Waarom vrouwen religieuzer zijn dan mannen

door Frans Couwenbergh
(update 12 juni 2005)
De redactie religie & filosofie van Trouw maakte in de krant van 27 jan.’04 melding van de trend dat theologie in de Scandinavische landen meer en meer een vrouwenstudie wordt. Het lijkt, zo stelde de redactie vast, “dat vrouwen meer aangetrokken worden door godsdienstige en existentiële vragen.”
Dit vroeg om een handzame verklaring en dat was het begin van deze tekst.
Ik heb hem intussen, door toenemende beheersing van computer, van een paar afbeeldingen weten te voorzien, en lach niet te hard om mijn onhandigheid.s.v.p.
Die verklaring vind je als je onze ontstaansgeschiedenis naloopt – wat voor mij neerkomt op het nagaan hoe wij van apen mensen geworden zijn.
Daarom nodig ik je uit om je te verdiepen, waarschijnlijk voor het eerst in je leven, in een consistent ontstaansverhaal van onze in de natuur zo bijzondere soort.
Dat begint acht miljoen jaar geleden. Toen verloor onze voorouderlijke regenwoudapen-populatie ten gevolge van klimaatverandering haar regenwoud. Voor een beeld van onze toenmalige voorouders kunnen we – zo stelt dé deskundige in deze, primatoloog Frans de Waal, kijken naar de hedendaagse bonobo’s[1].
Ik laat de paleoantropologisch bekende opeenvolgende soorten australopitheken (AP’s), zoals ap garhi, ap afaransis, ap africanus, voor wat ze zijn. Maar dat onze voorouders er al die tijd bij waren is zeker, anders waren we er niet. Ik noem ze hier Voap’s (voorouder-australopitheken).
De Voap’s wisten zich aan te passen aan de savanne-omgeving die er voor de regenwouden in de plaats kwam. Deze bestond uit gewone bossen, waar ze voorlopig bleven ‘wonen’ (hun slaapnesten bleven maken en zich bij al te groot gevaar in terugtrokken) en open graslanden, met grote kuddes graseters en met de roofdieren die daar weer van leefden. De woonbossen bevatten niet meer de voorouderlijke vruchtbomen; voor hun voedsel moesten de Vobo’s rondzwerven op die gevaarlijke open graslanden. Gevaarlijk door de sabeltandtijgers en ander gespuis dat gespecialiseerd was in het jagen op snelle graseters en dus die trage mensapen een heel aantrekkelijke prooi vonden. De Voap’s hebben het gered door de ‘professionalisering’ van een aantal mensapenlijke vermogens.
Om te beginnen het zich verdedigen door met van alles te gooien. De professionalisering bestond uit het zich standaard uitrusten met stenen. Om die (in opgeraapte vellen) met zich mee te kunnen dragen hadden ze hun handen nodig, dus: professionalisering van het mensapenlijke op twee benen kunnen lopen. Verder het foerageren in hechte groepen: wat ze als bonobo’s al zo vaak mogelijk deden, waren ze nu gedwongen permanent te doen. Belangrijk was ook de taakverdeling tussen de seksen: vrouwen en kinderen verzamelen het voedsel, mannen doen niets anders dan met hun stenen zorgen dat dit in veiligheid kan gebeuren. Tenslotte voedsel delen in de beschutting van een bos.
Groepen die dit soort gedragingen het best cultiveerden, deden het beter dan die er niets van bakten en zo selecteerden deze gedragingen zich in een paar miljoen (!) jaar uit. Het heeft er alles van dat de Voap-leefgroepen – gezien de noodzaak van groepsgebondenheid – dezelfde strategie om spanningen te vermijden hanteerden als de bonobo’s nog steeds doen: deze voorkomen door middel van seks: make love, not war. En evenals bij de bonobo’s zijn bij de Vobo’s de vrouwen vermoedelijk de dominante sekse geweest[2].
Eten genoeg, op die open graslanden. Maar je moest wel weten wát wáár wánneer te vinden was. Een veel gecompliceerdere foerageersituatie dan het voorouderlijke regenwoud waar de vruchten gewoon aan de bomen groeiden. De vrouwen hadden behoefte aan meer communicatie dan waar ze in het regenwoud mee hadden toe gekund. Wij zijn afkomstig van die (aanvankelijk) ene populatie waarin tussen de vrouwen de gewoonte was ontstaan om met die handige handen, met die tien vingers, uit te beelden wat ze bedoelden: water, een bepaalde vrucht, een bepaalde plek, een bepaalde handeling, noem maar op[3]. Deze voor de overleving zeer bevorderlijke gewoonte verbreidde zich snel in de hele voorouderlijke stam. De groepen die uitblonken in deze betere communicatie, namen voor de dingen, floreerden meer dan die daarin ten achter bleven en zo selecteerde deze serendipiteit[4] van de gedwongen aanpassing zich eveneens uit in de loop der miljoenen jaren[5].
Het begon dus met gebarentaal[6]. En het begon vanaf het begin. Het begon denkelijk in één Voap-leefgroep, met één Voap-vrouw die dit aanwensel aan de dag legde. Maar haar medevrouwen begrepen wat ze bedoelde en namen dit handige aanwensel over. Het verbeterde hun samenwerking aanzienlijk en dus verbreidde deze voor de overleving zeer nuttige gewoonte zich over hun hele stam.
Maar er gebeurt iets met een dier dat binnen zijn groep kan communiceren over de dingen. Namen voor de dingen geeft (een gevoel van) macht over de dingen. Het schept afstand tussen de benoemer en het benoemde. De dingen worden een object.
Bovendien versoepelt het de opstapeling van vindingrijkheid: twee weten meer dan één en als groep kunnen we veel problemen aan. Nog belangrijker: kennis-opbouw van de ene generatie op de andere! Elke chimpansee vindt het wiel opnieuw uit. Het jong kijkt aandachtig hoe de moeder iets doet en gaat het dan na doen. Vooral als het een meisje is! Jongetjes houden het al gauw voor gezien en gaan dan met elkaar wilde vechtspelletjes doen of zo. Maar de meisjes laten zich niet afleiden en gaan het al gauw ook zelf proberen. Vandaar dat het ‘vissen’ naar termieten met een dunne spriet of het open hameren van harde noten voornamelijk door vrouwen gebeurt, en het vangen en verscheuren van een aapje alleen door mannen.
Namen voor de dingen: dat schept (een gevoel van) afstandelijkheid tussen de benoemer en het benoemde. Een (gevoel van) onafhankelijkheid ván en macht óver je leefomgeving. Een totaal nieuw fenomeen in de natuur: een levensvorm die zijn omgeving en de overige levensvormen kan objectiveren. Talige wezens, wezens die in een benoemde wereld (denken te) leven en die op het idee komen om er bepaalde hinderlijke dingen aan te veranderen. De macht sproot vooral voor uit het kunnen overleggen met elkaar. Opstapeling van individuele intelligenties. Één hooligan is een bang knaapje; maar voor een hele troep hooligans doet de ME-er het in zijn broek. Onze Voap-s werden de hooligans van de natuur.
Wanneer we die eerste Voap-vrouw met haar aanwensel om de dingen die ze bedoelde, uit te beelden met haar handen, zes miljoen jaar geleden laten leven, dan hebben de nakomelingen van haar leefgroep er vier miljoen (!) jaar de tijd voor genomen om het van niets tot een beetje te ontwikkelen. Maar dat beetje heeft hen wel in staat gesteld tot een volgende stap voorwaarts.
Vanaf twee miljoen jaar geleden namelijk gaan we de tastbare bewijzen van hun ‘tot talige wezens geworden zijn’ gewaar worden. Want het moet omstreeks die tijd geweest zijn dat deze nieuwe mentaliteit hen er toe gebracht heeft om het vuur te gaan gebruiken in plaats van er, zoals een normaal dier betaamt, voor op de loop te gaan[7].
Ook weer een vrouwen-uitvinding. Natuurlijk kenden de AP’s al lang de aantrekkelijke kanten van een brand. Ook andere aaseters zien de rookwolken aan de horizon als een signaal voor ‘lekkere dingen’ en gaan voorzichtig er heen. Verschroeid vlees blijft langer goed en is malser en lekkerder dan rauw. Anders oneetbare planten zijn in gebraden toestand wel eetbaar. En vrouwen zijn altijd uit op meer en beter eten voor hun kinderen. Dus op enig moment weet een vrouw[8] haar instinctieve angst voor vuur te overwinnen en een nog smeulende tak mee te slepen en te gaan voeden met brandbaar materiaal[9]. En hoe kwam ze zo brutaal? U weet het antwoord al: binnen haar groep hadden ze er een naam, een begrip voor. Ze begrepen het vuur. Ze verloren er een beetje de instinctieve angst voor. Taligheid.
Vuur kunnen gebruiken heeft een enorme sprong voorwaarts op weg naar menselijk gedrag veroorzaakt. Tot dat moment moesten onze Voap’s zoals alle AP’s tegen het vallen van de avond ieder voor zich een boom in klimmen om daar een slaapplatform te vlechten van de takken. Ieder nam daarbij vermoedelijk al wel een dierenvel mee om lekker op te kunnen meuren of om zich in te wikkelen tegen de nachtelijke kou. Vermoedelijk hebben de mannen strategische posities gekozen en hun zak met werpstenen bij zich gehouden, als verweer tegen nader klimmende luipaarden. Waar het op aan komt: na een hele dag voedsel verzamelen op de savanne verdeelden ze de buit in de veiligheid van het overnachtingsbos en daarna was het afgelopen met de ‘samenleving’. Vóór het snel invallende duister lag ieder al op zijn eentje. Er zullen nog wel kreten van “Truste!!” of zo geklonken hebben, maar gebarencommunicatie in het donker werkt natuurlijk niet.
Hoe anders werd hun samenleven toen ze niet langer vroeg de boom in hoefden maar op de grond konden overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Bij het schijnsel van de vlammen kon ieder haar/zijn verhaal kwijt, over wat ze die dag beleefd hadden, of over iets wat iemand bedacht of zich herinnerd had. Om de beurt danste/zong wel iemand haar/zijn verhaal, al dan niet luidruchtig dansen/zingend bijgevallen door een of meer anderen.
Waarom dansend/zingend? Omdat ze als gebarentaligen vooral aanvankelijk communiceerden met hun hele lichaam. Het was aanvankelijk nog proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’ en een paar ‘bijwoorden’ maar nog geen zinnen. Wel heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen.
Vaak waren ze gewoon stilletjes bezig, met het schoonschrapen van vellen[10]. Dierenvellen waren hun enige ‘rijkdom’. Het schrapen deden ze met een schelp of een scherp stuk bot of met een scherpe steenscherf. Ze waren al wel steeds meer werk gaan maken van die steenscherven. De eerste miljoenen jaren zochten ze die gewoon in of bij een waterloop (de mannen moesten elke ochtend hun voorraad werpstenen aanvullen, de vrouwen hun dierenblaas met water voor de kinderen) en gooiden hem weg als de scherf bot werd. Later gingen ze de scherven zelf maken door een geschikte steen stuk te gooien tegen een rots. Of kapot te slaan met een andere steen. Maar in de loop van de voorafgaande vier miljoen (!) jaar waren ze daar natuurlijk steeds bedrevener in geworden. De oudst gevonden stenen werktuigen tot nu toe zijn van de Kada Gona site in Ethiopië. Ze dateren van 2.6 mya. De paleoantropoloog onder wiens leiding de opgraving plaatsvindt, Dr. Semaw, vertelt dat die plek indertijd aan een rivieroever lag, met steenmateriaal in overvloed, en schaduwrijke en veilige overnachting biedende bomen in de nabijheid. De messcherpe afslagen dienden volgens hem om karkassen te slachten en graafstokken aan te scherpen waarmee de vrouwen voedzame en waterrijke knollen konden opgraven.
De hominidesoort van die plek wordt ap garhi genoemd en vermoedelijk een afstammeling van ap africanus. De (tot nu toe) oudst bekende werktuigmaker. Dus Homo habilis moet zijn eervolle plaats afstaan aan ap garhi!
Niemand twijfelt er aan[11] of de door garhi aan de dag gelegde vaardigheid veronderstelt een al heel veel oudere werktuigvervaardiging.
Het vuur betekende ook een uitbreiding en verbetering van hun menu en veroorzaakte na een paar generaties grotere gestalten. Vergrootte ook hun macht over de overige Natuur aanzienlijk: ze konden met kampvuren de roofdieren niet alleen op afstand houden maar ook met brandende toortsen kuddes prooidieren in een gewenste hoek drijven. Ze hebben ongetwijfeld een handje geholpen bij de uitsterving van de overige AP-soorten[12]. Onze soort verbreidde zich vanaf toen als homo erectus over de rest van Afrika en over de kustgebieden van Midden- en Verre Oosten.
Dat verbreiden ging zonder vooropgezet doel. Wanneer een groep te succesvol was, werd die te groot, kreeg je spanningen. Dan besloot een groepje jonge vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet te ver weg, want ze bleven elkaar nodig hebben.
Dat nieuwe gebied was nog ‘woest en ledig’: de dingen waren er nog onbenoemd. Voor talige wezens bestaan de dingen pas en in zoverre ze er een naam voor hebben. Doordat het groepje de eerste mensen waren die daar de dingen hun namen hadden gegeven, dus ‘in het bestaan geroepen’ hadden, waren zij voor hun nakomelingen de ‘scheppers’ van het stamgebied.
Voor hun nakomelingen werd dat groepje eerste ‘kolonisten’ de Grote Voorouder: de tot één scheppende Figuur samengetrokken groep. De Schepper van de wereld (hun stamgebied dus, van wat er daarbuiten bestond, hadden ze weinig idee). Het prototype van God.
Steeds meer namen voor steeds meer dingen, dat is een onwerkbare chaos in je kop als je daar geen structuur in aanbrengt. De voor de hand liggende structuur om de dingen in je hoofd beheersbaar en overzichtelijk te houden is het van a tot z verhaal: het verhaal dat vertelt hoe de dingen er gekomen zijn en hoe alles, inclusief wijzelf, geworden zijn tot wat het nu is. Het Scheppingsverhaal.
Het vertelt hoe de Grote Voorouder (half mens half dier, noch man noch vrouw, het was immers een groep) in de Droomtijd (de tijd van overgang van instinctzeker, onbekommerd dier naar nog gebrekkig begrijpend dus tobbend mens) het stamgebied op een bepaalde plek binnentrad en op Zijn doortocht (door de lucht, onder de grond door, net zo makkelijk) alle voor de stam belangrijke planten en dieren, alsmede bergen en kloven, rivieren en moerassen voor de stam achterliet. Alsmede, op een bepaalde plek, de zielen die bij een vrouw konden binnendringen en zo een nieuw mensje laten beginnen. Om op een bepaalde plek aan de overzijde van het stamgebied ondergronds te gaan.
Dit Scheppingsverhaal dansten/zongen de mensen bij elke gelegenheid, bij geboorte en dood, bij ziekte of bij huwelijk, en vooral bij de initiatierituelen. Bepaalde planten of dieren waren ook belangrijke Figuren in het Scheppingsverhaal. In het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal beleefden de mensen hun wereld en hun gemeenschap. Hun hele bestaan draaide rond het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal. Ze hadden het gevoel dat de (hun) wereld zou ophouden te bestaan wanneer ze het Scheppingsverhaal niet langer zouden dansen/zingen. Er is geen stam geweest die het zónder heeft kunnen stellen. Honderdduizend generaties lang dansend/zingend je wereld en je gemeenschap beleven, dat wordt een overerfelijke neiging, ons religieuze gevoel.
[Van Dale Etymologisch Wb: van relegere, weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen]. Dorothee Sölle noemde ons ‘ongeneeslijk religieus’, en dat was dus een juiste waarneming van haar. Nog steeds komen onze baby’s ter wereld in de verwachting, terechtgekomen te zijn in een gemeenschap die zijn wereld danst/zingt. Wanneer kindje huilt, gaat mama zachtjes zingend met kindje ronddeinen en dan wordt het stil en aandachtig … even.
Wanneer vinden we daar de eerste bewijzen van? Als je het mij vraagt roep ik meteen “Bilzingsleben!” Dat is een site (opgravingsplek, vindplaats) in Oost-Duitsland, van een Homo erectus (HE)-kamp. Er zijn drie ‘hutstructuren’ te traceren, een vuurplaats en een aparte ‘werkplaats’. Het meest opvallende is een ‘geplaveide vloer’ in het midden, van zo’n negen meter doorsnee. Vrij van resten van werktuigen of aangebrande botten. Voor mij staat het vast: dit is hun dansplaats!
Om een beeld te geven laat ik hier een foto van een kampplaats van de Efe zien: hedendaagse verzamelaars/jager in de oerwouden van Congo-Brazzaville. Anatomisch-Moderne Mensen (AMM’s), maar in hun evolutie aangepast aan het leven in een oerwoud-omgeving waarin het van evolutionair voordeel is als je klein bent. Daarbij denk je misschien meteen aan de onlangs gevonden kleine pre-historische mensjes op Flores, de Homo floresiensis. Inderdaad, ook zo’n aanpassing aan die eilandomgeving waarin het klein –zijn van evolutionair voordeel was en dat ook hun prooidieren, de olifanten, hadden doorgemaakt. Opvallend bij de pygmeeën is dat hun koppen relatief groot gebleven zijn.
Waar het om gaat: in het Bilzingsleben –kamp van 370.000 jg hadden de HE’s ook zulke hutjes. Maar dan met huiden als dakbedekking.
En ze hadden nog geen honden natuurlijk.

Wij zijn echt wandelende archieven van onze ontstaansgeschiedenis. Vrouwen zijn taliger dan mannen. De taalcentra in onze hersenen, in de linker hersenhelft, zijn bij hen relatief ietsje groter dan bij mannen. Ik denk dan ook dat het dansen/zingen van ons Scheppingsverhaal tot vóór 13.000 jaar geleden voornamelijk een vrouwenzaak is geweest, misschien een miljoen jaren lang al. Vrouwen dansen/zingen ook liever dan de mannen. Zodra er in de publieke ruimte dansbare muziek opklinkt, zie je meteen vrouwen in beweging komen. En daarmee verklaar ik ook het door Trouw aangedragen feit dat vrouwen religieuzer zijn dan mannen: religie is altijd vooral een vrouwenzaak geweest.

Hier een wat duidelijkere afbeelding van de “Venus van Laussel” . De sculptuur is gedateerd op ± 18.000 jg, dus op het einde van de het tijdperk dat de prehistorici het Solutreèn noemen. De laatste ijstijd was toen op z’n koudst. De met een vuurstenen beitel uit de zachte kalksteen uitgehakte figuur hoort duidelijk bij de vrouwenrituelen. Zoals de grottenschilderingen uit dat tijdperk tot de mannenrituelen hoorden.
De bisonhoorn, toch al een vrouwensymbool omdat de kooltjes en wat as van het laatste kampvuur in een bij het lopen heen en weer gezwaaide hoorn naar het volgende kampement werden meegevoerd, verbeeldt hier de wassende maan. De Maan is hét vrouwen-hemellichaam bij uitstek omdat ze er hun zwangerschappen mee aftelden.
Er staan dertien streepjes op de hoorn: de dertien maanden van het maanjaar!
Hieronder volgt nog meer beschrijving van dit bijzondere beeld.

Maar laat ik eerst nog wat vrouwenritueel-beeldjes doen. De beschrijvingen zijn van de schitterende website “Nissaba” http://www.nissaba.nl/godinnen/links.shtml, nogal anoniem gerund door Laatst gewijzigd op vrijdag 23 mei 2005. Els.
Abri Pataud. 
vindplaats: Abri Pataud, Les Eyzies, Dordogne, Frankrijk
datering: paleolithisch, ca 21.000
materiaal: reliëf in rots
Dit reliëf is bekend als de Venus van Abri Pataud. Het is ingekerfd onder een overhangende rotsformatie met de naam Abri Pataud, bij Les Eyzies. Hier bevond zich ca. 20.000 jaar geleden een halfnomadische Cro Magnon-nederzetting. De Cro Magnons waren jagers-verzamelaars.
Het terrein is opgegraven in 1953 en 1964. De oudst bewoonde laag, de veertiende, dateert van 35.000 jaar geleden, de eerste en jongste van ca. 20.000 jaar. Deze periode valt in de laatste ijstijd, het Weichsel of Wurm, die ca. 70.000 jaar geleden begon en duurde tot ca. 10.000 jaar geleden. Het reliëf zou dateren van de derde van deze veertien archeologische lagen, uit een periode van 21.000 jaar geleden. tijdens de koudste periode van het Wurm.
Brassempouy. 
vindplaats: Brassempouy, Frankrijk
datering: paleolithisch, ca 22.000
materiaal: mammoetivoor
Dit vrouwenhoofd van 3,65 cm groot, met gevlochten kapsel of een haarnet, werd in 1894 in Brassempouy gevonden door E. Piette. Het beeldje heeft fijne, duidelijke gelaatstrekken, in tegenstelling tot de meeste paleolithische beeldjes, waarbij soms het hoofd helemaal ontbreekt, terwijl andere keren geen gezicht aanwezig is. De beroemde Venus van Willendorf bijvoorbeeld heeft weliswaar een hoofd, maar dit heeft geen gezicht, doordat het rondom versierd is met haar kapsel
Dolni Vestonice. 
vindplaats: Dolni Vestonice, Moravia, Tsjechië
datering: paleolithisch, ca 24.000
materiaal: gebrande klei en gemalen been
Dit 11,4 cm grote beeldje werd in 1914 gevonden in Dolni Vestonice. Het bevindt zich tegenwoordig in het museum ‘Anthropos’ in Brno. Dolni Vestonice, dat ligt in de omgeving van Brno, werd in de ijstijd bewoond door mammoetjagers.
Het hoofd heeft dierlijke trekken. De ogen zijn ingekerfd als strepen, de vorm van het gezicht is een soort snuit met een mond als een soort vogel- of kikkerbek. De benen lopen taps toe, en voeten ontbreken, een algemeen kenmerk van de beeldjes uit deze tijd. Boven in het hoofd zitten vier gaten. Baring en Cashford beschrijven deze als gaten waarin bloemen, bladeren of veren kunnen worden gestoken, die tegelijkertijd het kapsel als vegetatieve groei symboliseren. Het beeldje heeft kenmerken van zwangerschap, zoals de dikke buik en grote borsten. Ook dit zou symbolisch kunnen verwijzen naar vrouwelijke kenmerken als bron van het leven van de natuur. Baring en Cashford noemen ook de symbolisch te duiden inkervingen op de beeldjes, zoals zaden en kiemen die over de vulva’s van dergelijke beeldjes zijn getekend, of golvende lijnen die water kunnen symboliseren, een essentieel element als symbool voor levenskracht.

Dolni Vestonice.
vindplaats: Dolni Vestonice, Moravia, Tsjechië
datering: paleolithisch, ca 27.000 – 20.000
materiaal: ivoor
Kostienko. 
vindplaats: Kostienko, Oekraïne, Rusland
datering: paleolithisch, 23.000 – 21.000
materiaal: kalksteen
Dit beeldje komt uit de nederzetting bij Kostienki of Kostenky in de Russische Oekraïne. Deze nederzetting werd bewoond van 23.000 tot 21.000 voor onze jaartelling.
De vrouwenfiguur heeft kenmerkende grote borsten en buik die op zwangerschap duidt, met de tengere armen en handen over de borsten. Een gezicht is afwezig, maar rond het hoofd zijn rijen met inkepingen
Laussel. 
vindplaats:
Laussel, Dordogne, Frankrijk
datering:
paleolithicum, 20.000 – 18.000 v.o.j.
Paleolithisch rotsreliëf, dat een zwangere vrouw voorstelt. De afbeelding is ca. 43 cm hoog. De vrouwenfiguur is uit de wand van een beschutte, kalkstenen rotsholte met de naam Laussel gehouwen, met vuurstenen beitels; het bevindt zich boven een vallei in de Dordogne, vlakbij de grot van Lascaux. Voor het reliëf bevindt zich een grote, terrasvormige vlakte.
Het reliëf werd in 1911 ontdekt door de arts J.G.Lalanne. Volgens een recente datering is het gemaakt 20.000 – 18.000 v.o.j.
Vanwege de geprononceerde vrouwelijke kenmerken wordt het beeldje in dezelfde categorie van paleolithische beeldjes ingedeeld als de Venus van Willendorf, de bekendste figuur van dit genre. De vrouw heeft grote borsten en dijen, en een dikke buik. Kennelijk is ze zwanger. Haar linkerhand heeft ze op haar buik gelegd, in haar rechterhand houdt ze de hoorn van een bizon vast. In deze hoorn zijn dertien inkepingen gekerfd. Dit aantal wordt soms in verband gebracht met het aantal maansomlopen in een jaar, en met de maanfase, namelijk de dertien dagen waarin de maan groeit van nieuw naar vol.
De volle maan is symbool voor de zwangerschap, en de maancyclus wordt gelijkgesteld aan de cyclus die het lichaam van de zwangere vrouw doormaakt. Ook de vorm van de hoorn wordt wel in verband gebracht met de maansikkel. In het boek van Cashford en Barings is dit verband als volgt geformuleerd: ‘Haar blik is gericht op de maansikkel [...], zo een verband leggend tussen de wassende fase van de maan en de vruchtbaarheid van de menselijke baarmoeder.’ In de praktijk staat de gelijkstelling van de hoorn aan de maan open voor discussie. Volgens de ene opvatting is dit een bewijs dat mensen in het paleolithicum al een verband legden tussen de gebeurtenissen op de aarde en de hemelse orde; volgens anderen is het nooit toegestaan om gezichtspunten uit een bepaalde plaats en periode te projecteren op een hele andere tijd.
De hoorn wordt ook wel opgevat als een muziekinstrument, waarop de vrouw blaast. De hoorn kan ook als signaalinstrument worden gebruikt.
Met al deze vrouwenbeeldjed heb ik natuurlijk een hele sprong gemaakt, van die dansend/zingende HE-vrouwen op de geplaveide dansvloer van Bilzingsleben van 370.000 jg naar de AMM-vrouwen van het Solutreèn in waar het vandaag Frankrijk heet. Ik heb de Neanderthaler (NT)-vrouwen overgeslagen – niet dat ik daar veel over te vertellen zou weten, behalve dan dat ik de veronderstelling van Jane Auel[13] dat de NT’s een patriarchale samenleving hadden, beslist niet deel omdat het patriarchaat de wrange vrucht is van overpopulatie en strijdig met onze menselijke natuur – en heb nog niet het verhaal verteld over het ontstaan van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s). Voor het hele verhaal verwijs ik je naar mijn website www.mens2000.nl , teksten als De menselijke natuur of Alle macht aan de vrouwen.
In ’t kort komt het er op neer dat er altijd een drang geweest is om de rol van je stemgeluid bij je gebarencommunicatie te vergroten. Je kunt echt alles, zelfs de diepste filosofische gedachten, overbrengen in gebarentaal. Maar in het donker ben je uitgeluld, en met je handen vol of om een hoekje is het ook al lastig communiceren. Dus vanaf het begin is er die druk geweest om stemgeluiden van een zwaardere of verfijndere communicatieve lading te voorzien. Bij het dansen/zingen werd dat zeg maar dagelijks ingeoefend.
Dit is de neurale component: het stemgebruik is steeds meer onder corticale[14]
controle gekomen. Er is ook een fysieke component bij gekomen.
Alle mensen die nu op de Aarde leven zijn AMM’s en ze zijn allemaal van dezelfde soort (alle AMM-vrouwtjes kunnen met alle AMM-mannetjes kindjes krijgen die ook weer kindjes kunnen krijgen. Dat laatste moet ik er bij zeggen, omdat er bewijzen zijn dat AMM-mannen bij NT-vrouwen kindjes hebben gemaakt, maar die waren onvruchtbaar. Zoals paarden en ezels jongen kunnen krijgen maar die zijn dan onvruchtbaar. De AMM’s zijn dus van dezelfde soort en een groot deel van de geleerden neemt aan dat ze zich rond 200.000 jg uit de MSA’s[15] ( de Afrikaanse NT’s) hebben ontwikkeld en dat ze rond 60.000 jg zich vanuit Afrika over de Oude Wereld zijn gaan verspreiden en, doordat ze brutaler waren, daar de MSA’s hebben verdrongen en tenslotte doen uitsterven. Zonder zich er mee te vermengen dus. Het merendeel der geleerden hangt dus de Out of Africa- (OoA)- theorie aan. Een klein deel echter gelooft dat de AMM’s zich (ook) in het Verre Oosten uit de MSA’s aldaar hebben ontwikkeld.
Zelf geloof ik de OoA-mensen. Vanwege die fysieke component. Die komt nu.
In koude streken gedei je beter met een gedrongen lijf (houdt de warmte beter vast); vandaar dat de NT’s en de Eskimo’s een gedrongen gestalte hadden/hebben. In hete streken ben je beter af met een lang dun lijf (raakt de warmte beter kwijt). De Masai bijvoorbeeld zijn lang en dun en ook de MSA’s in die streken waren ‘Nilotisch’ van gestalte. Zelfs het oudste complete HE-skelet was al lang en dun.
Nu nog een derde component: ons stem-apparaat. Dat verschilt van de overige dieren en ook nog van dat van de NT’s hierin, dat ons strottenhoofd permanent is ingedaald, mogelijk geworden door onze langere nekken[16]. Door dat ingedaalde strottenhoofd hebben wij een grote keelholte, nodig voor de vorming van de klinkers (a, e, i, o, u, au, ei, ui, etc.). En onze tong is dikker en meer geschikt voor het vormen van medeklinkers.
Ach, nu laat ik me toch verleiden om het hele verhaal dunnetjes over te doen. Maar nu ik het over fonemen ga krijgen, stop ik want daar heb ik bladzijden lang voor uitgetrokken in mijn andere teksten.
We zijn AMM’s geworden, hebben de MSA’s doen uitsterven en de AMM-populaties in Frankrijk hebben gedurende de laatste ijstijd naast de oeroude vrouwenrituelen ook mannenrituelen (de grottenschilderingen leveren daar het bewijs van) ontwikkeld. Voor mij wijst dat er op dat bij de AMM’s de mannen al in status de vrouwen moeten hebben ingehaald. Dat hun samenlevingen niet langer matriarchaal waren maar egalitair. De mannen zijn in status gestegen – dat betekent dat er sprake is van overpopulatie en dat er oorlog moet worden gevoerd. Wanneer leefgroepen in overlevingsgevecht raken, dan zijn de groepen met de meeste vechtlustige mannen in het voordeel. Gewelddadigheid wordt door de vrouwen dan als een goede eigenschap voor een man of jongetje gezien en dus aangemoedigd. Dat ze hier tenslotte zelf de dupe van zouden worden: jammer dan. Ze hadden geen keus.
Want de mannen, die tot dan toe als sekse de tweede viool gespeeld hebben, gaan nu beseffen dat zij toch wel héél erg belangrijk zijn! Dat hún rituelen toch eigenlijk véél belangrijker zijn dan die belachelijke vrouwenrituelen! En ze maken zich meester van de heilige fluiten[17].
Overpopulatie is dus de bron van oorlog en van machisme (mannenover-heersing). Dat moet zich al in Afrika hebben voorgedaan: het uitzwermen van de AMM’s gebeurde niet zomaar.
Maar voor de vroege AMM’s was de wereld nog oneindig. Voor hun nakomelingen in Europa was de wereld dat na afloop van de ijstijd niet meer. Gedurende de eindeloze winters hadden de mannen niets te doen – voor de vrouwen gaat het dagelijkse werk van voor het eten en voor de kinderen zorgen en kleren maken gewoon door – en dan houden ze zich, net als de Eskimo’s, o.a. bezig met het uitvinden. Hoe dan ook, vanaf 13.000 jg zijn de jagers voorzien van pijl en boog en van gedomesticeerde wolven en blijken alle grote prooidieren – favoriet vanwege de enorme hoeveelheid vlees die het doden van één enkel dier dan oplevert – binnen duizend jaar uitgestorven. Mede door overbejaging. Nou, dan stort zo’n op jacht gebaseerde economie natuurlijk in.
Maar intussen zijn de leefgroepen door de enorme verbetering van de jachttechniek en de opbrengst ervan enorm in aantal toegenomen en nu raken ze elkaar qua territorium. Ze kunnen geen kant meer op. Boemm! Oorlog. En machisme dus. Intussen zijn de vrouwen steeds zorgvuldiger omgegaan met het plantaardige voedsel. Dus: niet álles oogsten, maar iets uit dankbaarheid aan Moeder Aarde teruggeven[18]. En wat je teruggeeft moeten dan wel de mooiste plantjes of zaden zijn, ja? En zie, Moeder Aarde beloont deze geste met nog veel meer van die mooiste exemplaren op die plek.
Dat is het begin van tuinbouw. De vrouwen vragen de mannen om hinderlijk schaduw werpende bomen voor hen om te hakken (met stenen bijlen nog een zwaar karwei). En zo worden steeds betere tuinen aangelegd: omgehakte begroeiing, laten drogen en dan in brand steken. Slash and burn noemen de antropologen die manier van tuinbouw. Maar de betreffende mensen raken er voor hun overleven steeds meer op aangewezen, dus ook hun rituelen, hun religie, wordt de door gekleurd. Moeder Aarde neemt de plaats in van de Grote Voorouder, en het gedanst/gezongen Scheppingsverhaal ziet er ook anders uit dan in de tijd van het pure jagen/verzamelen. Ze kunnen geen kant meer uit zonder op het territorium van een nabuurstam te komen dus ze blijven wonen waar ze wonen, in steeds permanentere bouwsels. In dorpen. Ze domesticeren steeds meer dieren die zich daarvoor lenen, zoals geiten, schapen en varkens. Het hoeft weer maar op één plek het eerst te gebeuren. Maar door de voortdurende ruil tussen de dorpen verbreiddden dit soort prestigieuze giften zich snel.
Maar ik heb dit allemaal al een keer uitgelegd in de grotere tekst “Alle macht aan de vrouwen”, terwijl het hier allen maar over religie hoeft te gaan. Dus zie verder die tekst. Ik ga nu over op: hoe het dan van vrouwenrituelen naar een machistische mannengodsdienst is kunnen komen.
Vanaf vijf duizend jaar geleden, bij het ontstaan de beschavingen (stammen werden met hun grondgebied ingelijfd door een despoot, moesten hun taal en scheppingsverhaal vaarwel zeggen en de taal en het Scheppingsverhaal van de overwinnaar aannemen, de sage van de Toren van Babel) heersten de opeenvolgende elites door middel van het opleggen van het aan hun belangen aangepaste Scheppingsverhaal, oftewel Groot Verhaal. En met de politieke doorvoering van het monotheïsme, tussen 600 vóór en 600 ná Chr., hebben de mannelijke priesters de vrouwelijk godinnen en de vrouwen zelf definitief uit alle plaatsen van de macht gedreven en hen tot privé-slavin van hun man gemaakt[19].
Onze Westerse samenlevingen zijn de eerste in de geschiedenis die door de (televisie-) werking van de vrije markt van hun heersende klassen verlost zijn en van hun onderdrukkende Grote Verhalen.
Vandaar deze vrije poging tot het reconstrueren van ons echte Verhaal, als Westers alternatief voor het patriarchale Adam-en-Eva-verhaal waarmee vandaag nog steeds miljoenen vrouwen een ongelukkig en onwaardig leven moeten leiden.
Reageren? info@mens2000.nl
[1] Bonobo’s zijn een soort chimpansees. Ze verschillen van de gewone chimpansees in leefomgeving, en dus in gedrag. Acht mjg waren de chimpansees, de bonobo’s en onze voorouders van dezelfde soort, en die waren zoals de huidige bonobo’s. Dat zit zo. Wanneer de leefomgeving van een soort hetzelfde blijft, blijft die soort dat ook. Maar 8 mjg kwamen onze voorouders in een totaal andere leefomgeving, en die werden dus totaal anders. 2,5 mjg begonnen de IJstijden; de leefomgeving van de gewone chimpansees veranderde daardoor weliswaar niet maar werd wel onderhevig aan afwisselend inkrimpingen en weer uitbreidingen. De inkrimpingen waren telkens oorzaak van overlevingsgevechten tussen de chimpansee-leefgroepen; vandaar dat gewone chimpansees gewelddadige macho’s zijn geworden. Het leefgebied van de bonobo’s bleef al die acht miljoen jaar onveranderd, dus bleven de bonobo’s dat ook. Die zien er nog hetzelfde uit, en gedragen zich nog hetzelfde, als onze gemeenschappelijke vooroudersoort.
[2] het heeft er alles van dat bij onze soort de mannelijke dominantie net als bij de chimpansees veroorzaakt is door, en dus dateert vanaf, het begin van de overpopulatie. Deze is bij onze soort van betrekkelijk recente datum. De eerste aanwijzing hiervoor is het op korte termijn uitsterven van de grote prooidieren, 13.000 jaar geleden. Gevolg van de intrede van de pijlenboog en de domesticatie van de wolf tot jachthond. Met als verder gevolg snelle groei van het aantal territoria binnen één streek, overgang op tuinbouw welke nog verdere populatiegroei mogelijk maakte, en tenslotte overlevingsgevechten tussen de dorpen. Oorlog maakt mannen belangrijk. Maar dat was nieuw voor ze. Door die plotselinge machtspositie zijn ze meer en meer gecorrumpeerd. Hoe erger de oorlogvoering, hoe erger de onderdrukking van de vrouwen door de mannen. Dat is nooit andersom geweest, in al die miljoenen jaren. Die luxe hebben de voorouders zich nooit kunnen permitteren omdat het overleven tot dan toe altijd hachelijk was geweest.
[3] ik stel het zelfs voor als het aanwensel van één vrouw in één leefgroep; en aanvankelijk voor één ‘ding’ (een bepaalde plant, een bepaalde handeling, verzin het maar; maar haar medevrouwen begrepen wat ze bedoelde en gingen het ook doen; en omdat het wel handig was ontwikkelden ze er weldra meer. De huwbare meisjes vertrokken naar hun partner in een andere leefgroep en namen de gewoonte mee. Zo verbreidde deze zich over de hele stam.
[4] Betekent: iets moois vinden terwijl je eigenlijk naar iets anders op zoek was. Een toevalligheid dus? Ik denk dat het de behoefte was waar het uit voortgekomen is. Ik denk zelfs dat ook andere AP-groepen, onderhevig aan dezelfde dwang der nieuwe omstandigheden, eveneens enigerlei gebarentaal ontwikkeld zullen hebben en dat wij voortkomen uit de stam waarin dit nieuwe vermogen het verst en meest consequent ontwikkeld was.
[5] U zult van mij niets lezen over werktuiggebruik of grotere hersenen, de stokpaardjes van de paleontologen. Die dingen vind je terug bij opgravingen en vormen ‘harde’ bewijzen. Maar ik ben meer geïnteresseerd in het gedrag van onze voorouders: hoe zijn die van een troepje bange mensapen op de Afrikaanse savanne van acht mjg kunnen uitgroeien tot dé dominante soort in de Natuur? Gedrag fossiliseert niet en taal ook niet. Maar aanwijzingen voor de onderbouwing van de hier gepresenteerde reconstructie zijn er genoeg
[6] de mensapen-kretologie wordt hersenkundig aangestuurd door het limbische systeem en daar heb je geen controle over; vandaar dat experimenten om mensapen te leren praten, op niets uitliepen terwijl gebarentaalexperimenten prima lukken.
[7] voor wie dit vroege begin van de ‘domesticatie’ van het vuur een ‘brug te ver’ is, verwijs ik naar de literatuur over de archeologische vindplaatsen Koobi Fora, Swartkrans en Chesowanja (gewoon deze woorden inklikken bij Google): aanwijzingen voor vuurgebruik rond 1.5 mya
[8] ook bij andere apensoorten komen culturele verworvenheden meestal voort uit het initiatief van een vrouwtjes-aap, zijn het andere vrouwtjes-apen en kinderen die het overnemen en hebben mannen een andere belangstelling; we zagen het al; de jongetjes moeten vechtjassen worden, ze moeten de groep verdedigen tegen predatoren en concurrenten
[9] sidderend; maar ze had er al heel lang over nagedacht; en ze was een oma; en de anderen stonden van een afstandje schreeuwend van angst toe te kijken; maar ze zette door, ze voedde het vuurtje met droog materiaal en ze nam een knol en roosterde die … toe, verzin zelf ook eens wat, ik kan hier een beetje álles alleen doen!
[10] De vellen waren vanaf het prille begin van hun savannebestaan belangrijk; het begon als een voedselbron: het afschrapen van de restjes weefsel en vet dat de machtigere aaseters hadden laten zitten; zo’n helemaal schoongeschraapt vel was ook mooi nuttig om dingen in te dragen; en niet alleen stenen of verzameld voedsel, maar ook BABY’S! En wel hierom.
Ze waren tweebeners geworden. Dat had de nodige aanpassingen gevergd in de loop van een paar miljoen jaar (tussen 8 en 6 mya). Ook voor een heel ander bekken. Nauwer geboortekanaal! Dus onvolgroeidere, afhankelijkere baby’s! Of zit ik nou mis? Ineens herinner ik mij een reeks afbeeldingen van geboortekanaal van een aantal opeenvolgende menssoorten. Weet niet meer zo gauw waar te vinden. Laat maar zitten dus!
[11] Kathy Schick & Nick Toth Making Silent Stones Speak (N.Y.1993) en Ian Tattersall The Fossil Trail (Oxford U.P.,1995)
[12] in de Swartkransgrot (Z-Afrika) hebben de paleontologen in een laag van 1.5 mjg aangebrande fossielen gevonden van antilopen, zebra’s, wrattenzwijnen, bavianen en AP-robustus (!), in een H.erectus-contekst
[13] die heb ik een half jaar geleden op een congres nog gesproken, weet je dat?
[14] De cortex is de hersenschors waarin zich de centra bevinden die een rol spelen bij taal (of het nu gebarentaal is of gesproken taal, het betreft dezelfde hersengebieden). Onze stemgeluiden werden oorspronkelijk alleen vanuit het limbische systeem aangestuurd, een primitiever hersengebied, diep onder de cortex gelegen. Over dat hersengedeelte hebben we geen bewuste controle. Maar het doet ook bij onze talige communicatie mee, vooral voor de emotionele lading ervan. Welnu, het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal was een uiterst emotionele aangelegenheid.
[15] Middle Stone Age, oftewel de Midden-Steentijd. De NT’s zijn dus eigenlijk de Europese MSA’s.
[16] onze baby’s worden overigens nog steeds geboren als NT’s: ze hebben nog die hele korte nekkies en daardoor kunnen ze nog tegelijk slikken en ademhalen, net als een paard. Na een maand of zeven gaat dat over en uit en moeten ze, net als wij, even op adem komen na een lange teug
[17] de mannen hadden oorspronkelijk niet eens eigen rituelen. Ik herinner me de woorden van een Aboriginal, die dit vertelt en zegt dat zij de rituelen van de vrouwen gestolen hebben. En van enkele antropologenverslagen dat de vrouwen zeggen dat de mannen die heilige fluiten van hen gestolen hebben. Ik neem nu niet de tijd om het weer op te zoeken, sorry.
[18] hier ligt de oorsprong van het offeren, dat in de verdere ontwikkeling van de religies naar de godsdiensten een hoofdrol zou gaan spelen; dus als de mannen er zich van meester gaan maken
[19] lees hiervoor vooral Rosalind Miles The Women’s History of the World (London, 1988)