aangelegenheden. De oppermachtige legioenen hadden de zonnecultus voor de hogere rangen en de Mithrascultus voor de gewone soldaten. Ik hanteer de benaming ‘cultus’ ter onderscheiding van ‘godsdienst’, maar in die tijd was alleen het Judaïsme een godsdienst, en in Perzië het Zoroastrisme misschien ook, maar dan wel een heel verdraagzame.

De Mithrascultus (zie afb.) was vanwege haar brede aanhang onder de legioen-soldaten de grootste. Verder had je de Isiscultis, de Adoniscultus, de Dionysoscultus, de Bacchuscultus … eigenlijk had elke stad haar eigen meest populaire cultus.

Kenmerk was dat het mysterieculten waren: je moest er voor ingewijd worden. Althans, voor het echte lidmaatschap. Een cultus kende verschillende gradaties van inwijding. Aan de gewone volgelingen die deelnamen aan de grote jaarlijkse festivals, werden geen speciale eisen gesteld. Maar je kon je ook opgeven voor verdiepingscursussen. En als je nog verder wilde gaan kon je na een paar jaar ook ingewijd worden in het diepste mysterie. Zo’n inwijding maakte op de inwijdelingen een onuitwisbare indruk. Ze mochten er niets over meedelen aan een ander, zelfs niet aan hun eigen vrouw of familie.  En opmerkelijk is dat er inderdaad weinig of niets over bekend is.

 

Natuurlijk heb ik een theorie – het zou eens een keer niet!

Laat ik eerst vertellen wat het gemeenschappelijke van alle culten was, ongeacht welke Hoofdfiguur ervan. Dat was dat de Hoofdfiguur in het belang van de gelovigen geofferd werd dan wel zichzelf offerde, naar de onderwereld afdaalde, en na drie dagen herrees, bij voorkeur op het Paasfeest.

Dat gemeenschappelijke is weer terug te voeren op de nog veel vroegere vrouwenceremonies waarin het in de aarde vallen van de graankorrels werd gesymboliseerd, die in de grond moesten vallen en ontkiemen om in de lente ‘duizendvoudig’ nieuwe graankorrels terug te gaan schenken.

Maar dit hoofdelement was het mysterie niet. Dit gebeuren konden zelfs de simpelste gelovigen meevieren in de bijbehorende jaarlijkse festivals. Het mysterie ligt diep in onze menselijke prehistorie verborgen. Daarvoor moeten we terugdenken aan de vermogens waar onze prehistorische voorouders nog wél beschikten en wij niet meer. Vermogens zoals het veel sterkere geheugen: één keer iets horen of zien en het staat er in gegrift voor het leven. (Daar krijgen Westerse onderzoekers mee te maken die met tussenpozen bij hun onderzoeksgroep verblijven: dat heb ik je de vorige keer toch al verteld! Ja, maar daar zitten wel drie jaar tussen, en in die tussentijd heeft de onderzoeker een publicatie moeten verzorgen en een nieuw onderzoeksvoorstel aangenomen zien te krijgen met het geld waarvan hij nu hier weer zit). Of het geografische beeld van het uitgestrekte territorium, waardoor VJ’s  zich ook bij nacht en ontij kunnen oriënteren. Of het gemakkelijk in trance kunnen raken bij het dansen-zingen van hun Scheppingsverhaal. Het zijn deze vermogens waarin de latere sjamanen zich door leren en oefening specialiseerden, en die de nog latere priesters overerfden. Met name het laatste vermogen: de trance, al dan niet geholpen door drugs (ook onze jongeren zoeken met xtc of paddo’s de trance. Of met truffels[58].

Het is dit overgeleverde vermogen waar ik nu op doel. De trance die voor onze VJ-voorouders het hoogtepunt was van hun religieuze beleving, was voor hen het toeven in de dreamtime  zoals de Aboriginals het noemen: de voortijd van het mens-zijn, toen de mensen nog half dier en half al mens waren. De Homo erectus-tijd. De tijd van het begin van onze menselijke taligheid. De tijd van het begin van onze Scheppingsverhalen. De tijd van de Grote Voorouder, en het besef dat de Grote Voorouder in feite het groepje eerste kolonisten van het stamgebied was.

Waar ik het over heb als ik denk te weten wat het diepste mysterie is waar de inwijdelingen in hun slot-inwijding mee geconfronteerd werden, was het besef dat de God, de Hoofdfiguur van hun cultus, eigenlijk wijzelf waren, wij mensen. We waren het zelf!

Nou, hoe moest je daar, in je familie en je gemeenschap van simpele onwetenden, mee voor de dag komen? Die simpele gelovigen zouden je raar aankijken. Ze zouden zich in hun geloof gekwetst voelen. Ze zouden heel emotioneel worden, ze zouden naar hun messen grijpen om je voor altijd de mond te snoeren. Bovendien maakte dit afwijkende inzicht het voor religieuze of statelijke machthebbers, indien die zich door die intellectuelen in hun corruptie of andere belangen bedreigd voelden,  gemakkelijk om hen als ‘atheïsten’ te brandmerken en hen bloeddorstige knokploegen op het dak te sturen.

Daarom heten die culten mysterieculten.

 

42.  … en nu Paulus weer

 

Dertien jaar was Paulus thuis ondernemer, in het tentenmakersbedrijf van zijn familie. Daar moeten twee dingen bij worden bedacht. De tenten werden gemaakt van huiden. Voor Joden was dit een onrein vak. Je kon immers nooit weten of de dieren wel ritueel geslacht waren. Bovendien was de opslag, het schoonmaken, het looien en de verdere bewerking in die Mediterrane hitte een stinkend vak. Dat vak maakte Paulus bij Vromen moeilijk te accepteren. Voor hemzelf een argument temeer om te vinden dat Jezus’ boodschap zeker ook aan gojim (niet-Joden) besteed zou zijn.

Het tweede was dat Paulus via dit bedrijf het Romeinse burgerschap had verworven of van zijn vader geërfd. Iets wat hem vaak van pas gekomen is,

 

Gedurende de jaren in Tarsus was hij, behorend tot de vermogende bovenlaag, vermoedelijk een ingewijde in de Attiscultus die in Tarsus heel trendy was bij de elite. Tarsus was een belangrijke en rijke handelsstad, een schakel op de Zijderoute-handel tussen het Oosten en Rome. Paulus was een moderne Romein, én een Jood, door de modern denkende en geleerde Gamaliël opgeleid. Dus mag het geen verbazing wekken dat bij hem in die jaren het idee gerijpt is om het Joodse geloof te moderniseren met een Joodse mysteriecultus. Met als Hoofdfiguur een Joodse cultfiguur. Welnu, daar was Jezus dus geknipt voor. Die had zich als Messias-pretendent immers opgeofferd voor zijn volk? En onder zijn volgelingen had zich toch ook de mare verspreid dat hij herrezen was uit zijn graf?

 

Het was opnieuw Barnabas die vanuit Antiochië contact heeft gezocht met Paulus. Wellicht hebben ze al die jaren per brief contact met elkaar gehouden, en is Barnabas op de hoogte geweest van de gedachten-ontwikkeling van Paulus. De gemeente van Antiochië was veel internationaler georiënteerd dan die in het provinciale Jeruzalem, en stond vermoedelijk meer open voor Paulus’ idee om de boodschap ook onder de gojim te prediken. In elk geval, Paulus sloot zich aan bij de gemeente van Antiochië.

Toen er in Jeruzalem hongersnood was en vanuit de gemeente aldaar het verzoek kwam aan de rijke gemeente van Antiochië om hulp, boekten Barnabas en Paulus een passage op een vrachtschip, voeren naar de haven van Caesarea en reisden vandaar naar Jeruzalem met hulpgoederen en geld. En toen verkregen ze van het ‘hoofdkantoor’ aldaar toestemming voor de prediking in Anatolië en Griekenland, en dan niet alleen in de Joodse synagogen maar ook onder de gojim.

Vanaf toen ondernam Paulus, eerst samen met Barnabas en later met andere gezellen zoals ene Lucas (de latere evangelie-schrijver) vier lange reizen. Overal pogend en soms ook slagend om nieuwe gemeenten te stichten. Overal kortere of langere tijd verblijvend en met tentenmaken aan de kost komend, en je wilt niet weten wat voor ellendige toestanden hij nog meer heeft weten te overleven, en soms ook geld krijgend van vermogende vrouwen die hij voor zijn Jezus-cultus wist te winnen.

 

ZOON VAN GOD. In Paulus’ Jezus-cultus moest Jezus als cultfiguur natuurlijk ‘Zoon van God’ worden: dat waren alle Hoofdfiguren, in alle culten.

“Zoon van God”: die titel was in die tijd goedkoop. Elk beetje heerser tooide zich er mee.

Het klotige van Paulus’ vondst was echter dat  latere Christelijke scherpslijpers  het letterlijk opvatten en  hopeloos in een theologisch doolhof verzeild zouden raken aangezien ze monotheïsten waren: één enkele god, niet meer!  Het is een hinderpaal van formaat gebleken. Eén die eindeloze onenigheid, muggenzifterij en bloedvergieten heeft opgeleverd.

 

Om te beginnen werd deze ‘modernistische’  visie op Jezus door de conservatieve gemeente in Jeruzalem natuurlijk niet geaccepteerd: die hadden Jezus immers als broer en profeet ‘aan de lijve’ meegemaakt, en als een mens van vlees en bloed. Misschien is dit wel een belangrijke reden geweest dat Paulus’ ideeën daar niet gepruimd werden.  In Antiochië viel het wellicht in betere aarde: het is daar geweest dat de Jesus-volgelingen voor het eerst ‘christenen’ (van christos=’gezalfde’) genoemd werden. Wat duidelijk verwijst naar Jezus’ Messias-pretentie: alleen een koning wordt gezalfd. Die pretentie was een erfenis van de Joodse nostalgie naar de tijd dat Juda een zelfstandig koninkrijk was. Het was ook een erfenis van het Zoroastristische gedachtegoed dat een Messias aankondigde als voorbode van de Eindtijd.

 

43. de geloofsinhoud van het Christendom

 

De brieven van Paulus hebben, naast de evangelies (Jezus-biografieën in behoorlijk fantasierijke versies)  de grondslag gevormd voor de geloofsinhoud van de Christelijke gemeenten in het hele Romeinse rijk, inclusief gemeenten in Egypte en Noord-Afrika, in Italië en in Gallia (Frankrijk).

De gemeente in Jeruzalem schijnt zich al vóór de inname en verwoesting van de stad in 70 AD uit de voeten gemaakt te hebben en naar Transjordanië (Pella) gemigreerd te zijn. Daar heeft ze nog lang als de onbetekenende sekte van de Ebionieten voort bestaan.

De Ebionieten vereerden Jezus als hun Messias en beschouwden zich als joodse christenen. Paulus gold voor hen als een ketter, door hun profeet een goddelijke status toe te kennen. Ze streefden een leven in armoede en gelijkheid na. Toen ze de opstand van Bar Kochba in 168 tegen de Romeinen niet wilsen steunen, werden ze door hem vervolgd. Later zijn ze waarschijnlijk opgegaan ***

Ok de ecclesiale (kerkelijke) sekte stelde aanvankelijk weinig voor, in de veelheid van de geloven en sektes toen. Maar ten opzichte van de Romeinse staatsreligie stelden de christenen zich wel fanatieker op dan de Joden die veel diplomatieker reageerden op keizerlijke decreten. Bijvoorbeeld inzake het verplicht offeren aan het beeld van de keizer, als poging tot een eenheidsgeloof in het hele rijk. De joden wisten er met een goed praatje mee te schipperen. Maar de christenen stelden zich principieel op.  Sommige gemeenteleden ondergingen gevangenschap en marteling zelfs blijmoedig, omdat ze dan het paradijs in zicht kregen. Die ‘martelaren’ oogsten enorm prestige, vooral onder kansarme jongeren. Hun opvattingen over de geloofsinhoud vonden, hoe uiteenlopend vaak ook, veel gehoor.

Een onaanvaardbare verbrokkeling dreigde.

 

Nu had elke christelijke gemeente (ecclesia)een  episcopos (toezichthouder, bisschop), een latere variant van de vroegere diaken die over het geld  ging van de gemeente.

Om tot bisschop te worden gekozen moest je van onbesproken gedrag zijn, betrouwbaar en wijs. Je werd gekozen door de bijeengekomen bisschoppen van omringende gemeenten.

Om de dreigende verbrokkeling van de Jezusleer te keren, besloten de bisschoppen om voortaan ook aparte bijeenkomsten (concilies) te beleggen om met elkaar de christelijke leerpunten te bespreken en met meerderheid van stemmen op schrift vast te leggen. Ieder gemeentelid dat op eigen houtje zijn visie op de leer propageerde, liep voortaan kans om ‘ge-excommuniceerd’ te worden: als ‘ketter’ uit de gemeenschap gestoten. Ziezo.

 

De eerste slachtoffers van de bestrijding van individuele invulling van het geloof waren de gnostici. Gnosis (‘kennis’) is het geloof dat jouw contact met ‘Het Hogere”, en jouw uit dat directe ‘lijntje met God’ voortspruitende inzichten over het geloof, uitstijgen boven de door de autoriteiten opgelegde leerpunten over God.

Dat konden de bisschoppen uiteraard niet tolereren. Gnosticisme van welk allooi dan ook werd als ketterij beschouwd. Het is vooral de in 70 AD in de gemeente van Antiochië als bisschop gekozen Ignatius die zich in geschrifte het felst tegen de gezagsondermijnende gnostici  heeft gekeerd. De laatsten beriepen zich vaak op de brieven van Paulus, die inderdaad een gnostieke geest ademden. Ignatius heeft zich niet ontzien om die brieven zoveel mogelijk te kuisen en hij wordt ervan verdacht, met eigen hand een enige rechtzinnige brieven onder Paulus’ naam aan het bestand toe te voegen. Daarin laat hij Paulus schrijven dat de vrouwen hun mond dienen te houden in geloofszaken. Iets wat Paulus zelf, te oordelen naar zijn omgang met vrouwen, nooit kan hebben geschreven. Maar die verzonnen brief is nog steeds de bron waarnaar verwezen wordt als de baardmannen de vrouwen uit het ambt willen weren, of uit de partij der mannenbroeders.

 

Op zich waren die concilies een nog nooit vertoonde, democratische gang van zaken: een bij meerderheid van stemmen vastleggen van de geloofsinhoud. De christenen waren dus echt hypermodern in dit opzicht. Vermoedelijk droeg het ook bij tot de groei van de gemeenten en  in het aantal ervan. Wat zeker ook bijdroeg was, dat iedereen welkom was, ook slaven. Rijk of arm, iedereen was gelijk. Best een aantrekkelijke sekte voor die tijd.

 

Lange tijd bleven de gemeenten zichzelf, in aansluiting bij Paulus’ gedachtegoed en onder invloed van de eerste Jezus-gemeente in Jeruzalem, opvatten als een variant van of alternatief voor het Judaïsme. De Thora (de Judaïstische Bijbel, bleef het belangrijkste Boek.

Maar toen Jeruzalem in 70 AD was weggevaagd en Antiochië (waar ze zichzelf als eersten ‘christenen’ noemden) een beetje afstand nam van Paulus’ brieven vanwege de gnostieke geest, werden ook andere geschriften zoals de verhalen over Jezus en diens predikingen (de evangelies), en over de handelingen van diens eerste volgelingen (de twaalf  ‘apostelen’) een belangrijke geloofsbron. De unieke vastlegging van de geloofsinhoud kon echter niet verhinderen dat er toch heftige meningsverschillen ontstonden tussen de bisschoppen van de verschillende regio’s.

 

Laat ik eerst wat meer vertellen over die geloofsinhoud. Want die bleef niet beperkt tot de brieven van Paulus. Voor menig lezer zal dit onbekende materie zijn, maar het christelijk gedachtegoed maakt deel uit van de Europese beschaving dus enige kennis ervan is nooit weg.

Officieel bestaat de Christelijke Bijbel uit twee afzonderlijke delen. Enerzijds uit Het Oude Testament, dat de Joodse Bijbel omvat, qua volgorde van Boeken en inhoudelijk tamelijk getrouw overgenomen. Anderzijds uit Het Nieuwe testament, dat bestaat uit: 15 brieven van Paulus, zes brieven van Petrus en Johannes, vier evangelies (Marcus, Lucas, Mattheus en Johannes), de door Lucas fantasierijk geschreven Handelingen van de Apostelen, en de Openbaring van Johannes.

Er zijn veel meer evangelies in omloop geweest, maar met de zuiveringsacties tegen de gnostieken hebben de bisschoppen er maar vier als behorend tot de canon erkend.

 

Wat de evangelies betreft: er moeten oudere bronnen zijn geweest over het leven van Jezus. Bijbelkundigen (niet-gelovige wetenschappers inzake de Bijbel; de gelovige wetenschappers heten bijbelgeleerden), vermoeden op grond daarvan dat het Marcus-evangelie het oudste is en dat het Mattheüs-evangelie daar ook heel dicht tegenaan leunt. Het Lucas-evangelie heeft teveel ‘toeters en bellen’: de auteur heeft er veel uit eigen duim of van horen zeggen bij verzonnen om het mooier te maken. Voor Jezus’ goddelijkheid heeft hij nogal veel ontleend aan de populaire mythologieën over Dumuzi en Mithras.  Lucas is een metgezel van Paulus geweest, en zijn evangelie loop naadloos over in de Handelingen der Apostelen. Die Handelingen lijden aan hetzelfde euvel: voor Lucas moest een verhaal vooral mooi zijn, met veel opgesmukte details.

Het Johannes-evangelie is vermoedelijk van 150 AD en van iemand die zich presbyter (priester) noemt. Wellicht een bisschop van de Ephese-gemeente. Van deze Johannes zijn veel wonderverhalen in omloop. Het is onduidelijk welke Johannes de auteur is: een vroege jonge leerling van Jezus op wie deze nogal gesteld was, of toch deze veel latere figuur. Aan Johannes worden drie brieven toegeschreven, en de nogal fantasmagorische “Openbaring”. Het is trouwens van alle vier evangelies onzeker wie de echte auteur is en wat er waar is van de inhoud. Bovendien is bij het geregelde overschrijven ervan telkens naar believen in geschrapt en aan toegevoegd.

 

44. staatsgodsdienst

 

De succesvolle veldheer Constantijn had rond 320 al zijn concurrenten verslagen en heerste nu over een groot Romeins rijk. Daarvoor wilde hij één staatsreligie. In de oude Romeinse Jupitergoden geloofde inmiddels geen enkele soldaat meer. Zelf was hij aanhanger van de Sol Invictus-cultus, een variant van de Mithrascultus, de meest populaire soldatenreligie.

Van Mithras waren de volgende mythes populair. Mithras was  op 25 december geboren. Uit een maagdelijke moeder.  Hij gold als de zoon van God.  Hij had, zo vertelt de mythe verder, 12 discipelen. Voor zijn dood hield hij een laatste avondmaal. Hij werd in een graf in de rotsen gelegd, en herrees na drie dagen uit de dood.

Overeenkomstige mythes waren er toen ook van de cultusfiguren Osiris, Adonis en Dionysus in omloop. De christelijke mythes zijn dus later, toen het Christendom tot staatsgodsdienst gekozen was, voor een aanzienlijk deel aan deze populaire culten ontleend. Ook een beetje vanuit het idee If you can’t beat them, join them. In die tijd keek men niet zo nauw als vandaag. Alle culten hadden elementen van elkaar overgenomen. Het ging er in die tijden niet om of een verhaal waar was maar of het bruikbaar was.

 

Constantijn wilde dus een staatsgodsdienst. Daarvoor was eigenlijk geen van de culten geschikt. Wat die misten was een organisatie, een structuur van bisschoppen zoals de christenen hadden. Leiders die geregeld bij elkaar kwamen en dan de geloofsinhoud voor iedereen vastlegde. Geloofsdiscipline.  Dat kende die verachtelijke Ecclesia (Kerk) dus wél. En Constantijn ging overstag. Het was zijn voorgangers niet gelukt de sekte te verdelgen, dus ging hij er nu maar mee in zee. Althans als staatsreligie voor het rijk; voor zichzelf bleef hij aan Sol Invictus offeren.

Jammer voor Constantijn was dat er toen net een hooglopende theologische ruzie aan de gang was. Natuurlijk weer over het Zoon van God zijn van Jezus, de Hoofdfiguur van het Christendom. Of was God de Vader de Hoofdfiguur? Nou, daar ging het dus over, over hoe je het moest zien. Laat ik proberen het geschil uiteen te zetten maar je moet beloven er serieus bij te blijven kijken.

 

Paulus was dus indertijd begonnen om Jezus, als centrale Figuur voor zijn Joodse Jezus-cultus, Zoon van God te noemen. Lucas had daar vervolgens het mooie verhaal van Jezus’ doop door Johannes de Doper bij verzonnen en een Heilige Geest in de gedaante van een duif. Nu gingen tekst-uitleggende scherpslijpers erover steggelen. Want we hadden toch beleden dat er maar één God was? Nou, dan kon Gods zoon dus geen God zijn.

Daar had  kerkvader Tertullianus`(160-230) het volgende op gevonden. Als een acteur drie rollen kan uitbeelden door telkens één van de drie  personae (maskers) op te zetten, zo kan God ook drie personae (personen) vertegenwoordigen en toch één God blijven.

Prima vondst, niet? De Romeinse priester Sabellius bedacht in 215 dat je ook aan de drie aspecten van de zon kon denken: de warmte ervan (de Geest), het licht ervan (de Zoon) en de vorm ervan (de Vader). Nog mooier!

Ja, nee, zei Tertullianus, je moet ze wel uit elkaar blijven houden, want, hoe je het ook wendt of keert, Jezus was wel gewoon een mens geweest.

Aarchh! Daar gáán we weer.

 

En jawel hoor, Arius (256-336), een gezaghebbend ouderling in Alexandrië, bedacht dat je het zó moest zien: die Drie vormen wel één Wezen maar ze vallen niet samen, ze blijven afzonderlijke personen. Homo-ousios: gelijk van wezen (van het Griekde ὁμός = gelijk)

Daar trad zijn eigen bisschop, Alexander, tegen in het geweer. Nou, nee, eigenlijk vooral zijn assistent Athanasius, die de oude Alexander wilde opvolgen maar concurrentie vreesde van de veel geleerdere  Arius. Athanasius betrok de stelling dat de drie personen van God homoi-ousios waren: soortgelijkend van wezen! (van het Griekse ὅμοιος=gelijkend op)

Het conflict draaide dus om één lettertje, het scheelde een iota. Maar het meningsverschil liep steeds hoger op. Gewone gelovigen snapten er geen jota van maar kozen partij (als dié lul die partij kiest dan kies ik dus de andere!) en vlogen elkaar driftig naar de keel.

De keizer moest er maar over beslissen.

 

Constantijn stak er zijn laatste geld in, hij riep er het grootste concilie voor bijeen. Alle bisschoppen, én hun assistenten, vanuit alle hoeken van zijn rijk, kregen betaalde reis- en verblijfkosten! Nou, al waren ze ziek of blind, dat wilden ze geen van allen missen. In Nicea (het ligt onder Constantinopel, en we schrijven 325 AD) waren ze met 318 man drie weken lang luxueus te gast. Constantijn liet op het einde een geheime stemming houden. De uitkomst, hoe die ook zou uitvallen, zou bindend zijn.

En zo is de Christelijke God als resultaat van stemming door patriarchen (er was natuurlijk geen enkele vrouw bij) tot stand gekomen.

Arius heeft zijn nederlaag niet lang overleefd. Maar hij bleef aanhangers houden en het Arianisme bestaat hier en daar nog steeds.

 

Constantijn bevoordeelde vanaf nu het episcopale Christendom, en dat bouwde de ene basiliek na de andere, bij voorkeur bovenop Mithras-heiligdommen. Deze laatste bestonden vooral uit kelder-achtige zaaltjes, dus dat was niet moeilijk. Het heeft ook gemaakt dat er een aantal van bewaard zijn gebleven. In 380 verhief de latere keizer Theodosius het Christendom definitief tot staatsgodsdienst.

 

Uit de aard van het geloof zijn kerkvaders tegen wetenschap. Geloven doe je waar je niet weet. Geloven en weten sluiten elkaar uit, en daarom dreigde de Bijbelse Prediker al dat wie kennis vermeerdert, smart vermeerdert. Toen in 414 de Christenen ook in Alexandrië, hét centrum van wetenschap van de Helleense beschaving,  aan de macht kwamen, vond patriarch Theophilus  wetenschap in strijd met de bijbel en dus heidens;  christelijke ‘taliban’ hebben in 415 er de beroemde bibliotheek aangevallen en de geleerde Hypathia (een vrouw, ook dat nog!) gruwelijk vermoord.

Twee eeuwen later kregen de islamitische scherpslijpers daar de macht en maakten de moslims het vernietigende werk af. De moslim-generaal Amr ibn al-As stelde: “Ofwel zijn de boeken in strijd met de Koran en in dat geval is het ketterij, en anders zijn ze in overeenstemming met de Koran en dus overbodig.” Dus werd met de vaak eeuwenoude teksten de kachel van het badhuis gestookt.

 

 

C. De Islam

 

45. Arabië

 

Hiermee zijn we aanbeland bij de God van Mohammed B. Die krijgt maar liefst 33 paragrafen. Gewoon omdat zijn idolate volgelingen na zijn dood alles wat ze zich van hem herinnerden, of meenden te herinneren, en hier en daar verzonnen maar  bruikbare  uitspraken of daden van hem, hebben opgeschreven. Daar valt een gedetailleerd en coherent verhaal mee te reconstrueren. Leerzaam en hier en daar best spannend.

 

De Islam is geboren in Arabië. Van die geboorte kom je van de Islamgelovigen zelf weinig te weten. Dat komt door de afkeer die geloofs-autoriteiten hebben van wetenschap. De gelovigen zelf beschouwen het als hun identiteit en als ze praktiserend zijn bidden ze vijfmaal daags, vasten tijdens de ramadan, geven zakaat (aalmoes) aan de armen en proberen eens naar Mekka te gaan. En ze vieren de feesten natuurlijk, het enige leuke dat een monotheïstisch geloof te bieden heeft. Want het bestaat vooral uit godvrezendheid. Dat wil zeggen, angst voor God.

De Koran is heilig en daarmee uit. De taal ervan kennen de meesten niet, ze kennen de woorden van het verplichte gebed van buiten, alsmede de verschillende houdingen die je daarbij moet aannemen.  Moslim zijn houdt een geloofshouding in, geen kennis. Dat geldt evenzeer voor de meeste christengelovigen van onze bijbelbelt, al willen die nog wel eens discussiëren over de preek van de dominee. Maar voor katholieken was Bijbellezen lange tijd taboe. Gewone gelovigen zouden er alleen maar kritisch van worden. En vraagtekens zetten bij Mozes met zijn toverstaf bijvoorbeeld.

 

Hoe begon de Islam?

Daarvoor moeten we terug naar de pre-islamitische periode van Arabië. Iets wat de Korangeleerden stelselmatig afwijzen. Voor hen is dat de periode van de Jahilija, de onwetendheid, en daarmee uit. Ze willen er niets van weten, want weten tast het geloven aan.

Archeologisch onderzoek echter en vooral ook de bestudering van de pre-islamitische odes[59] maken duidelijk dat de Arabische stammen behalve dat ze aan hun stamgoden offerden, ook geloofden in een allerhoogste oergod en die werd daar als Allah aangeduid. In Palestina als El, en dat zit ook nog in Ba’al, en in Belos en een boel andere namen.

Er zijn in Arabië in die voortijd ettelijke denkrichtingen, zoals het hanifisme,  en politieke stromingen geweest, die de weg voor de Islam geëffend hebben.

Ik haal voor mijn Islam-verhaal alles van het internet. Want auteurs als Karen Armstrong Islam. A Short History (2000) of arabist Hans Jansen De historische Mohammed (2005) volgen mij te braaf de gangbare soennitische versie. Ik wil toch mijn eigen verhaal scharrelen. Wat ik aan bruikbaar materiaal vind is weliswaar steeds gekleurd door óf de soennitische óf de sji’itische sympathie van de auteur, maar ik kan er mijn eigen verhaal prima mee vormgeven.

 

Het Arabische schiereiland is erg woestijnachtig, op wat zuidelijke kustgebieden (zoals het huidige Zuid- en Noord-Yemen) en de vele oases na. Van oudsher bewoond door Bedoeïenen. En door de dromedarissen, aan het hete en dorre land aangepaste eenbultige kamelen. De tweebultige kameel, ook wel de Bactrische kameel genoemd, naar zijn vermoedelijke oorsprongsgebied dat vandaag Turkmenistan heet, kon het daar minder goed harden.

Sinds ze 2000 vC over dromedarissen zijn gaan beschikken (wsch afkomstig uit Somalië waar de soort  rond 3000 vC is gedomesticeerd) konden de Bedoeïenen dieper de woestijnen in en legden ze zich toe op de handel met de in oase-nederzettingen wonende stammen die dadels en wierook produceerden, naast huiden en leerproducten, en natuurlijk graan, groenten, druiven en wijn. Toen handelsschepen vanuit India kwamen aanmeren in de havens van de zuidkust, werden de Arabieren tussenhandelaren van zowel de Indiase markt als die van de Romeinen en de Grieken. De Arabieren kwamen  vooral tot welvaart doordat ze wierook kon leveren aan de wierookverslaafde heiligdommen van Egypte en de Grieks-Romeinse wereld. Wat vandaag olie is was toen wierook. De grootmachten Perzië en Byzantium (Romeinen) deden hun uiterste best om controle te krijgen over deze belangrijke bron van welvaart, maar hun legers konden op dat woeste en dorre schiereiland niet overleven.

 

Het schiereiland bood met zijn karavaanroutes vanuit Yemen naar de Palestijnse zeehavens een aantrekkelijk alternatief voor de Zijderoute en de zeeroute door de moeilijk bevaarbare Rode Zee.

 

 

Het schiereiland ligt ook mooi tussen Egypte en de Grieks-Romeinse wereld enerzijds en India en het Verre Oosten anderzijds. Zo werd de Arabische karavaanroute een vertakking van de oude Zijderoute en kwamen de zuidelijke gebieden in wat nu Yemen is, tot grote bloei. Sana kon een zware dam bekostigen om het water dat in de winter vaak in verwoestende stromen van de bergen kwam, op te vangen en te bergen in een groot meer van waaruit gedurende de lange droge maanden de velden konden worden bevloeid en grote steden konden worden gevoed.

 

Alles floreerde tot de Romeinen, die aan het begin van onze jaartelling Egypte veroverd hadden, ook de Ptolemeïsche havens langs de Rode Zee nieuw leven in te blazen en er zeewaardiger schepen te bouwen.  Tenslotte gingen die met deze schepen de handel met India en het Verre Oosten overnemen, aldus de karavaanroutes van de Arabieren omzeilend. De Yemenitische steden verarmden, ze konden de Maribdam niet langer onderhouden en omstreeks 550  stortte die in. De Arabieren verarmden nog erger en veel stammen migreerden naar het noorden.

 

Zoals overal waar mannen op voet van oorlog leven, was ook bij de Arabieren (Bedoeïenen) de positie van de vrouwen laag: ze waren vrijwel even rechteloos als de slaven. Meisjesbaby’s werden vaak als ongewenst levend begraven. Omdat jongens en mannen bij bosjes sneuvelden in de stammengevechten bleef er toch een soort evenwicht.

Wat zal ik verder nog zeggen over de Bedoeïenen? Wel, ze waren behalve pathologische vechtersbazen analfabeet. Uit principe welhaast. Hun barre woestijnwereld was voor de begerige grootmachten Perzië en Byzantium ontoegankelijk. Hun nomadische cultuur bleef onbeïnvloed door de sedentaire beschavingen der omringende grootmachten en ze verwierpen die ook. In hun dichtkunst hemelden ze hun vermogen om ontberingen te doorstaan op, benadrukten de deugdzaamheid ervan, bezongen de vrijheid, de ruimte, en ook de frisse lucht, vergeleken bij die in oasesteden zoals Taïf en Yathrib (Medina) met hun industrie en hun vele huishoudelijke kookvuren.

Dichtkunst en welsprekendheid, die stonden bij hen het hoogst aangeschreven. Hun belangrijkste culturele verworvenheid waren de odes. Zeven in getal. De openingsstrofen gaan steeds over het verleden, verbeeld door ruïnes en gaan nooit over toekomst. Voor Bedoeïenen is er alleen heden, en een glorieus verleden, en dus ademen de odes een groot verlies. Wellicht ingegeven door de ineenstorting van de opbloeiende economie rond 550 AD, gevolgd door de instorting van de Maribdam. De zeven odes hingen ook in de Ka’aba, als uitdaging voor geïnspireerden om ze te evenaren. Andere thema’s waren de charme van de geliefde, de sporen van waar ze gedurende het laatste kamp gezeten had, de ongeëvenaarde glorie van de eigen stam, de edele eigenschappen van  de kameel (dromedaris dus bij hen).

 

46. geboorte van de Islam

 

De Islam is geboren in, en is een product ván Mekka.

Mekka ligt in een kurkdroog berggebied. Omdat er een bron was, was het een pleisterplaats op de oude karavaanroute door de Hejaaz. Vanouds heette het dat de bron ontstond toen Hagar, daar met haar baby Ismaël door Ibrahim achtergelaten, het kind op de grond had gelegd om op zoek te gaan naar water. De baby had geschreid en met de voetjes getrampeld. En daardoor ontsprong de bron, de heilige Zamzam.

Mekka heeft geen enkele mogelijkheid tot landbouw. De inwoners zijn voor hun voedsel afhankelijk van de Taïf[60]-boeren, dus  afhankelijk van handel.

Na de ineenstorting van de internationale handel rond 550  AD waren de Mekkanen, die niet konden bestaan zonder handel, in de penarie. De plaatselijke stam, de Quraysh, had zich al vroeg beijverd om rond de bron een heiligdom te stichten, de Ka’aba, waar de goden van de omringende stammen ook in vertegenwoordigd waren. Ze kwamen eruit door een binnen-Arabische handelsronde op touw te zetten, waarbij binnen een jaar alle belangrijke centra van het schiereiland werden aangedaan. Ze wisten van de stammen, middels verdragen tot wederzijds voordeel, gedaan te krijgen dat die gedurende een aantal ‘heilige maanden’ hun krijgers ervan weerhielden om overvallen op de karavanen te plegen.

Dankzij deze karavaanronde, beginnend en eindigend in Mekka,  waren de Quraysh-clans tot welvaart gekomen, sommige bescheiden, andere puissant rijk. De Quraysh-stam telde inmiddels twaalf familieclans en één ervan was de Banu Hashim clan. Hashim was gehuwd met een vrouw uit Yathrib en had bij haar een zoon, Abdul Muttalib, de grootvader van Mohammed.

 

Het is Qusay geweest, de grootvader van de Hashim-clan, die tot deze vernieuwingen het voortouw genomen heeft. Hij liet de vervallen Ka’aba renoveren en een vergadergebouw bouwen waar de clanhoofden konden palaveren en tot gezamenlijk te nemen beslissingen konden komen. Belangrijke beslissingen betroffen het in de watten leggen van de pelgrims die naar de Ka’aba kwamen en die een veel belangrijkere inkomstenbron zouden kunnen worden als de pelgrimage aantrekkelijk  genoeg gemaakt werd. Daartoe moesten alle familieclans van de Quraysh een jaarlijkse bijdrage storten. Daarvan werden de pelgrims voortaan rijkelijk van voedsel en water voorzien. Ook begon hij met het bijeenbrengen van de favoriete godenbeelden van de Bedoeïenenstammen binnen de Ka’aba, zodat daar een soort van oecumene tot stand gebracht werd. Zelf haalde hij daar ook een groot beeld van Hubal binnen.

 

Hiernaast afbeeldingen van de Arabische Maangod Hubal. Welke in de Ka’aba stond weet ik niet. Wel dat hij deel uitmaakte van de 360 godenbeelden die Mohammed er uit moest ruimen.[61]

 

Qusay werd opgevolgd door zijn zoon Abt Manaf. Die zette Qusay’s beleid voort. Het is vooral Qusay’s kleinzoon Hashim, zoon van Abt Manaf,  geweest die de belangrijkste bijdrage aan de opbloei van Mekka heeft geleverd. Namelijk door het organiseren van de twee jaarlijkse karavaantochten, in de zomer naar Syrië en in de winter naar Yemen.

Hashim is ook de bedenker van een speciaal gerecht voor de pelgrims, en de instelling van ambtenaren belast met de verzorging van de pelgrims. Vandaar dat de clan voortaan als Banu Hashim werd aangeduid.

In de pre-islamitische tijd had elke stam nog zijn eigen god. Door deze nu allemaal in hun Ka’aba bijeen te brengen stichtte Qusay en diens nazaten een soort oecumene als basis voor broodnodige vrede. De Bedoeïenen-cultuur was er namelijk een van overvallen plegen op waar wat te halen was, gewoon uit nood en bittere armoe. Daarom waren de oaseplaatsen moeilijk in te nemen vestingen en konden hooguit velden geplunderd worden. Er was geen soort van overheid op het schiereiland, dus in principe heerste er een oorlog van allen tegen allen. Door het heiligdom van Mekka kreeg deze cultuur toch een basis voor op z’n minst een tijdelijk opschorten van de overvallen. Hashim had ook de open ruimte rond de Ka’aba als haram bepaald: als plaats waar niet gevochten mocht worden. Allemaal door contracten hierover met de sjeiks (stamhoofden) te sluiten.

 

Naast Bedoeïenenstammen met hun eigen goden en fetisjen waren er op het schiereiland ook Joodse stammen, met hun Ene Ware God en dat was Jahweh. Nadat de Romeinen de laatste Joodse opstand in 70 AD hadden neergeslagen, de Tempel grondig hadden verwoest op een enkele muur na, en de Joodse bevolking hadden verdreven uit Jehud, waren Joden zich ook op het schiereiland gaan vestigen, waar ze bij oases zoals Yathrib en Taïf woeste gronden in cultuur brachten. Bedoeïenen konden niet boeren, de Joden wel.

 

En er waren Christelijke stammen, vooral in en rond Najran: indertijd gesticht vanuit het christelijke Axum (nu Ethiopië). In het noorden had je de Ghassaniden: Arabische stammen die uit het verarmde zuiden naar het noordwesten waren gemigreerd, naar Syrië en omstreken, waar ze een vazalstaat van de Romeinen (Byzantijnen) waren geworden en zich tot het monofytische Christendom hadden bekeerd.

Andere stammen waren naar het noordoosten, naar Mesopotamië gemigreerd en hadden daar de staat Hira gevormd, als vazalstaat van de Perzen. Deze Lachmiden hadden zich tot het nestoriaanse Christendom bekeerd. Hira was behoorlijk beschaafd; daar is het Arabische schrift ontwikkeld.

Zowel Ghassaniden als Lachmiden leverden ook troepen aan hun grootmacht. En toen de Zoroastristische Perzen  en de Christelijke  Byzantijnen (zoals de Romeinen van Constantinopel heetten) met elkaar slaags raakten, speelden de generaals van beide vazalstaten daarin een steeds belangrijkere rol.

 

Het monotheïsme was vanwege de invloed van beide monotheïstische grootmachten al bepaald geen onbekend verschijnsel in Arabië. Maar ook denkers in Mekka, dat immers alle belang had bij het tot vrede brengen van de oorlogszuchtige en op roofbuit beluste Bedoeïenenstammen, begonnen ideeën over een eigen Arabisch monotheïsme te ontwikkelen.

Zoals gezegd hadden de Arabieren naast hun stamgoden de notie van een allerhoogste God, Allah – hoewel die geen actuele verering genoot.  Die notie hebben natuurlijk alle volken, en ook de Semitische. De laatsten duiden de Allerhoogste overal aan als EL, in plaatselijke varianten, zoals Baäl, Eloah, Elohim, Allah.

Een aantal leden van de Banu Hashim achtten zich volgelingen van de profeet Abraham en diens zoon Ismaël, volgens de mythe de stichters van de heilige Samsambron en dus van de stad Mekka. Het was nog steeds de taak van de Hashimclan om de pelgrims te voorzien van voedsel en water, volgens de door hun voorvader Qusay verordende wet. Dus in principe waren vele Hashimieten tot monotheïsme geneigd en dus had achterkleinzoon Mohammed het van geen vreemden.

Het waren ook leden van de Hashim-clan die met het idee van de Bond der Rechtvaardigen kwamen, nadat weer eens een dronkemansgevecht was uitgelopen op een massale vechtpartij. Het doel van het Verbond was om de uitbraak van zo’n vete in de kiem te smoren door tijdig met partijen te gaan praten en te onderhandelen over genoegdoening.

 

Maar de respectabele Banu Hashimclan zou, naarmate het succes van zijn politiek de Mekkaanse handelaren steeds meer voorspoed bracht, oppositie van sommige andere clans krijgen Met name de nakomelingen van ene Umayya, het hoofd van een andere Quraysh-clan. Umayya was rijk en begon armere Mekkanen geld uit te lenen om toch ook een kameel mee te kunnen sturen naar Syrië of Yemen, zodat ze, als ze geluk hadden, van de winst de lening konden aflossen. Umayya nu was een geldwolf en berekende een dirham voor een dirham, of zelfs meer. Daar stak de fatsoenlijke Abdul Muttalib, jongere neef van Hashim en na hem clanhoofd geworden, een stokje voor.

 

Toen in 570 Mekka werd aangevallen door de Abessijnse (Axumse, dus Christelijke) generaal Abraha was het grootvader Abdul Muttalib die, aan het hoofd van de afvaardiging, de onderhandelingen tot een goed einde wist te brengen en Abraha met zijn olifanten terug liet keren naar Himyar. Het aanzien van de Abdul Muttalib, die hierna met de titels ‘Leider van de Mekkanen’ en ‘Heer van de Ka’aba’ was geëerd, was dit een doorn in het oog van de Umayya-clan.

De Banu Hashim verzette zich namelijk principieel tegen woeker en uitbuiting. Maar de geldzuchtige Banu Umayya kreeg steeds meer aanhang onder andere rijke clans. Tenslotte verloor de Banu Hashim haar leidende positie in Mekka en over de Ka’aba. De  Banu Hashim-clan hield  wel het ambt van de zorg voor de pelgrims.

Mohammed, achter-achterkleinzoon van Hashim, in of rond dat jaar 570 geboren, zou later, rijk geworden door rijk te trouwen, consequent renteloos geld uitlenen aan behoeftigen.

 

47. Mohammed

 

 Mohammed werd al vroeg wees. Zijn vader Abdullah, zoon van Abu Talib, het stamhoofd van de Banu Hashim, heeft hij niet eens meer gekend en zijn moeder stierf toen hij vijf jaar was.  Hij werd geadopteerd door een oom en toen die twee jaar later ook overleed, werd hij in huis genomen door grootvader Abu Talib .

Abu Talib was, als echte Mekkaan, een succesvolle koopman, deelnemend aan de karavaantochten met behoorlijk wat kamelen en paarden. Als 12-jarige mocht Mohammed voor het eerst mee. Jaar op jaar ontwikkelde de jongen zich tot een waardevolle assistent van zijn grootvader en vanaf zijn 18de verving hij Abu Talib op steeds meer karavaanreizen.

Mohammeds persoonlijkheid vertegenwoordigde alle kenmerken van een waar Banu Hashim-lid: hij was eerlijk en betrouwbaar, sober en ijverig, en met een hang naar rechtvaardigheid. In zijn vrije tijd discussieerde hij veel met gelijkgestemde vrienden zoals Aboe Bakr, de Umayyade Oethman, Abd al Rahman ibn Awt, Mohammeds neef Sa’d ibn Abi Waqqas, Zubayr ibn Awwam en Aboe Bakr’s neef Talha ibn Oebeidullah. Deze mensen maakten ook deel uit van de Bond der Rechtvaardigen die in actie kwam wanneer er ergens bonje dreigde. Ze waren het allen eens dat een Eenheidsgeloof in de overkoepelende Allah, Heer der Hemelen, de oplossing zou zijn voor de door de stamgoden gesanctioneerde gazwahs (stamoorlogen).

Genoemde vrienden zouden later een belangrijke rol spelen in de overleving van Mohammed toen deze als profeet ging optreden. Dan duid ik ze aan als de Vrienden, met een hoofdletter.

 

Toen  een rijke koopman overleden was, zocht diens weduwe, Khadija, een bekwame en betrouwbare karavaanleider in zijn plaats. Ze vroeg Abu Talib of ze een beroep op zijn  neef Mohammed mocht doen. Abu Talib gunde zijn jonge neef deze promotie.

Mohammed bleek niet alleen een gouden greep voor haar, maar ook qua opvattingen en wereldbeschouwing stonden ze dicht bij elkaar.  Khadija’s oom Waraqa bin Nawfak had een variant van het Christendom omarmd, vertaalde de Bijbel vanuit het Hebreeuws, en was zeer bevriend met Zayd, de Allah-vereerder, die verderop ter sprake komt.

In 595 trouwden ze. Hoewel Khadija al 40 jaar was toen ze de 25-jarige Mohammed tot echtgenoot nam, heeft ze hem maar liefst zeven kinderen geschonken: vier meisjes en drie jongens.  De laatsten stierven echter al kort na hun geboorte. Om dit gemis op te vullen adopteerden ze Ali, een vijfjarig neefje van Mohammed. Ali zou Mohammeds verdere leven diens trouwste adjudant blijven. Ali had rossig haar, waar hij als kind mee gepest werd natuurlijk.  Maar hij was behoorlijk sterk en niet bang uitgevallen. Dus hij had al erg goed leren vechten. Nou, dat zou nog zeer van pas komen.

 

Khadija had Mohammed bij het huwelijk ook een jonge slaaf, Zaïd, geschonken. Toen die enkele jaren later door zijn ooms die op pelgrimage naar Mekka gekomen waren, herkend werd,  wilden ze hem mee terug nemen naar hun stam. Mohammed liet het aan de jongen zelf over om te kiezen. Zaïd verklaarde dat hij bij Mohammed wilde blijven. Mohammed van zijn kant verklaarde Zaïd vrij; officieel, dus door zich op de trap van de Ka’aba op te stellen en het in het openbaar te verklaren. De ooms namen er genoegen mee. Zaïdzou zijn familie vaak in vrijheid bezoeken maar bleef deel uitmaken van Mohammeds gezin. Hij zou ook moslim (Islam-gelovige) worden en naast Ali een belangrijke steun voor Mohammed blijven.

 

Mohammed stond in Mekka goed aangeschreven. In 605, toen hij 45 jaar was, gebeurde het dat de Zwarte Steen van de Ka’aba na een ingrijpende renovatie feestelijk teruggeplaatst moest worden vanuit een tijdelijke berging. Welk clanhoofd kwam voor deze eer in aanmerking? En hoe kies je die zonder de na-ijver van andere stamhoofden te wekken? Toen Mohammed toevallig een kijkje kwam nemen, werd hij er door de stamhoofden bij geroepen. Na enig nadenken trok Mohammed zijn mooie groene mantel uit – pas gekocht in Yemen. Met de hele groep begaven ze zich naar de bergplaats. Daar aangekomen legde Mohammed de steen op de mantel en liet toen elk der aanwezige stamhoofden een slip van de mantel dragen. Opgelost.

 

Het was Mohammed en zijn vrienden in gesprekken met Joodse kooplieden duidelijk geworden dat hun stammenverdeeldheid de Arabieren altijd tot marginale krabbelaars in de internationale handel zou blijven veroordelen. De Perzen, de Byzantijnen en zelfs de Abessijnen waren wereldmachten dankzij hun eenheids-godsdiensten. Waarom zouden de Arabieren van hun Allah niet een even machtige godheid kunnen maken? Dat riep de oude hanif Zaydal lang: dat ze de Ka’aba van die 360 stenen en houten stamgodenbeelden moesten ontdoen en deze weer tot exclusief Allah-heiligdom moesten maken zoals Ibrahim het gesticht had.

Ja, nee, zo simpel was het niet: Allah moest in de hoofden en harten van de Bedoeïenen zelf komen te heersen. Er zou een profeet zoals Abraham moeten opstaan, die de Joden hun Jahweh bezorgd had en die de Ka’aba gesticht heette te hebben. Of zoals Isa die de christenen hun Eenheidsgod bezorgd had; ook al bestond die laatste uit drie personen, wat natuurlijk een zwak punt was.

Maar als die profeet een Arabier moest zijn, zou die altijd uit één van de stammen afkomstig zijn en dan zouden de overige stammen niet naar hem luisteren. De vrienden kwamen er niet uit.

 

48. de hanifs

 

De zojuist genoemde hanifs zinde het niet dat de Ka’aba, immers volgend de overgeleverde verhalen, gesticht door Abrahams zoon Ismaël en dus aan de Ene Ware God Allah toebehorend, was gekaapt door de rijke woekeraars-clans. Deze laatsten, met name de Umayyaden,  waren van hun kant niet gediend van de ondermijnende praatjes van die ‘fundamentalisten’ en scholden ze uit voor hanifs. Vanwaar die naam? Dat betekende toch niet meer dan: behorende tot de Banu (= clan) Hanifa?  Snel een kaartje met de Arabische stammen van Mohammeds tijd er bij gehaald!

Klopt helemaal. Banu Hanifa was een der grootste stammen van Arabië, die ten tijde van dit verhaal meest tot landbouw waren overgegaan en leefden in kleine nederzettingen bij de wadi’s van het oostelijke deel van Nejd (de streek heet al-Yamamaen en het is de centrale woestijn van Arabië). Het huidige Riyadh was toentertijd een van hun marktplaatsen. Onder invloed van de Lachmiden waren ze tot een vorm van Christendom overgegaan en verwierpen het veelgodendom. Aangezien de rijkdom van de rijke Mekkanen juist afhing van de bedevaarten naar de vele goden in hun Ka’aba, waren die zeer gekant tegen de monotheïstische ‘mode’ van de Hanifa, en ze deden dat soort ideeën af als hanifismen. Vandaar dus dat, toen de Mekkaan Zayd dat soort ideeën begon te roepen, ook een hanif werd genoemd.

 

Er was nog een reden voor hun vijandschap. De Banu Hanifa dreigde onder de leiding van hun charismatische sjeik Musaylima een geduchte concurrent van Mekka te worden. Musaylima imiteerde Mekka door de karavaanrondes van Nejd in Hadjr te laten culmineren, alwaar hij ook een haram creëerde, net als die rond Mekka’s Ka’aba. Eveneens voorzien van een heilige zwarte meteoriet-steen. Musaylima’s God was Rahma’an, de Barmhartige en Enig Verhevene. Behalve dat Musaylima een begenadigd dichter was, was hij ook zeer bedreven in goochelkunsten, en hij schreef deze ‘wonderen’ voor zijn verbaasde publiek toe aan de genade van Rahma’an, wiens dienaar en Profeet hij was. Hij dichtte ook soera’s en schreef die toe aan Goddelijke ingeving. De verzen verheerlijkten de superioriteit van de Bani Hanifa over de Mekkaanse Quraysh.

 

Later, toen Mohammed succes begon te krijgen in Medina en diens groeiende legermacht begon op te wegen tegen die van Musaylima, besloot de laatste tot een poging tot machtsverdeling. In 631 toog hij met een delegatie naar Medina. Hij liet de onderhandelingen met Mohammed voeren door enkele afgevaardigden, zelf bleef hij in een reizigerskampement, zogenaamd om op de rijdieren te passen.

De afgevaardigden onderhandelden, en kwamen tot de gewenste overeenkomst, die evenwel inhield dat ze zich tot de Islam dienden te bekeren. Dat was voor hen geen enkel punt. Mohammed gaf hen zoals gebruikelijk geschenken mee ten afscheid. Ze meldden dat er ook nog iemand in het kampement was om op de kamelen te passen. Nou, ook voor die kregen ze geschenken mee.

Musaylima was dus vanaf toen moslim, alsmede diens hele Banu Hanifa. Dat dit allemaal weinig voorstelde zou later blijken.

 

49. Zayd    

Wie als hanif het meest van zich deed spreken in Mohammeds dagen in Mekka was dus Zayd bin Amr bin Nawfal. Hij was een halfbroer van Omar, de latere vriend van Mohammed en zelfs diens tweede kalief (opvolger), maar in deze dagen was hij, of eigenlijk zijn vader vooral, een rabiate tegenstander van zijn halfbroer, met diens gepreek tegen de 364 goden in de Heilige Ka’aba, tegen het slachten van offerdieren onder het aanroepen van een afgod, en tegen achterlijke Bedoeïenengebruiken zoals het levend begraven van je pasgeboren dochtertjes.

Wat dat laatste betreft, zodra Zayd hoorde dat een Mekkaan overwoog om tot zo’n wrede vorm van geboortebeperking over te gaan, bood hij aan om de verzorging en opvoeding van de boreling op zich te nemen; dan kon diegene, als hij haar later toch wel een leuk kindje vond, alsnog gratis van hem terug krijgen.

Zayd had menig sympathisant, zoals de oom van Khadija, Waraqa bin Mawfal, en een andere verwant van Khadija’s aanzienlijke familie, Uthman b. al-Huwayrith. Beiden werden christen worden, en de laatste werd zelfs een hoge ambtenaar aan het Byzantijnse hof.

 

Bij Ibn Ishaq , de eerste biograaf van Mohammed, vertelt dat Zayd, voordat hij echt als profeet begon op te treden, een reis naar Syrië maakte en onderricht nam bij Joodse rabbi’s en Christelijke priesters. Ik vermoed dat hij van deze ‘mensen van het Boek’ vooral hun gebedshoudingen en gebeden tot hun Allah’s wilde leren.  Want al kon Zayd zelf lezen en schrijven, hij wist dat hij de vrijgevochten en ongeletterde Bedoeïenen alleen het Allah-geloof bij zou kunnen brengen met verzen en gezangen, en met disciplinerende gebeden op bepaalde uren van elke dag, uitgesproken met voorgeschreven gebedshoudingen.

Zelf denk ik hierbij aan de rituele gebeden en bijbehorende gebedshoudingen zoals de katholieke priesters die vandaag nog steeds laten zien bij de plechtigheden, en de dagelijkse getijdengebeden van de kloosterlingen. Bij de katholieken geldt die dagelijkse gebedsverplichting al lang niet meer voor de gewone gelovigen, die zonder deze toch wel braaf bleven. Maar de Islam is uitgevonden voor de disciplinering van vrijgevochten en totaal disciplineloze Bedoeïenen.

 

Zayd’s Allah-geloof was ook politiek gemotiveerd. Het overnemen van het geloof van óf de Joden óf de Christenen zou de Arabieren in de imperiale invloedssfeer, met inherente belastingplichtigheid, van één der beide grootmachten brengen. Nee, het moest een puur Arabisch monotheïsme worden; alleen de disciplinerende rituelen en ge- en verboden nam hij over, en die moesten, de flagrante ongedisciplineerdheid van de Arabieren in aanmerking genomen, extra stringente vormen krijgen.

 

Zayd werd tenslotte, vooral door drijven van al-Khattab, de vader van  Omar, persona non grata in Mekka.  Hij ging in een dorpje boven Mekka wonen, ergens tussen Mekka en Taïf, maar trok zich vaak terug in een grotje in de nabijheid van de stad, met het zicht op de Ka’aba, voor hem de woonplaats van zijn God Allah.

 

Mohammed had natuurlijk al de nodige contacten gehad met de oude Zayd. Hij had hem ook al eens opgezocht toen hij met Zaïd, zijn vrijgelaten slaaf, op de terugweg was van Taïf. Ze hadden een reisvoorraad gedroogd vlees bij zich en boden die, nu ze toch zo thuis waren, aan Zayd aan. Maar die wees het af. Nee, geen haram vlees dat aan een afgod was gewijd bij de slacht. Wel als het halal was: bij de slacht aan Allah gewijd.

Dit maakte nogal indruk op Mohammed: hanif Zayd was dus echt een Allah-gelovige geworden en had al een aantal soera’s tot Allah bedacht.

Soera’s zijn echte Bedoeïenen-traditie. Ze zijn, als gezegd, een oraal volk. Een oratorisch volk zelfs. Ze houden, behalve van toespraken, ook  van kernachtige spreuken en van rijmende en daardoor makkelijk te onthouden verzen. Hun gebeden tot de goden hadden ook die vorm. Zayd nu had gebeden tot Allah bedacht, en passende gebedshoudingen daarbij.  Hij bad in de richting de Ka’aba: “Ik richt mijn gebeden naar de plaats waar Ibrahim zijn toevlucht heeft gezocht”.

 

Toen Mohammed 40 was – kort nadien – begon hij tahnanuth te doen: een  soort jaarlijkse  ‘retraite’ die de rijkere stadsbewoners zich konden permitteren: om zich een paar dagen of zelfs weken terug te trekken in de gezonde berglucht en na te denken. Veel vroege auteurs veronderstellen dat hij dan samen met hanif Zayd in die kleine Hira-grot was en van Zayd onderricht kreeg.

 

Door Abul Kasem, een ex-moslim – woont nu in Australië en onderhoudt een wereldwijd bezocht blog – die de bronnen die ik gebruik, heel wat grondiger en deskundiger dan ik dat kan, bestudeerd heeft om ook het zo waarschijnlijk mogelijke verhaal over de Islam te kunnen produceren, stelt dat zeker 30 Soera’s (Koranverzen) aan Zayd moeten worden toegeschreven. In zijn Mukti-mona artikel “Who Authored the Qur’an?” (20 nov.’05) dat ik heb uitgeprint en bestudeerd, somt hij alle relevante islamitische historici in deze op en  citeert alle betreffende Soera’s; waarmee ik je niet lastig zal vallen. De belangrijkste opmerking van Kasem citeer ik hier letterlijk: “Evidently, the above verses were inspired by Zayd b. Am, and most likely were written by him too. Later, when Zayd died, Muhammad simply passed them up as Allah’s revelations to him. Those examples demonstrate that Muhammad had copied stories, concepts and style of Zayd ibn Amr in the composition of the Qur’an.” Dit kan een reden zijn geweest voor de latere Koransamenstellers om alle ingevingen van Boven door elkaar te husselen in een tamelijk willekeurige volgorde,  en ze niet in volgorde van ‘nederdaling’ te plaatsen.

 

Of dat in de Hiragrot geweest is dat hij zijn ontmoetingen met hanif Zayd afsprak? Dat ligt maar 4 km van de Ka’aba af. Het is een klein rotgrotje. Mohammed had een forse gestalte, volgens de verhalen. Ze moeten toch een wat gerieflijkere plek hebben gehad. Ik denk dat Mohammed meestentijds  gewoon naar Zayd’s woonoord is gegaan, waar hij hem al eerder had ontmoet met Zaïd: ergens tussen Mekka en Taïf. En ik denk ook dat Khadija daar van op de hoogte was. En dat ze het er hartstochtelijk mee eens was, of zelfs een drijvende kracht geweest is.

 

Hanif Zayd was blij dat hij met iemand zijn geloof in Allah kon delen. Mohammed moest die gebeden en recitaties van buiten leren. Als 45-jarige valt dat niet meer zo mee. Zayd zal best wel eens zijn geduld verloren hebben, en zich eraan hebben geërgerd dat Mohammed het vertikte om fatsoenlijk te leren lezen en schrijven. Zoals iemand zich vandaag kan ergeren aan een eigenwijze digibeet.

 

Het lijkt erop dat hanif Zayd niet bijster veel vertrouwen heeft gehad in Mohammeds eventuele voortzetting van zijn (Zayd’s) project. Toen hij zijn einde voelde naderen, in 610,  heeft hij zijn ‘straatverbod’ genegeerd en heeft hij een wanhoopspoging gedaan om alsnog Mekkanen voor zijn project te winnen. Abu Bakr’s dochter Asma vertelde later dat zij de zeer oude Zayd bin Amr bin Nufail had zien zitten, geleund tegen de muur van de Ka’aba en roepend: “O mensen van de Quraysh! Bij Allah, niemand van jullie heeft de religie van Ibrahim, alleen ik.”

De volgende ochtend werd hij dood aangetroffen. Aangezien zich niemand meldde om Zayds  dood te wreken, moet hij door een naast familielid zijn omgebracht. Dat dit zijn halfbroer Omar of anders een andere vertrouweling van diens vader a-Khattab geweest is, was voor iedereen duidelijk maar niemand had er enig belang bij dit hardop uit te spreken. Wel dichtte de al even oude Waraqa, Khadija’s geleerde oom, een eulogie op Zayd.

Dit alles geschiedde in 610, en kort na Zayds dood kwam Mohammed met zijn eerste ‘ingevingen van Boven’.

 

Mohammed zelf heeft Zayd’s aandeel altijd in het vage gelaten. Hij wilde zijn boodschap niet al bij voorbaat verworpen zien als afkomstig van de verbannen hanif Zayd. Hij achtte deze kansrijker  als de volgelingen geloofden dat ze Allah’s Woord bevatten en via een engel aan hem waren doorgegeven. Bedenk dat het geloof in djinns toen gemeengoed was.

Toen een nieuwe bekeerling hem eens vroeg wat hij van Zayd vond, antwoordde hij: “Ik heb hem in het Paradijs gezien met al zijn gewaden aan”.

 

50. geloofde Mohammed deze onzin allemaal zelf?

 

Het korte antwoord is: hij moest wel.

Voor het weldoordachtere antwoord moeten we bedenken dat de mensen in die tijd, of ze nu arm of rijk waren, de wereld niet anders dan religieus konden beleven. Atheïsme was nog ondenkbaar; vrijdenkerij bestond er hooguit in dat je afwijkende opvattingen over het wezen van God koesterde. Zayd had niets nieuws ontwikkeld; hij had slechts al lang bestaande ideeën over Allah, vooral levend onder de Hashim-clan, consequent doordacht  en, zoals ook zijn vrienden, politiek toegepast om het tribale veelgodendom met alle stammen-oorlogen en overvallen op karavanen van dien te vervangen door een Arabisch ééngodendom overeenkomstig het joodse, zoroastrische en christelijke monotheïsme. Zayd had zelfs de moeite genomen om voor de toepassing van het gedeelde idee de bijbehorende vormen te ontwikkelen door te gaan kijken hoe die bij de Joden en de Christenen ontwikkeld waren.

Bedenk daarbij dat ook vandaag de doorsnee-consument weliswaar zich niet meer tot een denominatie bekent, maar dat ook deze niettemin blijft geloven ‘dat er IETS moet zijn’. Gewoon, omdat ons hele vroege voorgeslacht het leven in het kader van een Scheppingsverhaal beleefd heeft, waarin één Grote Voorouder-figuur de Schepper van de wereld was. Gewoon dus omdat we nog steeds talige wezens zijn en dus ‘ongeneeslijk religieus’ ook al uit zich dat in geloven in de overwinning van je voetbalclub, in je liefde tot het koningshuis, je verering van pop- of sportidool. Hoe verder terug in de geschiedenis, des te sterker dat religieuze gevoel.

 

Wij, het voorgaande verhaal over hoe wij van aapmensen tot mensen geworden zijn tot ons genomen hebbende, weten nu dat die allervroegste proto-God eigenlijk het eerste groepje kolonisten geweest is dat de dingen in het nieuwe stamgebied hun namen had gegeven en dat we in een woordenwereld zijn komen te leven. Alleen wie dit door heeft, mag zich met recht als atheïst beschouwen. Verreweg de meeste ongelovigen zijn agnosten, dat wil zeggen: ze weten het niet. Dat is voor een humanosoof een ontoelaatbaar zwaktebod: het valt gewoon te weten, toch?

 

Nogmaals, Mohammed had zich met zijn vrienden/karavaankooplui al heel lang het hoofd gebroken over hoe ze hun Arabische handelseconomie net zo lekker zouden kunnen laten draaien (zonder al die eindeloze stammenvetes en overvallen op hun karavanen) als de joodse, zoroastristische en christelijke handelseconomieën dat konden. Maar dan zonder zich met één van die machtsblokken te verbinden. Ze waren trotse Arabieren en wensten dat te blijven. Welnu, de hanifs  reikten daar de oplossing voor aan. Hanif Zayd had zelfs een Islamritus uitgedokterd.

Nu hanif Zayd dood was, was Mohammed de enige die het nieuwe Islamgeloof aan zijn samenleving zou kunnen aanbieden. Mohammed kon geen andere kant meer op dan het door hemzelf verfoeide profeetschap aan te nemen. Zijn Khadija werd niet moe om hen dit voor te houden.

 

51. Mohammeds profeetschap

 

Laat ik nu het verhaal over Mohammeds ‘roeping’ tot het profeetschap vertellen zoals het door de bronnen wordt beschreven. Moslim-historici kunnen natuurlijk niet zo’n afstandelijk verhaal produceren als een hedendaagse God-vrije historicus dat zou doen. Ik heb alle respect voor een moslimhistoricus als de reeds genoemde Ibn Ishaq (704-770).  Geboren in Medina veertig jaar na Mohammeds overlijden heeft hij in zijn jeugd tal van verhalen over de Profeet meegekregen, ook van mensen die de Profeet zelf nog hadden gekend. Hij is ze als hobby gaan verzamelen en heeft er later, aan het hof van de eerste kalief van Bagdad en op diens verzoek, de eerste biografie van Mohammed mee samengesteld. Ibn Ishaq zelf benadrukt dat hij alle verhalen van horen zeggen heeft en ze dus niet op waarheid kan controleren. Hij heeft wel een serieuze schifting aangebracht in zijn verzameling en alleen de meest betrouwbaar lijkende als bouwstenen gebruikt.

Ik geef nu zijn verhaal in mijn woorden weer.

 

Nu komt het officiële verhaal. Maar natuurlijk weer in mijn woorden.

Op zekere dag, het was in 610 en kort na zijn veertigste, kwam Mohammed ontsteld uit zijn Hira-grot terug, bevend over zijn hele lijf. De 65-jarige Khadija sloeg een deken om hem heen en hield hem vast. Hij was in zijn grot door een djinn bezocht! Die had hem gedwongen om te gaan reciteren, als een profeet! Hij was dus gek aan het worden! Khadija praatte op haar man in: ze wist zeker dat hij niet gek was. Ze zou er met haar oom Waraqa over gaan praten. Mohammed stribbelde tegen: nee, niemand mocht het weten, ook zijn vrienden niet. Khadija beloofde dat ze het echt verder aan  niemand anders zou vertellen, en Waraqa was al blind en al zo oud: die zag nooit meer iemand. Goed, alleen Waraqa dan.

Waraqa was al heel lang op de hoogte van de ideeën van Mohammed: liters thee hadden ze er samen over gedronken in de afgelopen jaren. Waraqa nu geloofde ook niet dat het een djinn-bespiegeling was geweest die Mohammed overkomen was, maar voor hij besliste wat het dan wel was wilde hij hem eerst zelf horen. De volgende dag al verscheen ze samen. En toen Mohammed hem precies verteld had wat er gebeurd was, concludeerde Waraqa dat het geen djinn was geweest maar de engel Djibriel. Dus dat het bevel om als profeet te gaan optreden van Allah zelf afkomstig moest zijn!

 

Mohammed durfde voorlopig niet meer terug naar de grot. [Ja, nee, hanif Zayd was er immers niet meer!] Maar Khadija was er van overtuigd dat Allah iets met haar man voor moest hebben. [Ik denk dus dat ze al lang op de hoogte was geweest van Mohammeds onderrichtingen door Zayd, en dat ze het spelletje gewoon meespeelde]. Helaas stierf oom Waraqa al een half jaar na de gebeurtenis, dus op diens steun kon ze niet langer terug vallen. Ze nam Mohammeds beste vriend Abu Bakr in vertrouwen, en ook Ali. Die vonden het helemaal niet zo’n onwaarschijnlijk verhaal. En ze overreedden Mohammed om terug te gaan naar zijn grot: als hij daar opnieuw recitaties ingegeven zou krijgen, dan was het voor hen een uitgemaakte zaak. Dan gebruikte Allah hem als zijn boodschapper.

 

Mohammed hernam zijn meditatieverblijven in het kleine Hira-grotje. En het duurde niet lang of hij kwam thuis met een paar recitaties. [Ik denk dus dat hij enkele recitaties die Zayd hem had voorgedragen, zich nu weer probeerde te herinneren en te kunnen voordragen.] De 11-jarige Ali leerde ze van buiten, zodat ze niet verloren zouden gaan. En ook Khadija zei ze vaak voor zichzelf op. Abu Bakr lichtte nu de andere vrienden in. Die waren er al lang van overtuigd dat de verbreiding van de Eenheidsgod Allah voor de Arabieren het werk van een profeet diende te zijn: het kon nou eenmaal niet anders. En nu Mohammed steeds vaker recitaties ingegeven kreeg, raakten de vrienden verzoend met de gedachte dat hun hooggeachte Mohammed die profeet moest zijn. Die Vrienden waren nogmaals, behalve huisvriend Abu Bakr: Uthman bin Affan, Talha, Zubayr, Abdur Rahman ibn Auf, Saad bin Abi Waqqas en Obaidullah ibn al-Jarra. Omdat ze een belangrijke rol gespeeld hebben in de wording van de Islam, duid ik ze aan als De Vrienden.

Ze kwamen geregeld bijeen in het huis van Khadija, vooralsnog als een geheim genootschap. Toen een jongeman Arqam, van de Makhzoom-clan, zich bij hen aangesloten had, hielden ze hun bijeenkomsten voortaan in diens versterkte woning iets buiten Mekka, in de vallei van Safa.

 

Drie jaar gingen zo voorbij, waarin ze een vast patroon van gebeden tot Allah ontwikkelden, voorafgegaan door een wassing. Volgens het ritueel dat Mohammed van hanif Zayd had geleerd, die het bij de Joden en de Christenen had opestoken.

Alsook diens bidden en diep geknielde buigingen met vooruitgestoken handen en het voorhoofd op de grond, richting de Ka’aba: een extra diepe prostratie voor de Bedoeïenen.

Vervolgens reciteerde Mohammed zijn nieuwste  ‘ingeving van Boven’: die kreeg hij spontaan wanneer hij er een nodig had. Heel toevallig, ja. Die werd dan door het gezelschap van buiten geleerd en besproken. Sa’d en Talha konden schrijven en schreven ze voor zichzelf op, op palmbladeren. Nieuwelingen, veelal uit de Banu Hashim maar ook wel uit andere clans, werden door Ali en Zaïd ingewijd in de recitaties en de gebeden tot Allah, en zo kreeg de latere Koran geleidelijk vorm.

 

Na deze drie jaar had Mohammed de vaardigheid van het voorgaan in een vast ritueel goed onder de knie en voelden ze zich als sekte sterk genoeg om met hun nieuwe geloof naar buiten te treden.

Voor hun veiligheid dienden ze eerst de bescherming van hun eigen clans, de Banu Hashim en de Banu al-Muttalib, te verwerven. Ali werd belast met het uitnodigen van de familiehoofden, veertig in getal, voor een maaltijd ten huize van Mohammeds oom, de sjeik (het clanhoofd)  Abu Talib.

Onder de genodigden nu was oom Abu Lahab, broer van Mohammeds vroeg overleden vader. Een gierige geldwolf. Hij was al lang op de hoogte van wat zijn neef voorstond en hij was er faliekant op tegen. Dus toen Mohammed op een zeker moment opstond en zich tot het gezelschap richtte, onderbrak Abu Lahab hem en richtte zich op zijn beurt tot het gezelschap, in welsprekende maar uiterst vijandige bewoordingen. Er ontstond een enorm geschreeuw van alle kanten en het duurde niet lang of alle genodigden hadden de zaal verlaten.

 

Deze eerste poging om zich als nieuwe geloofsrichting bekend te maken was dus een mislukking geworden. Maar omdat Mohammed diep overtuigd was van de noodzaak van zijn nieuwe Eenheidsgod Allah voor alle Arabieren, kroop hij niet voor die geldwolf oom Lahab in zijn schulp. Bij een volgende gelegenheid richtte hij zich tot een publiek waar ook leden van andere Quraysh-clans aanwezig waren en meldde hen dat hij de boodschapper was van de Heer der Hemelen, Allah, die voorspoed en welvaart wilde brengen aan alle Arabieren. En weer was daar oom Abu Lahab om zijn neef te onderbreken en de mensen voor hem te waarschuwen; en weer slaagde Lahab er in om het aanvankelijk welwillende gehoor uiteen te jagen.

Mohammed had geen andere keus dan vol te houden en het bij elke gelegenheid opnieuw te proberen. En zo verbreidde zijn idee zich, ondanks de al even halsstarrige tegenwerking van Abu Lahab, toch onder de mensen. Belangrijk voor hem was dat de Vrienden hem door dik en dun bleven steunen, evenals Khadija, Ali en Zaïd. Bovendien hielp hem zijn reputatie van onkreukbaarheid en behulpzaamheid bij het verstrekken van leningen zonder woekerrente, terwijl Abu Lahab als een harkerige gierigaard en woekeraar bekend stond. Mohammed liet niet na de rijke Quraysh aan te sporen om hun rijkdom te delen met de armen. Dat nu was een geheel nieuw en bemoedigend geluid, dat de massa der minbedeelden als muziek in de oren klonk. En toen Mohammed ook nog duidelijk maakte dat de Heer der Hemelen Allah ook de slaven tot Zijn kinderen rekende, groeide zijn aanhang.

 

Maar daarmee groeide ook de tegenstand onder de rijke Quraysh, die Mohammed en zijn sekte nu als een  reëel gevaar voor hun woekerwinsten begonnen te zien.  De eerste slachtoffers van hun vijandschap vielen onder de slaven die de euvele moed hadden zich tot moslim (aanhanger van het nieuwe Allah-geloof) te verklaren. Bilal, slaaf van Umayya bin Khalaf, werd tussen palen op het brandend hete zand vastgelegd, een hele middag lang; totdat Abu Bakr hem kocht en bevrijdde. En zo kocht Abu Bakr weldra menig andere slaaf die omwille van zijn of haar geloof gemarteld werd door hun meester, en schonk hen de vrijheid zodat ze niet langer meer lastig gevallen konden worden. Het valt zeer te betwijfelen of er vandaag sprake van Islam zou zijn geweest als er toen geen rijke Abu Bakr zou zijn geweest.

Aanhangers die weliswaar geen slaaf maar van nederige komaf waren, kregen het ook moeilijk. Zo was er een jongeman die behoorlijk bij de pinken was en zich beijverde om alle recitaten van Mohammed van buiten op te dreunen. Hij bestond het zelfs om dit in de Ka’aba te doen, samen met Mohammed. Deze laatste genoot de bescherming van zijn clan en dus waagde niemand hem te na te komen. Maar de arme jongen werd op zijn bek geslagen om hem de mond te snoeren. Toch ging deze door tot hij zijn laatste recitaat had opgezegd (of uitgezongen, het was zoiets als de hedendaagse gangsta-rap).

 

Mohammeds faam begon zich ook buiten Mekka te verbreiden. Een jongeman Abu Dharr, van de Banu Ghifar, van de Kinanah, een stam ten zuiden van Mekka, hoorde van reizigers dat er in Mekka een profeet was opgestaan die de Arabieren aanspoorde om hun veelgodendom vaarwel te zeggen en alleen nog maar de Heer der Hemelen Allah te vereren; en voortaan alleen de waarheid te spreken, en niet langer hun meisjesbaby’s levend te begraven. Abu Dharr reisde naar Mekka om die profeet zijn diensten aan te bieden. Omdat hij gehoord had dat de profeet veel vijanden gemaakt had daar, durfde hij, als kwetsbare vreemdeling, niet rechtstreeks naar hem te vragen en bleef de hele dag in de schaduw van de Ka’aba wachten. De avond viel en  nog steeds … tot hij werd aangesproken door de toevallig passerende Ali. Die zag dat hij een vreemdeling was, en de gewoonte gebiedt dat je die in je huis noodt en te eten geeft. Daar bracht Abu Darr de reden van zijn reis ter sprake. Ali was verheugd om hem in kennis te brengen met de gezochte persoon: nooit nog had iemand zo’n reis voor Mohammed ondernomen.

Abu Darr omhelsde diens Islam. De dag erop al begaf hij zich naar de Ka’aba en riep daar met luide stem: “Er is geen God dan Allah en Mohammed is zijn boodschapper!” Zoals te verwachten werd hij aangevallen en het is te danken aan de toevallige aanwezigheid van Abbas ibn Abdul Muttalib, een oom van Mohammed. Die verhief zijn stem en wees er op dat deze vreemdeling een Ghiffar was, dus van een stam aan de route naar Yemen. Als de Mekkanen hem iets zouden aandoen, zouden diens stamgenoten zich wreken op de Mekkaanse karavaan.

Abu Darr bleef een trouwe volgeling.

 

Wanneer iemand van een Mekkaanse familie overging tot de Islam, werd hij of zij voor altijd uit de familie verstoten. Dat betekende dat het nieuwe geloof ook families versplinterde. Een reden temeer om het in de kiem te smoren nu het nog kon. Maar hoe?

Bij enkele Quraysh rees het vermoeden dat het Mohammed gewoon om macht te doen was. Mohammed was een aanzienlijk lid van de Banu Hisham, de grondvester van Mekka’s grootsheid in Arabië. De waarschijnlijke opvolger van de huidige sjeik van de Banu Hisham, de oude Abu Talib. Diens clan was om niet geheel frisse reden uit zijn hoge positie in Mekka verstoten. Wellicht wilde Mohammed gewoon zijn clan rehabiliteren. Ze kregen Utbah, een van de machtigste Quraysh familiehoofden, zo ver om met Mohammed te gaan praten.

Utbah bood Mohammed het leiderschap over Mekka aan. Mohammed had juist een nieuwe recitatie doorgekregen en droeg deze, als enig antwoord, voor aan Utbah. Utbha zei niets meer, keerde terug naar het beraad en gaf het advies om Mohammed gewoon diens gang te laten gaan. Wanneer dat op niets zou uit lopen, waaide het gedoe vanzelf over.

Utbah had een vooruitziende blik. Hij was namelijk op de hoogte van het voor Mekka concurrerende succes van de  Bani Hanifa en hun sjeik Musaylima, die een soortgelijk nieuw geloof predikte als Mohammed. Het zou best wel eens kunnen dat Mohammeds streven ooit reddend voor Mekka zou worden.

Maar mensen als Abu Jahl waren er van overtuigd dat de lucratieve pelgrimages afhingen van de aanwezigheid van de 360 stamgoden in hun Ka’aba. Volgens Mohammed moesten die vernietigd worden. Dus bleven hij en met hem de meerderheid van de Quraysh, met name die van de Banu Umayya, uit op Mohammeds vernietiging.

 

Zolang deze echter de bescherming genoot van sjeik Abu Talib konden ze niets tegen hem beginnen. Dus werd besloten een afvaardiging te sturen naar Abi Talib: om die te bewegen, de stamsolidariteit te laten prevaleren boven één verderfelijk lid van zijn familie.

Het werd een zware dobber voor de oude Abu Talib: hij moest zowel de kool als de geit zien te sparen. Hij putte zich uit in een eindeloze reeks ontwijkende gemeenplaatsen.

De delegatie begreep dat hij solidair met zijn neef wenste te blijven en vertrok tenslotte met lege handen. Bij een tweede poging brachten ze een knappe jongeman mee die hij als zoon mocht adopteren, in ruil voor Mohammed. Abu Talib bedankte beleefd.

 

Nu was voor de rijke en dus machtige Quraysh de maat vol. Hun derde afvaardiging kreeg een ultimatum mee.

Abu Talib begreep dat hij nu geen kant meer op kon en ging naar Mohammed. Deze bleek echter bereid om zijn leven te geven voor zijn geloof, liever dan het getuigen ervoor op te geven. Abu Talib besloot zijn bescherming te handhaven en er de consequenties van te aanvaarden. Maar hij belegde eerst een bijeenkomst met de hele Banu Hashim en de hele Banu Muttalib clan. Hij sprak voor hen zijn diepe bewondering uit over zijn neef Mohammed en verzocht allen om Mohammed  tegen de Quraysh te beschermen. Allen verklaarden zich hiertoe bereid, uiteraard op Abu Lahab na die zich tot de partij van de Quraysh verklaarde en zijn vijandschap tegen Mohammed herhaalde.

 

De eerste slachtoffers van de openlijke agressie der Quraysh trof de moslims die geen verwanten hadden in Mekka, zoals ‘import’-bewoners en slaven. Maar ook Mohammed zelf begon levensgevaar te lopen. Toen hij in de Ka’aba zat te bidden, werd hij plotseling omringd door een doorgedraaide groep Mekkanen. Een jong familielid van Khadija verdedigde Mohammed met zijn vuisten, maar een der dollemannen trok zijn dolk en stak op de 17-jarige in.

Het bloedvergieten in het heiligdom bracht de overigen tot bezinning, en Mohammed voor het eerst in vertwijfeling. Het gevolg was dat de sterke Ali zijn oom voortaan bij elke stap vergezelde.

 

De agressie van de Mekkanen tegen de moslims nam hierna alleen maar toe. Mohammed begon zijn volgelingen aan te raden asiel te zoeken in het christelijke Abessinië (Axum, het huidige Ethiopië). En inderdaad vertrok een groep van vijftien mensen onder leiding van Uthman, een van de Vrienden. Ze werden daar vriendelijk ontvangen door de Negus, en mochten van hem daar verblijven.

Na nog geen jaar deed daar het gerucht de ronde dat de Quraysh de islam hadden omarmd! Blij scheepte de groep zich weer in. Om te ontdekken dat het tegendeel waar was: de Quraysh waren nog erger te keer aan het gaan. Dus weer rechtsomkeert naar Abessinië, en nu met een veel grotere groep moslims.

Dit laatste begon de Quraysh te verontrusten: wellicht zouden de moslims daar een troepenmacht tegen Mekka kunnen ronselen. Dus zonden ze ijlings een afvaardiging met een boel geschenken voor de Negus en diens hovelingen. De afvaardiging arriveerde nog vóór de aankomst van de moslims.

De Negus aanhoorde de bezwaren, maar wilde alvorens een beslissing te nemen eerst de andere partij horen. De afgevaardigde van de moslims hield een gloedvol betoog waarin deze niet naliet te wijzen op hun toegewijd zijn aan de Ene Ware God die in wezen dezelfde was als die van de Kopten. De Negus retourneerde de geschenken aan de Quraysh en verzocht hen te vertrekken.

De moslims zouden daar dertien jaar verblijven.

 

De in Mekka achtergebleven moslims behoorden allen tot clans die gelieerd waren aan de Hashim- of de Muttalib clans,  of waren leden van het Verbond der Rechtvaardigen; die waren betrekkelijk veilig voor de aanvallen van de Mekkanen. Maar de agressie tegen Mohammed woedde voort. Abu Jahl trof Mohammed op zeker moment alleen bij de Ka’aba, en voer op een schandalige manier tegen hem uit. Een slavin van het huis van Hamza ibn Abdul Muttalib was er getuige van. Hamza, een volle neef van Mohammed, was een krachtpatser, een jager die geen interesse had in waar zijn neef allemaal mee bezig was. Maar nu ontstak hij in woede en beende af op het gezelschap in het gemeenschapshuis waar Abu Jahl aan het opgeven was hoe hij Mohammed zijn vet gegeven had. Hamza gaf Abu Jalh een dreun en verklaarde bij deze moslim te willen worden. En dat werd hij inderdaad. Mohammed beschikte vanaf nu over een geduchte lijfwacht.

Een andere spectaculaire bekering betrof Omar. Omar bin al-Kathab, de latere tweede kalief, was een even rabiate tegenstander als Abu Jahl, en zelfs gewelddadiger. Op zekere dag besloot hij, een stevige wijndrinker als hij was, Mohammed persoonlijk van kant te gaan maken; ook al zou hij dan te maken krijgen met de wraak van diens clan. Tenslotte had hij ook al een eind gemaakt aan het leven van die andere dolle hanif, zijn halfbroer Zayd. Onderweg naar de hem bekende vergaderruimte van die hanifs hield een kennis hem staande en deelde hem mee dat Omar’s eigen zuster en haar man moslim waren geworden. Dus dat hij eerst maar eens orde moest scheppen in zijn eigen familie alvorens een dollemansdaad te plegen. Omar begaf zich onmiddellijk naar zijn zuster en sloeg haar tot bloedens toe. Toen hij bloed zag, kwam hij tot bezinning en bood haar zijn verontschuldigingen aan want zij was altijd zijn lievelingszus geweest. Ze kwamen tot een gesprek en ze liet hem enkele recitaten van Mohammed horen.

Dit bracht Omar dusdanig van zijn stuk dat hij zich de volgende dag naar het huis van Arqam begaf, waar hij wist dat ze bijeenkwamen. Ze zagen daar Omar aankomen en sommige moslims werden bang. Maar Hamza stelde hen gerust: laat die blaaskaak maar komen. En Omar bleek zich zowaar te komen aanmelden als kandidaat-gelovige.

Wellicht is het deze geruchtmakende overstap geweest die de asielzoekers in Abessinië een verkeerde indruk van de ontwikkelingen in Mekka hadden gegeven. Want even luidruchtig en blaaskakerig als hij eertijds tegen was geweest, zo was hij het nu vóór, en het betekende een klap voor zijn oom Abu Jahl en de tegenpartij in zijn geheel. De moslims durfden vanaf nu ook openlijker voor hun streven uit te komen.

 

De Mekkaanse rijken en woekeraars, met name die van de Umayyaden-clan, besloten dat niets anders restte dan de Banu Hashim en de Banu Muttalib uit de gemeenschap der Quraysh te laten verstoten, en ze organiseerde een soort referendum voor de hele stad. Elke inwoner diende een verklaring af te leggen of hij voor of tegen de hanif clans was. Tevens mobiliseerden ze alle dichters om hen aan te sporen zich in bijtend spottende bewoordingen te richten tegen alle afzonderlijke familiehoofden van de beide clans.

Dit benadeelde deze clans ernstig in hun broodwinning. En helemaal toen, als slotstuk van de campagne, een document werd opgesteld waarin werd vastgelegd dat voortaan niemand meer zaken zou mogen doen met iemand van de beide clans. Niet iedereen tekende van harte, maar om nu openlijk je stem te verheffen tegen de schreeuwerige Abu Jahl en andere woekeraars zou de verdenking van sympathisant op je laden.

Het boycotdocument werd opgesteld en plechtig opgehangen in de Ka’aba.

Hoe lang zouden de clans deze wurging kunnen uithouden? Bovendien mochten ze, nu ze als groep min of meer vogelvrij verklaard waren, verwachten om ook lijfelijk te worden aangevallen.

De oude Abu Talib besloot om met zijn hele familie en aangetrouwden uit Mekka te vertrekken en een schuilplaats in de bergen vlakbij de stad in te richten. Hij was eigenaar van een kloof, de Sheb. De toegang ertoe was een rotsspleet waar een kameel maar met moeite doorheen kon. De kloof was verder door steilten en stadsmuren afgesloten, dus daar zouden ze voorlopig veilig zitten.

de Sheb (kloof) bij Mekka

Maar hoe aan eten en drinken te komen? Met geld is alles te koop, en Khadija was rijk. Het was Ali die ’s nachts in een geitenhuid water haalde, tegen belachelijk veel geld natuurlijk. Mekkaanse sympathisanten of gewoon fatsoenlijke lui brachten eten en drinken, de vijandschap van de Quraysh riskerend. Vooral Hakim, de neef van Khadija, bracht met zijn slaaf leeftocht zo vaak hij kon.  Maar toch leden de kinderen soms honger en was hun huilen tot in de stad hoorbaar.

Abu Jahl postte wel eens ’s nachts bij de kloof om zulke hulpvrienden dwars te zitten, en dan volgde er niet zelden een vuistgevecht. Ook al waren die helpers geen moslims, ze konden het toch niet verdragen dat die goeie mensen in de kloof zouden verhongeren.

Drie volle jaren duurde deze evacuatie. Maar toen begon de nood tot de lippen te stijgen.

Het was Hisham bin Amr, een zeer geacht lid van de Quraysh maar verwant aan de Banu Hashim, die nu deze toestand niet langer verdroeg. Hij benaderde Zuhayr, ook een hoogstaande Quraysh. Die benaderde Uthba en Al-Mutim bin Adijy en die weer enige anderen. Zo vormde zich een groepje onder leiding van Zubayr. Deze mensen hadden vanaf het begin van de boycot al hun bezwaren gehad, maar nu wilden ze dat er een einde aan gemaakt werd. Al-Mutim riep een volksvergadering bij de Ka’aba bijeen en toen bleken de handhavers van de boycot tot een kleine minderheid geslonken. Ook al moesten de meeste Mekkanen niets van Mohammeds idee hebben, veel mensen waren Mohammed dank verschuldigd omdat ze bij hem en Khadija leningen zonder rente hadden kunnen afsluiten – dit was niet de onbelangrijkste oorzaak van de woede van de geldwolven. En nu waren deze mensen weer aangewezen geweest op de woekerrentes van de rijken.

Dus werd de boycot officieel beëindigd: het document uit de Ka’aba tevoorschijn gehaald en verbrand. Een groepje ruiters reed in vol ornaat naar de kloof en begeleidde de opgeluchte belegerden terug de stad in en naar hun woningen.

 

Hoe kwamen Hisham en Zubayr en die anderen er toe om, net toen de uitgestotenen op het punt van verhongering waren gekomen, hen uit de nood te verlossen? Wellicht toch dezelfde beweegreden als die van Utba toen die Mohammed het leiderschap van Mekka aanbood. De steeds serieuzere concurrentie die Musaylima aan het vormen was voor het religieuze aanzien van Mekka in Arabië.

 

52. Mohammeds diepste ellende 

 

Drie jaar hadden de moslims het in de kloof  uit weten te houden, tot voorjaar 619.  Mohammed was nu bijna vijftig. Khadija was 65, en Abu Muttalib al 83.

Maar beide laatsten waren er slecht aan toe, de ontberingen hadden een te zware tol geëist van hen. Khadija had haar hele fortuin moeten besteden aan het kopen tegen woekerprijzen van de noodzakelijke levensbehoeften. Nu ze terug was in haar huis bezat ze niets meer. Ze werd al na korte tijd ziek en overleed in de armen van de ontroostbare Mohammed.

Een maand later overleed Abu Talib. Dit was een zo mogelijk nog grotere ramp voor hem, want door diens wegvallen verloor Mohammed zijn clanbescherming. Abu Lahab, Mohammeds oom maar overtuigde vijand, werd hoofd van de Hashim-clan en verklaarde  onmiddellijk dat Mohammed niet langer onder de bescherming van zijn clan stond. Hoe konden de Hashims en de Muttalibs dit laten gebeuren? Door de drie jaren van boycot  waren die totaal verarmd en moesten nu eerst en vooral financieel weer boven water zien te komen. Ze zijn hier zeker in geslaagd, en in het verdere verloop van ’t verhaal komt Abu Lahab niet meer voor.

Mohammed was nu vogelvrij, een outlaw. Hij kon zich niet meer in het openbaar vertonen en moest steunen op de gastvrijheid van anderen.

60 jaar was hij nu, en hoeveel mensen had hij nou bekeerd in de afgelopen 10 jaar? Krap 170 mannen en vrouwen. En zijn vijanden waren vastbesloten om dit gezwel nu definitief uit hun Mekka weg te snijden. Mohammeds situatie werd vanaf nu alleen nog maar hopelozer en beroerder. Tjonge, het is geen lolletje om de stichter van een nieuw geloof te zijn.

 

Mohammed kon niet langer in Mekka blijven.

Bovendien werd het tijd dat hij het nieuwe geloof ook buiten Mekka zou gaan proberen te verbreiden. Vergezeld van Zaïd reisde hij te voet door de bergen naar Taïf, het landbouwstadje 100 km ten zuidoosten van Mekka.

weg naar Taïf

Daar richtte hij zich tot de clanhoofden, met zijn boodschap. Maar die viel allerminst in goede aarde. Na hem met nauwelijks verholen spot aanhoord te hebben gaven ze hem te verstaan dat hij in hun stad niet welkom was. Ze lieten zelfs toe dat ze door rondhangend tuig bekogeld werden. Half gestenigd geraakten ze buiten de muren van het stadje en strompelden huiswaarts.

Maar Mohammed zakte al gauw in elkaar. Een tuinder ontfermde zich over het ongelukkige stel, gaf hen te drinken, verbond hun wonden en liet ze op verhaal komen.

Mohammed wist dat, als hij zich opnieuw in Mekka zou vertonen, het zijn einde zou betekenen. Maar hij kon nergens heen. Hij stuurde Zaïd naar al-Mutim, een van het dappere groepje dat de Hashim-clan van de boycot had verlost. Deze trok terstond zijn harnas aan,  bewapende zijn bedienden en neven, reed in volle uitrusting naar het plein bij de Ka’aba en verkondigde daar dat hij nu Mohammed de stad zou gaan binnenhalen en dat hij verwachtte dat deze voortaan ongemoeid zou worden gelaten. Hij zou deze van zijn kant laten beloven, zich voortaan niet meer provocerend uit te laten. Na dit niet mis te verstane machtsvertoon haalde hij Mohammed op en begeleidde hem naar zijn huis.

 

Mohammed was dankbaar dat hij weer veilig thuis was, bij zijn dochters en Ali. Onder hun liefderijke verzorging knapte hij weer op en met steun van zijn familie, die weer welvaart kon verwerven met de karavaanhandel, hadden ze ook te eten. Het is niet bekend of Mohammed het ook aandurfde om ook zelf weer aan de karavaanreizen deel te nemen, tussen de knarsetandende Umayyaden en andere doodsvijanden. Uit het stilzwijgen van de overgeleverde verhalen hierover kan men ook afleiden dat hij zich aan een zelfopgelegd huisarrest heeft gehouden.

Waar waren zijn lijfwachten Ali en Hamza trouwens, waarom waren die niet mee naar Taïf geweest en hadden hem kunnen behoeden voor die steniging? Volgens mij waren alle Hashemieten en Muttalieten op karavaanreis: er moest immers weer brood op de plank.

Mohammed zat alleen thuis, met zijn dochters en zijn trouwe ex-slaaf Zaïd. Het moet voor de geloofsstichter een diep-deprimerende periode geweest zijn. Hij had de bankierstaak voor de minder bemiddelde Mekkanen die hij met Khadija altijd had gehad – ze waren een van de weinige betrouwbare mensen om hun spaargeld aan toe te vertrouwen – weer voortgezet.  Het enige wat hem verder restte waren dromen. Een mooie droom was dat hij naar Jeruzalem vloog. Die droom heeft zo’n indruk op hem gemaakt dat daar ook melding van gemaakt wordt tussen de Koranrecitaties maar met die onzin vul ik geen bladzij.

 

53. delegatie uit Yathrib

 

In de uitzichtloze stilstand in datzelfde jaar 620  begon één lichtpuntje van hoop op te gloeien. Er was een groepje van zes mannen uit Yathrib voor pelgrimage naar Mekka gekomen. Yathrib was een oasestadje 300 km ten noorden van Mekka waar de stad ook veel landbouwproducten van betrok. Ze hadden daar zwaar te stellen met een heftige vete tussen twee clans. Ze hadden bij geruchte van Mohammed gehoord, en misschien was diens methode wel een oplossing voor Yathribs moeilijkheden. Ze wisten een bijeenkomst met hem te organiseren, ergens op een veilige plek buiten de stad, op een heuvel, Al-Aqaba geheten. En hij legde hen het idee voor het Eenheidsgeloof in de Heer der Hemelen Allah uit.  Ze namen het idee mee haar huis en beloofden hem bij hun volgende pelgrimage op de hoogte te brengen van hun besprekingen.

Het jaar erop kwamen ze met twaalf man sterk terug, waaronder twee vrouwen. De groep liet zich nu uitvoerig door hem onderrichten, weer op de Al-Aqaba-heuvel, en tot slot verklaarden ze voortaan als moslims door het leven te willen gaan. Hun plechtige geloofsbelofte draagt in de teksten de naam “De Verklaring van Al-Aqaba”. De nieuwe aanhangers verzochten Mohammed om hen iemand van zijn moslims mee te geven zodat die hen verder zou kunnen onderwijzen. Mohammed vond zijn oom Mas’ab ibn Umayr hiertoe bereid.

Mohammed kreeg hoop. Misschien kwam er toch nog schot in zijn onderneming.

Het jaar erop, in 622, kwamen ze met 75 man sterk op pelgrimage. En weer werd op de Aqaba een ontmoeting belegd. Alle 75 legden de geloofsbelofte af en gaven te kennen dat ze Mohammed graag zouden verwelkomen in Yathrib.

Dat laatste zou een uitkomst zijn, niet alleen voor hem maar voor alle Mekkaanse moslims, personae non gratae  in hun stad.

En inderdaad trokken ze, zo onopvallend mogelijk en dus in kleine groepjes, naar Yathrib. Mohammed werd te zeer in de gaten gehouden, dus die durfde de vlucht nog niet aan.

 

De Mekkaanse tegenstanders begonnen nu te vrezen dat de beweging daar in Yathrib dusdanig in kracht zou kunnen winnen dat ze er alsnog door zouden worden overrompeld. Als ze dit wilden voorkomen dienden ze nu korte metten te maken met Mohammed, nu die zich nog in hun stad bevond. En ze beraamden een snelle moordaanslag. Om weerwraak door de Hashimclan te bemoeilijken besloten ze om de knokploeg te laten bestaan uit leden van zoveel mogelijk clans, en dan als groep de overval op Mohammeds huis uit te voeren, zodat geen clan er in het bijzonder op zou kunnen worden aangesproken.

De overval werd afgesproken voor het ochtendkrieken van de volgende dag.

Zo’n grote groep samenzweerders: natuurlijk kregen Mohammed en zijn vrienden hier lucht van.

Ze ondernamen onmiddellijk actie. Mohammed belastte Ali met het teruggeven van de spaargelden aan de eigenaars. Ali moest in Mohammeds bed gaan liggen, onder Mohammeds groene mantel, zodat de aanvallers hem door het raam zouden kunnen zien liggen. Mohammed zelf sloop zodra het duister gevallen was, via de tuin het huis uit. Hij had met Abu Bakr afgesproken in een schuilgrotje in de bergen. Dat lag niet langs de weg naar Yathrib, maar juist in de richting van de kust.

Abu Bakr wachtte hem daar op met een voorraadje water en dadels zodat ze het daar een paar dagen zouden kunnen uithouden tot de vijanden het zoeken naar hen zouden hebben opgegeven.

 

Bij het ochtendkrieken troffen de aanvallers Ali aan in Mohammeds bed. Die wist natuurlijk van niks en de aanvallers verspilden gelukkig weinig tijd om hem aan de tand te voelen. Ze doorzochten haastig het hele huis, troffen sporen aan in de tuin en gingen als de bliksem achter de vluchteling aan nu die nog niet ver gekomen kon zijn op de weg naar Yathrib.

 

Mohammed en Abu Bakr hielden zich drie dagen schuil in het grotje. Op de vierde dag verscheen Abdullah, Bakr’s zoon, met twee gedrenkte en weldoorvoede kamelen. Hij meldde dat de aanvallers hun pogingen om Mohammed te pakken te krijgen, schenen te hebben opgegeven. Maar de vluchtelingen namen geen enkel risico. Ze kozen een enorme omweg, langs de kust omhoog, om uiteindelijk, na anderhalve week, in Quba, dichtbij  Yathrib, onderdak te nemen in het huis van  een bekeerde tuinder. Daar wachtten ze op Ali.

Mohammed was dolblij toen die in goede gezondheid zich weer bij hem voegde. Ali had de cliënten al hun bij Mohammed in bewaring gegeven geld en juwelen met bijbehorende papieren terug weten te bezorgen. Hij was in gezelschap van Suhaib bin Sinan, die al zijn bezittingen aan de aanvallers had moeten afgeven als onderpand voor hun vertrek. Ali ook natuurlijk, maar die had vrijwel niets. Maar Ali moet toch Mohammeds groene mantel hebben meegebracht, want die zou later in ’t verhaal nog weer een rolletje spelen.

 

Eén der tekstschrijvers heeft berekend dat Ali’s aankomst moet hebben plaatsgevonden op maandag 20 september 622. De teksten bevatten voor het merendeel vroom gefemel, maar intussen proberen ze de gebeurtenissen toch zo mogelijk dag voor dag te reconstrueren. Kijk, dat kan ik waarderen.

De daaropvolgende vrijdag vertrok Mohammed uit Quba en reed Yathrib binnen (dat door de moslims weldra zou worden omgedoopt tot Medina (= stad) van de profeet).

Voor de tekstschrijvers is dit zo’n belangrijke datum, dat ze met Mohammeds binnenkomst in Yathrib een eigen Islamitische jaartelling laten beginnen. Nou ja, gewoon er 622 jaar bij optellen dus.

 

54. Medina

 

Zoals de meeste vruchtbare plekken op het kurkdroge maar vulkaanrijke schiereiland was Yathrib gevormd doordat oude lava-uitvloeiingen het water van de winterse stortregens die elders via woest stromende wadi’s doodlopen in het zand, daar worden opgevangen in lavabekkens. Net als Taïf was Yathrib een landbouwstad. Het beschikte over een heus meer dat elk jaar in de regentijd volliep en zelden geheel droog viel. Onder de Bedoeïenen stond Yathrib bekend als een ongezond oord,  ‘yathrib’ betekent zoiets als ‘mensen-eter’. Voor de inwoners zelf was het een prima plek, zeker vergeleken met de omringende schroeiend-hete dorre woestijn. De stad besloeg een oppervlak van zo’n dertig bij twintig kilometer, waarbinnen behalve een centrale marktplaats met een aantal handels- en gemeenschapsbouwsels, 72  woonwijken van de verschillende stammen, clans en families zich bevonden, elke stam voorzien van een burcht waarbinnen de stamleden zich konden verschansen bij acuut gevaar. Er was immers geen centrale overheid, elke familie en clan moest voor zijn eigen veiligheid zorgen. Behalve dat Bedoeïenen er een sport van maakten om rooftochten (ghazwa’s)te doen op alles waar wat te halen was, waren binnen de nederzettingen zelf, gezien ook de veelvoorkomende dronkenschap, grootsprakerigheid en korte lontjes, gevechten en vijandschappen aan de orde van de dag. De enige rem  om een ander te doden was de zekerheid van weerwraak, op jou dan wel op iemand anders van je familie.

Rond de oases waren dadelpalmplantages en tuinderijen. En er waren smederijen en andere nijverheid. Daarnaast zorgden de vele huishoudelijke kookvuren voor rook. Riolering kenden ze ook niet, en mensen en vee zorgen voor veel stank, maar daar wen je aan. Voor Bedoeïenen die altijd in puur zuivere lucht leven, was een stad niet om uit te houden. De rijkeren besteedden hun borelingen uit aan een min buiten de stad zodat de baby in gezonde lucht zou opgroeien. Toen Mohammed en zijn volgelingen in Yathrib arriveerden, werden velen hunner, nog niet gewend aan de luchtverontreiniging van Yathrib, ziek.

 

De landbouw en de nijverheid van Yathrib was vooral het werk van de drie Joodse stammen die daar al sinds onheuglijke tijden woonden. Toen in het jaar 70 Jeruzalem de Romeinen een einde maakten aan de eindeloze opstanden van de Joden tegen hun gezag en ze uit Palestina verdreven,  waren ook in deze oase joodse stammen neergestreken om er landbouw gaan bedrijven. Het waren de Quaynuqa, de Nadir en de Qurayza.

Na de val van de Maribdam in 650 hadden er zich ook twee Arabische stammen gevestigd, de Aws en de Khazraj. Die namen er, als trotse Arabieren, de macht over. Maar doordat ze van landbouw de ballen verstand hadden, zich aan dronkenschap en dobbelen te buiten gingen en voornamelijk met elkaar aan het vechten waren, duurde het niet lang voordat de nijvere en spaarzame Joden de economische touwtjes weer in handen hadden. De Arabieren waren allianties met de Joodse aangegaan: de Aws met de Qurayza en de Nadir, de Khazray met de Qaynuqa.

Bij de komst van de moslims waren de Joden tuinders, kooplui, geldleners, grondbezitters en industriëlen, en vormden de bezittende klasse. De Arabieren waren veelal verarmde boeren, in het krijt staande bij de Joodse geldschieters met hun woekerrentes. Niet lang daarvoor waren de beide Arabische stammen in regelrechte burgeroorlog met elkaar geraakt waarbij ook de Joodse stammen zich hadden moeten weren. Het was een onleefbare toestand geworden, en dat was de aanleiding geweest voor de delegatie naar  Mohammed, de hopelijke vredestichter.

Er woonde ook een klein aantal christenen in Yathrib. Wat Mohammed in hun religie vooral tegenstond was dat zij Allah in drie personen aanbaden. De Heer der Hemelen was gewoon één persoon, dat was   duidelijk zat. Nee, het meeste had hij toch te leren van de Joodse rabbi’s voor wie Allah ook één Persoon was.

 

Mohammed nam zijn taak als vredestichter onmiddellijk ter hand. Hij liet een Verdrag op schrift stellen. Het bevatte 47 punten. De belangrijkste ervan:

  • Arabieren, Joden en Moslims zijn gelijk in rechten
  • Elke geloofsgroep laat elke andere in zijn waarde en met rust
  • Elke  ruzie tussen partijen moet aan Mohammed gemeld worden
  • Bij een aanval op Yathrib dienen Joden, Arabieren en Moslims samen te verdedigen
  • Moslims trekken nimmer tegen moslims ten strijde ten behoeve van niet-moslims.

 

Dit Verdrag liet hij door de hoofden van alle families en stammen ondertekenen.

En het heeft inderdaad gewerkt: het was afgelopen met de onderlinge vetes. Al was het maar doordat de Arabische boeren zich al tamelijk massaal tot de islam bekeerd hadden en zich nu  alsnog bekeerden. De Joden deden dat nauwelijks: die hadden al hun Eenheidsgod, Jahweh. De Joden beschouwden hun geloof als verre superieur aan het amateuristisch opgezette geloof van Mohammed. Ik heb overigens nergens in de bronnen horen reppen over een Sjoel in Medina; maar dat komt misschien doordat Mohammed de Joden weldra uit Medina zou verdrijven zoals we gaan zien. Die moet er zeker geweest zijn, want de Joden hadden er rabbi’s. Het moet ook een mooie geweest zijn, want de Joden waren rijk. Ik durf te wedden dat, toen de moslims de Joden allemaal uit Medina verdreven hadden, ze deze mooie Sjoel tot moskee verbouwd hebben en feestelijk in gebruik hebben genomen in plaats van hun armoeiig bouwsel. Maar geen woord er over in de vertellingen.

 

De gerespecteerde leider Ibn Ubayy van de Khazraj-stam had nooit mee willen doen met de gevechten en had steeds voor vreedzame onderhandelingen gepleit. Diens rol als bemiddelaar was nu door Mohammed overgenomen. Hoewel hij zich met de mond tot de islam beleed, bleef hij nog jarenlang halfslachtig in zijn keuze, en we zullen verderop in het verhaal nog veel van hem horen.

Zijn zoon Abdallah echter was wel fervent moslim geworden en is zelfs bereid geweest zijn vader te doden als Mohammed daarmee had ingestemd. Daar heb je al het eerste geloofsfanatisme, waar vooral ansar (‘helpers’: bekeerde niet-Mekkaanse Arabieren) zich toe zouden laten verleiden.

 

Veel Arabieren van Yathrib hadden al vóór Mohammeds komst naar hun stad  gekozen voor diens leer, hadden onderricht ontvangen van  Mas’ab ibn Umayr, een oom van de Profeet,  en ze beschouwden zich als moslims. Mohammed zou deze niet-Mekkaanse moslims gaan beschouwen als zijn ansar (helpers), en hij zou er inderdaad meer steun van ondervinden dan van zijn Vrienden.

De ansar hadden vol ongeduld uitgezien naar Mohammeds komst. Toen die op 20 september 622 arriveerde, zongen kinderen hem toe vanaf de daken: oom Mas’ab had goed zijn best gedaan. Mohammed was ontroerd; hij wist intussen dat hij daar welkom was, maar zo’n feestelijke entree had hij niet durven verwachten. Hij nam zijn intrek bij Abu Jajjub. Die was van de clan waar ook zijn moeder Amina van afkomstig was, evenals de moeder van grootvader Abdul Muttalib.

 

Tegenoven Jajjub’s huis lag een braak liggend lapje grond. Dat was van twee wezen, en Mohammed wilde het graag kopen. De wezen wilden het schenken maar Mohammed stond er op om het te kopen. En Abu Bakr trok de portemonnee weer. Mohammed liet daar een moskee bouwen. Een uiterst goedkoop bouwsel van tichelstenen en palmhout, met een dak van palmbladeren. Maar het was wel mooi met de kop naar het noorden, richting Jeruzalem, gebouwd.  Links en rechts ervan liet hij twee appartementjes bouwen, met een doorgang naar de moskee, afgeschermd met een deken. Het ene was voor Sawda, een weduwe, ouder dan Mohammed, zijn trouwe huishoudster en tweede moeder voor zijn opgroeiende dochters. Het andere voor Aisha, de dochter van Abu Bakr. Want Mohammed was na Khadija’s overlijden hertrouwd, nu met twee vrouwen. Hij sliep om beurten bij elk van hen.

Sliep bij Aisha? Hij was nu 52, en Aisha pas 9 jaar!

Dat was bij Arabieren geen bezwaar. Vrouwen hadden niets te vertellen in die mannenmaatschappij. Al deden ze dat heus wel, vooral als ze haar op de tanden hadden, daar zullen we voorbeelden genoeg van zien, en Aisha zou zich ook ontpoppen als geen vogeltje voor de poes. Ze werd door haar vader op h