Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

Taligheidshypothese

inhoudsopgave

Zoals de evolutietheorie een hypothese is waarmee de menswetenschappen en de biologie vandaag heel bevredigend werken om de fysieke wordingsgeschiedenis van de soorten mee te beschrijven en waarmee ze de verschijnselen in een samenhangend verhaal kunnen plaatsen, zo zou de taligheidshypothese het instrument kunnen zijn om evenzeer bevredigend de menselijke natuur, de religie, het bewustzijn en de zijnsfilosofische vraagstukken te verhelderen.

gebaseerd op

HOE MENSEN VAN APEN MENSEN GEWORDEN ZIJN

 

DE EVOLUTIE VAN VOBO TOT AMM (door auteur bewerkte reconstructieverzameling Schnaubelt/Kieser)

Door Frans Couwenbergh

(update 9 augustus 2012)

De duiding die zij (de mensheid) van zichzelf geeft, haar voorstelling van zichzelf, van haar wezen en haar bestemming, blijft niet zonder invloed op hetgeen zij daarna ook feitelijk is. (Michael Landman, ‘Filosofische antropologie’, Aula, 1971)

Iedereen voelt vaag dat de vraag naar de mens onze beslissende vraag is. (Landman, id.)

Als er één filosofisch probleem is waarvan de oplossing met unieke urgentie geëist wordt, dan is het wel die van een filosofische antropologie. Ik bedoel een basiswetenschap van het wezen en de wezensstructuur van de mens. (Max Scheler, kort voor zijn dood, 1928)

[Wij] kunnen noch onszelf noch onze wereld begrijpen voordat we ten volle hebben begrepen wat taal is en wat ze voor onze soort heeft betekend. Want ook al heeft de taal onze soort en de wereld waarin wij leven gemaakt, toch hebben de krachten die zij heeft vrijgemaakt ons aangezet om onze omgeving te begrijpen en te beheersen, en niet om de oorsprong van ons eigen bestaan te onderzoeken. We zijn zo ver gevorderd op dat pad van beheersing en overheersing dat zelfs de meest stoutmoedigen onder ons nu vrezen voor waar dit toe leiden zal. Nu wordt het tijd dat wij de drijfveer van onze honger naar macht en kennis zelf proberen te begrijpen. (Derek Bickerton Language and Species, UCPress 1990)

Het schijnt mij toe dat onderzoek van de prehistorie van de mens van centraal belang is voor het begrip van onszelf, een onderzoek dat leven of dood kan betekenen voor het mensdom.
(Bernard Campbell, fysisch antropoloog in De ontbrekende schakel, deel 2 van de serie Het ontstaan der mensheid, Time/Life 1972)

Zou er één Groot Verhaal over deze levende aarde, de oorsprong en de bestemming ervan, de waarde en de rol van de menselijke soort erin verteld kunnen worden? Een verhaal dat niet alleen verklaart, maar ook een levensoriëntatie biedt, een impuls tot handelen? Een verhaal dat open genoeg is om in de volgende eeuw voor zo’n 10 miljard verschillende mensen geloofwaardig te kunnen zijn, maar voldoende gestructureerd om er een gedeeld zinsverband aan te kunnen ontlenen? Aan dat zinstichtende verhaal zouden wetenschappers, dichters en denkers, filosofen, theologen en ethici moeten bijdragen. Een Groot Verhaal met gevoel voor kosmische verhoudingen. (Frits de Lange[1] in Gevoel voor verhoudingen. God, evolutie en ethiek. Kampen Cahiers. Kok Kampen, 1997)

Denken dat mensen het leven door kunnen komen zonder enige verhalende structuur, een mythe, een religie, dat is een arrogante opinie uit Oxford. Mensen hebben houvast nodig.
(Redmond O’Hanlon in VN 27 juni 1998)

Inleiding

beminde lezer(-es)

Wat is dat nou weer: taligheidshypothese?

Zoals de evolutietheorie een hypothese is waarmee de menswetenschappen en de biologie vandaag heel bevredigend werken om de fysieke wordingsgeschiedenis van de soorten mee te beschrijven en waarmee ze de verschijnselen in een samenhangend verhaal kunnen plaatsen, zo zou de taligheidshypothese het instrument kunnen zijn om evenzeer bevredigend de menselijke natuur, de religie, het bewustzijn en de zijnsfilosofische vraagstukken te verhelderen.

Dat lijkt een boude bewering, maar:
1. de gegevens uit de paleoantropologie, de antropologie en de ethologie zijn pas vanaf de jaren zeventig goed gaan binnenstromen. Dus alle grote filosofen van vóór die tijd zijn van het echte materiaal verstoken gebleven.  2. De filosofie was intussen postmodern geworden, dus lamgelegd en in zichzelf gekeerd.[2] 3. De in 1 bedoelde wetenschappers voelen zich terecht niet geroepen om de filosofische klus van het in één Verhaal integreren van alle beschikbaar komende gegevens op te knappen. Een enkele antropoloog, Marvin Harris, heeft op het laatst van zijn leven een aardige poging gewaagd (Our Kind, 1989), maar die vond verdomd weinig weerklank in de postmoderne woestijn.

Het zou echt ‘t pakkie-an van de filosofische antropologie moeten zijn, maar je ziet aan een filosoof als Theo de Boer hoe die richting er voor staat. Waarmee niets oneerbiedigs aan het adres van deze voortreffelijke filosoof, noch aan andere filosofen, gericht wil zijn. Je wordt als wetenschapper in het keurslijf van een paradigma gekneed. Je werkt en leeft onder druk van colleges en vergaderingen, promotiebegeleiding, produceren van publicaties, bijhouden van vakliteratuur, – én van je naaste relaties. Het wordt niet van je verwacht dat je je buiten het eigen vakgebied begeeft – onvermijdelijk bij een project als het onderhavige – en ook niet bepaald gewaardeerd, je zet je wetenschappelijke geloofwaardigheid op het spel.

Ik noem Theo de Boer omdat het ’t gesprek dat Peter Henk Steenhuis met hem had in Trouw (7apr.’07), geweest is dat mij deed besluiten om de taligheidshypothese op te stellen.
Dat gesprek ging over ‘de schemerzone tussen zijn en niet-zijn, tussen taal en de oerstilte van vóór de taal, waar De Boer met zijn denken geen vat op krijgt. Dat ‘vat’ krijgt hij ook niet zolang hij geen idee heeft hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn. Dat hij dit idee niet heeft legt het falen van zijn[3] vakgebied bloot: de filosofische antropologie. Volgens Max Scheler, de grondlegger ervan[4], is de filosofische antropologie (ik citeer)basiswetenschap van het wezen en de wezensstructuur van de mens. De begincitaten hierboven, van zijn vakgenoot Michael Landman, zijn nog duidelijker. Het is deze filosofische richting die zich bij uitstek bezig zou moeten houden met hoe mensen mensen geworden zijn. Alleen zo kun je het wezen van het menszijn achterhalen: je weet pas hoe je bént als je weet hoe je gewórden bent.

Dat de filosofische antropologie daar nooit aan toe gekomen is, is weer te wijten aan de culturele antropologie. Dat vakgebied, zo legt Raymond Corbey uit in zijn voortreffelijke paper “Het homo symbolicus-mensbeeld in de culturele antropologie” (OpenUniversiteitNederland, Tekst 6) is nog steeds zoekende naar wat de mens van het dier onderscheidt. Er zijn daarin twee stromingen, die niets van elkaar willen weten (en op congressen zelfs slaags raken – ja ja, ook wetenschappers zijn soms net mensen). De meer filosofische stroming ziet de mens vanwege zijn taligheid los (en boven) de natuur. De biologisch georiënteerde stroming ziet de mens als gewoon één van de vele levensvormen.

[Misschien is het toch andersom. Is het niet te wijten aan de culturele antropologie, en is het de schuld van het postmodern/metafysisch/heideggeriaans/hermeneutisch/structuralistisch/epistemologisch benaderen van het verschijnsel mens door de filosofische antropologie dat de culturele antropologie niet het goede denkraam kreeg. Kan ook, toch?]

De taligheidshypothese opent een venster (over ‘denkraam’ gesproken) en laat zien dat beide stromingen de goede kant op gaan. De mens is inderdaad gewoon één van de vele soorten. Maar wel de enige die zich tot een talig wezen is gaan ontwikkelen. De hypothese maakt het aannemelijk dat beide stromingen zich in één brede bedding kunnen samenvoegen.

Theo de Boer heeft het in ‘t artikel ook over het ietsisme. Dat is de door Plasterk indertijd bedachte spotnaam voor het verschijnsel dat de consument die onkerkelijk geworden is, toch voelt ‘dat er iets moet zijn’ – en hun aantal wordt geschat op 40% van de Nederlanders. Zelf schat ik dat aantal op 100% minus 1. Die ene ben ik zelf. Omdat ik de enige mens ben, bij mijn weten, die dat gevoel kan uitleggen. Dat klinkt nogal ik-ben-Napoleon-achtig, maar in dit stuk wordt ook dat gevoel uitgelegd, en dat heb ik nog niemand lezen doen (‘lezen’ als hulpwerkwoord!).

Het is eigenlijk een ramp geweest, dat postmodernisme. Dat denk ik echt. De existentiefilosofie en het er uit voortgewoekerde postmodernisme hebben het westerse denken bijna even erg geblokkeerd als het monotheïstische denken.

Genoeg gezeurd nu. De taligheidshypothese.

Die vertrekt vanuit een helder verhaal over hoe mensen van mensapen mensen geworden zijn. Vanuit ons echte ‘scheppingsverhaal’ dus. Acht miljoen jaar geleden laat ik het beginnen, ons verhaal.
U schampert: daar was niemand van ons bij!
En daar hebt u volkomen gelijk in natuurlijk. Toch is het niet volledig uit de duim gezogen. Het is een verhaal waarbij verbeeldingskracht inderdaad onontbeerlijk is. Maar het reconstructieverhaal steunt op zoveel mogelijk bekende gegevens over de soort waarmee de onze het nauwst verwant is; over de leefomstandigheden van de gemeenschappelijke vooroudersoort; over de verandering waaraan de leefomgeving van onze vroegste voorouders toen onderhevig raakte; over de resultaten van het archeologisch en paleoantropologisch onderzoek, en over ons huidige mens-zijn. De onderzoeken van de verschillende wetenschappen welke die gegevens aanleveren, gaan maar door. Dus het reconstructiewerk is nooit af, maar het levert wel een steeds helderder wordend plaatje op.
De verbeeldingskracht is het zaklampje waarmee het nog duistere pad beschenen wordt om vooruit te kunnen komen. Je moet speculaties zien als tastende vingers in de nog duistere onderzoeksmaterie.
Waarom is dit het werk van een amateur?
Omdat het een verbeeldingsverhaal is. Wetenschappers houden niet zo van verbeelding (ook al komt het ook bij hen veelvuldig voor, daar niet van). Bovendien hebben die, als gezegd, het al druk genoeg. Het is eerder iets voor een emeritus – zoals Theo de Boer! Alle kans dat die, zich bewegend op een veelheid van wetenschapsgebieden zoals dit project nu eenmaal vereist, volgens zijn eigen opvatting amateur zou zijn! Ik las de binnen zijn vak wereldberoemde paleontoloog Wil Roebroeks zichzelf een amateur noemen toen hij het had over de Neanderthalers …

Maar er zijn toch al genoeg van deze reconstructieverhalen?
Genoeg fossielen- en stenen werktuigenverhalen, dat wel. Ik denk aan The human past (Ed. Chris Scarre, Thames & Hudson, 2005), een pil van 770 blzz.
Of Waar komen wij vandaan? (vert. NwA’dam 2005), van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Carl Zimmer, schoolvoorbeelden van waar u op doelt. Of bezie het Human Origins Program van het prestigieuze Smithonian Institution “In Search of What Makes us Human”.
Het blijft allemaal bij het etaleren van de opeenvolgende fossiele soorten hominiden, de eventuele bijbehorende stenen werktuigen en technieken en het inventariseren van de gangbare theorieën. Inzake de culturele gedragingen zoals taal en sociaal gedrag blijft het bij simpel constateren. Zelfs de beheersing van het vuur wordt – zó er al gewag van gemaakt wordt, Zimmer noemt het helemaal niet! – enkel als droog feit geconstateerd, waarbij men zich bovendien houdt aan de meest conservatieve dateringen. Nergens bespiegeling over hoe die oorspronkelijke mensapen toch aan dat gedrag gekomen zijn. Aan de zelf opgeworpen vraag: What Makes us Human ? wordt geen enkele filosofische gedachte gewijd.

Of vindt u ‘grotere hersenen’ soms een antwoord? Dat is toch een verplaatsen van de vraag naar: wat heeft die hersenen dan doen groeien? En waarom kregen andere dieren dan geen grotere hersenen? Hersenen passen zich aan aan veranderd gedrag, niet andersom.

Dan vind ik werken als How Humans Evolved (Boyd&Silk, NNNY/London 2000) en oudere werken als Het Spoor der Beschaving van John Gowlett (Elsevier, 1984) en zelfs de onvolprezen Time/Life-serie Het ontstaan der Mensheid (17 delen, 1972, 1973), nog steeds onovertroffen. In het derde boek van de Time/Life-serie, De eerste mensen, komt de betreffende schrijver al tot op de drempel van de taligheidshypothese. Tenminste, zo zie ik dat.
Tot op de drempel – maar zoals alle delen is ook dit boek tot stand gekomen in samenspraak met de meest eminente geleerden van die dagen en een wetenschapsschrijver houdt zich angstvallig aan de gangbare opvattingen. Wat het ontstaan van ons taalvermogen betreft, het hoofdpunt van de taligheidshypothese, hielden die opvattingen een afwijzen in van de gebarentaal als eerste vorm ervan; alle aanwijzingen die de auteur daarvoor bijeen had gezet, ten spijt. Vanwaar toch die afwijzing?
Die valt m.i. terug te voeren op het standpunt van aartsvader Darwin in deze!
Wat lette de aartsvader dan om de gebarentaal als oorsprong van het menselijke taalvermogen aan te wijzen?
Er was in diens dagen volgende aan de hand. Gedurende de hele voorafgaande eeuw waren denkers met de meest fantasievolle theorieën inzake het ontstaan van het menselijke taalvermogen over elkaar heen gebuiteld. Op de taalkundigencongressen leidden die keer op keer tot heftige maar op niets uitlopende discussies. Totdat in 1866 het gezaghebbende Société Linguistique in Parijs er een streep onder zette en een moratorium op het onderwerp instelde. Sindsdien hebben zichzelf respecterende geleerden zich daar meer dan een eeuw aan gehouden. Darwin, die met zijn vijf jaar later verschenen The Descent of Man (1871) al zo veel stof deed opwaaien dat het nog steeds niet helemaal is gaan liggen, was niet genegen om ook nog zijn nek uit te steken voor zo’n betwist deelvraagstuk. Darwin heeft overigens geen argumenten aangevoerd om zijn afwijzing te rechtvaardigen. Terwijl hij zeker niet onkundig was over de aard van de gebarentaal. Hij heeft bijvoorbeeld gewezen op een toentertijd beroemde doofstomme vrouw, Laura Bridgman, die er met haar gebarentaal duidelijk blijk van gaf dat ze een zeer intelligente dame was, en concludeerde daar terecht uit dat taal niet gebonden was aan zijn vocale vorm maar dat er een onderliggend cognitief vermogen moest zijn[5].

Een eeuw later, terwijl er al heel wat veldonderzoek op gang gekomen – daar had de auteur van De Eerste Mensen alles van opgestoken – durfde nog steeds geen auteur Darwins drempel in z’n eentje over. Ik noem hier uit velen Merlin Donald Origins of the Modern Mind (Harvard, Cambridge, London, 1991), die bij zijn beschrijving van onze ‘cognitieve evolutie’ heel ordelijk de ‘pre-darwiniaanse’ opvattingen en vervolgens die van Darwin zelf behandelt – geen opmerking over diens gebrek aan argumenten voor de afwijzing maar deze gehoorzaam volgend – de gangbare neurologische benaderingen bespreekt om vervolgens zijn theorie van de viertrapsraket te ontvouwen: de ‘episodische’ cultuur van de mensapen, de ‘mimetische’ cultuur van de aapmensen, de ‘mythische’ cultuur van homo sapiens (de Neanderthalers) en tenslotte de ‘symbolische’ en ‘theoretische’ cultuur van de moderne mens. Indrukwekkende uiteenzetting die voor de meeste geleerden wel het laatste woord lijkt te zijn.
Met alle respect vind ik het te abstract geconstrueer allemaal, geen mensapen en mensen van vlees en bloed, geen regenwouden en woestijnen, geen opgravingssites en overpeinzingen van bezwete paleo’s[6]. Ik wijt het allemaal aan de oneigenlijke afwijzing van Darwin, die verhindert dat je op een begrijpende manier de ontwikkelingen, opgedolven door de paleo’s, op de voet kunt volgen.

Ook onbekendheid met de macht van de gebarentaal heeft de taalkundigen parten gespeeld en doet dat nog steeds, blijkens het boek van Jean Aitchisson The Seeds of Speech Language Origin and Evolution (Vert. Het Spectrum, 1997 als De Sprekende Aap). Ze behandelt wel de optie van de gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen, maar wijst deze af als “niet waarschijnlijk” (p.89), en met als enige argument “ondoelmatig” : handenbindend en in het donker niet te zien!

Ik ben er van overtuigd dat Darwin, ware dat moratorium niet uitgeroepen, toen al gekozen zou hebben voor de gebarentaal als oorsprong. Ook al beschikte hij nog niet over wetenschappelijke kennis zoals die vandaag overvloedig beschikbaar gekomen is: zijn intuïtie deed hem ook in deze al in de juiste richting kijken.

Darwins drempel. Een ‘Berlijnse Muur’ in de wereld van de filosofische antropologie. Maar ze vertoont gode zij dank een zich verbredende bres! De eerste dappere antropoloog die zich door de spleet wurmde was Gordon W. Hewes, wiens artikel “Primate communication and the gestural origins of language” in Current Anthropology 14:5 (1973) met oorverdovend stilzwijgen door de postmoderne wereld ontvangen werd. Maar sindsdien voeren Michael Corballis (The lobsided ape, Oxford 1991), William Stokoe (Gesture and the Nature of Language, Cambridge 1995) en Roger Fouts (Next of Kin, LPBBook 1997) een groeiend legertje volgelingen aan dat kiest voor de gebarentaal als oorsprong van het menselijke taalvermogen.

Edoch … accepteren dat gebarentaal de eerste vorm is geweest die ons taalvermogen heeft aangenomen, is één. Stap twee is: daar de filosofische implicaties van doorzien. Die stap vinden ook genoemde wetenschappers niet op hun weg liggen. Die moeten filosofen zetten … Vandaar dus dat er nog steeds geen verhaal is dat de twee stromingen in de mensbenadering één bedding biedt.

Het verhaal waar de taligheidshypothese van uitgaat, biedt een aannemelijke en vooral coherente reconstructie van hoe en waarom en waardoor wij geestelijk van mensapen tot mensen geworden zijn. Het verhaal werpt licht op het mentale pad dat onze vroegste voorouders zijn opgegaan en waardoor zij zulke aparte dieren geworden zijn dat ze talige wezens geworden zijn, het vuur zijn gaan gebruiken, een talig bewustzijn gekregen hebben. Het vertelt hoe het gekomen is dat het onaanzienlijke troepje bange mensapen dat onze vroegste voorouders eens was en dat zich op twee benen omzichtig voortbewoog op zoek naar voedsel door de Pliocene savanne, nu de baas speelt over de hele dierenwereld. Het beperkt zich niet tot het op ’n rijtje zetten van harde (fossiele en stenen) feiten, hoe welkom deze ook zijn, maar gaat geen enkele waarom-vraag uit de weg. Niks ‘grotere hersenen’, bijvoorbeeld. Door welk gedrag werden die dan groter? Dat werk.

Commentaar of aanvulling graag naar info@mens2000.nl

 

het begin van onze soort

Acht miljoen jaar geleden (hier verder mjg) waren onze toenmalige voorouders nog doodnormale mensapen.

Zes mjg – ik houd het graag bij ronde getallen – was het klimaat koeler en droger geworden en verdween op de plek waar die vroegste voorouders leefden (Hoorn van Afrika) het voorouderlijke regenwoud waar ze als soort op waren toegesneden. Ze hebben zich weten aan te passen aan de savanne-omgeving die er voor in de plaats gekomen was.

1. savanne

Héé, die savanne-hypothese is toch afgeschoten, is het niet? roept een oplettende lezer(-es).

Inderdaad werd dat een jaar of tien geleden geroepen – ik denk aan “Sunset on the Savanna” van de invloedrijke Amerikaanse wetenschapsschrijver James Shreeve (Discover, july 1996) – op grond van de ontdekking dat fossiele aapmensen zoals AP afarensis (‘Lucy’ o.a.) nog duidelijke aanpassingen aan het boomleven lieten zien. Dus niks savanne! Het waren boombewoners! was de voorbarige conclusie……….

Mensapen zijn (dus onze vroegste voorouders wáren) geen boombewoners. Ze klimmen in de boom om vruchten te eten en om er hun overnachtings-platformpjes te vlechten, maar verder leven en verplaatsen ze zich op de grond. Vervolgens: dat vanaf 8 mjg het regenwoud op die breedten aan het verdwijnen was, wordt door niemand betwist. Nou, dan komt er iets voor in de plaats en dat noemen we gemakshalve savanne.

Maar dat is een heel afwisselende biotoop. Gewone bossen, vooral langs oevers van meren en rivieren, zoals de luchtfoto hiernaast laat zien (die ik wat onhandig overgenomen heb uit Bonobo van Frans de Waal). Afgewisseld met grasgebieden. 6 mjg vooral veel bos en kleinere grasgebieden: nog lang niet de tamelijk boomloze grasvlakte zoals de huidige Serengeti.

Je moet het zo zien. Mensapen trekken – en onze toenmalige voorouders trókken – voor hun voedsel rond in een uitgestrekt regenwoudterritorium. Volgens een seizoenmatig patroon, van overnachtingsplek naar de volgende overnachtingsplek. Voor onze vroegste voorouders kwamen de veranderingen door het klimaat er op neer dat hun dagelijkse trekroutes steeds meer open plekken met gras gingen beslaan. In de opeenvolging der generaties steeds grotere open grasgebieden. Zonder dat dit verandering bracht in hun dagelijkse routine: er moest gewoon elke dag gegeten worden en ze hebben echt geen dag overgeslagen. Zoals er ook elke nacht geslapen moest worden, dus geklommen in de hoogste boomtoppen, voor een veilig overnachtingsnest. En zolang dat moest, behielden hun handen en voeten klim-eigenschappen.
Hun lichamelijke aanpassingen aan de veranderende biotoop gingen zo geleidelijk dat ze die zelf nooit in de gaten hebben gehad.

Met het afsterven van het regenwoud verdwenen van generatie op generatie ook de vruchtbomen die voor mensapen het hoofdvoedsel leveren. Gelukkig bevatten de open grasgebieden alternatieve voedselbronnen. De aanpassingen van de voormalige regenwoudbewoners aan de nieuwe condities – ook de meest ingrijpende: aanpassingen die hen op het pad naar onze menselijkheid hebben gedreven – hadden alle met hun voedselvoorziening te maken. Ongetwijfeld zijn uit te graven knollen een belangrijk basisvoedsel geweest in de aanvang, omdat we vandaag de savannechimpansees in Ugalla (West-Tanzania) daar ook door uit de bescherming van hun bos zien aangelokt – en ze vervaardigen er ook graafstokken voor!

Het verhaal schetst dus een beeld van heel geleidelijke, zeg maar onmerkbare, overgang. Onze voorouders hebben er, nogmaals, nooit erg in gehad dat hun wereld er anders uitzag dan hij altijd geweest was. Hetzelfde gold voor hun lichamelijke aanpassingen.

2. de vobo’s

Het wordt tijd dat ik er een naam voor verzin, voor die vroegste voorouders van ons in dat verdwijnende regenwoud. Want er waren meer mensapensoorten die zich hebben weten aan te passen aan de savanne-omgeving en die ook tot aapmensen werden. Hun fossiele resten worden gerangschikt onder Hominiden. Oftewel australopithecinen (hier verder AP’s genoemd). Sommige AP-soorten bleven planteneters en worden, vanwege hun robuuste tanden en kakementen als robustus aangeduid. Onze voorouders worden toch meer vermoed onder de graciele soorten zoals AP-africanus of –afarensis .

Men vermoedt dat de onze vroegste voorouders rondgelopen hebben in de Hoorn van Afrika (Kenia, Ethiopië, Eritrea), want daar worden de oudste fossielen en andere sporen gevonden. Zuid-Afrikaanse paleoantropologen claimen Zuid-Afrika als onze bakermat, vanwege hun AP-africanus. Maar Ardipithecus ramidus (‘Kaddaba’)(Ethiopië) en Orrorin tugenensis (‘de Millennium Mens’) (Kenia), op 6 mjg gedateerd, zijn veel oudere kandidaten en Tsjaad heeft zich met Toumaï (bijna 7 mjg!) als superkandidaat-bakermat aangemeld. Bij die laatste heb ik overigens mijn twijfels maar wie ben ik.

Er hangt nooit een labeltje aan een fossiel. Het onderbrengen van alle vondsten in soorten is een paleo-vak apart: taxonomie. In de gangbare publicaties over de oorsprong der mensheid vind je de opsommingen. Maar het gaat ons om die ene kleine voorouderpopulatie: onze voorouders, en die zijn pas herkenbaar waar en wanneer hun fossielen vergezeld gaan van menselijk gedrag zoals professioneel vervaardigde stenen werktuigen en/of de snijsporen ervan op botten. Maar die bewijzen verschijnen pas 2.6 mjg.

Toch moeten onze vroegste voorouders er vanaf het begin tussen gelopen hebben, anders waren we er niet. Ik geeft ze hier de fictieve naam vobo’s (voorouderbonobo’s). Frans de Waal, één van mijn helden, zegt dat we, als we ons een voorstelling willen maken van onze vroegste voorouders, we het beste naar de bonobo’s kunnen kijken, omdat van die chimpansee-achtigen de leefomgeving al die miljoenen jaren onveranderd gebleven is.
Die van de chimpansees is vanaf 2,5 mjg zwaar ‘onder vuur’ van de ijstijden komen te liggen; is herhaalde malen ingekrompen en dan weer uitgebreid, met alle overlevingsgevechten van dien. Dat heeft de chimpansees tot veel grimmiger neven gemaakt dan de bonobo’s.
Dus: niet vochi’s maar vobo’s!

Het leefgebied van de vobo’s veranderde totaal; dat is heel wat anders dan twintig keer op en neer uitbreiden en inkrimpen van hetzelfde leefgebied. Het vobo-leefgebied veranderde totaal, maar zo geleidelijk dat dat ongemerkt ging. Van overlevingsgevechten was 8 mjg even weinig sprake als vandaag onder de bonobo-groepen.

We hebben veel meer gedragingen gemeen met de bonobo’s dan met de chimpansees. Cultuurpessimistische auteurs als Wrangham&Peterson met hun Demonic males (London, 1996) willen niets horen over het Van nature goed (1996) dat Frans de Waal aantoont. Ze zien in de chimpansees de voorouderlijke aanleg tot gewelddadigheid en machisme weerspiegeld waar de mensheid sinds mensenheugenis aan ten prooi is. Maar ze nemen niet de overpopulatie-situatie in aanmerking waarin de chimpansees vanaf 2.5 mjg demonic zijn geworden en onze voorouders vanaf 50.000 jg of zo[7. Hun verhaal is koren op de molen van cultuurpessimisten, maar het is niet echt onderbouwd. Wanneer ons vroege voorgeslacht zich te buiten was gegaan aan gewelddadigheid als van de chimpansees en van de latere mensheid, dan zouden daar sporen van te vinden moeten zijn in het fossielen-archief – voor zover we dan al niet spoedig uitgestorven zouden zijn. Maar nee! Nergens.

Natuurlijk vormden de andere aapmenssoorten favoriete prooien voor onze ondernemende voorouders. Hun fossiele resten kunnen daardoor nogal eens voor verwarring zorgen. Al te vaak kunnen de paleo’s (met dat woord duid ik alle wetenschappers aan van alle mogelijke disciplines die voor ons verhaal van belang zijn) bij een fossielenvondst niet uitmaken of ze met een voorouder dan wel met de prooi van een voorouder te maken hebben. Wanneer een fossiel vergezeld is van stenen werktuigen, kun je er donder op zeggen dat het een slachtoffer is en geen slachter. Dus wat Leakeys tussen 1962 en 1964 in de Olduvaokloof in Tanzania aan hominidenresten opdolven in de context van een hoop stenen werktuigen, waren toch duidelijk overblijfselen van het slachtoffer en niet van de hanteerders van die werktuigen. Die laatsten mag men zeker H. habilis noemen,  maar niet het onhandige slachtoffer. Vandaag denkt men aan ap garhi als de vermoedelijke makers.

Aanvankelijk interpreteerde men de gaten in de fossiele schedels wel als gevolg van gewelddadigheid. Tot men begreep dat onze aasetende voorouders hun dierbare overledenen echt niet aan de gehate concurrenten (de hyena’s[8]) overlieten. De overledenen werden door hun aasetende en op de rand van het bestaansminimum levende nakomelingen opgegeten. Steeds meer binnen een religieus beleefd ritueel. Omdat men de energie, opgeslagen in het lichaam van de overledene, invoegde in het eigen systeem, werd dat aangevoeld als het overleven van de overledene in het nageslacht. En elke bioloog zal beamen dat daar wel iets in zit.
Nu ik dat van die dierbare overledenen zit te vertellen bedenk ik: die moesten ze dan toch ook eerst slachten? En de botten en vooral de schedel konden ze toch niet opsmikkelen? Dus toch … H.habilis … ?
Hoe dan ook, later aten de Vroege Mensen alleen nog de hersenen, ritueel, teneinde de overledene in haar nageslacht te kunnen laten voortleven. Vandaar de gaten in veel fossiele schedels. Geen bewijzen dus van gewelddadigheid maar van het omgekeerde: van zeer sociaal gedrag.

Bewijzen van sociaal gedrag zijn er al vanaf het begin. Harde bewijzen, zoals de kleine hoektanden. Chimpansees hebben behoorlijk grote hoektanden. Die zeggen wat over de rol die de statusgevechten in hun samenlevingen spelen. Daar zijn de bavianen (dat zijn gewone apen, geen mensapen, maar het zijn wel savannebewoners) kampioenen in, en hun hoektanden overtreffen zelfs die van de leeuwen! De savannebavianen staan dan ook bekend om hun asociale gedrag… De hoektanden van de chimpansees mogen er trouwens ook zijn.

De hominiden-gebitten daarentegen worden juist herkend aan hun kleine hoektanden! Het betekent dat ze weinig of geen statusgevechten kenden.
Niet nodig hebben houdt nog niet in dat ze schrompelen. Daarvoor moeten ze ook nog in de weg zitten. Dat doen ze wanneer de eigenaars met hun gebit voedsel moeten vermalen. Het zegt dus evenveel over hun standaardvoedsel.
De reductie van de hoektanden en de grotere kiezen met dik email wijzen op maalvermogen voor hard voedsel. Daarbij denken de meeste paleo’s aan graszaden.

Tanden blijven fossiel makkelijk bewaard. Fossiel gevonden kaken, gebitten en tanden geven voor paleo’s een schat aan informatie. Grootte, dikte van het tand-email, vorm, slijtagesporen, leeftijd, er valt heel veel meer uit af te leiden dan alleen de soort. Zelfs het soort standaardvoedsel kan tegenwoordig worden achterhaald, met isotopen-onderzoek.
Een andere aanwijzing levert onze fysieke verschijning. We zijn ‘wandelende archieven’. Van bonobo’s is bekend dat zij hun conflicten veelal in de kiem smoren met seks. Make love, not war lijkt hun devies wel te zijn. Dat onze voorouders dezelfde conflictbezweringsstrategie hebben gevolgd, bewijzen het geheel verdwijnen van de grote rode vulva’s waar de mensapinnen mee pronken in de oestrus. Bewijst het zelfs geheel ongemerkt passeren van de oestrus (bij mensapen steeds een bron van statusgevechten) bij mensenvrouwen. Die pronken met blijvende borsten en fraaie billen, terwijl de mensenmannen paraderen met de grootste penis van alle mensapensoorten.

Vobo’s dus. Ik geef ze twee miljoen jaar de tijd om van vobo’s tot VOAP’s (hominiden, aapmensen) te worden. Het verdwijnen van het regenwoud en het plaatsmaken voor savanne voltrok zich echt héél geleidelijk en ongemerkt. Hun lichamelijke aanpassingen en die in hun gedrag en overlevings-strategieën kregen echt alle tijd. De meeste paleo’s laten hun reconstructieverhalen beginnen bij 4 mjg.

3. de aanpassingen

Levensgevaarlijk terrein voor mensapen, die open grasgebieden. Niet vanwege de kuddes graseters die daar leefden, maar vanwege de grote katten (behalve holenleeuwen en drie soorten sabeltandtijgers, onder andere) en reuzenhyena’s en ander gespuis, allemaal predators die ook graag een mensaap te grazen namen. Extra graag zelfs: de graseters (waterbokken, gazellen, gnoes, zebra’s, maar ook grote giraf-achtigen en olifant-achtigen) stelden zich tegen hun roofdieren teweer door enorme afmetingen en ondoordringbare huiden, dan wel met scherpe horens of (zebra’s) scherpe hoeven. En: de niet-dikhuiden waren op snelheid geselecteerd. Welnu, dat hadden de trage  AP’s en onze vobo’s allemaal niet. Ook geen klauwen. Slagtanden zoals de bavianen? De AP-gebitten worden, nogmaals, juist herkend aan de afwezigheid van de mensapenslagtanden!

Hier een afbeelding  (overgenomen uit Verslag van het Leven (1993) p. 208) van sabeltandtijgers. Predators, gespecialiseerd in dikhuiden, zoals de (voorouders van) de olifanten, neushoorns en nijlpaarden. De echte sabeltanders tenminste. Er was ook een onechte, Dinofelis. Van deze laatste hadden de AP’s het meest te duchten omdat die vooral in de bossen jaagden en in bomen konden klimmen, als luipaarden.

De echte, zoals Smilodon hiernaast, was dus gespecialiseerd in grote dikhuiden. Zo’n prooi werd beslopen … een snelle spurt, ónder het vleesfort door en hhangg!! – ze konden hun muil abnormaal ver opensperren en met die vlijmscherpe sabels reten ze het de buik open. Om dan van een veilig afstandje te wachten tot de reddeloos verloren reus door de knieën ging. Ze voedden zich met de ingewanden. Voor het echte verscheuren waren de sabels te kwetsbaar. Dus ze lieten enorme hoeveelheden aas achter. Vandaar dat de hyena’s van toen reuzenhyena’s waren.

Je zou dus zeggen: redden ze nooit, die trage vobo’, dat rondlopen tussen snelle grote katten, reuzenhyena’s en ander loerend tuig, en dan ook nog zonder verdedigingstoerusting. Maar dat laatste was niet helemaal waar: als mensapen beschikten ze over een effectief verdedigingsmechanisme: mensapen gooien met van alles wanneer ze je uit hun buurt willen houden. (Daar moeten hun onderzoekers voortdurend op bedacht zijn!)

Onze vobo’s moesten in die nieuwe heftige omgeving deze eigenschap natuurlijk verder ontwikkelen, ‘professionaliseren’.
En zo hebben ze een boel dingen die ze als mensapen al konden of hadden, in deze nieuwe soortvreemde omgeving noodgedwongen ‘geprofessionaliseerd’. Er is eigenlijk niets de novo uitgevonden door ons voorgeslacht; alleen de taligheid. Maar juist dát heeft ons zo anders gemaakt.

Dus waar gooit een professional mee? Met stenen natuurlijk: die vind je langs elke oever. En je kunt er een voorraadje van met je meedragen: met één steen ben je als vobo zo het haasje, maar voor een hele troep schreeuwende en een hagelbui van keien lancerende apen, daar heeft zelfs een sabeltandtijger niet van terug en ook de hyena’s blijven dan liever bij ze uit de buurt. Het ‘stenen tijdperk’ begon al vanaf toen de vobo’s zich op de open terreinen begaven.

Hoe dragen de vobo’s die stenen mee? Natuurlijk in een opgeraapt vel. Vandaar mijn uitweiding over de sabeltandtijgers: met het oog op de vellen horen die echt in het scenario. Hyena’s vreten zo’n karkas helemaal op, en zelfs de botten kraken ze met hun machtige kaken. Maar harige taaie vellen zijn echt niet te vreten. Zeker niet als sabeltandtijgers voor een constante aanvoer van karkassen zorgen. Op de open grasterreinen lagen vellen genoeg te slingeren.

4. vellen
Voor onze vobo’s waren die vellen heel interessant. Jagen was er voor hen nog lang niet bij[9]. De vellen waren een welkome proteïnebron. Want daar zat voor bekwame pulkers als de vobo’s waren, nog van alles eetbaars aan.
Tegen de hyena’s waren ze aanvankelijk nog niet opgewassen, onze vobo’s moesten van een afstandje geduldig wachten tot die het veld geruimd hadden. Maar de gieren konden ze met hun stenen en stokken wel verjagen. Met iets scherps, een schelp, een stuk bot, een kapotte steen, schraapten ze de laatste restjes vet en ander weefsel van de vellen af. Aan een helemaal leeg gesnoepte huid hielden ze dan ook nog een bruikbare draagtas over. Ik denk dus dat de vellen hun eerste niche[10] voor vlees vormden. En dat hun eerste vaardigheden in steenbewerking in deze niche ontwikkeld is.

Dat begon dus met schelpen en steenscherven zoeken bij het verzamelen van de verdedigingskeien elke morgen, aan de wateroever. Toen de steenscherven belangrijker werden, gingen ze die zelf maken door een kei stuk te gooien tegen of zelfs mét een andere kei. Een ruwe schraap- of snijrand was goed genoeg. Pas veel later kwam, bij groeiende behoefte, kwam het echte voorbewerken van hun werktuigen, en dan worden die ook pas door de paleo’s als werktuigen herkend. De oudste stenen werktuigen dateren evengoed van 4,4 mjg!, lees ik op een bericht van PaleoNieuws.[11]

Zo zijn ze hun carrière als aaseters begonnen[12]. In de loop der eeuwen verschenen ze natuurlijk steeds vroeger op het toneel en werden ze brutaler met hun stenen, zelfs tegen de hyena’s. De vellen werden ook steeds belangrijker om dingen en baby’s in mee te dragen. Ze konden ze ook om zich heen slaan tegen de nachtelijke kou, als ‘slaapzak’. Vermoedelijk hebben ze er hun slaapplatforms hoog in de boomkruinen mee belegd en werden het al gauw hangmatten.

Het bracht ook het speuren naar steenscherven mee als ze ’s morgens hun overnachtingbos verlieten en naar een waterloop togen om te drinken en de stenenvoorraad aan te vullen voor de verdediging – en wat de vrouwen betreft: dierenblazen of kalebassen met water te vullen: drinken voor de kinderen onderweg.

5. tweebenigheid
Bonobo’s lopen vaker en makkelijker op twee benen dan chimpansees. Vooral als ze dingen moeten meedragen doen ze dat.   Foto van Frans Lansing. Uit Bonobo van Frans de Waal, 1997

Ik heb de vraag, hoe ze dan zo’n zware zak met stenen meedroegen, nog niet aan de orde gesteld.
Mensapen dragen zware dingen met hun handen en dan lopen ze moeizaam op twee benen. Dus ook deze mensapen-eigenschap hebben de vobo’s geprofessionaliseerd: extra bilspieren, komvormiger bekken, aderen met klepjes, en zo voort. Hebben ze makkelijk vele honderden generaties voor uit kunnen trekken, want de overgang van regenwoud naar savanne ging echt niet van de ene dag op de andere. Ze hebben er nooit erg in gehad dat hun omgeving anders was dan ze ooit gekend hadden, of dat hun voorouders er vroeger heel anders uitzagen.

Ik leg, meer dan de ‘human origins’-boeken, de nadruk op de gevaarlijkheid, vooral aanvankelijk[13], van de nieuwe niche waaraan onze voorouders zich hebben moeten aanpassen. Mensapen gaan bij gevaar, bij de confrontatie met een gevaarlijke tegenstander bijvoorbeeld, rechtop en op hun voeten lopen. Zeker als ze daarbij wapens, een kei of een knuppel, hanteren. Paleo’s moeten nou eens ophouden met het verzinnen van rare dingen als: ze deden het om beter naar vruchten te kunnen reiken, of om minder zon op hun lijf te krijgen[14] – dan zouden andere savannebewoners toch ook allemaal op twee benen zijn gaan lopen? Eén verklaring die ik onlangs tegenkwam, vind ik er mee door kunnen: het op twee benen lopen stelde hen is staat tot het afleggen van de grotere afstanden van de zich steeds verder uitstrekkende foerageroutes dan ‘op alle vier’. Maar zeg nou zelf: het bij die grotere afstanden meedragen van bewapening en andere spullen ligt als verklaring voor onze tweebenigheid toch nog meer ‘voor de hand’?

De vobo’s zijn niet de enigen geweest die noodgedwongen op tweebenigheid zijn overgegaan. Er zijn meerdere gelijktijdige hominidensoorten bekend, allemaal tweebeners. Ze worden alle australopitheci (AP’s) genoemd, en de traditionele ‘human origins’-boeken putten zich uit in het opsommen van de opeenvolgende soorten. Uiteraard zonder er één als voorouder aan te kunnen wijzen. Onze voorouders moeten er toch tussen gelopen hebben. Die noemen we VOAP’s (voorouder-AP’s).

Samengevat: — 8mjg – 6mjg (gemeenschappelijke vooroudersoort van bonobo’s, chimpansees en mensen)
—  6 mjg – 4 mjg  vobo’s passen zich aan aan savanne-foerageren
—  VOAP’s  6mjg – 2,5 mjg (onze voorouder-australopitheci)

Vrouwen dragen baby’s en moeten eten verzamelen voor de kinderen en iedereen dus ze hebben wel wat beters te doen dan een zware zak stenen meedragen en gooien. Moeten de mannen maar doen. De roofdieren liggen steeds op de loer dus de volwassen mannen kunnen hun bewapening onderweg geen moment afleggen. Derhalve: taakverdeling tussen de seksen, vanaf het begin. Vrouwen en kinderen verzamelen het eten, de volwassen mannen doen niets anders dan met hun stenen paraat zorgen dat dit in veiligheid kan geschieden. Het met hun stenen van een prooi wegjagen van andere vleeseters was natuurlijk mannenwerk, en zo werd de vleesvoorziening en later jagen ook mannenwerk, vooral. Mannen hebben eigenlijk nooit wat meegedragen behalve hun bewapening. En de vrouwen sjouwen met enorme bepakking én baby’s, de mannen dragen alleen hun wapens, dat is het beeld. En: alleen zó voelen de vrouwen zich veilig!

tekening van marktcollega Martin, karikaturist; heb ik zo vaak doorgezaagd over mijn project dat hij deze tekening voor mij maakte

Groepen die in al dit soort aanpassingen goed waren, floreerden ten koste van stuntelaarsgroepen. Zo selecteerden de vereiste gedragingen zich steeds verfijnder uit. De hete middaguren en de nachten brachten ze door in de veiligere bossen waar het voedsel verdeeld werd en hun sociale leven plaatsvond, met uitgebreide vlooisessies.

Hiermee waren het nog steeds gewone hominiden: op twee benen lopende mensapen. Met nog steeds lange klimvingers en met voeten die al wel aan het lopen aangepast waren maar ook klimmen mogelijk maakten: ook de VOAP’s hadden de bomen nog steeds nodig om zich snel in veiligheid te kunnen brengen en om te slapen.

Waarom zijn de VOAP’s zo bijzondere dieren geworden dat al die vreeswekkende roofdieren nu bij ons in de dierentuin zitten en dat het nergens andersom is? Waarom zijn die andere AP’s al lang uitgestorven en zijn onze voorouders de hele wereld gaan bevolken? Daar gaat het hier natuurlijk vooral over.

6. hoe ze bijzonder werden

Eten genoeg op de savanne. Maar de VOAP-vrouwen moesten wel weten wáár wannéér wát verkrijgbaar was. Een heel wat gecompliceerdere voedselgarings-situatie dan in het voorouderlijke regenwoud waar het eten gewoon aan de bomen groeit.
Ze hadden behoefte aan meer communicatie dan waar je in een regenwoudbestaan mee toe kunt.
Het hoeft maar één vrouw in één groep geweest te zijn die het aanwensel ontwikkelde om met haar handen uit te beelden wat ze bedoelde, een bepaalde plant, een bepaalde handeling, een bepaalde plek, bedenk het maar. Haar medevrouwen begrepen wat ze bedoelde. Ze vonden het grappig, en wel handig ook, eigenlijk, en ze gingen het ook doen.
En zo gingen ze voor steeds meer dingen en handelingen imitaties ontwikkelen, want het vergemakkelijkte en dus verbeterde hun samenwerking. Jonge meiden die voor een partner naar een andere groep verkasten, namen het aanwensel mee en zo verbreidde het cultuurtje zich onder de hele stam. Door de verbeterde samenwerking floreerden de groepen, floreerde de stam en die ging zich door de vindingrijkheid en doortastendheid, onderscheiden van de overige AP-populaties. Onze VOorouder-AP’s!

Wat ik met dit speculatieve verhaaltje heb bedacht is niets minder dan wat de oerknal is voor de astronomen: een speculatief gebeuren dat alles wat daar uit voortvloeide, bevredigend verklaart. Waarom hebben de paleoantropologen nog niet zo’n ‘oerknal’ voor het begin van onze taligheid bedacht? Omdat dit nou typisch iets is voor filosofen. Of voor taalkundigen. De laatsten zijn ook een soort filosofen: hebben ook geen enkel idee over de menselijke natuur en laten zich ook niet met paleoantropologie of ethologie in. Daarom noem ik mij dus humanosoof. Weer zo’n niet bestaand woord. Google het maar: kom je meteen bij mijn teksten.

7. namen voor de dingen

Met dat toevallige aanwensel van die paar VOAP-vrouwen  in dat ene VOAP-groepje was namelijk iets heel unieks ontstaan in de geschiedenis van het leven op onze aarde: taligheid. Er ontstond een dier dat het met zijn mede-dier kon hébben over iets! Een dier dat met een mede-dier van gedachten kon wisselen.
Alle groepsdieren hebben hun soorteigen vorm van communicatie, maar in geen enkele andere soort kunnen de individuen het met elkaar hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is: over iets om de hoek of in een ander seizoen.

Namen hebben voor de dingen doét iets met een dier. Het schept een mentale afstand tussen de benoemer en het benoemde. Tussen subject en object. Onze voorouders kwamen steeds meer los te staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving. Alle overige dieren leven in totale afhankelijkheid van de loop der dingen. Mensen hebben op z’n minst het gevoel dat ze er macht over hebben, doordat ze er woorden voor hebben, doordat ze de dingen begrijpen. De VOAP’s-vrouwen konden het over een bepaalde plant hebben terwijl die op dat moment in het seizoen niet verkrijgbaar was. Ze grepen de plant met de (gebaren-)naam er voor. Een (gebaren-)woord is een begrip. Een naam is als het ware een handgreepje aan het ding, waarmee je het vastpakt en waarmee de ander het kan vatten, capito? Of ‘kun je er met je verstand niet bij’? De dingen begrijpen moet je vooral heel letterlijk zien.

Het geeft een gevoel van macht over de dingen. Ze konden het over een sabeltandtijger of een slang hebben zonder dat zo’n dier ook maar in de buurt was. Je kunt het ook als een aantasting zien: bij veel stammen mag je iemand niet zomaar bij z’n naam noemen: aantasting van diens integriteit. Als je bij de Yoruba de naam van de tijger hardop uitspreekt, neemt hij je diezelfde avond nog te grazen omdat je zijn integriteit hebt geschonden. het afbeelden van iets of iemand heeft ongeveer dezelfde gevoelswaarde. De Joden mogen hun god niet bij z’n naam noemen, de Moslims mogen zelfs hun profeet niet afbeelden: té heilig. ‘Heilig’ is: mag je niet aankomen, onaantastbaar.
Kleine kinderen geven hun naam ook niet makkelijk prijs. De VOAP’s verloren een beetje het respect voor de dingen. Het heeft er tenslotte toe geleid dat ze het vuur zijn gaan gebruiken.

Het stelt de VOAP’s in staat om kennis van de ene generatie door te geven aan de volgende. Kennis kon zich gaan opstapelen.

Individuele vindingrijkheid kon op één hoop gegooid worden. De VOAP’s konden brainstormen. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan.

De VOAP’s konden plannen smeden. Dit gaf hen steeds meer macht over hun mededieren, vooral toen ze het vuur waren gaan gebruiken. De VOAP’s werden de hooligans van de savanne.

Even tussendoor: waarom laat ik het met gebarentaal beginnen? Ze hadden toch ook stemgeluid?
Zeker hadden ze behoorlijk stemgeluid, want daarmee kun je in een donker regenwoud goed contact houden en niet met gebaren. Bonobo’s, waar onze vroegste voorouders het meest van weg hadden, zijn zelfs bijzonder kwebbel-achtig en communicatief. Maar het gaat nu om het bewust communiceren van namen voor dingen, en dat lukt niet met een apparaat waar je geen bewuste controle over hebt. Het stemgeluid wordt bij mensapen hersenkundig nog geheel aangestuurd vanuit het limbische systeem, een ouder en dieper hersendeel van de zoogdierhersens.

Vandaar dat de pogingen om mensapenkinderen (in de vijftiger jaren in Amerika een paar keer geprobeerd) met mensenkinderen te laten opgroeien in gezinsverband en ze zo te leren praten, van geen kant lukte, terwijl soortgelijke experimenten met gebarentaal heel aardig lukten. Want over je gebaren heb je wél bewuste controle.

Ook bij ons gaat dat hersengebied waarvan de belangrijkste kernen zijn: de amygdalae, de hypothalamus en de gyrus singuli, over onze emoties, en nog grotendeels buiten ons verstand om. Dat het vanouds ons stemgeluid aanstuurde merken we nog steeds bij heftige emoties en (plotselinge) schrik of pijn. En dat het nog steeds meedoet met ons praten is ook maar gelukkig: anders zouden onze stemmen gevoelloos, dus robot-achtig klinken.

Gebaren worden aangestuurd vanuit de neocortex (hersenschors), dus daar heb je wél bewuste controle over.
Natuurlijk is hun gebarencommunicatie vergezeld gegaan van emotionele kreten en steeds meer ook van een soort van zingen. En van niet-stemhebbende huig-, tong- en lipklanken, waar je wél neocorticale controle over hebt.
In de loop van onze specifieke evolutie is ook ons stemgeluid meer en meer ook onder controle van de neocortex gekomen: door het dansen/zingen van onze wereld. Maar daar krijgen we het verderop over.

Ik wil ook het toevallige benadrukken van dat aanwensel van die vrouwen in dat ene groepje. Wij zijn zo nadrukkelijk aanwezig in de hedendaagse natuur en we vinden het zo vanzelfsprekend dat we er zijn. Maar het begon echt als een dubbeltje op zijn kant en dat is het ook nog heel lang gebleven.
Dat we er zijn is echt toeval. Onze gebarentaal was een uit de nood geboren uitvinding, maar geen noodzakelijke. Het was geen onafwendbare, geen onontkoombare uitvinding, besef dat wel. Dus al vinden de astronomen een planeet met alle voorwaarden voor leven en zelfs voor duurzaam leven en (helemaal) zelfs voor dierlijk leven, (helemaal-helemaal) zelfs voor groepsdierlijk leven en (etc.) mensapen, zelfs dán nog is het een stomme toevalstreffer dat er een groepje mensapen tot taligheid komt en dus tot menselijke intelligentie. En naar dat laatste zijn die dwaze ETI-lui op zoek. Zelfs met subsidie (of is die nu ingetrokken?).
Maar ook voor onze existentiefilosofen moet de reële toevalligheid van ons er-zijn helder zijn.

8. taligheid

Er gebeurt iets met dieren die meer en meer hun hele leefomgeving onder (gebaren-)woorden brengen: die komen in een benoemde wereld te leven. Een ‘woordenwereld’, waarbij die soort los komt te staan, gevoelsmatig dan, mentaal, cognitief of hoe je het noemen wilt, van de echte wereld, die van de fysieke dingen. Voor mensen bestaan de dingen pas echt als ze er een woord, een naam voor hebben.
Veel filosofen hebben beseft dat de naam voor het ding iets anders is dan het ding zelf. Tot op de dag van vandaag kunnen ze er niet echt de vinger achter krijgen, zoals bleek in het gesprek met Theo de Boer dat de aanleiding voor het opstellen van de taligheidshypothese was. Ik hoop het probleem hiermee achterhaalbaar gemaakt te hebben.

Onze voorouders werden talige wezens. Daarmee bedoel ik: wezens die namen hebben voor alle binnen hun bestaan relevante dingen. Wezens die in een ‘woordenwereld’ (menen te) leven. Met bijbehorend (gevoel van) afstand tussen henzelf en hun leefomgeving. Wij leven eigenlijk in een virtuele wereld.

De VOAP’s werden daardoor ook heel andere dieren dan de natuur tot dan toe gekend had. Iets wat de sociobiologen, die geen verschil willen zien tussen de mens en de andere soorten, nu toch moeten toegeven. Hoewel het begrip taligheid toch heel wezenlijk is voor ons mens-zijn, is dat zo weinig gekend dat u het woord ‘taligheidshypothese’ maar hoefde te googelen om op deze website te komen. Raar toch?

9. Kada Gona

Dat is de naam van een zijrivier van de Awash, de grote rivier die vanuit Centraal-Ethiopië noordwaarts stroomt en uitmondt in de bottle neck van de Rode Zee. Vrijwel alle oudste hominidenfossielen en stenen werktuigen worden in dat stroomgebied gevonden. Is het nu een barre woestijn: rond 4 mjg was het een rijk bebost paradijs. Maar: geen regenwoud meer, natuurlijk, het paradijs bestond uit open bossen, langs de oevers van waterlopen en meren, en met veel open grasgebieden daartussen.

Die barre Ethiopische woestijn is evengoed wel een dorado voor paleo’s als Tim White. Die is daar al vanaf 1974 bij alle belangrijke vondsten betrokken. Hij heeft er bijvoorbeeld ook nog de beroemde Lucy-fossielen helpen vinden. Misschien nog belangrijker: hij heeft jonge Ethiopiërs gestimuleerd om zich in Amerika tot paleo te laten opleiden. Dat heeft Ethiopische paleo’s als Sileshi Semaw en Yohannes Halie-Selassie opgeleverd die ons ontstaansverhaal behoorlijk vooruit aan het helpen zijn.

Het paleo-veldwerk in zo’n woestijn is extreem moeilijk. Je moet weten waar je moet zoeken. Fossielen komen door aardkorstwerking en verwering (moessonregens en wind) aan de oppervlakte; fossielen van alle mogelijke toenmalige zoogdieren. Je moet onmiddellijk herkennen wat voor skeletrest of tand van welk vroeger dier afkomstig is. Hominidenfossielen zijn uiterst zeldzaam tussen al die andere fossielen. Je moet tegelijk ook kunnen omgaan met de schietgrage herders die in die woestijn leven, en met hun stamhoofden. Vandaar dat het zo belangrijk is dat ze zelf Ethiopiërs zijn: leren ze sneller en beter de plaatselijke talen of dialecten. Die herders zijn natuurlijk de échte kenners van het gebied en hebben er lichamelijk het minste moeite mee.

Haile Selassie, Ethiopiër van geboorte en Amerikaan qua opleiding en aanstelling, heeft resten gevonden van een der oudste hominidensoorten, te weten ardipithecus ramidus kaddaba, tweebeners die daar leefden tussen 5,8 en 5,2 mjg (gedateerd aan de twee as-lagen[17] waar kaddaba tussen gevonden is ).
Maar wat je hierboven afgebeeld ziet, zijn stenen snijwerktuigen van drie miljoen jaren later: van 2,6 mjg. Door Sileshi Semaw gevonden bij de Kada Gona-rivier. Tussen de resten van geslachte olifantachtigen en andere toenmalige graseters. Ettelijke van de fossiele botten vertonen snijsporen afkomstig van die werktuigen, en er zijn tot nu toe vijftien van die slachtplaatsen gevonden. En (nogmaals) géén fossiele resten van de maker ervan. Natuurlijk niet. De paleo’s denken aan de fossiele ap garhi, waarvan de schamele resten uit dezelfde periode en dezelfde omgeving zijn gevonden.

Voor Semaw cs lijdt het geen twijfel dat de makers van deze werktuigen mensachtigen van 2,6 mjg zijn die met die werktuigen een nieuwe niche hadden veroverd op hun concurrent-aaseters. Wanneer een dikhuid door welke oorzaak dan ook het loodje gelegd had, moesten de grote katten en de hyena’s een paar dagen wachten, tot de voor hen ondoordringbare huid (vergelijk die maar met een autoband) door de kracht van de ontbindingsgassen vanzelf openbarstte. Maar onze VOAP’s konden met deze werktuigen al onmiddellijk aan de slag!
Semaws veronderstelling wordt door geen andere paleo betwijfeld (en dat is heel bijzonder in dat wereldje!). Maar paleo’s houden het bij constateringen: Oké, 2,6 mjg waren er blijkbaar wezens die dit soort werktuigen konden maken en waren er kennelijk al van dat soort slachtplekken; en dat nemen ze dan mee.
Maar een humanosoof wil het verhaal eráchter: waarom dié wezens wél en andere, bijv. chimpansees of bavianen niét. Wat heeft die wezens zo bijzonder gemaakt dat ze tot het maken van deze werktuigen kwamen en deze unieke niche hebben weten te veroveren? Het antwoord volgens de taligheidshypothese luidt: die wezens kwamen tot dit bijzondere gedrag doordat ze het met elkaar over dingen konden hébben. Ze waren bijzondere mensapen geworden doordat ze kennis en ervaring konden uitwisselen, konden opstapelen en overdragen van de ene generatie op de andere. Twee weten meer dan één, en met je hele groep brainstormend kun je grote problemen aan. Daarom.
Wanneer je het aan zo’n paleo vraagt, zal die keelschrapen, even uit het raam kijken en dan iets opperen van ‘grotere hersenen’ – want hij is een wetenschapper en houdt zich angstvallig aan de gangbare opvattingen in deze.

10. grotere hersenen

Aarchh!! De humanosoof loopt nu rood aan. ‘Grotere hersenen!’. Die paleo tovert een stokoud konijn uit de hoed!
Denk nou toch eens zelf! Hersenen zijn voor het denken toch wat spierballen zijn voor het doen: ze zijn een gevólg, geen oorzaak. Eerst is er het gedrag, dán pas de aan dat gedrag aangepaste hersencircuits. Eerst heel veel missers met de darts, dan pas Van Barneveld.
En om het bij het stokpaardje van de gemiddelde paleo te houden: de makers van die afgebeelde professionele werktuigen hadden schedeltjes die een chimpansee-schedel nauwelijks overtroffen. De hersengroei kwam pas veel later, die was er bij de Vroege Mensen. Maar die legden daarmee bepaald geen nieuw gedrag of technologie aan de dag. Een miljoen (!) jaar dezelfde vuistbijl.
Daar kwam pas echt verandering in bij de AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen, onze naaste voorouders). Maar die hadden geen grotere schedels dan hun voorgangers. Eerder kleinere, want ze waren wat gracieler gebouwd.
De nietszeggende dooddoener ‘grotere hersenen’ of ‘gen-mutatie’ (net zoiets) wordt bedacht door iemand die nog nooit iets van een taligheidshypothese heeft meegekregen.
De ‘grotere hersenen’- of de ‘gen-mutatie’- speculeerders krijgen het trouwens moeilijk. Want de vroegste VOAP’s die zich buiten de tropen hebben verbreid (de Dmanisi-fossielen, de Flores-mens) blijken ook nog schedeltjes gehad te hebben die nauwelijks groter waren dan die van een chimpansee of een AP!
En dan dat gedraai van de paleo’s met de schedels van de NT’s (Neanderthalers). Die bleken groter te zijn dan die van ons. Waren de NT’s dan intelligenter dan wij? Nee-nee-nee, die grotere NT-schedels[18] bevatten veel simpelere breinen! roepen ze dan – zonder enige neurologische ondersteuning. Dan geldt de maatstaf ineens niet meer.

[Ik besef dat mijn betoogtrant weinig wetenschappelijk aandoet. Maar ik bén dan ook geen wetenschapper, ik ben een portrettekenaar die heel erg in paleo-wetenschap is geïnteresseerd, omdat hij een alternatief scheppingsverhaal wil presenteren voor dat achterlijke monotheïstische Adam-en-Eva-verhaal, dat nog steeds opgeld blijft doen zolang het niet door de moderne wetenschap wordt uitgedaagd. Dat mijn amateuristische betoogtrant de geloofwaardigheid van mijn poging geen goed doet, is jammer maar hopelijk weegt het vernieuwende van mijn outside the box-denken daar tegen op.]

11. vuur

Van zes mjg, het mooie ronde jaartal waarin we onze VOAP’s als hominiden (tweebenige mensapen) hun carrière laten beginnen, tot 2,5 mjg was er eigenlijk weinig aan de omgeving veranderd. Eenmaal regenwoud weg en er bosrijke savanne voor in de plaats, bleef dat zo. Maar vanaf 2,5 mjg waren, als gevolg van de constante verschuiving der continenten (krijg je andere golfstromen) er gebergten verrezen waar er voordien kusten of zelfs zeediepten waren (krijg je andere luchtstromingen), de IJstijden aangebroken. Regenwouden trokken zich nog verder terug richting evenaar en werden savannen, savannen werden woestijnen.
Het was een bottle neck situatie. Een vindingrijke en flexibele populatie overleefde; populaties die daar niet toe in staat waren stierven uit. Een van de aanpassingen heb ik al genoemd: het leren maken van betere snij- en hakwerktuigen. Een tweede aanpassing is het gaan gebruiken van het vuur.

De aantrekkelijke eigenschappen van een natuurlijke brand zijn bij alle aaseters bekend en zelfs antilopen komen er op af om aan de zoutige as te likken. Maar het feit dat de VOAP-vrouwen er een naam voor hadden, schiep voldoende (gevoel van) afstand, of respectverlies kun je misschien ook zeggen, dat één hunner op zekere dag, na het uitdoven van zo’n natuurlijke brand naderbij gekomen met haar groep, een smeulende tak naar een veilige plek sleepte, ging ‘voeden’ met droog materiaal en zo het eerste vuur maakte. De anderen stonden schreeuwend van angst op een afstandje toe te kijken wat die oma deed. Maar ze had er als kind al mee gespeeld en er al heel vaak over nagedacht. Ze wist dat je er bepaalde knollen eetbaar mee kon krijgen. Dus extra voedsel voor haar kleinkinderen! En ze hield vol. Ze stak haar graafstok door een knol en hield die daarmee lang boven het vuurtje. Toen trok ze hem terug, at voorzichtig wat van de knol. Knikte goedkeurend. Liep er mee naar haar kleindochter. Die zou dat moment nooit meer vergeten.
Waar ik echt loop te verzinnen, cursiveer ik maar.

Niet goed? Oké, dan een iets concreter scenario. Het is enkele keren waargenomen dat gorilla’s zich koesterden bij de warmte (het wordt ’s nachts behoorlijk koud op de savanne) van een na- smeulende brand of een verlaten kampvuur. Maar nooit is waargenomen dat er een op het idee kwam om het langer aan te houden met droog materiaal. Onze VOAP’s zijn, door hun verworven vermogen tot objectiveren, door hun respectverlies en hun vermogen om het er met elkaar over te hebben, dat wél gaan doen. En wel toen omstreeks 2,5 mjg de eerste ijstijd was aangebroken , het klimaat wereldwijd dramatisch koeler en droger werd en de leefomgeving van de VOAP’s verwoestijnde.
anropologistZult u vast acceptabeler vinden. Maar nu mijn vroege datering nog. De oudste sporen van een kampvuur (‘schalen’ van gebakken aarde: een lang aangehouden kampvuur ‘bakt’ de zandgrond-ondergrond[19]) en aangebrande dierenbotten dateren van 1,6 mjg. Maar ik laat ze in mijn verhaal al véél  eerder vuurtje stoken. En heeft weer met taligheid te maken. De paleo’s zijn bepaald terughoudend in de aanname van zo vroeg vuurgebruik. Ze willen harde bewijzen, zoals verbrande botten en aangebrande haardstenen. Maar kijk nou eens naar het vuurtje van die San-mensen hierbovan. Ze hebben om even wat te eten een knol uitgegraven en roosteren die. Wat denk je dat je hier over een jaar van terugvindt? Of over tien jaar? Over honderd jaar dan? En wat: haardstenen! Nergens voor nodig.

12. HE’s: talige wezens

Vanaf toen zijn onze VOAP’s het vuur gaan gebruiken, ze kregen er een veel uitgebreider en voedzamer voedselpakket door, werden groter van gestalte, de mannen werden jagers en ze verbreidden zich als Homo erectus (HE) over Eurazië. Dus: tijd voor een nieuwe naam voor onze voorouders: HE’s.
Alle andere AP-soorten hebben nu het loodje gelegd. De HE’s zijn onze enige voorouders. De vraag is: van wélke HE-populatie zijn wij, de huidige mensen, afkomstig? We zullen zien.

De HE’s zijn zich, hun vrouwen een kooltje vuur meedragend (de Pygmee-vrouwen doen dit in een vuurbestendig blad, maar er zijn verschillende andere methoden voor gezien) om bij elke stop even een vuurtje aan te leggen voor een vers kooltje) gaan verbreiden over het Afrikaanse continent, de overige AP-soorten tot uitsterven doemend. En weldra ook over Eurazië. OoAI. Dit is allemaal bekend verhaal. Het belangrijkste effect van de beheersing van het vuur wordt door alle andere Verhaalvertellers echter over ’t hoofd gezien: dat het hun taligheid enorm heeft bevorderd!

Vóór dat moment stond hun samenzijn en samenwerken nog op mensapenniveau. Overdag behoedzaam rondtrekken en voedsel verzamelen; om tegen de avond, op de overnachtingsplek van die dag aangekomen, het voedsel eerlijk te verdelen, alles begeleid met veel gekrijs en met proto-taal. En dan al gauw, ieder voor zich, een boom in klimmen om bovenin de takken bij elkaar te vlechten tot een slaapplatform, voordat het snel invallende duister dat zou bemoeilijken. De mannen namen strategische posities in en ze namen hun stenen meer naar hun nest, om nader sluipende luipaarden te kunnen bekogelen. Als je op je nest lag (ik denk dat ze er al gauw ook vellen bij gebruikt hebben, want ’s nachts wordt het ook in de tropen knap koud, en het ligt wel zo gerieflijk) kon je nog wat naar elkaar roepen maar gebarentaal werkt niet echt in het donker.
Ik bedoel: veel communicatie was er nog niet. Overdag moest er eten verzameld worden en in de tropen duurt de schemering heel kort.

Hoe anders werd deze situatie rond het kampvuur. Geen door de ter kimme neigende zon verordonneerde bedtijd meer. Hun dag werd met vele uren ‘vrije tijd’ verlengd! Uren uitsluitend voor samenzijn en communicatie.

Wát zouden ze gecommuniceerd hebben? Natuurlijk wat er in ze om ging. Bijvoorbeeld iets beangstigends wat ze die dag beleefd hadden.

buffel De plotselinge confrontatie met een buffelstier! De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, hun stenen in de aanslag, en de vrouwen waren naar een boom gevlucht en klommen er met de kinderen in. De buffel had geaarzeld: die vobo’s met hun stenen waren inmiddels berucht. Na enige ijzige seconden had de buffel zich omgedraaid en was weggelopen. Die avond bij het kampvuur was een der vrouwen opgestaan en imiteerde de dreigende buffel. Luid krijsend vielen de vrouwen haar bij. Een man stond op en deed of hij de buffel was. De andere mannen boden hun vastberaden weerstand en de ‘buffel’ week. Als eindelijk iedereen weer zat en de kreten verstomd waren, bleven de gevoelens en beelden nog doorspoken in hun hoofden en sprong een andere man op en deed de buffel opnieuw, en weer werd hij door de andere mannen verjaagd. Herhaling op herhaling, tot de een na de ander zich in zijn dierenvel draaide en ging slapen. Maar hun oren waakten: bij het geringste geritsel was iedereen weer klaarwakker en paraat[80].

De prachtige performance werd nog vele avonden met veel emoties opgevoerd. Tot hij plaats maakte voor een nieuwe emotionele belevenis.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces, ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaander heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Je maakt een gebaar dan niet helemaal af wanneer de aanzet ervan al begrepen wordt binnen de context. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.

Na het uiterst trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij], ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de VOAP’s zich nu zeer snel tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen. En onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de VOAP’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de VOAP-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al heel vroeg deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik wat alleen werkt als iedereen zich aan gegroeide regeltjes houdt.

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam. De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging.

Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaalhypothese, zou ik zeggen.

Dat dansen/zingen is overigens van wezenlijk belang: door het op deze wijze emotioneel van gedachten wisselen is ons taalvermogen gegroeid van proto-taal naar echte taal.

In de inleiding had ik het over de Time/Life-serie van 1973, en wel over het derde boek ervan De Eerste Mensen geheten. Daarmee worden de HE’s bedoeld, er wel van de tijd dat ze China en West-Europa bereikten, de kustlijnen volgend.

Volgens het daaruit geleende kaartje gingen ze echter boven de Himalaya langs naar China. En vandaar uit naar Java! Dat kan niet goed zijn. De Java-mens wordt op 1,7 mjg gedateerd (blijft omstreden, die datering, dat wel) en de bewoning van de Choukoutien-grot op zo’n 300,000 jg. Foutje dus. Aannemelijk is dat ze, de kustlijnen volgend, via India het Verre Oosten bereikten.

De HE-vondsten van Trinil en Sangiran betreffen alleen schedels en een enkel dijbeen, maar er worden geen werktuigvondsten gemeld voor zover ik weet. En dat is raar, meestal is het andersom. Dus van het gedrag van die vroege mensen weten we nog bar weinig. Maar rond 400.000 jg wordt dat anders. In de grotten van Choukoutien bestond de bodem uit een afvallaag van maar liefst 40 meter dik! As, en daar tussen de resten van prooidieren (zelfs sabeltandtijgers, luipaarden, reuzenhyena’s en neushoorns! Maar) vooral roodwild. Ze waren dus hertenjagers. Overigens dienden de grotten slechts af en toe tot verblijfplaatsen voor de jagers, en in de rest van de tijd ‘woonden’ er hyena’s of sabeltandtijgers, zo moet je dat zien. En het binnenwaaiende stof en zand hoogde de vloer in al die duizenden jaren ook op.

Terra Amata (bij Nice) is een favoriete kampeerplek voor de HE-jagers geweest en laat zien hoe hun vrouwen de hutten bouwden, van in de grond gestoken takken, van onder met stenen verstevigd en met stenen muurtjes om hun vuren af te schermen tegen de snijdende wind.
Opvallend is dat ze ook binnen in de hut scheten! In een hoek, dat wel. De versteende drollen (koprolieten) bevatten nog steeds de pollenfossielen die, op hun eten gewaaid en mee uitgepoept, de onderzoekers vertellen in welk jaargetijde die lui daar toefden: in het voorjaar (gele brem!).
In een grote hut was ook een aparte werktuigmaak-hoek! Dat doe je ook in een hoek, vanwege de wegschietende splinters.

Torralba en Ambrona zijn slachtplaatsen die verraden dat de HE’s daar generaties achtereen de kuddes olifanten en paarden opwachtten en in het nauw dreven of in een moeras. Het laat zien dat de HE’s daarin met verwante andere groepen samenwerkten. En dat ze daarbij toortsen gebruikten, daarvoor zijn de aanwijzingen ook gevonden. Evenals die voor aangepunte speren.
Op deze plekken heel veel werktuigen maar weer geen HE-fossielen. Ligt voor de hand dus.

De vroegste HE-vindplaats van deze periode is Olorgesailie, in de Riftvallei van Zuid-Kenia. Daar was halverwege de vorige eeuw door de moessonregens een HE-slachtplek aan de oppervlakte gekomen: honderden stenen werktuigen, waaronder perfecte vuistbijlen, lagen er te blinken. In de veertiger jaren ontdekt door de Leakey’s (op aanwijzing van Masai-herders) en door de helaas vroeggestorven Glynn Isaac als dissertatieproject geheel blootgelegd. Het is sindsdien de belangrijkste archeologische trekpleister van Kenia.
Een slachtplaats, van nijlpaarden, olifanten, zebra’s, giraffen en vooral veel bavianen. Allemaal van toenmalige en nu uitgestorven varianten. Datering rond 400.000 jg. De slachtplek lag toen aan de oever van een meer. Hij moet door heel veel generaties in gebruik zijn geweest, gezien de grote hoeveelheden dierenbotten en slachtwerktuigen. Maar … weer geen enkel fossiel van de makers. Natuurlijk niet: ze slachtten hun prooidieren, niet elkaar. Wanneer de paleo’s er toch een hominide-fossiel tussen aantreffen, ligt het meest voor de hand dat ze dan moeten denken aan een te grazen genomen individu van een andere AP-soort.
Hoewel de meeste werktuigen haastig gemaakte hak- en snijgereedschap is, liggen er heel zorgzaam bewerkte en fraai vormgegeven vuistbijlen tussen (waarbij je je afvraagt waarom de vrouwen ze ze zomaar weggooiden).
Terra Amata, Torralba/Ambrona, Choucoutien en Orgesailie waren al in 1973 beroemde HE-sites. Maar … vuistbijlen werden er al een half miljoen jaar eerder gemaakt! Door verre voorouders van de Orgesailie-mensen.
In feb.1999 beklom geoloog Bob Walter, met in zijn kielzog een heel gezelschap andere paleo’s, zwetend en puffend een honderden meters hoge heuvel. De plaats heet Dandero, Eritrea, en ligt zo’n 50 km landinwaarts van de Rode Zee. Uitgeput aangekomen op de top keek hij op de grond. Bezaaid met vuistbijlen! Honderden! De grootte varieerde van die van een handpalm tot die van een A4-tje.
Ook Dandero moet, met zijn eveneens honderden prooidierresten, van varkens, olifanten, krokodillen, schildpadden, paarden en antilopen, een veelbezochte slachtplaats zijn geweest. Maar dan van 1 miljoen jaar geleden! De plek, toen een meer-oever, is door aardkorstwerking honderden meters omhoog geduwd.
Kort voor de aankomst van de paleo’s waren de vuistbijlen door regen en wind bloot komen te liggen, en deels vanaf de rand omlaag gaan glijden.

Maar hoe de makers ervan uit zouden zien? Natuurlijk weer geen hominidenfossiel tussen alle dierenfossielen te bespeuren. Maar Bob Walter is er heel gerust op: “Als je de werktuigen vindt, is het een kwestie van tijd voor de makers ervan gevonden worden!”

13. vuistbijlen

Ik laat hier twee foto’s zien. De eerste van Olorgesailie en de tweede van Dandero. Zie je verschil?
Dit is de slachtplek van Olorgesailie, Kenia, bezaaid met snij- en hakgereedschap en met de vele vuistbijlen daartussen. Datering: rond 400.000 jg
Eronder zie je de slachtplek van Dandero, Eritrea, met dezelfde vuistbijlen maar dan van 600.000 jaar ouder! Zie je verschil? (behalve in inzoomen van de opname)? Er is geen enkel verschil!

Vakkundig gemaakte vuistbijlen!

Dat is echt niet zo makkelijk hoor, een vuistbijl maken. Daar komt een van generatie op generatie opgebouwde kennis over de eigenschappen van de verschillende steensoorten aan te pas, plus de opgebouwde ervaring met het werken er mee, om er je nodige gereedschap (messen en klievers) mee te kunnen maken[20]. 1 mjg wisten deze mensen dus al wat ze wilden maken en hoe dat moest. En waar ze het meest geschikte materiaal konden vinden. Ze zagen er nog steeds bepaald mensaap-achtig uit. Maar ze bezaten mentale eigenschappen die geen enkele andere soort had. Eigenschappen die tot hun geestelijke vermogen waren geworden door het kunnen uitwisselen van gedachten: door middel van namen voor de dingen.

De kennis over de stenen en de vaardigheid om er van te maken wat ze nodig hadden, behoorde evenwel al tot het geestelijke eigendom van hun ruim anderhalf miljoen (!) jaar oudere voorouders. Die leefden nota bene niet ver daar vandaan: in Kada Gona. Hun werktuigen zag je al op blz.13. Dat konden ze dus al 2,6 mjg!

Wat ons voorstellingsvermogen zo te boven gaat is die eindeloze tijd. Een heel miljoen jaar lijkt wel peanuts voor die voorouders van ons. Als wij vandaag een miljoen jaar terug kijken, wat zien we dan? Precies! Onze HE-voorouders op die slachtplaats van Dandero. Uit de kluiten gewassen bonobo’s, zo zagen ze er uit. Maar als die Dandero-mensen op hun beurt een miljoen jaar zouden terug kijken, wat zouden ze dan zien? Heel vertrouwd! Voorouders die weliswaar wat kleiner waren, maar die niet veel anders leefden dan zijzelf.

En als diezelfde Dandero’s een klein miljoen jaar (900.000 jaar) vooruit zouden kunnen kijken, zouden ze nog steeds in een tamelijk vertrouwde omgeving terecht komen! De Neanderthalers (NT’s) en hun Afrikaanse en Aziatische tijdgenoten hadden van huiden gemaakte kleren aan en ze droegen sieraden en beschilderingen. Maar ze leefden nog steeds op dezelfde manier en maakten hun gereedschap nog steeds van steen!

Een eindeloze tijd, zonder noemenswaardige verandering of vooruitgang.

Twee jaar geleden nam ik met een kameraad deel aan de Neandertal Convention in Tongeren. (Leuk, al die grote paleo’s die je alleen maar uit de literatuur kent, zie je en spreek je daar in levenden lijve. Ik ontmoette er zelfs Jane Auel, weet je wel, schrijfster van De stam van de holenbeer). Na afloop gezamenlijk bezoek, in bussen, aan naburige NT-sites. In Veldwezelt-Hezenwater werden we gewezen op de sporen van twee NT-kampen; één uit het Eemien (de warme periode van rond 130.000 jg) en één van 34.000 jg. Mijn kameraad vroeg: is er ook verschil in stenen werktuigtechniek te zien tussen die beide vindplaatsen? Antwoord: nee, geen enkel verschil!

Was dat domheid of zo van die Vroege Mensen? Welnee. Ze waren volledig in staat om gezond en gelukkig te leven in een veelheid van totaal verschillende klimaten en omgevingen. Hun economie had het niet nódig dat ze zouden veranderen. Die mensen beschouwden verandering als gevaarlijk, als verwerpelijk zelfs. En daar wilde ik het nu, met die twee afbeeldingen waar 600.000 jaar tussen ligt, over hebben.

Dat daar geen enkel verschil tussen de vuistbijlen te zien is, heeft twee oorzaken.
De eerste is dat hun samenlevingen door de vrouwen werden gedomineerd. Dat dateerde al vanaf hun mensaap-zijn. Waar chimpansee-achtigen in grote groepen leven, zijn de vrouwen de baas, zo simpel is dat. De bonobo’s staan er om bekend. De chimpansees daarentegen zijn 2.5 mjg (begin van de IJstijden) van dit patroon gaan afwijken doordat ze in overpopulatie-situaties terechtkwamen. Dus in overlevingsgevechten. En oorlog maakt mannen belangrijk. De mensen is dat pas in de laatste tienduizend jaar gaan overkomen. Sindsdien leven wij ook in een oorlogstoestand, dus in mannenmaatschappijen. Eigenlijk tegennatuurlijk voor ons.

De tweede oorzaak laat ik in de nu volgende paragraaf 14 zien en heeft alles met onze taligheid te maken.

Het lijdt voor veel paleo’s geen twijfel dat de HE’s volledig talige wezens moeten zijn geweest, gezien hun werktuig- en jachttechnieken.
Het is ook zeker dat een HE-populatie 840.000 jg Flores heeft bevolkt. Flores ligt (vanuit Eurazië gezien) over de ‘Wallacelijn’, de denkbeeldige grens die Eurazië van Australazië scheidt. Ook gedurende de strengste ijstijdperioden zijn die continenten door een brede zeestraat gescheiden gebleven. Je moet wel aannemen dat die kustbewonende HE-mensen over vaartuigen, hoe primitief ook (bamboevlotten denkt men aan) beschikt hebben alsook over inzicht in de aanwezigheid van land voorbij de einder (gezien vogelvluchten en typische boven-land-bewolking bijvoorbeeld).

Dat wij nu in een mannenmaatschappij leven maakt het moeilijk om ons een vrouwenmaatschappij voor te stellen. Toch heeft ons voorgeslacht altijd daarin geleefd. Maar de reconstructietekeningen en prehistorie-plaatjes beelden vrijwel uitsluitend mannen af. Onze voorouders zouden dat heel vreemd vinden.

14. oer- en oerconservatief

Namen voor de dingen. Het gevoel van afstand, van macht, heeft hen, als enige van alle soorten die de natuur kent, de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Het heeft gemaakt dat zij, begonnen als een volstrekt onaanzienlijk ondersoortje chimpansee-achtigen, als HE’s en met hun vuur dé dominante zoogdiersoort van de Aarde waren geworden.

Maar er zat ook een nare kant aan deze overgang op het benoemen van de dingen, aan het overgaan van het instinctgedreven handelen naar het handelen als resultaat van gezamenlijk (of inwendig) overleg. Bij dat laatste onderdruk je namelijk je instinctieve handelen, doordat je de voorkeur geeft aan het overleg en het begrijpen van de dingen. Geen twee kapiteins op het schip van je besluitname. Maar daarmee tast je wel je voorouderlijke instinctzekerheid aan. De HE’s waren hun dierlijke instinctzekerheid kwijtgeraakt, waren ‘tobbende apen’ geworden. En dat zijn we nog steeds, ook al begrijpen we vandaag onnoemelijk veel, zodanig dat we zelfs onszelf aan het begrijpen zijn.

Laat ik het anders formuleren. Zolang de fenomenen in de leefomgeving van een dier blijven in de toestand waarop zijn instincten zijn afgesteld in zijn specifieke evolutie, kent een dier geen onzekerheid. Maar de VOAP’s waren dat aan het loslaten. Terwijl hun begrijpen van de dingen nog uiterst gebrekkig was. Dat leverde hen uit aan onzekerheid. Aan getob: over dat de aarde die laatst zo boos was geweest en zo geschud had dat het hun hoofdvrouw het leven had gekost, zo weer boos zou kunnen worden. En die berg zou weer vuur kunnen gaan spuwen, ook heel beangstigend. Of dat de prooidieren van wie hun overleving afhankelijk was, niet zouden komen opdagen dit jaar. De gedachte aan ziekte en dood kon voor hen ook tobberij veroorzaken, waar dat bij normale dieren ondenkbaar is.

Met onzekerheid valt niet te leven, dus ze hebben van meet af aan mechanismen ontwikkeld ter bezwering ervan. Die zijn tweeërlei: herhalen en geloven.

Herhalen: De dingen precies doen zoals ze altijd al door hun voorouders gedaan werden: traditie, gewoonte. Hoe vroeger terug in de tijd, des te conservatiever ons voorgeslacht. De paleo’s raken niet uitverbaasd over de vuistbijl: anderhalf miljoen jaar dezelfde vuistbijl! Daar hebben we zojuist foto’s van kunnen zien. Nou, met de taligheidshypothese hebben ook de paleo’s dan eindelijk de verklaring op een presenteerblaadje: existentiële onzekerheid, dus extreme behoudzucht.
Wanneer iemand rond het kampvuur een talige bedenking voordanste, werd die door de anderen eindeloos en met veel emotie herhaald.
Maar onder herhalen valt ook: repeterende bewegingen: die maken rustgevende endorfines vrij. Denk ik onmiddellijk aan die olifant in de dierentuin die ik eindeloos zijn voorpoten zag kruisen, met bijbehorende op en neer zwaaiende kop en slurf. Ritme. Bij het dansen/zingen. Daardoor is lopen ook rustgevend. Joggen is voor joggers echt geen straf. Als je opgewonden bent, ga je ‘ijsberen’.

Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag wilt dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloven in de werkzaamheid van bepaalde uitingen of handelingen of voorwerpen: magie.
Wanneer de ene mens de baas gaat spelen over de andere, of de ene groep over de andere – maar daar is 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geen sprake van geweest – komt hier het bastion van heiligverklaring bij.

Heilig is: mag je niet aankomen of aan twijfelen. De heiligverklaring is het bastion voor de onaantastbaarheid van het geloofde. De regel is: waar je niet weet, vul je het vreeswekkende gat op met geloof. Die ‘eigengebakken’ invulling kan voor een heersende elite zo politiek belangrijk zijn dat die wordt heiligverklaard en dus tot een blokkade wordt voor het vrije onderzoek dat het vreeswekkende gat écht zou kunnen opvullen.

15. de conceptie van God en van de Grote Verhalen

Talige wezens zijn we geworden. We beleven onze wereld als een benoemde wereld, een wereld van benoemde dingen. Dingen bestaan voor ons slechts als en in zoverre we er een naam voor hebben.[21] Uit dat talig beleven van de wereld en het leven is het instinctgedreven handelen, dus de instinctzekerheid, weggedrongen. Het zat in de weg, er was een modernere kapitein aan boord gekomen op het schip van ons denken die de gedragingen vanuit onderling overleg stuurde – de instincten werden naar het vooronder verdreven.
Dat heeft ons tot ‘tobbende apen’ doen worden.
We hebben namen gekregen voor steeds meer dingen, bijvoorbeeld voor de eindigheid van de dingen, inclusief onze naasten en onszelf. Namen voor de dood. Een tor die in je wastafel is gevallen, tobt niet maar blijft proberen tegen de gladde steilte omhoog te komen … tot welk einde dan ook daar is. Een hond die aan een boom is achtergelaten, tobt niet maar blijft blaffen tot welk einde dan ook daar is. Natuurlijk kunnen ook andere hogere dieren depressief raken en alle moed verliezen, maar niet door een idee.[22]

Hoe heeft het gaan leven met namen voor de dingen ons tot religieuze dieren doen worden?

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je ze niet ‘op een rijtje’ hebt: als in die chaos geen samenhang heerst. Die samenhang ontstaat door middel van een a tot z–verhaal, dat vertelt hoe de dingen begonnen zijn en werden tot wat ze nu zijn, inclusief je eigen stam.
Ons talig geworden bewustzijn kon (en kan nog steeds) niet zonder een sluitend, dóórlopend en samenhangend verhaal waarin alle dingen inclusief wijzelf begrijpelijk samenhangen. Wie ben ik, wat is mijn plaats in het geheel der dingen en waar moet het met mij naar toe? Wanneer we daar geen duidelijkheid over hebben, leven we niet lekker. Wanneer er geen verhaal heerst in onze omgeving waarin ons eigen bestaan past, dan maken we ons eigen verhaal – maar omdat we sociale wezens zijn, is dat is fragiel en onbevredigend wanneer of zolang of in zoverre het niet door een gemeenschappelijk verhaal wordt ondersteund.

Een verhaal ordent de werkelijkheid[23].  Een scheppingsverhaal ordent voor mensen wat ze als de werkelijkheid ervaren: hun woordenwereld.  Elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal, om greep mee te houden op de veelheid van namen voor de dingen. Geen stam die het ooit zonder heeft kunnen of hoeven stellen. Hoe kwamen onze voorouders er aan en hoe zagen die Verhalen er oorspronkelijk[24] uit? Dat gaan we nu zien.

Onze voorouders verbreidden zich over Eurazië. Dat verbreiden ging heel langzaam. Waarschijnlijk gedicteerd door de trek van hun favoriete prooidieren en die hun trek weer door de veranderende omstandigheden.
Als een stam te groot werd, rezen er spanningen en dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet al te ver weg, want je bleef elkaar nodig hebben. Maar dat groepje eerste ‘kolonisten’ waren wel de eerste mensen die in dat nieuwe gebied (nog ‘woest en ledig’, want nog onbenoemd) de dingen hun namen gaven. Voor talige wezens zijn de dingen er pas áls en in zoverre ze er een naam voor hebben. Door de dingen van dat nieuwe gebied een naam te geven, ‘riepen’ ze de dingen ‘in het bestaan’. (“In den beginne was het Woord.”) Voor hun nakomelingen waren zij, in het spraakgebruik als groep tot één figuur samengetrokken (zoals wij nog steeds graag spreken over ‘de Mof’ of ‘de Jap’ of ‘de Amerikaan’): de Grote Voorouder. Het proto-type van de latere Godsfiguur. Alle stammen kenden hun Scheppende Voorouder-figuur.

Het Scheppingsverhaal vertelt hoe de Grote Voorouder in de Droomtijd het stamgebied was binnengekomen en op zijn weg alle belangrijke dingen (de vruchtbomen, de bergen en rivieren, de vissen en de moerassen, de kloven en de noem maar op) geschapen had. Veel van die belangrijke dingen werden ook belangrijke Figuren in het scheppingsverhaal. Dit Verhaal dansten/zongen ze bij elke gelegenheid, en ze hadden ook het gevoel dat ze al dansend/zingend hun stamwereld telkens opnieuw in leven riepen, schiepen, en dat die zou ophouden te bestaan als ze hun wereld niet langer zouden dansen/zingen. Alle plekken waar de Grote Voorouder (nooit een man of een vrouw en dat klopt, het was een groep) zijn sporen had achtergelaten: een berg of een bron of wat dan ook, waren heilige plaatsen, mochten niet dan met de vereiste gebeden en schroom betreden worden.

Ik ben op het idee van deze gang van zaken gebracht door De clan van de Wilde Honing (Haarlem 1996) van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom. De Aboriginals van Arnhemland hebben hun Scheppingsverhaal van de Grote Voorouder Jareware waarmee ze hun wereld onder controle hadden en hielden, tot nu toe ongerept bewaard. Maar de ouderen beseffen dat hun jongeren door de moderne tijd worden beïnvloed en dat die het zullen verwaarlozen en vergeten. Daarom kwam de Nijmeegse onderzoeker voor hen als geroepen: die zou hun Verhaal en hun gezangen op schrift kunnen vastleggen en zo aan de dreigende vergetelheid ontrukken. En ze adopteerden hem in hun stam. Borsboom heeft zich zo goed als hij kon van zijn taak gekweten en doet dat nog steeds. Het bijzondere van het Scheppingsverhaal van de clan van de Wilde Honing is dat het voor een onderzoeker zo herkenbaar valt terug te voeren op de vroegste kolonisatie van Australië, zo’n 60.000 jaar geleden.

16. religieuze wezens

Het leven van onze voorouders draaide rond het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal. Ze hadden het gevoel dat ze er hun wereld mee in stand hielden en dat deze zou ophouden te bestaan wanneer zij die niet langer zouden dansen/zingen. En dat is eigenlijk ook zo, want het was een woordenwereld. Vooral voor de vroege mensen was hun talige bewustzijn een hachelijke beleving die met eindeloos herhalen van het scheppingsverhaal bevestigd en in stand gehouden moest worden.

Het is te begrijpen dat het tienduizenden generaties lang onze wereld op deze wijze dansend/zingend beleven zijn sporen heeft nagelaten in onze wereldbeleving. Als een overerfelijke neiging. Kindjes komen nog steeds ter wereld in de verwachting dat hun moeder een verhaal danst/zingt. Als baby huilt, neemt mama het op en dan gaat ze er zachtjes dansend/zingend mee ronddienen. Baby wordt stil en lacht: kent het ‘ergens’ van. Onze wereld beleven in een gemeenschappelijk gedanst/gezongen Scheppingsverhaal zit de mensen als het religieuze gevoel in het bloed. Ook al zijn we sinds we vijfduizend jaar geleden meer en meer in klassenmaatschappijen komen te leven, waarin de scheppingsverhalen van de afzonderlijke stammen plaats hebben moeten maken voor het Grote Verhaal van een Eenheidsgodsdienst. Hoe dat ging, vertel ik in mijn tekst “Bestaat God?” (gewoon ‘bestaatgod’ googelen).

In onze dagen is er van de oorspronkelijke scheppingsverhalen van de stammen evenals van hun talen weinig herkenbaar gebleven. Alleen de behoefte om de werkelijkheid in verhalen te vatten is gebleven, daar worden we mee geboren. Maar om die behoefte te bevredigen is elk verhaal wat je graag hoort al gauw goed genoeg… en je kunt er je naasten mee manipuleren, je kunt ze heel wat op de mouw spelden. Tobbende apen zijn we.

17. talig bewustzijn

Niet alleen filosofen, ook neurologen breken zich het hoofd over het bewustzijn. Ook voor hen schept de taligheidshypothese, het uitgaan van hoe onze vroegste voorouders tot talige wezens werden en wat dat met die mensapen deed, duidelijkheid. Bewustzijn in de vorm van zelfbewustzijn is niet uitzonderlijk in de dierenwereld: dat is bij een aantal hogere soorten zoals chimpansees en dolfijnen aangetoond.[25] Talige wezens, bij wie er die gevoelsmatige afstand tussen de benoemer en het benoemde, tussen subject en object ontstond en die in een ‘virtuele’ woordenwereld kwamen te leven, werd het ‘zelf’ gevoelsmatig deel van die ‘virtuele’ wereld. We kregen een talig bewustzijn. Een (zelf)bewustzijn waarin we de dingen, inclusief ons zelf, beleven binnen een woordenwereld, een wereld van benoemde dingen.

Maar altijd is het gevoel blijven leven dat onze ‘woordenwereld anders is dan de echte, en dat we in een ‘virtuele’ wereld leven, anders dan onze mededieren. Vooral toen we nog VJ’s (Verzamelaars/Jagers) waren en we onze wereld nog gevoelsmatig deelden met onze mededieren, waren onze voorouders zich bewust dat er iets was dat hen van de onbekommerde (niet-tobbende) dierenwereld gescheiden hield en waren daar nostalgisch over. Ze hadden het gevoel dat ze in hun dromen soms weer terug keerden in die vroegere wereld, de Droomwereld, de tijd dat de Grote Voorouder de wereld schiep en de dieren ‘nog konden praten’. Dit gevoel van een ‘verloren paradijs’ is 10.000 jg bij de op landbouw overgaande groepen natuurlijk versterkt (afscheid van het voorouderlijke vrije en gelukkige VJ-leven) en in veel der latere religies kreeg de nostalgie velerlei vorm. De godsdienstpatriarchen konden er de worst van een hiernamaals mee bereiden, waarin het verloren paradijs je beloning voor braafheid werd.

De monotheïstische ideologieën van judaïsme, christendom en islam. collectivistische en dus politieke systemen,  parasiteren op de aangeboren religieuze gevoelens van de gelovigen. Je moet ‘godsdienst’ en ‘religieus gevoel’ uit elkaar houden als je het over religie hebt, anders wordt je betoog ook voor je zelf een ondoordringbare jungle.

Voor de denkers van de beschavingen was het verschil tussen onze woordenwereld en de fysieke wereld een favoriet onderwerp van bespiegeling. En nu zijn onze neuropsychologen er vreselijk druk mee. Maar zo moeilijk is dat toch niet? Het komt gewoon doordat onze voormoeders namen voor de dingen bedachten. We hebben gewoon een talig bewustzijn.

Denk er om dat, vooral voor onze vroege voorouders, dat talige bewustzijn maar een hachelijk bordpapieren vlierinkje was waarop ze meenden te leven. ‘Gebouwd’ boven op hun normale mensapenlijke zelfbewustzijn. Het is éen der beide oorzaken van hun oerconservatisme (een dik miljoen jaar hetzelfde ontwerp vuistbijl!). De andere is dat hun samenleving door de vrouwen gedomineerd werd[26] (voor vrouwen zijn er belangrijkere dingen dan verandering: wanneer iets ‘werkt’, mag dat zo blijven).

Als u het er mee eens kunt zijn dat ik hier een zinnige uiteenzetting aan het geven ben, moet u het toch ook raar vinden dat ik niet naar een taalkundige kan verwijzen, en dat wanneer u het woord ‘taligheidshypothese’ googelt, u meteen op mijn tekst belandt? Evengoed wel lekker makkelijk.

18. religie

Het dansen/zingen van het scheppingsverhaal van hun wereld is voor onze voorouders altijd het belangrijkste en kostbaarste element in hun bestaan geweest. Hun hele leven draaide er om. Ze leefden naar de avond toe, en ze maakten zich mooi, met bloemen en veren en stokjes door neustussenschot, oorlel of lip. Hun wereld was het stamgebied: voor primitieve mensen houdt de wereld buiten hun stamgebied gewoon op en zijzelf, de leden van hun stam, zijn ook de enige mensen; vreemden (bijv. antropologen!) zijn voor hen geen mensen, want ze kunnen niet eens praten! Ze kunnen het hooguit een beetje wórden, als iemand zo’n vreemdeling adopteert aan haar haardvuur.

Dat ook de vroege mensen zo hun wereld beleefden, althans die in het Europa van het Reinsdorf-interglaciaal, de warme tijd tussen 400.000 en 350.000 jg, daarvoor heb ik een intrigerende aanwijzing gevonden. In Bilzingsleben is in een travertijn-afgraving (travertijn is een kalksteen die nogal gewild is als sierbouwmateriaal en waar een dikke afzetting zich daar sinds 350.000 jg gevormd heeft) een HE (Homo erectus)-kampplaats bloot gekomen, met de resten van drie hutjes en … een dansplaats! Althans, het is een min of meer geplaveide plek die de onderzoekers zeer intrigeert en die ik als dansplaats interpreteer[27].

Als wij met concrete dingen bezig zijn, met ons werk of onze studie, gebruiken wij ons verstand, ons begrijp-vermogen; zijn we uit op het bedenken van oplossingen voor problemen. Maar zodra wij mijmeren beleven wij de wereld en het samenleven religieus: als omsponnen door een zingevend iets, een verhaal. En al helemaal wanneer wij ons ‘laten meeslepen’ door muziek of om het even welke andere ‘meeslepende’ ervaring.
Weer bij zinnen komend vragen we ons soms af hoe zo’n ervaring in te passen is in je bewuste ‘verhaal’. Vroeger was daar dan de met velen gedeelde godsdienstige invulling, het van jongs af geïndoctrineerde ‘verhaal’. Vandaag wordt die oude invulling door onze omgeving niet meer gedeeld en werkt dus niet meer; maar is er ook geen nieuwe zingevende vulling.
Je kunt wel zelf wat gaan bedenken, maar voor een sociaal wezen is het pas zingevend wanneer het een gemeenschappelijk verhaal is. 99,5 % van ons mens-zijn hebben we de wereld immers zo beleefd.
Het is een gat dat onze filosofen laten gapen. Postmodern geworden volstonden ze met het (terecht) juichen over het verdwijnen van de oude Grote Verhalen. Maar zonder te beseffen dat we nog steeds mensen zijn en dus niet goed kunnen samenleven met Nix.
Eigenlijk is die verhaalloosheid een noodtoestand, want daar zijn we als mensen niet op ‘gebouwd’ in onze specifieke evolutie. Een boel dingen gaan dan ook niet goed. Dat onze bankiers gewetenloos geworden zijn, bijvoorbeeld, valt op de verhaalloosheid van ons samenleven terug te voeren. Als er geen Verhaal heerst in je samenleving,heb je NIX meer met elkaar te maken,en ga je je eigen naad naaien. Ieder voor zich, en de overheid voor ons allen, Dat werk. Nou, en als je dan bij ‘het grote geld’ kunt, We gaan hier verderop uitgebreider op in. Hier wilde ik graag vastgesteld hebben dat het religieuze gevoel behoort tot ons talige wezens-zijn, tot onze menselijke natuur.

19. de menselijke natuur

Ook daarover heerst misverstand en onwetendheid alom, vooral in de filosofie. Met name onder cultuurpessimistische filosofen. Zo roept rechtsfilosoof Andreas Kinneging al jaren: “De mens is van nature een woeste barbaar, die zonder bedenken moordt en rooft.” Hij meent zijn stellingname door voldoende feiten uit de oude en recente geschiedenis ondersteund te weten en voelt zich ontslagen van de filosofische plicht tot kennisname van de hedendaagse groeiende inzichten in deze. Hij wordt door weinigen bijgevallen zijn boude karakterisering van de mens, maar ook niet tegengesproken – bij gebrek aan grond om op te staan. Toch valt er met even groot gemak een vloed aan tegengestelde feiten aan te voeren.
Antropologen, en ethologen helemaal, gruwen van zijn corpsballerig geponeerde frase die teruggrijpt op de zeventiende-eeuwse Hobbes. Maar een gedegen antwoord op zijn protserige stellingname heb ik ook ven hen niet mogen vernemen.

Nuchter bekeken is de menselijke natuur drieërlei, oftewel een drietrapsraket.

Eerste trap: we zijn een vorm van leven. Bij primitieve levensvormen zoals het rondwormpje C. elegans[28] (onze aller-aller-allervroegste voorouders!) heerst de ikke-ikke-naruur van Kinneging nog oppermachtig. Dan gaat het uitsluitend om het graaien van zoveel mogelijk energie uit je omgeving ten behoeve van eigen instandhouding en voortplanting, in niets ontziende concurrentie met levensvormen die van dezelfde bron leven, soortgenoten incluis.

De tweede trap is die van het groepsdier-zijn. Een groepsdier slaagt er beter in om zoveel mogelijk energie te halen uit zijn omgeving ten behoeve van eigen instandhouding en voortplanting door deel uit te maken van een groep dan dat het dat alleen zou moeten doen. Hoe sterker de groep, des te welvarende het individu binnen die groep. Dat betekent dat het individu een behoorlijk deel van zijn ikke-ikke-natuur moet ‘inleveren’ voor de harmonie – dus kracht – van de groep. Twee zielen strijden in de borst van het groepsdier. Hoe kan het daar mee omgaan? Door sociale gevoelens te koesteren. De groep waarin de individuen daar het best in slagen, doet het beter (is sterker) dan de groepen die daar minder van terecht brengen. En zo selecteert sociaal gedrag zich in de evolutie uit[29].

Maar evengoed blijft de ikke-ikke-natuur zijn rol meespelen. Waar en zolang de groepsharmonie het kan hebben, strijden de individuen om de beste plek, het meeste voedsel en de beste sekspartner. Dus om de hoogste status in de groep. De groep profiteert hier ook van: de besten (= de best aan de veranderende omstandigheden aangepasten) paren met de besten en brengen zo de beste nakomelingen voort.

De derde trap is die van het mens-zijn. De hachelijke soortvreemde nieuwe leefomgeving van onze vroege voorouders dwong hun groepjes tot opperste harmonie en samenwerking. Dus tot het onderdrukken van de statusgevechten. Het verdwijnen van de mensapenslagtanden en andere fysieke veranderingen waar in het voorgaande op is gewezen, spreken voor zich. Het harmonische is in de loop van miljoenen jaren uitgeselecteerd het meest leefbare in een hachelijke leven op het bestaansminimum.
Mensen zijn hypersociale wezens geworden. Maar ze dragen behalve de neiging tot het hypersociale van hun ‘recente’ twee miljoen jaar oude geschiedenis ook de erfenis van de tweede trap, hun twintig miljoen jaar oude mensapengeschiedenis in zich, én de erfenis van de eerste trap: de primitieve overlevingsneiging van hun 900 miljoen jaar oude dierenlevengeschiedenis. Daar vallen de topverdieners met hun ‘graaien’ in terug, om maar een voorbeeld te noemen, wanneer in de samenleving het bindende ‘verhaal’ is verdampt en de filosofen er geen nieuw (en beter) voor in de plaats hebben bedacht.

Die eerste trap, de ikke-ikke-natuur van Kinneging, doet zich vooral onverbloemd gelden in panieksituaties[30].
Ze speelt ook keihard op in de tweede trap: de groepsdier-natuur, wanneer de groep in haar voortbestaan bedreigd wordt door een vreemde groep die het territorium van de groep is binnengedrongen. Ikke-ikke als groep.
Deze vreemdelingenhaat of –angst (zo zie je hoezeer dit hetzelfde is) speelt ook zijn rol bij de hypersociale mensengroepen.
Een voorbeeld daarvan draag ik al decennia lang mee in mijn mensbeschouwing en dat wil ik u hier niet onthouden. (Ditmaal is het cursieve niet om aan te geven dat ik het verzin, maar om aan te geven dat het een citaat-weergave is.)

Het gaat om een onderzoeker (of missionaris? toevallige gast?) bij een indianenclan (misschien de Montaignais-Nascapi, die in het noordoosten van het huidige Quebec wonen?). Zulke aardige mensen, je houdt het als westerling niet voor mogelijk. Zo respectvol voor iedereen en voor hun kinderen. De bezoeker kwam er niet over uitverbaasd.
Op zekere dag meldden de mannen dat er vreemden in het noorden van hun gebied gesignaleerd waren en dat ze er dus even heen moesten. Of de bezoeker zin had om mee te gaan. Nou, zeker, graag, hij was er altijd tuk op om wat te leren.
Toen ze het kamp van de vreemden naderden werd het beslopen. Het bleek dat de mannen ervan op jacht waren. Nu werd het kamp overvallen en alle aanwezigen, vrouwen kinderen ouden, meedogenloos afgeslacht. Een meisje kroop in radeloosheid op de versteend toekijkende bezoeker toe, om hulp.
“Ach, wil je haar nog even neuken, witte?” vroeg een behulpzame clangenoot. “Wacht, ik zal ze even voor je vastzetten.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

Vanaf toen begreep ik dat wij heel sociaal zijn, maar alleen ten opzichte van mensen die wij als medemensen zien. De ‘indringers’ waren voor die leefgroep geen medemensen. Niet eens mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild dat je heel nodig moest uitroeien. Ik begreep ook dat dit afschuwelijke gedrag hen niet minder sociaal maakte maar dat het van overlevingswaarde was: er kan maar één clan leven van een jachtgebied. Er is voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden. Het verhaal is ook leerzaam als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat in een oorlog sociale jongens tot nietsontziende mensendoders gemaakt kunnen worden en tot de grofste mensenrechtenschendingen kunnen worden aangezet: dan treedt het mechanisme van mijn gruwelverhaal in werking.

20. AMM’s (Anatomisch-Moderne Mensen)

Onze taligheid begon met gebarentaal, omdat mensapen geen bewuste controle kunnen hebben over hun stemgeluid. Maar dat betekent niet dat de stem bij hun communicatie ongebruikt, dus stil bleef, in tegendeel. Want je emoties uit je vooral met je stem. Bonobo’s kwekken en kwieken de hele lieve dag, en onze vobo’s zullen zich niet minder onbetuigd gelaten hebben. Maar het met elkaar hébben over dingen kon alleen nog met hun handen. Evengoed is gebarentaal bepaald onhandig met je handen vol, of in het donker, of om een hoekje. Dus is er van meet af aan een ‘druk’ geweest om ook het stemgeluid zo betekenisdragend mogelijk te laten zijn en te voorzien ván (te doen begeleiden mét) geluiden die ze wél bewust konden produceren. Ze lieten hun gebaren vergezeld gaan met lip- en blaasgeluiden, tong- en huiggeluiden, hijg- en gromgeluiden. Ik denk dat deze (of dat soort) geluiden al heel gauw deel uitgemaakt hebben van het woordvormingsgereedschap.

Je moet hier ook bij bedenken dat hun dagelijkse routine was: onderweg zijn van het vorige basiskamp naar het volgende. Ze verbleven vaak maar kort op één plek, en ze legden op die manier een vaste trekroute af in een uitgestrekt gebied, dat ook door andere clans op dezelfde manier doorkruist werd. Op vaste kruispunten wachtten ze elkaar op en dan was het feest: uitruil van kennis, bijzondere goederen of planten, en soms stapte een meisje over als ze een leuke jongen gevonden had.
Een seizoensgebonden routine, ik heb ergens een plattegrond van dergelijke routes van San-mensen. Die trektochten werden zingend afgelegd (nog steeds kennen wij marsliederen en als je ooit de Vierdaagse meegelopen hebt, weet je waar ik het over heb). Vandaar dat die van de Aboriginals ‘zanghroutes’ worden genoemd, omdat ze daar tot in onze dagen bekend zijn geweest.
Waar het hier om gaat: onderweg hebben zowel vrouwen als mannen hun handen vol. Dus is er een druk op het met geluiden communiceren.

Ik behandel de theorie omtrent de mensentaal uitputtender in mijn tekst “Over ons Taalvermogen en ons Bewustzijn” , maar hier moet ik ook wat over de woordvorming zeggen. Want onze voorouders zijn pas echt talige wezens geworden toen ze in een woordenwereld kwamen te leven, en dat gebeurde pas toen ze beschikten over een onbeperkte woordenschat.
Maar hoe vorm je die?
Ik vergelijk dat met de vorming van het schrift. Zoals de handgebaarde communicatie lange tijd beperkt gebleven is tot enkelwoordige mededelingen als van een kleuter (MAMA – POEP = Mama, ik moet heel nodig; OPPE KOP= ik wil graag op Papa’s nek zitten; etc), zo bestond het primitieve schrift uit enkelwoordige aanduidingen, waarmee mededelingen hooguit de vorm van een rebus kregen. De doorbraak naar zinnen, wetten, brieven en verhandelingen kwam met het ontstaan van het alfabet. Met tekens dus voor de samenstellende woorddelen (lettergrepen), en al snel ook tekens voor de afzonderlijke klanken binnen de lettergrepen. Lettertekens dus. Met die lettertekens kon een onbeperkt aantal woorden worden weergegeven.
Hetzelfde speelt zich af in onze spreektaal. Daarin heten de samenstellende spraakklanken-lettertekens fonemen (dus de f, de o, de n, de ee en de m, waarmee je behalve [foneem] ook [een mof] en [of neem] kunt vormen).
Maar … ons taalvermogen begon met gebarentaal. Welnu, ook de gebarentalen van de doven kent diezelfde samenstellende gebaren-lettertekens: cheremen. 19 handvormen (bijv. de wijzende hand), 12 handplaatsingen (bijv. tegen de wang) en 24 handbewegingen (bijv. op en neer). Samen 55 cheremen, dus ongeveer evenveel als het gemiddelde alfabet.

Wanneer laat ik de ‘doorbraak’ van enkelwoordige mededelingen naar de onbeperkte woordenschat, de zinnen en de zinsbouw (grammatica) plaatsvinden? Wel, daarbij denk ik aan de beheersing van het vuur en het dansen/zingen van het scheppingsverhaal rond het kampvuur elke avond. Want vanaf dat ‘moment’ (moet je wel heel ruim nemen) verruimde zich de gelegenheid tot communiceren enorm.
Hetgeen wil zeggen dat ik er van overtuigd ben dat de HE’s (Homo erectus-sen) op die dansplaats in het Bilzingsleben van de Reinsdorf-tijd, de HE’s van Terra Amata en van Torralba/Ambrona, en die van Choukoutien, allemaal in diezelfde warme periode, al volledig talige wezens waren. De ‘eerste mensen’ dus, zoals ze door de wetenschapsschrijvers van de Time/Life-serie van 1973 al genoemd worden.
Waarom staan die ‘eerste mensen’ dan toch nog als stupide wezens te boek bij conservatieve paleo’s? En in films zoals Quest for Fire (1981). Paleo’s hadden aanvankelijk zelfs grote moeite hebben met de werpspiezen die uit die vroege tijd en omgeving (Schöningen) in een bruinkoolgroeve tevoorschijn gekomen zijn? Die werpspiezen werden aanvankelijk door sommigen hunner als ‘sneeuwsondes’ beschouwd (om in de sneeuw te prikken en dan aan de punt ruiken of er misschien een dood paard of zo zou kunnen begraven liggen!)

Een reden voor deze lage dunk was zeker het aanwijsbare oerconservatisme dat zou blijken uit het feit dat die vuistbijl in zeker een miljoen jaar geen enkele verandering of vooruitgang te zien gegeven heeft. Maar de echte oorzaak van het wanbegrip is natuurlijk dat de paleo’s niets weten van de taligheid van onze voorouders en hoe die hen geestelijk en in gedrag bepaald heeft – en die ook dat oerconservatisme van de HE’s verklaart. Zoals ik dat heb gedaan in het paragraafje ‘tobbende apen’.

Verder nu met de AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen, onze soort). (Die oude aanduiding Homo sapiens verwerp ik omdat die teveel suggereert dat de Vroege Mensen niet ‘sapiens’ zouden zijn geweest.)

Ook de ‘modernste’ HE-varianten, de Neanderthalers (NT’s), waren nog steeds voornamelijk gebarentalig. Dat valt, behalve uit het feit dat ze het hebben afgelegd tegen de brutalere AMM’s, ook af te leiden uit hun korte nekken. Hun gestalte had nog steeds wat van het gedrongen mensapenfiguur, dus behalve die oerkracht ook nauwelijks nek. Nu is voor het communiceren met je stem behalve een brede tongwortel (voor de vorming van nogal wat medeklinkers) ook een grote keelholte (voor de vorming van de klinkers) nodig, en die krijg je door een standaard-ingedaald-zijn van je strottenhoofd. Dat moet ik uitleggen.

Paarden kunnen een hele emmer water leegdrinken zonder dat ze tussendoor op adem hoeven te komen: ze ademen intussen gewoon door via hun neusgaten. Honden idem dito. Baby’s idem dito (heb je wel eens een baby de fles mogen[31] geven? nou, is je toen niks opgevallen? mij wel). Baby’s worden nog steeds als NT-tjes geboren, met van die korte nekkies. Het geheim is dat bij dieren, inclusief onze ‘voormoderne’ voorouders en onze ‘moderne’ baby’s, ademen en slikken nog via gescheiden wegen ging/gaat. De luchtpijp eindigde normaal in de neusholte, en alleen bij schreeuwen kwam die in de keelholte. Wat onze ‘voormoderne’ voorouders betreft, dus ook bij het zingen.

De NT’s hadden korte en gedrongen gestalten, aangepast aan de kou van ijstijden. Maar hun Afrikaanse tijdgenoten waren aangepast aan de tropische hitte, waarin je met een lang en slank postuur de warmte makkelijker afvoert. Dat betekent ook: langere nekken. Voeg hierbij nu de drang om je stem een steeds grotere rol te geven bij het communiceren en vooral bij het dansen/zingen van het scheppingsverhaal. Dan worden die ‘Niloten’ met hun lange, dunne nekken de uitgelezen kandidaten voor het ontwikkelen van het vermogen alleen met hun stem te kunnen communiceren – met een steeds ondergeschiktere rol voor de gebaren, die uiteindelijk verwordt tot communicatie-ondersteunende gesticulatie – waar het voordien net andersom geweest was: toen had het stemgeluid een slechts ondersteunende functie.

Die ‘Niloten’ zijn inderdaad onze directe voorouders geworden. Alle nu levende mensen zijn hún nakomelingen. Zij werden de AMM’s: de Anatomisch Moderne Mensen.

Onwillekeurig heb ik met mijn ‘Niloten’-verhaal het beeld van lange en slanke MANNEN opgeroepen. Maar natuurlijk was het weer een VROUWEN-utvinding!. Het waren de vrouwen die vooral het dansen/zingen van het scheppingsverhaal begeleidden en genezings- en bezweringsmagie beoefenden. Vrouwen zijn verzamelaarsters, en bij het verzamelen kun je maar beter veel lachen en geluiden laten horen: dan maken gevaarlijke reptielen en andere dieren zich tijdig uit de voeten. Maar mannen besluipen onhoorbaar hun prooien en geven bij gewenste communicatie natuurlijk de voorkeur aan gebaren. Het is onder antropologen bekend dat gebarentaal ook vandaag nog belangrijk is in de jachtmagie. En in rituelen.

Wat heeft de AMM’s superieur doen worden ten opzichte van de ‘voormodernen’?

Het kunnen ‘praten’ (communiceren met alleen je stem) … dat dóet iets met die mensen die tot dan toe gebarentaalsprekers waren geweest. Gebarentaalsprekers kunnen onmogelijk liegen. Dat komt omdat je met gebarentaal – een uitgewerkte vorm van gewone dierlijke lichaamstaal – je hele lichaam en mimiek gebruikt. Het is ondoenlijk om al die daaraan te pas komende spieren en spiertjes onder bewuste controle te krijgen en te houden. Daar begin je niet eens aan: je gespreksgenoten zijn getrainde waarnemers van zelfs de geringste spierexpressie.

Ze waren VJ’s (Verzamelaars/Jagers, daarover zodadelijk), dus met volledig respect voor elkaar. Ze kwamen niet eens op het idee om de ander voor het lapje te houden.
Met een uitgestreken smoelwerk kun je dat echter wél: liegen.
Het is niet zo dat de eerste AMM’s daar nou een gewoonte van maakten, om elkaar te bedonderen. Maar het feit dat ze het kónden, maakte hen anders. Maakte hen een ietsje individualistischer. Ietsje losser van de starre conventies die de ‘tobbende apen’ tot dan toe in hun greep gehouden hadden. Het heeft gemaakt dat de AMM’s minder star vasthielden aan manieren van gereedschappen maken en aan de daarbij te gebruiken materialen.
Qua tijd spreken we voor de overgang naar AMM’s over 100.000 jg. Voor het eerst verschijnen er in het archeologische archief bewerkte werktuigen van been[32] en ivoor. Speerpunten met weerhaken bijvoorbeeld, die vallen van steen niet te maken. Met geweerhaakte speerpunten kun je vis speren. Veel meer vis en andere waterdieren dan mosselen verschijnen in het archeologisch ‘keukenafval’. Een niet geringe uitbreiding van het menu is het gevolg.

Uitbreiding van het menu brengt uitbreiding van de populatie met zich mee. De AMM’s waren ook zelfverzekerder en brutaler dan de ‘voormodernen’. Uitbreiding van populatie brengt spanningen mee tussen leefgroepen die grenzen aan hun wereld beginnen te voelen. Vrouwen krijgen dan behoefte aan weerbare, dus gewelddadigere, mannen. Een mentaliteitsverandering die geheel nieuw was in een mensheid die tot dan toe slechts op de rand van uitsterven geleefd had en voor wie de wereld geen grenzen kende.

Ik denk – en dit is nu echt hypothetisch want ik heb er nog geen aanwijzingen voor in het archeologische boek voor gevonden, ook nog niet systematisch naar gezocht, moet ik bekennen – dat de AMM’s als eerste mensen op de grenzen van hun wereld gestuit zijn. Dat zij de eerste mensen zijn geweest, na 99,4 % van de tijd dat ze als soort bestonden, die zich als groep teweer moesten stellen tegen een andere groep in hetzelfde leefgebied. Van één leefgebied kan maar één groep leven. Dringt een andere groep in je leefgebied op, dan wordt het vechten voor de overleving van je groep. Het kernwoord hier is overpopulatie. De leefsituatie van de chimpansees, tegenover die van de bonobo’s! De leefsituatie van het gruwelverhaal dat ik vertelde van die aardige indianenstam.
Dan gaan de vrouwen de gewelddadigheid in hun mannen aanmoedigen. Mijn veronderstelling dat de eerste vormen van machisme, de mannelijke dominantie, zich bij de Afrikaanse AMM’s hebben voorgedaan, is gegrond op het feit dat je machisme bij vrijwel alle culturen wereldwijd (allemaal zijn we AMM’s) op z’n minst in geringe mate aantreft en je nergens meer de door vrouwen gedomineerde VJ-cultuur aantreft. Ook niet bij San-volkjes van de Kalarahi, de oudste overlevenden van de oorspronkelijke AMM’s van Afrika, die in deze tekst nog al eens als voorbeeld van de vredigheid van ons verre voorgeslacht figureren. En niet bij de Pygmeeën, die bijna even oorspronkelijk zijn als de San.

Het alom verbreide machisme kan natuurlijk ook voortkomen uit het feit dat voor alle culturen wereldwijd er grenzen zijn aan de leefgebieden ervan en dat voor geen enkele leefgroep, ook niet voor de San en al helemaal niet voor de Pygmeeën, de wereld meer eindeloos groot is.

Ik ga er van uit dat het niet uit luxe is dat de AMM’s zich over de hele wereld zijn gaan verbreiden. Een leefgroep splitst zich pas wanneer die te groot, dus onleefbaar wordt. Emigreren doe je niet voor de lol.

In betrekkelijk korte tijd verdwijnen de ‘voormodernen’ van de wereld en migreren AMM-groepen in een paar golven vanuit Afrika naar Eurazië. De eerste ‘golf’ Out of Africa , afgekort tot OoAII-a – de eerste OoA was immers die van de HE’s –  migreert al 120.000 jg via Palestina richting Verre Oosten, via India naar China , waar ze zich een beetje vermengd hebben met de Denisova-mensen (een soort Oost-Aziatische NT’s). Want een verder zuidwaartse stroom, die uiteindelijk 60.000 jg Australië en Tasmanie zal bevolken, droeg nog wat van dat Denisova-DNA met zich mee, wat de overige AMM’s niet hebben.

74.000 jg ontploft een supervulkaan: de Toba, op Sumatra. Zoiets komt gelukkig maar eens in de paar honderduizend jaar voor, want het betekent een wereldwijde catastrofe, met ettelijke jaren ‘nucleaire winter’ als gevolg, met bijbehorende massale uitsterving van planten, dieren en mensen. Een aspluim bedekte India en Afghanistan met een laag verstikkende as. De europese NT’s hebben het blijkbaar overleefd, evenals de AMM’s in Afrika. En dus ook de AMM’s in het Verre Oosten.

60.000 jg had de AMM-populatie in Afrika zich dermate snel hersteld dat een tweede ‘golf’, OoAII-b,  trekt via de zee-engte tussen Rode Zee en de Golf van Aden (denk er om dat ze zeespiegel in die ijstijd 200 meter lager was dan vandaag en de vastelanden heel wat uitgebreider waren) naar Arabië. Daar splitst de stroom zich. De oostwaartse stroom gaat via India eveneens naar het Verre Oosten, terwijl een noordwaartse afsplitsing  via China en Siberië naar Beringia (de Beringzee die gedurende een ijstijd land is, net als de Noordzee) gaat, om ergens tussen 17.000 en 12.000 jg Amerika gaat bevolken om tenslotte Vuurland te bereiken als verste punt. Een noordwaartse stroom gaat via Israël en de Balkan naar West-Europa, met Engeland als verste punt.

De enige verklaring voor het feit dat overal waar de AMM’s verschenen, de oorspronkelijke bewoners verdwenen, is dat de AMM’s talrijker waren, machistischer (dus oorlogszuchtiger) en technologisch vernieuwender. Waardoor ze zo geworden zijn, daar geeft de taligheidshypothese dus een antwoord op.
Alle ‘voormoderne’ mensvarianten, de Vroege Mensen, zijn uitgestorven[33]. Maar die waren niet minder menselijk dan wij-nu. Wat? In sociaal opzicht waren die zelfs ‘menselijker’ dan wij-nu, die in een mannenwereld, in een oorlogswereld leven. Zij waren nog ‘edele wilden’. Dadelijk ga ik de VJ’s (Verzamelaars/Jagers) bespreken, en hun bijzondere eigenschappen. De VJ-wereld was een vredeswereld. 99,5 % van de tijd dat er mensen bestaan, leefden die in een VJ-wereld. De NT’s waren nog authentieke VJ’s. De AMM’s niet meer, dat waren ‘aangetaste’ VJ’s. Maar droegen een VJ-natuur als erfenis in zich mee, waren al nostalgisch in tijden van oorlogvoering. Wij zijn van die nostalgische vechtersbazen afkomstig, en het is met ons vooral de laatste vijfduizend jaar van kwaad tot erger geworden. Maar nog steeds dragen wij de VJ-natuur in ons mee. Iedereen, zelfs (of juist) de ergste schobbejak, verlangt ten diepste naar die vredige wereld terug.

21. VJ’s (Verzamelaars/Jagers)

Die alleraardigste en gelukkige mensen van het hierboven opgediste gruwelverhaal waren nog VJ’s: Verzamelaars/Jagers. Hoewel: ze waren AMM’s. Dus van een tijd dat hun wereld al grenzen kende. Ze waren ‘aangetaste’ VJ’s. Op geweld voorbereide, territoriumverdedigende, machistisch geworden VJ’s.

99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben onze voorouders echter geleefd in een eindeloos grote wereld, dus zonder ook maar de geringste aanleiding tot gewelddadigheid.

Bij de vobo’s wees ik er op dat die gewoon bleven rondtrekken in een uitgestrekt territorium zoals hun mensapenvoorouders altijd gedaan hadden en dat ook hun verre nakomelingen zo zouden blijven leven. Ook de hedendaagse VJ’s hebben een uitgestrekt territorium en daarbinnen lopen ze hun seizoensgebonden ‘zangroutes’ van kamp tot kamp. Al zijn ze ‘aangetaste’ VJ’s, onderling zijn ze nog steeds alleraardigste en gelukkige mensen.

De afbeelding hiernaast toont San-VJ’s op weg naar het volgende kamp. Een getrouw beeld van hoe onze voorouders 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben rondgetrokken. Levend van planten en dieren waarmee ze zich vereenzelvigden. Het doden was onvermijdelijk en geschiedde met alle respect. Wanneer ze zelf door een roofdier gepakt werden, ondergingen ze dit lot lijdzaam: dat dier moest ook eten. Hun wereld was een dierenwereld en ze beschouwden zichzelf ook als afstammend van dieren. Elke clan kende zijn totemdier en vaak had ieder ook nog zijn persoonlijke totem. “Kijk eens hoe mooi ik daar zwem!” fluistert de indiaan tegen zijn blanke metgezel. Die lacht: “Maar dat is een otter, vriend!” De indiaan schudt nors zijn hoofd over zulk een onbegrip: hij is het toch zeker zelf die daar zwemt. Die blanken zijn écht dom!

Er zijn vandaag nog maar weinig VJ-leefgroepjes op de wereld, en bijna overal in hun voorouderlijke leefwijze, cultuur en taal bedreigd. Gelukkig zijn ze nog wetenschappelijk onderzocht en bestudeerd kunnen worden. Een antropoloog die speciaal oog had voor hun VJ-natuur is Hugh Brody The other side of Eden (London 2001) en uit diens boek citeer ik het volgende

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte, die van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Al mag ze dat zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.
Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[34] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen.
Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn opvallend gezond en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om.

Maar – nu maak ik het voor u echt te bont en ik hoor u protesteren – je schetst onze voorouders kritiekloos als ‘edele wilden’!

Zo schets ik ze inderdaad. Maar niet kritiekloos, zoals ik in het gruwelverhaal liet zien. Ik weet waar uw bezwaar vandaan komt. Van de meldingen van de vele antropologen die primitieve stammen hebben onderzocht en bevonden dat die zich aan stammenoorlogen, wreedheden en machisme te buiten gaan. Allesbehalve edele wilden dus. Klopt! zeg ik dan, maar dan hebben we het dus niet meer over VJ’s. Zelfs niet over ‘aangetaste’ VJ’s zoals die van het gruwelverhaal. Dan hebben we het al over Tuinbouwers. Dat zijn voedseltelers, dus AGR’s – gaat de volgende paragraaf over.

Dat zijn part-time-VJ’s en dat zijn ze niet voor de luxe of uit vrije keuze. Ze leven niet meer in hutjes maar in semi-permanante gemeenschapshuizen waarin elke familie zijn eigen vuur heeft. Hun ‘langhuizen’ zijn omheind met palissaden en ook dat is niet voor de luxe: ze zijn verwikkeld in vetes met hun buren. In hun tuinen – gekapte stukken bos waarvan de begroeiing is platgebrand – telen ze plantaardig voedsel. De mannen trachten met jacht vlees in te brengen. In een bepaald jaargetijden trekken ze nog rond, en dan zijn ze blij. Althans sommige groepen doen dat. Andere leven in een dermate staat van oorlog met hun buren dat ze niet eens meer op pad kunnen. Een voorbeeld van een Tuinbouwersstam zijn de Yanomami, beschreven door N. Chagnon The Fierce People (3e ed. NY 1983). Voorbeelden van niet eens meer kunnen rondtrekken zijn de Bergpapoea’s van Nieuw Guinea[35]. Het vlees wordt niet meer door jagen ingebracht maar door het telen van varkens. Vrouwenwerk – al mogen alleen de mannen het vlees eten. Wat is hier aan de hand?

22. AGR’s (voedseltelers, boeren)

Wat hier aan de hand is, is overpopulatie. Teveel leefgroepen in een toch altijd beperkt leefgebied. Voor onze VJ-voorouders was de wereld altijd eindeloos groot. Hun aantallen en ook het aantal leefgroepen is altijd zeer beperkt geweest, soms zelfs tot aan de rand van uitsterven.

Maar dan hebben we het over de Vroege Mensen. De AMM- leefgroepen moeten rond 60.000 jg zich sterk hebben uitgebreid en op grenzen van hun wereld zijn gestuit. Want ze zijn gaan uitzwermen. Ze waren al ‘aangetaste ‘ VJ’s. 40.000 jg zaten ze al in West-Europa, de NT’s verdringend naar steeds onleefbaardere streken. De NT’s raakten opgesloten in te kleine refugia, konden geen partners meer met elkaar uitwisselen en 30.000 jg stierven ze uit door inteelt en depressie.
Maar 26.500 – 19.000 jaar geleden was het dieptepunt van de laatste ijstijd. Pijl en boog en de gedomesticeerde wolf hadden de jacht zodanig effectief gemaakt dat de AMM-leefgroepen ook in Europa en het Midden-Oosten waren gegroeid en uitgebreid, maar nu werden de jachtgronden door oprukkend ijs ingekrompen, de Magdaleniers (de toenmalige AMM-s in West-Europa) werden samengedrongen in de refugia  van Zuid-Frankrijk en Italie. Dus toen moet het voorgekomen zijn dat de dames, arriverend bij het volgende kamp, hun plantaardig voedsel al weggeoogst aantroffen! Door ‘indringsters’! En dan zijn de rapen gaar. Dan jutten de dames hun mannen op om die vreemdelingen (schadelijk wild! ongedierte!) snel af te gaan maken. Het voorbeeld daarvan zijn de mensen van mijn gruwelverhaal. Alleen … van de Magdaleniers zijn van dergelijke overlevingsgevechten geen archeologische bewijzen.

Maar bevolkingsdruk moet er zeker geweest zijn. Met die mensen gebeurde hetzelfde als wat de chimpansees vanaf 3 mjg is overkomen: overlevingsgevechten vanwege de inkrimpende leefgebieden. De chimpansees zijn grimmige vechtersbazen geworden die de baas spelen over hun vrouwen. Bij mensen in overpopulatie-situatie gebeurde vanaf toen hetzelfde, en het hangt van de mate van bevolkingsdruk af hoe heftig het machisme wordt. Oorlog maakt mannen belangrijk[36]. De mannen die tot nu toe de tweede viool gespeeld hadden, komen nu tot de ontdekking dat ze toch eigenlijk wel héél belangrijk waren. En dat hun rituelen toch eigenlijk veel belangrijker zijn dan die belachelijke vrouwenrituelen! En ze maken zich meester van de heilige fluiten[37], trekken zich terug in afgelegen stukken bos of in diepe grotten en houden daar hun initiatierituelen. En ze verbieden de vrouwen hun heilige voorwerpen aan te raken, of zelfs maar te zien; ze sluiten de vrouwen en kinderen op in de hutten. Om hun onzekerheid te overwinnen gaan ze steeds erger tegen hun vrouwen tekeer. Machisme doet zijn intrede bij groepen die tot dan toe altijd egalitair samengeleefd hebben. Hoe groter de bevolkingsdruk, hoe erger de oorlogvoering, des te wreder het machisme. De Bergpapoea’s zijn er de extreemste voorbeelden van. Zelfs de reuk van vrouwen zijn schadelijk voor de mannen, daarom lopen ze in hun dorpen langs gescheiden paden! (De paden van de mannen zijn hoofdpaden, die voor de vrouwen zijn zijpaden en omwegen, terwijl de vrouwen toch al het werk moeten doen.)
Allesbehalve ‘edele wilden’, en allesbehalve gelukkig.

Nogmaals, van de Magdaleniers zijn geen gruwelverhalen te melden bij mijn weten. Maar dat de mannen eigen initiatierituelen hebben ontwikkeld bewijzen de schilderingen in onheilspellend diepe grottenzalen. En dat hun vrouwen hun voedselplanten zijn gaan verzorgen en kosteren en telen, daarop wijzen de Venusbeeldjes die vanaf nu opduiken. De landbouw is een vrouwenuitvinding, dus de vruchtbaarheidsrituelen zijn vrouwenrituelen. Het is de Grote Moeder in wie de Figuur van de Grote Voorouder die noch man noch vrouw was (het was van oorsprong immers een groep, het eerste groepje vrouwen, kinderen en mannen dat de dingen in het stamgebied de namen had gegeven) nu was uitgekristalliseerd.

Ook offeren is van vrouwelijke origine. Bij het oogsten van peulen en granen zochten ze de mooiste korrels uit om terug te geven aan Moeder Aarde. Die beloonde dat dankbare gedrag met nog veel meer van die mooie korrels in het volgende seizoen! En tja, rituelen hebben de neiging om almaar uit te dijen en om heiliger (onaantastbaarder) te worden.

Toen de mannen het oerrund hadden gedomesticeerd en voor de ploeg en de kar hadden weten te spannen, kwamen de mannen terug in de dominantie en de religie. De heilige stier veroverde zijn plek naast de Grote Moeder.

Deze tekst is bedoeld om de taligheidshypothese te onderbouwen; niet als uitputtende cultuurgeschiedenis. Dus nu zet ik het even op een holletje, langs wat u al wel kent.

Vanaf 8000 vC verschijnen de eerste boerendorpen – we weten het meest van die in het Midden-Oosten. Het verschil met de Tuinbouwfase is, dat de families in afzonderlijke, permanente, met leem bestreken hutten wonen, bij permanente akkers, met gedomesticeerde schapen, geiten en varkens. Er valt steeds minder te jagen, de mannen gaan de vrouwen meehelpen bij de landbouw. Omdat voor die beginnende boeren de wereld weer eindeloos groot was (voor boeren doen die nomadische ‘wilden’ immers niets met het land!) waren hun samenlevingen meestal vredig en egalitair. Het vredige Neolithicum.

Naast boerengemeenschappen kreeg je ook nomadische veehouders. Lang bleven die vreedzaam naast elkaar bestaan. Maar toen die veehouders het paard gingen domesticeren en zelfs berijden, toen kwam de mensheid in een heilloze spiraal van rooftochten, brandschattingen, plunderingen, verwoestingen en alle denkbare andere mensenrechten-schending terecht. Kopertijd. IJzertijd.

Overigens waren ook de boerendorpen zelf hier en daar in de clinch geraakt, over grond- en waterrechten, over handel of wat ook. Het overwonnen dorp werd platgebrand, de vrouwelijke overlevenden als slavinnen meegevoerd om te misbruiken. De veldtochten werden weldra doel op zich en de aanvoerders werden krijgsheren. Slavernij werd normaal, voor het optrekken van verdedigingsmuren, tempels en paleizen. Succesvolle krijgsheren veroverden hele gebieden, waarvan de overwonnenen de onderliggende klasse werden en de overwinnaars de heersende. De Grote Man werd koning. Zoon van deze of gene god.

Vergeet bij dit alles niet de rol van de lofzangers.

Een krijgsheer of koning is niets zonder zijn trawanten. Het zijn de trawanten die beginnen te morren als de buitgemaakte slavinnen opgebruikt zijn en ze dus weer nodig op ‘handels’tocht moeten (als de doelwitten te sterk blijken, drijf je er handel mee, en anders beroof je ze). Het zijn de lofzanger-trawanten die de misdaden van de koning verkopen als heldendaden: hoe hoger ze hem omhoog steken, des te hoger stijgen ze mee. De lofzangers zijn de eerste ideologen en theologen.
Voor zijn opvolgers werd de vergoddelijkte held vaak zelf een god. Het is de tijd van Goden en Helden.

Het heeft zo moeten gaan. Overheersing van grote gebieden maakt administratie en opgeleide ambtenaren nodig. Schrift, onderwijs, de eerste vormen van wetenschap (astronomie, waterbouwkunde), kunst en filosofie dienen zich aan. Steeds meer stammen raken hun vrijheid kwijt en hun taal. Beschaving. Hun stamgoden worden ondergeschikte Figuren in het pantheon van het Rijk.

In mijn tekst “Bestaat God?” (die komt meteen op uw scherm wanneer u www.bestaatgod.com googelt) doe ik de geboorte van de Ene Ware God uit de windselen. Een politieke uitvinding van de patriarchen van de Tempel van Jeruzalem rond 622 vC. De god die de Joden, de Christenen en de moslims nog steeds vrezen en die dus met een hoofdletter wordt geschreven.

De godsdiensten hebben een onmiskenbare functie gehad om grote eenheidsstaten te scheppen waarin handel en nijverheid tot bloei konden komen, waar en wanneer ze tenminste vrij bleven van usurpatie. Wanneer en waar ze geheel ten dienste van een despoot met zijn trawantenklasse werden gesteld, zoals in het latere Osmaanse Rijk, raakten ze in de versukkeling. Dan werd ook de godsdienst het wapen van de trawantenklasse om de mensen onder hun duim te houden.

23. de vrije markt

Despotie en achterlijkheid gaan hand in hand. Democratie en opbloei ook. Waar de handel en nijverheid vrij waren van despotie, bloeiden ze op en brachten welvaart en ontwikkeling.
Dat begon al bij de Feniciërs en in de stadstaten van het oude Griekenland, en met name in de Ionische steden. Daar ligt de bakermat van de Westerse filosofie en van kunsten en wetenschappen. Het Hellenisme heeft verstrekkende invloed gehad in beschavend opzicht. De Romeinen namen veel van de Griekse verworvenheden over, en kenden in hun Senaat een zekere mate van volksvertegenwoordiging. De Romeinse beschaving volgde het Hellenisme succesvol op. Ze ging ten onder doordat de ene verovering betaald werd met een volgende – zo’n piramidespel loopt een keer dood. Wilde stammen leerden ook ijzeren wapens maken en gingen voor zichzelf beginnen. Nou ja, dat verhaal kennen we allemaal wel.
Het Westen heeft na Karel de Grote geen despoot van betekenis meer gekend. Zijn nazaten moesten, om zich te handhaven tegen de graven en hertogen, geld lenen van de kooplieden, die daardoor steeds meer macht verwierven. Hun steden bloeiden op. En ondanks zwarte perioden van godsdienstoorlogen is de opbloei in stijgende lijn doorgegaan. Industrialisatie is de vrucht van vrij ondernemerschap. Kolonisatie van wingewesten overigens ook. Heeft tot twee verschrikkelijke wereldoorlogen geleid.

24. de televisie

Nadat het Westen zich vrij snel hersteld had van de Tweede Wereldoorlog, deed het belangrijkste fenomeen van de laatste vijfduizend jaar, de televise, zijn intrede. Een nog steeds onderschat fenomeen[38]. Maar niet in deze taligheids-hypothese-tekst, waarin het draait om namen voor de dingen.
Even een inleiding.
Opbloei en democratie gaan hand in hand. Vrijheid, niet alleen om te handelen maar ook om te denken en te communiceren, laat welvaart en inzicht-in-de-dingen opbloeien. Waar deze drie (handelen, denken, communiceren) worden onderdrukt, heersen achteruitgang, achterlijkheid en armoede.
Despotie bedient zich altijd en overal, behalve van wapengeweld en geheime politie, ook van geestelijke onderdrukking. Je kunt niet naast elke onderdrukte een soldaat zetten; de geest (het denken) van de onderdrukte gijzelen met een onderdrukkende ideologie, een Groot Verhaal, is goedkoper en alleszins haalbaar. Zoals ik al zei: tobbende apen geloven waar ze niet weten, en ze geloven graag wat als aantrekkelijk of juist wordt voorgespiegeld – en dat lukt weer het best bij onwetenden en bij mensen die al druk genoeg zijn met het boven water houden van hun geestelijk dan wel huishoudelijk bestaan (de massa der mensen dus). De onderdrukker moet zorgen de communicatie in zijn macht te hebben. Dan is wapengeweld alleen nog nodig om kritische denkers te elimineren.
Vijfduizend jaar lang hebben opeenvolgende heersende klassen zo de massa’s met hun Grote Verhalen (godsdiensten en andere ideologieën) onderdrukt gehouden.
In het Westen bleef deze onderdrukking, ook de geestelijke, gematigd vanwege de machtsverdeeldheid en de steeds machtiger wordende burgerij. Ze zwakte steeds meer af naarmate de kracht van de burgerij toenam.
Onder ‘burgerij’ versta ik hier de koopliedenstand, de ‘middenstand’ tussen de producenten (boeren en arbeiders) en de heersers: (groot)grondbezitters met hun militie en Kerken als ‘trawanten’. Dat de Kerken onderling in de clinch waren, zoals tijdens de godsdienstoorlogen, was wel schokkend maar tastte de heersende klasse niet direct aan, zodat hun militie meestal slapend bleef. Tenminste, dar beweer ik hier in de gauwigheid.

Snel over naar de televisie, want daar moet het hier over gaan.
Bij talige wezens, zoals wij als ‘tobbende apen’ geworden zijn, draait alles (geluksgevoel, gevoel van eigenwaarde, welbevinden) om het zelfbeeld.
Dat zelfbeeld zit vast aan ons individuele mens- en wereldbeeld. Beide beelden worden ons door onze omgeving ingegeven of zelfs opgedrongen en ingeprent. Het is voor ons zelfgevoel van groot belang of die mensbeelden en wereldbeelden optimistisch, dus met toekomstperspectief, gekleurd zijn dan wel negatief en uitzichtloos.
Nou, die in te vullen en in te kleuren was door de heersende klasse altijd uitbesteed geweest aan de Kerken. Het door de kerken gepresenteerde mensbeeld was altijd deprimerend – dat werkt voor het timide en dus braaf houden van de massa der gelovigen het beste, en hun perspectief was het hiernamaals.[39]

De kerken krijgen na de Tweede Wereldoorlog in het Vrije Westen nu een zware concurrent in de televisie.
Voor het eerst in vijfduizend jaar krijgen de invullende trawanten (lofzangers-ideologen-theologen) van de heersende klassen een nog nooit vertoonde concurrent! Daar zijn ze dan ook totaal niet op voorbereid! En waren ze dat wél geweest, dan zouden ze toch Kerk gebleven zijn, dus zou dat weinig uitgemaakt hebben: ze passen gewoon niet in deze democratische tijden.

Televisie is met haar bewegende beelden en superbe schijn van werkelijkheid een ongemeen intrigerend medium waar je je ogen moeilijk van af kunt houden. De koopman prijst zijn waren aan door deze aantrekkelijk af te beelden. Liefst ook binnen een ‘verhaaltje’, een aantrekkelijk tafereel, omlijst met suggestieve muziek, waarin de klant de waar gebruikt ziet worden, door iemand waar de klant zich graag mee identificeert.
Hiermee nu drong de markt vanaf de jaren zestig door in alle huis- en bovenkamers, zelfs (of juist) in de nederigste. Het medium was sterker dan het klokgelui en de jaarvullende rituelen van de kerken. Het was er namelijk elke dag en in iéders vrije tijd. Het was er in alle Westerse landen, overal waar de vrije markt heerst. Het gaat om identificatie, om het zelfbeeld.

Ze (‘markt’=vr.) presenteert in haar reclames en shows dus een mensbeeld ter identificatie. Maar wel: háár mensbeeld. Een mensbeeld dat ‘werkt’ voor de presentatie van het product.
Het aan de mensen aanreiken van een mensbeeld ter identificatie was tot op dat moment in de geschiedenis het privilege van de Kerken geweest. Waarom heeft de vrije markt in haar reclames niet gewoon het christelijke mensbeeld overgenomen?
Dat beeld van die zondige en van Gods genade afhankelijke mens? Daar kan de vrije markt echt niets mee. Ze kan om te beginnen niets met godsdienstige of politieke of regionale scheidslijnen tussen de mensen. Wanneer ze die ‘meeneemt‘ in haar reclames, verkleinen die de markt immers: de kijkers van een ander geloof identificeren zich niet en kopen niet. Dus onthoudt de vrije markt-televisie zich angstvallig van iedere godsdienstige[40] of politieke of regionale of andere scheidslijnen-aanbrengende verwijzing.
Vervolgens kan ze ook niets met een godvrezende en onthechte gelovige. De mensen moeten juist in volle vrijheid verlangen naar alle genotsmiddelen die de vrije markt in de aanbieding heeft.
Ze kan niets met verschillen. Niet tussen man en vrouw, niet tussen rijk en arm, niet met ‘ons soort mensen’, niet tussen volwassene en kind, niet tussen intelligent en dom, niet tussen adel en plebs, niet tussen stad en platteland, zelfs niet tussen landen of culturen. De vrije markt schakelt alles en iedereen gelijk. En ze kan vooral niets met scheidslijnen tussen geloven of politieke partijen.
Ze presenteert derhalve consequent een gelijkgeschakelde a-religieuze, a-politieke, vrouw- en kindvriendelijke, aardige, op spullen azende consument ter identificatie. En dat doet ze niet weloverwogen of ideologisch, dat doet ze domweg. Ze doet het massaal, want ze is niet iemand, ze is ook geen groep of klasse, ze is een mechanisme.

Dat heeft op een door niemand bedoelde of voorziene manier gewerkt.
Beter dan de filosofen en zelfs de sociologen hadden de dominees van de ‘bijbelbelt’ dat in de gaten. Ze verboden hun gelovigen om zo’n duivels ding in huis te halen. Maar de jongeren willen modern zijn en willen niet als achterlijke dorpsdebielen hun leven laten uitstippelen, ze willen ‘met de tijd mee’. Bovendien spoort de aan godsdienst inherente onderdrukking van lusten en geneugten in het geheel niet met het hedonistische consumentisme.
Ook de islamisten voelen dat met de westerse democratie en met het consumentisme hun machtsbasis wegdooit. Dus ze nemen hun toevlucht tot terrorisme.  Maar ook islamjongeren willen modern zijn en met hun tijd meegaan. Ze willen ook vrij zijn en welvarend.

De kerken begonnen aan een onstuitbare leegloop; de zondige van Gods genade afhankelijke mens verdween door de achterdeur. Ook andere oude verbanden zoals politieke partijen, vakbonden, verenigingen liepen leeg, de mensen werden vrij en individualistisch.
Vrij ook in politieke zin: de gelijkschakelende werking die uitging van deze massa-beïnvloeding – waarop je niemand kunt aanspreken – deed de oude regentenklasse verdwijnen. De oude (grootgrond)bezittende klasse maakte plaats voor (groot)aandeelhouders en hun managers.
De kerken verloren hun aloude sponsors en boetten zo ook nog aan maatschappelijke status in.
Bovendien: ook met standsverschillen kan de vrije markt niets. Verkleint de markt immers alleen maar. ‘Ons soort mensen’ bestaat niet meer. Jan met de Pet is Jan Modaal geworden en verburgerlijkt. En zo moet het ook gaan. It’s the economy, stupid.

Een historisch nieuwe situatie. Een vijfduizend jaar lange geschiedenis van godsdienstgestuurde en politioneel bewaakte klassenmaatschappijen met een kleine elite en een kansloze massa kwam in het Westen door de vrije markt aan zijn einde. Een heersende klasse kenmerkt zich immers altijd en overal door geheime politie, persbreidel en goelags. Die kent de Westerse samenleving, als eerste in die vijfduizend jaar oude klassenmaatschappijgeschiedenis, niet meer. Wel een machtige economische elite, maar die wordt door een voldoende sterke democratie in bedwang gehouden.

Dat aan die democratie, net als aan een huwelijk, voortdurend gewerkt moet worden en dat dat vandaag weer hard nodig is, is een andere zaak en daar gaan we met de taligheidshypothese ook echt wat aan doen. Maar het gaat hier nu even om de vaststelling dat onze consumentenmaatschappij de eerste sinds vijfduizend jaar is die geen klassenmaatschappij meer is. Dankzij dat stomme medium televisie.
Leve de vrije markt dus, laat die maar lekker globaliserend doorwerken, de moskeeën, synagogen en tempels leeg laten lopen en ook daar de mensen bevrijden uit hun keurslijf van ‘oude vormen en gedachten’. Ze worden er, net als wij, echt gelukkiger van. (Zie het geluksonderzoek van Ruut Veenhoven, Erasmus Univ.) En zeker als we nu het gat dat de vrije markt in onze gemeenschapsbeleving en zelfbeeldvorming slaat, gaan opvullen.
Leve de vrije markt … ja, maar niet de vrije geldspeculatie. Geld maakt zelfs de aardigste mensen zelfzuchtig en gewetenloos. Dat merken we vandaag aan den lijve. Vooral de bobo’s die bij ‘het grote geld’ kunnen worden egoïstisch, en dat maakt dat nu al enkele decennia een kleine groep steeds rijker wordt en de massa steeds minder rijk. Dat tast de democratie en dus de welvaart aan. Een en ander heeft zeker te maken met het wegvallen van het Christelijke basisverhaal terwijl er geen nieuw basisverhaal voor in de plaats gekomen is. Maar hierover gaat mijn humanosofie-tekst.

Ik heb mijn verhaal hier tot de televisie beperkt, maar we moeten natuurlijk ook de transistorradio en de film niet vergeten, vooral niet wat de invloed van de vrije markt op de ‘derde wereld’ betreft. En vandaag spelen internet en mobiele telefoon ook cultureel een groeiend belangrijke rol.
Maar de televisie is bij uitstek voor ons nieuwe en consumentistische zelfbeeld, en dus voor de revolutionaire verandering van de Westerse samenleving, verantwoordelijk geweest. Die maakte dat iedereen ‘met de tijd mee’ moest.

De vrije markt heeft ons hier – hoe, dat leg ik leg zo meteen uit – van dat teneerdrukkende godsdienst-Verhaal bevrijd. Maar ook consumenten blijven gewone mensen, we zijn ‘ongeneeslijk religieus’, zoals Dorothee Sölle stelde (zonder het te kunnen uitleggen natuurlijk).

25. zingeving

Omdat mensen talige wezens zijn, heeft hun samenleving alleen in een Heersend Verhaal samenhang en zin; heeft ieders individuele bestaan alleen in een Heersend Verhaal grond en sociale bedding.
Daarom is het ‘beetje dom’ dat de filosofen zo juichen om het einde der Grote Verhalen.
Natuurlijk is het een zegen dat de vrije markt ons verlost heeft van het teneerdrukkende christelijke Verhaal en dat de Oostbloklanden verlost zijn uit het vrijheidsbeperkende communistische Verhaal.
En zeker brengt een nationalistisch of etnisch Verhaal meer kwaad dan goed. Maar het is kortzichtig te menen dat hiermee de alternatieven op zijn, en om niet in te zien dat zónder een Heersend Verhaal een samenleving niet goed kan functioneren. Als mensen geen Verhaal met elkaar delen, missen ze het gevoel dat ze wat met elkaar te maken hebben. En dan gaat ieder maar zijn eigen naad naaien. Gaan de topmanagers ‘graaien’.
Het nieuwe Grote Verhaal, dat van de wordingsgeschiedenis van de menselijke natuur, gaat op voor alle mensen en is even universeel als de Universele Verklaring. Het is er eigenlijk een aanvulling van/voor/op.

Ik repeteer hier even. Hoe mensen zich voelen en hoe ze tegen hun medemensen aankijken wordt enorm bepaald hoe ze tegen zichzelf aankijken. Vooral het Verhaal dat in je samenleving heerst, is bepalend voor je mensbeeld. Áls het er is, vertelt het je waar alles inclusief jijzelf vandaan komt, wat je plaats is in het geheel der dingen en waar het allemaal, inclusief jezelf, toe leidt – op aankomt – om draait.
Sinds historische tijden waren het de kerken die het heersende Verhaal hadden mogen aanleveren en hiermee het zelfbeeld van de mensen hadden mogen invullen. De verschillende denominaties gaven ook verschillende mensbeelden en dat was goed te merken aan de verschillende gelovigen.
De vrije markt kan niets aanvangen met marktverkleinende verschillen tussen het kooppubliek; dus die presenteert in haar reclames een a-godsdienstig, a-politiek mensbeeld, ontdaan ook van stands- of regionale verschillen. De kerken en politieke partijen en andere verbanden begonnen aan een leegloop. Ze (‘markt’ = vr.) levert er geen echt alternatief zingevend mensbeeld voor terug. Ze is slechts een dom mechanisme dat door niemand is uitgevonden en waar ook niemand macht over heeft.
Zónder een Heersend Verhaal kunnen mensen echter niet goed samenleven – en dat wordt steeds duidelijker ook. Als in je samenleving geen Verhaal heerst (zoals een mode heerst bedoel ik), dat doel en richting van dat samenleven aangeeft, heb je ook niet het gevoel dat je buiten je familie- en vriendenkring wat met elkaar te maken hebt. Dan gaat ieder maar zijn eigen doelen nastreven. Dan verloedert een samenleving. “Een samenleving kan niet functioneren, als de bodem ontvalt aan het gevoel dat je je aan regels moet houden”, riep burgemeester IJssels van Gorcum in jan.’99 na de gewelddadige dood van twee discomeisjes.
Van het mechanisme van de vrije markt kunnen we geen zingevend Ontstaansverhaal verwachten, maar het heeft het wel mogelijk gemaakt dat we er zelf een samenstellen. Dat zou het werk van onze filosofen moeten zijn, maar die zijn helaas in de ban van hun eigen discipline geraakt en bovendien ten prooi aan het postmodernistische relativisme. Voor het menswetenschappelijk bestuderen van de menselijke natuur hebben ze geen tijd en bovendien zijn de ideeën van de oude filosofen over de mens voor hen een paradigma.
Onze samenleving ‘schreeuwt’ om een zin- en richtinggevend Ontstaansverhaal. De hele mondialiserende Westerse vrije marktsamenleving vraagt om een universeel, voor alle mensen op aarde opgaand, Ontstaansverhaal: om een gevoel van saamhorigheid en gezamenlijke verantwoordelijkheid mogelijk te maken. Ook een Europa vereist het.
Het universele mensheidsverhaal is ook nodig om tegenwicht en alternatief te kunnen bieden tegen de fundamentalistische geloofsinvullingen. Het is ook nodig om onze jongeren die zonder Verhaal opgroeien en geen worteling in het leven voelen, grond onder hun denkvoeten te kunnen geven.
Het is ook nodig om de Universele Verklaring een wat gedegener grondslag te geven. Om een eenheidsversterkende gedachte in het leven te roepen waarmee we als mensheid op dit schitterende maar door onszelf bedreigde planeetje kunnen overleven: er is voor ons geen andere plek.
Dit pleidooi doe ik speciaal in de tekst “Een nieuw Groot Verhaal”. Zoals je in deze tekst al hebt gezien valt dat universele Ontstaansverhaal vandaag moeiteloos samen te stellen.

Maar deze tekst was vooral de presentatie van de taligheidshypothese.
Is die een beetje overgekomen?

Graag uw commentaar naar info@mens2000.nl

 

 


[1] helaas wil hij niet meedoen aan dit project, hij blijft wedden op het christelijke paard als kandidaat voor het nieuwe Grote Verhaal
[2] met name op het gebied van de menselijke natuur. De postmodernisten ontkennen de universele menselijke natuur. De waarheid is relatief en persoonlijk, zo menen zij, en iedereen creëert zijn eigen innerlijke wereld. Er bestaat geen referentiepunt, geen kompas. Wetenschap is niet meer dan een bepaalde kijk op de wereld. Er is geen wetenschappelijk construeerbare kaart van de menselijke natuur te maken waaraan universele waardencategorieën kunnen worden ontleend. Er is slechts een ongelimiteerde ruimte voor elke mens om zijn eigen wereldbeeld te construeren. De traditionele opvattingen in deze weerspiegelen de visies van westerse blanke mannen ….. U begrijpt dat een humanosoof (zie www.humanosofie.nl) aan deze steriele, ontmoedigende en onwetenschappelijke stellingname blanke lak heeft
[3] hij is nu overigens met emeritaat
[4] althans volgens Störig
[5] Donald, 1991 p.42
[6] zo duid ik alle paleoantropologen, geologen, ethologen en nog veel meer –logen aan die aan de reconstructie van ons verleden hun zwoegende bijdragen leveren; mijn helden dus, de paleo’s
[7] het verschijnsel was plaatselijk, nl. waar en wanneer er overpopulatie ontstond; het zal hier nog uitgebreid ter sprake komen want het is fundamenteel voor onze menselijke conditie
[8] hebt u wel eens stilgestaan bij het feit dat wij deze prachtige en intelligent opererende dieren afstotelijk vinden? voor aasgieren geldt hetzelfde… op zich slaat het nergens op
[9] althans niet op de open grasgebieden; wel in hun woonbossen: ze waren ongetwijfeld net als de huidige chimpansees bedreven in het samen insluiten van een aapje zo dat het geen kant meer op kon … maar de graseters van de savanne waren veel te snel voor ze
[10] paleo-benaming voor gespecialiseerd soort voedsel; op de savanne grazen vele soorten graseters vreedzaam door elkaar: omdat elke soort uit is op bepaalde plantensoorten, met voorbijgrazen van andere plantensoorten die voor andere grasetersoorten juist ‘lekker’ zijn
[11] de oudste fossielen van aantoonbaar rechtop lopende hominiden zijn gevonden in de ‘Alda’-rivierbedding in de Awash-vallei (Ethiopië) door het team van Berhane Semaw; aan de hand van de vulkanische as-context gedateerd 4.4 mjg; de fossielen van minstens 9 individuen (botten, kaakfragmenten, tanden) zijn genoemd ardipithecus ramidus; de al eerder in dezelfde context gevonden stenen werktuigen , dus ook 4,4 mjg gedateerd, worden aan A. ramidus toegeschreven; helaas heb ik deze ene vermelding (Africa News Service, 11 jan.’99) nergens herhaald gevonden, anders had ik er graag een afbeelding van laten zien
[12] als directe concurrenten van de hyena’s en de gieren ; hebt u zich ook ooit afgevraagd waarom wij dit zulke weerzinwekkende dieren vinden? terwijl het objectief gezien even prachtige dieren zijn als andere; onze nergens op slaande weerzin is eigenlijk ook een ‘gedragsfossiel’
[13] het beroemdste hominide-fossiel van Zuid-Afrika is nog steeds het schedeltje van het Taung-child, het eerste in Afrika gevonden voorouderfossiel, al in 1925; blijkens twee slagtand-indrukken in het schedeltje vermoedt men dat het een slachtoffertje van de dinofelis-sabeltandkat geweest is
[14] de nieuwste komt ook weer uit Engeland: “Walking Like an Orangutan” van Robin Crompton ; dat het op twee benen lopen ontwikkeld is in de boomkruinen, en wel bij het lopen over de verende takkenuiteinden, zich vasthoudend met de handen aan hogere takken, om bij de daar hangende vruchten te komen; en – gezien dit gedrag bij de huidige orang oetans – ontwikkeld door de gemeenschappelijke vooroudersoort van 12 mjg; allemaal best, en het wijst er eens te meer op dat onze vroegste voorouders weinig of niets de novo hebben hoeven uit te vinden; maar het gaat om de omstandigheden waarin wij de enige op tweebenen lopende mensaap werden, en die brachten meer unieke veranderingen mee, zegt ook paleo Craig Stanford (auteur van o.a. Significant Others, NY 2001)
[15] interessante observatie: de kleine chimpmeisjes letten ijverig op wat de chimpmama doet, maar de chimpjongetjes verliezen al gauw de belangstelling en gaan met de andere chimpjongetjes ravotten; vandaar dat bij chimpansees de vrouwen de gereedschapsgebruiksters zijn
[16] dat maakt het er voor de paleo’s niet makkelijker op; als ze een hominide-fossiel vinden, is dat dan het overblijfsel van een voorouder of van een slachtoffer van een voorouder? Was het H. habilis-fossiel dat door de Leakey’s werd aangetroffen in de context van de Oldowan-werktuigen, de maker ervan of was het met die werktuigen uitgebeend?
17] vulkanische as valt met de kalium-argon-meting goed te dateren; de Riftvallei waar o.m. de Awash door stroomt, stikt van de vulkanen die vooral in die tijden veelvuldig actief waren; vandaar dat de Afrikaanse fossielen nu zo verfijnd en gemakkelijk te dateren vallen, i.t.t. bijvoorbeeld de Chinese en Javaanse
[18] mag ik een keer vernemen van een NT-schedel-neuroloog, of die uit-stekende achterschedel duidt op een extreem scherp visueel vermogen van de NT’s? of is dit een frenologische vraag?
[19] het onderzoek aan deze ‘vuurschalen’ wordt geleid door Professor Raph Rowlett van de University of Missouri, Columbia
[20] je moet een steen van de meest geschikte steensoort (die zich het prettigst en mooist laat afslaan) zoeken en dan liefst een die qua vorm al wat in de buurt komt van wat je wil (makkelijker); vervolgens moet je een hamersteen (van een hardere steensoort) hebben, voor de grove afslagen, en een stuk hertengewei of hard hout voor de fijne afwerking
[21] Tijd voor een carnavalsliedje, dat mij altijd aan het denken zette. Daar komt het: “Dat is het einde – Dat doet de deur dicht – Daar zijn geen woorden voor – Ja, dat is la-la-láá-la-lala-la – Ja dat is la-la-lal-al-a.” (Ahum! sorry)
[22] ai! Daar schieten mij de bavianen van de apenrots in Emmen te binnen. Maar dat is een collectieve psychose, waarbij ook de grote afhankelijkheid van de leider van de groep meespeelt. Bavianen zijn in sociaal opzicht een ‘lagere’ soort dan de chimpansees, die in dat opzicht weer ‘lager’ zijn dan mensen.

2 Responses to Taligheidshypothese

  • Hoi Frans, wellicht ben je als oud-leraar geïnteresseerd in wat er van je leerlingen geworden is. Ooit zei je over mij in de klas: ,,Jongens, we hebben een literator in ons midden”. Dat was na het opstel ,,zwembad in de vroegte”. Ik ben geen literator geworden, maar heb wel van schrijven mijn broodwinning gemaakt. Dit bericht komt uit Wassenaar, dus je zou kunnen zeggen dat ik toch nog goed terecht gekomen ben.
    Hauwdoe,
    Henk

  • Beste Frans,

    Misschien vind je het leuk om te weten dat ik een link naar je site heb geplaatst in een artikel dat staat op http://www.jijbenteenheid.nl/ontstaan
    Het artikel gaat over het ontstaan van bewustzijn waarbij ik jouw taligheidshypothese heb genoemd (de link staat onder het woord aanwijzingen).
    De site zelf gaat over naturalistische spiritualiteit, een spiritualiteit gebaseerd op natuurwetenschappen.

    Love,
    Roeland

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

commentaren