Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

De Menselijke Natuur

MENS

– HET VERHAAL OVER HOE MENSEN MENSEN GEWORDEN ZIJN

– OVER DE MENSELIJKE NATUUR

– OVER GOD

– OVER ONS NIEUWE BASISVERHAAL

Ons voorgeslacht heeft twee miljoen jaar geleefd met een VJ-(Verzamelen/Jagen)economie. Hoewel de inbreng van de mannen (vlees) door iedereen zeer gewaardeerd werd, was een jacht lang niet altijd succesvol; intussen moest er weldoor iedereen gegeten worden.
Het verzamelen van plantaardig en klein-dierlijk voedsel, vrouwenwerk, bracht wel elke dag voldoende op.
Vandaar dat ik de voorouderlijke economie niet ‘jagen/verzamelen’ noem zoals doorgaans gebeurt, maar ‘verzamelen/jagen’, en deze foto van Aboriginalvrouwen (nog steeds VJ’s) gekozen heb als titelplaat: eigenlijk zijn we zo.

versie 6 okt.’09

door Frans Couwenbergh, humanosoof (www.humanosofie.nl)

lieve lezer(-es),

Een humanosoof is een humanist/filosoof die het menszijn beziet vanuit de ontstaans-geschiedenis van onze soort. Omdat noch het humanisme, noch de filosofie, een verhaal in de aanbieding heeft over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn, en een humanosoof dat wél heeft, noem ik mij humanosoof.
Nu moet ik bekennen dat ik de enige humanosoof ter wereld ben. Dan ben je wel makkelijk te vinden op het internet, het is ook wel een beetje zielig. Maar op een zwak pitje gloeit mijn hoop dat u, na kennisneming van wat ik u hier ga bieden, uzelf ook als humanosoof zult zien.
Een humanosoof beschouwt de menselijke natuur als gevormd in de menselijke prehistorie, in de VJ-fase (zie onder). In die lange-lange fase leefden onze voorouders in kleine, uiterst vreedzame groepjes met vrouwelijke dominantie. Van nature goed. Edele wilden.
In de AGR-fase (zie ook onder), en vooral in de historische tijden, is die natuur geweld aangedaan en gefrustreerd. Maar het verlangen naar het goede komt als een ondergeduwde kurk steeds weer bovendrijven waar het de kans krijgt.
Kennis van de menselijke prehistorie, dat is waar het in de humanosofie om draait. Daar komt vooral kennisname van wat de menswetenschappen aandragen aan te pas: kennis waarin filosofische opleidingen zwaar tekortschieten.
Zeker wat mijzelf betreft komt er ook eigen-wijsheid aan te pas: bij het opvullen van de ‘witte plekken’ die ons menselijke kaart nog vertoont.

Eigengereidheid ook wel, voornamelijk tot uiting komend in mijn afkortingen. Ik leg ze in de tekst telkens uit, maar ik presenteer hier alvast een naslaglijstje.
VJ’s : verzamelaars/jagers (het stadium van 2 mjg tot 10.000 jg)
AGR’s : boeren (het stadium van 10.000 jg tot nu)
jg : jaar geleden
mjg : miljoen jaar geleden
vC : vóór het begin van onze jaartelling
AD : ná het begin van onze jaartelling
paleo : wetenschapper inzake onze ontstaansgeschiedenis: archeoloog, paleoantropoloog, antropoloog, etholoog, taxonoom, geoloog, noem maar op
vobo’s : voorouder-bonobo’s (voorouder-hominiden, voorouder-australopitheken)
AP’s : (australopitheken)
HERG’s : H. ergaster-mensen
HE’s : H. erectus-mensen
HEID’s : H. heidelbergensis-mensen
NT’s : H. neandertalensis-mensen
MSA’s : Afrikaanse NT’s (Middle Stone Age-mensen)
AMM’s : Anatomisch Moderne Mensen (H. sapiens-mensen)
EWG : Enig Ware God
mbt, oa, jg, ea : (puntjes voegen toch niets toe aan de leesbaarheid? Vooruit dan, bij o.m. wel)

 

INLEIDING

waar is inzicht in de menselijke natuur voor nodig?

Iedere mens vraagt zich op verstilde momenten wel eens af: wie/wat ben ik? wat zijn mensen voor wezens? hoe zijn we zo geworden? waar moet het met ons naar toe? Grote vragen. Vooral bij jonge mensen, die nog op zoek zijn naar de invulling van hun identiteit. Bij mensen die vaste grond zoeken onder hun denkvoeten; die zich geworteld willen voelen in het bestaan. En wie wil dat niet? Het aantal themadagen (“De Dag van dit of dat”) overtreft al het aantal dagen dat een jaar telt. De behoefte om ergens bij te horen en om de eigen identiteit aan te scherpen lijkt steeds groter te worden. Ik wijt dat aan het ontbreken van een gedeeld basis-verhaal over hoe de mens is. Het aanleveren van dat verhaal, met het bijbehorende mensbeeld, was vanouds het alleenrecht van de kerken. Maar vanaf de zestigerjaren presenteerde de vrije markt-televisie in haar reclames en shows een heel wat aantrekkelijker mensbeeld ter identificatie: dat van de vrije, hedonistische, vrouw- en kindvriendelijke, atheïstische en apolitieke consument. En de kerken begonnen leeg te lopen.

De belangrijkste component van ieders ‘vaste grond’ is: weten hoe een mens van nature is, dus: weten hoe mensen tot mensen geworden zijn. Maar een nieuw basisverhaal had de vrije markt niet in de aanbieding: natuurlijk niet, het is niet een ‘iemand’, het is niet meer dan een economisch mechanisme, een situatie. We zullen het zelf moeten maken. Het mooie van de vrije markt is dat ze er alle gelegenheid toe schept én ook de middelen er toe creëert.

is er dan niet al een algemeen geaccepteerd verhaal over hoe mensen in elkaar zitten?

Niet echt. De gangbare antwoorden over de menselijke natuur waren heel lang afkomstig van de kerken, de godsdiensten. Hun teneerdrukkende en op geen enkele wetenschap steunende voorstelling van de mens is voor steeds minder mensen bevredigend voor hun levensgevoel. Maar – en dat zal u verbazen – ook de wetenschappelijke wereld heeft nog geen verhaal over de menselijke natuur in de aanbieding.

Het samenstellen hiervan zou de kerntaak van de filosofie dienen te zijn. Tenminste wanneer ik gelijk heb als ik stel dat de kerntaak van de filosofie is: het genereren van de antwoorden op de Grote Vragen van de mensen. 
Eeuwenlang was dat een moeilijke taak voor de filosofen. Niet alleen omdat ze nog niet konden putten uit wetenschappelijke bronnen, maar ook omdat het best gevaarlijk was: in een klassenmaatschappij druisen de antwoorden al gauw in tegen de heersende godsdienstige leer en tegen de belangen van de elites. Aan deze onvrijheid vooral wijt ik het dat de filosofie zich eeuwenlang in maatschappelijk weinig relevante problemen heeft verdiept.
Toen sinds de zestiger jaren het dóórbreken van de vrije markt-economie de Westerse mens bevrijdde uit de kluisters van het kerkelijke denken en de bronnen der menswetenschappen volop begonnen te spuien, doolde de filosofiebeoefening helaas juist in de woestijn van het postmodernisme. De postmoderne opvatting is dat ieder mens als een ‘onbeschreven blad’ ter wereld komt en dat zijn gedrag geheel bepaald wordt door zijn omgeving (cultureel relativisme). Pas sinds enkele decennia is er kritiek gekomen op dit eenzijdige standpunt door met name sociobiologen, die betogen dat ieder mens wel degelijk ook door aangeboren impulsen wordt beïnvloed (het nurture-nature-debat).

Tot nu toe heeft dit echter nog geen nieuw verhaal over de menselijke natuur opgeleverd. De meest filosofen blijven voor de onderbouwing van hun betogen inzake de menselijke natuur nog bij voorkeur teruggrijpen op de opvattingen van vroegere filosofen als Plato of Hobbes. Deze oude filosofen hadden geen menswetenschappen tot hun beschikking en stoelden hun opvattingen over de mens op wat ze om zich heen zagen. Wat ze zagen was vooral oorlogen, onrecht en slavernij. Dus hun opvattingen over de mens waren pessimistisch.

ja maar, al die boeken over het ontstaan der mensheid, die leveren toch een wetenschappelijk onderbouwd verhaal over de menselijke natuur ?

Nee dus. Hoe waardevol de onderzoeken van de paleo’s[1] en de zich op hun werk baserende wetenschapsschrijvers voor het verhaal van de mensheid ook zijn, ze zijn wetenschappers en geven alleen de vondsten weer. Ze gaan niet dieper in op het gedrag dat achter het ontwikkelen van nieuwe stenen werktuigen of het gaan gebruiken van het vuur zit. Ze houden zich uitsluitend bezig met het constateren: dan en dan ‘verschijnen’ de stenen werktuigen, en dan ‘verschijnt’ de Homo erectus, enzovoort. Maar hoe komt die voormalige mensaap er toe om die werktuigen te gaan maken, en waarom hij en de andere mensapen niet? Als antwoord op uw vraag hoe onze vroegste voorouders van mensapen tot mensen geworden zijn laten ze u alleen een reeks fossiele schedels, botten en tanden zien. De paleo’s houden zich bij hun beperkte vakgebied, het filosoferen over wat er in die schedels moet zijn omgegaan laten ze over aan filosofen. Maar die hebben geen paleontologie in hun pakket.

maar dat is toch pure speculatie: gaan invullen wat er in die schedels omging?

We kunnen een boel afleiden aan onze gedragingen vandaag: mensen zijn wandelende archieven. Vooral baby’s en hun moeders. Maar ook typisch mannengedrag of vrouwengedrag, bepaalde neigingen en reacties, alleen verklaarbaar uit ons prehistorische verleden. Een tweede bron zijn de allerprimitiefste volkjes en voor zover ze uitgestorven zijn: wat er nog van door antropologen opgetekend is. De derde bron zijn onze naaste verwanten in het dierenrijk: de bonobo’s en de chimpansees.

Filosofen horen trouwens geen paleontologie in hun pakket te hebben: ze moeten grasduinen in álle relevante wetenschapsgebieden, zonder zich in één ervan te verdiepen. Zodra een filosoof van dat grasduinen haar/zijn hoofdbezigheid maakt, en dat ook nog doet om het hedendaagse westerse alternatief te construeren voor het achterlijke Adam-en-Evaverhaal dat nog steeds geldt zolang dat alternatief er niet is, is zhij een humanosoof.

De weinige ‘witte plekken’ in het plaatje vul je inderdaad speculerend op; met speculeren is niets mis zolang je maar geen enkel vaststaand feit over het hoofd ziet, je speculatieve invulling consistent is met wat vaststaat en deze open blijft staan voor kritiek en bijstelling.

heeft onze samenleving wel behoefte aan een algemeen geaccepteerd verhaal over hoe mensen in elkaar zitten?

Zoals ik eerder zei heeft ieder mens voor de vormgeving van zijn identiteit en levensperspectief behoefte aan inzicht in hoe mensen van nature zijn. Daarnaast heeft ook een samenleving behoefte aan een gedeeld basisverhaal dat doel en perspectief van het samenleven schetst en dat het samenleven zin geeft. Het ontbreken van een basisverhaal als richtsnoer voor ons handelen geeft de mensen de indruk dat ze niets met elkaar te maken hebben en werkt zelfzuchtig nastreven van eigen doelen in de hand. Het laat overheden zonder grondslag van hun legitimatie. Het biedt de opgroeiende mens geen houvast bij het samenstellen van zijn identiteit, geen grond onder zijn denkvoeten.

Het oude mensbeeld van de kerken spreekt de Westerse mensen, levend in een vrije markt-economie, niet meer aan. De vrije markt- economie globaliseert langzaam maar zeker en zal als we tijd van leven hebben ook elders de mensen vervreemden van hun oude religieuze of politieke basisverhaal. Ze zal ook daar de behoefte aan een nieuw en meer universeel mensbeeld en ontstaansverhaal scheppen. Dat het samenstellen van een nieuw en wetenschappelijk verantwoord basisverhaal typisch filosofenwerk is, blijkt wel uit de onbevredigende pogingen die door wetenschapsschrijvers (die houden zich strikt aan wat de onderzoekers te melden hebben en maken dat bevattelijk voor het publiek) in deze ondernomen worden. Ik noem wat recente: Boyd&Silk How humans evolved (2000), Lewin&Foley Principles of Human Evolution (2004), Carl Zimmer Waar komen wij vandaan? (2005), Thames&Hudson The human past (2005). In geen ervan vindt u een verhaal over hoe onze vroegste voorouders talige wezens werden en hoe hen dat zo anders heeft doen worden dan alle overige diersoorten; hoe dat hen er toe gebracht heeft om het vuur te gaan gebruiken. Alleen Boyd&Silk besteden enige aandacht aan het vuurgebruik, de overigen hébben het er niet eens over!

Dat het niet zo moeilijk is om een goed verhaal over de menselijke natuur te berde te brengen, hoop ik in Deel I te laten zien. In DEEL II gaat het over het heersende Godsgeloof. In Deel III presenteer ik een handzaam scenario om een nieuw, namelijk op de wetenschappen gebaseerd en universeel-menselijk, basisverhaal aan te bieden als alternatief voor het achterlijke en vrouwvijandige maar nog steeds niet uitgedaagde Adam-en-Eva-basisverhaal.

 

DEEL I

HOE MENSEN VAN APEN TOT MENSEN GEWORDEN ZIJN
eerst een omschrijving van ‘de menselijke natuur’

Wanneer we spreken over ‘de natuur’ van een schepsel dan hebben we het over de aandriften van het gedrag ervan, de aangeboren neigingen. Die kunnen uiterst primitief zijn (bij bacteriën), sociaal (bij groepsdieren) of supersociaal (bij mensen).

Alle aandriften bij alle soorten komen voort uit hun specifieke aanpassingen aan de verschillende biotopen en niches[2] . Wij, mensen, zijn gewend morele maatstaven aan te leggen bij gedragingen en deze in te delen onder ‘goed’ of ‘slecht’ of ‘indifferent’. Maar de natuur kent geen moraal, de verschillende aanpassingen zijn zo geëvolueerd omdat ze ‘werken’.

Zo gezien kunnen we gedrag ‘goed’ noemen als het bevorderlijk is voor de overleving van de soort. Het supersociale gedrag dat mensen aan de dag kunnen leggen, is in naturalistisch opzicht ‘goed’ te noemen omdat het in onze soort geëvolueerd als het best ‘werkende’ voor de overleving van onze soort.

In de oude filosofie zag men, te beginnen met Aristoteles’ Scala Naturae en later met Descartes, Spinoza en Leibniz, de orde in de dierenwereld als een opklimmende ontwikkeling met de mens bovenaan de trap. Daar namen de anti-hiërarchische postmoderne filosofen afstand van en daar is in naturalistisch opzicht (dus van het geheel der natuur uit gezien) veel voor te zeggen. Het is immers nog maar de vraag of we het op de lange termijn gaan redden, als soort.

De ‘trapbestijging’ is, sprekend over de menselijke natuur, alleen in zoverre een kloppende metafoor als we het zien als overeenkomend met de algehele trend in de evolutie van het leven: van het simpele naar het steeds complexere. Én wanneer we voor ogen houden dat onze supersociale soort zowel het primitieve als het sociale in zijn bagage meetorst naar de bovenste tree.
We dragen eigenschappen in ons mee
1. als vorm van leven,
2. als groepsdier, en
3. als mens.
Ze spelen alle drie in ieder mens in individuele nuancering hun rol.

Laten we die eigenschappen een voor een bezien.
De eerste vorm is het egoïstische in je. De eigenschap van het primitieve leven, zoals dat van het allerprimitiefste dierlijke leven: bacteriën, schimmels en zo. Het zelfzuchtige zit in de genen van elk organisme gebakken: het zoveel mogelijk energie te onttrekken aan de omgeving om zich in stand te houden en zich voort te planten, in concurrentie met andere levensvormen die uit dezelfde bron putten, inclusief die van de eigen soort.

Het ‘zelfzuchtige’ gen van een bacterie zit voor een verrassend groot deel ook nog in óns genoom ingebakken. Maar dat ‘zelfzuchtig’ te noemen is wel goed voor de verkoop van Dawkins[3] boek maar moraal hoort bij mensen, niet bij bacteriën. Wanneer de primitieve bacteriën zich toen altruïstisch gedragen zouden hebben, waren we nog steeds bacteriën.

Onze bacteriële oorsprongsvorm heeft ons met een diepgeworteld, het vege lijf reddend, blindelings reageren behept; het maakt zich van ons meester in (al dan niet vermeende) panieksituaties. Dat is onze ikke-ikke-natuur. Werkt bij kinderachtigen (‘kort lontje!) actiever dan bij mensen die over zichzelf hebben leren nadenken (zelfreflectie). Want bij leven hoort ook agressie. Althans bij levensvormen die al over zintuigen en hersenen, hoe primitief ook, beschikken. Het is een adaptatie (aanpassing), via natuurlijke selectie ontstaan. Levensvormen die zich in de concurrentie strijd teweer konden stellen, hadden voordeel.   

Het tweede facet van de menselijke natuur is onze groepsdier-natuur. Groepsdieren zijn organismen die in het onttrekken van zoveel mogelijk energie aan de omgeving (ten behoeve van de eigen instandhouding en voortplanting) beter slagen als lid van een groep, van een collectief dus, dan wanneer ze dat in hun eentje zouden moeten doen. Dat betekent dat het individu alle belang heeft bij het zo krachtig mogelijk zijn van de groep (het collectief) waar het deel van uitmaakt, in concurrentie met andere groepen die van dezelfde energiebron leven. Hetgeen voor het individu inhoudt dat het zijn eigenbelang min of meer ondergeschikt moet maken aan het groepsbelang.
Dat ‘meer telt vooral wanneer de eigen groep (collectief) op leven en dood moet concurreren met een andere groep. Vooral dan (want zonder oorlogsdreiging kan ieder makkelijker zijn eigen naad naaien) moet het individu aan eigenbelang ‘inleveren’ ten behoeve van het zo sterk mogelijk zijn van het collectief.

Twee zielen strijden in de borst van het groepsdier: eigenbelang contra groepsbelang. Deze tegenstrijdige gevoelens kanaliseert het groepsdier met cultuur, met ‘normen en waarden’. Het zijn de chimpansees die, levend in permanente oorlogsdreiging, de sprekendste voorbeelden hiervan leveren.[4] Wij kennen dit als de strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, als sociaal contra aso. Het monotheïsme symboliseert dit gevoel als God contra duivel.

Nu het derde facet. Als groepsdier erfden wij naast de ikke-ikke-natuur (1) de sociale natuur (2). Maar we hebben er een derde laag bovenop gebouwd! Wij zijn zulke aparte groepsdieren geworden doordat onze mensapelijke vroegste voorouders hun regenwoud kwijtraakten en moesten zien te overleven in een open savanne-omgeving waar ze eigenlijk niet op gebouwd waren. Dat gaan we dadelijk zien. Omdat de verandering zich heel geleidelijk en dus ongemerkt voltrok, hebben ze zich er even ongemerkt aan aangepast.
Het zijn die gedwongen aanpassingen geweest die onze vroegste voorouders (en dus ook ons, als soort) zulke aparte dieren hebben laten worden. De hachelijke soortvreemde omgeving dwong hen tot het opereren in hechte groepen. De leefgroepen met de grootste onderlinge harmonie deden het beter dan de groepen met onderlinge hommeles, en zo selecteerde het hypersociale zich uit. Gedrag dat wij ‘goed’ noemen, en ‘aardig’.

In dat laatste woord zit ‘aard’: natuur; dus in ons spraakgebruik zijn wij al ‘van nature goed’. Wij zijn zoals onze verre voorouders twee miljoen jaar lang geweest zijn: edele wilden. Dat dit aan onze filosofen moeilijk te ‘verkopen’ is, en aan u, lezer(-es), al evenzeer, komt doordat de mensheid de laatste vijfduizend jaar in klassenmaatschappijen is komen te leven, met oorlogen, slavernij en godsdiensten. Vijfduizend jaar onrecht heeft onze ‘goede’ natuur wel behoorlijk gefrustreerd. Maar het is een veel te korte tijd om ons overgeërfde ‘goed’-zijn te veranderen. Wij blijven nog steeds verlangen naar ‘het goede’.

en nu dan ons verhaal

Tien miljoen jaar geleden (mjg) was er nog geen mensachtige te bekennen. Er waren wel mensapen, de voorouders van de hominiden (mensachtigen). Mensapen zijn regenwouddieren. Regenwouden bevinden zich waar het heet en nat is op de aardbol. Dat is in een gordel rond de evenaar.

Gedurende het Mioceen (22-5 mjg) was het klimaat veel warmer dan nu, en reikte de regenwoudgordel wat het noordelijke halfrond betreft tot aan de 47ste breedtegraad. De mensapensoorten waren toen talrijker dan die der gewone apen.

Maar vanaf toen werd het klimaat koeler en droger, en de regenwoudgordel begon zich terug te trekken richting evenaar. Acht mjg was het regenwoud waar ónze vooroudermensapen leefden, aan de beurt om te gaan verdwijnen.

Waar leefden die? Te oordelen naar waar hun oudste fossielen en stenen werktuigen gevonden worden: waar nu Ethiopië/Eritrea ligt (op de afbeelding: de plek Hadar). Het gebied wordt ook wel de ‘hoorn’ van Afrika genoemd: het is die úitstekende punt van Noord-Oost-Afrika. Het wordt van de rest van het continent gescheiden door de Rift-vallei, en de bergrug zal voor extra droogte hebben gezorgd. Vandaag is het allemaal woestijn.

Wat komt er dan voor regenwoud in de plaats? Savanne. Dat is een afwisselende biotoop. Gewone bossen, langs wateroevers. Stukken met ondoordringbaar struikgewas. En vooral open graslanden, waar grote kuddes gnoes, zebra’s, antilopen en andere graseters grazen.

Het proces voltrok zich onmerkbaar geleidelijk: tussen 8 en 6 mjg. Zoveel tijd hebben onze voorouder-mensapen gehad om tot hominiden (op twee benen lopende mensapen, oftewel aapmensen) te evolueren.

Mensapen trekken voor hun eten rond in een uitgestrekt territorium dat ze op hun duimpje kennen. Ze weten welke vruchtbomen rijp zijn wanneer ze de woudreus waar ze de dag in hebben doorgebracht, leeggegeten hebben. Ze klimmen omlaag en gaan over de bodem naar de volgende plek. Hun sociale leven, van elkaar vlooien en onderlinge schermutselingen, speelt zich ook op de grond af. Alleen om te eten en om te slapen (tegen de avond vlecht ieder zijn slaapplatform van ineengestrengelde takken) vertoeven ze in de hoge boomkruinen.

Het enige wat onze voorouders van de overgang zouden hebben kunnen merken was dat hun voedselroutes steeds meer en steeds grotere open plekken met gras gingen beslaan. En dat het areaal aan vruchtbomen achteruit ging, zowel qua aantallen als aan opbrengst.

Op die open plekken was zeker ook voedsel te vinden. Maar het was er gevaarlijk. Niet vanwege de graseters: daar liepen ze gewoon tussendoor. Maar vanwege de roofdieren die van die graseters leefden: grote katten (leeuwen, luipaarden, sabeltandtijgers) en hyena’s. In het Mioceen hadden de graseters zowel als hun predatoren ook nog veel grotere afmetingen dan vandaag.

Sabeltanders zijn gespecialiseerd in het overvallen van dikhuiden (olifant-achtigen, nijlpaarden, rhinocerossen). Ze besluipen zo’n voor andere katten onaantastbaar vleesfort, en spurten er dan ónderdoor, met hun sabeltanden de buik openrijtend (de afbeelding laat zien dat de sabeltanders hun muil bijzonder ver konden opensperren.) Om van een afstand toe te kijken hoe de reddeloze dikhuid de geest geeft. Dan kunnen ze aan de maaltijd, met hun jongen. Ze voeden zich alleen met de ingewanden: voor het spiervlees zijn hun sabels te kwetsbaar. De rest blijft over voor de aaseters. De gieren hebben de komende maaltijd het eerst in de gaten. Maar die moeten tot het laatst wachten. De leeuwen zijn eerst. Dan zijn de hyena’s aan de beurt. En dan mogen de gieren.

Vooral toen hun regenwoud steeds meer achteruit ging en de grasgebieden groter en groter werden, moesten de hominiden voor hun dagelijkse kost steeds langere tochten over die gevaarlijke open terreinen maken. In hun regenwouden hadden ze ook altijd wel roofdieren van het lijf moeten houden. Mensapen stellen zich teweer door met van alles te gooien: takken, kluiten, stenen, zelfs hun eigen stront. Maar op de open terreinen moest dat ‘professioneler’ worden aangepakt.

Wat boden de graslanden voor aanlokkelijke voedsel-alternatieven? Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. Maar ook vellen.

Van de slachtoffers van de grote katten lieten de aaseters weinig over. Alleen de vellen bleven liggen. De hominiden waren er tuk op. Vlees en vet zijn bij mensapen zeer in trek, maar zelf jagen was er voor de hominiden nog lang niet bij. Mensapen zijn sowieso niet op snelheid gebouwd, en op twee benen ging het alleen maar trager. Maar aan die op de open grasgebieden gevonden vellen zat voor handige pulkers die zelfs luizen uit elkaars pels kunnen vlooien, nog genoeg lekker weefsel en vet om dat met iets scherps (een schelp, een steenscherf) er van af te schrapen. En wanneer een vel helemaal leeg gesnoept was, hielden ze er een handige draagtas aan over! Met de vellen begon het stenen tijdperk, begon de weg naar ons menszijn.

Elke ochtend (het verhaal zit intussen rond 4 mjg) begon met een bezoek aan de wateroever, van rivier of meer waar hun bos aan grensde. Om te drinken, maar ook om zich te voorzien van stenen. Want die werken voor een ‘professionele’ verdediging het beste. Om die mee te dragen gebruikten ze vellen. Maar hoe draag je als mensaap een zware zak stenen mee? Met je handen natuurlijk. Veel van het gedrag van onze vroegste voorouders kunnen de paleo’s (zo noem ik alle wetenschappers van alle disciplines die voor ons verhaal van belang zijn) heel veel afleiden van wat hun veldonderzoeken aan de huidige mensapen opleveren. Chimpansees dragen zware dingen met hun handen en dan lopen ze onhandig op hun twee benen. Bonobo’s lopen makkelijker en vaker op twee benen dan chimps, zoals het bonobo-moedertje hierboven (in een dierentuin) laat zien. Een dikke miljoen jaar van geleidelijke aanpassing is tijd genoeg om onze mensaap-voorouders ook van de nodige lichamelijke vernieuwingen (langere benen, bilspieren, middenrif , klepjes in de aderen, etc.) te voorzien.

Ik had het over het door de sabeltanders geproduceerde aasvlees: de leeuwen het eerst aan tafel, dan de hyena’s en dan de gieren. Onze hominide voorouders sloten achteraan: voor de overgebleven vellen. Maar al gauw schoven ze met hun stenen bewapend plaats voor plaats naar voren om zich van steeds aantrekkelijker stukken van de dis te voorzien. Miljoenen jaren zijn ze wat hun vlees betreft vooral aaseters gebleven. Ook hun dierbare overledenen aten ze op en lieten die niet ten prooi aan hun gehate concurrenten, de hyena’s. Waarom dacht je dat wij hyena’s zulke afstotelijke beesten vinden? Objectief gezien zijn het prachtige dieren, hoor.

De chimpansees en de bonobo’s zijn onze naaste familieleden. Onze luizen en vlooien, heel gespecialiseerde parasieten, zijn uitwisselbaar. De moedermelk, heel speciaal van samenstelling, is uitwisselbaar. Ons DNA komt nagenoeg overeen en maakt ons nauwer verwant dan de Indiase olifant verwant is aan de Afrikaanse, of dan de hond verwant is aan de wolf.

links bonobo, rechts chimpansee

De bonobo’s, waar we qua gelaatstrekken meer op lijken dan op chimpansees, zijn daar een nevensoort van. Ze leven in gebied dat omsloten wordt door de Kongo, zodat er al heel lang geen uitwisseling is geweest (mensapen kunnen niet zwemmen). Het ligt pal op de evenaar: zelfs in de ijstijd-maxima is hun leefgebied vrijwel onaangetast gebleven. De meeste leefgebieden van de chimpansees daarentegen zijn gedurende de ijstijd-maxima (vanaf 2,5 mjg) ernstig ingekrompen, om gedurende de warme tussenperioden weer ten volle uit te breiden. En dat zo’n twintig keer op en neer. Met alle overlevingsgevechten tussen hun leefgroepen telkens van dien. Dat heeft de chimpansees tot grimmige vechtersbazen gemaakt. Bonobo’s zijn veel vredelievender, en voorkomen de meeste interne spanningen met seks. Ze hoeven hun leefgebied niet te delen met de veel sterkere gorilla’s, zoals de chimps. Al het eten is voor hen, en hun groepen zijn dan ook groter. De vrouwen delen bij hen de lakens uit.

Frans de Waal, een belangrijke paleo en bonobo-kenner, zegt dat onze gemeenschappelijke vooroudersoort het meest heeft geleken op de huidige bonobo’s: juist omdat hun leefgebied onveranderd gebleven is. Een soort verandert pas als de leefomgeving ervan verandert.

Het leefgebied van ónze voorouderbonobo’s veranderde totaal; daardoor werden ze hominiden. Het leefgebied van de voorouderbonobo’s van de chimps bleef regenwoud, maar raakte twintig keer in de moeilijkheden. Zodat de chimps ‘moeilijke bonobo’s’ werden.

Dus noem ik onze voorouder-hominidenónze vobo’s’. Mijn theorie geef ik weer in het schetsje hiernaast. Het wijkt af van hoe de paleo’s het schetsen, maar ik draag er argumenten bij aan.

Behalve de vobo’s zijn ook de gorilla-achtigen door het inkrimpen van de regenwoudgordel tot aanpassing aan de nieuwe biotoop gedwongen om hominiden te worden. Dat levert een boel hominiden-fossielen op. En nergens is de natuur zo vriendelijk om ze van een labeltje te voorzien. Hoe uit te maken tot welke soort een fossiel behoort?

Dat kan niet eens met zekerheid worden uitgemaakt wanneer een hominide fossiel wordt gevonden in een context met door voorouders gemaakte werktuigen. Want is het fossiel dan afkomstig van een maker ervan of van een prooi van de makers?

Hiernaast de afbeelding van de oudst gevonden messen en schrapers die met zekerheid aan onze voorouders moeten worden toegeschreven. Immers, geen enkele andere soort dan de onze heeft ooit dergelijke werktuigen vervaardigd en dan zeker niet met de vooropgezette bedoeling om er een mededier mee te slachten. Deze werktuigen zijn tot nu toe al op vijftien slachtplaatsen in de Kada Gona-regio van Ethiopië gevonden[5] en zijn gedateerd op 2,6 mjg. Ze lagen in grote aantallen tussen de botten van grote grazers als olifant en paard; op veel botten zijn snijsporen van de werktuigen te zien. Geen fossielen van de makers uiteraard: je gaat daar niet je medemensen slachten. Wanneer zich tussen die botten hominidenbotten zouden bevinden, zou dat alleen betekenen dat ook aapmensen als prooidieren zouden zijn gezien.

http://www.jogos-jornais-links.com/2009_06_01_archive.htmlKortom, we kunnen aan een hominidenfossiel niet zien of dat afkomstig is van een voorouder; zelfs van het beroemde ‘Lucy’ skelet (zie hiernaast) valt dit niet met zekerheid te zeggen, ook al vindt de vinder ervan, Donald Johanson, van wel (maar veel andere paleo’s van niet).

Waar we wel zeker van kunnen zijn is dat onze voorouders er vanaf het allereerste begin tussen gelopen moeten hebben: anders wáren we er eenvoudigweg niet. Ik noemde ze, zoals gezegd, ónze vobo’s.

Maar we zijn met die ‘professionele’ stenen werktuigen al ruim drie miljoen jaar verder dan 6 mjg toen onze vobo’s de werktuigen alleen nog gebruikten om vellen mee schoon te schrapen en om hun graafstokken mee aan te punten. Ruim drie miljoen jaar! Tijd genoeg om hun vaardigheid om met vellen om te gaan gestadig te laten groeien. Ze zochten al lang niet meer naar steenscherven maar maakten die zelf door keien kapot te smijten tegen een rots of te verbrijzelen met een zwaardere steen[6]. Tijd genoeg om tot een geheel nieuwe vorm van communicatie te komen die het tot nimmer in de natuur vertoond gedrag bracht. De werktuigen van Kada Gona, nogmaals: gedateerd op 2,6 mjg, werden vervaardigd om mee te slachten. Sileshi Semaw, de leider van het opgravingsteam, denkt dat de makers op het idee gekomen waren om met de scherpste steenscherven de taaie huid van een olifantenkadaver open te snijden. Omdat de scherven dan gauw bot worden (een olifantenvel is zo taai als een autoband!) kwamen de vobo’s er al snel toe om hun messen ter plekke te vervaardigen van meegebrachte geschikte keien en ze bij te werken als ze bot werden.

De andere aaseters (leeuwen, hyena’s, gieren) moesten geduld oefenen tot de huid van een gestorven dikhuid door de ontbindingsgassen vanzelf openbarstte. Onze vobo’s konden met hun ‘messen’ meteen aan de slag en zich meester maken van de beste stukken vlees. Hiermee hadden ze zich een unieke niche (voedselgelegenheid) geopend. Een welkome nieuwe niche, omdat er moeilijke tijden aanbraken. Een nog verdere klimaat-uitdroging, welke alle overige aapmenssoorten niet zouden overleven en onze vobo’s wel.

Menig paleo acht het ondenkbaar dat deze steentechnologie door de makers ontwikkeld zou zijn zonder onderlinge communicatie.

talige wezens

Maar nu wordt het de hoogste tijd dat ik mijn bewering (in de inleiding) dat het niet moeilijk is om een goed verhaal over de menselijke natuur te berde te brengen, waar ga maken. Onze vobo’s zijn zulk een (voor een hominide) bijzonder gedrag gaan vertonen doordat ze als enige populatie hominiden het met elkaar over dingen konden hebben. Ze konden met elkaar overleggen, ze konden hun individuele vindingrijkheid ‘in de groep gooien’, zoals we dat tegenwoordig graag zeggen. Ze waren ‘talige wezens’ geworden.

Hoe zijn ze dat volgens mij geworden?

Ik keer weer even terug naar 4 mjg, naar de taakverdeling tussen de seksen: de vrouwen verzamelden met de kinderen het eten terwijl de mannen met hun stenen zorgden dat de groep zich veilig door de open grasgebieden konden begeven.

Bijgaand plaatje (ik heb het uit Bert’s Geschiedenis p. 790[7]) geeft een aardig beeld van een open plek met gras zoals onze vroegste voorouders die moeten hebben aangetroffen op hun foerageerroute door hun territorium. Ik zou er dan een kudde grote grazers ergens op de achtergrond bij hebben geschilderd. Ik zou vooral vrouwen en kinderen hebben laten zien, met draagzakken en baby’s. De mannen zou ik voorzien hebben van een draagzak vol stenen, en rond loerend naar roofdieren. Wat wel goed is dat de maker iemand van graszaden laat eten: een belangrijke voedselbron van de grasgebieden. Een andere man eet vlees van een kleine prooi … maar ze déélden alle voedsel, ’s savanna woodlandavonds in het overnachtingsbos, en de volwassen mannen konden hun waakzaamheid geen moment laten verslappen door te gaan zitten eten. De staande man (zijn lichaam ziet er te modern uit) dreigt met een steen naar een paar primitievere plantenetende hominiden, terwijl ik denk dat de vobo’s die onverschillig genegeerd hebben: die planteneters (Paranthropus) leefden van andere spul en zullen toch ook stenen als wapens moeten hebben gehad in die ook voor hen gevaarlijke biotoop.

Ugalla (Tanzania)

Op de grasgebieden was ook eten genoeg te vinden. Recentelijk is in het Ugallagebied van Tanzania, waar het regenwoud plaats heeft gemaakt voor savanne, ontdekt dat de chimpansees aldaar zich ook hebben aangepast aan de nieuwe omgeving! In de regentijd, wanneer er toch ook ander voedsel in overvloed is (maar in het droge seizoen lijkt me de grond te hard), gaan vrouwtjeschimpansees de open grasgebieden op om maniok en andere knollen op te graven. Met zelfvervaardigde graafstokken (takken die met de tanden van zijtakjes ontdaan zijn)!

Deze ontdekking is te danken aan het volhardende veldonderzoek van Adriana Hernandez-Aguilar (zie hiernaast): het heeft haar vier jaar gekost om de schuwe dieren zo aan haar aanwezigheid te laten wennen dat ze hen met haar kijker kon volgen. Een heldin. Ze zit voortdurend onder de bulten en ze heeft al vier keer malaria gehad; ze leeft ver van de beschaafde wereld in een armoedig dorpje waar ze bij arme mensen een slaapplekje huurt en mee-eet van hun schamele kost. Maar ze houdt vol, want ze weet dat ze bijzondere informatie toevoegt aan wat we kunnen weten over onze vroegste voorouders. Ze heeft de boslandchimpvrouwen niet zién graven, laat staan dat ze hun gegraaf kon filmen of fotograferen. Maar ze heeft elf graafplekken vers gevonden, met sporen van hun knokkels, van feces en van uitgekauwde knolresten. En op vier plekken hadden de vrouwtjes-chimps hun graafstokken laten liggen: stokken met duidelijke sporen van het graafwerk.

Bosland-chimpansees leven vanwege hun voedselarmere leefomgeving in kleinere groepen dan hun verwanten in het regenwoud.

Een tweede al even volhardende veldwerkster is Jill Pruetz. Ze bestudeert de bosland-chimpansees van Fongoli (Oost-Senegal). Die ontdoen met hun tanden een tak van zijtakken en knagen er een punt aan. Met deze ‘speer’ doden ze bush babies: een kleine apensoort die zich overdag schuilhoudt in boomholten. Veilig voor aanvallers, maar niet voor een (vrouwtjes)chimp met een speer. Ook Pruetz heeft vier jaar nodig gehad om zo dicht bij ze te kunnen komen dat ze hen heeft kunnen bespieden bij hun jacht.

Zij, maar ook hun professoren, gaan er van uit dat de bosland-chimpansees een beeld geven van de aanpassingen van onze vroegste voorouders aan hun nieuwe omgeving. Althans wat hun nieuwe voedselbronnen en de methoden om die te verwerven betreft. De bosland-chimpansees maken nog geen aanstalten om tweebenig te worden. Ze wagen zich ook nog niet zo ver van hun woonbossen, en ze eten niet van graszaden. Dat onze vobo’s dat wél deden bewijst hun veranderde gebit: dikker email en vooral: verdwenen slagtanden die bij het vermalen van hard voedsel in de weg zitten. Wacht, ik zoek onder Google Afbeeldingen (zoekwoord ‘australopithicus dentition’) even een plaatje ervan. Onze vobo’s heten in de paleo-literatuur natuurlijk Australopithecus.

De paleo’s herkennen de hominide gebitten vooral aan de canines. Die bewijzen door hun afgenomen grootte de aanpassing aan het malen, maar … ook de vredigheid van de leefgroepen van de hominiden: de slagtanden dienen bij de mensapen vooral als wapen in de onderlinge statusgevechten.

Het gedrag van de bosland-chimpansee-vrouwtjes laat, net als het gebruik maken van stenen om harde noten te kraken door vrouwtjes-chimpansees (zoals op bijgaande wel heel bijzondere opname van Clive Bromhall/Oxford Scientific Films) , zien dat werktuiggebruik bij onze naaste familieleden niets bijzonders is. Wat heeft onze voorouders dan zo bijzonder doen worden?

Niet het rechtop lopen. Want dat zijn alle hominiden gaan doen. De bosland-chimps en de chimps van het Tai-regenwoud van Ivoorkust hoeven dat niet omdat hun hoofdvoedsel nog steeds aan de bomen groeit. De hominiden moesten voor hun hoofdvoedsel steeds verdere tochten maken over de gevaarlijke open grasgebieden. Ze moesten stenen meedragen voor hun veiligheid en hadden hun handen nodig voor het meedragen van wapens en het verzamelde voedsel[8].

Belangrijke vraag: wanneer de bosland-chimpansees tijd van leven zouden krijgen om, bij verdergaande achteruitgang van hun vruchtbomenbestand en uitbreiding van de graslanden in hun leefgebied, ook voedseltochten te gaan maken, worden ze dan na een paar miljoen jaar vanzelf talige wezens (mensen)?

Ik denk van niet. Hoewel de hedendaagse roofdieren niet meer zo enorm zijn als in het Mioceen, zouden ze vermoedelijk nog wel genoodzaakt zijn om voor het meedragen van effectieve bewapening tegen leeuwen en hyena’s (stenen dus) tweebenig te worden. Misschien zijn er dan ook nog genoeg vellen te vinden of kleine dieren te vangen en te slachten om a. in hun behoefte aan vlees te voorzien en b. om oefenmateriaal te bieden voor het ontwikkelen van stenen werktuigen. Maar vervolgens is deze ontwikkeling voldoende om tot in het einde der tijden een bevredigend hominiden-leven te leiden. Als je ziet hoe perfect de savannebavianen (gewone apen, maar aangepast aan de savannen) weten te overleven, dan besef je dat er geen enkele aanleiding is om dat vreemde pad op te gaan dat onze voorouders zijn gaan bewandelen.

Nou ja, één aanleiding zou ik kunnen bedenken: behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid dan de kreten en overige lichaamstaal waar de regenwoudmensapen meer toe kunnen. De voedselvoorziening op de savanne is heel wat gecompliceerder dan in het regenwoud, waar je alleen hoeft te weten waar de volgende vruchtboom staat wanneer die waarin je de dag hebt doorgebracht, leeg is gegeten. Op de graslanden moet je weten wáár wát te vinden is. Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. En in welk seizoen: op de savannen wisselen natte en droge seizoenen elkaar af. In de streek waar de oudste resten van onze vroegste voorouders gevonden worden: het stroomgebied van de Awash-rivier (Ethiopië), is het in de maanden februari en maart moessontijd, terwijl het in de rest van het jaar droog blijft. Tegen het einde van de natte tijd is er voedsel in overvloed. Maar naarmate de droogte langer duurt, worden de savannebavianen en werden de hominiden voor een groot deel aangewezen op graszaden en uit de grond te graven knollen, wortels en bloembollen. Omdat in het Mioceen de savanne-omgeving veel gevaarlijker was, waren de hominidengroepen met een effectieve taakverdeling tussen de seksen (vrouwen en kinderen verzamelen het eten, de volwassen mannen zorgen met hun stenen voor de veiligheid) in het voordeel en ik veronderstel dat onze vobo’s zo leefden.

Behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid dan waar je in een regenwoud-omgeving mee toe kunt, dat zou dus een denkbare aanleiding kunnen zijn!

Helaas. Nogmaals… de savannebavianen doen het uitstekend zonder taligheid. De andere hominiden dan onze vobo’s deden het eveneens voortreffelijk en het is meer dan aannemelijk dat hun verdere voortbestaan slechts door toedoen van onze vobo’s onmogelijk gemaakt is. Onze baby’s en kleuters weten nog steeds prima kenbaar te maken wat er in ze omgaat zonder over taal te beschikken …

Dus, anders dan ik tot voor kort (vóór de informatie over de boslandchimps) dacht: er was voor onze vobo’s geen enkele overlevingsnoodzaak om zich buiten de dierlijke paden te gaan begeven.

Maar … onze taligheid moét ooit begonnen zijn.

Dus moet ik iets nieuws verzinnen. Wel, dan blijft er volgens mij geen ander scenario over dan dat het begonnen is als een spelletje!

Ik denk dat het begonnen is in één groep. Met één jong vrouwtje (bij apen en mensapen begint nieuw gedrag meestal bij jonge vrouwtjes).

Op zekere ochtend is een jonge meid zo blij dat de oudere vrouwen besloten hebben om naar een bepaald bekend gebied te gaan dat ze, in haar behoefte om aan haar vriendinnen duidelijk te maken wat er in haar omgaat, ze met haar handen imiteert waar ze aan denkt: een bepaalde plant waar ze dol op is! De vriendinnen snappen wat ze bedoelt, en ze lachen zich dubbel. Ze maken het imitatiegebaar ook en ze komen niet meer bij. Tien keer, twintig keer, en ze blijven maar lol hebben. De volgende dag heeft een ander een imitatiegebaar bedacht voor iets wat zíj lekker vindt. En weer liggen ze in een deuk. Zoiets, bedenk ik.

Maar het kan natuurlijk ook begonnen zijn met een emotioneel geladen waarschuwende imitatie van een gevaarlijke buffel die ergens op die plek waar ze naar toe gaan, gesignaleerd is. Bedenk het maar. Het moet ooit met zoiets begonnen zijn. Als een terloopse inval van iemand. In één groep.

Maar omdat het wel handig is, zo’n imitatie van iets (zo kun je het met de anderen over dat ‘iets’ hebben), lokt dat al gauw meer imitaties uit. Het werd een speciaal ‘cultuurtje’ binnen die groep. Onder de jonge vrouwen: mannen doen daar aanvankelijk niet aan mee.

De jonge meiden die voor hun partner verkasten naar een bevriende groep (bij mensapen verlaten de pubermeiden de groep terwijl de jongens bij hun moeder blijven) namen het handige aanwensel mee en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich onder de hele stam. De gewoonte hield stand, breidde zich zelfs redelijk snel uit. Want het verbeterde de communicatie, en dus de samenwerking, zowel binnen de groepen als tussen de groepen. De stam floreerde (hield gemiddeld iets meer kinderen in leven) en overtalligde op den duur de overige aapmenspopulaties die het zónder deze handige communicatie moesten stellen.

Ónze vobo’s! Ze waren onze vroegste voorouders.

iets geheel nieuws

Met dit terloopse ‘cultuurtje’ was namelijk iets geheel nieuws ontstaan in de geschiedenis van het leven, en het zou op den duur een spectaculair gevolg krijgen: ons!

Alle groepsdieren hebben hun eigen specifieke manier om met elkaar te communiceren: dat maakt het groepsdierenbestaan mogelijk en maakt groepsdieren verschillend van kuddedieren. Walvissen, wolven, olifanten, mensapen: allemaal communicerende groepsdieren. Maar … geen enkel van hun individuen kan het met zijn mededier hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is. Chimps hebben een aparte voedselkreet bij het zien van vlees, die verschilt van hun voedselkreet bij het zien van een vrucht. Maar ze kunnen de ‘vleeskreet’ niet produceren om aan hun verzorgers kenbaar te maken dat ze zin hebben in een biefstukje.

Wanneer een groepsdier een gevaar of iets lekkers bespeurt, uit het de geëigende waarschuwings- of voedselkreet. Maar andersom gaat niet, omdat dieren geen bewuste controle hebben over hun stemgeluid[9]. Hun kreten worden hersenkundig ‘aangestuurd’ vanuit het limbische systeem, een primitiever hersengedeelte, waar dieren geen bewuste controle over hebben. Het gevaar of het voedsel maken een emotie los in het limbische systeem waar de emoties zetelen – en de bijbehorende kreet is niet binnen te houden. Bij ons werkt het trouwens nog steeds zo wanneer we plotseling schrikken of pijn voelen.

Dieren en mensapen hebben weliswaar geen bewuste controle over hun stem maar ze hebben wel bewuste controle over hun handen en andere spieren: die worden aangestuurd vanuit de hersenschors. Chimpansees leren praten is in de vijftiger jaren van de vorige eeuw verwoed geprobeerd in Amerika, maar het haalde niets uit. Vervolgens probeerde men het met gebarentaal en dat lukte heel aardig: de chimps brachten het tot kleuterniveau. Je kunt zeggen: bar weinig. Maar bedenk: dat niveau bereiken ze dan in één generatie; terwijl onze kindjes geboren worden met een in honderdduizend generaties voorgevormde ‘taalprogrammaatje’ in hun hersen-netwerkjes.

Dus u begrijpt dat ik de oorsprong van ons taalvermogen laat beginnen met proto-gebarentaal: iets wat aan taalkundigen verbazend moeilijk valt te verkopen[10]. Voor zover de boeken welke ik in de inleiding opsomde, aandacht besteden aan taal, wat toch het wezenlijke is van ons menszijn, hebben die het uitsluitend over gesproken taal. Ik laat de gesproken taal pas beginnen bij de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s), en geef de gesproken taal zelfs een sleutelrol bij het ontstáán van de AMM’s. Maar dan hebben we het over 200.000 jg, terwijl we ons nu met de vobo’s nog in het Plioceen (5,2-2,6 mjg) bevinden.

Proto-gebarentaal. Want die imitatiegebaren voor [bes] of voor [buffel] zijn woorden. Het zijn gebarensymbolen voor dingen. Het zijn namen voor dingen .

Dat heeft geen enkel ander dier. Dat is geheel nieuw in de natuur. In de hele geschiedenis van het leven op onze aarde is er geen enkele levensvorm geweest die dit kende. Geen enkel zoogdier kan het met een soortgenoot hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is. De bijentaal lijkt er op, maar dat is instinctgedrag, de bijen doen hun ‘dansjes’ niet bewust.

Namen voor de dingen. Het is niet alleen nieuw, het dóet ook iets met een dier. Het schept een (gevoel van) afstand tussen de benoemer en het benoemde ding. Tussen subject en object.

In die zin lijkt het een beetje op het bijzondere vermogen van de chimpansees, dat ze kunnen gooien met iets. Dat is ook een verdedigen op afstand. Het kunnen benoemen van een ding geeft ook (een gevoel van) macht over het ding. Die gevoelsmatige afstandelijkheid maakte onze vobo’s een beetje ‘los’ van hun omgeving. Andere dieren zijn een onderdeel van hun biotoop. Onze vobo’s kregen een groeiende macht over hun biotoop.

Die macht werd in niet geringe mate vergroot doordat ze wat er aan gedachten in hen omging, met elkaar konden uitwisselen. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je behoorlijk wat problemen oplossen.

Kennis, vergaard door de ene generatie, kon nu aan de volgende generatie worden overgedragen. Binnen de vobo-populatie kon kennis zich gaan opstapelen van de ene generatie op de andere. Bij normale dieren zoals chimpansees kan een bepaald nieuw gedrag door de anderen en door jongeren geïmiteerd worden en zo kan het deel gaan uitmaken van de cultuur van die populatie; maar er komt zelden iets nieuws bij.

De vobo’s konden van gedachten wisselen, konden met elkaar overleggen, konden individuele intelligentie (vindingrijkheid) op intelligentie stapelen. Ze konden plannen beramen. Een enkele hooligan is maar een bang knaapje; maar voor een hele meute hooligans loopt het de dappere ME-er dun door de broek. Onze vobo’s werden de hooligans van de savanne.

vuur

Wanneer zal ik dit (namen voor de dingen, het met elkaar over iets kunnen hebben) laten beginnen? Wanneer zal ik dat terloopse spelletje van dat ene meisje in die ene groep, dat ze met haar handen imiteerde waar ze op dat moment vol van was, en dat van zo vér strekkende invloed zou worden op het verdere verloop van de dingen in de wereld, laten plaats vinden?

Daarvoor wijs ik even terug op die ‘mijlpaal’ van p 11, de afbeelding van de oudste door de mens vervaardigde werktuigen, gevonden in Kada Gona. Gedateerd op 2.6 mjg. Vervaardigd met een technologie waarvan het ondenkbaar is dat die zonder talige communicatie tot stand gekomen zou kunnen zijn. Daar moeten nogal wat generaties van talig communicerende vobo’s aan vooraf zijn gegaan. Dus gok ik voorlopig op de datering van 3 mjg.

Maar misschien moeten we voor het ‘meisjesspelletje’, voor de geboorte van de proto-gebarentaal, nog verder terug. De proto-gebarentaal begon bij het nulpunt, en de meeste dingen in de natuur komen uiterst traag op gang, vertonen de bekende ‘exponentiële groei’- curve: een heel lange aanloop en dan woeps! de hoogte in.

Het is zeker dat de taligheid door het gaan beheersen van het vuur een forse sprong voorwaarts heeft gemaakt. Ga maar na.

Vóór dat de vobo’s over kampvuren beschikten, was hun communicatie beperkt tot het voedsel verzamelen overdag en het verdelen van het voedsel na aankomst in het overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen maar heel kort duurt, was het afgelopen met de communicatie. Dan moest ieder de boom in om, ieder voor zich, zijn slaapplatform in elkaar te vlechten boven in de kruin. De vrouwen en kinderen bovenin, de volwassen mannen met hun zak stenen een etage lager, omdat de voorouders van de luipaarden hen ook ’s nachts konden besluipen.

Hoe anders werd deze situatie toen ze voortaan op de grond konden blijven overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren op afstand hield. Uren en uren werden aan elke dag toegevoegd, en alleen voor het communiceren: in het donker kun je weinig anders doen.

Wát zouden ze gecommuniceerd hebben? Natuurlijk wat er in ze om ging. Bijvoorbeeld iets beangstigends wat ze die dag beleefd hadden.

De plotselinge confrontatie met een buffelstier! De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, hun stenen in de aanslag, en de vrouwen waren naar een boom gevlucht en klommen er met de kinderen in. De buffel had geaarzeld: die vobo’s met hun stenen waren inmiddels berucht. Na enige ijzige seconden had de buffel zich omgedraaid en was weggelopen. Die avond bij het kampvuur was een der vrouwen opgestaan en imiteerde de dreigende buffel. Luid krijsend vielen de vrouwen haar bij. Een man stond op en deed of hij de buffel was. De andere mannen boden hun vastberaden weerstand en de ‘buffel’ week. Als eindelijk iedereen weer zat en de kreten verstomd waren, bleven de gevoelens en beelden nog doorspoken in hun hoofden en sprong een andere man op en deed de buffel opnieuw, en weer werd hij door de andere mannen verjaagd. Herhaling op herhaling, tot de een na de ander zich in zijn dierenvel draaide en ging slapen. Maar hun oren waakten: bij het geringste geritsel was iedereen weer klaarwakken en paraat[11].

De prachtige voorstelling werd nog vele avonden met veel emoties opgevoerd. Tot hij plaats maakte voor een nieuwe emotionele belevenis.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces, ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaander heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Een gebaar waarvan alleen de aanzet al begrepen wordt binnen de context, wordt dan niet helemaal af gemaakt. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan standaardafkortingen.

Na het uiterst trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij], ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de vobo’s zich nu zeer snel tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen. En onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de vobo’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de vobo-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al heel vroeg deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik. Hét waarmerk van menselijke taal is: namen voor de dingen. Die hebben ons tot mensen gemaakt, niet de grammatica.

Er valt over de ontwikkeling hiervan nog veel meer te zeggen, maar dat reserveer ik voor mijn tekst die hier speciaal over gaat[12].

De versnelde ontwikkeling van hun talige communicatie hield in dat ook hun overleg en hun plannenmakerij ten zeerste werden vergemakkelijkt. Dat kwam goed uit …

Een soort verandert pas als zijn omgeving verandert. Welnu, al die vier miljoen jaar van aapmens-zijn was de leefomgeving weinig veranderd. Eenmaal van regenwoud tot een biotoop van open bossen en grasgebieden ertussen geworden, bleef dat heel lang zo[13]. Maar rond 2,8 mjg begon de Noordpool te verijzen (door het ontstaan van de Golfstroom) en dat resulteerde vanaf 2,7 mjg in het nog koeler en droger worden van het klimaat. Terug te vinden in Member[14] G van de Shungura Formatie (een archeologie-site in het stroomgebied van de Omo-rivier in ZW-Ethiopië die uitmondt in de noordoever van het Turkana meer). Member G is gedateerd op 2.3 mjg.

De savannen werden woestijnen. De woonbossen verdwenen. Dan moet je wat, als aapmens, die gewoon is, tegen het vallen van de avond zijn nest in een boomtop te kunnen maken. Bomen weg!

2.6 mjg (Shungura Member F dated at 2.8 mya) moet daar evenwel nog niet veel van te merken zijn geweest. Semaw zegt over de toenmalige omgeving van de Gona-werktuigen (nu inderdaad woestijn), dat die een lustoord was, aan het water gelegen en met de bossen voor veilige overnachting in de directe nabijheid.

Ai! Dus nog geen behoefte aan een kampvuur? Dus nog geen ‘sprong voorwaarts’ in hun talige ontwikkeling?

Van de andere kant: veel geleerden zien een link tussen de geavanceerde werktuigen en de mentale vermogens van de ap garhi-populatie. Kon dat herkenbare repertoire van hakmessen, snijmesjes en schrapers, kon die technologie (en dan hebben we het alleen over datgene wat na miljoenen jaren nog gevonden kan worden) alleen door van de ouderen af te kijken worden doorgegeven? “Al onze huidige ervaringen met deze techniek wijzen er op dat daar taal voor nodig is”, zegt prof. John Gowlett, archeoloog Univ. Oxford in Ascent to civilisation (1984).

Gebarentaal dus.

Maar … ook al vuurgebruik? Op de Kada Gona-site van ap garhi (van 2,6 mjg) zijn (nog) geen sporen van vuurgebruik gevonden. Voor de oudste sporen van vuurgebruik moeten we maar liefst een miljoen (!) jaar wachten: Koobi Fora in Kenia (1,6 mjg), Swartkrans in Zuid Afrika (1,5 mjg), Gadeb, in Ethiopië (1,5 mjg) en Chesowanja, ook weer Kenia (1,4 mjg). En ook die worden door conservatieve paleo’s halsstarrig aangevochten.

Nu is het zo dat, wanneer er niet gericht naar gezocht wordt en wanneer het vinden ervan totaal niet verwacht wordt, je de sporen van een kampvuur niet zo gauw zult herkennen. Dat er 2,6 mjg bomen stonden in Kada Gona wil niet zeggen dat de garhi’s daar voor hun overnachting gebruik van hebben gemaakt. De Kada Gona-werktuigen getuigen echt van een ‘sprong voorwaarts’ in de talige ontwikkeling der vobo’s. Dus ik houd het vroege vuurgebruik door de vobo’s voor aannemelijk tot evidenties mij in het ongelijk stellen. Ik ga voor 2,7 mjg. Een evidentie die deze keus rechtvaardigt is te zien in het OIS-staatje op p 60: daar zie je rond deze ‘datum’ een korte maar scherpe temperatuurdaling.

Door de toenemende droogte en de zich uitbreidende graslanden kwamen natuurlijke branden in de droge maanden veel voor. Veel savannebewoners kennen de aantrekkelijke gevolgen van een brand: geroosterd gedierte dat niet tijdig heeft weten weg te komen, vluchtende dieren die in hun paniek gemakkelijk te overvallen zijn. Ook onze vobo’s trachtten altijd zo snel mogelijk bij de uitdovende brand te komen, ook omdat ze hadden geleerd dat sommige soorten maniokknollen die rauw niet eetbaar zijn vanwege het blauwzuur, dat in geroosterde toestand wél zijn. De vobo’s hadden door hun gevoel van afstandelijkheid en macht al niet meer die blinde angst voor het vuur zoals de overige dieren hebben: ze hadden er een naam voor. Jongeren zullen al gespeeld hebben met nog na smeulende en rokende takken. Maar het moet een oma geweest zijn die als eerste zo’n tak naar een veilige plek gesleurd heeft en die is gaan voeden met droog materiaal: het eerste vuurtje! We schrijven 2,7 mjg.

Ze had een nog giftige maniokknol aan haar graafstok gestoken en hield die nu boven de vlammen. De anderen stonden van een afstandje schreeuwend van angst toe te kijken wat die oma deed. Haar handen trilden maar ze was vastberaden: ze had er lang genoeg over nagedacht. Toen ze vond dat de knol gaar genoeg was, liet ze hem wat afkoelen en beet er een stuk af. Ze proefde dat hij nu goed smaakte. Ze stond op en liep er mee naar haar kleinkind. Die at van de knol en zou dit nooit meer vergeten.

Te mooi, dit verhaal? Dan een ander scenario. Het is ettelijke malen van gorilla’s en chimpansees waargenomen dat die zich in de koude nacht graag koesteren bij de restwarmte van een gedoofde brand! Dus daar hebben de vobo’s zeker ook veelvuldig gebruik van gemaakt. Van gorilla’s en chimps is echter nooit waargenomen dat die iets gingen doén met een na-smeulende tak of zo: voeden met droog materiaal om er langer van te kunnen genieten.

Maar u begrijpt: het heeft niet kunnen uitblijven dat 2,7 mjg …

Met het vuur en met het maken van professionele werktuigen zijn onze vobo’s definitief mensen geworden. Het wordt tijd ze nu van een wetenschappelijk verantwoorde naam te voorzien. Maar de paleo’s onderscheiden er wel vier kandidaat-hominiden voor:

ap garhi

H. habilis

H. rudolfensis

H. ergaster

Alle vier rond 2.5 mjg! Wil de ware vooroudersoort van de Homo erectus (HE), en dus van ons, nu opstaan? De paleo’s zelf blijven er rustig onder. Die zeggen: het veldwerk gaat nu zo hard, we wachten rustig af tot we genoeg vondsten hebben om het plaatje helder te krijgen. Maar zoveel geduld brengt een humanosoof natuurlijk niet op. We kunnen toch een zo gefundeerd mogelijke gok doen? Áls we maar bereid zijn om ons Verhaal bij te stellen waar we het blijken mis gehad te hebben. Ik kies voor ap garhi.

Maar als de garhi’s, de vermoede makers van de Kada Gona-werktuigen, al een kampvuurcultuur gehad hebben, ze hebben het vuur blijkbaar niet gebruikt om vlees te bráden want ze hadden enorme tanden. Als zij inderdaad de makers zijn geweest zijn, zijn ze voor mij geen AP’s meer maar Homo, en wel: H. ergaster.

de HERG’s

(H. ERGaster-mensen, nog steeds van mensaap-afmeting, ook qua hersenpan)

Wat een namen, en vooral, wat een verwarrend aantal afkortingen! Laat ik eerst hier mijn naslaglijstje van onze voorouderlijn vanaf de vobo’s geven:

HERG’s (H. ergaster) 2 mjg – 1.60 mjg

de HE’s (H. erectus) 1.60 mjg – 500.000 jg

de HEID’s (Middle Stone Age-people) 500.000 jg – 250.000 jg

de NT’s (Neanderthalers) 250.000 jg – 30.000 jg

de AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen) 200.000 jg – nu

De HERG-mensen van 2.6 mjg (de door mij met een slag om de arm tot Homo gepromoveerde ap.garhi-mensen) waren nog steeds aapmensen van uiterlijk, dus qua gestalte en schedelomvang. Maar volgens mij volledig ‘talige’ en vuur gebruikende wezens.

Dat vuurgebruik was aanvankelijk nog incidenteel: afhankelijk van de (weliswaar talrijk voorkomende) natuurlijke branden in de droge tijd. Ze zullen nog heel lang de bomen nodig gehad hebben om zich snel in veiligheid te kunnen brengen bij plotselinge dreiging, en dus klein en aapachtig van gestalte gebleven zijn.

De verwerving van de techniek om kooltjes (van de juiste houtsoort bijvoorbeeld) vuur mee te nemen (in een laagje as in een runderhoorn, bijvoorbeeld, want de Pygmee-vrouwen dragen hun gloeiend kooltje mee in een vuurbestendig blad gewikkeld)  daar zijn vermoedelijk honderden generaties vrouwen overheen gegaan zijn. Vrouwen, ja. Het omgaan met het vuur is tot in onze dagen vrouwenwerk.

De HERG’s verbreidden zich rond 2 mjg buiten de tropen. Zoals de paleo’s denken, hun aasleveranciers, de sabeltandtijgers, achterna, die op hun beurt hun grasetende prooidieren achterna gingen. Toen het klimaat weer nóg koeler en nóg droger geworden en de savannen tot woestijnen werden, verkasten de graseters en onze voorouders gingen mee.

… Sorry. Fout! (Maar wel een fout die door heel wat paleo’s gemaakte wordt.) Ónze voorouder-HERG’s bleven juist in Afrika! De voorouder-HERG’s van de Javamens en Homo erectus en de Neanderthaler en zo, dié verkasten. Onze voorouders zijn de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s). Maar zij zijn nakomelingen van de MSA-mensen die in Afrika evolueerden uit de Afrikaanse HERG’s.

Het verhaalgedeelte dat nu volgt, schrijf ik even zo vrolijk toch ook aan onze voorouders toe.

De Euraziatische HERG’s waren begonnen aan OoA I: het wordt door geen paleo betwijfeld dat Afrika de bakermat is van onze soort, en dat die op dit tijdstip zich ook vanuit Afrika naar Eurazië is gaan verbreiden. Dit gebeuren wordt algemeen als Out of Africa aangeduid, (niet alleen door mij) afgekort tot OoA. Omdat twee miljoen jaar later ook de AMM’s, eveneens in Afrika ontstaan, die bakermat richting Eurazië hebben verlaten, wordt dát OoA II genoemd.

De migratie richting Verre Oosten ging langs de zuidkust van het toenmalige Eurazië. Daar zijn ze, overigens als Homo erectus (HE), aangetroffen met een datering waar maar liefst 1.8 mjg voor wordt gepostuleerd. De Chinese geleerden – en hun opvatting wint terrein – stellen dat de populatie van Turkana Boy (1.6 mjg gedateerd) vanuit het Oosten naar Afrika terúg gemigreerd is!

Van onze met de graseters en de sabeltandtijgers mee verkassende HERG-voorouders zijn de oudste resten in Europa aangetroffen in Dmanisi (Georgië). De Dmanisi-schedels zijn met zekerheid gedateerd op 1.75 mjg.

Foto van reconstructie van één der Dmanisi-schedels, gepikt uit Nat. Geogr. Special 2003. Lijkt wat op het gereconstrueerde gezicht van H. habilis (2,4 – 1,6 mjg). Maar die was, met die lange armen en korte benen, nog erg voor het boombewonen toegerust, en niet voor het achtervolgen van kuddes graseters. Men denkt dat de schedel van een tiener is, en te oordelen naar de nogal lange hoektanden een jongen. Men gaat er van uit dat hij ook nog vrij harig was. De reconstructies laten graag de tanden zien: vaak het enige wat over is … De Dmanisi-populatie kende nog geen vuistbijl-industrie en was veel kleiner en primitiever van gestalte dan de HE’s. HERG’s dus.

The combination of the features of the Dmanisi hominids appear[sic] more similar to H. ergaster than to H. erectus sensu stricto (or to any of the habilines). This conclusion is consistent with our studies of the Dmanisi mandible . We thus assign the Dmanisi hominids to Homo ex gr. ergaster. (tekst van de Dmanisi-onderzoekers)

De plaats Riwat ligt in Noord-Pakistan. Daar zijn enige stenen werktuigen van de soort van Kada Gona gevonden, en te dateren op 2 mjg

Op deze afbeelding kun je zien hoe Chinese paleo’s denken dat de HERG’s hun geboortegrond Afrika hebben verlaten. Hun kaart vertoont lussen: die zijn er van overtuigd dat onze voorouders als HERG’s uit Afrika gemigreerd zijn naar het Verre Oosten, dat ze daar tot HE’s zijn geëvolueerd en dat daar populaties van zijn terug gemigreerd richting Europa en Afrika. Het vasteland (blauwe omlijning) is uitgebreider dan het huidige (bruine lijnen) door de daling van de zeespiegel vanwege de grotere ijsmassa’s.

 

 

 

 

 

 

grotere hersenen?

De HE’s roeiden vermoedelijk de overige AP-soorten uit waar ze er maar op stuitten. [15]

Maar niet doordat ze grotere hersenen kregen. Dat stokoude argument begint vandaag goed af te takelen. Vanwege de kleine mensjes van Dmanisi, waar zich onlangs ook nog de pas gevonden H. floresiensis bij gevoegd heeft. De laatste heeft hersentjes die nog kleiner zijn dat die van de AP’s. Maar toch vervaardigden ze daar stenen werktuigen mee waar zelfs de vuistbijlvervaardigende HE’s goedkeurend naar zouden hebben gekeken. En ze gebruikten vuur. Bovendien hebben hun voorouders over zee Flores gekoloniseerd.

Het moge duidelijk zijn dat het argument van de ‘grotere hersenen’ als verklaring van bepaald gedrag nu echt achterhaald is. Papegaai Alex van de Amerikaanse Brandels Universiteit kan met zijn hersentjes ter grootte van een walnoot voorwerpen sorteren, blokjes op kleur bij elkaar zetten, aantallen tot zes tellen en wanneer hij iets moet zoeken wat er niet tussen zit, zegt hij “none!” Dus : noppes, nul. Toch een vorm van abstraheren, niet?

Grotere hersenen betekenen niet automatisch meer intelligentie, want het aantal neuronen is bij een gewone aap al zo groot dat dat volkomen toereikend zou zijn voor menselijk handelen. De ontwikkeling van de hersenen volgen het doen en laten, niet andersom. En toch lees je dat nog al te vaak: de H. erectus vervaardigde fraaie vuistbijlen doordat hij over grotere hersenen beschikte[16]. Of zoiets. Nou, dan roep ik: Aaarchh!! Eerst gedrag, dan pas de zich aan dat gedrag aanpassende hersenen. Eerst training, dan pas grotere spierballen.
De spectaculaire hersengroei kwam inderdaad pas later.
Is die fascinatie door de hersengrootte bij onze paleo’s niet gewoon toe te schrijven aan het toevallige feit dat schedels relatief vaak fossiel worden gevonden en dat die schedel-inhouden zo prachtig in cc’s te meten vallen? Dan zijn de paleo’s toch een beetje ‘neofrenologen’!
U zult er mij zelden over horen, over breingrootten of zo.

Hersenen zijn wel enorme energievreters, en de veel rijkere voeding die de beheersing van het vuur[17] verschafte, heeft onze voorouders niet alleen van gestalte flink doen groeien maar heeft ook hun hersenen van veel meer energie kunnen voorzien. Hun taligheid echter, de verruimde communicatiegelegenheid en de tot ervaringen-uitwisselingen en –verwerking en tot plannenmakerij uitnodigende nazit bij het kampvuur, hun daardoor gegroeide macht over de wereld van hun prooidieren en de roofdieren, dát alles heeft de HERG-mensen in staat gesteld de tropen te verlaten en te verruilen voor gezondere en wildrijkere streken, vol nieuwe uitdagingen voor hun groepsvindingrijkheid en hun talige bewustzijn. Allemaal met aapachtigkleine schedeltjes.

de geboorte van de oma

Ergens rond deze tijd moet ze verschenen zijn: de oma. Ik heb haar al het eerste vuur laten aanleggen.

Met olifanten en walvissen behoren de mensen tot de zeldzame soorten die oma’s kennen. Dat wil zeggen: vrouwen die niet blijven zwanger worden tot ze er bij neervallen, zoals de chimpansee-vrouwen, maar die een menopauze kennen: stoppen met vruchtbaar zijn en daarna nog vaak tientallen jaren doorgaan met het verzorgen van hun kleinkinderen. De levenskansen van die kleinkinderen worden door de inspanningen van oma niet weinig vergroot. Dat wil zeggen dat zij op hun beurt meer kinderen krijgen dan de kinderen die het zónder deze bekwame extra verzorgster hadden moeten stellen. Op den duur overtalligen de oma-kinderen de oma-lozen, welke laatsten tenslotte uitsterven. Zo werkt de evolutie. Het moet begonnen zijn in families waarin de vrouwen toevallig heel oud werden: daar hadden kleinkinderen meer kansen om te overleven en konden die ook talrijker zijn. Er moet echter ook een speciale noodzaak zijn geweest, anders hadden meer diersoorten oma’s. Bij ons was die noodzaak duidelijk: de kinderen bleven heel lang afhankelijk van verzorgers omdat ze ’prematuur’ ter wereld kwamen. Als foetus, kun je zeggen. Dat is gekomen door het rechtop gaan lopen. Daarvoor moet je een smal bekken hebben, anders waggel je, zoals chimpansees doen bij het op twee benen lopen. Maar een smal bekken betekent een vernauwde geboortedoorgang. Oplossing: voortijdig ter wereld laten komen (gebeurde vanzelf, hoor). Gevolg: langdurigere afhankelijkheid van het kinderdom. Dat is vragen om een oma.

Nog iets tussendoor, maar zo gewaagd dat ik het in kleine lettertjes doe.
Een portrettekenaar kan het niet ontgaan: die enorm gespierde wangetjes van onze baby’s; het enige dat echt gespierd aan ze is (nou ja, met die vingertjes kunnen ze ook al heel vasthoudend zijn). Zou dat alleen maar ten dienste van het onttrekken van de melk aan mama’s melkklier zijn?
En die ‘pathologische’ behoefte om iets in het mondje te hebben dan? Als het geen speentje is dan maar een knuistje, maar iets móet er in.
Oké, dat is één. Twee zijn de hangtieten van onze dames. Dat heeft volgens mij niks met degeneratie of verval te maken: de supergezond levende pygmee- of San-dames hebben ze nog veel overtuigender. Ze zijn uniek voor mensen: geen enkele andere apensoort kent ze. Dat moet ergens toe dienen. Dus bedacht ik het volgende.
Hoe konden de AP-dames zich roetsj!! in veiligheid brengen, de hoogste boom in voor een naderende leeuw of een woedende buffel, met een baby die zich niet meer aan hun moeder kunnen vastklampen bij gebrek aan beharing bij haar? De hangtieten, met de baby er aan bungelend, hield hun handen vrij om te klimmen! Voor de erectus-dames was er minder boomklim-noodzaak meer misschien. Maar voor de baby op hun rug bleef de rekbare tiet de speen.

van HE’s (H. erectus-mensen) naar HEID’s

Schöningen

In Europa hebben de HE’s zich lange tijd niet laten zien. Op enkele plekken na, in Italië en in Spanje. Europa was lange tijd gewoon een ijsvlakte, op het diepe zuiden ervan na.

Maar rond 500.000 jg, een relatief warme periode die liep van 592,000 jg – 542.000 jg (OIS13, zie p 60) zwierven ze er wel rond en hadden ze zich tot echte jagers ontwikkeld. Want de in Schöningen in een bruinkoolmijn gevonden jachtspiezen van 400.000 jg verraden een al oeroud technisch kunnen. ‘Schöningen’ was gedurende de opwarmingtijd die liep van 440.000 jg – 367.000 jg (OIS 11)[18] een paradijselijk jachtgebied. Die mensen noem ik geen HE’s meer maar HEID’s (van H. heidelbergensis[19]). Niet ver daar vandaan en uit dezelfde warme OIS-periode dateren de vondsten van Bilzingsleben, een travertijn-groeve[20]. Daar is een HEID-kampement gevonden, een plek aan een toentertijdse meeroever met drie hutten rond een geplaveide dansplaats.
Althans, zo interpreteer ik dat ‘pleintje’ van 9 m doorsnee. Ze waren toch talige wezens, die met elkaar van gedachten wisselden in gedanst/gezongen gedachten? Levend in een talige wereld, een wereld van benoemde dingen? In elk geval gebruikten ze vuur: er zijn ook sporen van haardplaatsen gevonden.

Wat dansten/zongen ze? Hun woordenwereld!

Het dansen/zingen gaat om de fourageroute van de stamgroep, het ‘zangspoor’. Het is de route die de Grote Voorouder door hun stamgebied heeft afgelegd, tijdens welke Hij/Zij de dingen schiep. Ze leggen deze route al zingend af, in dier voege dat bij elk belangrijk punt (heuvel, bron, bossage, kreek, rots, kloof) een bepaald lied hoort. Het herinneren van de route staat gelijk aan de precieze opeenvolging van die gezangen.

Bruce Chatwin ging eens mee met een westerse explorateur die in opdracht van de regering de ‘heilige plaatsen’ van de Aborigi­nals in kaart moest brengen alvorens in dat gebied een spoor­weg gepland zou worden (nu ze nagenoeg uitgeroeid zijn, begin­nen de Aboriginals de status van beschermde diersoort te krijgen!). Met een paar oude Aboriginals reden ze het Zang­spoor na, in een jeep. Een der Abo’s zat op een rare manier te piepen. Het werd Chatwin pas na enige tijd duidelijk: een auto gaat stukken sneller dan te voet en de Abo moest het Zangspoor nu versneld afraffe­len; net als bij een grammofoonplaat leidde dat tot gepiep! Bruce Chatwin The Songlines 1987

De Abo’s zeggen dat hun Voorouders (in de Droom­tijd, dus een hagedis, kangoeroe of ander totemdier in mensen­gestalte), toen ze uit de Aarde kropen, door het land wandel­den en het al zingend tot leven, tot bestaan brachten. Het ‘chanten’ van die gezangen, die al oeroud zijn overigens, houdt het land in stand. Het Zangspoor, of Droompad van een Voorouder, de fourageroute van de betreffende stam, is dus door de Voorouder (de groep eerste kolonisten) tot bestaan gezongen. Het intense verdriet van de huidige Aboriginals is dat door het verloren gaan van de gezangen ook het land, hun bestaansgrond, verloren is. Zij voelen zich dusdanig één met hun land dat met het verlies ervan elke bestaansgrond voor henzelf verdwenen is. Bij elke stap die de Westerse kolonisten op dat in hun ogen nog lege[21] (want nog zonder boeren) continent zetten, traden zij heilige grond met voeten. Bij sommige missionarissen en zendelingen drong dit besef al snel door, maar pas nu de Aboriginals een ‘bedreigde diersoort’ worden, krijgen oa in Arnhemland ettelijke clans hun voorouderlijke land terug.

Voor antropologen was Australië gelukkig al langer een schatkamer van oorspronkelijk menszijn. Toen het gedurende de laatste ijstijd nog deel uitmaakte, samen met Nieuw Guinea en Tasmanië, van het grotere continent Sahul, was het al door een zeestraat afgescheiden van Sunda, dat met Borneo, Java, Sumatra en Maleisië het zuidwestelijke schiereiland van Eurazië was. Men neemt aan dat het continent op zijn vroegst zo’n 65.000 jg door de AMM’s gekoloniseerd werd. Op grond van uiterlijke kenmerken vermoedt men dat er drie ‘golven’ immigranten geweest zijn. De Abo’s zijn verwant aan Zuid-Indiase negrito’s, aan de Vedda’s van Sri Lanka en aan de Sakai van Maleisië.

Afb uit R.Leakey – De Oorsprong van de Mens, (Natuur&Techn. 1982) Leefgroep van !Kung San (VJ’s) op weg naar hun volgende seizoens-kampplaats . Helaas vermeldt het boek niet of ze er bij zingen.

de geboorte van onze religieuze gevoelens (‘spiritualiteit’)

De beleving van de wereld door onze HEID-voorouders draaide om het dansen/zingen ervan, waardoor die wereld voor hen bleef leven. Wanneer ze zouden ophouden om die te dansen/zingen, zou hun woordenwereld ophouden te bestaan! En dat is helemaal niet zo’n raar denkbeeld.

Een woordenwereld is maar een vlierinkje, gebouwd bovenop ons normale dierlijke bestaan. Vooral aanvankelijk was de woordenwereld een hachelijke constructie die door herhaaldelijk dansen/zingen ervan in stand gehouden moest worden.[22]

In de HEID-fase (500,000 – 250,000 jg) plot ik de geboorte van onze religieuze gevoelens, omdat er uit die fase enkele kampplekken met twee of drie hutten rond een ‘geplaveid pleintje’ zijn opgegraven, zoals de foto van Bilzingsleben hiernaast laat zien. Die kampplek dateert van 370,000 jg, uit het Rheinsdorf Interglacial.

Vanwege de noodzaak van het in stand houden van hun woordenwereld: hun benoemde denkbeeldenwereld, werd elke lieve dag van voedselverzamelen besloten met het dansen/zingen ervan rond het kampvuur. Over de inhoud krijg ik het zo meteen.

Deze afbeelding is ontleend aan het artikel “We believe” van Robin Dunbar in de Special Beyond belief (New Scientist jan.’06). Voor mij een impressie van de dansende HEID’s in Bilsingsleben!

De !Kung-San zijn nog VJ’s. Zie je dat de kinderen door de volwassenen als volwaardige deelnemers aan hun ‘wereld’ worden gerespecteerd?

Ik wil hier graag even wijzen op de betekenis van het woord religie volgens Van Dale Etymologisch Wb: religie (van lat. relegere: weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen). In deze betekenis komt dat herhalen goed tot uitdrukking. Maar de gewone ‘dikke’ Van Dale geeft ‘godsdienst’ en ‘geloofsleer’ als betekenissen. Hier zie je de verwarring al. Godsdienst en religie worden door gelovige maar ook wetenschappelijkere schrijvers door elkaar gehaald. Dan krijg je dus nooit duidelijkheid.

Terwijl het toch zo duidelijk is als wat: we worden religieus geboren, maar niet godsdienstig. De godsdiensten zijn van zeer recente datum en ze parasiteren op onze religieuze gevoelens. We kunnen het, wanneer patriarchale gijzelnemers het ons niet beletten, met of zonder willekeurig welke godsdienst stellen maar blijven wel religieuze neigingen vertonen. Al is het maar met ‘hymnes’ en andere samenzang in stadions. Of met massale toestroom van jongeren naar Keulen om de paus te zien. Of met de danslust van onze dames. Duidelijkheid is vooral voor de vrouwen van belang: ze zijn immers religieuzer dan mannen. Op alle foto’s van religieuze of spirituele seances zie je voornamelijk vrouwen bezig.

We laten de Bilzingsleben-HEID’s maar dansen, we gaan nu het spotlight richten op het fenomeen van het Scheppingsverhaal, het ‘thema’ van al dat gedans. Nee, ik moet eerst uitleggen hoe wij tot dansende apen geworden zijn.

de dansende aap

Gebarentaal is lichaamstaal: niet alleen je handen met die tien vingers, maar ook je lichaamshouding en je mimiek en je stemgeluiden spelen er hun rol bij. Vooral bij de emotionele ‘performances’ rond het kampvuur maakten de Vroege Mensen (alle vooroudervarianten tot aan de AMM’s) bij het uiten van wat er in hen omging bewegingen die wij nu als ‘ballet’, dus als dansen zouden zien. Alleen al het feit dat mensen dansen zou voor de taalkundigen voldoende aanwijzing moeten zijn dat ons taalvermogen als gebarentaal begonnen is!

Het dansen ging onverbrekelijk gepaard met zingen. Vandaar mijn gecombineerde aanduiding ‘dansen/zingen’.

Hoezo zingen? Mensapen kunnen toch niet zingen? Nou, gibbons kunnen aardig zingen. Maar ik geef toe: hun gemeenschappelijke vooroudersoort met die van ons ligt wel heel ver in het verleden terug. Maar ook de vobo’s zullen, net als de communicatieve bonobo’s[23] hun stem voortdurend gebruikt hebben bij hun bijeenzijn, en hun communicatieve gebaren zullen zeker ook met stemgeluiden gepaard gegaan zijn. Bij de emotievolle ‘performances’ rond het kampvuur zullen de stemgeluiden een groeiende rol zijn gaan spelen: de emotionele kreten zullen steeds langer en melodieuzer zijn aangehouden.

Wij, Westerse mensen, zijn het nagenoeg kwijtgeraakt; maar Afrikaanse mensen dansen/zingen nog steeds bij alles wat ze doen. Niet alleen bij religieuze bijeenkomsten maar ook bij huishoudelijk werk of veldwerk[24].

de tobbende aap

De almaar groeiende afstandelijkheid door de namen voor de dingen heeft de vobo’s uit hun normale en onbekommerde dierlijke bestaan verdreven.

Ook voor onze mededieren is de natuur wreed en kent ze geen mededogen. Het is eten en gegeten worden. Het is groot en sterk worden om vervolgens af te takelen. Tijden van overvloed wisselen af met hongersnood. Maar onze mededieren ondergaan dit zoals wij doorgaans de jaargetijden beleven: zonder erover te tobben. Ze blijven eten zoeken tot ze er bij neervallen of door een roofdier gepakt worden, maar ze tobben niet en hun roofdieren doen dat evenmin.

Doordat de vobo’s hun wereld onder namen gingen brengen, kregen ze een talig bewustzijn. Dat is een ‘bordkartonnen zolder’ bovenop hun normale groepsdierlijke zelfbewustzijn, waarop ze voortaan en in groeiende mate gevoelsmatig meenden te leven. Binnen dat bewustzijn ‘weet’ je dat leuke maar ook kwalijke dingen die in het verleden gebeurd zijn, weer kunnen gebeuren. Bij normale dieren zijn die dingen in hun geheugen gekoppeld aan bepaalde tekenen; bij afwezigheid van die gewaarwordingen denken ze niet aan die dingen. Mensen kunnen ze naar believen voor hun geest halen, of lijden onder de dwanggedachten er aan. We hebben namen voor de dingen, en zoals J. Huglins Jackson[25] al rond 1900 zei: We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.” We zijn ‘tobbende apen’ geworden.

Normale dieren kennen doorgaans geen onzekerheid. Wanneer de dingen gaan volgens de ordening waarop hun instinct is afgesteld, kennen ze geen twijfel. De echte ezel tussen twee hooibergen twijfelt niet maar begint meteen te eten. Maar onze voorouders zijn hun instinctmatig handelen steeds meer ondergeschikt gaan maken aan het overleggen met elkaar. Of met zichzelf: reflectie heet dat. Het jezelf kunnen verplaatsen in een ander. Hogere groepsdieren zoals mensapen kennen dat ook al wel een beetje[26], reflectie. Onze voorouders zijn dat enorm gaan uitbouwen, met hun namen voor de dingen.

Hun instinctzekerheid verloren ze hierdoor meer en meer. Hun handelen werd steeds meer het resultaat van onderling overleg en steeds minder instinctmatig ingegeven. Het instinctieve gedrag werd meer en meer weggedrukt, je kunt geen twee kapiteins hebben op het schip van je besluitneming. Maar dat eiste wel zijn tol.

Alles wat je niet kunt begrijpen, beangstigt je. Angst en twijfel werken verlammend, daar kun je niet mee leven. Onze voorouders zijn het verlies aan instinctzekerheid dan ook van stond af aan gaan compenseren met twee zekerheidsverschaffende mechanismen: herhalingen en geloven.

Herhalingen: Het elke dag opnieuw bevestigen van hun woordenwereld door deze elke avond rond het kampvuur te dansen/zingen in het scheppingsverhaal ervan. De repeterende bewegingen en geluiden daarbij, het ritme, gaandeweg versterkt met trommelen op geluidmakende dingen.

Maar vooral ook: de dingen doen zoals ze altijd al gedaan werden, dus tradities, gewoonten, gebruiken. De paleo’s verbazen zich over het inderdaad opmerkelijke feit dat de HE’s zeker anderhalf miljoen (!) jaar lang hetzelfde type vuistbijl hebben gemaakt. De verklaring is simpel. Tradities geven een gevoel van zekerheid, broodnodig, zeker zo kort na het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid. Maar ook vandaag nog kunnen we primitieven of oude boerenmensen nog betrappen dat ze de opmerking van iemand een paar keer ter bevestiging herhalen. Het handjeklap van de veeboeren is ook zoiets. Voor onze kleuters kunnen bepaalde spelletjes niet vaak genoeg herhaald worden; het stopt pas als opa ‘de handdoek in de ring gooit’.

Herhaalde bewegingen met het lichaam, zoals bij het lopen door het clangebied, maken rustgevende endorfines vrij[27]; daarom zijn we dol op ritmes en dansen.

– Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag zou willen dat ze zijn of zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloof in magie, in magische (invloedrijke) handelingen en rituelen. Geloven dat de dingen-buiten-je net zo zijn als je zelf bent (antropomorfisme[28]) en dat je zelf net zo bent als de overige levende wezens (totemisme); dat de dingen denken, net als wij, dus een geest hebben (animisme). We kunnen onszelf werkelijk van alles wijs maken, of láten maken. Niets mis mee overigens, zo lang er maar geen misbruik wordt gemaakt van onze lichtgelovigheid. Maar later zijn we in situaties terechtgekomen dat de ene mens macht kon uitoefenen over de ander, en omdat macht altijd en iedereen corrumpeert, lag dit misbruik voor het grijpen.

het bastion van heiligverklaring

Onze voorouders hebben de onzekerheid waartoe ze veroordeeld waren door hun overstap op talig bewustzijn (ratio, het begrijpen van de dingen), leefbaar proberen te houden met geloof en magische rituelen. Deze zekerheden waren echter bedenksels, waren pseudoverklaringen van de werkelijkheid waar het echte weten van de dingen nog tekortschoot. Voor westerse mensen die beschikken over een al vier eeuwen bestaande traditie van het natuurwetenschappelijk bekijken van de dingen, met steeds betere kijk- en meetinstrumenten, en wier denkwereld ‘onttoverd’ is, is het moeilijk meer voor te stellen dat hun wereld een eiland is in een oceaan van mensen die in een heel andere wereld leven[29]. Een wereld waarin de mensen nog geen andere middelen hebben om hun bestaans-onzekerheid te bezweren dan het geloof en de tradities.

Omdat ook deze mensen ten diepste altijd wel voelen dat dit bedenksels zijn, moeten ze (en moesten onze voorouders) deze diepere twijfel onschadelijk maken met heiligverklaring van deze zekerheden – en het kalt stellen van vrij-denkers natuurlijk.

Heilig is: onaantastbaar, mag je niet aankomen, mag niet worden betwijfeld of ter discussie gesteld. In de Islam-wereld, waarin engelen, duivels[30] en andere geesten nog volop rondwaren, vigeert de heiligverklaring virulent. De enkeling die kennis heeft genomen van het westerse denken durft daar vaak niet voor te kiezen omdat hij (vaker is het een ‘zij’!) dan de denkwereld van zijn ouders en overige familie verlaat; behalve dat dit smartelijk is, is het, vooral voor vrouwen, niet zonder lijfsgevaar.

Maar … dat staat haaks op de onstuitbaar voortgaande groei van ons bewustzijn, ons weten, onze ratio, het enige dat ons werkelijk van onzekerheid kan bevrijden! Tamelijk dramatisch, toch? … Maar ook hún kinderen worden geboren in een andere tijd.

en nu het scheppingsverhaal

Duizenden namen voor duizenden dingen, dat wordt een chaos in je kop als je die begrippen niet ordent, niet in een logische samenhang brengt, niet in een verhaal hangt. Dat hebben die talig geworden wezens vanaf het begin, hoe stuntelig aanvankelijk ook, gedaan. En ook voor ons vandaag begrijpen we gebeurtenissen en processen pas goed als we ‘het hele verhaal’ ervan kennen.

Het meest voor de hand liggend was natuurlijk de van a tot z vorm. Het Verhaal, dat vertelde hoe de wereld begon. Hoe de dieren tot en met de mensen (en dat waren zij zelf, niet andere stammen[31]) ontstaan waren. Dat Verhaal werd bij elke gelegenheid gedanst/gezongen.

De belangrijkste figuur er in is de Grote Voorouder. Dat is de samentrekking tot één Figuur van de groep vrouwen, kinderen en mannen die het stamgebied in vervlogen tijden voor het eerst in gebruik genomen hebben. Hoe kwamen de HEID’s op dat idee?

De HERG’s en hun nakomelingen, de HE’s, verspreidden zich over heel Eurazië. Wanneer een leefgroep te groot werd, ontstonden er spanningen en dan besloot een groepje jonge vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen, te gaan ‘koloniseren’[32].

Dat gebied was nog niet door mensen betreden. Dus de bergen en rivieren, de moerassen en de kloven hadden er nog geen naam. Voor talige wezens zijn de dingen er pas (zijn ze er zich pas echt van bewust) wanneer en in zoverre ze onder woorden gebracht zijn. Zo’n nog onbetreden gebied was dus ‘woest en ledig’[33]: nog onbenoemd.

“In den beginne was het Woord [34]… “ : die groep vrouwen, kinderen en mannen waren de eersten die daar de dingen (heuvels en rotspartijen, rivieren en moerassen, bergen en ravijnen, bomen en planten en dieren) hun namen gaven. Hetgeen voor talige wezens betekent dat ze die dingen daarmee het aanzijn gaven, in het bestaan riepen, schiepen[35].

Voor hun nakomelingen was die groep eerste ‘kolonisten’ dus de Schepper van het stamgebied: de tot één Figuur samengetrokken groep[36]: de Grote Voorouder[37].

In de loop der duizenden generaties bleef er soms weinig van het oorspronkelijke kolonisatieverhaal over, maar bij de Aboriginals is het nog verrassend herkenbaar.

Bijvoorbeeld het Scheppingsverhaal van de aboriginalstam van de Wilde Honing. Voor de onderzoeker ervan, Ad Borsboom[38], herkenbaar omdat hij weet van de eerste ‘kolonisatie’ van Australië, zo’n vijftigduizend jaar geleden. Daar draagt hun Scheppingsverhaal nog steeds de sporen van.

Wie het lied kent van een bepaald stuk route (gebied), mag leven van dat gebied: dat is de enige vorm van privé-bezit die ze kennen; iemand erft het lied, dus een stukje van de zangroute, van zijn clan. Hij/zij kan het lied uitlenen, hij/zij kan ook een lied van iemand anders lenen; het enige wat niet kan, is het lied weggeven of verkopen: het land ben je namelijk zelf! Een routegezang in de verkeerde volgorde zingen is het allerergste wat iemand zou kunnen overkomen: een catastrofale vernieling van het land en zijn eigen bestaan! Maar dat overkomt ze niet want hun geheugen is nog onaangetast door het schrift. Zij hoeven een zang maar één keer te horen[39]

Maar van het kennen van alleen je eigen routegezang kun je niet leven.

“Natuurlijk,” legde Charlie uit, “we kennen niet alleen onze eigen dreamings (zo noemen de Aboriginals hun zang/dansen), maar ook die van de clans van onze vrouwen en schoonzonen. Het grondgebied van hun clans ligt naast het onze. Dat land moeten we ook kennen, anders kunnen we niet leven. Het clangebied van onze vrouwen is zeer waterrijk, dat van ons voor het grootste deel tamelijk droog. Stel je voor dat we alleen van ons gebied moesten leven, dan zouden we aan het einde van de droge tijd van dorst omkomen. Als we hun liederen en dansen kennen, kennen we ook hun land. En andersom hetzelfde. Onze schoonzonen moeten onze dreamings kennen, anders kunnen ze niet goed voor onze dochters en kleindochters zorgen.”

(uit De clan van de Wilde Honing van Ad Borsboom, Haarlem, 1996)

De scheppingsverhalen van de weinige nog oorspronkelijk levende VJ-clans over de hele wereld vertellen hoe de Grote Voorouder (in elk verhaal een eigen naam, half dier half mens maar onveranderlijk noch man noch vrouw en dat klopt want het was een groep!) het clangebied binnen kwam en op zijn tocht – Hij/ZijHet kon zich door de lucht maar ook onder de grond door verplaatsen – liet Hij/Zij/Het overal de belangrijke dingen achter. Op één plek ook de zielen, die bij een vrouw konden binnendringen en daar een nieuw leven beginnen; naar die plek keerde de ziel na iemand overlijden terug om een nieuwe kans af te wachten. Op het einde van de tocht verdween Hij/Zij/Het onder de grond. Alle geschapen dingen werden ook belangrijke dreamings (zo noemen de Abo’s zowel de scheppingsverhalen van de afzonderlijke clans als de Figuren in die verhalen). Elke dreaming is zowel een dans als een lied als een afbeelding (op iemands lichaam geschilderd, of als zandfiguur op de grond, of op een heilig voorwerp), als iets (boom, honing, bij, rots, moeras, vis, regen) in de werkelijkheid. Een dreaming bestaat dus altijd in vijf verschijningsvormen.

Je kunt wel denken dat onze voorouders primitief waren, maar het is voor de antropologen, toch niet de domsten uit de klas, razend moeilijk om zowel hun taal, hun clanverhoudingen en hun familieverhoudingen als hun religieuze wereld enigszins door te krijgen. Ad Borsboom geeft het ronduit toe dat de diepere ‘theologische’ discussies van de ouderen hem ver boven de pet gaan. De Abo’s hadden geen beschaving en geen kleren en machinegeweren, maar ze moeten de oppervlakkige, onspirituele westerlingen die hun heilige land en daarmee de Abo’s zelf onder de voet liepen zonder ook maar het geringste besef van wat ze aanrichtten, toch wel intens diep hebben geminacht.

Het Scheppingsverhaal (oorsprongsmythe), dat uit heel veel dans/zangen bestond, werd bij alle belangrijke gelegenheden door de clan gedanst/gezongen; geen gebeurtenis (ziekte of dood, eerste menstruatie of huwelijk) of het Verhaal kwam er aan te pas, met inkorting van dan niet ter zake doende delen en uitbreiding van het onderdeel dat dan juist wel ter zake deed. De gebeurtenis bij uitstek was natuurlijk de initiatie van de jongeren bij hun intrede in de volwassenenwereld. In die dagen werd het hele Scheppingsverhaal gedanst/gezongen.

Voor onze voorouders vormde het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal, elke avond rond het kampvuur, het heilige punt van de dag waar ze naar toe leefden. De Yanomamö maken zich nog elke avond mooi, met beschildering van hun lichaam, met veren om hun arm en stokjes door hun wang. Elke avond, en dat al duizenden generaties lang. Het Scheppingsverhaal ís hun wereld en hun leven. Wij hebben vandaag nog steeds het gevoel dat de avond gevierd mag worden met een muziekje en een drankje, een ‘ritueel’ waar we overdag al werkend naar toe leven. De televisie heeft er zich in genesteld, een verrijking die toch eigenlijk wel een verarming is omdat die onze eigen activiteit en inbreng uit handen neemt.

Wanneer je nagaat dat ons voorgeslacht zijn (woorden)wereld al zo’n twee miljoen jaar op deze wijze beleefd heeft, dan weet je dus dat dit bij ons, mensen, een overerfelijke neiging moet zijn geworden. Dat dit het religieuze gevoel is waarmee we nog steeds ter wereld komen. Als baby huilt, neemt mama het op en gaat er zachtjes zingend mee rond deinen. Baby wordt stil en lacht: ‘kent’ dit ergens van! Dan moet het toch duidelijk zijn waar het gevoel van “er moet IETS zijn” vandaan komt ook al zie je nooit meer een kerk van binnen.

We hebben heel wat neigingen uit onze VJ-prehistorie overgehouden. Een heel lastige neiging is om ons vol te vreten als er overvloed is. In onze consumptiemaatschappij waarin de overvloed structureel is, leidt dit tot het ernstige obesitas-probleem. Onze religieuze neiging is er ook zo een. Net als aan de vreetneiging hóeven we er niet aan toe te geven. Maar het is niet terecht als ik beide neigingen op één hoop gooi. De vreetneiging raken we liever kwijt. Maar de religieuze draagt ons verlangen naar eenheid, en dat hebben we nodig om als mensheid de opdoemende problemen het hoofd te bieden. Daar ga ik nu niet verder op in, dat doe ik in Deel III.

Ik kan dat niet genoeg benadrukken: onze vroege voorouders waren talige wezens geworden, en beleefden hun wereld als een woordenwereld, die alleen door hem elke dag opnieuw dansend/zingend te herscheppen, in stand bleef. Voor ons-nu is het allemaal zo vanzelfsprekend dat de dingen blijven ook al noem je ze niet voortdurend. Maar we mogen op geen enkel moment vergeten dat onze voorouders als gewone dieren begonnen zijn en dat hun ‘woordenwereld’ nog elke dag opnieuw bevestiging behoefde.

zangroutes, songlines

Het scheppingsverhaal wás hun wereld. Ik heb het wel telkens over ‘hun stamgebied’ maar ze kenden heel lang geen territoria. Aan elke plek (bos, kloof, moeras, heuvel, grote steen) van hun leefgebied was een mythe verbonden, een dreaming (tegelijk een verhaal, een zang/dans en een afbeelding). Een fourageroute bestond uit een opeenvolging van zulke heilige plekken, en was derhalve een gezongen route, een songline. Deze songlines gingen kriskras door een heel groot gebied, en kruisten de songlines van andere groepen.

Hun leefgroepen waren klein, in elk geval niet groter dan het voedselaanbod van het leefgebied toeliet. De aantallen van hun leefgroepen waren ook beperkt[40], hun wereld was nog eindeloos. Ze trokken van de ene bekende kampplaats naar de volgende vaste kampplaats en dat hing volledig samen met wat er daar op dat moment van het jaargetijde verkrijgbaar was aan planten en dieren. Hun aantallen, zowel van één leefgroep als van hun leefgroepen tezamen, zijn twee miljoen jaar lang zeer beperkt gebleven, met een trage uitbreiding maar soms ook akelig dicht bij de rand van uitsterving[41]. Lieden die beweren dat onze vroege voorouders elkaar de hersens insloegen, weten echt van niets. Onze vroege voorouders waren blij als ze elkaar tegen kwamen op hun voedseltochten: gelegenheid tot feest en tot uitruil van jonge partners en ervaringen. Ze hadden elkaar veel te hard nodig om te overleven. Oorlogen zijn van jonge datum, we zullen het nog gaan zien.

Hun stamgebied was een route, met vaste pleisterplaatsen waar de vrouwen voor kortere of langere tijd hun hutjes in elkaar flansten. ‘Bilzingsleben’ was zo’n vaste kampplek. Waarschijnlijk verbleven ze daar wel een maand of zo, want het was een ideale plek; misschien was het zelfs hun hoofdkamp.

Zo stel ik mij het basiskamp van de Bilsingsleben-HEID’s voor. Maar dan zonder honden natuurlijk. En de HEID’s hadden niet van die grote koppen. Maar die hutjes? Precies!

Dit zijn Efe-pygmeeën , die in het oerwoud van Congo-Brazzaville leven. Ze arriveren op een bepaald moment in het seizoen op deze plek, de vrouwen bouwen er hun hutjes en dan verblijven ze er een aantal weken. Tot ze het tijd vinden om weer op pad te gaan. Ze zijn VJ’s. Ten tijde van de Bilzingsleben-mensen waren er nog lang geen AGR’s. Hun bestaan was nog onbedreigd. (VJ’s zijn verzamelaars/jagers, AGR’s zijn boeren.)

De route was een langwerpige lus, vanuit het hoofdkamp via een aantal tussenkampen naar het verste kamp en dan langs een andere weg via weer andere tussenkampen terug naar het kamp waar ze het langst toefden, hun hoofdkamp dus. Waarmee ook het jaar rond was; helemaal seizoensgebonden.

Die route wás hun

wereld, en die legden

ze zingend af. Ze

kenden hun wereld

door die te zingen en

hun scheppingsVerhaal

was misschien wel de

route in ’t kort.

De wereld van de

weinige pure VJ-(verzamelaar/jager-)groepen die er nog bestaan, er nog steeds zo uitziet.

(Kaart uit Het Spoor der Beschaving van John A.J. Gowlett, Elsevier, 1984)

Heel belangrijk ook: hun zangroutes kruisten op vaste momenten van het jaar die van andere groepen. Wanneer die ‘anderen’ nog niet gearriveerd waren, wachtten ze gewoon tot ze verschenen. Belangrijke momenten van feesten en uitwisselingen van kennis, producten en partners.

Met nadruk zij hier ook vastgesteld dat, hoewel wij onze voorouders al twee miljoen jaar lang als mensen (Homo) zien, zij zichzelf altijd als dieren hebben beschouwd, zich in niets gescheiden voelend van mededieren. Hun mededieren communiceerden weliswaar niet met taal maar gaven blijk van het bezit van meer kennis (instinct!) dan onze talig geworden (dus niet langer instinct-gedreven levende) voorouders zichzelf toedichtten. Hoewel hun zintuigen (gehoor, reuk en gezicht) net als hun lichaamskracht, oriëntatievermogen en visuele geheugen nog steeds veel sterker waren dan de onze vandaag, waren die toch al flink aan het achterblijven op die van hun mededieren. Daarom letten ze scherp op het gedrag van die dieren. Dat die nalieten om hen op de hoogte te houden interpreteerden ze als slimheid: de bavianen of de kraaien zwijgen als wij in hun buurt zijn omdat ze ons te dom vinden!

De wereld van onze VJ-voorouders was een dierenwereld; ze zagen zichzelf als dieren en als afkomstig van dieren. Ieder clanlid kreeg bij haar/zijn geboorte een diersoort als totem.

Kijk eens hoe mooi ik daar zwem! fluistert de indiaan tegen de antropoloog. Ach, gekkie, dat is een otter! lacht de westerling. Nee, dat ben ik!! sist de indiaan woedend, en denkt: die witten zijn echt stom, ze kunnen niks en ze weten niks.

Het totemisme hield ook het taboe in op het eten van en jagen op je totemdier. Dit droeg bij aan het voorkomen van overbejaging van een prooisoort.

De !Kung San leven in het gedeelte van de Kalahariwoestijn dat in Namibië en Botswana ligt. Hun taal bevat veel klikgeluiden die als !k of dergelijke tekens moet worden weergegeven.

Op precies deze manier maakten de Bizingsleben-dames hun hutjes, en lieten die ook weer in de steek na gebruik. Sommige onderzoekers brengen juist die verlaten kampen van de !Kung San en andere VJ’s minutieus in kaart, met alle achter-gelaten afval. Om die plattegronden te kunnen vergelijken met die van oude vindplaatsen in Olduvai en bij het Turkanameer. Ze blijken qua achtergelaten dierenbotten en kapotte werktuigen verrassend eender! Het vergankelijke materiaal als graafstokken of dierenvellen moet je er dan wel bij denken. (Uit: De Oorsprong van de Mens van Richard Leakey. (Uitg. Nat.&Techn. 1982)

De Kalahariwoestijn is ongelooflijk vlak, met hier en daar dor gras, kale struiken en wat bladerloze bomen, als in een snikhete winter. Toch verzamelen de vrouwen daar het dagelijkse voedsel en verzorgen de kinderen terwijl de mannen op jacht zijn. En als het te verzamelen voedsel schaars wordt, gaan ze met de hele groep, van een mens of twintig, op pad naar een volgende kampplek. En … ze voelen zich de koning te rijk. En zijn gezond. En gelukkig!

VJ’s (verzamelaars/jagers)

99,5 % van de tijd dat we mensen zijn leefden we als VJ’s. Dat is onze menselijke natuur.

Het volgende citaat, ontleend het aan het boek The other side of Eden van de Engelse antropoloog Hugh Brody (vert. De andere kant van het paradijs, Atlas 2001), vind ik een goede indruk geven van hoe onze voorouders 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geweest zijn.

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte. Vooral de vertrouwde stem van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Dat mag ze zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.

Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[42] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen[43].

Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn, ondanks de woestijn- of pool-achtigheid van hun leefgebieden, opvallend gezond[44] en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om[45]. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want – voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is hard en kent geen mededogen. Want ze is, meer nog dan de vrije markt, een dom mechanisme. Maar onze voorouders hadden vanaf hun dier-zijn nooit anders gekend.

Op deze VJ-manier hebben onze voorouders 99,5% van de tijd dat we ze mensen (Homo) noemen, dus vanaf 2 mjg, geleefd. Zo te zijn en zo de wereld en het samenzijn te beleven, dat zit overerfelijk in ons wezen. Dat is – ik kan het niet vaak genoeg herhalen – onze menselijke natuur. Wanneer we van nature agressief zouden zijn, zoals sommige rechtse filosofen beweren om er hun conservatieve standpunten mee te kunnen onderbouwen, zouden we genieten van zinloos geweld. Maar het tegendeel is waar: we raken erdoor ontregeld en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes, speelgoedbeertjes en stille tochten.

Pas in die laatste 0.5% zijn de mensen door overpopulatie met elkaar in gevecht geraakt en zijn de mannen macht gaan uitoefenen over de vrouwen. In die laatste 0,5 % ook zijn de vrouwen op het telen van voedsel overgegaan, zijn de mensen in steeds definitievere behuizingen gaan leven en hebben hun vrije VJ-bestaan vaarwel moeten zeggen. Zijn ze boeren (AGR’s[46]) geworden. U en ik zijn AGR’s.

We zijn vanaf toen weldra in klassenmaatschappijen komen te leven, met despoten en in slavernij. Het dieptepunt van het gefrustreerd worden van onze goede VJ-natuur. Zodat we ons nu die voorouderlijke VJ-harmonie nauwelijks meer kunnen voorstellen en u in eerste instantie geneigd zult zijn deze voorstelling van Hugh Brody als romantisering af te doen. Brody is nog pas één van de weinige antropologen die dit feit beseffen. Want ook de antropologen – en ook Brody – hebben nog geen idee over hoe mensen van apen mensen geworden zijn en wat ons zulke ‘aparte’ dieren heeft doen worden.

stam-mentaliteit

Mocht bij het lezen van het stukje over die aardige VJ’s de gedachte bij u zijn opgekomen dat die VJ’s toch wel veel beschaafder zijn dan wij, AGR’s, dan was dat een foutieve gedachte. Beschaving is gewelddadige disciplinering van stammen, na onderworpen en ingelijfd te zijn in het rijk van een geweldenaar en diens troepen. VJ’s zijn aardig, hetgeen wil zeggen dat ze zijn en zich gedragen overeenkomstig onze aangeboren menselijke natuur (‘aard’). We dienen de menselijke natuur steeds in die onheilige drievuldigheid zien. De stam-mentaliteit (of clanmentaliteit) is daarin een vorm van egoïsme maar dan op het niveau van de stam of de clan.

Stam-mentaliteit is de mentaliteit (wijze van denken en voelen) van het individu in een stammengroep. Daarin ervaart het individu zich niet als een apart en uniek persoon, maar ziet het zichzelf uitsluitend als lid van zijn clan en van de stam waar zijn clan toe behoort. Het is een mentaliteit die voor ons, beschaafde[47] West-Europeanen nauwelijks meer invoelbaar is. Je bént je clan, je persoonlijke identiteit vals samen met die van je clan. Dat is waar ik op doelde toen ik zei dat de stammentaliteit een vorm van egoïsme is maar dan op het niveau van de stam of de clan. Het is de mentaliteit van ‘één voor allen, allen voor één’. Mooi als kreet maar niet meer naleefbaar als het de dimensie van je eigen puberclubje overstijgt.

Een stam-individu ziet een medemens óf als een lid van de eigen stam (principieel vriend) óf als een lid van een vreemde stam (principieel vijand).

Doordat een stamlid zichzelf niet als individu ervaart, voelt het alleen verantwoordelijkheid voor en ten opzichte van de stam. Vandaar dat tribalen het niet als een inbreuk op hun persoonlijke keuzevrijheid ervaren wanneer hun huwelijkspartners door hun ouders worden uitgekozen. Het huwelijk is een zaak tussen clans en niet tussen individuen. Vanouds moesten clans over elkaars grondgebied kunnen beschikken en op elkaar aankunnen in tijden van nood. De belangen van twee clans stonden op het spel, dus kon de keuze van partners niet aan zoiets grilligs als verliefdheid worden overgelaten. Stam-mensen vinden het niet meer dan normaal als ze hun partner aangewezen krijgen. Ze beleven hun huwelijk niet als individuen

maar als stamleden: haar familieclan is door de verbintenis geparenteerd aan de jouwe; liefde? een familieclan is toch niet verliefd op de andere? Moeilijk invoelbaar voor ons. Bij onze allochtone medelanders is het een teken van geïntegreerd-raken wanneer jongeren voortaan zelf hun partner willen tegenkomen.

Alle leden van de stam zijn verantwoordelijk voor de daden van alle stamleden. Als een lid van een bepaalde stam iemand van een andere stam vermoordt, dan is de stam van de dader (deze laatste wordt niet als ‘moordenaar’ gezien!) in zijn geheel schuldig. Dan draagt de stam een bloedschuld aan de stam van de vermoorde.

De stam van de vermoorde heeft dan de collectieve plicht tot het wreken van die moord: de plicht tot eerwraak. Elk lid ervan voelt de ereplicht om iemand van de schuldige stam om het leven te brengen. Het hoeft dus niet de dader te zijn die moet worden omgebracht: elk ander lid van diens stam is even geschikt om er de eerwraak aan te voltrekken.[48]

Wanneer de stam van de dader de moord op een eigen lid als terecht en in evenwicht beschouwt, is de zaak afgedaan. Helaas is dat zelden het geval en voelt de stam zich door die wedermoord in haar eer aangetast. Vaak ook doordat de vermoorde als hoog in status was gezien en diens dood dus met meerdere doden diende gewroken te worden. En zo kan er tussen twee stammen licht een bloedvete ontstaan die zich over vele generaties kan uitstrekken. Wraak op wraak kan zelfs leiden tot het uitroeien van een hele stam. In de Bijbel speelt dit gedoe een hoofdrol. Althans in het judaïstische deel. Het christelijke deel, met name in de brieven van Paulus, ademt een minder tribale dus beschaafdere geest: de auteurs daarvan waren producten van de Griekse (Hellenistische) beschaving en waren geen tribalen meer.

de AMM’s (Anatomisch-Moderne Mensen)

Ik heb de Europese HEID-mensen van Bilzingsleben, levend in OIS-fase 11 (440-367.000 jg), op die geplaveide plek tussen hun drie hutten hun Scheppingsverhaal en andere dingen, 33.000 jaar lang[49] laten dansen/zingen. Intussen is de tijd doorgegaan, het klimaat is weer kouder en kouder geworden en gedurende OIS-fase 10 (367-347.000 jg) was de bewuste dansplek voor vele duizenden jaren bedekt met een dikke ijslaag. De Europese HEID’s zijn intussen tot NT’s (Neanderthalers) geëvolueerd. Onze rechtstreekse voorouders zwerven dan nog steeds rond in het warme Afrika – dus gitzwart van kleur.

Ook de NT’s bleven in hun levenswijze VJ’s (verzamelaars/jagers). Daar veranderde heel weinig in. Star vasthouden aan de tradities, dat is de meest opvallende karaktertrek van onze HEID-voorouders en ook nog van de NT’s[50]. En waardoor dat kwam, heb ik op p 29 bevredigend verklaard, dacht ik. Vanwege de noodzaak tot het ‘bijspijkeren’ van hun existentiële onzekerheid van het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid, door de overstap op talig bewustzijn, weet u nog?

Er komt pas wat beweging in de starheid van het vasthouden aan de tradities bij wat onze naaste vooroudersoort zouden worden: de Anatomisch Moderne Mensen (vroeger door de paleo’s als H sapiens sapiens aangeduid, hier verder als AMM’s) in Afrika.

Ik heb het al even over ze gehad. Het had te maken met het feit dat de mensapenpopulatie waar wij van af stammen, zo apart geworden is doordat die dieren waren gaan communiceren met gebaren – met de keelgeluiden in een voornamelijk ondersteunende rol. Terwijl het voor ons-nu andersom is: wij communiceren nu met keelgeluiden en laten die opvallend vaak, vooral als emoties meespelen, vergezeld gaan van betekenisloze (evengoed nog steeds functionele!) gebaren.

Die spraakklankencommunicatie is zo’n 150.000 jg begonnen in een Afrikaanse HEID-populatie, waarschijnlijk levend in de streek waar nu Soedan en Kenia liggen. Waar de mensen lang en dun zijn, zoals de hiernaast afgebeelde Dinka-vrouwen (© Neil Cooper 2009 – All rights reserved). In een heet klimaat kun je dat maar beter zijn want dan raak je makkelijker je overtollige lichaamswarmte kwijt en kun je beter functioneren. Zoals je in een ijstijd-klimaat maar beter kort en gedrongen kunt zijn, zoals de Inuit.

Natuurlijk is er altijd een drang geweest om de keelgeluiden zo betekenisdragend mogelijk te laten zijn. Vanwege de ‘onhandigheid’ van de gebarentaal in het donker of om een hoekje of met je handen vol hebben onze vroege voorouders van meet af aan klanken geproduceerd waar ze wél bewuste controle over hadden: [klik!] en [pff!] en [krr!]-geluiden. Het emotiegeladen dansen/zingen van het Scheppingsverhaal, waar hun hele bestaan om draaide, heeft een fundamentele rol gespeeld in het onder neocorticale controle brengen van de zanggeluiden. De vrouwen hebben daar altijd de leidende rol in gehad, zijnde de draagsters van hun samenleven, in alle betekenissen van het woord.[51]

Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is, hoe wij onze spraakklanken vormen. Met ons ‘moderne’ spraakapparaat: een verdiepte keelholte (voor het vormen van klinkers) en een dikke gespierde tongwortel (voor het vormen van medeklinkers). Mensapen beschikken daar niet over en ook onze vroege voorouders niet. De HE’s en de NT’s zullen, nogmaals, evengoed al heel wat betekenisdragende keelgeluiden hebben ontwikkeld in die miljoenen jaren, en hun communicatie hebben verrijkt met een keur van klik!- en blaas- en fluitkklanken.

Welnu, die ‘nilotische’ lange dunne Noord-Afrikaanse MSA’s kregen, vanwege hun langere nekken, steeds meer keelholte. De luchtpijp, die bij paarden en honden en mensapen en vroege mensen normaal eindigt in de neusholte (zodat die tegelijk kunnen ademhalen en slikken en een hele emmer water zonder het benauwd te krijgen leeg kunnen drinken), bleef bij hen steeds permanenter ingedaald in hun mondholte. Zij waren de eersten die zich wel eens verslikten!

Het heeft er alles van dat het vrouwen waren die als eersten ook buiten de rituele voordrachten van het Scheppingsverhaal gingen communiceren met spraakklanken.

Voor de mannen, die sowieso vanuit hun ‘beroep’ al communicatie-armer waren, was die spraakklankentaal aanvankelijk ‘vrouwenwerk’ waar zij, bij hun belangrijke maar hachelijke jachttaken, geen vertrouwen in stelden. Bij hun voorbereidende rituelen bleven ze zich tot de Grote Voorouder richten in gebarentaal (iets wat de hedendaagse Semai-jagers nog steeds doen). Want denk er om, onze voorouders waren nog bijgeloviger dan voetballers en overal zagen ze tekens in. Hun wereld was een dierenwereld en een andere wereld kenden ze niet en bestond dus niet. Nog steeds spelen in de religieuze rituelen, zoals de Roomse Mis, ‘heilige’ gebaren een opvallende rol.

Maar … communiceren met spraakklanken doét iets met mensen.

Met gebarentaal communiceer je met je hele lichaam en gelaatsexpressie. Het waarnemings-vermogen van de Vroege Mensen was onvergelijkelijk veel scherper[52] dan het onze-nu

en het was voor hen onmogelijk om te liegen – zo ze dat al ooit zouden hebben willen doen.

Maar met een stalen gezicht en je handen achter je rug kun je liegen dat het gedrukt staat. Niet dat de AMM’s daar nou een sport van maakten, maar het feit dat ze het kónden maakte al dat ze een ietsje onafhankelijker en individualistischer in het leven kwamen te staan. Iets losser van de starre traditie van de dingen doen zoals ze altijd gedaan waren of zoals de Grote Voorouder het geleerd had. Ze zijn op andere grondmaterialen dan alleen maar steen voor hun werktuigen overgegaan en hebben ook andere voedselbronnen aangeboord. Maar dat die starre traditie ook bij de AMM’s in afgezwakte vorm nog steeds hoofdzaak bleef, moge het volgende fragment illustreren.

Adrian Boshier naderde een klein dorp en hoorde het geluid van een maalsteen. Achter het windscherm bij een der hutten was een vrouw bezig het graan voor de maaltijd fijn te malen, waarbij ze een lied zong. Met een bezempje veegde ze het meel in een schaal en keek met een kritische blik naar haar lwala (de ondersteen), waar een diepe gladde holte uitgesleten was. Ze stond op, ging de hut binnen en kwam terug met in haar hand een donkere ronde steen ter grootte van een sinasappel.

Boshier naderde en begroette haar. De vrouw nodigde hem uit te gaan zitten op een lage kruk in de schaduw van haar marulaboom en bracht hem een kalebas met maswi (zure melk), zoals het gebruik gebiedt. En vervolgde haar werk. Met de kleine donkere steen hamerde ze op de lwala dat de splinters in het rond vlogen. Hij had dit nog nooit zien doen en vroeg haar waarvoor dat was.

‘Dit heet patolo.’ Ze hield de hamersteen omhoog. ‘Mijn lwala is zo glad geworden dat het graan wegglijdt. Hiermee leer ik hem weer de les. Ik geef hem handen.’

Boshier zag dat het een gespikkelde groene granaatsteen was, totaal verschillend van al het andere gesteente uit de streek. Zo te zien ook een oude steen.

‘Hij was van mijn moeder.’ zei ze trots. ‘Dit soort stenen werden vroeger door handelaren hierheen gebracht en we betaalden ervoor met graan of geiten. Maar nu komen de handelaren niet meer. Dit is mijn laatste en als hij op is, zal mijn lwala te dom zijn om nog te werken.’

‘Waarom gebruik je geen beitel om hem ruw te maken?’

De vrouw was geschokt. ‘Nee! Dat is onmogelijk. Alleen steen. Alleen deze speciale steen.’

Uit: LyallWatson De Regenmaker.

De AMM’s werden wat het volharden in starre tradities betreft een ietsjepietsje vrijer dan de Vroege Mensen en gingen ook andere materialen dan steen aanwenden om werktuigen te maken: hoorn en ivoor, en been. Daar konden ze geweerhaakte speerpunten mee vervaardigen. Vissperen en harpoenen! Een heel nieuwe en onuitputtelijke bron van proteïnen opende zich hiermee: de waterdieren. Een behoorlijke verrijking van het menu, die blijkbaar ook een snelle toename van de AMM-leefgroepen mogelijk maakte.

De oudste tot nu toe gevonden afvalhopen van schelpdieren dateren van 164.000 jg. en daar moet je de naam ‘Pinacle Point’ bij onthouden. Dat is een grot aan de zuidkust van Zuid-Afrika. Dat het AMM’s waren en geen MSA’s, daarop wijst ook het gebruik van de typische AMM-stenen werktuigen (‘micro-blades’) en het gebruik van rode oker. Hoewel, ook de NT’s gebruikten al volop rode oker[53] en mangaan. Maar in Swasiland zijn okermijnen van rond 90.000 jg gevonden! Niet zomaar wat gaten in de grond, maar echte mijngangenstelsels, en wel een half miljoen stenen graafwerktuigen. (ScienceOnLine, 3 Oct.2007). Daar moet echt grootscheeps gedolven zijn. Stukken oker: een heel belangrijk ruilmiddel.

Een tot nu toe weinig belichte veroorzaker van nieuw gedrag is de ijstijd die wij hier kennen als de Riss/Saale ijstijd. In onze streken deed die de Noordelijke gletschers oprukken tot waar ik dit nu zit te schrijven: tot aan de stuwwal van Nijmegen. Gedurende die ijstijd (OIS-fase 6, 195-128.000 jg) zat er zo gigantisch veel water in ijsmassa’s opgesloten dat ook Afrika in een woestijn-achtig continent veranderde. Met alleen op de evenaar nog een paar regenwoud-enclaves waar de voorouders van de huidige mensapen overleefden – een moeilijke tijd die grotendeels aan de voorouders van de bonobo’s voorbij ging.

De Afrikaanse familieleden van de Europese NT’s, de MSA’s (Middle-Stone-Age’s), die nog ouderwets leefden van de jacht op groot wild, moeten in die millennia net als hun prooidieren gedecimeerd zijn geweest of misschien wel geheel uitgestorven. Maar de wat flexibelere AMM’s, die zich vooral op waterdieren en watergroente waren gaan toeleggen, overleefden in de kustgebieden. Met name de kusten van Zuid-Afrika[54].

De nieuwe ‘economie’ van de AMM’s maakte dat hun leefgroepen veel groter konden zijn dan die van de MSA’s. In plaats van de ca 25 zielen van de MSA’s telden de AMM’groepen wel 150 individuen. In een kleine groep valt er minder te ‘brainstormen’ en zo er al een nieuw idee ontstaat vindt het weinig gehoor en bloedt dood. Maar in een grote groep vindt een nieuw idee makkelijk een paar aanhangers en dan is het hek van de dam. Behalve dat hun groepen meer individuen telden, groeide ook het aantal AMM-leefgroepen sterk. Wat de uitwisseling van nieuwe ideeën en van nieuw gedrag en nieuwe technieken ten goede kwam.

herramientaHet is een artikel in Nature (okt.’07) dat de tot nu toe oudste vondst van het succesvolle AMM-overlevingsgedrag weet te melden. De recente opgravingen van een team olv de Amerikaanse paleo Curtis Marean in een grot bij Pinacle Point aan de Zuidkust van Afrika heeft de resten van schelpdier-maaltijden, haarden, stenen werktuigen van typische AMM-techniek (kleine maar lange en smalle afslagen, ‘bladelets’ geheten in paleo-termen) en symbolisch gebruik van oker gevonden, te dateren op 164.000 jg. Terwijl de oudste tot dan toe gevonden soortgelijke woonplekken die van de Blombos Cave zijn, daar niet ver vandaan maar van veel jongere datering.

‘bladelets’ oftewel ‘microblades’ uit de grot van Pinacle Point

Rond 125.000 jg was de Riss-ijstijd voorbij en beleefde de wereld OIS 5: 128-75.000 jg, de warme periode van wat hier het Eemien heet. Er leefden nijlpaarden in de Theems en Afrika was weer het grotendeels met regenwoud bedekte continent, nog groener dan zoals wij het vandaag kennen. De voorouders van de chimpansees beleefden gouden tijden, hun leefgebieden breidden zich weer ongekend uit.

Die zeer warme periode was 116.000 jg al koeler geworden maar zou 74.000 jg een abrupt dieptepunt beleven door de explosie van de Toba, waar ik al op gezinspeeld heb en die dadelijk voorbij komt. Maar het is nu nog even Eemien.

De oudste harpoenpunt is van 90.000 jg, gevonden in Congo (zie afb hierboven). Op de Semliki-site, in de KT9-laag. Behalve zeven goedgemaakte benen visspeerpunten, met eenzijdige inkepingen als weerhaken, werden er ook de resten van vis gevonden. En helemaal bijzonder: de sporen van twee hutten. En het meest bijzonder: de onderzoekers maken melding van een pavement, dus een ‘geplaveid’ pleintje. Net als in Bilzingsleben is gevonden.

Veel meer benen gereedschap is in een grot in Zuid Afrika (Stilbaai) opgegraven, van 70.000 jg. Voorlijke, met vissperen foeragerende, AMM-populaties breidden zich snel uit en verdrongen primitievere, nog uitsluitend stenen gereedschap kennende en star-traditionele, HEID-stammen naar randgebieden. Bijvoorbeeld naar het huidige Israël, waar in de grotten van Qafzeh en Skhul onmiskenbare AMM-schedels van 90.000 jg zijn gevonden maar nog zonder benen of hoornen werktuigen. Afrika was gedurende de droge ijstijdmaxima door ondoorkomelijke woestijnen afgesloten van Eurazië, maar gedurende een warme tussenperiode veranderden de woestijnen in grasrijke vlakten en konden kuddes graseters, gevolgd door de hen bejagende AMM’s, door het Nijldal noordwaarts trekken naar (het latere) Palestina, de corridor naar Eurazië. Dat was rond 90.000 jg het geval geweest.

OoA (Out of Africa) – IIa

Onze bakermat ligt in Afrika, daar zijn de meeste paleo’s het over eens. Maar niet alle: er is nog een ‘multiregionale’ groep paleo’s die stelt dat wij, AMM’s, ons uit drie verschillende populaties Vroege Mensen, onafhankelijk van elkaar, hebben ontwikkeld. In Afrika uit de MSA-mensen, in het Verre Oosten uit de late HE’s aldaar en in Europa uit de NT’s.

Maar het DNA van alle nu levende mensen is verrassend uniform en verschilt nogal van het DNA dat men uit NT-botten heeft weten te trekken. De ‘multi’s’ raken echt in de hoek, en de OoA-paleo’s vieren het ene na het andere feestje.

Alweer: de rare continent-vormen geven de toestand gedurende de ijstijd-maxima weer

Waarom die ‘II’ bij Out of Africa staat heb ik al laten weten: de vroegste Vroege Mensen, de HERG’s, waren omstreeks 1.8 mjg met hun kampvuren de eersten die zich buiten de tropen konden wagen en zijn uitgezwermd buiten Afrika. Dat was OoA-I.

De AMM’s zijn in Afrika ontstaan uit de MSA’s aldaar (ik geloof ook niet meer in de multiregionale optie). Door vrijere levenshouding, grotere groepen en grotere aantallen van hun groepen raakte Afrika op den duur ‘vol’ en rond 90.000 jg trok een groep via de Nijldelta noordwaarts, om hun sporen in de grotten van Qafzeh en Skhul achter te laten. Deze eerste ‘golf’, door mij als OoAIIa aangeduid, van die primitieve AMM’s heeft zich vermoedelijk wel verder oostwaarts verbreid maar heeft zich niet vertoond in de NT-gebieden van Europa.

De latere OoA IIb-‘golf’van rond 60.000 jg was van een moderner allooi. Maar tussen die twee uitzwermingen geschiedde een ramp die bijna ons hele Verhaal beëindigde.

Dat is de explosie van de Toba, 74.000 jg. Een wereldramp.

De Toba was tot op dat moment een supervulkaan op Sumatra. Die hele berg is 74.000 jg de lucht in gegaan, een enorme krater achterlatend die zich met water vulde: het Tobameer; een van de grootste en zeker het diepste meer van de wereld. Kijk, tot zoveel geweld is ons planeetje in staat. We zijn echt maar een randverschijnsel, hoor, al zijn we leuk bezig met ons leefmilieu.

Toba Ash Deposit Excavated at Jwalapuram in Southern India

© Science, 9 juni 2009

2,800 kubieke kilometer (!) as ging de lucht in en regende in een langgerekte pluim neer in noordwestelijke richting, midden-India onder een zes meter dikke laag bedelvend. De aarde verduisterde en een zes jaar durende ‘nucleaire’ winter trad in. Door de duisternis en de kou groeiden er nog nauwelijks planten: een massale sterfte tot gevolg hebbend onder de grote planteneters, én onder de roofdieren die op die grote planteneters waren aangewezen. Dus onder de Vroege Mensen! Dat de NT’s, hoe gedecimeerd ook, het blijkbaar hebben weten te overleven, is tekenend voor de taaiheid van dat ras[55]. Ze overleefden in elk geval in Israël, waar ze gewoond hebben in de gebieden waar de primitieve AMM’s toen uit weggetrokken waren.

Voor de Afrikaanse AMM’s en die in het Verre Oosten moet de ramp het minst erg zijn geweest. Niet alleen leefden ze op het zuidelijke en warmste halfrond, ze hadden bovendien voedseltechnisch toegang tot de planten en de dieren van de waterwereld, die iets minder leed onder de ‘nucleaire winter’ dan het land.

Na die zes kritieke jaren leefde de plantenwereld weer op, en dus ook de dierenwereld. Dus ook de roofdieren, waar onder de AMM’s. Ik vermoed dat de kritieke jaren een behoorlijke stimulans hebben betekend voor hun technische vindingrijkheid. In elk geval zijn hun aantallen vanaf toen, en dus ook de aantallen van hun leefgroepen, ‘explosief’ gaan toenemen. De wereld was door het uitsterven van de meeste Vroege Mensen weer eindeloos groot geworden en de AMM-groepen vulden opnieuw[56] alle hoeken en gaten van het Afrikaanse continent. Rond 60.000 jg verschijnt er weer een golf AMM’s[57] in Israël. Maar nu wél met benen en hoornen werktuigen en sieraden van schelpen en been.

OoA (Out of Africa) – IIb

Eén tak van de AMM’s van OoAIIb buigt af naar het noorden, naar het leefgebied van de NT’s. Ze trokken via de Balkan naar de toendra’s van Duitsland, België en Frankrijk: het werden rendierjager-stammen. Het zijn deze mensen die als de Cro-Magnon-mens in Frankrijk zijn aangetroffen en die later de bekende grotschilderingen zullen maken.

Ze hebben de NT’s tot uitsterven gebracht.

Dat is waarschijnlijk met weinig bloedvergieten gepaard gegaan. De NT’s ontweken hen. Voor de NT’s waren die luidruchtige en vreemd uitziende indringers (met hun belachelijk hoge voorhoofd en die úitstekende kin) een nachtmerrie. Ze zagen je gebaren niet eens! En ze wierpen spiezen van grote afstand dwars door je heen (met speerwerpers namelijk). En ze waren met zo velen. Dus je trok met je groep maar weg, naar gebieden waar die indringers zich niet vertoonden.

De oerconservatieve NT’s bleven economisch ook aangewezen op grote prooidieren: zoals oerossen en zelfs mammoets. Terwijl de AMM’s voornamelijk op rendieren jaagden maar ook op kleiner wild, en zeker de helft van hun proteïne haalden uit vis, zeevruchten en gevogelte. Dat maakte dat hun groepen in de loop van de millennia groeiden en groeiden als konijnen, en de NT-groepjes naar steeds onherbergzamere enclaves werden verdrongen. De laatste NT-groepjes hielden stand in Spanje, waar de laatsten 28.000 jg uitstierven.

Links een afbeelding van hoe men denkt dat de Europese AMM’s (de zg Cromagnonmens) er uit zagen. Natuurlijk weer een man afgebeeld!Maar wel geloofwaardig: hij vertoont nog duidelijk de trekken van zijn Afrikaanse herkomst.

De NT (hiernaast, ook weer een man) moet hem maar een griezel gevonden hebben, met dat rare hoge voorhoofd en dat kleine neusje en die lange nek. Maar vooral dat ze met zo velen waren, en dat ze kakelden en dat je er niet mee kon communiceren: ze reageerden totaal niet op je gebaren maar gooiden meteen met spiezen

Het beeld van een minder menselijke NT is waarschijnlijk onterecht. Tenminste wanneer je ‘menselijk’ ziet als: zoals onze soort twee miljoen jaar lang geweest is. Dan zijn de NT’s daar een zuivere voortzetting van en wijken de AMM’s af van dat normale patroon.

Ik ben er ten stelligste van overtuigd dat de NT’s nog perfecte en onaangetaste ’edele wilden’ waren. Onaangetast door overpopulatie. Overpopulatie betekent: teveel leefgroepen in een beperkt voedselgebied. Dat leidt tot overlevingsgevechten tussen de leefgroepen, en oorlog maakt mannen belangrijk. Het is door overpopulatie dat de chimpansees vanaf 2,5 mjg tot oorlogszuchtige macho’s zijn geworden. En het is opnieuw door overpopulatie dat de AMM’s eerst heel Afrika ‘overbevolkt’ hebben en vervolgens, al enigszins tot macho’s en krijgers geworden, onze naaste voorouders zijn geworden. Maar: hun voorouderlijke VJ-natuur in zich meedragend. Doen wij trouwens ook nog steeds, in onze diepste verlangens.

Voor de NT’s was de wereld nog eindeloos groot. Vandaar dat zij zich zonder strijd terugtrokken naar streken waar geen AMM’s waren. Individueel waren ze een AMM zeker de baas. Maar de AMM’s waren met velen (hun leefgroepen telden drie tot vijf keer zoveel individuen als een NT-leefgroep telde. Bovendien waren de AMM’s superieur bewapend: met speerwerpers. Daarmee kon je een werpspies met meer kracht en over een veel grotere afstand en loepzuiver lanceren.

Vergeleken bij de zachtmoedige NT’s waren de AMM’s ook brutaler en agressiever. Ze waren luidruchtig, schreeuwerig, en ze zagen er in NT-ogen eng uit: een soort aliens, lang en dun, hun hoofden met van die hoge voorhoofden, kleine neuzen en naar voren uitstekende kinnen op een lange nek.

Voor de AMM’s waren de NT’s daarentegen niet meer dan aapachtige roodharige monsters. Er viel geen woord mee te wisselen, hoe hard je er ook tegen riep. Áls je er al een te zien kreeg: ze waren nog schuwer dan een antilope.

Al zullen maar weinig AMM’s oog in oog met een NT gestaan hebben, de verhalen over hen deden aan alle vuren de ronde. Het ene verhaal al demoniserender dan het andere. Onder de huidige AMM’s leven de NT’s voort als holbewoners, als kobolden, trollen en kabouters.

Roodharig? De meeste paleo’s waren er al van overtuigd dat de NT’s, immers levend ver van de evenaar, dus in een gebied waar het zonlicht maar half zo sterk is en veelal door bewolking wordt tegengehouden, beter af waren met een bleke huid die ontvankelijker is voor de verminderde ultraviolette straling en de vitamine D-productie voor de botten vergemakkelijkt. Laat daar nu ook genetische aanwijzing voor gevonden zijn! In een Science-artikel van oktober 2007 wordt het onderzoek aan het genoom dat uit bot van twee NT-individuen is geëxtraheerd, beschreven. En wel aan het mc1r-gen, dat de huidpigmentatie regelt. De variant ervan in beide NT-genomen staat voor een lichtgevoelige huid en rood haar.

Maar in de gereconstrueerde afbeeldingen krijgen de NT’s nog steeds zwart haar, blijkbaar. Niet alleen de NT-dame hiernaast, maar ook de NT-heer hierboven die de AMM een griezel vindt.

De dame hiernaast heeft bovendien een te slanke nek gekregen: ik denk dat de NT’s nog een nek hadden zoals mensapen hebben en onze baby’s nog steeds hebben: nauwelijks nek dus. AMM’s hadden lange nekken en wij hebben die nog steeds, zodat we met onze stem kunnen communiceren maar ons ook kunnen verslikken.

Kaart van de AMM-migratie over de wereld, volgens de populatie-genetica (het mtDNA). Alle mensen op de wereld kunnen worden ingedeeld, op basis van overeenkomst in hun mtDNA, in zg haplo-groepen. De letters bij de pijlen geven groepen mensen aan die tot dezelfde haplogroep behoren.

Linksonder is Afrika, onze bakermat. Afrika bevat de haplogroepen L, L1, L2 en L3. Je ziet dat alle Out of Africa-pijlen vertrekken vanuit L3. De bevolking van Afrika kent grote genetische diversiteit, die van de rest van de wereld kent weinig genetische diversiteit. Zo zit het.

Wat dit kaartje niet laat zien is, dat de AMM’s die naar het Verre Oosten zijn getrokken (de onderste kronkelende lijn), dat in twee ‘golven’ hebben gedaan. De eersten waren de nakomelingen van OoAIIa. Voorlopig neem ik aan dat de huidige negrito’s (Andaman eilanden, Noord-Maleisië, Cambodja, Vietnam, Zuid-China, Japan, Filippijnen, Papoea, Australië) nakomelingen van die OoAIIa zijn. Ze waren al voorbij India en in Maleisië aangeland toen de Toba-ramp zich voltrok. De mensen van beide golven leefden van schelpdieren, vis, zeeleeuwen, knaagdieren, maar ook runderen en antilopen.

De huidige Vedda’s (Senoi en Orang Malayu Asli) zijn dan, neem ik aan, de nakomelingen van OoAIIb, van na de Toba-ramp. Maar ik geef onmiddellijk toe dat ik dit denk omdat het dan zo’n fraai kloppend scenario oplevert. Het zou bijvoorbeeld kunnen verklaren waarom de Aboriginals nooit pijl en boog hebben gekend. Ze stammen af van de primitievere OoAIIa-‘golf’.

De negrito’s.

Dit is een foto van de prachtige site van George Weber The Andaman Negrito. Vandaag zijn ze door latere en modernere populaties verdrongen naar de oerwouden en moeilijk bereikbare eilanden als de Andamanen. Die vallen vandaag onder India. De negrito’s zijn kleiner dan de Indiër, die toch ook geen reus is als je er een Nederlander naast denkt. De AMM’s van OoAIIa in beeld!

Waarom zijn ze klein? Omdat ze eilandbewoners zijn. Wanneer je voor je duurzaam voortbestaan geen voordeel hebt van een lange gestalte, verdwijnt die op den duur: een kleine gestalte vergt minder voedsel en dus inspanning om die te onderhouden. Zo zijn de Pygmeeën, regenwoudbewoners, ook klein geworden.

Agta-vrouw, van de oerbewoners van de Filippijnen

De Negrito’s zijn donker en hebben kroeshaar. Samen met de Vedda’s zijn de negrito’s de oorspronkelijke AMM-bewoners van het Verre Oosten. De Papoea’s, de Australische aboriginals, de Tasmaniërs en de Melanesiërs zijn afkomstig van de negrito’s. Deze AMM’s drongen binnen in de leefgebieden van de Homo erectus-mensen aldaar, althans de modernste nakomelingen daarvan, en voor zover ze de Toba-ramp hadden weten te overleven. Net als de NT’s in Europa werden de HE’s door de AMM’s verdrongen naar steeds afgelegener en onherbergzamer gebieden, om daar ook kort na 30.000 jg uit te sterven. Hoewel … de kleine Homo floresiensis-mensen lijken het nog tot 12.000 jg te hebben uitgehouden. Ik heb nog niets gelezen over archeologische bewijzen van HE-nakomelingen in het Verre Oosten uit de NT-tijd.

De vedda’s.

een Vedda van Sri Lanka

De Vedda’s zijn lichter van huidskleur en hebben sluiker haar. Ze leven nog op het Arabische schiereiland en in Sri Lanka. In Sri Lanka zijn ze naar de marge verdreven door de Tamils en die op hun beurt door de Singalezen. Maar ook de Vedda’s zijn niet de eerste ‘kolonisten’ van het eiland. De echte eersten waren de nu uitgestorven Nittevo. Dat waren, op te maken uit de oudste mythen en zangen van de Vedda’s, negrito’s, zoals hun waarschijnlijke verwanten op de Andamanen. Dus nakomelingen van de oorspronkelijke OoAIIa-golf richting Verre Oosten. Ze waren nog echte VJ’s, volgens die verhalen leefden ze van kleine prooidieren als hazen en schildpadden en woonden in rotsspleten of boomhutten. De Vedda’s waren volgens hun oudste verhalen al Tuinbouwers. Een van hun legenden vertelt de ondergang van de Nittevo. Na een verloren gevecht waren hun overlevenden een grot binnengevlucht. De Vedda hadden takkebossen opgestapeld in de ingang, hadden er de brand in gestoken en het vuur drie dagen lang laten branden.

De bevolking van Maleisië is een mengelmoes van rassen (niets mis met dat woord zolang er geen mensen mee worden gediscrimineerd). Behalve de moderne drie grote Aziatische bevolkingsgroepen: de Maleiers (50 %), de Chinezen (30 %) en de Indiërs (10 %) herbergt het schiereiland ook nog een kleine minderheid (zo’n 60.000 mensen bij elkaar) van de zg Orang Asli, de ‘oorspronkelijke bewoners’. Die zijn ook nog onderverdeeld in drie rassen: de negrito’s (kleine zwarte kroesharige junglebewoners), de senoi (met een lichtere huid en sluiker haar, net als de vedda’s van Sri Lanka) en de malayu (primitieve Maleiers). Deze drie hoofdgroepen, elk verdeeld over een tiental stammen, zijn als de oorspronkelijke bewoners door de modernere AGR-kolonisten naar de jungle en andere randgebieden verdrongen.

Toen de Spanjaarden rond 1550 de eilandengroep der Filippijnen in bezit namen (en naar hun koning, Philips II vernoemden), troffen ze het land aan als bewoond, behalve door de agrarische Tagalogs (AGR’s), ook door zich krachtdadig teweer stellende kleine zwarte VJ’s uit de jungle’s die ze ‘negritos’ noemden en waarvan ze terecht vermoedden dat die de meest oorspronkelijke bewoners van de eilanden waren. De Agta[58], waarvan bovenstaande foto een vrouw laat zien, is één van de negrito-volkjes van de Filippijnen. Maar alle landen in het Verre Oosten, tot Japan toe, kent de negrito’s als aller-oeroudste bewoners, al dan niet in mythen.

De AMM’s hebben als eerste mensensoort met overpopulatie-toestanden te maken gekregen. Daarvan getuigt hun genetische diversiteit in Afrika die daar veel hoger is dan elders in de wereld [59](de haplogroepen L, L1, L2 en L3) . Hetgeen er op wijst dat de AMM’s zich eerst over heel het Afrikaanse continent hebben verbreid, tot in alle uithoeken ervan, om daarna pas buiten het continent uit te zwermen op een moment dat daar gelegenheid toe was: gedurende een van de betrekkelijk korte opwarmingsperioden dat de Sahara groen was en de prooidierkudden onbelemmerd tussen de twee continenten heen en weer konden zwerven, met hun predatoren, waaronder de AM’s, in hun spoor.

Overpopulatie betekent overlevingsgevechten, betekent oorlog. Oorlog maakt mannen belangrijk. Ik denk dat bij de vobo’s, bij wie de vrouwen het meeste en vooral het meest constante voedsel inbrachten, er een licht overwicht in status was aan de vrouwenkant. Bij de HEID’s, de Vroege Mensen, werd de jacht op grote prooidieren steeds belangrijker, vooral in de koude gebieden. Dus worden mannen economisch belangrijk en winnen aan status. Bij de NT’s leefden de mannen al gescheiden van de vrouwen, zoals een onderzoek deed vermoeden. Door de overpopulatie, die zich voor het eerst bij de AMM’s heeft voorgedaan, is het overwicht definitief bij de mannen komen te liggen. Ik neig tot deze stelling omdat het mannenoverwicht vandaag overal in de wereld ook bij de meest primitieve en egalitaire stammen zoals bij de San en de Inuit, het geval is. Maar echt machisme[60], dus de onderdrukking van de vrouwen door de mannen, of zelfs regelrechte vrouwvijandigheid, dat komt alleen voor waar stammen met elkaar in permanente oorlog zijn. De ergste voorbeelden daarvan zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. Beide zijn Tuinbouwers (beginnende AGR’s).

kleine leefgroepen vs grote leefgroepen

Ik stelde dat de leefgroepen van de NT’s nog klein waren (net groot genoeg om te kunnen voortbestaan in gezamenlijke inspanning bij verzamelen en jagen maar altijd op de rand van het bestaansminimum) en dat die van de AMM’s groter tot veel groter waren. Dat dit zo was, bewijst de snelle verbreiding van de laatsten over heel Eurazië.

Dat hun groepen groter waren speelt ook een rol in de brutaliteit van optreden en hun vooruitgang in technologische ontwikkeling. Kijk wat dit betreft eens naar de hooligans: hun gewelddadigheid correleert met hun aantallen. Twee weten meer dan één en met een hele groep kun je grote problemen aan. De opeenstapeling van veel individuele intelligenties levert gemiddeld meer op dan wat uit een kleine groep opborrelt. In een kleine groep krijgt een afwijkend standpunt of afwijkend gedrag weinig kans, maar in een grote groep vindt een origineel iemand licht medestander en navolging. Vooral inzake originele en vernieuwende technologische vondsten maakt groepsgrootte nogal wat uit. Dus het pure feit van hun grotere groepen maakte de AMM’s al rijp voor technologische vooruitgang. Wat niet wegneemt dat de vraag naar het begin van hun ontstaan, een kleine 200,000 jg in NO-Afrika, overeind blijft; een vraag waarvoor ik als antwoord heb: hun overgang op gesproken taal.

Het omgekeerde: trage ontwikkeling, stilstand of zelfs achteruitgang in technisch kunnen, vindt ook plaats. De negrito’s die de Andaman eilanden koloniseerden[61], arriveerden daar met een kleine groep. Afgescheiden van de hoofdpopulatie, die verder trok. Het was de technologie waar de handvol individuen in die paar zeewaardige kano’s (met uitleggers en een gevlochten zeil), waar de Andamanezen het verder mee moesten doen. Die behelsde maar een deel van het technologisch vermogen dat in de hoofdpopulatie omging. De Andamanezen hadden wel vuur meegebracht in hun bootjes, maar er was niemand bij die de techniek van het vuurmáken beheerste. Zodat latere blanke onderzoekers tot de ontdekking kwamen dat de Andamanezen, hoe belangrijk het vuur ook voor hen was, niet in staat waren om zelf vuur te maken! Ze moesten het bij de buren gaan lenen als het hunne was uitgegaan, of wachten op een volgende bliksembrand.

Een ander voorbeeld waar ik in deze vaak aan denk is het feit dat de Aboriginals geen pijl en boog kennen. Door het stijgen van de zeespiegel na afloop van de laatste ijstijd raakte hun continent geïsoleerd van de normale culturele uitwisselingen.

de westelijke AMM’s, de Cromagnons

Bij de zgn Grote Sprong Voorwaarts die de latere AMM-populaties in het West-Europa van de laatste ijstijd hebben laten zien, met hun grottenschilderingen en Venusbeeldjes, hun pijl en boog en hun domesticatie van de wolf, heeft naast het groepsgrootte- effect hun opgesloten zitten in hun winterverblijven gedurende de eindeloze wintermaanden een grote rol gespeeld. Op dit soort toch voor de hand liggende oorzaken lijken de grote paleo’s maar moeilijk te komen. Een paleo als Richard Klein ziet maar één oorzaak: een (overigens onaantoonbare) genmutatie, die de Cromagnons plotseling deed praten – dat wil zeggen: taal bezorgde! Daar mag ik toch wel om lachen, dacht ik.

Voor hoe de Cromagnons, de Europese rendierjagers van rond 40.000 jg, geleefd hebben kunnen we veel leren van de Inuit, de hedendaagse ijstijdmensen.

Goeie afbeelding van een Cromagnon-mens? Nou, als er een hedendaagse gemiddeld-grote man naast had gestaan en de Cromagnonner minstens een kop groter zou zijn … De kleren lijken me oké, maar ik mis de amuletten en versieringen. En wat moet ‘ie met die aangepunte paal in zijn handen? En waar zijn z’n wapens?

Terwijl de NT’s op grote zoogdieren als muskus-ossen en zelfs mammoeten bleven jagen en vrijwel uitsluitend van vlees leefden, hadden de Cromagnons een uiterst breed menu. De jacht op rendieren en paarden was belangrijk, maar hun vrouwen verzamelden veel plantaardig voedsel, zetten strikken en vallen voor hazen en konijnen en ze vingen forellen.

Hierboven een NT en een AMM. Het was ijstijd dus je moet ze wel kleren (van rendiervel) aantrekken. De dame hierboven ving de forellen zelf of hielp op z’n minst mee. De NT zonder z’n wapens afbeelden mag eigenlijk niet; geef de NT de speer van de AMM, want het is een typische NT-stootspeer.

De AMM’s hadden verfijndere wapens: speerwerpers en misschien zelfs al een pijlenboog.

Deze NT-afbeelding vertoont wel de korte nek, maar de NT dient een stuk forser te ogen dan de AMM.

Waar de Cromagnons (de Europese AMM’s) vooral beroemd door zijn, zijn hun grottenschilderingen. Er zijn al heel wat theorieën over bedacht. Ik heb natuurlijk weer een eigen-wijze, zie maar wat je er van vindt.

Naast deze grottenschilderingen moet je er altijd de vrouwenbeeldjes uit diezelfde periode bij denken, zoals de Venus van Willendorf (van ca 24.000 jg), die ik verderop laat zien. Dat wijst op gescheiden rituelen van mannen en vrouwen, en dat weer op twee verschillende bronnen van voedsel: die uit de dierenwereld en die uit de plantenwereld.

De grottenschilderingen zijn mannenwerk. Bij de AMM’s zijn de mannen voor het eerst hun eigen rituelen gaan houden. Voordien was het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal heel lang een gezamenlijk beleefd ritueel geweest. Maar geleidelijk waren daarin de (vrouwelijke en mannelijke) sjamanen een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Sjamanen zijn individuen die zich gespecialiseerd hebben in het contact leggen met de geestenwereld, de wereld van de dreamings, de wereld van de schepping en de Grote Voorouder. Door intense meditatie en trance, meestal geholpen door drugs, keerden ze terug naar het begin van de dierenwereld, naar de Droomtijd. Daar trachtten ze de antwoorden te vinden op de vragen waar hun mensen mee zaten, of waar zij zelf mee zaten. De sjamanen waren de denkers van die mensheid.

Ook de Inuit hadden (nu zijn ze gekerstend) hun sjamanen. Fred Bruemmer[62] heeft nog het ‘staartje’ van het oude Eskimo-bestaan mee mogen maken, zichzelf als onderzoeker en fotograaf opdringend aan hun leefgroepjes in de ijzige wereld van Noord-Canada en Alaska. Door de opdringende westerse beschaving zijn niet alleen hun aantallen gedecimeerd (door mazelen, tyfus en pokken) en zijn hun oude jachttechnieken versimpeld (import van ijzer, jachtgeweren, sneeuwscooters en buitenboordmotoren), maar ook is hun sjamanistische religie gekerstend. Bruemmer heeft de beroemde oude sjamaan van Little Diomede (eilandje in de Beringstraat) zelf niet meer meegemaakt, maar weet veel van hem uit de verhalen van anderen en ook van diens stiefzoon.

Op een dag kwam de sjamaan bij ons om iets te lenen. Mijn vader, een goede katholiek, zei: Ja, jij kunt je mooie kunsten uithalen in de donkere kasge (de gemeenschappelijke ruimte) maar hier kun je zoiets niet!” De sjamaan keek hem alleen aan, deed zijn parka uit, pakte het grote vilmes waarmee wij walrussen slachten, nam het heft in beide handen en stak dat lange mes in zijn buik. Hij draaide het rond, er vloeide een beetje bloed, wij stonden er allemaal om heen, doodstil. Hij trok het mes er uit, de wond sloot zich en het bloeden hield op. Hij legde het mes op tafel, deed zijn parka aan en ging weg. Niemand zei iets. Mijn vader pakte het mes, er zat bloed aan.” (Verhaal van een andere Inuit)

Assikassak , de oude sjamaan, wist dat zijn oeroude religie met zoveel oeroude kennis en kunde had afgedaan. Bruemmer sprak nog wel diens stiefzoon, die hem vertelde over de geesten die zijn vader geleid hadden, en over de mystieke krachten die hij bezat. Over diens verdwaasde ontwaken uit de trance-achtige reizen naar de Droomwereld. Over diens spreken in oude talen die niemand meer verstond en diens oude kennis.

Wat de kleding betreft: een vrouw kon zo de maat van haar man of kind schatten en sneed de benodigde patronen uit de huiden met haar ulu, het halvemaanvormige vrouwenmes van geslepen leisteen. Ze naaide met nauwe overhandse steken. Als draad gebruikte ze gedroogde rendierpees, de naald was gemaakt van het harde vleugelbot van een meeuw of gans, of van de beensplinter van het rendier. Haar vingerhoed was gemaakt van muskusoshoorn.

Een complete winteruitrusting bestond uit een onderparka die met het bont naar binnen werd gedragen, en een overparka met het bont aan de buitenkant. Een onderbroek en een overbroek volgens hetzelfde principe. Verder bontsokken, laarzen en handschoenen. Bont van de veelvraat of de wolf werd gebruikt voor de rand van de capuchon omdat de rijp van de adem er gemakkelijk van af te vegen was. Een laag gedroogd gras, elke ochtend nieuw, werd onderin de laars gelegd voor extra isolatie en droge voeten. In deze kleding had je het bij –50°C’ in een snijdende wind nog aangenaam warm.

Alle gereedschap, de tenten, de kano’s en ook voor een belangrijk deel het voedsel kwam van de rendieren en andere dieren. Hun materiële wereld was een dierenwereld, en ook hun geestelijke wereld was een dierenwereld.

Het leven werd bepaald door de seizoenen.

De wintermaanden werden doorgebracht in de winterverblijven, waar het werk van de vrouwen (voor het eten zorgen en voor de kinderen en het maken van kleren) gewoon door ging maar gedurende welke de mannen weinig anders om handen hadden dan ’s morgens de vleesopslagplaatsen (onder stapels stenen) controleren en de andere tenten te bezoeken. “We dansten en we zongen en vertelden verhalen”, zei Eskalun. Ze werkten aan hun jachtgerei, aan sieraden van ivoor, been of schelpen, ze maakten ingenieus speelgoed dat zelf kon bewegen. In het voorjaar wachtten ze op de trek van de rendieren, in de zomer op de paarden, in het najaar op de zalmforel. “Als je geluk had, had je genoeg te eten. Als je pech had , had je honger. We hadden dikwijls honger. Maar dan kwamen er weer goede tijden. En de mensen waren blij en dansten.”

Voor de Inuit, aan wier bestaan ik veel van wat ik hier geschetst heb ontleen, was de belangrijkste godin Sedna, de godin van de zee en van de zeedieren. Tot haar werd gebeden voor een goede jacht, en de buitgemaakte walrus of walvis werd met een gebed bedankt dat hij zich door hen had laten vangen en hen in leven wilde houden met zijn dood. Omdat hun poolomgeving weinig aan plantaardig voedsel of vruchten biedt (toch nog meer dan je zou verwachten) kwam hun voornaamste groente (wier) ook uit zee. De belangrijkste leverancier van vitamine C is overigens de muktut, walvishuid, rijker aan vitamine C dan sinaasappels, en robbenlever bevat veel vitamine A en D.

De ‘venus’ van Willendorf (ca 23.000 jg)

Maar voor de Cromagnons was de wereld niet alleen een dierenwereld maar ook een plantenwereld. In de zomer oogstten de vrouwen peulen, bonen, knollen en de aren van wilde eenkoorn en emmerkoorn. Voor hen was ook de plantenwereld een belangrijke bron van voedsel en daarvoor betoonden zij dankbaarheid aan Moeder Aarde, welke ze afbeeldde in de religieuze vrouwenbeeldjes, gesneden uit ivoor of gekneed uit leem vermengd met beendermeel (tegen het barsten) en gebakken in de oventjes van leem en beendermeel.

We zijn met dit alles getuige van een heel nieuw gedrag van de nakomelingen van onze allervroegste vobo’s, van dat doodgewone bosland-mensapengroepje waarin één jong vrouwtje de eerste gebaren-imitatie van wat dan ook maakte tegen haar vriendinnen. Na enkele miljoenen jaren van zeer trage ontwikkeling van gebaren-namen voor steeds meer dingen gingen de nakomelingen het vuur gebruiken en werden talige wezens. In OoA I verbreidden ze zich ook buiten de tropische streken van Afrika, werden HE’s, werden HEID’s en MSA’s (in Afrika) en NT’s (in Europa). 200.000 jg kwam uit een MSA-populatie de AMM’s tot ontwikkeling, die tot nieuw gedrag overging en nieuwe voedselbronnen gingen exploiteren waarmee ze grotere en talrijkere groepen konden voeden. De AMM’s verbreidden zich over heel Afrika en 100.000 jg trok een groep via Palestina (Qafzeh en Skhul) naar het Verre Oosten: OoAIIa. Het groepsgrootte-effect bevorderde vindingrijkheid en vernieuwingen, ze overleefden de Toba-uitsterving succesvol en 65.000 jg volgde een tweede ‘golf’ AMM’s (OoAIIb) die zich behalve naar het Verre Oosten ook naar de NT-gebieden ging verbreiden. Dat werden de Europese ijstijdmensen zoals de Cromagnons. Het barre leefklimaat maar ook de langdurige wintermaanden in de winterverblijven vormden uitdagingen die tot verbazingwekkende staaltjes van vernuft leidden.

Na afloop van de laatste ijstijd volgden veel nakomelingen van de Cromagnons, rendierjagers, de naar de Poolcirkel migrerende rendieren en zouden de Indianen en de eerste Eskimo’s worden. De achterblijvers in Midden-Europa bleven VJ’s, maar in het Midden-Oosten gingen de Natufians over tot Tuinbouw: de eerste AGR’s. Ze waren nog part-time boerinnen, hun mesopotamiemannen bleven nog gewoon jagen. Maar ze bouwden de eerste vaste woninkjes, bewerkten de eerste veldjes en domesticeerden de eerste geiten en schapen. De voedselteelt maakte nog grotere groepen mogelijk. In de Levant en Mesopotamië verrezen de eerste boerendorpen, weldra ook in Egypte.

Het groepsgrootte-effect is vanaf toen zijn rol blijven spelen in de mensheid. Tot op de dag van vandaag. Toen stammen, die vanaf hun vroegste tijden in afzondering hadden geleefd, door krijgsheren in één rijk werden bijeengedreven (beschaafd werden), ging niet alleen de krijgstechnieken maar ook de landbouw- en nijverheidstechnieken met sprongen vooruit en ontwikkelden zich wetenschappen en filosofie.

En vandaag mondialiseert de mensheid en is de technische vooruitgang bijna niet meer bij te benen.

van VJ naar AGR

Het verschil tussen de VJ’s (verzamelaars/jagers) en de AGR’s (de tuinbouwers en boeren) is een belangrijk element in mijn tekst. Nog maar weinig bekend in de antropologische literatuur. Ik heb er al een paar keer op gezinspeeld. In de inleiding al.

Edele wilden. Zo noemde Rousseau de indianen waar men in zijn tijd via de Franse missionarissen in Noord-Amerika kennis van had gekregen. In tegenstelling tot de elkaar in godsdienstoorlogen uitmoordende en koloniale oorlogen voerende ‘beschaafde’ Christenen, bleken die primitieve en nog goddeloze ‘wilden’ uiterst vredelievend en aardig voor elkaar! Dat gaf Rousseau een pessimistische kijk op zijn eigen beschaving – welk pessimisme hem op het heilloze idee van het collectivisme zou brengen maar dat komt verderop ter sprake.

Later kwam er kritiek op de veronderstelde vredelievendheid van de ‘edele wilden’: die bleken elkaar ook uit te moorden! (Dat bedoelde stammen geen VJ’s meer waren maar Tuinbouwers dus AGR’s waren geworden, dat beseften de eerste antropologen nog niet.) Deze ontdekking was koren op de molen van de aloude opvatting dat de mens nu eenmaal van nature agressief is en alleen door beschaving en wetgeving in ’t gareel gehouden kan worden. Deze ‘wetenschappelijk ondersteunde’ (maar niet heus) opvatting wordt nog steeds door conservatieve filosofen gehuldigd.

Natuurlijk zijn mensen van nature agressief: de menselijke natuur is een ‘drieptrapsraket’ en dat agressieve maakt deel uit van ‘trap’1. Het is de primitieve reactie van het zich in het nauw gedreven voelende individu. Een onmisbare eigenschap van elk levend wezen.

Ik hoop dat u onthouden hebt wat ik aan het begin over de menselijke natuur heb uiteengezet. Mensen zijn van nature aardig (anders zouden wij toch juist genieten van oorlog en geweld?) maar we zijn onaardig gewórden door overpopulatie (teveel groepen in een regio) en beschaving (gewelddadige onderschikking van stammensen in een eenheidsstaat).

De menselijke natuur is gedrag zoals dat in miljoenen en miljoenen jaren lang als het meest leefbare uitgeselecteerd is: van nature goed, oftewel aardig. Al die miljoenen jaren leefden de mensen als pure verzamelaar/jagers (VJ’s), en was de wereld nog eindeloos groot. Ze waren aardig: er was nog geen enkele aanleiding om de leefbaarheid van je groep te verpesten door on-aardig te zijn. Het citaat uit het boek van Hugh Brody The Other Side of Eden over het geboren worden als meisje in een VJ-omgeving geeft er een indruk van.

Onze voorouders bleven aardig tot ze in een overpopulatie-situatie belandden. Dat begon al in Afrika, maar nog in lichte mate: de verhoudingen bleven egalitair. Maar zo’n tienduizend jaar geleden werden ettelijke populaties Tuinbouwers (AGR’s), en veel van die Tuinbouwers-gemeenschappen, vooral op eilanden waar je al gauw geen kant meer op kunt, raakten in een permanente oorlogstoestand, met alle gevolgen van machisme van dien. Die populaties werden uiterst onaardig.

Daarbij moeten we wel altijd en voortdurend bedenken dat het aardig zijn voor VJ’s alleen binnen de eigen leefgroep speelt. Ten opzichte van verwante andere groepen wordt het al moeilijker, en ten opzichte van vreemde indringers is de aardigheid volkomen afwezig. Van één gebied kan maar één groep leven – en dat is altijd hachelijk, met goede tijden en slechte tijden. Een binnengedrongen vreemde leefgroep betekent acuut overlevingsgevaar, dus is vechten voor de overleving geboden.

Hieraangaande draag ik al heel lang binnen mijn mensbeschouwing een ‘gruwelverhaal’ met me mee.

Het gaat om een onderzoeker (of missionaris? toevallige gast? ik moet het al 35 jaar geleden ‘meegekregen’ hebben, ik weet echt niet meer waarvan) bij een indianenclan (misschien de Montaignais-Nascapi, die in het noordoosten van het huidige Quebec wonen?). Zulke aardige mensen, je houdt het als westerling niet voor mogelijk. Zo respectvol voor iedereen en voor hun kinderen. De bezoeker kwam er niet over uitverbaasd: veel ‘beter’ dan wij met onze westerse beschaving.

Op zekere dag meldden de mannen dat er vreemden in het noorden van hun gebied gesignaleerd waren en dat ze er dus even heen moesten. Of de bezoeker zin had om mee te gaan. Nou, zeker, graag, hij was er altijd tuk op om wat te leren.

Toen ze het kamp van de vreemden naderden werd het beslopen. Het bleek dat de mannen ervan op jacht waren. Nu werd het kamp overvallen en alle aanwezigen, vrouwen kinderen ouden, meedogenloos afgeslacht. Een meisje kroop in radeloosheid op de versteend toekijkende bezoeker toe, om hulp. “Ach, wil je haar nog even neuken, witte?” vroeg een behulpzame clangenoot. “Wacht, ik zal ze even voor je vastzetten.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

Vanaf toen begreep ik dat wij heel sociaal zijn, maar alleen ten opzichte van mensen die wij als medemensen zien. De ‘indringers’ waren voor die leefgroep geen medemensen. Niet eens mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild dat je heel nodig moest uitroeien. Ik begreep ook dat dit afschuwelijke gedrag hen niet minder sociaal maakte maar dat het van overlevingswaarde was: er kan maar één clan leven van een jachtgebied. Er is voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden. Het is een panieksituatie, waarin de aangeboren ikke-ikke-natuur de voorrang neemt, maar dan als collectief. Het verhaal is ook leerzaam als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat in een collectivistische (godsdienstige of nationalistische) oorlog sociale jongens tot nietsontziende mensendoders gemaakt kunnen worden en tot de grofste mensenrechtenschendingen kunnen worden aangezet: dan wordt bij heb de sociale natuur uitgeschakeld en wordt alleen op de primitieve delen een beroep gedaan. Uiteraard lukt dat bij de één beter dan bij de ander: we hebben ook allemaal nog ons eigen ‘pakket’.

Maar tienduizend jaar is te kort om onze overerfelijke neigingen wezenlijk te veranderen.[63]

Wij zijn wandelende archieven. Onze kindjes gaan vanzelf op twee benen lopen en talig worden omdat onze soort al miljoenen jaren op twee benen loopt en talig is. Vrouwen dansen liever dan mannen en zijn religieuzer omdat ze zeker twee miljoen jaar dansend/zingend het telkens opnieuw scheppen van hun woordenwereld (religie) geleid hebben. Er worden bij mensen iets meer jongetjes geboren dan meisjes, omdat er in de vroege mensengemeenschappen meer mannen sneuvelden bij de verdediging tegen roofdieren en in het gevecht met de prooidieren dan er vrouwen stierven bij het verzamelen van het voedsel. Mensen balen van zinloos geweld omdat hun voorgeslacht miljoenen jaren aardig geweest is.

Brody weet als antropoloog dat overal de VJ’s door de AGR’s naar de voor de landbouw nutteloze gebieden van de wereld verdrongen zijn, veelal met grof geweld en genocides. En constateert nochtans tot zijn verbazing dat de VJ’s overal zeggen dat ze ‘in de beste aller werelden‘ wonen ! En dat dit niet eens grootspraak is. Hoe oninteressant (voor boeren dan) en hoe bar van klimaat ook, voor VJ’s is er in hun leefgebied, door de manier waarop ze er mee hebben leren omgaan, voedsel en water genoeg. VJ’s hebben minder tijd nodig dan de boeren om aan de kost te komen en zijn gezonder dan de boeren. Evengoed bejegenen deze AGR’s de VJ’s overal met verachting en zelfs haat. Als sedentaire zwoegende boeren wantrouwen ze die vrolijke vrije vogels die nog steeds denken dat de wereld voor iedereen is. AGR’s bezitten (hun stukje van) de wereld.

Edele wilden. Maar dat waren de AMM’s zelfs in Afrika al gauw niet meer in pure vorm zoals dat de Vroege Mensen, de erflaters van onze menselijke natuur, altijd geweest waren. Door hun veel grotere en veel talrijkere groepen was Afrika al een beetje ‘vol’ geraakt en waren er groepen uit gaan ‘emigreren’ naar Eurazië. Maar voor de beschaafde en gekerstende Europeanen waren de Indianen nog wonderen van primitieve goedaardigheid.

De Europese AMM’s (veelal Cromagnon-mensen genoemd) zijn bijzonder innovatief gedrag aan de dag gaan leggen. Terwijl zij in de Würm-ijstijd leefden!

Het is juist deze omstandigheid die hen tot technologische vernieuwingen gebracht heeft. Dat begreep ik toen ik boeken las over de Inuit, die zo verbazingwekkend technisch zijn.

Ik heb het er al over gehad. Gedurende de lange winters van de laatste ijstijd hadden de mannen in de winterverblijven weinig om handen. Ze doodden de tijd met dansen/zingen van het scheppingsverhaal, het vertellen van jachtverhalen, allerlei damspellen, maar ook met het doen van allerlei uitvindingen. Speeltjes voor de kinderen, naainaalden voor de vrouwen, kralen om op de kleren te naaien, mooie hangers maken. De gaten boorden ze met eenzelfde boor als waarmee ze vuur maakten: een boog waarvan de pees om een spil gedraaid was en die door het heen en weer halen van de boog razendsnel draaide. De spil was voorzien van een scherpe stenen punt en werd van boven met een holle steen omlaag gedrukt gehouden. Het te bewerken object houd je dan met je voeten vast.

De boog was aanvankelijk kinderspel, zoals ook het wolvenpuppy troeteldier voor de kinderen was. De jacht was een te sacrale aangelegenheid voor de mannen om daar kinderspeelgoed bij te halen. Maar één keer gebeurt het toch dat in één groep een erg bekwame jonge schutter zijn vaardigheid ook bij de jacht gaat inzetten, en dan wel mooi elke keer met buit terugkomt! Dan duurt het niet lang of andere jonge mannen van de grot gaan dat ook proberen. En dan wordt de pijlenboog al na een paar generaties door de andere grotten overgenomen. Zo ging het natuurlijk ook met dat die wolvenpuppy die zo tam was geworden dat ze later mee ging op jacht. Nou ja, de fantasie kan ook hier weer volop aan het werk[64].

Heel typisch is, dat toen de ijstijd afgelopen was, de inventiviteit en kunstzinnigheid ook meteen kelderde.

Zeker is dat de pijlenboog en de jachthond enorme verbeteringen zijn van de jachttechniek. Zeker is ook dat rond 12.000 jg in duizend jaar tijd alle grote prooidieren waren uitgestorven.

Archeologische opgravingssites[65] uit het zg Gravettien (30.000 – 22.000 vC) leveren de eerste bewijzen op van touwslagerij en weefsels. Dat houdt in: vissnoeren en visnetten! Al zijn op die sites alleen resten van grote prooidieren gevonden en lijken het vnl mammoetjagers geweest te zijn. Voor het bouwen van het winterverblijf en het overleven van een lange winter heb je mammoetbotten, mammoetvellen en een mammoetvoorraad gedroogd of gefermenteerd vlees nodig.

Overpopulatie. Immers: de overvloedige jachtopbrengsten konden meer monden voeden, en wanneer je ‘grot’ (thuisbasis) te groot werd, migreerde een groepje jongelui toch gewoon naar een maagdelijk nieuw gebied? U begrijpt dat er dan al gauw niet meer te migreren valt. De jagers beginnen te stuiten op vreemde jagers. De vrouwen arriveren op hun voorouderlijke foerageerplek van dat seizoen en vinden die al leeg geoogst door de vrouwen van een vreemde groep. Of ze treffen die daar foeragerend aan …

Overpopulatie. Hoe kan dat, wanneer onze voorouders hun aantallen al miljoenen jaren constant gehouden hadden? Niet helemáál constant: anders had onze soort zich niet over de hele aarde kunnen verbreiden en waren er geen duizenden verschillende Scheppingsverhalen. De groepsgrootte had altijd afgehangen van het evenwicht tussen het aantal mensen dat vereist was om voldoende voedsel bijeen te verzamelen/jagen en het aantal dat er mee in leven gehouden kon worden; elke mond meer die overbodig was, werd meteen na geboorte gedood (en opgegeten, denk ik dan: zoals ze dat ook met de nageboorte deden). Alles in gezamenlijk overleg. Maar op plaatsen waar voedsel in overvloed was, waren de groepen ook navenant groter. In een slecht jaar scheidde zich dan een groepje jonge vrouwen, kinderen de mannen af en gingen een nieuw gebied op een aantal dagreizen afstand in gebruik nemen. De geboorte van een nieuw scheppingsverhaal, met nog veel elementen van hun voorouderlijke ongetwijfeld.

Vanaf 65.000 jg groeiden de leefgroepen van de AMM’s, die zich vooral op de waterdierenwereld waren gaan toeleggen – een rijkere en constantere voedselbron – explosief, zowel afzonderlijk als in aantal. Hetgeen hun verbreiding over Afrika en vervolgens over Eurazië afdoende verklaart.

Na afloop van de laatste ijstijd, vanaf 12.000 jg, was de jachtproductiviteit intussen enorm toegenomen en het aantal leefgroepen had daarmee gelijke tred gehouden. De aantallen prooidieren natuurlijk niet, in tegendeel. Want mannen zijn wat minder goed in duurzaamheidsdenken dan vrouwen, van nature. Binnen duizend jaar waren alle grote prooidieren uitgestorven. Meer monden te voeden met minder voedsel, dat wordt oorlog.

En dan weet je hoe het gaat. Elke ziekte of elk overlijden, hoe onvermijdelijk ook in onze ogen, wordt door primitieven geweten aan betovering door de sjamaan van de buren en is voldoende om dit te wreken. En elke dode moet op zijn beurt gewroken worden.

Oorlog maakt mannen belangrijk. Groepen met de meeste vechtersbazen overleven. De vrouwen moedigen dus gewelddadigheid bij hun mannen en jongetjes aan. Oei! Dat hadden ze niet moeten doen! De mannen hadden altijd de tweede viool gespeeld. Nu kwamen ze plotseling tot de ontdekking dat ze toch wel verdomd belangrijk waren. Dat hún initiatierituelen toch eigenlijk wel véél belangrijker waren dan die belachelijke vrouwenrituelen. Ze gingen zich de heren der schepping voelen en namen de macht over de beslissingen over.

Maar mannen kunnen niet met macht omgaan. Omdat ze geen hogere prioriteiten kennen; met name de toekomst van de kinderen. Mannen vinden kinderen wel leuk, maar er voor zorgen is vrouwenwerk. Mannen denken eendimensionaal, vrouwen holistisch.

De mannen grepen de macht. Maar omdat ze er evolutionair niet voor waren toegerust, kwamen ze onzeker in het leven te staan en dat staan ze nog steeds. Dat moet ik uitleggen.

Macht. Vrouwen hebben bij mensen zes miljoen jaar de eerste viool gespeeld, maar ze hebben nooit macht over de mannen uitgeoefend. Mannen zijn 15 % sterker dan vrouwen en hebben altijd de wapens gedragen, ter verdediging van de groep. Vrouwen hebben het altijd uit hun hoofden gelaten om die pubers op stang te jagen: dan werden die alleen maar gevaarlijk. Bovendien hebben de vrouwen altijd een man de leiding gegeven over hun leefgroepen. Dat komt omdat vrouwen opkomen voor hun kinderen en kinderen maken nou eenmaal ruzie[66]. Moeders vechten als leeuwinnen voor hun kinderen, dat hou je toch. Vliegen dan mekaar in de haren. Vrouwen hebben meer moeite dan mannen om een ruzie te beëindigen[67]. En dan is het fijn als een algemeen geachte oudere man kordaat tussenbeide komt. Daarom hebben de vrouwen altijd gezorgd dat zo’n man er was. Maar hij moest wel doen wat zij voorkookten, anders was hij zijn gezag zo kwijt.

Waarom ik dat denk, dat onze voorouders vanaf het vroegste begin, dus zes mjg al, een hoofdman kenden, is omdat de bonobo’s die ook kennen. Het is de alfa-man die bij de bonobo’s de groep constant bewaakt en als eerste een indringer (luipaard, onderzoeker) met takken of stront begint te bestoken. Het is de alfa-man die de foerage-route aangeeft – maar als die niet naar de zin is van de alfa-vrouw, blijft die gewoon zitten en de rest volgt haar voorbeeld; dan heeft de alfa-man geen andere keus dan voorop te gaan lopen in de richting die de (oudere en wijzere) alfa-vrouw met haar blik aangaf.

Een ander ding is, dat vrouwen altijd alles op orde hebben. Dat krijgen ze hormonaal mee zodra ze moeder worden; een erfenis niet zomaar uit ons VJ-verleden maar uit een nog veel ouder zoogdierlijk verleden, denk ik. Als meisjes/jongens lopen beide geslachten nog tamelijk gelijk op. Hoewel, meisjes zijn al vroeg ook bezig met het zich prepareren op hun moederrol, terwijl jongens zich hooguit prepareren op hun krijgersrol. In de inleiding heb ik het al aangestipt: de chimpanseemeisjes observeren leergierig hoe de moederaap dat doet: termieten uit een termietenheuvel vissen of tussen hamersteen en aambeeld een harde noot kraken; maar de jongetjes verliezen al gauw de belangstelling en gaan met elkaar ravotten.

Bij het moeder worden treedt er bij de meisjes een pakket hormonen in werking, waar je u tegen zegt. (Tuurlijk, bij sommige vrouwen werken ze niet naar behoren of schoppen jeugdtrauma’s de boel in de war.) Tegen de geboorte zorgen die voor de ‘nestdrang’ : poetsen en boenen en alles klaarmaken voor de komst van de baby. Na de geboorte zorgen ze voor een engelachtig geduld bij de nukken en grillen van de baby. Vervolgens worden de moeders perfecte managers en regelaars. Daardoor hebben jonge vrouwen doorgaans alles op orde en daar hoeft een jonge knaap alleen maar in te stappen om zíjn zaakjes op orde te krijgen. I love you – I need you! Gelukkig voor de knapen horen de jonge vrouwen dat graag.

Niet alleen hormonen: ook reflectie speelt er een rol in. Een vrouw weet vanaf het moment dat ze moeder wordt, dat dat NOOIT meer overgaat. (Maar ook dat dit het is wat ze wil, haar levensvervulling.) Zelfs als ze oma is, zal ze zich zorgen blijven maken over haar volwassen kinderen en hun kinderen blijven mee verzorgen. Tot haar laatste snik.

Je ziet puberale meiden dan ook ‘op slag’ veranderen als ze moeder worden. Worden ze in één keer volwassen. Hormonen doen hun werk, én reflectie. (Alweer: dat geldt natuurlijk niet voor de in hun jeugd te zeer gefrustreerde meiden.)

Die omslag maken mannen hormonaal niet mee. Ze blijven (sorry dat ik het zeg, maar ik ben ervaringsdeskundige) pubers. Alleen reflectie kan hen volwassen gedrag bijbrengen, en daar komen de meeste mannen pas op oudere leeftijd toe. Ze (de jonge reflectie-mannen niet te na gesproken) doen alleen de leuke dingen met de kinderen – overigens héél belangrijk voor de kinderen! – maar de zorg is voor de moeder. En als opa /oma geldt meestal nog steeds dezelfde rolverdeling, moet ik deemoedig bekennen.

Jongemannen sloven zich uit om een vrouw aan de haak te slaan. Poeslief janken dat zo’n knaap dan doet! Allemaal omdat hij voelt dat hij alleen met háár orde in zijn puberbedoening krijgt. De vrouw krijgt met hem een kind erbij (de weinige door reflectie volwassen geworden mannen niet te na gesproken en de weinige door jeugd-omgevingen en –ervaringen ‘mislukte’ vrouwen niet te voor gesproken). Maar rond zijn veertigste gaat hij toch weer wild om zich heen slaan, puber als hij blijft. Voelt zich gekooid, wil weer opnieuw dat jonge verliefdheidsgevoel en maakt zijn bedoening kapot. Schade en verdriet. Ik ben nog steeds uw ervaringsdeskundige. Als ik met mijn achteraf-wijsheid ook maar één puber tot reflectie kan brengen, heb ik al eer van mijn ontboezeming.

Macht. Mannen kunnen niet met macht omgaan. Geen mens kan met macht omgaan. Macht corrumpeert alles en iedereen. Despotie brengt altijd achterstand en ongeluk. Democratie is, hoe moeizaam ook, het enige systeem dat leefbaarheid en welvaart schept.

Dat macht corrumpeert heeft met de menselijke natuur te maken. Die is, ik herhaal, driedelig:

1 (leven) = pakken wat je pakken kunt

2 (groepsdier-zijn) = samen kun je meer pakken maar dan moet je wat inleveren

3 (mens-zijn) = noodgedwongen professionalisering van 2, met als gevolg: je alleen gelukkig kunnen voelen bij samen ‘pakken’.

Macht (het in de positie verkeren dat je een medemens kunt dwingen te doen wat jij wilt) betekent dat je onwillekeurig terugvalt in 1: The winner takes it all.

Dat is ongroepsdierlijk(2) en het toppunt van onmenselijkheid en ongeluk (3)

Macht maakt bovendien dom, omdat je je isoleert van de opeenstapeling van de individuele intelligenties van de rest. Macht stompt je verantwoordelijkheidsgevoel voor de duurzaamheid van je samenleving af: van de samenleving waar je toch van afhankelijk blijft (op je eentje op een onbewoond eiland kun je geen macht uitoefenen, en moet je alles zelf doen en verzinnen).

Macht in de vorm van despotie maakt dat de onderworpenen niet meer zelf mogen denken en ondernemen en dan staat de samenleving stil en verachterlijkt.

Mannen kunnen niet met macht omgaan, zei ik. Vrouwen wel dan? Evenmin natuurlijk, maar vrouwen hebben nooit macht kunnen uitoefenen omdat mannen gemiddeld 15% sterker en groter zijn en altijd de wapens gedragen hebben – en omdat ze de mannen nodig hadden. Overheerste mannen functioneren niet goed. Overheerste vrouwen evenmin trouwens.

Veroorloof mij, in aansluiting bij deze uitweiding oven macht, nog een uitweiding over

GELUK.

Onder ‘geluk’ versta ik hier niet de kortstondige euforie bij een gelukstreffer (loterij, doelpunt, noem maar op) maar de toestand van welbehagen en tevredenheid met je leven. Het gevoel dat de dingen in je leven lopen zoals ze horen te lopen.

Geluk heeft ook alles met de menselijke natuur van doen. Het menselijk geluk was er in elke fase van het mensdom, en in de VJ-tijd was (en is voor hedendaagse VJ’s nog steeds) heel gewoon. Misschien is het dát aspect van het menszijn dat in de AGR-tijd het spectaculairst verslechterd is. Maar laten we het hier hebben over het alledaagse geluk van vandaag.

Helemaal in de hand hebben doe je het nooit, omdat je je lichamelijke of geestelijke of financiële toestand niet voor het kiezen hebt. Laten we uitgaan van een gemiddelde invulling van die toestanden. René Froger aan het woord.

een eigen huis
een plek onder de zon
en altijd iemand en de buurt die van me houden kon
toch wou ik dat ik net iets vaker
iets vaker simpelweg gelukkig was

Dan helpt het wel degelijk als je inzicht hebt waar geluk in gelegen is. Dat inzicht krijg je van de heersende economie bepaald niet aangereikt. Er heerst nu een ‘ideologische leegte’, sinds de ideologische invulling van het christendom niet langer ‘in’ is. Nu was de christelijke invulling slechts op het geluk in je hiernamaals gericht, dus daar had je niet veel aan; maar het was in elk geval een invulling. Nu is er NIX, en heeft de vrije markt vrij spel in het bespelen der geesten. Dat spel geeft de mensen het verlangen naar ‘meer’, naar ‘anders’ en naar ‘nieuw’ in, en bouwt hiermee een potentiële toestand van ontevredenheid in. De markt verpakt in haar reclames de producten in geluk, maar daar komt natuurlijk geen greintje geestelijke diepgang (reflectie) aan te pas.

Het goede van de vrije markt is dat het ons nu vrij staat om zelf, zonder indoctrinatie van ‘bovenaf’, uit te vinden waar geluk dan echt in gelegen is. Voor de humanosoof, die de menselijke natuur beziet vanuit de prehistorische vorming ervan, is het duidelijk genoeg: ons welbevinden wordt gegenereerd en gevoed door het gelukkig maken van anderen. Door het gevoel dat je er mag zijn, het gevoel dat je van betekenis bent.

Macht uitoefenen, anderen uitbuiten, profiteren van een ander, zoiets streelt wel even je gevoel van onmacht of verzoet wraakgevoelens, maar maakt je niet gelukkig; in tegendeel, het snijdt je weg naar de ander af.

Individueel is iemand goed bezig met haar/zijn leven wanneer er een duurzaamheidselement in zit. Je zou eigenlijk bij alles wat je eet, drinkt of wat dan ook doet, moeten afwegen of je hiermee je leven lang gezond kunt blijven.

Deze boodschap valt aan jongeren, bij wie de oude dag nog eindeloos ver in het verschiet ligt en die zich daar totaal niet verantwoordelijk voor voelen, moeilijk te verkopen. Maar daar is die waarheid niet minder keihard door. Het maakt voor het welzijn van je onontkoombare oude dag wel degelijk uit hoe je in je jonge jaren met je gezondheid en met anderen hebt omgesprongen.

Genieten. In een door het monotheïsme overheerste samenleving is dat een verboden en gedemoniseerd gevoel, dat daar slechts stiekem (maar daarom niet minder) wordt nagestreefd. In de consumentensamenleving is het een gebod.

Genotmiddelen. De vrije markteconomie draait er voor een deel op en driekwart van de reclame gaat er over. Maar het is gevaarlijk goedje. Genotmiddelen hebben met medicijnen gemeen dat ze bijwerkingen hebben. En dat je je er afhankelijk van maakt. Hoe meer gebruik je er van maakt, des te minder kun je genieten zónder die middelen. Ze maken meer (gezondheid en relaties) kapot dan je lief is.

Laten we even aannemen dat ieder bij geboorte een emmer genotmiddelen heeft meegekregen. Een grote emmer, ik doe niet zuinig. Maar je moet er wel je hele leven mee doen: er komt geen druppel meer bij en op = op.

Drugs nemen nu is je emmer met pollepels tegelijk leegscheppen. Dat voert al heel gauw naar ongeluk en ondergang.

Met roken en alcoholgebruik doe je het met eetlepels. Takelt ook nog te snel af.

Genotmiddelen neem je met een theelepeltje. Dan kun je des te meer genieten van gratis genot: van de natuur, van mooie muziek, van dansen en van elkaar. Hoe minder genotmiddelen, des te meer écht genot.

Geluk is voor een behoorlijk deel maakbaar.

Nu snel terug naar de VJ’s. Die weten nog van niks, maar ze gedragen zich volgens onze menselijke natuur, die bij hen nog niet is gefrustreerd door een overpopulatie-situatie.

Ze zijn nog aardig, nog edele wilden. De NT’s waren de laatste ‘volbloed’-VJ’s. Maar de AMM’s zijn niet zonder enige overpopulatie gaan uitzwermen. De Aboriginals zijn nog steeds VJ’s, maar ze kennen al een lichte mannelijke dominantie en beslechten onderlinge ruzies, binnen de eigen groep dus, met een zwaar knuppelgevecht.

De ‘edele wilden’ waar de missionarissen in Rousseau’s tijd over berichtten, waren AMM’s, maar uit die bron stamt het gruwelverhaal dat ik u hiervoor heb verteld. De ‘edele wilden’ van Rousseau waren ‘aangeslagen’ VJ’s, bij wie het lichte status-overwicht van de vrouwen al was omgeslagen naar een status-overwicht van de mannen. Ongeveer zoals de huidige San laten zien, de Aboriginals en de Inuit. VJ’s, kortom, die op de grenzen van hun wereld waren gestuit: te maken hadden gekregen met overpopulatie. Aardige VJ’s, over wie niettemin gruwelverhalen te vertellen zijn.

geschiedenis is een AGR-verhaal

Met ‘geschiedenis’ bedoel ik de periode na de ‘prehistorie’; men spreekt van ‘geschiedenis’ vanaf de tijd dat er ánnalen’ zijn. Daaronder versta ik opschriften, kleitabletten, munten, potscherven, documenten en (met veel ‘caveats’) heilige boeken.

Vooral op het einde van de laatste ijstijd groeide, door de uitvinding van de pijlenboog en de domesticatie van de wolf tot jachtkameraad, het aantal VJ-leefgroepen onstuitbaar. Op enkele plekken van de aarde slibden de leefgebieden dicht: geen jachtgebied meer of het behoorde al tot een clan. Daar was het afgelopen met het wegtrekken naar een ‘woest en ledig’ gebied wanneer door welke klimaatomstandigheid dan ook de prooidieren en het te verzamelen plantaardiger voedsel te schraal was geworden. Je kon geen kant meer op of je stuitte op het leefgebied van je buren. Dan wordt het dus oorlog, en oorlog maakt de mannen belangrijk. De jonge mannen worden krijgers. Hoe erger de stammenvetes, hoe misdadiger de mannen tegen hun vrouwen, de spiegels van hun zwakheid, te keer gingen. De Yanomamö en vooral de Bergpapoea’s zijn daar voor mij de gruwelijke voorbeelden van.

Toen en waar er overpopulatie (teveel leefgroepen in een overbejaagd jachtgebied) ontstaat en de groepen niet langer vrij kunnen rondtrekken op hun zangroutes, gaan de vrouwen extra zorgvuldig om met het plantaardige voedsel. Ze gaan de plekken waar hun favoriete planten groeien, speciaal koesteren en ontdekken dat je zo’n plant kunt helpen bij het groeien, door de groeiplek vrij te maken van groeisel waar je niks aan hebt, zoals gras en struikgewas. En je kunt de plant helpen door jonge plantjes en stekken een eigen plekje te geven. En door ze water te geven als ze dorst lijken te hebben. Ze verzorgden die plekken en gaven de mooiste bonen en graankorrels terug aan Moeder Aarde. Het denkbeeld van Moeder Aarde begint bij de vrouwen de oeroude Grote Voorouder-figuur naar het tweede plan te verdringen. Mensen denken ingevolge hun heersende economie, en de VJ-economie maakte plaats voor de Tuinbouw-economie.

Het is het begin van het fenomeen offers in de religies. Want Moeder Aarde beloonde hun dankbare gedrag met nog meer mooie bonen, peulen en graankorrels in het volgende seizoen. Zo begon de domesticatie van de gewassen. Ik denk dat dit al heel vroeg begon, namelijk waar de eerste zg Venusbeeldjes verschijnen. En dat is al in het Gravettien (30.000-22.000 jg), in de wat minder koude OIS3-tijd, gevolgd door de zeer koude OIS2-tijd (32.000-13.000 jg). Vanaf 13.000 jg begon de warme tijd OIS1 waar we nu nog steeds in leven, en begon de Tuinbouwfase pas goed.

File:Five Myr Climate Change.svgTussendoor iets over de OIS (oxygen-isotope stages), waaraan de paleo’s de klimaten in de tijd van ons verhaal kunnen meten. Rechts zie de lange tijd van de bosland-savannnen van de vobo-tijd. De heftige op-en-neerbewegingen zijn de ijstijden. De paleo’s hebben de verschillende warme en koude perioden genummerd in OIS-perioden. Hiernaast de nummering

Bestand:Specmap-800ka.svgvan de afgelopen duizend jaar.

De vrouwen koesterden de plekken, haalden ongewenste planten weg, lieten de mannen bomen omhakken, met die stenen bijlen van ze, en de tuinen afbranden waardoor die twee jaar vruchtbaar waren en dan minder werden zodat er een nieuw stuk bos moest worden omgehakt. Slash and burn heet deze manier van landbouw[68].

De vrouwen omheinden de plekken waar hun gekoesterde gewassen groeiden: tegen schapen en geiten en zo. Tot ze op de gedachte kwamen om die dieren zelf te omheinen en jongen te laten krijgen: een extra vleesvoorraad. En zo begon de domesticatie van kleinvee.

Maar voorlopig komt het vlees in hun menu vooral van de jacht van de mannen, en gaan de leefgroepen nog enkele maanden per jaar in hun gebied rondtrekken, op de oude VJ-manier. En dan zijn ze blij. Als ze terugkomen is de plek rondom hun langhuis of shabono (het gemeenschappelijke onderkomen waar ieder ‘gezin’ zijn eigen haard heeft) weer een beetje schoon gevreten door ratten en muizen en andere opruimers en gaan ze weer opgewekt in hun tuinen werken. Om elke avond te besluiten rond het vuur op het centrale plein om daar hun Scheppingsverhalen te dansen/zingen en de verhalen van de sjamaan aan te horen. Want daar draaien hun dagen nog steeds om.

Van landbouw spreken we pas wanneer en waar de vrouwen permanent bij hun velden blijven wonen om die in de gaten te kunnen houden en te verzorgen. En dat was waar granen (ook rijst dus, en maïs) voorkwamen. De eerste met name bekende ‘boeren’ waren de Natufians. Een koude-terugval in de opwarming na de ijstijd , het zg Jonge Dryas (10.700 – 9.560 vC) versnelde deze ontwikkeling alleen maar. Met de definitieve dorpsbewoning werden er definitieve huizen van leembesmeerd vlechtwerk (‘een-gezinswoningen’, al hoorden daar grootouders en ongetrouwde ooms en tantes en wezen bij) gebouwd. Doordat de landbouw vooral vrouwenwerk was, waren de vrouwen in status gestegen bij de mannen en bovendien waren hun vruchtbaarheidsrituelen voor het gewas en het vee en hun erediensten voor de vruchtbaarheidsgodinnen van overlevingsbelang.

Het vroege dorpsleven was daardoor een toonbeeld van aardigheid. De mannen gingen steeds minder op jacht – er viel steeds minder te jagen en hielpen steeds meer mee. Met het uitvinden van de ploeg bijvoorbeeld. Die ze door hun vrouw en kinderen lieten voorttrekken: ging sneller dat het werken met de hak (van hertengewei). Ja, het worden steeds meer gezinnen, ook een nieuw verschijnsel in de mensheid.

Maar de tweede aanslag op de menselijke aardigheid komt er dan weldra aan.

van offeren naar eredienst

Anders dan de vrij rondtrekkende VJ’s werden de AGR’s afhankelijk van de grillen van de natuur. Als VJ’s hadden ze altijd kunnen wegtrekken en een nieuw gebied in gebruik kunnen nemen wanneer het oude leefgebied niet langer aan hun eisen voldeed. Maar nu waren ze aan één plek gebonden: aan hun dorp met omringende velden. Hun landbouwmethoden waren nog primitief, de voordelen van bemesting met dierlijker en menselijke uitwerpselen en van irrigatie door middel van greppels en dijken en kanalen moesten nog ontdekt worden.

De vrouwen hadden de grillen van de natuur altijd gepersonifieerd als wilsbeschikkingen van Moeder Aarde en van de lagere landbouwgoden en geesten uit Haar gevolg. Smeekbeden en zelfkwellingen zetten ze in om de geesten gunstig te stemmen. Sommige oudere vrouwen kregen speciaal vertrouwen en dat werden de sjamanen. Dat kon vele generaties in de familie blijven. Als de oogst door welke natuurlijke oorzaak dan ook tegenviel, was dat omdat er misschien te weinig aan Moeder Aarde was teruggegeven en Ze ontstemd was. De sjamaan ging in diepe trance, raadde dit of dat offer aan, en sloofde zich uit in magische rituelen met veel vuur, rook en gedans.

Toen de mannen ook boeren waren geworden en het oerrund hadden gedomesticeerd, de ploeg hadden verbeterd en ossen er voor hadden gespannen, gingen ze zich ook steeds meer met de rituelen bemoeien. Hun goden kregen altaren om de offers op te brengen, de altaren kregen tempels, de goden kregen beelden, de beelden kregen priesters. De tempels werden ook de opslagruimten voor de buffervoorraden van de gemeenschap waaraan elke familie zijn bijdrage leverde elk jaar. De priester beheerde die voorraden, samen met zijn dienaren. Enfin, zo kwam de administratie op en werd de omgang met de wisselvalligheden van de natuur, gepersonifieerd in de geesten/goden, steeds meer geritualiseerd. En laat het maar aan de mannen over om de spelregels vast te leggen: mannen en jongens zijn echte regelneven. De regels en de rituelen worden nooit minder, ze worden alleen maar meer. Van (priester)generatie op generatie. En bij mannen gaat het offeren dan ook doorslaan natuurlijk: tot kinder- en mensenoffers toe.

van Grote Man naar koning

Vroeg of laat mislukt de oogst. Je bent als boeren overgeleverd aan de natuur, en die is wreed en kent geen mededogen. Of de velden breiden zich uit en je komt in de clinch met een buurdorp over grond of waterrechten. Boem! Oorlog. En oorlog maakt mannen belangrijk.

Ze zijn dan intussen met veel meer, meer monden om te voeden maar ook meer mannen om te vechten. Een succesvolle aanvoerder van de krijgers (ik moet nu een beetje opschieten, anders wordt het verhaal te lang) gaat zich al gauw onmisbaar voelen. De Grote Man doet zijn intrede in het menselijk gebeuren. Die wordt later koning, let maar eens op. Bovendien zijn er de lofzangers.

Dat zijn de mannen die net niet goed genoeg zijn om Grote Man te worden maar welbespraakt zijn en zijn daden roemen en aanmoedigen. Want geen Grote Man zonder trawanten die van hem profiteren. Het zijn de lofredenaars die de Grote Man doen denken dat hij alles kan maken. Veilig achter de brede rug van de Grote Man en zelf geen verantwoordelijkheid dragend, praten die alle misdaden goed en verkopen die als heldendaden. (Helden kennen we van de oude Grieken en de Germaanse Edda’s, zie je, we komen al dichterbij.) De lofzangers zijn de eerste ideologen. Geen Grote Man zonder trawanten en zonder lofredenaars. Heel andere lui dan de denkers, waarover ik het verderop over zal hebben. Denkers reflecteren. Denkers spiegelen het gedrag van zichzelf en hun medemensen aan wat ze aanvoelen als menselijke natuur, aan ‘het goede’. Hun bevindingen vallen bij trawanten en lofzangers bepaald niet in goede aarde en wanneer de denkers hun bevindingen niet voor zich houden, leven ze niet lang.

Een overwonnen dorp wordt uitgemoord en platgebrand, op wat jonge vrouwen na. Maar weldra komen de trawanten op het idee om die ook op hun velden te laten werken. Jongetjes worden ook gespaard. Alles wat kan werken wordt gespaard, je kunt ze immers altijd nog ombrengen.

De slavernij doet zijn intrede. Mogelijk gemaakt door onze aangeboren vreemdelingenangst: vreemden zijn geen medemensen voor ons maar onkruid. Kun je mee doen wat je wilt.

Slavernij is het dieptepunt van het VJ-respect voor de ander. Heeft vele eeuwen lang de economie bepaald. Vind je het gek dat de filosofen van Plato tot Hobbes zo’n pessimistische kijk hebben op de menselijke natuur?

Wanneer overpopulatiestammen over snelle vervoermiddelen komen te beschikken: kano’s dan wel paarden, worden die gebruikt om er weerloze dorpen mee te overvallen. Op de Zuidzee-eilanden kwam het veel voor maar ook de Vikingen zijn er onze streken om berucht geworden. De hele geschiedenis lang zijn de ruitervolken van Centraal-Azië een bron van angst en leed geweest en hebben hele beschavingen ineen doen storten.

De trawanten profiteren van de oorlogsbuit en beginnen te morren als de volgende rooftocht te lang uitblijft. Het plunderen en slaven maken is weldra doel op zich geworden, naar een aanleiding wordt niet eens meer gezocht. Steeds meer dorpen onder één Grote Man, dan heet deze voortaan koning. En zijn trawanten worden adel. Het hele gebied, met dorpen en onderhorigen en slaven en al, is een koninkrijk. De lofredenaars loven zich het leplazarus: hoe groter zij hun Grote Man maken, des te hoger zij mee stijgen in zijn aanzien. Zo werkt dat.

U merkt het al: ik ben hier ‘grote-stappen-snel-thuis’ aan het doen: ik moet wat opschieten want deze tekst mag niet langer worden dan honderd bladzijden en ik ben al aan p 63, zie ik tot mijn schrik. En ik moet het ook nog over God hebben!

Het dorp van de Grote Man groeide uit tot stad. Intussen was de handel flink op gang aan het komen. Handel genereert welvaart. Denk aan de stadstaten van Sumerië. Daar werd het spijkerschrift ontwikkeld, verrezen tempelpaleizen, schrijfscholen, ‘tablettotheken’ en wetenschapsbeoefening.

Bezit was ook iets wat niet bestond in de VJ-tijd. In de VJ-tijd is elk lid van de gemeenschap niet meer dan dat en wil ook niet meer zijn. VJ-gemeenschappen kennen geen privé of privé-bezit.[69]

In de primitieve landbouwdorpen was er ook nog geen privébezit, maar kwam er wel familiebezit. Elke familie bezat zijn eigen velden en oogsten, waarvan een deel werd afgestaan aan de tempel die het gemeenschapsbezit beheerde, voor de slechte tijden.

Het begin van de administratie: de tempelpriesters moesten kunnen bijhouden wat en hoeveel elke familie had bijgedragen aan de gemeenschap, om uitvreterij en scheve ogen te voorkomen. Het begin van het schrift. Het begin van overheid ook. Van administrateurs, dus van uit de gemeenschapspot betaalde ambtenaren. Dat waren tempeldienaren, en dat zouden ze nog heel lang blijven. In de tijd van de Assyriërs en de Farao’s bleven de tempels vooral administratieve centra die de offers in natura en later in geld inden en afdroegen aan de heerser van het moment.

Alles draaide om de arbeid van de boeren en om de afdracht van de tienden van de opbrengst van die arbeid. De tienden werden door de tempels geïnd. Maar de koningen hadden ook geld nodig, voor hun bouwwerken en hun leger. Krijgstochten, plunderingen en brandschattingen waren geen duurzame inkomstenbronnen. Er is dan ook altijd gevecht geweest tussen kerk en koning om de inkomsten van de arbeid van de boeren. De koning heeft de wapens maar de kerk de macht over het denken van de massa. Menig keizer heeft een Canossa-gang moeten maken[70].

Intussen werden de oorlogen alleen maar grootschaliger, met een staand leger. De steden ommuurd en de koningsgraven tot piramides gegroeid. Dat alles moest een koning voornamelijk bekostigen met de onderwerping en schatplichtigheid van steeds grotere gebieden. De Sumerische stadstaten werden rond 2300 vC een voor een veroverd door de Grote Man (krijgsheer) van Akkad, Sargon. Die heerste nu over een Rijk, een imperium. Weer een nieuw fenomeen in de menselijkheid.

Ook de wreedheden werden grootschaliger en onmenselijker. Assurnasipal II van Assyrië liet (tekst en melodie van de opperlofzanger) op een gedenkzuil griffen:

“Ik liet alle aanvoerders villen en behing een muur met hun vellen … enkelen liet ik in de muur inmetselen , anderen liet ik palen, of ik ontdeed hen van armen en benen … Veel gevangenen liet ik verbranden, of handen afhakken, of de oren afsnijden … velen werden de ogen uitgestoken … Hun jonge mannen en meisjes liet ik verbranden…” (Mesopotamien von Samuel Noah Kramer. Rohwohlt, 1971)

Dat alles ging ten koste van de oeroude scheppingsverhalen van de afzonderlijke onderworpen stammen. Die mensen werden door de wrede overheersing gedwongen hun scheppingsverhaal en hun oeroude rituelen in te ruilen voor die van de heersende elite. Ze werden gedwongen ‘beschaafd’ te worden. De ouderen bleven hardnekkig aan hun identiteit vast houden. Hun kinderen hadden er al wat minder moeite mee, integreerden en leerden de nieuwe taal. De kleinkinderen, geboren in de ‘nieuwe orde’, kenden niet anders en vonden hun grootouders ‘ouderwets’. Voor de kleinkinderen was het al vanzelfsprekend dat de wereld bleef voortbestaan ook wanneer ze die niet meer dansten/zongen[71].

Maar wat een leed en geestelijke ontreddering moet dit niet betekend hebben voor de ouderen. Beschaving gaat van au!! In het spraakgebruik geldt ‘beschaving’ als iets goeds en moois. Natuurlijk heeft die ellende ook vooruitgang opgeleverd. Overheersing maakt bestuur en ambtenarij noodzakelijk, en de administratie kan niet zonder het schrift. De ontwikkeling van het schrift kan niet zonder onderwijs. Beide leveren wetenschap op. Almaar nieuwe fenomenen in de geschiedenis van het leven en zijn levensvormen op deze planeet.

De ontwikkeling van het schrift begon in Soemerië. Klei en leem genoeg daar. Ze vormden er hun aan de zon gedroogde tichelstenen mee. Maar ook, vanaf zo’n 3000 vC , hun handpalmgrote schrijftabletten. Met een rietpen (met v-vormig stomp uiteinde) drukten ze hun schrijftekens in de nog zachte klei. Als de tablet vol was, werd die in de zon te drogen gelegd. Na een paar uur was de klei hard en kon je de tablet meenemen of opbergen. Belangrijke tabletten werden gebakken, voor de eeuwigheid.

Hier volgt een ‘schoolopstel’, van een scholier van 4000 jaar geleden.

“Toen ik ’s ochtends op school kwam, zei ik mijn tablet op, at, en maakte mijn nieuwe tablet klaar. Ik schreef er de les op en daarna volgde ik de mondelinge lessen …

Na schooltijd ging ik naar huis, trad binnen en zag daar mijn vader zitten. Ik vertelde hem over mijn schriftelijke werk, zei mijn tablet voor hem op en hij was erg tevreden.

Leuk, hè?

Hoe groter het Rijk, hoe belangrijker bestuur en administratie werden en hoe meer mensen er bij werden ingeschakeld. Vooruitgang. Ben ik al aan God toe? Bijna.

Belangrijk is te beseffen dat vooruitgang nooit iets wenselijks geweest is bij onze voorouders. Verandering was taboe. Doen zoals de voorouders het altijd gedaan hadden, dat was de norm.

Beschaving doet pijn. Gaat gepaard met massamoorden en verwoestingen.

heilige Boeken

Toen het schrift, ontstaan als middel om afdrachten en handelswaar te noteren, zo’n 2500 vC gebruikt ging worden om handelsovereenkomsten, wetten en gebeurtenissen te noteren, kreeg het meer en meer een magische lading. Wanneer iets eenmaal op schrift gesteld was, was het ‘vereeuwigd’ en onomstotelijk vaststaand geworden. “Het staat geschreven … “

Op zich zo gek nog niet, als je weet dat de eerste literatuur en wetenschap die op (spijker)schrift werd gesteld in de stadstaten van Soemerië rond 2500 vC, als een kostbare verworvenheid bewaard bleef in de ‘tablettotheek’[72]. Ook toen de Soemerische stadstaten werden veroverd door de heerser Sargon en in een groot Rijk werden samengevoegd, en dit later op zijn beurt werd onderworpen door de Babyloniërs en de Assyriërs, namen die allemaal de Soemerische literatuur en wetenschap over in hun (kleitabletten)bibliotheken, er hun dingen aan toevoegend.

Latere volken, zoals het Joodse, deden er hun voordeel mee. Hun patriarchale kringen vulden er hun Bijbelverhalen voor een substantieel deel mee. Veel van dit literaire erfgoed is ook overgegaan op de Grieken en de Romeinen, en via hen op de hele islamitische en westerse wereld. Wie wat bewaart heeft wat.

Nadeel is dat de magie die aan het geschrevene gehecht wordt, verlammend kan werken. In die diep-religieuze tijden werden de schriften, vooral waar het de religie betrof, gemakkelijk heilig verklaard. De Egyptenaren, die in dezelfde tijd als de Soemeriërs hun eigen schrift ontwikkelden – heel anders, en niet op kleitabletten maar op papyrus en wasplankjes -beschouwden hun beeldschrift als heilig omdat het vooral in hun religieuze beleving een rol speelde. Hun hiërogliefen (heilige tekens) waren als beeldschrift ook minder geschikt voor de handel dan het spijkerschrift, dat op die kleitabletten ook makkelijker kon worden uitgewisseld. Vandaar dat het literaire erfgoed van de Egyptenaren, hoe schitterend en machtig en duurzaam hun cultuur ook geweest is, mager is.

De magie van het heilig verklaarde Boek heeft in de hele verdere geschiedenis de mensen parten gespeeld overal waar de patriarchale kringen macht hadden over handel en bedrijvigheid: in theocratieën. Overal waar kerk en staat niet degelijk gescheiden zijn.

Geloven is een mooi ding. Maar overal waar er misbruik van gemaakt kán worden, wórdt er misbruik van gemaakt. Overal waar er van macht misbruik kan worden gemaakt, wórdt er misbruik van gemaakt. Leve de democratie.

Al die ellende van heiligverklaring en mannen-eer kenden onze vroegere voorouders niet. Hun VJ-samenlevingen waren egalitair, kenden geen ander gezag dan het beraad van de oudsten; en dit kon geen macht uitoefenen en dacht daar ook niet over. Vooral toen de vrouwen het nog voor ‘t zeggen hadden waren deze samenlevingen vredig. En dat is 99,5 % van de tijd van ons bestaan als soort het geval geweest. Dus het is geheel in de lijn van de menselijke natuur dat bij mensen de vrouwen de baas zijn. Maar God stelde de man boven de vrouw. Hij schiep deze superman als eerste en knutselde uit diens rib een privé-slavinnetje voor hem. Dus nu gaan we deze Mannenbegunstiger dan eindelijk eens goed bekijken.

DEEL II. GOD

de ijzertijd

We hebben Hem in proto-vorm zien geboren worden als product van ons talig worden, als het groepje eerste kolonisten van een nieuwbetreden stamgebied. In wezen zijn we het dus zelf, en toe die conclusie komen de diepste denkers dan ook vaak – als ze er mee voor de dag durven komen tenminste.

Monotheïsme is de eredienst aan De Ene Ware God. Die figuur noem ik hier verder EWG. Omdat hij een heel andere Figuur is dan de Grote Voorouder en de overige dreamings die voortgesproten zijn uit onze menselijke taligheid. De EWG is de hoofdfiguur van een collectivistische politieke ideologie. Hij is een patriarchale creatie, een politiek-sociale uitvinding uit de late IJzertijd, van de priesterij van de Tempel van Jeruzalem. Vervolgens is Hij in de Babylonisch-Perzische periode door hen aangekleed, shoppend uit wat er aan bruikbare ideeën in het toenmalige Midden-Oosten voorhanden was.

de IJzertijd in perspectief

Oude steentijd (de VJ-tijd) 2.6 mjg –17.000 jg

Midden Steentijd 17.000 – 8500 vC

Nieuwe Steentijd Neolithicum 8500 – 4500 vC

PPN A (Pre-Pottery Neolithic A) 8500 – 7000 vC

PPN B (Pre-Pottery Neolithic B) 7000 – 6000 vC

PN (Pottery Neolithic) 6000 – 4500 vC

Kopertijd (Chalcolithic) 4500 – 3500 vC

Bronstijd 3500 – 1200 vC

EB (Early Bronze)

EB IA 3500 – 3300 vC

EB IB 3300 – 3050 vC

EB II 3050 – 2700 vC

EB III 2700 – 2350 vC

MB (Middle Bronze)

MB IIA 2000 – 1800 vC

MB IIB 1800 – 1550 vC

LB (Late Bronze)

LB I 1550 – 1400 vC

LB II (Amarna-tijd) 1400 – 1300 vC (‘slavernij in Egypte’)*

LB III 1300 – 1200 vC (de ‘Exodus’) *

IJzertijd (Iron Age) 1200 – 586 vC

Iron IA 1200 – 1150 vC (‘veroveringstocht Jozua’) *

Iron IB 1150 – 1000 vC (‘periode van de Rechters’)*

Iron IIA 1000 – 900 vC (‘Rijk van David en Salomon’)*

Iron IIB 900 – 700 vC (‘tweedeling Israël-Juda’)*

Iron IIC 700 – 586 vC (‘Juda’, tot ‘ballingschap’)

Babylonisch-Perzische Periode 586 – 332 vC

Vroeg-Hellenestische tijd 332 – 167 vC

Laat-Hellenistische tijd 167 – 37 vC

Vroeg-Romeinse tijd 37 vC – 135 nC

Laat-Romeinse tijd 135 – 325 nC

* aannames van ‘maximalisten’: mensen die aannemen dat de Bijbel een historisch juiste voorstelling van zaken geeft; de met een * aangeduide aannames worden niet door de ‘annalen’ (het geheel van archeologie, ontcijferde inscripties en geschreven teksten op papyrussen, kleitabletten en urnen) bevestigd; in feite dateert het judaïsme van de Babylonisch-Perzische periodeen waren de Joden vóór die tijd normale veelgodengelovigen; voor de bijbelverhalen is de Bijbel zelf de enige bron

De IJzertijd is een tijd van oorlogen en wapengeweld – en oorlog maakt mannen belangrijk. De vrouwen, die gedurende het vredige Neolithicum zo hoog in aanzien hadden gestaan, kregen nu te maken met agressieve mannen die de baas wilden spelen. Hogepriesteressen die met agressieve huwelijks-aanzoeken werden belaagd, de tijd van het Gilgamesj-epos.

Het is de tijd van goden en helden (mannen). Het is de tijd van de heldenmythen en van de magische zwaarden. De tijd van een wapenwedloop: om het sterkste metaal, voor de strijdwagens, de speren en de schilden, en vooral voor de zwaarden. Eerst van koper en brons, maar weldra van staal.

Maar toen gebeurde er iets opmerkelijks. Iets dat vergelijkbaar is met de televisie in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Wat daar de gevolgen van waren had ook helemaal niemand voorzien: de leegloop van de kerken en de massale mentaliteitsverandering van bange gelovige naar assertieve consument.

Om ijzer te kunnen raffineren zijn hoge temperaturen vereist, dus enorme hoeveelheden houtskool. Steeds meer bos werd omgehakt en werd landbouwgebied. Steeds minder jachtgebied voor de mannelijke elite. Status kon steeds minder ontleend worden aan jacht en rabauwerigheid; hoffelijkheid en goede manieren stegen in aanzien. Status werd voortaan meer ontleend aan geestelijke en andere culturele kwaliteiten. Onderlegde klerken stegen in aanzien bij de vorsten en werden aan hun hoven verbonden. Onderwijs werd een groeiend belangrijk onderdeel van de opvoeding van de elite. Kortom: beschaving, in de voor u wat vertrouwdere betekenis van het woord.

Een niet bedoeld maar mooi meegenomen gevolg van het krijgsgeweld. Deze historische ‘omwenteling’, rond 800 vC, was de Duitse filosoof Karl Jaspers[73] als eerste opgevallen en het boek van Karen Armstrong De Grote Transformatie (2005) draait er ook om.

In dit IJzertijdperk dus, toen de mensen de dingen nog uitsluitend religieus konden beleven en hun versnippering ook van uitsluitend religieuze aard was – in de vorm van het offeren aan een veelheid van oeroude stamgoden – drong de economische ontwikkelingskracht bij de denkers het verlangen op naar een Eenheidsgod. Natuurlijk het sterkst in regio’s waar uitzichtloze stammenvetes alle handel en economische ontwikkeling blokkeerden – in andere regio’s bestond het bronzen of zelfs het stenen tijdperk nog heel lang voort.

Met de IJzertijd verdween voor de ‘beschaafde’ mensheid de harmonische 99,5 % VJ-tijd voorgoed uit het zicht (totdat missionarissen en later antropologen er opnieuw mee kennis zouden maken), en leefde het verlangen naar geluk waar we qua geboorte recht op hebben, nog slechts voort in nostalgische mythen: van het paradijs van Adam en Eva. In sprookjes: … en ze leefden nog lang en gelukkig. Of in utopieën.

Het ‘loon’ van al die angst en onbeschrijfelijke ellende en onrecht waarmee ‘beschaving’ (het losgerukt worden uit je voorouderlijke stamverband en het deel worden van een rijksverband) gepaard is gegaan, is dat het bestuurskunst en schrift en wetenschap en filosofie en andere vooruitgang heeft opgeleverd. ‘Beschaving’ klinkt super, maar in feite is het de pure frustratie van de VJ-natuur in ons. Ik kan echt niet aan ‘beschaving’ denken zonder ook te denken aan de hel van verschrikkingen en verwoesting van het oude vertrouwde die het voor miljoenen mensenlevens heeft betekend.

Voor de ouderen, opgegroeid in het scheppingsverhaal van hun stam, was de vernietiging ervan onverteerbaar. Hun kinderen beschikten over de soepelheid om zich in de nieuwe situatie te kunnen schikken. Voor de kleinkinderen die nooit een andere situatie hadden gekend, behalve dan uit verhalen, was dit hun wereld en die was nou eenmaal zo. Het zijn de kinderen die de mensheid zo ijzersterk maken en ons vertrouwen in de kracht van het menszijn des te meer wettigen.

de denkers

Ik moet u hier even terug laten denken aan de sjamanen, aan de oudere Aboriginals in hun diepzinnige ‘theologische’ gesprekken, en met name aan de oude sjamaan van Little Diomede, over de mystieke krachten die hij bezat. Over diens verdwaasde ontwaken uit de trance-achtige reizen naar de Droomwereld. Over diens spreken in oude talen die niemand meer verstond en diens oude kennis. Wij zijn heel veel oude vermogens kwijtgeraakt waar onze VJ-voorouders nog wel beschikten. De voodoo– en winti-praktijken[74] zijn niet helemaal onzin. Ze horen bij een voorbije tijd maar ze zijn wel uitvloeisels geweest van die nu verloren oude vermogens. De grote veranderingen van de IJzertijd en de klassenmaatschappijen die er een gevolg van waren hebben de sjamanen gemarginaliseerd, maar hun geestelijke verdiepingsmethoden leefden in de marge voort. Er is een continuüm van de sjamanen naar Zarathustra, naar Pythagoras, naar Plato: geen hunner vond het denkwiel helemaal zelf uit. Ze waren kinderen van hun tijd maar zetten wel onafhankelijk van de heersende machten een denken voort dat ouder was dan zijzelf.

De sjamanen onderhielden het contact met de geestenwereld – die natuurlijk een menselijke gedachtenwereld is. De sjamanen waren gedurende vele jaren opgeleid door oudere sjamanen die hun leerlingen met zorg uitkozen om hen in die lange opleidingstijd door te geven wat ze zelf als leerling hadden meegekregen. Die diepere kennis en de trancemethoden gingen dus onvoorstelbaar ver terug in de tijd, terug in tijden waarin verloren oude vermogens nog levend waren: tot in de Droomtijd. Het is de christelijke indoctrinatie in onze beschaving die ons er hiervoor de neus doet optrekken, maar het hoort wel degelijk bij ons, zijnde een deel van de menselijke natuur.

De sjamanen waren niet alleen religieuze experts, onderhielden hun contact met de goden niet alleen om hen te vereren maar ook om kwalen en ziekten – die immers als straffen van die goden werden gezien – te genezen. Ze waren ook de artsen van hun tijd. Je had onder hen beginnelingen maar ook befaamde oude en ervaren sjamanen wier hulp van heinde en verre werd ingeroepen. De geneeskunst is trouwens altijd vooral vrouwenkundigheid[75] geweest.

In de IJzertijd, en vooral nadat er geld in omloop was geraakt, werd ook hun beroepsgroep gecorrumpeerd door handige en goedgebekte oplichters die zich met toverspreuken en magische handelingen en kwakzalverij trachtten te verrijken. Daar lijdt de beroepsgroep tot op de dag van vandaag aan. Toen de massa-godsdiensten zoals het christendom aan de macht kwamen werden sjamanen bovendien ook nog gedemoniseerd als tovenaars en uitgerangeerd.

Zarathustra

Ergens in de Vroege Bronstijd (zie staatje p 66), dus rond 3500 vC, hadden de Botai, een der nomadische stammen op de eindeloze steppen van Centraal Azië, het paard gedomesticeerd. Vanouds leefden deze bewoners van het huidige Kazakstan van tarpans, zoals de rendierjagers van rendieren leven. Hun kleding en tenten waren van tarpanhuiden, hun werktuigen en gebruiksvoorwerpen van tarpanbotten, hun menu bestond grotendeeld uit tarpanvlees en tarpanmelk. Ze gebruikten tarpans voor het vervoer van hun huisraad en zo werden de Botai de eerste ruiters.

“Nooit zou de wereld meer hetzelfde zijn”, schrijft Ben van Raay[76], “voortaan kon de mens zich snel verplaatsen over veel grotere afstanden, voor handeldrijven of oorlogvoeren.” Vijfhonderd jaar later waren alle nomaden in die streken ruiters en paardenfokkers, en begonnen de eerste overvallen op weerloze boerendorpen van de Levant.

Hier begon een beroerde tijd voor de boerensamenlevingen. Bij de rovende horden zelf brachten de rooftochten een verandering in hun godenwereld. De krijgers en hun aanvoerders offerden niet langer aan hun vruchtbaarheidsgodinnen maar aan hun krijgsgoden.

De krijgsgoden waren oorspronkelijk ondergoden. De godenwereld in de IJzertijd weerspiegelde de hofhouding van de krijgsheren/koningen. Bij de oude Joodse stammen zat aan de godentafel de hoofdgod El aan het hoofd en Jahweh was als stormgod slechts één van zijn zonen. Bij de oude Iraniërs was Mithra oorspronkelijk slechts krijgsgod.

Veel denkers (priesters,sjamaan, magiërs) zagen de verwording van de oude stammoraal door de oorlogvoering met leedwezen aan. Alle oude zeden en edele gevoelens gingen teloor, de tot krijgers en rovers verworden jonge garde dacht alleen nog maar aan zelfverrijking en slemppartijen. In Bactrië, in het zuiden van het huidige Iran, was Zarathustra één van die denkers. We kennen hem alleen uit de latere Avesta. Daarin komt hij tevoorschijn als iemand van goede familie, die als jongeling zijn vaderhuis verliet om, uit afkeer van de religieuze praktijken van zijn dagen: het offeren van dieren aan Mithra en het gebral, zwaar onder invloed van de haoma (bedwelmende drank), van woeste krijgsliederen, op geestelijke zoektocht te gaan. Tien jaar lang reisde hij rond, ik denk vooral in India, zijn licht opstekend bij denkers die hij opzocht.

Het is jammer dat wij niet weten wanneer dit was. Toen de Griekse krijgsheer Alexander in 330 vC het Achaemenidenrijk onderwierp liet hij, als wraak voor de plundering van Athene en de verwoesting van de tempel van Artemis door de Achaemidische koning Xerxes in 480 vC, nu alle Zoroastrische tempels neerhalen en de bibliotheken vernietigen. Hiermee is ook veel kennis over Zarathustra verloren gegaan.

Alexander voerde voor het eerst een officiële jaartelling in, en liet die beginnen met zijn eigen geboortejaar. Dit was voor de Zoroastrische priesters aanleiding om een Zoroastrische jaartelling in te voeren; die natuurlijk met Zarathustra’s geboorte moest beginnen. Hiertoe telden zij de generaties terug die hen van Zarathustra’s leven scheidde, en kwamen tot de slotsom dat die 258 jaar voor Alexander geleefd moest hebben. Deze datum: de zesde eeuw vC, is breed geaccepteerd geweest tot enkele geleerden er op wezen dat de taal van de Avesta wel erg overeenkwam met het Sanskriet van de Rig Veda. Bovendien weerspiegelen de sociale gewoonten zoals die uit de Gatha’s (de zangen van Zarathustra) oprijzen, een primitievere samenlevingsvorm dan zoals die rond 600 vC was. Ze postuleren voor Zarathustra’s zangen de datum van de tiende of zelfs de elfde eeuw vC. Andere geleerden vinden dit te gortig en zeggen dat Zarathustra’s wereld op het Iraanse plateau wat achter liep bij de stedelijke samenleving en dat religieuze zangen en rituelen zo onveranderd mogelijk worden doorgegeven, dus ze komen uit op een gemiddelde: de achtste eeuw vC.

In India hadden vanaf 1500 vC de Ariërs, ruitervolk uit Centraal Azië, de Dravidische cultuur onder hun strijdwagens gerold maar hadden de Dravidische godenwereld in hun eigen Vedische religie opgenomen. Voor de denkers was het sindsdien een belangrijk punt van overweging geworden hoe de vele goden, die tezamen de natuurlijke orde der dingen handhaven en hun activiteiten op de verschillende terreinen ontplooien, dan aan elkaar verwant zijn. Al vroeg in de Vedische periode vatte in India de opvatting post dat men de goden het beste kan zien als manifestaties van die Ene die geldt als Bron van alle verschijning[77].

‘Bij uw geboorte, Agni, bent u Varuna; indien u brandt bent u Mitra; voor hen die vereren bent u Indra; in u, zoon van kracht, vinden alle goden hun kern.’

Net als wij vandaag waren ook de mensen uit die tijd nakomelingen van de VJ’s die hun woordenwereld elke dag dansten/zongen in het Scheppingsverhaal rond het kampvuur; ook zij werden geboren met het overerfelijke gevoel dat de wereld geschapen was door een allerfundamenteelste, eerste en dus belangrijkste Scheppergod. Natuurlijk hadden zij geen idee van de atavistische herkomst van dat gevoel; net zo min als de ‘ietsisten’ van onze tijd dat hebben. Maar voor hun diepste denkers, die in hun trance-meditaties konden terugreizen naar de dreamtime, moest er die Ene zijn die al het zijnde geschapen had en die dus ook al die 33 goden[78] geschapen had.

Zoals ik zei zijn door toedoen van Alexander, de Helleense veroveraar, alle historische bronnen omtrent Zarathustra verloren gegaan en zijn het alleen aanwijzingen uit de Avesta die gewag maken van een tienjarige zwerftocht van de jonge Zarathustra. Maar ik houd het er op dat hij die in aan de voeten van Indiase denkers heeft doorgebracht. En hij zou de laatste niet zijn die met geestelijke verdieping terugkeerde naar het Westen: niet lang na hem was het Pythagoras die opschudding teweeg zou brengen in de Griekse godenwereld.

Teruggekeerd vormde Zarathustra zijn eigen denkbeeld van die Ene, de Bron van alle verschijning, en gaf Hem de naam Ahura Mazda (ahura=’heer’ en mazda= ‘wijs’).

“O Mazda,

toen ik u zocht in mijn bespiegelingen en mijn goede denken,

begreep ik dat Gij zijt

het begin en het einde van alles” (Gathas 4, hymne 31, vers 8)

Faravahar is een bekend symbool van het zoroastrisme

Faravahar, het bekende symbool van het zoroastrisme

Zarathustra propageerde dus een opvatting van de Ene, de Bron van alle verschijning welke diepzinniger en weidser was dan de Indiase of Chinese denkers tot dan toe bedachten. In India bleef Hij één der 33 goden, een soort primus inter pares, die in wisseldienst de functie van de Ene op zich mocht nemen. Hun Ene verlangde ook gewoon offers van Zijn gelovigen. Het offer speelt immers een fundamentele rol in de Arische (Vedische) religie: het verbindt de mensen met de goden. De dood is een noodzakelijke voorwaarde voor het leven: slechts door het doden van andere levende wezens, of het nu dieren zijn of planten, kunnen wij leven, terwijl ook degene die eet, voedsel kan worden voor een ander. In een van de upanishads[79] staat: “Deze hele wereld is slechts voedsel en eters van voedsel. Soma is voedsel en Agni is de eter van voedsel”. Soma is (de god van) de Ephedra-plant, die het stimulerende middel efedrine bevat. Niet alleen de mensen maar ook de goden kunnen niet zonder soma (meende men) en ook de Heer van alle goden verlangde dat men Hem soma offerde in Zijn vuur. De goden bewaren de orde in het universum, en door aan hun goden te offeren konden ook de mensen hun rol spelen in het handhaven van de rita (harmonie en orde) in het universum.

Maar voor Zarathustra was Ahura Mazda, de Heer van het heelal, veel te groots om zo afhankelijk te zijn van zijn schepselen. Veel te groots om zich door offers van welke aard dan ook te laten beïnvloeden. Hij was ook te groots om afgebeeld te kunnen worden. Ook te groots om Zich door één volk te laten toe-eigenen (zoals de latere monotheïsten zouden doen door ieder zichzelf als Gods uitverkoren volk te achten). Men kon Ahura Mazda (ook wel Ohrmuzd geheten) alleen vereren door een goed schepsel van Hem te zijn. Een goed mens was je alleen als je je hield aan drie regels: heb goede gedachten, spreek goede woorden, doe goede daden.

Geniaal. Revolutionair ook, in een tijd dat je status als mens vooral afhing van grote bek en rabauwerigheid, en dat religie allerwegen uitsluitend bestond uit het offeren aan die goden waarvan je geluk of vruchtbaarheid of rijkdom van verhoopte.

Te revolutionair. De priesters van de gewone heiligdommen van zijn stam voelden zich bedreigd in hun inkomsten toen daar iemand begon te propageren dat hun goden niets voorstelden en dat offers onzinnig waren. Veel stamleden zagen ook niets in zijn kritiek op hun lucratieve rooftochten. Zarathustra werd tenslotte zo serieus bedreigd dat hij met zijn gezin uitweek naar het stamgebied van koning Vishtaspa, die via zijn dochter aangetrouwde familie van hem was en die blijk had gegeven van instemming met Zarathustra’s leringen en zangen. Maar ook daar was hij niet veilig. Toen zijn leer, door de steun van het hof, wijdverbreide aanhang kreeg, werd hij vermoord door een fanatieke aanhanger van de oude religie. De reden voor die haat is niet moeilijk te bedenken: Zarathustra wees dierenoffers af; maar die waren voor heel wat lieden hun inkomstenbron.

Zijn leer, die een beroep deed op het aangeboren ‘goede’ in de mens, bleef niet alleen behouden maar werd door zijn volgelingen uitgebouwd tot een volledig geëquipeerde eredienst. Zarathustra’s drie regels: denk goede gedachten, spreek goede woorden, doe goede daden, bleven de ‘zuilen’ ervan. Maar de mensen willen concrete alternatieven voor het aloude offeren op altaren, willen zich uiterlijk kunnen onderscheiden van andersgelovigen, willen vaste rituelen. Daar heeft Zarathustra zelf waarschijnlijk al wel een begin mee gemaakt, al zegt Mobed Dr A.A. J’afari in An Introduction to Holy Avesta (op internet gevonden tekst), besprekend het vijfde boek van de huidige Avesta, dat de inhoud ervan doet vermoeden dat die nog stamt uit een vroege periode dat Zarathustra’s zangen nog de enige ‘canon’ waren, dat de rituelen nog niet volledig geïnstitutionaliseerd waren en dat het priesterschap nog geen voltijd-baan was en zeker nog geen erfelijk ambt.

Ik had het over ‘leringen’, maar ik denk dat zijn gatha’s (zangen) door hem en zijn volgelingen gedanst/gezongen zijn geweest, in geestvervoering als een echte sjamaan betaamt, geholpen met haoma, de rituele drank, bestaande uit een plantenextract van de haomaplant vermengd met melk, water, boter en granaatappelsap, die een ‘geestverruimende’, hallucinogene werking had.

Die gatha’s, vijf in getal en elk een aantal hymnen bevattend, bestaande uit een aantal afzonderlijke verzen, zijn de kern van het zoroastrisme: de leer van Zarathustra (in ’t Grieks Zoroaster, in het Iraans Zardosht). Ze zijn, evenals de uitleggingen en andere toevoegingen van de latere priesters, heel lang slechts mondeling overgeleverd. De Avesta, het heilige Boek van het zoroastrisme, is pas in de zevende eeuw AD op schrift gesteld, althans van wat er nog van over was na diverse vervolgingen van de eredienst en zijn priesters. De huidige Avesta, die zes boeken beslaat, omvat hooguit 1/3 van de ‘canon’ van de Sassanidentijd. Maar de Gatha’s staan ongedeerd overgeleverd in de Yasna, het eerste boek van de zes.

In Zarathustra’s wereldbeeld, zoals dat uit de gatha’s oprijst, bestaat niet alleen het oneindig goede, belichaamd in Ahura Mazda, de ‘Heilige Geest’, maar ook het kwade, belichaamd in de figuur Angra Mainyu, de ‘Boze Geest’, in voortdurende actie om het goede te ondermijnen. De mens is vrij om te kiezen tussen het kwade en het goede, maar in de Eindtijd verschijnt Ahura Mazda en oordeelt welke zielen eeuwig mogen blijven voortbestaan en welke vernietigd moeten worden in een hellevuur. Ahura Mazda laat zich in zijn strijd voor het goede bijstaan door een zevental min of meer gepersonifieerde ‘eigenschappen’, de Amesha Spentas, bijvoorbeeld ‘goed denken’, ‘waarheid en gerechtigheid’, ‘vrome toewijding’, ‘creativiteit’.

De gatha’s werden overgeleverd in een heilige taal, het avestisch. Omdat het verwant is aan het sanskrit van de veda’s, die dateren van tussen 1500 en 1000 vC, menen veel geleerden dat Zarathustra ook ergens in die tijd geleefd moet hebben. Doordat de geheugens van die mensen toen nog zo goed waren (álles werd mondeling overgeleverd en ze hoefden de dingen maar een paar keer gehoord te hebben en ze vergaten het nooit meer), en doordat de gatha’s de kern van Zarathustra’s leer bevatten en goed van buiten te leren waren, hadden deze religieuze zangen een taai leven. Met bijbehorende taal: Zarathustra bracht zijn zangen natuurlijk in de geëigende, in zijn tijd al eeuwen oude ‘heilige’ taal.

Zarathustra heeft vermoedelijk veel nadruk gelegd op reinheid. In het na hem ontwikkelde zoroastrisme speelt reinheid (wassingen, het schoon houden van lucht, water en aarde) een hoofdrol. In de door het priesterdom na hem ontwikkelde eredienst werden deze gehouden in vuurtempels, waarin een vuur in een gouden test met sandelhout[80] en wierook ‘eeuwig’ brandend gehouden werd. Omdat dierenoffers een vette rook meebrengen die de lucht verontreinigt, waren die uit den boze, ook al omdat ook van de dieren het leven beschermwaardig is. Een lijk in de grond stoppen verontreinigt de aarde. Het verbranden is om voorgaande reden geen optie. Blijft over het door de gieren te laten ‘recyclen’ en daartoe bouwden ze ‘stiltetorens’. De latere priesters, die langs een achterdeur ook het veelgodendom weer hadden binnengesmokkeld door de zes eigenschappen van Ahura Mazda als Amesha Spenta’s te vergoddelijken, schonden ook het aloude ‘van de doden niets dan goeds’ door in de gaten te houden welk oog de gieren het eerst uitpikten; was het ’t rechter dan had de overledene een goed leven geleid maar was het ’t linker dan niet.

Zarathustra’s leer was echt goedaardig. Zeker, de menselijke ziel zou door God worden gewogen. Wie overwegend goed was geweest in zijn leven, stond ‘het best denkbare bestaan’ te wachten, oftewel de hemel. Wie overwegend slecht was geweest stond het slechtst denkbare bestaan, oftewel de hel, te wachten. Maar Zarathustra geloofde ook in het einde der tijden, wanneer de collectieve goede daden van de mensheid de onvolmaakte materiële wereld zouden hebben gezuiverd tot de frasho kereti: de ‘vernieuwing’, waarbij God alles nieuw zou hebben gemaakt. Dan zouden ook de zielen in de hel gezuiverd zijn en tot het ‘best denkbare bestaan’ worden toegelaten. Het is geen wraakzuchtige God.

Zarathustra geloofde niet in reïncarnatie of in karma. Misschien moet ik die Indiase guru’s die ik hem in zijn tien vormende jaren van omzwerving had toegedacht, toch maar vergeten.

Ik denk dat in de tijd van Cyrus de Grote, de tijd dat de judaïsten bij de zoroastristen shopten voor de samenstelling van hun nieuwe geloof – waarbij ze overigens alleen de trivia overnamen – Zarathustra’s leer nog tamelijk zuiver was. Maar toen het zoroastrisme veertig jaar later, tijdens Darius’ regering, tot staatsgodsdienst werd geïnstitutionaliseerd, werden er steeds meer elementen uit de vigerende andere godsdiensten in overgenomen.

het judaïsme

Het jodendom is eigenlijk niet echt een IJzerentijdperk-product, tenminste wanneer je het monotheïsme ziet als een religieus middel om eenheid te scheppen in de heilloze onder religieuze vlag gevoerde stammenoorlogen. Het jodendom is begonnen als een middel om de inkomsten van de talloze offerplaatsen naar één punt te doen samenvloeien: de Tempel van Jeruzalem.

De twee Joodse koninkrijkjes, het grotere Israël en het kleine bergstaatje Juda, gewoonlijk met elkaar overhoop liggend, waren altijd als vazalrijkjes uitgebuit geweest door óf Egypte óf Assyrië. Op momenten dat de grote rijken moeite hadden om zelf overeind te blijven, waren de kleintjes even vrij van de wurgende belastingen en konden hun ‘nationaal product’ zelf besteden. Dit was het geval na de invallen van de Zeevolken (1189-1180 vC). De beide grootmachten, voor een groot deel drijvend op de kurk van de Middellandse Zeehandel, raakten in moeilijkheden en de greep op hun vazalstaten werd losser en losser.

De koninkrijkjes van de Levant[81] leefden op.

Het koninkrijk Israël werd onder koning Omri een regionale grootmacht! Omri veroverde de steden als Dan, Megiddo en Hasor[82] en breidde zijn gebied uit van de Middellandse Zee-kust tot over de Jordaan, en van Dan in het noorden, via Gezer en Lachis, tot in de Negev-woestijn, waar Omri’s beambten de karavaanhandel controleerden, vanuit het garnizoen Kuntillet-al-Agrud waar een opberg-urn is gevonden met de naam van Omri’s god Jahwe en Jahwe’s vrouw Asjera.

Omri’s Groot-Israël, waar Juda een onderworpen deel van was, is door de archeologie en de annalen klip en klaar vastgesteld. Van een rijk van David en Salomon daarentegen geen spoor. Vandaag denken veel archeologen[83] dat de verworvenheden van de Israëliër Omri en diens zoon Achaz later door de bijbelschrijvers aan de Judese roverhoofdman/held David zijn toeschreven, wellicht omdat de namen Omri en Achaz ‘belast’ waren: te zeer herinnerden aan de Israëlische bezetting van de Judese gebieden. Een bezetting die toen, na twee eeuwen, nog niet vergeten was. In primitievere samenlevingen blijken herinneringen langer relevant en dus levend; denk aan ‘Kosovo’ bij de Serviërs. Misschien moeten we zeggen: in klassenmaat-schappijen blijven herinneringen langer bruikbaar voor een heersende elite en dus in leven gehouden. Als iets manipuleerbaar is, dan wel het geschiedenisverhaal, het Grote Verhaal. Het eerste slachtoffer van een oorlog is de waarheid.

Omri bouwde een nieuwe hoofdstad, Samaria, omstreeks 880 vC. Hij versterkte ook zijn overige steden met muren en trotse stadspoorten. En met een onderaardse gang die bij belegering toegang tot de meest nabije waterbron garandeerde. Versterkte steden waren niet alleen noodzakelijk vanwege buren als het koninkrijk Aram (hoofdstad Damascus), maar vooral vanwege de dreiging van het weer opkrabbelende Assyrië.

Assyrië had zich namelijk, na bijna een eeuw van economische machteloosheid, hersteld, mede door de handel met de Feniciërs (Tyrus). Koning Salmanessar III achtte het weer tijd voor expansie en ondernam in 853 vC een veldtocht om de westelijke koninkrijkjes als Aram en Israël in te lijven. Maar Omri’s zoon en opvolger Achaz had tijdig de onderlinge vijandschappen weten te bezweren en een gezamenlijke strijdmacht van duizenden strijdwagens, ruiters en infanteristen bijeen weten te brengen. Salmanessar moest afdruipen. We kennen de precieze aantallen van de vijandelijke legeronderdelen van Salmanessar’s ‘overwinnings’[84]-stele, de beroemde Kurkh-monoliet. Aram had de meeste infanteristen geleverd, maar Israël de meeste strijdwagens.

Voorlopig hielden de Assyriërs zich koest. Dus vlamde de rivaliteit tussen Aram en Israël weer in volle hevigheid op. Zo vocht Achab’s zoon Joram samen met koning Achazja ‘van het Huis van David’ tegen koning Hazaël van Aram. Dat “tegen de koning” moet tamelijk letterlijk worden begrepen: in die tijd vochten de koningen zelf in de voorste linies (het waren nog steeds stammensamenlevingen).

Beide jonge koningen sneuvelden. Hoefde op zich niet zo’n ramp te zijn: er was altijd wel een popelende broer of neef of anders zwager om hem op te volgen. Maar nu betekende het ’t einde van het koninkrijk Israël. Op de overwinningsstele van koning Hazaël, teruggevonden in de ruïne van de stad Dan[85], lezen we, in de vertaling uit En de zee spleet in tweeën[86] van Marcel Hulspas waaraan ik dit relaas van de Joodse koninkrijkjes grotendeels ontleen: “Ik doodde Joram, zoon van Achab koning van Israël, en ik doodde Achazja, zoon van Joram koning van het huis van David. En ik veranderde hun steden in puinhopen en veranderde hun land in woestijn”. Echt lofzangerswerk!

Israël, dat met zijn krijgsgod Yahweh een eeuw lang een lokale macht van betekenis was geweest, werd nu schatplichtig aan de Aramese koning.

The stele as photographed circa 1891

Voor het eerst is hier in de ‘annalen’ melding gemaakt van Juda. Van het bergachtige zuidelijke koninkrijkje dat tot dan toe nergens noemenswaardig was geweest maar dat de bakermat zou worden van een geschiedenisbepalende EWG. Hoe is dat nietige bergstaatje vanuit het niets opgeklommen tot het kloppend hart van de Joodse landen?

Dat begon met de inlijving van Israël bij Assyrië in 720 vC.

De ‘annalen’ vermelden in deze tijd nog een andere figuur die vanaf nu geschiedenisbepalend zal gaan worden: Yahweh. Zijn naam komt nu een tweede keer voor als … wéér een inscriptie op een overwinningsstele, nu van koning Mesha van Moab.

Wat was het geval? Omri’s opvolger Achaz had de Moabieten, het koninkrijk oostelijk van de Jordaan, niet onder de duim weten te houden. Hun koning Mesha had Achaz’ leger in een krachtmeting weten te verslaan. Op Mesha’s overwinningsstele[87] lezen we:

Ik ben Mesha, zoon van Kemos, koning van Moab. Mijn vader heerste over Moab dertig jaar, en ik heerste na mijn vader. En ik maakte deze hoge plaats voor Kemos in Qarcho, omdat Hij mij behoed heeft onder alle koningen.

Omri was de koning van Israël, en hij onderdrukte Moab lange tijd, want Kemos was vertoornd op zijn land. En Omri’s zoon kwam in diens plaats en zei: Ook ik zal Moab onderdrukken.

Maar ik keek neer op hem en op zijn huis. En Israël is verslagen, verslagen voor altijd.

En Omri nam bezit van het hele land van Madaba [een noordelijke stam van Moab] en leefde daar in zijn dagen en in de helft van de dagen van zijn zoon: veertig jaar lang. En Kemos herstelde het in mijn dagen. En ik bouwde Baal Meon, en ik bouwde er een cisterne [waterreservoir] in. En ik bouwde Qiriaten. En de mannen van Gad [ook een noordelijke stam van Moab] leefden in het land van Atarot [vandaag de noordelijke wijk van Jeruzalem] vanaf oude tijden, en de koning van Israël bouwde Atarot voor zichzelf. En ik vocht tegen de stad en veroverde het. En ik doodde alle mensen van de stad als een offer voor Kemos en voor Moab. En ik bracht de haard[?] van zijn[?] oom mee terug en bracht die voor Kemos in Quarcho en liet de mannen van Sharon er in plaatsnemen, en ook de mannen van Maharit.

“(…) En Kemos [de Moabitische strijdgod] zei tegen mij: “’Ga en neem Nebo van Israel. En ik ging, in de nacht, en ik vocht van de ochtend tot de middag en ik nam haar en ik doodde de gehele bevolking. (…) Want ik had haar in de ban van Ashtar Kemos gedaan. En ik nam de vaten van Yahweh weg vandaar, en ik zette ze voor het aangezicht van Kemos (…)”’.

[en zo nog 15 regels door]

Nog steeds hét topstuk van de Bijbelse archeologie, deze Mesha-stele:

1. archeologische bewijs – de Bijbelboeken zijn immers achteraf geschreven EWG-propaganda en notoir onbetrouwbaar– van de God van Israël. En zijn naam is Yahweh!

2. Mesha noemt zichzelf “Zoon van God” (en zo deden alle koningen toentertijd)

3. hier zie je dat het toeschrijven van je eigen (mis-)daden aan de influisteringen of zelfs het bevel van je God: normaal taalgebruik in die dagen

4. het toeschrijven van rampen en nederlagen aan de toorn en straf van je God (“Omri … onderdrukte Moab lange tijd, want Kemos was vertoornd op zijn land.”)

5. Yahweh, hier nog als Israël’s krijgsgod en genoemd in verband met stammenoorlog, wordt niet als beeld meegevoerd als trofee, alleen zijn offervaten worden meegevoerd

6. het taalgebruik doet vertrouwd ‘bijbels’ aan, dus heel algemeen voor die cultuur

7. “Voor het aangezicht van Kemos”; ‘voor het aangezicht van Jaweh’ of ‘voor Mijn aangezicht’ is dus een onmiskenbaar polytheïstisch taalgebruik, want het slaat op het godenbeeld van je God! Hebben de bijbelauteurs geen afstand van weten te doen …

Yahweh als krijgsgod, dat klopt met zijn oorspronkelijke status in de literatuur over de Kanaänitische godenwereld. Daarin is El de hoofdgod, de voorzitter van een hemelse raad. Of liever een koninklijke hofhouding. Daarin was Yahweh als god van storm en ontij een der ondergoden. Klopt ook met het verschijnsel in de ijzertijd dat juist die stormgoden dan belangrijk worden – oorlog maakt mannen belangrijk. Een oppergod heeft dan vaak nog teveel weg van de Grote Voorouder, en die was noch man noch vrouw – want het was een groep.

Klopt ook met de oorlogssuccessen van Omri en Achab, die een groot deel van Kanaän (op de kuststeden van de ‘zeevolken’ na) hadden weten te onderwerpen. Offerend aan hun stormgod Yahweh. De god van Israël.

Hulspas wijst terecht op die ‘vaten van Yahweh’: niet op een bééld van Yahweh. Misschien stond ook in de Yahwehtempel van Samaria al geen beeld! Als het te massief zou zijn geweest om als oorlogstrofee mee te slepen, dan zouden de archeologen het immers gevonden hebben, zo redeneert Hulspas. Maar ja, ligt er aan waar het beeld van gemaakt was. Bij een overwinning van jouw oorlogsgod hoort dat je het heiligdom en het beeld van de vijandige god in de hens zet. Als het een houten beeld was, was het mee opgestookt.

De vaten zijn offervaten van goud. Tempelgerei is favoriete oorlogsbuit in die tijden.

Nogmaals: echt herkenbare ‘bijbeltaal’, niet? Weliswaar niet afkomstig van een papyrusrol maar van een ‘stenen tafel’!

De door de EWG met eigen hand beschreven stenen tafelen van Mozes zijn echter nooit gevonden. Zelfs de berg niet waarop God zich zou hebben laten zien. Geen spoor ook van Mozes zelf. Noch van Aäron, noch van Jozua. Noch van een verovering van een ‘beloofd land’. Allemaal EWG-verhalen van latere bijbelschrijvers. Achteraf-schrijverij: dan kun je de profeten verrassende dingen laten voorzeggen!

Yahweh de god van Israël. Maar hoe werd die nou nu EWG van het judaïsme?

Dat kwam door de vernietiging van het koninkrijk Israël.

Onder koning Jeroboam II was Israël, het noordelijke Joodse koninkrijk, een vazalstaat van Assyrië geworden maar het kwam toch tot grotere welvaart. Het profiteerde namelijk van de economische bloei van het hele Assyrische rijk en kon door zijn gunstige ligging een belangrijke rol spelen in de handel. Zelf produceerde het steeds meer olijfolie. Het areaal olijfgaarden en het aantal oliepersen vervijfvoudigde, volgens door de archeologen blootgelegde gegevens. Verder leverde het paarden, krijgswagens en de bemanningen ervan. De economische bloei bracht toename van geletterdheid mee (en daarmee het optreden van de eerste profeten).

Vanaf 744 vC werd het Assyrische politiek om alle welvarende vazalstaten gewoon in te lijven, tot provincie te maken: dat zou hun belastingopbrengst verveelvoudigen. Toen de koning van Israël het waagde om, in een poging eraan te ontsnappen, aan te pappen met Assyrië’s concurrent Egypte, nam Sargon II Samaria in, deporteerde de elite naar Assyrië en lijfde Israël in bij zijn rijk.

Een deel van de elite van Israël ontliep de deportatie door tijdig te emigreren. Het grootste deel daarvan week uit naar Egypte. Yahweh’s tempel werd in 722 vC mét de hele stad Samaria met de grond gelijk gemaakt. De elite werd gedeporteerd en vervangen door de elites van andere onderworpen volken: de gewone tactiek van de toenmalige overwinnaars. Israël was weg en bleef weg. Alleen zijn god, dat wil zeggen de Jahwe-priesterij, niet. Het grootste deel van de priesterij van de Yahweh-tempel in Samaria dat had weten te ontkomen was neergestreken in het nederige Jeruzalem en zette haar business voort in de nederige Tempel aldaar. De archeologen constateren dat Jeruzalen toen in korte tijd 15 keer zo groot geworden is.

Voor de latere bijbelschrijvers, meest van Israëlitische herkomst, had het geen enkel nut om het verschil tussen Juda en Israël aan te zetten; ze hebben beide koninkrijken, historisch aartsvijanden, als één Israël (zoals ten tijde van Omri) voorgesteld. Mogelijk heeft de Israëlische elite het berggebied Juda altijd al als eigenlijk behorend tot Israël beschouwd, zoals veel Duitsers ook de neiging hebben zo over de Lage Landen te denken.

In de priesterlijke bijbelboeken is het onderscheid zoveel mogelijk verdoezeld. Alleen ‘de annalen’: het geheel van archeologisch bewijsmateriaal, de opschriften van stèles en muurversieringen, de lettertekens op scherven en urnen, de teksten op de kleitabletten, én een kritisch gebruik van overgeleverde geschriften als de Bijbel, brengen de waarheid des geloofs aan het licht.

de Samaritanen als de eerste Jahweh-vereerders

De Israëlieten, de bewoners van het noordelijke Joodse koninkrijk dat onder Omri en Achab tot een kortstondige plaatselijke grootmacht was gegroeid en ook de zuidelijke Joodse stammen in zich had opgenomen, hadden dit gepresteerd onder hun krijgsgod Jahweh.

Maar de Moabieten waren onder hun koning Mesha tenslotte in de tegenaanval gegaan. De koning van Moab nam de vaten van Yahweh weg vandaar, en ik zette ze voor het aangezicht van Kemos. De vaten van de god van Israël. Zijn tempel werd in 744 vC door de troepen van Sargon II met heel Samaria met de grond gelijk gemaakt. De elite van Israël werd gedeporteerd. Gedeporteerden van andere door Sargon onderworpen volken werden er door diens opvolger Sanherib neergepoot.

Die nieuwelingen ondervonden op zeker moment grote overlast van bergleeuwen, en hun geraadpleegde priesters duidden dit als een wraak van de God van de verdreven vorige bewoners. Zo valt te lezen in 2 Kon, 17: 24-27 en ook in Ezra 4:2. Toen Sanherib in 668 vC werd opgevolgd door Esarhaddon, die een wat toleranter beleid voerde en het door zijn voorganger verwoeste Babel liet herbouwen, deden ook de nieuwe bewoners van Samaria een beroep op hem. Ze verzochten om hen Jahweh-priesters te sturen, die hen zouden konden onderrichten in de eredienst van de God van hun nieuwe land, zodat de plagen van de bergleeuwen zouden stoppen. En zo geschiedde. Althans, de priesters kwamen, en ook de nieuwe Samaritanen werden ijverige Jahwehvereerders. Of het geholpen heeft tegen de bergleeuwen vermeldt de beide bijbelboeken niet.

Volgens 2 Kon. 17:28 werd het Jahwehheiligdom in Bethel gevestigd. Maar vers 33:

33 Zij vereerden de HERE, maar bleven ook hun goden dienen naar de gewoonte van de volken, waaruit men hen had weggevoerd. 30 de mensen van Babel maakten (een beeld van) Sukkot-Benot, de mensen uit Kuta van Nergal, de mensen uit Hamat van Asima, 31 en de Awwieten van Nibchaz en Tartak. De Sefarwieten verbrandden hun kinderen voor Adrammelek en Anammmelek, de goden van Sefarwaïm. 32 Daarnaast vereerden zij de HERE en stelden uit alle kringen priesters voor de hoogten aan, die voor hen dienst deden in de tempels op de hoogten.

Bedenk dus: Esarhaddon regeerde van 681-669 vC. De ‘hervorming van Josia’ waar we het verderop over gaan krijgen en die het begin vormt van het judaïsme, zal pas in 622 vC in Jeruzalem gaan plaatsgrijpen. Op het moment dat de nieuwe Samaritanen de Jahweh-eredienst in volle glorie herstelden, naast de dienst aan de goden welke ze van thuis hadden meegebracht, offerden de Joden van Jeruzalem nog gewoon aan hun Baäl en Asjera, daar is 2 Kon. 23 “De hervorming van Josia” heel duidelijk in:

4 Toen geboood de koning de hogepriester Chilkia en de priesters van de tweede orde en de dorpelwachters om al het gerei dat voor de Baäl, de Asjera en het gehele heer des hemels gemaakt was, uit de tempel des HEREN naar buiten te brengen; en hij verbrandde die buiten Jeruzalem op de velden van de Kidron, en de as ervan bracht hij naar Betel. Ook schafte hij de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om offers te ontsteken op de hoogten, in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem. 6 Voorts bracht hij de gewijde paal uit het huis des HEREN weg, buiten Jeruzalem naar de beek Kidron en verpulverde hem tot stof; daarna wierp hij het stof ervan op de begraafplaats van het gewone volk, 7 Hij brak de verblijven af van de aan ontucht gewijde mannen, in het huis des HEREN, waar de vrouwen hoezen voor de Asjera weefden. 8 Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten, waar die priesters offers ontstoken hadden, van Geba tot Berseba. En hij slechtte de hoogten bij de poorten van de stadoverste Jehosua, en wel aan de linkerhand als men de stadspoort binnengaat. Enzovoort.

De Joden die in de Assyrische tijd naar Egypte waren uitgeweken en op het eiland Elefantine (in de bovenloop van de Nijl, bij Aswan) waren neergestreken en zich bezig hielden met de handel in ivoor uit Nubië, waren evenmin monotheïsten. Uit de Elefantinepapyri blijkt dat de Judeeërs daar naast Jahu (Jahweh?) ook Asjambethel, Anathbetel, Cherembethel en Anathjahu vereerden.

De opkomst van de Israëlische krijgsgod Yahweh[88] als judaïstische EWG moeten we dus laten beginnen met de val van het noordelijke koninkrijk Israël, in 722 vC.

Het waren de uit Samaria gevluchte en in Jeruzalem neergestreken Jahwehpriesters die in de decennia hierna de EWG zouden uitvinden. Vanaf toen groeide het bescheiden plaatsje van zo’n vierenhalve hectare, zoals de archeologie laat zien, uit tot een stad van zestig hectare dicht opeen staande huizen en openbare gebouwen. Met nieuwe buitenwijken om de vluchtelingen te huisvesten. De god van Israël, Jahweh, kreeg in de Tempel een hoofdaltaar, naast de heilige paal van Asjera.

De gevluchte Yahwehpriesterij bracht het nostalgische verlangen mee naar de bevrijding van hun land. Een verlangen naar het herstel van Groot Israël zoals het onder Omri en Achab geweest was. Het is mijn persoonlijke inschatting dat de Israëlische bijbelschrijvers dit het koninkrijk van David en Salomon hebben genoemd: omdat de namen van Omri en Achab nog te gevoelig lagen onder de Judeeërs en die ook duidelijk realistisch geweest waren en ook andere vereringen dan die aan Yahweh hadden toegestaan.

Dat er een koningshuis van David geweest moet zijn, weten we nu van genoemde overwinningsstèle van de Aramese koning Hazaël, maar hoogstwaarschijnlijk was David een krijgsheer, de aanvoerder van een roversbende. Wanneer die een rijk had gehad zoals het Groot-Israël van Omri en Achab, zou de archeologie daar zeker sporen van hebben gevonden. Er is hardnekkig genoeg naar gezocht. En zo moet ook Salomon met al zijn heerlijkheid en wijsheid uit de dikke duim van de bijbelschrijvers zijn ontsproten: hij komt, nogmaals, nergens tevoorschijn in de annalen: noch op een stele, noch op een potscherf, noch wordt zijn naam genoemd in de kleitabletten-briefwisseling.

Sargon werd in 705 vC opgevolgd door zijn onervaren zoon Sanherib. In Egypte was een sterk nieuw koningshuis aan de macht gekomen, het Nubische, dat Boven- en Beneden-Egypte weer had weten te verenigen. Met de hulp van Egypte zou Juda nu misschien de Assyrische krijgsheren van het lijf kunnen houden, en de torenhoge schattingen wellicht kunnen halveren. De Israëlische tempelpriesterij droomde zelfs van het Groot-Israël van weleer. Ze wisten de nu zittende koning, Hizkia – dit is een halve eeuw vóór de ‘hervormingen’ van Josia, houd dat voor ogen – over te halen om de Assyrische belasting-inners met lege handen naar huis te sturen of hen zelfs te laten ‘verongelukken’. Hun priester Jesaja deed een toepasselijke profetie dat de grootmachten ineen zouden storten en dat Juda en Israël tot één rijk en macht zouden komen. Hizkia bereidde zich op een confrontatie voor, behalve door een beroep om bijstand aan farao Shabaka, door Jeruzalem van een nieuwe stadsmuur te voorzien en een onderaardse tunnel naar de waterbron buiten de stad aan te leggen[89]. Ook – en dat is hier belangrijk! – concentreerde hij de cultus van Jahwe in de Tempel en brak daartoe de altaren buiten Jeruzalem af. Hier wordt de Israëlische krijgsgod Jahwe voor het eerst instrumentaal als EWG!

U begrijpt dat Hizkia als een brave koning te boek staat in II Koningen en in II Kronieken : “deed wat goed was in de ogen van de HERE” = priesterij.

Hizkia’s opstand werd een ramp. Sanherib bleek geen doetje. In 701 arriveerde hij aan het hoofd van een ontzagwekkend leger. Hij passeerde het inderdaad moeilijk in te nemen Jeruzalem en liet om te beginnen zijn leger onbeteugeld plunderen en verkrachten op het platteland van Juda. Lachis, de tweede stad, werd met de grond gelijk gemaakt en vijftienhonderd doden werden begraven in een massagraf. Ook in de rest van Juda werd gruwelijk huisgehouden. Tenslotte werd Jeruzalem omsingeld. Toen leverde Hizkia haastig alle goud en andere rijkdommen in en kocht de belegering af. De latere bijbelschrijvers schrijven de aftocht van Sanherib toe aan een ingreep van Jahwe en zijn engelen. Maar de annalen van Assyrië zijn realistisch genoeg.

Realistisch was ook Sanherib. Jeruzalem was een moeilijk in te nemen vesting, een belegering kon makkelijk twee jaar in beslag nemen. Zijn legerbendes waren al bepakt en bezakt van de plundertochten door heel Juda. Sanherib vond het wel goed zo en ging rijk met buit beladen naar huis, verzekerd van een voortaan brave belastingafdracht.

Manasse bleef een trouwe vazal van Assyrië en onder zijn lange heerschappij bloeide het land weer op. Net als eertijds Israël profiteerde Juda nu van de opbloeiende economie van Assyrië en van het handelsverkeer. Dat laatste betrof vooral de karavaanroute door het zuiden van Juda, die voor Omri indertijd al de belangrijkste reden was om het armelijke Juda in te lijven. Vooral tijdens de regering van Assurbanipal (668-631 vC) groeide Jeruzalem uit tot een echt stadje. De bevolking van heel Juda groeide van 10.000 tot 70.000 zielen; waarvan de helft woonachtig in Jeruzalem. Dat werd toen, zoals opgravingen bewijzen, opnieuw flink uitgelegd. Ook andere Judese steden groeiden in deze tijd uit en op het platteland verrezen veel nieuwe dorpen. In het hele Assyrische rijk, dus ook in Juda, nam de geletterdheid toe. Vooral toen het oude spijkerschriftsysteem was vervangen door het Semitische alfabet, wat veel makkelijker te leren was. De kleitabletten maakten plaats voor papyrusrollen, die tegen muisvraat werden bewaard in urnen. Het is de archeologie vooral die deze feiten aan het licht bracht. De Bijbel echter heeft weer geen goed woord over voor deze voortreffelijke koning … omdat die de oude religies weer alle ruimte gaf. Een karaktertrek van de EWG-ideologie: het gaat niet om het geluk en de welvaart van de mensen, maar om het dienen van hun ‘Allerhoogste’.

Ik vermoed dat toen ook het geld zijn intrede heeft gedaan. Hulspas noch Armstrong hebben het hier over. Maar het dadelijk aan de orde komende plan voor de invoering van de EWG (de ‘hervorming van Josia’ zoals die in de bijbel heet) zou zonder het geld zelfs onbedenkbaar zijn geweest.

Voorlopig echter lijken de tijden van verzet tegen Assyrië voorgoed voorbij. Assurbanipal heerst oppermachtig en verovert zelfs Egypte!

Maar ook dat duurde niet. Niets duurt, en vooral niet wanneer het om gewelddadige overheersing gaat. Assyrië kreeg te maken met aanvallen van de Meden, waar Assurbanipal de handen mee vol kreeg. Zeker toen ook de Babyloniërs, onder aanvoering van Nabopolasser, de kop weer opstaken en met de Meden gingen samenspannen. Overal werden de bezettingsgarnizoenen teruggetrokken. In Egypte kon farao Psamtek I van de 26ste dynastie de laatste Assyrische bezettingstroepen het land uitjagen.

de ‘hervorming van Josia’

Adempauze voor Juda. Assyrië nu serieus in de problemen en Egypte nog niet op krachten! Het was nu of nooit, zo was de overtuiging van de Israëlische priesterij van de Tempel. Er moest nu een legermacht worden opgebouwd van het niet langer afgedragen schattinggeld. Een staand leger, goed uitgerust, paraat en gedrild in kazernes. Als ze dat voor elkaar zouden weten te krijgen, dan was het afgelopen met de uitzuigerij door de grootmachten. Dan zouden ze misschien zelf aan het uitzuigen van andere landen kunnen slaan! Groot-Israël!

Zo’n krachtig leger kost nogal wat. Hizkia’s poging was indertijd mislukt omdat hij toen nog onvoldoende ‘maatschappelijk product’ van Juda had kunnen concentreren, doordat er toen nog geen geld in omloop was: hij had alleen de revenuen van de tempels in de naaste omgeving van Jeruzalem kunnen benutten.

Deze keer hadden ze alle mogelijkheden om het plan tot in de finesses uit te werken.

De revenuen van heel Juda, wat? van heel Israël ook graag, moesten naar één altaar gaan vloeien. In de vorm van geld was dat nu een haalbare kaart. Alles naar het altaar van Yahweh, die nu dus definitief moest worden opgewaardeerd tot de enige ware God-met-een-hoofdletter. De God van Israël, residerend in de Tempel in Jeruzalem. Want die van Samaria was verwoest en verlaten en de bevolking van Israël zelf was, door de bevolkingspolitiek van Assyrië, een mengelmoes van geloven en culturen geworden. Alleen Yahweh’s priesters waren nog over, en die zaten nu in Jeruzalem.[90]

Het was een stout plan. Het hield in dat alle andere heiligdommen, altaren, heilige hoogten en heilige palen in heel Juda, en daarna als het even kon ook in het te heroveren Israël, met de grond gelijk gemaakt moesten worden, en dat alle andere priesterijen dan die van de Tempel van Jeruzalem ontslagen en uitgerangeerd moesten worden.

Hetgeen ook inhield dat er een geheel nieuw soort godheid moest worden bedacht, één die geen andere goden en al helemaal geen heilige palen meer naast zich zou dulden. Een verschrikkelijk en wraakzuchtig Figuur, die niettemin álles wilde betekenen voor Zijn uitverkoren volk. Natuurlijk moest het de god van Israël worden: Yahweh. De god van Groot-Israël moest hij worden. De namen van Omri en Achaz moesten vergeten worden en vervangen door die van rasechte Judese helden.

Een geheel nieuwe ideologie, een nieuw Joods Verhaal! Uitgedokterd en op schrift gesteld. Het moest allemaal geloofwaardig aan het volk gepresenteerd kunnen worden. Je moest er zelf in kunnen geloven, zo goed moest het zijn.

En inderdaad. Het door de priesterij van de Tempel ontworpen verhaal werd bepaald geniaal.

Het maakte gebruik van de oeroude verhalen van de verhalenvertellers. Die trokken al sinds onheuglijke tijden van vader op zoon de hoeven langs, waar ze verwelkomd en gefêteerd werden in ruil voor hun spannende verhalen. De slavernij in Egypte waar alle boerenfamilies eeuwenlang zonen aan verloren hadden, gevoegd bij de vele heldenverhalen uit de stammenoorlogen van de Judese IJzertijd, vormde het uitgangspunt. Dat was allemaal orale ‘literatuur’, waarvan bruikbare elementen nu voor het eerst werden te boek gesteld – dus ‘vereeuwigd’. Heel wat elementen waren geknipt voor een relaas van Yahweh die – en dat was een ijzersterke vondst! – juist dát arme en gepijnigde volk speciaal had uitverkoren boven alle volken! De Ene Ware God, Yahweh, wilde Zijn uitverkoren volk bevrijden uit de slavernij van Egypte. Op slechts één voorwaarde: het volk moest alleen Hem aanbidden en geen andere goden!

Daartoe, zo luidt het verhaal van de bijbelschrijver(s), werd een Verbond gesloten[91], vastgelegd op schrift. Onder leiding van … nee, nog niet van Mozes: die is pas later in Babylon bedacht; in deze eerste versie doet Yahweh de klus nog zelf … werd het volk uit Egypte geleid en binnengevoerd in het ‘Beloofde Land’.

Echt een meesterlijk scenario. Maar nogmaals: het moést ook echt goed zijn, want er moest een hell of a job mee worden verricht.

De Judaïstische EWG-ideologie heeft pas in de eeuwen daarna, in talloze telkens aangepaste edities, de vorm gekregen waarin wij er nu kennis van kunnen nemen. Maar de bijbelkundigen weten vrij goed hoe die eerste rompvorm van wat later Deuteronomium zou heten, er uitgezien moet hebben: nog zonder Mozes bijvoorbeeld. Het is deze rompvorm die door Chilkia en zijn (Israëlische) priesterij op een boekrol op schrift is gesteld.

Het was nu of nooit. Want er deed zich juist ook een andere gunstige factor voor. Voor de uitvoering van het plan diende de Tempel ook over een meewerkende koning/legeraanvoerder te kunnen beschikken. Welnu, die kregen ze op een presenteerblaadje.

Toen koning Manasse eindelijk werd opgevolgd door zijn zoon Amon, kwam die al in zijn tweede regeringsjaar bij een paleiscoup om het leven en diens achtjarige zoontje Josia werd door de samenzweerders (waarover dadelijk meer) op de troon gezet.

Josia, opgevoed mede door ‘geleerden’ van de Tempel, werd door de priesterij voor het plan, waarin hij immers de rol van ‘de nieuwe David’ zou krijgen, van meet af aan enthousiast gemaakt. Terwijl Josia in de achttien (!) beginjaren van zijn koningschap alles in het werk stelde om een flinke en goed geïndoctrineerde[92] militie op de been te brengen, werd het bovenbeschreven nieuwe Joodse Verhaal door (of in opdracht van) hogepriester Chilkia in een boekrol uitgewerkt. Een Verhaal over een EWG die heel wat te stellen had met zijn ‘uitverkoren volk’. Een echt IJzeren Tijdperk-verhaal, vol moord en doodslag, verwoestingen en uitroeiingen. Met als beloning voor het afzweren van alle andere goden, dat ze zouden worden uitverkoren boven alle andere volkeren der aarde! En natuurlijk gruwelijke straffen voor als ze zouden hervallen in hun voorouderlijke erediensten.

De boekrol werd in een urn gedaan en verborgen onder het puin van een in gang zijnde Tempelrenovatie.

In 622 vC, in zijn achttiende regeringsjaar dus, was Josia er klaar voor. De bewuste urn werd ‘toevallig’ gevonden en met veel bombarie en vertoon aan de koning en ‘het volk’[93] voorgelezen. Vervolgens kwam de verwoesting van de altaren en heilige hoogten buiten Jeruzalem op gang zoals ik al citeerde uit II Koningen 22-23 (eveneens in Kronieken 33-34). Het is een nogal duidelijk in elkaar gestoken drama. Maar of het ook echt gebeurd is? Het blijft een bijbels verhaal, dus: achterafschrijverij van auteurs in Babylon of (ver) nadien. Niet met een historisch maar met een propagandistisch oogmerk.

Propaganda waarvoor eigenlijk? Propaganda was toch iets voor krijgsheren, als ideologische poot onder hun (op roof, plundering en afpersing gebaseerde) overheersingsmacht?

Ja, zo was de EWG-ideologie aanvankelijk ook bedoeld: om aan afpersing en plundering en roof te ontsnappen én om zelf, het Groot-Israël hersteld zijnde in zijn macht, plunderaar en afperser te kunnen worden. Maar toen het bij de val van Jeruzalem en de verwoesting van hun Tempel op niets was uitgelopen, bleef de EWG-ideologie alleen over. En die ging een eigen leven leiden. In hun priesterlijke hoofden, én in de hoofden van de EWG-gelovige vromen daar in Babylon: ‘uitverkoren volk’! Voor wie niks heeft, is zo’n idee iets om voor te gáán.

De EWG-propaganda was een geheel nieuw verschijnsel in de geschiedenis. De zoroastristen (daar krijgen we het verderop uitgebreid over) hebben nooit aan propaganda gedaan.

Het boek van Karen Armstrong De Grote Transformatie[94] legt weinig nadruk op de figuur van de Ene Ware God als een politieke uitvinding.

Armstrong heeft geen idee van hoe wij mensen geworden zijn en dus ook niet waarom wij van nature religieus zijn. Ze voelt wel dat er ‘IETS’ moet zijn en dus wil ze de EWG niet kwijt. Ze houdt dus toch maar vast aan de Bijbelse weergave van de werkelijkheid, compleet met Mozes als wetgever, en slikt de propagandistische verhalen dan maar voor zoete koek.

Maar ze zegt wel heel zinnige dingen – of ze dat zelf bedacht heeft of dat ze het van een ander heeft kan me even niet schelen – over het vernieuwende karakter van de EWG-ideologie:

– deze werd gepresenteerd in een geschreven tekst, waar de religieuze waarheid tot nu toe een zaak van gezangen en andere mondelinge overlevering was geweest[95]. Een Boek had voor de mensen iets magisch: het was niet meer vrijblijvend want ‘het stond geschreven’!

– van de andere kant werd de zeggenschap over de religieuze waarheid enigszins gedemocratiseerd. Mondelinge overlevering eiste, zoals in India en Perzië waar men terughoudender stond tegenover de Schriftuur, een lange leertijd bij een goeroe en een gedisciplineerde levensstijl. Zelfstandig het Boek bestuderen, los van een goeroe, maakt daarentegen eigen interpretatie mogelijk. Bovendien hoéfde men de religieuze waarheid niet meer van buiten te leren – al werd dat nog lang op prijs gesteld – : men kon de tekst immers altijd opnieuw ter hand nemen

– de concentratie van alle offers op één plek: de Tempel van Jeruzalem. De boeren moesten hun offers in geld leveren. “De deuteronomisten [de samenstellers van het boek in de urn] hadden hiermee een seculier domein geschapen” : tot nu toe was het – in de hele Oude Wereld was dat zo – alleen toegestaan vlees te eten dat ceremonieel geslacht en geofferd was op een gewijde plaats. Maar nu de plaatselijke offerhoogten en altaren waren afgeschaft, mochten de Joden voortaan hun dieren op hun eigen woonplek slachten. Alleen het bloed, dat de levenskracht bevatte, moesten ze in de grond laten lopen. Als tegenprestatie moesten ze voortaan met geslagen muntgeld betalen. Wat de vrouwen dus op de plaatselijke markt moesten zien te krijgen in ruil voor hun landbouw- en vleesproductie. Het was wel een achteruitgang voor de mensen: of het nou een goed jaar was geweest of een slecht jaar: de opgelegde schatting bleef gelijk

– vernieuwing ook op het gebied van de rechtspraak. Traditioneel was er rechtgesproken door stamoudsten bij de plaatselijke heiligdommen. De plaatselijke heiligdommen waren afgebroken en de plekken aan particulieren verkocht. Nu werden er staatsrechters in elke stad benoemd, met een hooggerechtshof in Jeruzalem

– een priesterlijke machtsgreep: de koning (staat) werd voortaan niet langer gezien als de zoon van God, maar moest net als iedereen gehoorzamen aan de Wet van Mozes (priesterij). Theocratie dus.

– een rationelere theologie: de deuteronomisten lieten veel oude mythen buiten beschouwing. God verscheen niet als beeld, was niet met vleesoffers manipuleerbaar, woonde niet in een tempel maar in ieders innerlijk (nou ja, in de achterafschrijverij dan – maar dat geldt voor al deze punten)

– eiste van de gelovige dat hij een deel van zijn inkomsten apart hield voor weduwen en wezen en andere armen; dat hij de rechten van vreemdelingen respecteerde en slaven na zes jaar vrijliet. Kortom: institutionalisering van sociale rechtvaardigheid

We moeten bij deze opsomming wel bedenken dat Armstrong de EWG-ideologie beschrijft zoals die pas later, in Babylonië en nog lang daarna, zijn definitieve vorm zou krijgen. En, nogmaals, zonder dat ze veel oog wenst te hebben voor het propagandistische oogmerk van de bijbelboeken.

einde Assyrië, Juda onder het Nieuw-Babylonische rijk

Het machtige Assyrische rijk, dat het aanzien van het hele Midden-Oosten in het algemeen en het eens zo onaanzienlijke Juda in het bijzonder zo veranderd had, met name onder Assurbanipal, liep na diens overlijden in 627 vC ten einde. De Scythen (nomadische veehouders van rond de Zwarte Zee, uit hun weidegronden verdreven door de sterkere Sarmaten, ook veehouders) en Cimmeriërs (paardenvolk vanuit de Oekraïne) waren het noorden van het rijk aan het binnendringen. De Meden, Iraanse stammen, verenigd onder Fraortes, bedreigden het rijk vanuit het oosten. Ze spanden samen met Babylon in het zuidoosten, dat al 200 jaar door de Assyriërs geregeerd werd maar dat nu onder de Chaldeeër[96] Nabopolassar de kans schoon zag om ook in opstand te komen.

De Meden versloegen onder Fraortes’ zoon Deiokes het Assyrische leger en verwoestten in 614 vC de hoofdstad Assur. Nabopolassar benaderde Deiokes en ze besloten om samen Niniveh te belegeren, dat in 612 viel. Dat was het begin van het einde voor het roemrijke Assyrië. Assur-uballit II, koning van de Assyriërs, wist de verstrooide troepen nog te verzamelen en vestigde een nieuwe machtsbasis in Harran. Deze stad werd in 609 vC door de Babyloniërs ingenomen en daarmee viel het doek voor Assyrië en begon het Nieuw-Babylonische rijk.

Voor de vazalstaten zoals Juda en Egypte was het enige tijd de vraag op welk paard ze moesten wedden: zouden de Assyriërs tenslotte toch zegevieren of zouden de Babyloniërs de nieuwe heersers worden?

De farao’s keken de kat uit de boom. Ze deden alsof ze de Assyriërs trouw bleven maar zagen met welbehagen toe hoe die het steeds moeilijker kregen. Josia van Juda wedde op de Babyloniërs[97].

Toen de Egyptenaren de tijd rijp achtten om de zieltogende Assyriërs zogenaamd te hulp te snellen, en de farao Necho II aan het hoofd van een legermacht optrok langs de Filistijnse kust noordwaarts naar Megiddo, vond Josia het slim om de Babyloniërs te laten zien dat hij aan hun kant stond. Achteraf gezien wel slim, maar nu kostte het hem zijn leven: bij de eerste confrontatie – we schrijven 609 vC – trof een Egyptische pijl hem dodelijk.

Necho II vervolgde monter zijn veldtocht maar moest zich al gauw achter de Eufraat terug trekken. Hij moest zich beperken tot een sterk garnizoen bij Karkemish (Syrië).

Josia van Juda werd opgevolgd door zijn oudste zoon Joachaz. Die herstelde meteen de oude goden in ere. Farao Necho verving Joachaz weldra door diens in Egypte opgeleide broer Joakim. Volgens de latere bijbelschrijver deugden Joachaz noch Joakim: ze deden “wat kwaad was in de ogen des HEREN, geheel zoals hun vaderen gedaan hadden” (II Koningen, 23:31-37). Wat wil zeggen: ze gaven de voorouderlijke religies weer alle ruimte[98]. Ik vind het veelzeggend dat ze er telkens weer bij schrijven: “in de ogen des HEREN[99]”. Het is een relativering: “de HERE” = de priesterij, dus je moet het lezen als “volgens ons”. Hetgeen het bijbelboek duidelijk als een priesterij-tekst kenmerkt.

Necho’s poging om Kanaän als zijn wingewest te behouden, mislukte. In 605 vC trok Nabopolassar op naar Karkemish teneinde de belastingmacht van Necho in de hele regio uit te schakelen. Nabopolassar werd echter ziek en moest zich laten terugvervoeren naar huis. Het commando te velde liet hij over aan zijn zoon Nebukadnessar II. Deze ontpopte zich als een waardige opvolger. Het kwam tot een beslissend treffen, waarbij Egypte een zware nederlaag leed. Necho had stom geluk dat Nebukadnessar plotseling bericht kreeg dat zijn vader overleden was en hij als de bliksem naar huis moest om zijn opvolging veilig te stellen. Zo ontsprong Necho – zijn strijdmacht zwaar gehavend maar toch – de dans.

De Babylonische generaals rukten verder op naar het zuiden. Ze lieten Juda met rust: Josia had zijn leven geofferd voor de Babylonische zaak en bovendien betoonde Jojakin meteen zijn onderdanigheid. De teruggekeerde Nebukadnessar richtte zich nu naar Tyrus en belegerde deze uiterst belangrijke havenstad in 604 vC vergeefs. Dan maar naar Egypte! Maar ook dat viel tegen. Necho II won deze thuiswedstrijd en Nebukadnessar moest zich terugtrekken.

We schrijven inmiddels 598 vC. Nebukadnessar’s nederlaag was voor Jojakin van Juda reden om in 597 vC de schatting-afdracht aan Babylon op te schorten en, rekenend op ruggesteun van Necho II, een opstand te beramen. Maar jammer dan: Necho’s steun bleef uit! Jojakin wist niet hoe snel hij zich, met veel verontschuldigingen en het overhandigen van alle hof- en tempelgoud, moest overgeven aan de genade van legerleiding van de Babyloniërs. Waarschijnlijk vanwege het krediet van zijn vader Josia werd zijn leven gespaard. Jojakin werd, samen met degenen die hem tot deze domme daad hadden aangezet, op transport gesteld naar Babylon. Zedekiah, jongere broer van Josia, werd door de Babyloniërs als regent aangesteld.

Maar in 588 vC kwam Jeruzalem, waarvan de muren door Zedekiah op topsterkte waren gebracht zodat hij de stad onneembaar achtte, weer in opstand! Deze keer kende Nebukadnessar geen genade. Hij leidde persoonlijk de belegering, die een vol jaar in beslag nam. Nadat eindelijk een bres geslagen was, ondernam Zedekiah met zijn gevolg een ontsnappingspoging. Maar hij werd gepakt. Hij moest toezien hoe zijn drie zonen werden afgemaakt. Vervolgens werden hem de ogen uitgestoken. De stad en de tempel werden door legeroverste Nebuzaradan grondig verwoest. Alle voornaamste burgers en priesters werden, inclusief de blinde Sedekiah, afgevoerd naar Babylon.

Babylon

Van oudsher was Babylon een rijke stad, zowel door handel en nijverheid als door landbouwproductie. Een wereldstad. Heel wat anders dan het dorpse Jeruzalem in het provinciale Juda. Een stad waarin de rijkdom van de overzeese handel, voornamelijk door Arabieren beheerst, werd overgeslagen via aangelegde wegen naar Bactrië, Medië, Perzië, India, Armenië, Voor-Azië en Arabië. De handelswaar bestond uit Arabische wierook, Indiase specerijen, ivoor, ebbenhout, edelstenen, purper, parels uit India en Perzië.

Een stad met een oeroude geschiedenis. Van oorsprong was het de hoofdstad van de Sumeriërs, die de grondslag hebben gelegd van de Babylonische cultuur. De oeroude priesterstad van die cultuur was Ur, de stad van een der belangrijkste stammen der Sumeriërs, de Chaldeeën. Ur was ook, volgens de bijbel dan, de stad waar Abraham van afkomstig is, de stamvader van de Joden. Inderdaad was er in die vroege tijd een instroom van semieten uit het zuiden, die behalve naar Ur ook naar Arku, Larsak (Senkereh), Nipur (Niffer) of Agani (Lippara) trokken. Ze integreerden in de cultuur (waren nog niet geïnfecteerd met de ‘uitverkoren-volk-bacil’ van het judaïsme) en namen het schrift en de religie over. Dat de integratie overigens niet altijd even harmonieus verliep, doet het ook weer wegtrekken van semieten, zoals van de mythische Abraham en de Hebreeën uit Ur Kassidim, veronderstellen.

De religie van de Babyloniërs was vanouds een natuurreligie, waarin de godheid als een gepersonifieerde natuurkracht werd gezien, in zowel een mannelijke als een vrouwelijke gestalte[100]. De oudste god is El.

Naast hem de koningin-moeder Billit (Baaltis), de ontvangende en barende, de godin van liefde, vruchtbaarheid en geboorte. De derde god is Bel (Baäl, Marduk), de scheppende maar ook verwoestende natuurkracht. De tegenhangster van Billit is Ishtar, de godin van oorlog en verderf maar ook van leven en zegen. De godin die zowel goede als slechte tijden brengt. De Egyptenaren vereerden haar als Isis; de Phoeniciërs en Palestijnen vereerden haar als Ashera, de Karthagers als Astarte.

schets Babylon naar de beschrijving van Herodotus:

“De muur is het pantser van de stad. Binnenin nog een tweede muur, nauwelijks minder sterk maar smaller.

… een machtig bouwwerk …de tempel die aan Belos[101] is gewijd. Het heiligdom is een vierkant van 4000 m lang en breed, met poorten van brons. Ik heb het zelf bezocht. In het midden is een massieve toren opgericht, 185 m lang en breed. Daar bovenop bevindt zich een andere toren, dan nog een en dat gaat wel tot acht torens door.[102] Via een wenteltrap aan de buitenkant kun je naar boven. Ongeveer halverwege is een rustplaats met banken.” uit: Het verslag van mijn onderzoek. Door Herodotos, vert. Hein L van Dolen (Boom, 1995)

Babylon kende een gesloten priesterkaste, die met offers en magie het noodlot trachtte te bezweren. De priesters bestudeerden de vlucht der vogels en de ligging van de ingewanden der offerdieren, om de weersomstandigheden en aardbevingen te kunnen voorspellen. Ze bestudeerden ook de stand der sterren, om zons- en maansverduisteringen te kunnen voorspellen. Aan de toren van Belos was een gespecialiseerde groep sterrenkundige priesters verbonden, wier berekeningen zeer nauwkeurig zijn gebleken. Vooral die over de maanstonden: die kloppen tot op de seconde met die van vandaag. Ook maten zij de tijd van de dag met zonnewijzers. Wikipedia: “Van de Babyloniërs is bekend dat ze een zevendaagse week hadden. Elke dag was gewijd aan een andere godheid. Het belang van het getal 7 komt uit de Babylonische astronomie. Er zijn 7 hemellichamen die waarneembaar zijn met het blote oog (de zon, de maan en vijf planeten). Deze lichamen worden elk met een godheid geïdentificeerd. Volgens een andere theorie denkt men dat de 7-daagse periode een vereenvoudiging is van een kwart van de maanmaand.” Ook in het zoroastrisme was 7 een heilig getal.

De latere bijbelschrijvers hebben de zevendaagse week als één van de vele Babylonische elementen overgenomen. Dat houdt automatisch een rustdag in, je moet dan immers een weekend markeren, toch? Maar ze maakten van de Sabbat een overdreven punt.

Een groot gedeelte van het land was in eigendom van de tempel. Dankzij renten, tienden, riviertol, belastingen en handelsmissies verzamelden de hogepriesters reusachtige schatten voor hun God Marduk. Die Tempel was machtig. Koning Nebukadnessar, een geweldenaar die 43 jaar geregeerd heeft; die één van de zeven wonderen van de oude wereld, de ‘hangende tuinen van Babylon’, heeft laten bouwen; die oorlogen voerde met Egypte, Tyrus, Edom en Judea en al deze oorlogen won; die het verwaarloosde kanaalsysteem heeft laten renoveren; die Babylon uitbreidde, het met een kolossale muur omringde (zie de schets) en alle religieuze ruïnes heeft laten renoveren; die machtige koning dus speelde het niet klaar om aan dat Mardoek-kapitaal te komen teneinde zijn oorlogskosten en zijn grootse bouwkosten te financieren. Met als gevolg een enorme inflatie en zelfs hongersnood. Hier zie je de macht van de geestelijken, die zich ook in het middeleeuwse pausdom en het huidige vaticaan weerspiegelt. Toen Nebukadnessar in 561 stierf, was Babylon zo verzwakt dat de Perzische veroveraar Cyrus II (Kyron) de stad in 540 vC met weinig moeite heeft kunnen innemen.

de ‘ballingschap’

In 586 vC, na de opstand van Zedekiah, had dus de definitieve deportatie van de elites plaatsgegrepen. Het is niet zo dat Juda nu totaal ontvolkt was. Bijbelse overdrijving: ‘de ballingschap van het Joodse volk’[103]. De economische en geestelijke elite werd gedeporteerd. En het machtscentrum Jeruzalem werd verwoest. De opgravingen laten zien dat het Jeruzalem van toen is platgebrand en ook niet meer is herbouwd. De Klaagliederen beschrijven de lege pleinen, afbrokkelende muren en geruïneerde poorten. Verder was Juda door de Babyloniërs herbevolkt met gedeporteerden uit andere onderworpen gebieden, zoals eerder ook met Israël gebeurd was.

Voor een deel was de Joodse elite uitgeweken naar Egypte. Egypte herbergde al veel langer een behoorlijke Joodse kolonie, en dat heeft ook bijgedragen aan het ‘kerstverhaal’ van de vlucht van Jozef en Maria met hun kind naar Egypte[104] uit Matteüs 2: 13-15, nadat de ‘magiërs uit het oosten’ (sterrenkundigen van Babylon) weer naar ‘hun land’ waren teruggekeerd.

Voor de Babylonische heersers was, net als hun Assyrische voorgangers, deportatie van de kopstukken van een onderworpen volk de gemakkelijkste manier om dat volk tot medewerking te dwingen. Op geloofsgebied waren de Babyloniërs als ‘heidenen’ verdraagzaam: ze gunden de gedeporteerden hun eigen geloofsbeleving. De Joden werden gehuisvest in dorpen in de omgeving van Babylon, aan de Euphraat, en vonden werk in Nabukadnessars grote project van de renovatie van Babylons kanalenstelsel. Omdat het een geletterde elite betrof, vonden velen ook werk in de administratieve sectoren en op den duur ook in het onderwijs. Maar natuurlijk was het voor de meesten een behoorlijk statusverlies vergeleken bij wat ze in Jeruzalem betekend hadden. Het boek Job is een typisch Babylonisch boek.

Niet alle Joden integreerden succesvol. Vooral de echte EWG-gelovigen onder hen weigerden zich te assimileren aan hun ‘heidense’ omgeving. Daar is de ‘uitverkiezingswaan’ debet aan.

Onder hen stond menig profeet op. Behalve Ezechiël was er ook Jesaia en vooral een derde profeet wiens naam onbekend is en daarom de tweede Jesaia genoemd wordt omdat zijn orakels in dezelfde rol als die van de eerste bewaard gebleven zijn. Welsprekende en gedreven predikers, die de Joden voorhielden dat ze tot Gods ‘uitverkoren volk’ behoorden. Dat ze zich dus aan de Joodse Wet te houden hadden. Zichzelf en hun zonen laten besnijden. Geen varkensvlees eten, zoals die heidenen deden. En de Sabbat[105] heiligen.

Jojakin kreeg van Nebukadnessars opvolger genade en genoot zelfs weldra, als zoon van Josia die immers zijn leven geofferd had voor de Babylonische zaak, een voorkeurs-behandeling. Hij kreeg een uitkering en een ‘residentie’, en bleef tot zijn dood als aanspreekpunt van de Joodse ‘import’ fungeren.

Toen Ewil-Merodak de troon besteeg als koning van Babel, verleende hij koning Jojakin van Juda gratie en ontsloeg hem uit de gevangenis. Dat was op de vijfentwintigste dag van de twaalfde maand in het zevenendertigste jaar van zijn ballingschap. Hij had met hem een vriendelijk onderhoud en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die in Babel gevangen zaten. Jojakin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en mocht voor de rest van zijn leven de maaltijd gebruiken met de koning van Babel. Jeremia[106] 52:30-34.

De Joden mochten er ook hun eigen geestelijke centrum bouwen. Het is jammer dat we daar niet meer van weten[107], want het is daar dat heel wat van de eerste versies van de bijbelboeken tot stand zijn gebracht. Maar ook de uitwerking van de eerste, door Chilkia en de zijnen samengestelde en in de urn ‘gevonden’ rompvorm van Deuteronomium is in Babylon duchtig omgewerkt. In de grondtekst van de EWG-ideologie is nog geen sprake van de zo belangrijke figuur van Mozes:

“De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we Yahweh, de god van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En Yahweh bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen”. (Deuteronomium, 26:6-8)

In het geestelijk centrum in Babylon – wellicht was dat de ‘residentie’ die Jojakim als gunsteling van het hof had toegewezen gekregen – werd de grondtekst herschreven en uitgewerkt “tot één lange redevoering van leider/wetgever Mozes, waarbij verschillende ‘profetieën’ over de ballingschap werden toegevoegd” (Hulspas p.274). En: “De introductie van de wetgever Mozes is ongetwijfeld het meest opmerkelijke aspect aan deze bewerking.” Het is een meesterlijke vondst. Anders hadden de wetten aan de EWG moeten worden toegeschreven, met telkens weer een antwoord verzinnen op de vraag: hoe dan?

Nieuw is volgens Hulspas ook dat de priesters zichzelf in hun geschriften de hoofdrol toekennen: als het volk een koning wilde, kon dat; maar deze moest aangewezen worden (gezalfd) door “de HERE” (lees: de priesters) en zich strikt houden aan de wetten van Mozes (lees: van de priesters). Ik weet niet of dit nieuw was. Er is al vanaf de vroegste tijden van patriarchale machtsuitoefening strijd geweest tussen de machthebbers over de geesten en de machthebbers over de wapens. Tussen hogepriester en koning, tussen paus en keizer, tussen kerk en staat. Waar de geestelijkheid de kans zag om de macht te grijpen en een sharia in te voeren, liet ze die niet passeren, en dus nu ook niet bij het opstellen van de ‘wetten van Mozes’.

Bijbelwetenschappers identificeren de redacties van deze auteurs als (P), waar de oudere versies als (JE[108]) worden aangemerkt. Ene Baruch[109] schijnt een groot aandeel gehad te hebben in de achteraf-schrijverij. Natuurlijk worden er geen auteursnamen in genoemd, noch een ontstaansplaats: het is immers “het Woord Gods”, van “alle eeuwigheid”. Wel worden aan bepaalde teksten graag namen van beroemde personen gehecht, om ze meer autoriteit te geven.

De voorkeursbehandeling bevorderde de vormgeving van hun eigen ideologie. Ze heeft op een noodlottige manier de uitverkiezingswaan bij de joden in de hand gewerkt. Het is die uitverkiezingswaan die onze verdere mensheidsgeschiedenis zoveel kwaad berokkend heeft – naast het kwaad dat het de Joden zelf berokkend heeft – en nog steeds berokkent.

Genesis

De belangrijkste bijdrage van de (P)-auteur(-s) van de Babylonië-tijd (586-538 vC) is, naast de ‘Mozes’-wetgeving, de psalmen (enkele zijn ‘omgebouwde’ oude Egyptische dan wel Mesopotamische mythen en gezangen) en de profetieën: het Genesis-verhaal. “Precies het scheppingsverhaal uit Genesis is een van de laatst geschreven teksten!” zegt oudtestamenticus Arie van der Kooij, Universiteit Leiden (NRC 25 okt.’04).

Het basisverhaal van welke ideologie dan ook is immers het ontstaansverhaal der mensheid. Een beetje ideologie (geheel van ideeën die heersen in een samenleving) kan zich alleen aannemelijk maken wanneer het zich kan baseren op een van a tot z- verhaal: van hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden tot wat ze nu zijn, en waarin de betreffende ideologie dan naadloos past. Een Groot Verhaal dus.

[Doordat de postmoderne filosofen van na de Tweede Wereldoorlog geen kennis hadden van de oorsprong en de overgeërfde natuur van ‘de mens’, dus ook onbekend waren met de rol die scheppingsverhalen vanaf de vroegste tijden in de mensheid hadden vervuld: het structuur geven aan de begrippenchaos van onze woordenwereld, gooiden ze met het badwater van de Grote Verhalen van fascisme en communisme ook het kind: het Grote Verhaal, weg. Vandaar dat ze zich ook weinig zorgen maken over de verhaalloosheid van ons samenleven en zich niet gedrongen voelen om wat aan de leegte te doen – gesteld dat ze al zouden kunnen verzinnen wát.] Het Grote Verhaal van het monotheïsme, een eveneens verwerpelijke collectivistische ideologie, werd dus het Genesisverhaal.

Voor de samenstelling daarvan hebben de bijbelschrijvers in Babylon veel ontleend aan de Enuma Elish. Ik citeer hier Wikipedia : “De Enuma Elish ("wanneer in het hoge") is een oude Babylonische mythe die ons vertelt hoe de wereld is geschapen. Het is tegelijk een verheerlijking van de god Marduk en de stad Babylon. De tekst is van groot belang omwille van zijn gelijkenis met het Bijbels scheppingsverhaal” .

Waarom ontleenden de bijbelschrijvers hun scheppingsverhaal aan andere culturen? De Joodse stammen waren toch niet van gister? Die hadden toch ook hun eigen oeroude scheppingsverhaal(-en)?

Zeer zeker, de god El was hun Grote Voorouderfiguur. Maar elke stam had zo z’n eigen versie. Onvermijdelijk zou het officiële verhaal naar het oordeel van sommige stamhoofden teveel het stempel dragen van één der concurrenten en ze zouden het niet als het hunne accepteren. Een nog belangrijkere reden: het zou teveel ‘heidense’ elementen bevatten: de weinige vermeldingen van hoofdgod El doen dat prompt.

Dus liever een geheel nieuw vervaardigd. De EWG-ideologie was immers in zijn geheel een revolutionaire afrekening met het verleden. Bovendien: bronnen voor ‘leentjebuur’ genoeg.

De (P)-auteurs maakten van de scheppende figuur echter een zachtaardiger God dan de krijgshaftige God Marduk. Uit dat zachtaardige blijkt invloed van de andere inspiratiebron voor het Genesis-verhaal: het, eveneens in Babylon populaire, zoroastrische scheppingsverhaal. Vooral het begin van Genesis: de scheiding tussen licht en duisternis; een God zonder begin of einde, zonder plaats of verleden; de schepping van de aarde in zes fasen, besloten met een rustdag, is geheel aan het zoroastrisch/Babylonische scheppingsverhaal ontleend. Maar ook hier merk je dat de verschillende auteurs verschillende opvattingen hebben vertegenwoordigd. Verschillende teksten, afkomstig uit verschillende scholen wellicht, daar hebben de latere overschrijvers en redacteurs een geheel van moeten maken, met waar mogelijk behoud van de originele, dus ‘heilige’ tekst. Hetgeen weer leuk is voor de bijbelvorsers.

De geloofsinhoud van de (P)-auteurs ademde een vredelievender, zoroastrischer geest dan die van de deuteronomische D-rompvorm. Dit vastgesteld hebbende is het optreden, tegen het einde van de ‘ballingschap’, van de zg ‘Tweede Jesaja’ (zo geheten omdat zijn orakels bewaard zijn gebleven in de dezelfde boekrol als die van Jesaja, die echter in Hizkia’s tijd heet geprofeteerd te hebben) opmerkelijk. De orakels van de ‘Tweede Jesaja” waren ineens weer opvallend triomfalistisch. Een Marduk-achtige Yahweh die al zijn vijanden verslaat. Opmerkelijk ook omdat er dan ineens vier gedichten tussen staan – van iemand die zich ‘dienaar van Yahweh’ noemde – die juist weer heel timide zijn en lijdzaam.

Maar juist de zangen van die ‘tweede Jesaja’ blijken heel populair geweest te zijn onder de Joden in Babylon.

het zondvloedverhaal

Een oude Babylonische sage vertelt van de stadscheppende Figuur Oannes, die half vis half mens was, en noch man noch vrouw was. Dat hij uit de zee was op komen duiken en aan de mensen taal en kennis, kunstvaardigheid en schrift, landbouw en bouwkunst had geschonken. Om daarna weer terug te keren in de zee. Een typische Grote Voorouderfiguur dus.

Tien koningen hadden er achtereenvolgens geheerst; de eerste heette Aloros en de laatste was Isuthros geweest.

Maar toen had Bel (Baäl) met een zondvloed alle mensen vernietigd. Alleen Isuthros had zich op een groot schip weten in te schepen, met paren van alle dieren bij zich. Het schip was afgedreven naar het hooggebergte van Armenië. Van daar uit was de mensheid opnieuw begonnen.

De mythen van een zondvloed hebben, zoals echte mythen betaamt, ook een waar-gebeurde kant. Na afloop van de laatste ijstijd vormden zich bij de afsmelting van de gletschers vaak enorme stuwmeren. Wanneer een in de weg liggende ijsdam het dan eindelijk begaf, kreeg je vaak verwoestende overstromingen. Enkele hebben wereldwijde effecten gehad. Ik denk hierbij met name aan de doorbraak van ‘Lake Agassiz’, de enorme zoetwaterbinnenzee (acht keer de oppervlakte van Nederland) die 8470 jaar geleden in één keer leeg liep en de zeespiegel wereldwijd een halve meter deed stijgen. De landtong van de Tigris en de Eufraat, tot dan toe wel 1000 km verder de Perzische Golf instekend, werd toen in korte tijd door de zee verzwolgen. Als je bedenkt dat juist de kustgebieden bij voorkeur door de mensen bewoond werden, kun je je indenken dat zo’n catastrofe vooral in die contreien lang deel van de oeroude verhalen heeft uitgemaakt.

Tiamat wordt bevochten door Marduk (Babylonische zegelafdruk)Een dergelijke catastrofe zou zich ook rond de Zwarte Zee hebben voorgedaan[110]; recentere onderzoeken[111] hebben deze theorie onderuitgehaald. Maar er hebben zich na afloop van de laatste ijstijd op tal van plekken overstromingen in kustgebieden voorgedaan en de meeste scheppingsverhalen van de meeste stammen kennen wel een zondvloedverhaal[112].

Voor het bijbelse zondvloedverhaal is creatief met elementen uit het Enuma Elisj-epos gewerkt. Dus hier eerst een stukje Babylonische mythologie.

Tiamat wordt bevochten door Marduk (Babylonische zegelafdruk)

Mardoek is de oppergod van het Babylonische pantheon.

Mardoek doodde Tiamat, de zoute zee en oermoeder van alle leven. Tiamat werd voorgesteld als een kosmische draak. Van haar lichaam maakte hij de wereld. Uit haar ogen ontstonden de Tigris en de Eufraat en uit haar staart alle sterren van de hemel. Mardoek doodde ook haar zoon en geliefde, de maan Kingu. Van diens bloed maakte Mardoek de eerste man.

Elk jaar werd deze geschiedenis in Babylon gevierd als mysteriefeest, maar het verhaal leefde in het hele Midden-Oosten. De Chaldeeërs noemden Mardoek El. Tiamat assimileerden ze met Isjtar. Haar beeld Tehama weende jaarlijks om de dood van haar geliefde Tammuz. En Kingu was voor hen Sin, de maangod van de berg Sinaï. Tiamat had Kingu (Sin) verheven tot de macht van Anu, de hemelgod. Ze gaf hem de wetten en daarmee de macht over de goden.

Een soortgelijk verhaal leefde er ook over Rhea, die tafels met de wetten schonk aan Minos, op de berg Dikte. Wellicht ligt hier de inspiratiebron voor de bijbelschrijver die de figuur van Mozes bedacht.

het zoroastrische bestanddeel van de Thora

Het Zoroastrisme is van bepalende invloed geweest voor de hele vormgeving van het judaïstische EWG-geloof – en daarmee voor de vormgeving van het mithraïsme, het christendom en van de nog latere islam.

Helaas zijn het vooral de trivia, de bijzaken van het zoriastrisme, die werden overgenomen. Het leidende beginsel: denk goede gedachten, zeg goede woorden, doe goede daden, en het intens goedaardige van zijn leer, die kwamen minder in de kraam van de judaïsten te pas. Het was hen niet om het goede in de mens te doen maar om het geld van de mens en daartoe moest die mens afzien van zijn oeroude offerreligies en de vruchten van zijn arbeid voortaan afdragen aan de EWG van Jeruzalem. Verder ging de betrokkenheid van de Judaïsten met het welzijn en het levensgeluk van de mensen niet.

Trivia. De strijd tussen het goede en het kwade. Ahura Mazda was de god van het goede, contra de god van het kwaad, Ahriman (de latere vorm van de naam Angra Manyu). Zarathustra had een Redder, een Messias, in het vooruitzicht gesteld om de mens te verlossen van het kwade. De latere aanhangers geloofden dat deze Verlosser in 272 vC[113] op aarde was gekomen. Dat was als volgt gegaan. Het zaad (!) van de profeet Zarathustra was op wonderbaarlijke wijze eeuwenlang bewaard gebleven in het Hamunmeer. Toen de maagd Anahita daar een bad nam, werd zij er door bevrucht. Zij baarde haar kind in een stal. Kort na de geboorte waren er drie koningen gekomen, naar de stal geleid door een ster. De koningen verzekerden de maagd Anahita dat haar kind de door Zarathustra aangekondigde verlosser Mithra was. Anahita werd dan ook ‘Moeder van God’ genoemd.

Er waren meer culten in Babylon populair om uit te shoppen, zoals de Zurvancultus en de Mithracultus. De naam ‘mithra’ is Perzisch voor ‘contract’, ‘verbond’, ‘convenant’. De latere zoroastristen noemen Mithra ‘de bemiddelaar’. Of ‘de boodschapper’, de ‘gezondene’. Mithra stond namelijk tussen Ahura Mazda en Ahriman in. Mithra moest de strijd aangaan tegen Ahriman, de god van de duisternis. Toen Mithra na 64 jaar gewonnen had, steeg hij ten hemel.

Ik vat de invloed van het zoroastrisme op het judaïsme hier nog even samen:

1. het geloven in één allerhoogste god, verheven boven alle overige goden, ook door hen

‘Ahura’ oftewel HERE genoemd; de Amesh Spenta werden door hen niet overgenomen

omdat die te licht tot bijgoden zouden kunnen verworden

2. het niet aanbidden van deze Allerhoogste in een fysieke godsbeeld (dit afzien van

fysieke beelden was heel ‘behulpzaam’ bij het bestrijden van de ‘heidense’ goden

die immers wel fysiek aanbeden werden en nu konden worden belachelijk gemaakt als

‘hol snijwerk vol zaagsel’

3. het geloven in een strijd tussen het goede en het kwade (God en Duivel)

4. het geloven in engelen en duivels

5. het geloven in een hemel en een hel

6. het geloven in ‘het einde der tijden’ en een ’laatste oordeel’, dus in een individuele eindbeoordeling

7. een stelsel van ge- en verboden voor individueel gedrag

8. het geloven in een Messias, een Verlosser

9. het geloven in een wederopstanding en een paradijs, in een hiernamaals dus

10. uitgebreide reinigingsvoorschriften voor de rituelen

Toetje: het woordje “Amen!” En als je je echt in het zoroastrisme verdiept, kom je nog wel meer elementen tegen.

Allemaal begrippen en geloofsvoorstellingen die de Joden voordien volslagen onbekend waren. Nou ja, het geloof in geesten is natuurlijk zo oud als het animisme. Maar om die als ‘engelen’ voor te stellen, als gevleugelde helpers (bijvoorbeeld boodschappers) van een EWG, in voortdurende strijd met de ‘duivels’, de geesten van het kwade, dat is typisch zoroastrisch.

Het tiende element, de reinigingsvoorschriften, komen vooral naar voren in de ‘wetten van Mozes’.

Materiaal te over voor de auteurs van de bijbelboeken. Niet alleen voor het verbond (mithra) dat Jahweh met zijn uitverkoren volk sloot, en voor de wetten van Mozes, maar ook voor de vormgeving van Mozes’ geboorteverhaal. Op een kleitablet van Sargon (Sjarroe-kin) van Akkad, de stichter van de dynastie van Akkad en eerste stichter van een groot Semitisch rijk in Mesopotamië, regerende van ca. 2334-2279 vC, lezen we: “Ik ben Sargon, de machtige koning van Akkad. Mijn vader ken ik niet. Mijn moeder ontving mij en bracht mij in het geheim ter wereld. Ze stopte me in een rieten mandje, maakte het waterdicht met teer. Daarna legde ze het in de rivier de Euphraat. Akki, een tuinier, vond mij en voedde mij op. Ook ik werkte als tuinier, tot ik werk kreeg als wijnschenker van Ur Zababa, de koning van Kisj. En Isjtar de godin hield van mij. Toen bestuurde ik het koninkrijk …”[114]

Zelfs wat betreft de Tien Geboden zoals Yahweh die aan Mozes zou hebben overhandigd, eigenhandig op kalksteentafels gegrift nog wel, is er een Sumerisch kleitabletgeschrift van rond 2000 vC waarop staat: “Ik ben Melchisedek, priester van El Elyon, de Meest Verhevene, de ene en enige God…”, waarna de volgende drie verklaringen:

· Ik geloof in El Elyon, de Allerhoogste God, de enige universele Vader en Schepper van alle dingen

· Ik aanvaard het verbond van Melchisedek met de Allerhoogste, waardoor ik Gods gunst verwerf door mijn geloof en niet door offeranden en brandoffers

· ik beloof de zeven geboden van Melchisedek te gehoorzamen en de blijde boodschap van dit verbond met de Allerhoogste aan alle mensen te brengen

Hierna volgden de zeven geboden :

1. Ge zult geen God dienen dan de Allerhoogste Schepper van hemel en aarde

2. Ge zult niet betwijfelen dat ge hierdoor eeuwig behouden zult worden

3. Ge zult geen valse getuigenis afleggen

4. Ge zult niet doden

5. Ge zult niet stelen

6. Ge zult geen overspel plegen

7. Ge zult uw ouders en de oudsten respect betonen.

Van rond 2000 vC! Dit doet vermoeden dat Zarathustra een voorganger heeft gehad: de Sumerische Melchisedek!

De conclusie is onontkoombaar dat de Jahwisten hun bijbelse Tien Geboden bijna letterlijk van Melchisedek hebben overgenomen. Ze hebben zelfs de persoon Melchisedek vernuftig ingepast in hun bijbelverhaal, als de hogepriester van Salem (wat dan later Jeruzalem zou worden) die aan Abraham na diens overwinning brood en wijn bracht (Genesis 14: 18). Latere rabbi’s hebben Melchisedek nog veel meer toegedicht, oa dat hij ‘besneden’ geboren zou zijn.

Ja, die rare, immers nergens op slaande preoccupatie met het amputeren van de voorhuid bij mannen. Kwam al bij sommige primitieve populaties voor, zoals bij enkele aboriginalstammen. Dient geen enkel overlevingsdoel – anders zou de voorhuid al lang in de evolutie gesneuveld zijn.

En zo cultiveerden de joden meer van die nergens op slaande typische mannen-preoccupaties. Spijswetten bijvoorbeeld. Ook teruggaand op primitieve voedseltaboes uit de totemistische tijden. Waaraan hebben de judaïsten de spijswetten (kashrut) ontleend?

– alleen herkauwende dieren met volledig gespleten hoeven zijn rein

– geen schelp- of schaaldieren

– vissen moeten op zijn minst een vin hebben die in het water te zien is

– vlees niet met zuivelproducten eten, er moet minstens 6 uur tussen zitten

Misschien dat die ook moeten worden teruggevoerd op het zoroastrisme, dat immers als eerste geloofssysteem uitgebreide reinigingsvoorschriften voor zijn bedienaren kende.

de judaïstische elementen van de Thora

De D-auteurs hebben in Babylon met de boven opgesomde zoroastrische elementen kennis gemaakt en daarmee de in hun land van herkomst ontwikkelde EWG-ideologie aangekleed. De Deuteronomische ideologie steunt op vijf pijlers:

1. het ‘demoniseren’ van de aloude Joodse stamgoden en vruchtbaarheidsgodinnen, en

het tegelijk daarmee verbannen van de vrouwen uit de bediening van de eredienst

2. de vijandigheid ten opzichte van alle andere religies

3. de voorstelling van de Joden als “het uitverkoren volk”

4. de pretentie dat hún EWG wereldwijd zal zegevieren.

5. het collectivistische, dus mensonvriendelijke karakter: het individu en zijn welbevinden zijn

onbelangrijk, alleen de EWG is belangrijk

De uitverkiezingswaan heeft de Joodse leiders er meestal (de Maccabeeën uitgezonderd) van weerhouden om dit laatste met geweld te doen. Christenen en moslims zouden hún EWG-ideologie echter te vuur en te zwaard opleggen aan andere volken.

Het door Zarathustra zo mensvriendelijk begonnen monotheïsme is met deze vier judaïstische elementen kwaadaardig en vrouw- en mensvijandig geworden. Want het is helaas de judaïstische versie van het monotheïsme die het christendom en de islam is gaan beheersen.

Het derde element: de uitverkiezings-idee, ligt aan de wortel van het latere ‘Jodenprobleem’. Het idee van tot een ‘uitverkoren volk’ te behoren zou de Joden in de diaspora later massaal verhinderen om te assimileren en op te gaan in de culturen waarvan zij deel gingen uitmaken. Het heeft, samen met het Messias-idee en de eindtijdgedachte, gemaakt dat zij – de onvolprezen seculiere Joden die de Europese cultuur veel van haar glans hebben gegeven, niet te na gesproken[115] – ‘buitenstaanders’ bleven, gemengde huwelijken meden en bij voorkeur in getto’s bleven samenhokken.

Overigens is dat toch ook misschien iets zoroastristisch: ook het latere zoroastrisme (en misschien in de Babylonische tijd al) beschouwde een vrouw die met een niet-zoroastrist trouwde niet meer als gelovige, en ook haar kinderen niet. Andersom: een zoroastrist die met een niet-gelovige trouwde, bleef zoroastrist en zo ook zijn kinderen. Ook al waren voor Zarathustra man en vrouw volledig gelijkwaardig, voor het latere zoroastrisme is een vrouw gedurende haar menstruatie onrein en mag de tempel niet in.

Het eerste element van de Deuteronomistische ideologie is optimaal machistisch: het legitimeert elke man, hoe arm, dom en kwaadaardig ook, om zijn vrouw als privé-slavin te behandelen. Het heeft de vrouw massaal buiten spel gezet. Het heeft hele volken een geschiedenis lang beroofd van de helft van het kapitaal aan vindingrijkheid, en nog wel de meest tot duurzaamheid geneigde helft. En tot op de dag van vandaag doemt het de moslimlanden tot achterlijkheid en armoede[116].

Het tweede element heeft al heel wat wrede en rampzalige godsdienstoorlogen gelegitimeerd.

Het vierde element is een bruikbaar instrument geweest bij het koloniseren van machteloze onontwikkelde landen door het christelijke Westen. Voor de islamisten rechtvaardigt het elk terrorisme, waarbij het vijfde element zelfmoordterrorisme in de hand werkt.

de psalmen

Vrijwel alle psalmen dateren van na 200 vC. Dus ook die welke de Bijbel toeschrijft aan David of Salomon. Een belangrijke bron in deze is voor mij Robert H. Pfeiffer (1892-1958), Am. theoloog, antropoloog en oriëntalist, Harvardprofessor en met name zijn Judaism from 200 BCE to 200 CE (NY 1949, revised by R.A.Kraft 2003[117]). Een prettig boek voor iemand als ik die gek is op dateringen: hij was dat kennelijk ook.

het einde van het Nieuw-Babylonische rijk

De Pers Cyrus II was in 559 zijn vader opgevolgd. Perzië was toen nog een vazalstaat van de Meden. Maar Cyrus voerde een succesvolle opstand tegen de Meden aan. In 550 vC versloeg hij Asyages van de Meden en was nu koning over Meden en Perzen. Hij begon aan een reeks veroveringen waarmee hij het grootste rijk tot dan toe zou scheppen. Palestina, Egypte, Bactrië, Klein-Azië, zelfs een deel van de Scythen moesten uiteindelijk zijn gezag erkennen. In 539 vC versloeg hij de laatste Nieuw-Babylonische koning en werd hij erkend als koning van Babylonië, dus van de culturele hoofdstad van de toenmalige wereld. Hij wordt terecht Cyrus de Grote genoemd, omdat hij een geheel nieuwe bestuursstijl hanteerde.

Cyrus was een overtuigd zoroastrist, hetgeen betekende dat hij de mensenrechten eerbiedigde en tolerant was ten opzichte van andere geloven. Maar hij zou niet ‘de Grote’ zijn geweest als zijn ‘moderne’ benadering niet ook zijn politiek doel gediend zou hebben.

Het zoroastrische geloof heeft van de Perzische heersers zoals de latere Darius en de nog latere Xerxes heel wat beschaafder en mensvriendelijker bestuurders gemaakt dan de bloeddorstige en wraakzuchtige Assyriërs altijd geweest waren. Cyrus schonk aan verschillende verslagen koningen genade, en één hunner is zelfs vijftien jaar Cyrus’ staatssecretaris geweest. Ook de meeste Perzische koningen na hem hanteerden een bestuursstijl die de onderdanen in hun waarde liet en die daardoor minstens zo effectief ‘werkte’ als de despotische.

Alexander de Grote zou in 333 vC niet alleen aan het Perzische rijk maar ook aan dat humanere imperialisme een einde maken: diens opmars door de oude wereld was gewelddadig en meedogenloos, waarbij hij elke stad die zich niet lijdzaam wenste te laten uitplunderen, liet uitmoorden en verwoesten. Hoezeer hij de Perzische hofhouding ook bewonderde en nabootste, met hun geloof, het zoroastrisme, hield hij zoals ik eerder vertelde, een afrekening voor wat koning Xerxes 150 jaar voordien aan het Griekse geloof had aangedaan. Xerxes had (althans zijn soldaten hadden) in 480 vC Athene geplunderd en daarbij was de tempel van Artemis in vlammen opgegaan. Als represaille liet Alexander nu de zoroastrische priesters ombrengen en de heilige ‘eeuwige vlam’ in hun vuurtempels doven. Het doden van de priesters was daarom zo’n ramp voor het zoroastrisme omdat hun heilige zangen alleen mondeling werden overgeleverd.

Voor onze religieuze verdere geschiedenis heeft Alexander ook een ramp betekend: doordat hij indirect de weg voor het mensvijandige judaïsme heeft vrijgemaakt.

Dat klinkt nogal heftig: ‘mensvijandig’. Toch kun je dat stellen als je kijkt naar de bedoelingen van de stichters.

Zarathustra was gegrepen door het normverval van zijn stamleden, die niet zelf welvaart produceerden maar met geweld de welvaart van anderen roofden en daarbij geen misdaden schuwden. Alles goedgekeurd door hun krijgsgod. Die God was dus een foute God, en geen ware God. Wie was dan wél de ware God. Zarathustra vond daartoe, al dan niet geïnspireerd door Indiase denkers, de Oergod uit die hij Ahura Mazda noemde. Die God was zó immens hoog verheven dat de mens hem alleen kon dienen door een goed schepsel van Hem te zijn. Door het koesteren van goede gedachten over elkaar, het zo aardig mogelijk met elkaar, met de dieren en met de aarde omgaan en dat aardige ook in je daden laten blijken. Voor Zarathustra waren mannen en vrouwen gelijkwaardig, en een goed schepsel was je ook door te woekeren met je talenten: door productie te leveren met landarbeid of veeteelt, met handenarbeid, of door het handeldrijven in de producten. Luiheid was voor hem een zonde; en dat is goed te begrijpen. Met luiheid, ledigheid, wordt bedoeld: het profiteren van andermans arbeid zonder zelf productie te leveren, door roofovervallen te plegen en te plunderen.

De stichters van de judaïstische EWG waren gegrepen door de mogelijkheid om de Joden voor altijd te verlossen van de uitbuiting door de hen omringende grootmachten, die op dat moment even op apegapen lagen. Het doel van hun Jahwisme was: geld bijeen te brengen voor een Joodse krijgsmacht.

Hierbij waren zowel hun Jahweh als de gelovige Joden slechts instrumenteel. De Joodse gelovigen moesten bewerkt worden om hun offers niet langer naar eigen believen te brengen op zelfgekozen altaren maar in de vorm van geld te betalen aan de Tempel van Jeruzalem. Hun opgetuigde Jahweh moest de gelovigen hiertoe motiveren, verder niets. De stichters waren in het geheel niet geïnteresseerd in de theologie van hun Jahweh, noch in het geluk of het goed zijn van de gelovigen. Alleen de bereidheid van de gelovigen om zoveel mogelijk van de vruchten van hun arbeid af te staan aan de Tempel was waar het hen om ging. Hun nieuwe eredienst diende gegoten worden in een vorm die deze bereidheid zou vergroten. Het inboezemen van angst was een belangrijk middel hierbij. De grote vijand was de vrouw, was de vrouwelijke toewijding aan de vruchtbaarheidsgodin Asjera aan wie op duizenden altaren geofferd werd. Het judaïsme was om die reden vrouwvijandig, en wegens zijn desinteresse in het geluk van de gelovigen mensvijandig.

Dat de poging van de stichters in eerste instantie schipbreuk leed; dat het nieuwe geloof in de jaren daarna werd verrijkt met zoroastristische trivia en verzacht door de aangeboren goedheid van de gelovigen, dat alles verandert niets aan de oorspronkelijke bedoeling van de stichters.

Met Cyrus II de Grote begint dus het Perzische rijk, dat voor de judaïstische EWG-ideologie helaas alleen maar gunstig zou blijken. Het mensvriendelijke zoroastrisme verplicht zijn gelovigen tot respect voor medemensen, ook als ze andersgelovigen zijn. Cyrus II de Grote legde zijn geloof niet op aan de overwonnen. Al snel na zijn aantreden als koning van Babylon stelde hij aan de vertegenwoordigers van de door de Assyriërs en Babyloniërs gedeporteerde volken voor dat zij zouden terugkeren naar hun land, om daar hun verwoeste tempels weer op te bouwen. Ze zouden dan de door de Babylonische koningen geroofde godenbeelden en offerschalen mee terug krijgen. De wederopgebouwde tempels konden, als even zovele Perzische bestuurscentra, een hoge mate van zelfstandigheid krijgen, met alleen een verplichting tot een redelijke jaarlijkse schatting.

De Joodse vertegenwoordigers meldden zich meteen als gegadigden. Het ontmoette ook bij gewone Joden geestdrift. De ophemeling van Jeruzalem door de ‘Tweede Jesaja’ was, hoe weinig realistisch ook, erg populair en er meldden zich heel wat Joden aan voor de ‘terugkeer’ naar Jeruzalem. Het feit dat Babylon in de laatste regeringsjaren van Nebukadnessar tot diepe armoede was vervallen, zal hier niet vreemd aan zijn.

Maar wanneer Cyrus niet zo zoroastristisch geweest was, zouden de judaïsten een onbetekenende sekte in Perzië gebleven zijn. Dan zou ons wellicht een hoop ellende bespaard zijn gebleven en had de geschiedenis er heel anders uitgezien.

het tempeldomein

Wat Cyrus aan de vertegenwoordigers in feite in het vooruitzicht stelde was een tempeldomein.

Dus eerst even iets over het fenomeen ‘tempel’.

Net als Egypte en alle andere landen in het toenmalige Midden Oosten kenden de landen van de Joden, de Kanaänieten, de Filistijnen, de Samaritanen, de Amorieten, Perizzieten en wat er nog meer wordt opgesomd in de Bijbel, tempels.

Wat we ons daarbij moeten voorstellen is ons goed bekend van de Egyptenaren. Het waren bedrijven. De grootste landbouw-, veeteelt- en industriebedrijven welke de toenmalige economieën kenden. Uitgestrekte complexen met een heleboel personeel en toeleveringsbedrijfjes. Althans de grootste. Want je had ook heel armetierige ‘schrijnen’, die nauwelijks konden rondkomen.

De Tempel van Amen in Karnak had 81.000 man personeel in dienst[118]: priesters, schrijvers, zangers en muzikanten, boeren, vissers, jagers, roeiers, tuinlieden, bouwlieden, timmerlieden, smeden, voormannen, afdelingshoofden. De meeste van deze beroepen gingen over van vader op zoon en de belangrijkste beroepen hoorden toe aan bepaalde families.

Dat alles werkte op zo’n 250 hectare akkerland, in 433 tuinen, in 46 constructiewerkplaatsen, op een vloot van 83 boten. De Tempel beheerde ook 65 marktplaatsen. Elke grote Tempel had zijn uitgestrekte tempeldomein en de opperpriesters staken in macht de koningen naar de kroon.

Een normale dag telde drie religieuze diensten, elk eindigend met een maaltijd.

Bij het aanbreken van de dag trok een lange processie naar de Tempel, met de Hogepriester voorop, gevolgd door priesters, zangers, zangeressen en muzikanten, en door dragers die de offerandes voor de Godheid droegen, op berries. Geslacht vee, broden, kruiken met wijn en water, allerhande groenten en vruchten. Klaargemaakt in de keukens van de Tempel, geslacht in het abattoir van de Tempel, gebakken in de bakkerij van de Tempel, gebrouwen in de brouwerij van de Tempel.

De God was gehuisvest in het binnenste heiligdom van de Tempel. Vaten met wierook werden ontstoken om de ruimte te zuiveren en de priesters hadden zich ritueel gereinigd. Aangekomen bij de altaarschrijn werd de God gewekt met de Ochtendhymne. Het beeld was niet altijd levensgroot, kon gemaakt zijn van steen, van verguld hout of zelfs van zuiver goud, ingelegd met halfedelstenen. Het beeld was niet zelf de God, maar huisvestte de ka, de geest van de godheid. Het beeld stond in een schrijn, waarvan de deuren de avond tevoren plechtig waren afgesloten en verzegeld. Het was de opperpriester die na het vergalmen van de Ochtendhymne de zegels verbrak, de grendels terugschoof en de deuren opende[119]. Nu werd het beeld gewassen en gekleed, geparfumeerd en met cosmetica opgefleurd.[120]

De berries met de offerandes werden op de aanwezige consoles geplaatst en omringd met de ruikers uit de bloemisterij van de Tempel. Zo werd de ‘maaltijd’ aan de Godheid aangeboden. Zijn ka werd geacht de essentie van de offerandes in zich op te nemen, waarbij Hij werd geamuseerd met muziek, zang en dans.

Nadat de hogepriester het teken had gegeven dat de Godheid voldaan was, werden de offerandes teruggebracht naar de verschillende eetzalen en ‘kantines’, waar ieder zijn of haar ochtendmaal kreeg uitgereikt, naargelang rang en stand en soort werk. Ook om mee naar huis te nemen of te geven aan wachtende familieleden, want ook de gezinnen moesten er van leven. Het goddelijk voedsel was tevens het loon van zijn bedienaren– althans in de tijden dat alles nog in natura ging. Voor zover niet op de eigen velden geteeld en door de eigen vissers en jagers gevangen, werd het afgestaan door al degenen die van de bemiddeling van de godheid haar/zijn voorspoed en welzijn of genezing verhoopte.

Zoals binnen het hedendaagse bedrijfsleven bestond er ook tussen de tempels concurrentie. Het ging om zoveel mogelijk aanhang voor hun god, dus om het binnenhalen van zoveel en zo groot mogelijke offers. Het ging ook om wie de meeste invloed had op de koning, en wie dus het meest kon profiteren van de gunsten (toelagen) van de koning die de landelijke belastingen inde. Politieke macht, daar ging het om. Dat brengt geld en aanzien, en andersom.

Cyrus II de Grote (regerend 559-530 vC), in de Bijbel (boek Ezra) Kores geheten, had dus op 62-jarige leeftijd de beroemde stad Babylon ingenomen en had er zich tot de nieuwe heerser laten kronen, in 539 vC. Het land was nu allemaal van hem, ook dat van de door hem verslagen Babylonische koning. Het was gewoon een machtswisseling, dus de bestuursstructuur van het Babylonische rijk waaronder Palestina viel, bleef gehandhaafd. Dat was trouwens de al door de Assyriërs ingezette bestuursstructuur: de indeling in provincies. De benaming onder de Perzen was ‘satrapie’, en Palestina maakte deel uit van de satrapie ‘Babylon’. Babylon was verdeeld in grote bestuursgebieden en Syrië vormde met Palestina het bestuursgebied Ebirnari, het ‘over-rivierse’: het gebied ten zuiden van de Eufraat. Dat was weer onderverdeeld in nog kleinere bestuursgebieden, en Juda viel onder bestuursgebied Samaria.

Al in 538 vC had hij de decreten uitgevaardigd waarin aan ettelijke door de Nebukadnessar gedeporteerde bevolkingsgroepen de vrijheid werd geschonken alsmede medewerking aan het herstellen van verwoeste heiligdommen in hun eigen land. Deze koninklijke gunst werd ook aan de vertegenwoordigers van de Joden verleend.

Door toezegging van een tempeldomein in Juda onttrok Cyrus dus in principe een deel van het bestuursgebied van de pecha (rijksambtenaar) van Samaria aan diens gezag. Dat kon die natuurlijk niet bijster waarderen; temeer omdat hierdoor een erfvijand terug in het bestaan geroepen werd. De onttrekking was des te serieuzer omdat de groep Joden die in 538 de reis naar Juda ondernam, onder leiding stond van Sjesbasar die de functie van pecha zou gaan bekleden. Waarmee de nieuwe schepping de schijn kreeg van de stichting van een afzonderlijk bestuursgebied.

de ‘terugkeer’

Zo wordt de stichting van de Tweede Tempel van Jeruzalem in de Bijbel aangeduid: alsof het hele volk der Joden in Babylonische ballingschap was geweest en nu juichend en God lovend terugkeerde. Zo’n deportatie betrof enkel de bovenlaag. Maar goed, ook het laten migreren van een paar duizend mensen is geen kattenpis.

Wat nu de reis naar Jeruzalem ondernam schat ik op een paar honderd mensen. Behalve Sjesbasar en een hogepriester met zijn ondergeschikten en tempeldienaren en vaklieden voor de bouw zullen er ook nog de nodige gegadigden hebben mee gewild, enthousiast gemaakt door de ophemelende gezangen van de ‘Tweede Jesaja’. Maar het was allemaal tweede en derde generatie: allemaal geboren in Babylon.

Is nog een hele stoet, met reiswagens vol leeftocht en voer voor de trek- en rijdieren, en met het religieuze vaatwerk dat door de Assyriërs was buitgemaakt en dat nu door Cyrus weer was teruggeschonken. Een lange reis: eerst langs de rivier de Eufraat omhoog, met oversteken van de er in uitmondende zijrivieren, tot aan Emar, vermoed ik, en vandaar zuidwaarts en via Damascus naar Samaria, waar ze zich dienden te melden bij de pecha. Door wie ze met hooguit gespeeld enthousiasme zullen zijn begroet maar voor wie het bevel des konings onontkoombaar was.

De aankomst in Jeruzalem moet een zware teleurstelling zijn geweest: uitsluitend overwoekerde ruïnes. Wat de bevolking betreft: behalve uit de niet-gedeporteerde Judese boeren bestond die uit de gedeporteerden uit andere onderworpen landen of gewone immigranten: Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten, Feniciërs. Die mensen offerden aan van alles maar Jahweh kenden ze niet: dat was een god van het vroegere Israël en diens eredienst had in Babylon judaïstische gestalte aangenomen. Het idee dat de boeren in Juda terwille van een te stichten tempeldomein voor een vreemde god van het eigendomsrecht van hun land zouden afzien en tempelhorigen zouden worden was uiteraard onbespreekbaar.

Hoe groot moeten we dat domein voorstellen? In bijbelboek Nehemia 3 treft men een overzicht aan van welke dorpen en steden er in Nehemia’s tijd (rond 440 vC) toe behoorden. Behalve Jeruzalem was dat Jericho, Tekoa, Betsur, Keila, Tsanoach, Bethkerem, Mizpa en Gibeon. Een gebied van 55 km breed en 20 km diep. Dat is nogal wat, zij het dat tussen Jeruzalem en Jericho onbruikbaar bergland lag.

De ‘terugkeerders’, die ik hier verder als Gola aanduid, hadden alle moeit om zich in leven te houden en een onderdak te verwerven. Dat ze hierin slaagden doet vermoeden dat ze wijselijk gezwegen hebben over het hun toegezegde ‘tempeldomein’. Maar integreren in hun’land van herkomst’ deden de meeste Gola ook niet. Ze waren Vromen, volgelingen van Jeremia en Ezechiël. Ze onderhielden de sabbat, besneden hun zoontjes, aten slechts koosjer vlees en beschouwden zich als uitverkorenen van hun god. Ze distantieerden zich van de autochtonen, die door hen simpelweg als am-ha’aretz: plattelandsvolk, oftewel ‘heidenen’ werden aangeduid. Maar … vermoedelijk was het merendeel der Gola man. Dat wil een vrouw. Dus werd er veelvuldig getrouwd met am-ha’aretz vrouwen.

Intussen was het de Perzische overheid duidelijk dat de missie mislukt was en dat er niets terecht kwam van een nieuw administratief centrum. Darius (521-486 vC) maakte in zijn lange en succesvolle regeerperiode echt werk van het consolideren van zijn rijk en zond een tweede missie af naar Jeruzalem, groter en nog ruimer toegerust. Met een nieuwe pecha, Zerubbabel en een nieuwe hogepriester, Jozua.

Ook deze Gola moesten natuurlijk eerst weer voor eigen onderdak zorgen. Haggai, lid van het priestergezelschap en later als ‘profeet’ aangemerkt, kon zijn teleurstelling niet voor zich houden en verweet de mensen van de eerste groep dat ze alleen aan zichzelf gedacht hadden en de woonplaats van Jahweh een ruïne gelaten hadden.

Niet geheel zonder effect: een aantal van hen toog aan het werk, onder de bezielende leiding van Haggai zelf – en met diens nieuwe middelen natuurlijk. Ze slaagden er in enkele maanden in om een bescheiden begin van een wederopbouw te laten zien: onder meer een brandofferaltaar.

Bij deze wederopbouw van de Tempel hadden de autochtone Jeruzalemmers echter het toekijken: alleen Gola-leden mochten daaraan meehelpen, geen ‘heidenen’! Het zette kwaad bloed, en de bevolking stuurde een afvaardiging naar de hoge ambtenaar van Ebirnari. Deze wendde zich tot de koninklijke kanselarij. Daar spoorde men het decreet van Cyrus op. Het resultaat was geen verbod maar juist een extra steun aan de herbouw, die vanaf toen dan ook voortvarend werd aangepakt.

Wie zich ook meldden als helpers waren een groep Samaritanen. Het was immers voor hún god dat de tempel verrees. Maar ook zij werden hooghartig geweerd. De in Babylon ontwikkelde godsdienst, het judaïsme, was een ‘wettische’: het ging om de precieuze naleving van regeltjes, niet om persoonlijke vervolmaking. Terwijl de Samaritaanse Jahweh-religie spiritueel was, juist op persoonlijke vergeestelijking gericht.

Hierna zijn de Samaritanen een eigen nieuwe Jahwehtempel begonnen, op de berg Gerezim (bij het huidige Nablus, op de Westbank). De fanatieke judaïsten hebben altijd neergekeken op de zachtmoedige Samaritanen, en in 111 vC is de Gerezimtempel dan ook door de Maccabeeënkoning Hyrcanus verwoest. De Samaritanen, vandaag nog zo’n 700 mensen, voornamelijk wonend in Nablus, treuren nog jaarlijks op de ruïnes.

Samaria Page 08 Image 0001Links de berg Gerezim, rechts de berg Ebal

During the entire week following the Feast of the Passover, the Samaritans remain encamped on Mount Gezirim. On the last day of the encampment they begin at dawn a pilgrimage to the crest of the sacred mount. Before setting forth on this pilgrimage, however, the men spread their cloths and repeat the creed and the story of the Creation in silence, after which, in loud voice they read the Book of Genesis and the first quarter of the Book of Exodus, ending with the story of the Passover and the flight from Egypt

—John D. Whiting, The National Geographic Magazine, Jan 1920

het judaïsme

Het is de ‘wettische’ geloofsbeleving: patriarchaal, vrouwonvriendelijk, uitverkiezingswaan-dragend en derhalve xenofoob en zich niet mengend met andersgelovigen, overal levend in getto’s maar wel hard werkend en spaarzaam, die het Jodendom verder bepaald heeft. Onder de Maccabeeën is het tempeldomein steeds verder uitgebreid, maar het judaïsme heeft toen en later ook vele malen op het randje van vernietiging verkeerd, doordat het merendeel van de Joden zich meer aangetrokken voelden tot het Hellenisme (het ´Amerikanisme’ van die dagen). Ook de omringende volken en de Seleucidische vorsten voelden zich door die extremistische ‘Talibaan-avant-le-mot’ bedreigd en hebben het nodige in het werk gesteld om het gevaar te keren.

Dat het heeft overleefd is meer ongeluk dan wijsheid: een sneeuwval die een Syrisch leger deed stokken; het plotselinge overlijden van een koning waardoor een generaal zich ijlings naar hoofdstad moest terugtrekken; ettelijke dubbeltjes-op-zijn-kant. Wanneer het judaïsme bij een van die vele malen ten onder was gegaan was de wereld én de Joden zelf veel ellende bespaard gebleven. Wanneer Cyrus niet zo zoroastristisch was geweest, zou heel Palestina sowieso niet eens met het judaïsme te maken hebben gekregen.

Wat het judaïsme betreft laat ik het hier verder bij. Ik heb aan het ontstaan ervan toch zoveel aandacht besteed omdat we met de gevolgen ervan nog steeds dagelijks te maken hebben. Ik heb dit allemaal zojuist uitgebreid behandeld in mijn boek Hoezo God?[121]. Dus ook over het christendom en de islam, beide uit het judaïsme voortgevloeid, houd ik het hier nu verder kort.

het christendom

Deze cultus draait om de figuur Jezus, die als zoon van God zijn leven zou hebben geofferd voor het heil der mensheid. Voortgekomen uit de Osiris-Dionysosculten die in diezelfde tijd in de hele Grieks-Romeinse beschaving onder de hogeropgeleiden alom populair waren. Evenmin als het van Osiris of Dionysos bekend is of die in het echt bestaan hebben is dat van Jezus aantoonbaar: geen enkel historisch document maakt gewag van zijn persoon. Toch neem ik aan dat hij niet door Paulus, de stichter van het christendom, uit het niets verzonnen is. Jezus’ levensverhaal is na Paulus door evangelieschrijvers als Lucas en Mattheus vormgegeven, wellicht aan de hand van mondeling overgeleverde vertellingen. De beginnende Kerk had er behoefte aan om hun hoofdfiguur, door Paulus aangereikt zonder dat deze zelf Jezus ooit had ontmoet of meegemaakt, van een biografie te voorzien. Zo was Zarathustra door het zoroastrisme achteraf van een biografie voorzien en zo zou ook de latere Mohammed door de moslimleiders achteraf een biografie toegeschreven krijgen.

Paulus, een Jood, heeft in de eerste eeuw AD een Joodse variant van de zo populaire gnostische culten willen stichten. Hij gebruikte daarvoor een figuur Jezus van wie hij via volgelingen van die profeet een en ander gehoord had. De populaire Dionysos/Osirisculten waren gebaseerd op een zichzelf opofferende figuur, niet alleen Dionysos of Osiris maar elders was het Attis, Mitras of Adonis. Paulus‘held’ voor de Joodse Mysteriecultus was dus Jezus Christus. Hij heeft nooit bevroed dat er uit zijn initiatief een Jodenvijandige Kerk zou groeien.

Wanneer het christendom gebleven was zoals Paulus het preekte, zou het een zachtaardige en vrouwvriendelijke cultus gebleven zijn. Maar al in tweede eeuw vigeerden er drie elkaar zwart makende christelijke stromingen. De grootste was de gnostische zoals die door Paulus bedoeld was en vooral in Alexandrië bloeide, met Valentinus als belangrijke denker.

In Jeruzalem en andere steden in Syrië handhaafde zich een joods-christelijke stroming die zo nauw mogelijk bij het judaïsme wilde aangesloten blijven en die in Jezus niet meer zagen dan hij geweest was: een profeet. Hooguit een bijzondere afgezant van God.

In de gemeenten van Klein-Azië, Italië en Frankrijk groeide de bisschoppelijke kerkelijke organisatie waarin Tertulianus en Irenaeus de boventoon voerden. De Kerk gaf Jezus steeds meer de goddelijke status zoals Paulus hem die als de Joodse Osiris/Dionysos al verleende. Ze ontdeed het door Paulus gestichte christusbeweging van zijn spirituele en gnostische karakter, onder meer door aan de brieven van Paulus enkele valse (Efeziërs, Timoteüs, Titus en vermoedelijk Kolossenzen) toe te voegen, waarin Paulus zogenaamd afstand deed van het gnosticisme.

Vanwege zijn centralistische bisschoppelijke organisatie werd deze ene christelijke sekte aantrekkelijk voor keizer Constantijn om die tot zijn staatsgodsdienst te maken. De kerkelijke christenen hebben vervolgen als fanatieke ‘talibaan’ huisgehouden onder de gnostieke gemeenten en ‘heidense’ heiligdommen en bibliotheken, zoals de grote bibliotheek van Alexandrië. De Rooms-katholieke kerk, de Oosters-Orthodoxe kerk, de Protestantse en Anglicaanse kerken zijn er de nakomelingen van.

de islam

De islam, de omstreeks 600 ontstane Arabische variant van het judaïstische christendom, heeft eveneens vanaf het begin een politiek-economisch karakter. Ook over Mohammed weten we alleen wat ene Ibn Ishaaq een eeuw na Mohammeds dood heeft verzameld aan wat er voor verhalen over de profeet verteld werden. Soms beschreef hij twee verschillende versies van hetzelfde verhaal omdat hij niet durfde uit te maken welke versie de juiste was. Maar ook dat werk is slechts fragmentarisch in het werk van latere historici overgeleverd. Men mag er nog steeds van uitgaan dat Mohammed (ca 571-632) een reëel geleefd hebbende koopman is geweest: meer mensen van zijn slag hebben toen de behoefte gevoeld om, ter pacificering van de handelsbelemmerende stammenoorlogen, één God te propagren. Oppositie tegen dit idee was er natuurlijk ook: van groeperingen die profiteerden van de pelgrimages naar de aloude Kasba in Mekka, die tenslotte door Mohammed is ge-islamiseerd.

Het vermoeden is gewettigd dat Mohammed zijn Arabisch getinte monotheïstische boodschap slechts als een Joods/christelijke beweging wilde invoeren in die door stammenoorlogen verziekte heidense wereld. De Koran is pas een eeuw na zijn overlijden samengesteld uit wat er aan mondelinge en schriftelijke overlevering bij elkaar te garen viel.

De Koran is een duidelijk Joods/christelijk boek: Mozes komt er 134 keer in voor, Abraham 70 keer, Noach 33 keer, Jezus 25 keer. Mohammed slechts 4 keer. Veel verzen zijn onduidelijk, en de meeste zijn ook slechts begrijpelijk voor iemand die met de bijbelse verhalen is grootgebracht.

Het is ook een hoogst eigenaardig boek. Het is niet meer dan een verzameling uitspraken van God, vermaningen en instructies. Ze zijn ondergebracht in soera’s (hoofdstukken) en die weer in verzen (aya’s). De volgorde ervan is niet thematisch of zelfs maar chronologisch, nee, op lengte van de soera’s. Alsof de samenstellers tot elke prijs de historische herkomst ervan hebben willen verdoezelen.

De biografie van Mohammed, pas ruim een eeuw na diens overlijden samengesteld, meldt dat Mohammed in Mekka woonde, op veertigjarige leeftijd via de engel Gabriël van God ‘openbaringen’ kreeg, in de loop van 23 jaar. In 622 week Mohammed uit naar Medina, om na zes jaar als overwinnaar in Mekka terug te keren. De moslimgeleerden onderscheiden de ‘openbaringen’ dan ook naar die twee perioden. De oudste, de ‘Mekkaanse’, zijn zachtaardiger dan de strijdbare ‘Medinese’.

De ‘openbaringen’ blinken nogmaals niet uit in helderheid. Ongeveer 20 % van de aya’s zijn zelfs volstrekt onbegrijpelijk. Korangeleerden zijn vanaf het ontstaan doende geweest met uitleggingen. Een belangrijke bron zijn de uitleggingen van Mohammed zelf. Maar ook de Overlevering daarvan (Hadieth) dateert van minstens een eeuw na Mohammeds overlijden. De Koran- en de Hadieth-interpretatie is toevertrouwd aan de oelema, de moslimtheologen.

De Koran wordt dan ook niet begrepen maar gereciteerd. Dat mag alleen in het Arabisch.

Voor de moslims is de Koran het zuivere woord van God, dus heilig en onbetwijfelbaar. Onderzoek aan de Koran wijst al op ongeloof, en ongeloof moet volgens de Koran met de dood bestraft worden. Omdat God onzichtbaar is nemen gelovigen het op zich de ongelovige om het leven te brengen.

Het interpreteren van de Hadieth, immers mensenwerk, is minder levensgevaarlijk.

Voor ons, westerse mensen, is deze situatie moeilijk te begrijpen. Wij zijn vrij in ons denken en spreken. Twee overwegingen maken het voor ons misschien begrijpelijker. De eerste is dat ook wij nog niet lang vrij zijn in ons denken en spreken. Het is pas sinds het dóórbreken van de vrije markt sinds de zestiger jaren dat het bij ons ‘vrijheid-blijheid’ geworden is. Als 75-jarige herinner ik mij nog de tijd dat je voorzichtig met je mening moest omgaan en dat ‘de muren oren’ hadden.

De tweede is dat de sociale controle bij de moslims vele malen stringenter is dan die toen bij ons: zij leven nog in een stammenwereld. Dat wil zeggen dat het gevoel, een zelfstandig individu te zijn, bij moslims veel minder sterk is. Moslims voelen zich deel uitmaken van hun familie, die deel uitmaakt van een subclan en die weer van een hoofdclan. Ze horen ergens bij. Dat heeft ook een prettige kant: moslims hebben minder last van de zinloosheid van het leven dan veel westerse mensen en vooral jongeren hebben. Waartoe wij op aarde zijn is voor moslims duidelijk: voor Alla – ik heb het nu dus over gelovige moslims, niet over de moslimjongeren die hier’tussen wal en schip’ leven.

Het nadeel is de starheid, het opgesloten zijn in die cultuur. Terwijl de mensheid verandert doordat de economie van de vrije markt, die vrije mensen veronderstelt, globaliseert en in snel tempo ook hén raakt. Dit is de bron van het islamisme (de islam als politieke factor).

Nadeel is ook dat hun geloof, de islam, evenmin als het judaïsme gericht is op menselijk geluk. Dat was/is het Zoroastrisme wél – maar daarvan heeft de islam slechts enkele trivia, zoals het geloof in engelen en duivels en het geloof in de eindtijd en de afrekening, overgenomen. De islam houdt, net als de grauwste varianten van het christendom, predestinatie in. De gelovige is, hoe braaf hij ook leeft, nooit zeker van de beloning in het hiernamaals – behalve dan wanneer hij in de strijd tegen de ongelovigen zichzelf opblaast of zo: dan vliegt hij recht de hemel in. Het is een teneerdrukkend geloof. Allah is de absolute heerser over hun leven, de gelovigen kijken collectief omhoog en zien geen ruimte voor persoonlijke ontplooiing.

Gelukkig zijn de meeste moslims niet zo erg gelovig en met deze ‘slappe’ mentaliteit hebben ook onze grootouders merendeels hun leven leefbaar proberen te houden.

De vrije markt-economie heeft het denken van ons, westerse mensen, bevrijd van de teneerdrukkende EWG-ideologie – maar heeft ons wel beroofd van een zin-verschaffend Verhaal. We zijn er per saldo zeker wat gelukkiger door geworden, maar het kan veel beter wanneer we ons van een nieuw basisverhaal gaan voorzien. De vrije markt heeft het in zich om ook onze moslim-medemensen te bevrijden van hun – over het geheel genomen toch – levenverzurende geloof, en ook deze bevrijding verloopt met veel minder slag en stoot wanneer er een alternatief in de aanbieding is. Ik gebruik met opzet deze commerciële term omdat het zo dient te gaan in onze vrije samenleving.

Het geloof in een Ene Ware God (EWG) maakt enigszins deel uit van onze menselijke natuur, van ons talige bewustzijn, zoals ik in het voorgaande hoop te hebben aangetoond. Enigszins: namelijk in zoverre als die Figuur overeenkomt met de Grote Voorouder zoals onze voorouders die altijd hebben gedanst/gezongen rond hun kampvuren. In de vorm echter waarin Hij door de judaïsten gegoten is, worden we er niet mee geboren maar geïndoctrineerd.

Maar we hebben het nog steeds over de islam. Is dat dan ook een judaïstische EWG?

Daar kom je alleen achter wanneer je de Koran net als de Bijbel onderwerpt aan wetenschappelijk onderzoek. Iets wat je als moslim uit je hoofd moet laten als le leven je lief is. Maar een buitenstaander kan dat moeilijk verweten worden.

Beide heilige boeken zijn geschreven in het Midden-Oosten van rond het begin van onze[122] jaartelling. Geschiedschrijving over de tijd van de oorsprong van de islam – óf de vroege moslims hebben niet aan geschiedschrijving gedaan, óf dergelijk werk is als onwelgevallig voor het gewenste beeld vernietigd – en over de veroveringstochten van hun rijk kwam pas één of meer eeuwen na het gebeuren op gang. Over die begintijd leveren de archeologie, de numismatologie (muntkunde) en de bestudering van de oudste geschriften en opschriften vandaag steeds meer informatie. Al is er nog maar een fractie opgegraven van wat er allemaal nog op te graven is, het beeld dat het wetenschappelijk onderzoek van het begin van de islam tot nu toe geeft, wijkt behoorlijk af van wat de orthodoxe en traditionele historici er in hun achterafschrijverij van gegeven hebben.

Dat de islam begonnen is als een christelijke stroming valt op te maken uit de oudste Koran-tekst – althans, de tekst is deel gaan uitmaken van de latere Koran – te lezen in de Rotskoepel van Jeruzalem.

De Rotskoepel is geen moskee, het achthoekige bouwwerk heeft de Arabische vorst Abd Al Malik daar in 694 laten neerzetten om twee redenen.

De eerste is de verwachte wederkomst van Jezus. Het geloof dat het einde der tijden op handen was – het liep tegen de eeuwwisseling – was zoals vroeger bij elke eeuwwisseling heel erg aan het oplaaien. Op de plek waar Jezus ten hemel heette gevaren te zijn zou hij ook weer terugkeren: in Jeruzalem, op de Tempelberg. Daar diende dus een waardig monument klaar te staan.

De tweede is dat Abd Al Malik een standpunt wilde innemen in de politiek-godsdienstige strijd van die dagen over de natuur van Jezus; een standpunt dat lijnrecht tegenover dat van zijn politieke tegenstander stond, de Byzantijnse koning Heraclius. De Byzantijnen, de opvolgers van de Romeinen in het Westen, huldigden het standpunt van de Kerk: Jezus als God in een drie-eenheid met de Vader en de Geest. Abd Al Malik was een aanhanger van de Syrische christenen, die zich niet hadden onderworpen aan het Kerkbesluit van Nicea onder Constantijn. Het Syrische christendom stelde dat er maar één God is en dat die geen zoon had of iets anders menselijks: dat die daar veel te verheven voor was. Jezus was Zijn dienaar en menselijke vertegenwoordiger.

De machtsovername door de Arabieren in het ineengestorte Perzische rijk en de vestiging van hun macht in de voormalige Perzische gebiedsdelen was toen al nagenoeg voltooid. Malik wilde nu een tweede[123] poging wagen om het wankele Byzantijnse rijk te annexeren.

De mozaïektekst in de Rotskoepel nu gaat geheel over Jezus: dat die Gods dienaar en gezant is en geen God; dat het voorstellen van God als een drieëenheid een belediging is voor God. Een ferm standpunt, in een tijd dat de geesten in het Midden-Oosten totaal verdeeld waren over de natuur van Jezus, over de natuur van God (was er maar één of waren er even veel als er stammen waren) en over de juiste godsdienst. Voor Moeawiya was dit reden geweest om zich van elke standpunt-inname in deze te onthouden. Abd Al Malik meende sterk genoeg te staan om zich politiek te profileren tegenover zijn tegenstander. In eigen gelederen kreeg hij hier evenwel toch grote moeilijkheden mee. Maar toen stond de tekst al in de Rotskoepel en bleef daar, tot op de dag van vandaag.

Mohammed wordt in die tekst misschien al genoemd, als moehammadoe-n, maar daar zijn de meningen over verdeeld[124].

De vormgeving van de leer van de islam ging hetzelfde als die van de leer van de Kerk een paar eeuwen eerder: eerst was er het dogma en toen werd er de biografie van de stichter bij geschreven. En in hoeverre de stichter een reële persoon is geweest, valt niet meer goed vast te stellen.

Zelf denk ik dat er een echte Mohammed en een echte Jezus rondgelopen hebben, omdat hun biografieën elementen bevatten die op zwakke menselijkheid wijzen. Ze zijn geen van beide de supermensen die ze zouden zijn wanneer ze van a tot z geconstrueerd waren.

Waarschijnlijk waren ze allebei prima mensen; maar het gaat er om wat politieke patriarchen van hun leer maken.

DEEL DRIE

EEN NIEUW BASISVERHAAL

In Deel I heb ik, naar ik hoop overtuigend, laten zien dat mensen als talige wezens in een woordenwereld (menen te) leven en dat ze die alleen maar mentaal op orde kunnen hebben als ze er een Verhaal over hebben. Ik heb ook laten zien dat onze voorouders dat Verhaal altijd gehad hebben, in de vorm van een Scheppingsverhaal van hun (stam)wereld. Dat het beleven van die (woorden)wereld door dat Verhaal steeds weer te dansen/zingen als een ‘tweede natuur’ in ons overerfelijke denken zit als het religieuze gevoel.

In Deel II liet ik zien dat de invulling van de Hoofdfiguur van dat Verhaal, de scheppende Grote Voorouder, door politieke patriarchen gegijzeld is om Hem te laten fungeren als EWG in de eenheidsideologie van hun klassenmaatschappij. Dat deze ideologie functie heeft gehad in het beschaven van stammensen en het pacificeren van stammenoorlogen is onbetwistbaar. Maar de EWG-ideologie heeft ook improductieve starheid betekend. Hij heeft de slimste helft van de mensheid buiten spel gehouden. Nog afgezien dat hij niet gericht was op het levensgeluk van de onderworpenen: sowieso al een onhaalbaar goed in een klassenmaatschappij.

Vandaag wordt de ‘permafrost’ van de klassenmaatschappij en daarmee de EWG-ideologie in steeds meer gebieden van de mensheid ontdooid door de zoele wind van de vrije markt. De gelijkgeschakelde westerse mens heeft een opgewekter mensbeeld aangereikt gekregen: dat van de vrije, vrouw-en kindvriendelijke, a-godsdienstige en a-politieke, aardige consument. Helaas is hem nog geen nieuw basisverhaal aangereikt in plaats van het verdampte christelijke basisverhaal. Dat maakt dat zijn geweten geen ‘goed verhaal’ heeft om op terug te vallen en dat hij asociaal dreigt te worden. Vooral waar ‘het grote geld’ lokt, speelt dit het goed samenleven parten. De jongeren hebben ook veel meer moeite om hun identiteit vorm te geven. Ook overheden hebben geen Verhaal om zich mee te legitimeren. De behoefte om hun religieuze neiging bot te vieren drijft zoekende mensen in de armen van ‘valse profeten’. En zo zijn er meer argumenten te bedenken om spoed te maken met het tot stand brengen van een nieuw en ditmaal universeel basisverhaal.

De inhoud ervan moet, na lezing van Deel I, voor de hand liggen: het Verhaal over hoe mensen tot talige en religieuze wezens geworden zijn en hoe ze van VJ’s tot AGR’s geworden zijn. Dat is het ontstaansverhaal dat voor iedere mens waar ook ter wereld opgaat.

oké, prachtig; maar nu: hoe moet je basisverhaal tot stand komen en hoe moet het worden ingebracht in ons samenleven?

Om te beginnen: het idee van een universeel IETS voor de hele mensheid is niet geheel nieuw. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is zo iets en dateert al van 1948. De Universele Verklaring is gebaseerd op ons gedeelde menszijn. Dat staat in de Preambule. Je moet er met een loepje naar zoeken, maar het staat er wel en dat is knap voor die tijd. De Kerk was nog in volle status (de vrije markt moest nog een paar decennia wachten op haar televisievleugels en de kerken waren nog vol), maar toch hebben de samenstellers God buiten de concepttekst weten te houden. De volgende uiterst iele formulering heeft de stemmingen overleefd:

Overwegende dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;

De filosoof Bernard Delfgaauw heeft vlak voor zijn dood nog het boekje De Mens en zijn Rechten (Kok Agora 1993) geschreven waarin hij deze formule uitlegt als: de waardigheid van iedere mens is gelegen in het feit dat hij een mens is.

Het zou mooi geweest zijn als de UNESCO toen al meteen het project opgestart zou hebben om te komen tot de invulling en omschrijving van dat menszijn. Maar dat was toen nog volstrekt onhaalbaar. Politiek: deze iele formulering was al de uiterste prestatie van de Verenigde Naties van toen. Maar ook wetenschappelijk: de menswetenschappen als antropologie, ethologie, archeologie, ontwikkelingspsychologie, neurologie, paleontologie en nog meer relevante wetenschapsgebieden moesten toen nog, net als de vrije markt die het allemaal betaalbaar zou maken, aan hun spectaculaire groei beginnen.

Maar nu zijn we zestig jaar verder. In het vrije Westen zijn de kerken al lang hun status kwijt. Genoemde menswetenschappen hebben de bouwstenen voor het nieuwe Verhaal al lang in geordende rijen klaar staan voor gebruik. Maar … niemand steekt er een hand naar uit (op een doodenkele humanosoof na dan). Wie moeten dat doen? de filosofen natuurlijk.

Ik ga mij tirade van de INLEIDING over de hedendaagse filosofiebeoefening hier niet herhalen.

Ik ga u het volgende elegante scenario voorleggen.

Gesteld dat ik met mijn pleidooi iemand kan overtuigen dat het geen onzin is wat ik hier allemaal heb gedebiteerd en dat die iemand besluit om mij te gaan helpen om er mee actie voor te ondernemen. Dan zijn we al met zijn tweeën! Dan is het makkelijker om een goeie publicatie in elkaar te steken (mijn stijl leent zich niet zo voor een geserreerd essay in een kwaliteitskrant als NRC of Trouw en bovendien ben ik een onbekende eenling) die wél journalistiek aanvaardbaar is en, met dubbele ondertekening nog wel, geplaatst wordt.

Dan werf je daar misschien wel vijf andere enthousiastelingen mee. Met dat clubje kun je een manifest in elkaar steken en mensen die er toe doen gaan benaderen: publieke intellectuelen als Hans Achterhuis, Paul Cliteur, Ger Groot, Harrie Kuitert, Dick Pels, ik noem maar wat namen. Wanneer je een paar van die trekpaarden hebt is de kar zo aan het rollen. Dan kun je echte grote namen in de wereld enthousiast krijgen, en krijg je het idee in het Engels aan grote bladen gesleten.

Het uiteindelijk doel is de UNESCO: dat die gaat doen wat ze eigenlijk al in de vijftiger jaren had moeten durven aanpakken: het laten uitwerken van de grondslag van de Universele Verklaring, het menszijn van iedere mens.

Nu het elegante scenario.

De UNESCO neemt het besluit om het menszijn, de grondslag van de Universele Verklaring, te doen uitwerken.

Ze besteedt dit project uit aan een team van vijf mensen.

Ze nodigt de hele wetenschappelijke wereld uit om daar de bemensing voor te nomineren. Ze laat intussen een weldoortimmerd statuut opstellen om het project van elke politieke beïnvloeding te vrijwaren.

Op een congres wordt het vijftal gekozen. Het krijgt de opdracht om binnen een jaar te komen met een rompverhaal over onze menswording.

Na publicatie hiervan wordt het commentaar vanuit de wetenschappelijke wereld ingewacht en verwerkt.

Na drie jaar publiceert het team het voorlopig-definitieve verhaal over hoe mensen mensen geworden zijn en hoe de menselijke natuur in elkaar steekt. Ook daarop komt het nodige commentaar binnen. Om na weer drie jaar gevolgd te worden door de tweede voorlopig-definitieve versie van ons verhaal.

En zo moet dat voort blijven gaan, omdat de wetenschappen immers maar doorgaan.

wat is hier het elegante aan?

Wel, je kunt (en wil) een nieuw basisverhaal vandaag toch niemand meer door de strot duwen? Nou, met dit scenario hoéft dat ook totaal niet. Ga maar na.

Alleen al de bekendmaking van het UNESCO-project zal een storm van verontruste verontwaardiging doen oprijzen vanuit de religieuze bolwerken zoals het Vaticaan en de moslimwereld. De bolwerken zullen alles in het werk stellen om het project te verhinderen, als zijnde een belediging van hun religies. Maar ze kunnen de UNESCO moeilijk verbieden om eindelijk, na zestig jaar, een leemte in de Universele Verklaring, namelijk onderbouwing van de grondslag ervan, op wetenschappelijk verantwoorde wijze te doen opvullen en meer wil de UNESCO niet. Gelovigen en hun instituten worden met geen haar gekrenkt en moeten vooral blijven geloven wat ze graag geloven. Het gaat alleen om het opvullen van een al lang gapende leegte.

Door dit tumult en gedoe zullen over de hele wereld de mensen benieuwd opkijken. Waar gáát dit over? O, over hoe mensen mensen geworden zijn? Nou, dat wil ik wel eens horen.

Het is tenslotte een UNESCO-project, van de Verenigde Naties dus. Universeler kan het niet.

Elke volgende stap tot de inrichting van het project zal breed worden uitgemeten in de media. Overal zullen levendige paneldiscussies plaats gaan vinden. Het rompverhaal zal een bestseller worden en de voorlopig-definitieve versies zullen dat al helemaal worden: het toch al weinig kostbare project zal er zichzelf mee kunnen bedruipen.

Mensen krijgen het gevoel dat er eindelijk gewerkt wordt aan iets wat hen ten diepste aangaat. Ze vatten nieuwe moed. De discussies allerwegen gáán ergens over.

Het inzicht in hoe wij van nature zijn, wordt zodoende deel van ieders bewustzijn zonder dat het aan iemand wordt opgelegd.

Het zal de mensen wereldwijd doen inzien waar waarlijk menselijk geluk in gelegen is.

Het zelfinzicht zal om te beginnen de westerse mensen inschikkelijker maken om de nodige aanpassingen van hun welvaartsniveau aan de eisen van de ecologische en humanitaire crisis te slikken. Overheden krijgen er een tafel mee waarop ze hun beleid kunnen uitstallen.

Het zal de mensen wereldwijd herkenbaarder voor elkaar maken, en de vijandigheid tussen de beschavingen doen afnemen.

Het zal blijvende impact hebben op alle menswetenschappen en op de filosofie in het bijzonder.

De jongeren krijgen hiermee bouwstenen om hun identiteit mee te vormen en om zich geworteld te voelen in de wereld waar ze bij geboorte in beland zijn.

Het project zal gaandeweg nog veel meer onvermoede positieve impact blijken te hebben, zodat we weldra niet meer zullen begrijpen dat het zo lang heeft moeten uitblijven.

Ik wacht uw reacties af op fcouwenb@mens2000.nl

Zie vooral ook www.humanosofie.nl


[1] alle wetenschappen die voor ons Verhaal relevant zijn – en dat zijn behalve paleoantropologie, paleobiologie en paleontologie ook archologie, antropologie, taxonomie, etnologie, biologie, ethologie, en nog heel veel meer –logieën en –kundes; vat ik voor wat ons Verhaal betreft allemaal samen in ‘paleo’s’

[2] een niche (spreek uit [niesj], van Frans niche ‘nis’) is een voedselmogelijkheid waar een soort het prima op doet en welke zij niet hoeft te delen met een andere soort; eigenlijk is het de plaats die een soort inneemt in het ecosysteem – wat niet hetzelfde is als de plaats waar een soort in leeft (habitat) of waar een soort voorkomt (biotoop); de term is in meerdere vakgebieden in gebruik maar in de paleoantropologie is het in de hier geschetste betekenis

[3] Richard Dawkins The Selfish Gene (Oxford UP, 1976)

[4] dat is de grootse inbreng van Frans de Waal : de kennis omtrent ons vroegste voorgeslacht; met Chimpansee politiek (Amsterdam, 1982) en Van nature goed (Contact 1996) laat hij zien welke erfenis aan moraal we al vanuit ons mensaap-zijn in ons meedragen

[5] door het team van Sileshi Semaw (afb. uit Journal of Archaeological Science 27 (2000)

[6] echt kloppen met een hamersteen deden ze denk ik heel lang niet omdat ze nog zulke lange klimvingers hadden: dan sla je jezelf te gemakkelijk pijnlijk op de fikken; de bonobo Kanzi die van een ervaren steenklopper les had gekregen, wist inderdaad een ‘mes’ te maken om daarmee het touw rond de kist met de tros bananen open te snijden, maar binnen de kortste keren maakte hij een geschikte scherf door de kei kapot te smijten op de stenen vloer

[7] Bert (Woudstra) was zo vriendelijk mij de url van de plaat toe te mailen maar hij zegt ook dat er niet bij vermeld wordt bij wie de auteursrechten berusten

[8] dat je bij het rechtop lopen ook minder zon vangt en dat je dan over de grassen heen kon uitkijken naar gevaar, zijn niet meer dan nuttig bij-effecten; immers wanneer dat de hoofdreden zou zijn, waren er wel meer savannedieren rechtop gaan lopen

[9] nou ja, een groene meerkat kan een waarschuwingskreet wel eens zonder aanwezig gevaar slaken: uit voor-de-gek-houderij

[10] nee, niet zo verbazend; het komt door Darwin; nee, het komt door het moratorium op alle gespeculeer over het ontstaan van het menselijke taalvermogen door de societé Linguistique in1866, waar alle zich respecterende geleerden, dus ook Darwin in zijn The Descent of Man (1871), zich braaf aan hielden; en omdat aartsvader Darwin zich niet aan de gebarentaalspeculatie waagde (zonder argumentatie) doen zijn nakomelingen dat (zonder deugdelijke argumentatie) nog steeds niet; maar als Darwin kennis had kunnen nemen van wat wij vandaag weten, had hij gegarandeerd voor gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen gekozen

[11] zoals de Yanomamö, in The Fierce People van N. Chagnon (N.Y. 1983)

[12] “Over het ontstaan van ons taalvermogen en ons bewustzijn” op www.mens2000.nl ga naar Filosoof

[13] op p 60 toon ik een OIS-staatje waarop dat duidelijk te zien is

[14] de verschillende lagen, verschillende stadia in de evolutie van de omgeving vertegenwoordigend, worden ‘members’ genoemd, genummerd A t/m ? Member B of the Shungura formation dated at 3.03 Mya. from Member F of the Shungura formation dated at 2.08 Myo

[15] nou ja, uitroeien … het waren voedselconcurrenten en bovendien zijn apen voor apen het lekkerst, voor mensen trouwens ook. De HE’s waren veel groter en vooral: beter bewapend en vindingrijker. Op vindplaats Olorgesaille (Kenia) zijn de restanten van meer dan 69 reuzenbavianen gevonden in HEID-context: kennelijk een favoriet prooidier van de HEID’s. De plek, bezaaid met restanten van vuistbijlen, lag aan een nu verdwenen meer. Misschien zijn de AP’s verdrongen door de groeiende HE-populaties, naar steeds voedselarmere en geïsoleerde gebieden waar ze tenslotte gewoon uitstierven. Maar in de Swartkransgrot (Transvaal) zijn in lagen met HE-context (HE-fossielen en –werktuigen) van 1.5 mjg geroosterde botten gevonden van hun prooidieren, waaronder AP robustus!

[16] Though early varieties were very similar in form and physiology to Australopithecus, the key difference is a much larger and complex brain, allowing a significant tool-making ability. ( Roy Larick and Russell L. Ciochon; November-December, 1996: The African Emergence and Early Asian Dispersals of the Genus Homo – American Scientist Magazine)

[17] ik schrijf dat telkens vetgedrukt, omdat ik het gaan beheersen van het vuur zo betekenisvol vind terwijl er door de echte geleerden weinig of geen acht op wordt geslagen; de meesten houden vast aan een heel recente datum van het gaan gebruiken ervan, omdat tekenen van een vroeg gebruik pas kort geleden zijn gevonden – mede doordat er niet systematisch naar gezocht wordt

[18] sorry, ik ben een jaartallenfreak; en ik heb op het internet een staatje gevonden van de OIS (Oxygen Isotope Stages) zoals de paleo’s die kunnen vaststellen in de boorkernen uit de diepzee en Antarctica en waar al niet; zie p 60

[19] H. heidelbergensis is de paleo-benaming voor nakomelingen van de HE’s, de Europese Midden-Steentijd-mensen; de Afrikaanse HE’s van dat tijdvak noemen ze: Mousterien-mensen, of MSA: Middle Stone Age – mensen.

[20] een marmerachtige kalksteen, gewilde siersteen bij de huizenbouw; daarom zijn vindplaatsen al vroeg ontgonnen en al vroeg werden daarbij ook fossiele skeletresten aangetroffen. Goethe vertelt ergens dat hij in 1827 een versteend skelet had gekregen dat uit de travertijngroeve van Ehringsdorf (bij Weimar) was gekomen. In 1908 was een eigenaar van zo’n groeve in Bilzingsleben gelukkig ook amateur-archeoloog en aan hem is het te danken dat er sindsdien belangrijke vondsten bewaard zijn gebleven. Vanaf 1953 zijn de opgravingen daar met reusachtige graafmachines begonnen en zijn er prehistorische kampementen, met haardplaatsen en afval van ca 230.000 jg blootgekomen.

[21] terra nullius noemden de verantwoordelijke politici het; Wikipedia: Terra nullius Is een term uit het Romeinse recht vertaald als niemandsland of leeg land. Moderne toepassingen van de term stammen uit de 16e en 17e eeuwse Europese doctrines die daarmee land beschreven dat niet geclaimd was door een soevereine staat erkend door de Europese machten. Gedurende de achttiende eeuw gaf deze doctrine legaliteit aan het koloniseren van land bewoond door onbeschaafde mensen die geen wettelijk systeem van eigendomsrecht kenden. De Zwitserse filosoof en theoreticus van internationaal recht Emmerich de Vattel bouwde voort op de filosofie van John Locke en anderen en stelde voor het concept terra nullius toe te passen op ongecultiveerd land. Gezien de inheemse bevolking van Azië, Oceanië, Amerika en Afrika in de visie van de filosofen het land niet op die manier gebruikten, konden kolonisten die het land wél bewerkten aanspraak maken op wettelijke eigendom.

[22] dit idee heeft heel lang voortbestaan. In Turkije wordt het boekje met de verhalen van de middeleeuwse verteller Dede Korkoet gekoesterd. De verhalen gaan over de heldendaden van de Ogoezen, de Centraal-Aziatische voorouders van de hedendaagse Turken, Azerbaidzjanen en Turkmenen. De Ogoezen waren veehoudende nomaden, die graag plundertochten ondernamen op de boerenbevolking van Anatolië. Rond het jaar 1000 waren ze bovendien overgegaan tot de islam, zodat de rooftochten voortaan godsdienstig gelegitimeerd konden worden: die boeren waren immers ‘ongelovigen’. Inderdaad waren de boeren gekerstend en belastingplichtig aan de Grieks-orthodoxe keizer van Byzantium. In zijn wanhoop riep de keizer de paus te hulp tegen die Saracenen. Urbanus II zag dat wel zitten en riep de Franken op tot de Eerste Kruistocht. Maar dat is een ander verhaal. We hadden het over de bard Dede Korkoet. Diens zangen bevatten nog heel wat van de oorspronkelijke natuurreligie van de Ogoezen. “De personages identificeren zich met de natuur. De berg waar je je kudden op weidt, dat ben je zelf. Als het mis gaat met jou zal het ook mis gaan met de wereld. De berg stort in. De bomen vallen om. De rivieren houden op met stromen. De planten groeien niet meer.” (Rik Boeschoten, NRC 19 nov.’05)

[23] je kunt al onderzoeker onder een boom vol foeragerende chimpansees doorlopen zonder ook maar een kik te horen; maar een groep bonobo’s hoor je al van ver, met hun onophoudelijke hoogkeffende communicatiegeluiden

[24] mijn doctoraalscriptie ging over de griendwerkterminologie; een van mijn zegslieden, de heer Van Noordenne, vertelde dat hij als kind in alle vroegte de griendwerkers zingend langs hoorde komen, op weg naar de grienden van de Biesbosch.

[25] de Britse neuroloog John Huglins Jackson (1835-1911), de ‘vader van de Britse neurologie’, bewonderd door Freud

[26] chimpansees zijn er beter in dan bavianen, bijvoorbeeld

[27] je ziet het in de dierentuinen veel: opgesloten dieren die urenlang heen en weer lopen langs de tralies; ‘ijsberen’; de olifant die urenlang op dezelfde plek staand ritmisch kop en slurf heen en weer zwaait, daarbij telkens de voorpoten kruisend

[28] ik vermoed dat die eerste vuurgebruikende VOAP-vrouwen het vuur nog als een levend wezen zagen dat je moest ‘voeden’ om het in leven te houden en dat doodging als je dat niet langer deed, of door een stortbui; ze hebben er tegen gebaard en het beweend als een dierbare overledene, fantaseer er maar op los. Maar in het droge seizoen hadden ze zo weer een nieuw vuur om te koesteren.

[29] tenminste … zolang en in zoverre de globaliserende vrije markt hen nog niet heeft bereikt! leve de vrije markt

[30] het geloof in zielen en geesten dateert uit de Tuinbouwersfase van de mensheid; het is binnen de monotheïstische godsdiensten ingebracht door het Zoroastrisme, dat vanwege zijn tweedeling in goed en kwaad er de boze geesten, de duivels, aan heeft toegevoegd, alsmede het geloof in een hiernamaals en een Laatste Oordeel waarbij de goeden worden beloond in een Hemel en de kwaden in een Hel; dit geloof hebben de judaïstische bijbelschrijvers in hun EWG-ideologie verwerkt en zo is het ook deel gaan uitmaken van het christendom en nog later van de islam

[31] andere stammen, zeker wanneer je ze niet meer kon verstaan, waren geen mensen. (Weet je wat ‘Inuit’ betekent? ‘mens’! Weet je wat Yanomamö (stam in het Amazonegebied) betekent? ‘mens’. Enzovoort.)

[32] De nieuwe groep bleef contact houden met de stamgroep, ze bleven van elkaar afhankelijk vanwege huwelijkspartners, grondstoffenruil, gezamenlijke jachten, feesten en stamrituelen. De verspreiding ging met een ‘snelheid’ van 16 km per jaar.

[33] Genesis 1:2

[34] Het evangelie naar Johannes 1:1; ik haal soms formuleringen uit de Bijbel aan. Maar let wel: de bijbelverhalen hebben de Bijbelschrijvers zoals Ezra (± 450 vC) opgedaan tijdens hun ballingschap in Babylonië en ontleend aan de Mesopotamische scheppingsverhalen en aan dat van het zoroastrisme. Waarom de Joodse patriarchen de scheppingsverhalen uit het eigen verleden niet konden/wilden gebruiken is omdat die stamden uit hun ‘heidense’ tijd waar ze juist mee wilden kappen.

Evengoed frappant dat deze oeroude notie dat het begon met namen voor de dingen, tot in de Mesopotamische mythen zijn overgeleverd kunnen worden! Maar ook dat ga ik ophelderen.

[35] dichters zijn ook scheppende kunstenaars, en zo voelen ze zich ook vaak. Willem Kloos dichtte: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten …”

[36] zoals we dat nog steeds wel geneigd zijn te doen: de Mof, de Jap (in de oorlog was dat vooral); of ‘de Fransman houdt van … , maar de Engelsman van …”, enz.

[37] en dat klopt. De figuur van ‘de Grote Voorouder’ is nergens een man, noch een vrouw. Het is een half-dier-half-mens-figuur, zonder geslacht, en Hij beweegt zich net zo makkelijk door de lucht als onder de grond door. Het is een Droom-figuur.

[38] hij is door een Noord-Australische stam ‘geadopteerd’, met de bedoeling dat hij hun Verhaal opschrijft (dat bij hun modernistische jongeren in vergetelheid dreigt te raken) zodat het niet geheel verloren gaat; op 18 febr.’06 was er nog een interview met hem in De Volkskrant, waarin hij de songlines omschreef: “het zingend vertellen hoe het land er uit ziet,: waar de rivieren lopen, waar de heuvels liggen, welke vissen er zwemmen en wat voor grondsoorten er zijn.”

[39] ook hun geheugen is nog veel sterken dan het onze-nu. Zegsman Charlie ergerde zich vaak aan de vergeetachtigheid van Borsboom, wanneer die een bepaald detail wat hem bij zijn vorige bezoek verteld was, niet meer wist. Maar misschien leggen ook de Abo’s het af tegen de chimpansees bij een geheugentest (Current Biology, 4 december 2007).

[40] als we weer even naar de Aboriginals kijken: toen de westerlingen het continent binnenvielen, telde het niet meer dan 300.000 zielen; zo’n beetje 20 km² per persoon; verdeeld over ongeveer 500 stammen (taalgroepen), die naargelang de vruchtbaarheid van het woongebied 100 tot 1500 mensen telden

[41] de bekendste bottleneck is wel die van 74.000 jg door de explosie van de enorme Tobavulkaan (is nu een diep meer!)

[42] onderstreping van mij

[43] natuurmensen hebben nog niet dat automatische wantrouwen ten opzichte van de menselijke natuur dat wij, beschaafde en dus gefrustreerde mensen, hebben; ze zien de mens nog steeds als van nature goed en de kinderen worden dus puur-goed geboren.; ze dichten baby’s en kinderen ook bijzondere vermogens toe, vanwege dit nog puur-goed zijn; vermogens welke ze als volwassenen verloren menen te hebben.

[44] kijk nog eens naar het omslagschilderij en de kinderen die langs het kampvuur dansen; echt geen uitgemergelde hongeroedeem-kindjes

[45] let wel: ik heb het over VJ’s – verreweg de meeste primitieve stammen zijn AGR’s: kennen al enigerlei vorm van tuinbouw; dus (meestal) ook oorlogvoering en vrouwenonderdrukking; gruwelijke voorbeelden zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. De meeste ‘primitieve stammen’ zijn geen VJ’s meer maar Tuinbouwers! Die tuinbouw-volkjes laten heel goed de overgang van VJ naar AGR zien.

[46] de afkorting van agrarisch, maar de connotatie van agressief en arglistig misstaat niet

[47] denk er om: dat woord heeft voor mij geen aardige betekenis; beschaving is het met geweld ingelijfd worden in de cultuur van een rijk en met verlies van de eigen taal en cultuur; het is de frustratie van de aardige VJ-natuur in ons

[48] anekdote, uit het boekje Schatgraven in Nag Hamadi van Bram Moerland (Uitg. Synthese, 2002). Enkele jaren geleden gooide een Afghaan een handgranaat in het verblijf van de leeuwen in de dierentuin van Kabul. Waarom deed hij dat? Wel, tijdens de oorlog tegen de Russen was een bom gevallen op de dierentuin. Er was toen een leeuw ontsnapt en die had een broer van hem gedood. Door nu vervolgens een willekeurige andere leeuw te doden had deze Afghaan voldaan aan de ereplicht tot bloedwraak. Zijn broer was gewroken …

[49] dat is, effe kijken, de tijd van Toetanchamon tot vandaag

[50] Ik was van 17 tm 19 sept.2004 met kameraad Ruud Oosterhoff aanwezig op het symposium over de Neanderthalers in Tongeren. Daar hoorde ook een excursie naar een opgravingsplek bij. Met een aantal NT-‘bewonings’lagen, waarvan de oudste op 130,000 jg was gedateerd en de jongste op 34,000 jg. Kameraad Ruud (niet ik) vroeg aan de woordvoerende onderzoeker of er verschil was in steentechniek tussen de artefacten van de oudste en de jongste laag. “Geen enkele!” was het antwoord.

Stel je voor: in honderdduizend jaar, de tijd vanaf dat onze AMM-voorouders in Afrika aan het ontstaan waren tot vandaag … geen enkele verandering! Ruud was perplex. Ik had een zie-je-wel-ik-heb-gelijk!-gevoel: bewijs van de starre traditie die onze voorouders wezenlijk kenmerkte. Maar zó star, en zo dichtbij … stiekem was ook ik wel even perplex

[51] onderweg van kamp naar kamp waren de vrouwen beladen met alle huishoudelijke bezittingen (huiden voornamelijk) terwijl de mannen alleen hun speren en werpstenen droegen: die moesten altijd paraat blijven voor de verdediging tegen de roofdieren en de hyena’s en de buffels en weet ik wat voor gevaarlijke dieren; de vrouwen zouden zich niet veilig hebben gevoeld als de mannen alle mogelijke lasten op de schouders hadden genomen

[52] die uitstulpingen achter aan die platte schedels van de HE’s en de NT’s hebben me altijd geïntrigeerd: de hersencentra voor het gezichtsvermogen zitten in het achtereind van de hersenen!

[53] tenminste: het beroemde skelet van ‘de oude man van La Chapelle’ was met oker bestrooid en het zwarte mangaan wasgebruikt bij het zwarten van vellen

[54] Klasies River caves, Blombos Cave, Pinacle Point, ea

[55] het recente onderzoek waar de foto van is, levert stenen werktuigen en stukken oker op van ónder de aslaag (77.000 jg) en van bovenóp de aslaag (74.000 jg); dat laatste jaartal, even oud als de Toba ash zelf (!) wijst er op dat er al ‘snel’ na de zes jaar durende ‘nucleaire winter’ weer mensen rondliepen op de aslaag, dus dat die weer welig begroeid moet zijn geweest en weer miegelde van te bejagen en te bevissen gedierte; maar de OSL-dateringen zijn altijd plus/minus zo’n 7000 jaar marge!

[56] die OoAIIa – golf was primitiever (qua werktuigen) dan wat de onderzoekers in de grotten van Pinacle Point en Blombos cave aantroffen – terwijl de bewoners van Qafzeh en Skhul wel degelijk AMM’s van uiterlijk waren; het kan best zo zijn dat de ‘voorlijke’ AMM-populaties een paar ‘achterlijke’ populaties toen hebben verdrongen naar buiten Afrika

[57] ja, ik zie het echt als het overkoken van een pannetje melk

[58] de Agta hadden zich later voornamelijk teruggetrokken op de hellingen van de lang-slapende vulkaan Pinatubo, voor hen het centrum van de wereld. Toen die in 1991 toch uitbarstte, heeft hij het kleine volkje nagenoeg gedecimeerd. Doordat ze hun leefgebied moesten verlaten, raakten ze ten prooi aan mazelen, diarree en longontsteking, terwijl hun traditionele medicinale planten begraven lagen onder tonnen lava en modder.

[59] in een science-artikel van juli 2009 gaf het onderzoek aan mtDNA uit NT-botten aan dat de genetische diversiteit van de NT’s opvallend gering was: veel minder dan de onze vandaag: een aanwijzing te meer voor de geringe aantallen van de Vroege Mensen

[60] zo noem ik de extreme mannelijke dominantie, zich uitend in vrouwenonderdrukking

[61] gedurende de laatste ijstijd behoorden de Andamanen nog tot het vasteland van Maleisie; door ze zeespiegelstijging zijn ze pas zo’n verre eilandengroep geworden; dit zet wel een vraagteken bij mijn kano-verhaal!

[62] Fred Bruemmer Leven met de Inuit (Atrium 1993)

[63] uit John Reader Man on Earth (London, 1988) : 12.000 jg (einde VJ-tijd, begin AGR-tijd) = 500 generaties

maar tot een nieuwe soort worden, dus van natuur veranderen, vergt 2000 generaties

[64] overigens is de laatste tijd het onderzoek aan het honden-DNA en de genetische diversiteit in volle gang. Alle honden dragen het DNA van de Europese grijze wolf in zich, dat blijft. Maar de eerste domesticatie was wellicht ergens in de Balkan en brachten de voorouders van de Cromagnons al honden mee naar Frankrijk.

[65] bijvoorbeeld de erg interessante site van Dolni Vestonice in Tsjechië (niet ver van Brno), al in 1914 ontdekt. Daar is ook een van de oudste vrouwenbeeldjes gevonden, nota bene van gebakken klei. En het oventje waarin het, tezamen met veel dierenbeeldjes en brokken misbaksels, werd gevonden. Later werd alles, aan de hand van de as van de haarden, gedateerd op 26.000 vC.

[66] hè, waarom dat nou weer! Dat is om de rangorde, de pik-orde, de statusverhoudingen (die spelen nou eenmaal altijd en overal in groepen van hogere groepsdieren) duidelijk te krijgen. Kinderen beginnen het leven van voren af aan, dus die beginnen met de ikke-ikke-fase, worden dan geleidelijk groepsdieren en – als hun voorbeelden goed genoeg zijn, hypersociale mensen. Je moet ook niet altijd moeilijk doen over de ruzies tussen kinderen. Alleen zorgen dat ze niet uit de hand lopen; normaal lossen ze zich vanzelf op; ook kinderen zijn van nature hypersociaal

[66] dat mannen het makkelijker kunnen is ook weer evolutionair bepaald: je ziet het al bij de chimpansee-mannen

[68] nou zeg! dat vreet aardoppervlak – maar daarbij moet je bedenken dat de hele mensheid rond 12.000 jg ongeveer 10 miljoen mensen omvatte, en daar zijn de Amerika’s bij meegerekend (schatting in John Reader Man on Earth, p.143); en nu zijn er 6.630.698.682,00 mensen (ik keek op ‘wereldbevolking’ bij Google en dan zie hoeveel mensen er bij komen terwijl je op die pagina beland bent!)

[69] daar moeten onderzoekers altijd erg aan wennen, geen privacy, en ze moeten ook altijd op hun spullen passen

[70] De Duitse keizer Hendrik IV (keizer van 1056 tot 1106) begon in 1073 een strijd met paus Gregorius VII over het recht om hoge geestelijken, zoals bisschoppen en abten, met hun ambt te bekleden (de Investituurstrijd). In 1076 liet Hendrik IV de paus afzetten. Deze deed op zijn beurt Hendrik in de ban. Hendrik vond in deze patstelling geen steun bij zijn bisschoppen. Om van de ban te worden ontheven moest Hendrik op hangende pootjes naar Gregorius. Op dat moment (25 januari 1077) vertoefde de paus in de burcht Canossa (Reggio Emilia). Hendrik volbracht de kerkelijk voorgeschreven boete door op drie achtereenvolgende dagen in boetekleed en blootsvoets in de sneeuw voor de poort van dit kasteel te verschijnen. Toen moest de paus knarsetandend de ban opheffen.

[71] de meeste aboriginals hebben hun levensmoed verloren nu hun stamgebied, hun Verhaal, hun wereld door oppermachtige bezetters in beslag genomen is en ze het niet langer kunnen dansen/zingen

[72] het mooie daarvan is ook dat een brand geen ramp betekent maar dat die de kleitabletten juist bakt; daardoor zijn hun teksten vaak ongeschonden tot op de dag van vandaag leesbaar

[73] in Vom Ursprung und Ziel der Geschichte (1949) noemde hij deze periode die Achse der Weltgeschichte: het scharnierpunt bij uitstek in de geestelijke ontwikkeling der mensheid … volgens hem dan, maar ik heb veel meer scharnierpunten genoemd en het eerste was het gaan gebruiken van het vuur … oké, hij heeft het over ‘geschiedenis’ in engere zin, dus vanaf de ontwikkeling van het schrift …

[74] Vodoo (en afgeleide vormen als Winti en Santeria) is de religie van de vroegere Yorùbá-beschaving van het huidige Nigeria. De religie was geconcentreerd rond de scheppende voorouderfiguur Olodumare (noch man noch vrouw en niet af te beelden, met de gelovigenen verbonden door bemiddeling van Orisa’s, geestfiguren, die ieder staan voor een bepaald aandachtsgebied en aan wie wel tempels en offers gewijd worden.Magie (betovering) speelt en een belangrijke rol in, en wordt onderscheiden in ‘witte’ magie en ‘zwarte’. De Vodoo-religie is te veelomvattend om er hier verder over uit te weiden.

[75] heel knap was het gebruik van slangengif voor geneeskundige doeleinden; daarom was de slang een belangrijk godinnen-attribuut; voor de patriarchen een reden om de slang te demoniseren; maar nog steeds is de slang hét symbool van de artsenij

[76] Volkskrant, 6 mei 2009 artikel “Hoe het paard tot ons kwam” over de Science-publicatie van het onderzoek aan de middenvoetsbeentjes van de Botaipaarden en het isotopenonderzoek aan het Botai-aardewerk (paardenmelk!), beide wijzend op domesticatie

[77] John Bowker God. Een geschiedenis. (London, 2002)

[78] dat getal vermeldt de Rig Veda; maar in de veda’s vallen heel wat meer godennamen te tellen

[79] Brihad-aranyaka Up.1.4.6

[80] hoge tropische boom uit welks hout een troostend-geurende olie wordt gewonnen, bij het verbranden wierookachtige geurt en graag voor tempelbouw gebruikt wordt

[81] ‘Levant’ is de historisch-geografische aanduiding van de streek aan de oostkust van de Middellandse zee (Syrië, Libanon, Palestina); het woord (van lat. levare= rijzen) betekent: het land waar de zon opkomt

[82] Hulspas En de zee spleet in tweeën (Fontaine Uitg. 2006)

[83] met name Finkelstein en Silberman (Univ.Tel Aviv) in The Bible Unearthed (2002)

[84] ja, je moet als koning natuurlijk nooit een nederlaag toegeven

[85] de onder archeologen befaamde ‘Dan-stèlè’

[86] Uitgeverij Fontaine, 2006

[87] in 1868 gevonden op de Jordaanse heuvel Dhiban, het oude Dibon, hoofdstad van Moab; dat de tekst nog zo compleet vertaalbaar is komt doordat de stele voordat de dorpelingen hem in stukken sloegen (om de scherven per stuk te kunnen verkopen: die rare westerlingen gaven goudgeld voor elke potscherf of stukje spijkerschrift!) was nagetekend en bovendien was er een gipsafdruk van gered

[88] oorspronkelijk dus een der lagere goden aan de tafel van de hoofdgod El en zijn vrouw Asjera

[89] door de archeologen teruggevonden en ook vandaag nog te bezichtigen!

[90] ik doe alsof Jahweh een puur Israëlische god is geweest en alsof die in Juda volslagen onbekend en onvereerd was tot dan toe; maar ik heb daar natuurlijk nog hevige twijfels bij; het gaat er om of er overtuigende aanwijzingen gevonden kunnen worden of al zijn gevonden in de ‘annalen’ voor of tegen dit standpunt

[91] net als de Assyriërs sloten met hun vazalstaten: een overeenkomst waarin de rechten en de plichten van de vazalstaat (Juda) werd vastgelegd tegenoven hun heer (Jahweh).

[92] geen geringe opgave: die simpele boerenjongens moesten overtuigd raken dat hun oeroude landbouwgod(inn)en niets voorstelden (“holle beelden met zaagsel erin”, meer niet!) ‘afgoden’ waren, die nodig moesten worden uitgeroeid

[93] een typische bijbelse overdrijving, om de daar aanwezigen ‘het volk’ te noemen

[94] vert. Amst. 2005

[95] de Avesta, de zangen van Zarathustra, plus de latere priesterlijke teksten zijn pas in de derde eeuw nC als Boek opgetekend

[96] herinner je je Aram, dat korte tijd Israël tot vazalstaat wist te maken? Welnu, Aramese stammen waren al eerder ook oostwaarts gemigreerd en hadden zich gevestigd in de buitengebieden van Babylon en Ur. Daar werd Akkadisch gesproken, maar de Chaldeeën bleven Aramees spreken, ook toen ze bestuurlijke macht kregen. In de Bijbel staat dat vader Abraham afkomstig was “uit Ur der Chaldeeën”.

[97] mijn verhaal, ik heb er nergens duidelijkheid over gekregen; maar het klopt met wat er gaat volgen

[98] veel over de goden van het Midden-Oosten en dus ook van het oude Jodendom heb ik uit The Origins of Biblical Monotheism van Mark S. Smith (2001, Oxford U.P.)

[99] naar het Zoroastrische Ahura

[100] moeten we voortdurend bedenken: de Grote Voorouderfiguur van alle oerscheppingsverhalen was noch man noch vrouw maar een groepje kolonisten

[101] Grieks voor ‘Bel’ (Baäl) , of Marduk

[102] in werkelijkheid is deze ‘toren van Babel’ 90 m hoog geweest en heeft 7, niet 8 verdiepingen geteld

[103] zoals ook de herhaalde voorstelling dat toespraken plaatsvonden “ten overstaan van het ganse volk” en “het ganse volk weende en beloofde …” : het betreft hooguit de toehoorders, en dan nog slechts degenen die met de spreker instemden of deden alsof

[104] dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula, ik zie het niet meer zitten ik ga naar … Egypte!

[105] pas in Babylon leerden de Joden leven in het wekelijkse ritme, dus pas daar kenden ze de ‘zevende dag’, de rustdag na zes werkdagen

[106] moeten we dus ‘Baruch’ bij denken! Zou het niet zo kunnen zijn dat Baruch wél, met de overige priesterij en elites, naar Babylon is afgevoerd? En dat hij daar in Jeremia’s geest verder is blijven schrijven? Andere bijbelpassages melden dat hij met Jeremia is afgevoerd naar Egypte en dat beiden daar overleden waren toen Egypte door Chambyses tot Perzische satrapie werd gemaakt (625 vC). Ik vond het trouwens raar dat Baruch noch zijn geschriften voorkomen in mijn NBG-bijbeltje. Tot ik even later begreep dat hij tot de apocriefe (niet-canonieke) schrijvers behoort.

[107] nog niet; je moet bedenken dat bij alle opgravingssites in de Levant pas een kwart van elke site is opgegraven en dat er nog ¾ van elke site ligt te wachten om nadere informatie bloot te geven; en dan laat ik de nog te ontginnen of te ontdekken sites buiten beschouwing; het hangt allemaal af van de hoeveelheid gemeenschapsgeld dat in deze tak van wetenschappelijk onderzoek gestoken wordt

[108] het onderscheid stamt nog van een der eerste bijbelkundigen, Julius Wellhausen ( 1844-1918), die de Yahweh-auteur als J aanduidde, de Elohim-auteur als E , de auteur(s) van de rompvorm van Deuteronomium als D en de Babylonische en latere auteurs als P

[109] was dat de leerling en helper van Jeremia? of iemand anders die toevallig ook Baruch heette?

[110] theorie van de Amerikanen W. Ryan en W. Pitmann, 1997, 1999

[111] van oceanoloog Bob Ballard (1999) en geoloog Ali Aksu, aan de hand van pollen uit boorkernen) 2007

[112] mijn dl-boek 243 bevat Flood Stories from Around the World by Mark Isaak (1996-1902) en dat telt 87 stuks; maar hoeveel duizenden gemeenschapjes zijn er in de loop der geschiedenis niet uitgestorven? even zovele scheppingsverhalen en vele daarvan met een zondvloedverhaal

[113] ik ontleen dit verhaal aan de site van Mokum-TV, waar René Zwaap en Mohamed el-Fers een referaat over de Mithras-cultus hebben gepubliceerd; de auteurs doen helaas niet aan verwijzingen, zodat ik niet voor de ‘wetenschappelijke hardheid’ van het hier gebodene kan instaan en ook dat jaartal zegt me zo gauw niets

[114] ik vertel deze dingen na van op het internet gevonden teksten die – die van Wikipedia niet te na gesproken – niet uitblonken in bronvermelding; maar ze leken me wel betrouwbaar

[115] voor een opsomming citeer ik uit Jeroen Vanheste Humanisme en het Avondland (Damon, 2008): “Om slechts enkelen te noemen, Arthur Schnitzler, Karl Kraus, Hermann Broch, Gustav Mahler, Sigmund Freud, Arnold Schönberg, Stefan Zweig, Joseph Roth, Franz Kafka, Hugo von Hofmannsthal, Martin Buber, Ludwig Wittgenstein. Na de Eerste Wereldoorlog herleefde de seculiere joodse cultuur in de jaren 1920, tot zij uiteindelijk verwoest werd door het nazisme en het stalinisme.” George Steiner : “Europa heeft zelfmoord gepleegd door zijn joden te vermoorden”.

[116] de vrouwvijandigheid niet alleen; ook het Arabische schrift, met zijn met elkaar verbonden letters, leende zich niet voor boekdruk, die immers bestond uit zetsels met losse letters; de boekdruk maakte een nog nooit vertoonde snelheid van uitwisseling van ideeën – de kracht van het menszijn – mogelijk; de opgang die het Westen sinds 1500 gemaakt heeft, gaf de islamitische wereld het nakijken

[117] ik vond het als Part I van zijn History of New Testament Times op het internet, scanned by Darren Knop

[118] ik ontleen het volgende aan People of the Pharaohs (vert. Het volk van de farao’s) van Hilary Wilson (1997)

[119] de katholieke kerk heeft meer van deze magische handelingen bewaard dan de versoberde protestanten die dit badwater weggooiden; vandaar dat ik meer protestanten de katholieke hoogtijdagen zag bezoeken dan andersom

[120] mijn collega Sako reist veel in India en was op bezoek bij een rijke Hindoe-koopman toen die op een dag thuiskwam van een zakenreis met een beeld. De man richtte er een speciale plek in zijn huis voor in, een plek om te bidden. Bij een volgend bezoek, enkele jaren later, bleek de plek een apart vertrek, een ‘kapel’, en Sako mocht een video-opname maken van het ochtendritueel. En dat hield ook in: het begroeten van het beeld, het wassen ervan en het zalven met geurige balsem en het aankleden. Waarna de gebeden. Ook mensen uit de buurt namen deel aan het ochtendritueel. Wellicht was Sako getuige van de geboorte van een ‘schrijn’, die in latere generaties tot Tempel zou kunnen uitgroeien.

[121] ligt bij de uitgever

[122] westerse jaartelling; de orthodoxe moslims hanteren deze jaartelling minus 622 jaar

[123] de eerste poging van zijn voorganger Moeawiya was mislukt

[124] een belangrijk boek in deze is voor mij geweest De omstreden bronnen van de Islam, door de journalisten Eildert Mulder en Thomas Milo (Zoetermeer, 2009)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

commentaren