Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

VOAP

Hoe mensen van apen mensen geworden zijn (versie 10 juli 2004)

spreekbeurtmateriaal

door
Frans Couwenbergh

(versie 10 juli ’04)

instructie vooraf

Deze tekst is materiaal voor een spreekbeurt. Dus niet voor een opzegbeurt, waarbij je iets opzegt wat je van buiten hebt geleerd.

Nu is zes bladzijden tekst toch al niet van buiten te leren, maar het is ook niet de bedoeling van een spreekbeurt. Een spreekbeurt is meer een les, maar dan door een leerling gegeven en over een door haar/hem bestudeerd onderwerp. Je kunt lang niet alles van wat je over je onderwerp te weten gekomen brengen, in je spreekbeurt proppen. Maar na afloop krijg je een boel vragen vanuit de klas, en dan is het maar goed dat je er meer van weet.

Hoe moet je met deze zes bladzijden materiaal dan wél je spreekbeurt houden, als je het niet van buiten kunt en mag leren?

Je leest het verhaal eerst een paar keer door.

Dan ga je het proberen na te vertellen. Dat lukt aanvankelijk van geen kanten, dus dat oefen je eerst maar op een lantarenpaal. O nee, doe toch maar niet: de buurvrouw ziet je daar als een gek tegen die lantarenpaal lullen, belt de GGD en nog voor je klaar bent met je oefening komt er een ziekenwagen de hoek om loeien, stopt, twee witjassen springen er uit ….. Ik bedoel, oefen eerst maar tegen de deur van je kleerkast.

Dan ontdek je een paar dingen.
Je ontdekt dat je al snel vastloopt. Dus dan lees je het verhaal nog een keer door. Weer oefenen … gaat al beter. Je ontdekt dat je het geen twee keer hetzelfde vertelt. Heel goed.

Nu wordt het tijd om een levende praatpaal uit te proberen: je zusje, je moeder, een vriendje op het schoolplein, weet ik veel.

Je ontdekt dat het door het telkens weer aan iemand anders te vertellen, op het schoolplein of waar dan ook, je het steeds beter gaat beheersen en dat je ook met vragen leert omgaan. Want je ‘slachtoffers’ slikken niks voor zoete koek. Prachtig.
Zit je om een antwoord verlegen: ik ben er nog steeds. Ik ben ook stand-by als je bij het je verdiepen in het materiaal nog vragen hebt.

Je ontdekt dat het je steeds makkelijker af gaat.

Als je dat allemaal braaf doet, ligt er een dikke tien op je te wachten.

Hoofdstelregel: je bent niet op school om iets te kunnen maar om iets te leren kunnen.

fcouwenb@mens2000.nl

ons verhaal

 

Jouw en mijn, ons aller, Verhaal begint in het regenwoud. Want van oorsprong zijn we regenwoudapen. Mensapen.

[Ja, je kunt natuurlijk ook geloven dat we op de wereld schapen zijn, getoverd dus, door een Hogere Macht. En dat doen mensen die in een Hogere Macht geloven. Vroeger geloofden alle mensen daarin, omdat er nog geen wetenschappelijk onderzoek naar de dingen mogelijk was. En dan is elke verklaring van een probleem beter dan geen. Je gelooft waar je niet kunt weten.
Vandaag, met al die wetenschappelijke instrumenten en onderzoeken en met al dat geld dat in onderzoek gestoken wordt, kunnen we al een boel weten en dat gaat maar door, op onderzoeksstations in oerwouden, opgravingsplekken in woestijnen, in laboratoria en noem maar op.
Dus zien steeds meer mensen in dat we niet op de Aarde getoverd zijn maar gegroeid, net als de rest van de planten en de dieren.
En dan wordt het Verhaal hóe dat gegaan is, interessant.

Als een ‘slachtoffer’ je al meteen de mond tracht te snoeren met de opmerking dat jouw verhaal het evolutieverhaal is maar dat er nog zoveel ándere verhalen zijn – vergeet niet dat christen-fundamentalistische clubs zoals de Jehova’s alle moeite doen om het bedreigende evolutieverhaal verdacht te maken – dan zeg je: hoho! er zijn maar twee opties. Of je gelooft dat de mensen op de aarde getoverd zijn, óf je gelooft dat ze er, net als de overige vormen van leven, op gegroeid zijn.
En als iemand zegt: kom, ieder heeft zijn eigen verhaal, dan hoef je maar even te informeren wat dan zijn verhaal is.

Ons Verhaal begint dus in het regenwoud. 65 miljoen jaar geleden kwam er een einde aan de overheersing van de dinosaurussen en konden de zoogdieren zich vrijelijk gaan ontwikkelen in alle soorten en formaten. Het werd toen ook heel warm en vochtig op de Aarde, dus overal regenwouden, in een heel brede band rond de evenaar. Vanaf 20 miljoen jaar geleden hadden zich uit de aap-achtigen al mensapen ontwikkeld en ze vormden in die regenwoudtijden een talrijke familie, met veel soorten.

Mensapen onderscheiden zich van gewone apen door hun kalme klimgedrag. Ze springen niet van de hak op de tak maar verplaatsen zich met hun lange sterke klimarmen door de takken van een vruchtboom. Als de boom leeg is klimmen ze er uit en gaan over de grond naar de volgende. Onderweg kijken ze voortdurend omhoog: ze houden de vruchtbomen van hun territorium goed in de peiling, ze willen er als eersten bij zijn. Ze verplaatsen zich op hun voeten en ondersteunen hun zware maar lenige en zeer krachtige lichaam met hun lange armen, rustend op de knokkels van hun vingers. Het zijn dus geen echte viervoeters meer. En ze hebben geen staart. En ze zijn erg sociaal. Hun belangrijkste methode om ‘vriendjes te maken’ is: elkaar vlooien. Dat doen ze heel vaak.

Vandaag leven er nog vijf soorten mensapen: in Afrika de gorilla’s en de bonobo’s (met de chimpansees als ondersoort), in Azië de orang-oetans en de gibbons. En tenslotte wij, mensen, oorspronkelijk ook een ondersoort bonobo’s. Voor ons Verhaal zijn alleen de Afrikaanse mensapen interessant: het begint immers in het Afrikaanse regenwoud.

Ons verhaal gaat over 1. waarom en 2. waardoor zijn wij zo van de overige bonobo’s gaan afwijken.

Waarom? Er is iets met ons regenwoud gebeurd: het verdween. Vanaf tien miljoen jaar geleden was het klimaat al koeler en droger gaan worden. Daar kan regenwoud niet tegen, dat moet het hebben van heet en vochtig.
Waardoor het klimaat koeler en droger werd?

Het klimaat op de Aarde wordt beheerst door de verdeling van de zonnewarmte. Op de evenaar vangt Aarde de meeste straling, de polen krijgen alleen strijklicht; maar de golfstromen in de zeeën en de winden zorgen voor enige verdeling. De continenten verplaatsen zich langzaam maar zeker en dat veroorzaakt andere golfstromen en luchtstromingen, dus verandering van het klimaat. Tien miljoen jaar geleden was Antarctica, waar eerst nog Zuid-Amerika, Afrika, India en Australië aan vastgezeten hadden, alleen komen te liggen en toen was er een golfstroom om heen gaan draaien (door de draaiing van de Aarde om haar as). Die sneed Antarctica af van de warmte-uitwisseling. De sneeuw die er in de winter viel verdween in de zomer niet meer, Antarctica ging verijzen. Het werd een koelkast op die warme Aarde en die deed de temperatuur op de hele wereld dalen. Veel water werd vastgehouden in die koelkast dus het werd ook droger op de Aarde. De brede regenwoudgordel versmalde zich tot een riem om de evenaar, ongeveer zoals het vandaag is.

Ons Verhaal begint acht miljoen jaar geleden. Toen was namelijk het regenwoud op de plek waar onze vroegste voorouders leefden, aan de beurt om te verdwijnen. De voorouders van de bonobo’s en de chimpansees daarentegen (sterk verwante soorten, wij hebben het meeste weg van de bonobo’s) leefden rond de evenaar, dus hun leefgebied bleef zoals het was en dus konden ook zij blijven zoals ze waren. Dat is heel leerzaam voor ons want nu kunnen we aan hen nog zien hoe onze vroegste voorouders van karakter waren en hoe ze eruitzagen.

De voorouders van de mensen zaten in Noordoost Afrika – hun oudste fossielen worden gevonden in Eritrea, Ethiopië en Kenia. Fossielen-onderzoekers zoals de beroemde Tin White zeggen, dat die streek het venster is waardoor wij naar ons vroegste verleden kunnen kijken.
Acht miljoen jaar geleden kwamen de mensapenpopulaties daar voor de keus te staan: mee uitsterven met het regenwoud of zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Wij zijn afkomstig van een populatie die zich heeft weten aan te passen. Maar aanpassen betekent veranderen, en dan word je een andere soort.

Op een dergelijke manier zijn al die verschillende soorten van leven ooit ontstaan op de Aarde. Evolutie werkt als volgt. Een soort (een groep levensvormen die van dezelfde voedselbron leven en die met elkaar kunnen kruisen en nakomelingen krijgen) is afgestemd op een bepaalde leefomgeving. Wetenschappers noemen dat een niche. Wanneer die leefomgeving door een plotselinge ernstige klimaatverandering wijzigt, sterft die soort uit. Maar meestal gaat dat niet zo snel en weet een randpopulatie die al eerder met die verandering te maken heeft gekregen en al heeft kunnen beginnen met aanpassen, te overleven. Aangepast aan de nieuwe situatie. Die kan dan uitgroeien tot de nieuwe hoofdsoort … totdat er weer een nieuwe verandering plaatsgrijpt, en zo voort.

savanna2 Wat komt er voor regenwoud in de plaats wanneer het verdwijnt? Savanne. Een veel gevarieerdere omgeving dan het ‘saaie’ regenwoud: uitgestrekte gebieden met gras of met ondoordringbaar struikgewas en met (open) bossen langs de oevers van meren en rivieren. En met nog iets nieuws: seizoenen, afwisseling van een korte natte tijd en een maandenlange droge tijd. Wacht, ik zoek een plaatje … mm – maar dan veel bosrijker dan zoals dit vandaag.

Onze bonobo-voorouders ‘woonden’ natuurlijk in die bossen: ze konden nog niet op de grond overnachten (te gevaarlijk wegens de roofdieren) en moesten nog steeds hun nesten kunnen maken in de toppen van de bomen. Elke avond vlecht ieder dan een platformpje om op te slapen, door het naar elkaar toe trekken en ineenvlechten van takken en twijgen. Kinderen leren het spelenderwijs, maar gaan toch maar bij mama op haar platform slapen, tot ze groot genoeg zijn naar mama’s oordeel. Het ‘spenen’ (dat ze niet meer aan mama’s borst mogen en ze voortaan op eigen platform moeten slapen) geeft altijd weer wekenlang gekrijs en gedoe.

Maar geen vruchtbomen meer. Voor hun eten waren ze steeds vaker en steeds verder die steeds uitgestrektere open terreinen op gemoeten. Maar die waren stikgevaarlijk. Niet vanwege die kuddes graseters (gnoes, zebra’s, giraffen, antilopen en noem de soorten maar op) maar vanwege de roofdieren die daar weer van leefden. Die lusten natuurlijk ook mensaap. Graag zelfs, want mensapen zijn niet, zoals de graseters, op snelheid ‘gefokt’ (door de natuur: de snelste individuen hebben de meeste kans om te overleven en kinderen te krijgen en die laatsten krijgen die snelle eigenschappen mee en geven die weer door; natuurlijke selectie heet dat ‘fok’-mechanisme van de natuur), ze hebben geen horens, geen scherpe hoeven waarmee ze dodelijke klappen kunnen uitdelen, geen klauwen, geen enorme afmetingen zoals de olifanten, niets van dat alles. Reddeloos verloren, zou je zeggen…

Mooi niet. Mensapen kennen een kunstje dat andere dieren niet kunnen: gooien met iets. Ze gooien met van alles als ze door een roofdier belaagd worden. Ook in het regenwoud zijn roofdieren, bijvoorbeeld luipaarden, maar die krijgen van alles naar hun kop geslingerd door onze regenwoudfamilieleden. Verdediging op afstand.

De roofdieren op de savanne waren toen een slag groter dan vandaag. Behalve reuzenleeuwen zwierven er drie soorten sabeltandtijgers rond, naast de gewone luipaarden en cheeta’s en zo. En: troepen reuzenhyena’s. De neushoorns hadden de afmeting van een volkswagenbusje.

De sabeltandtijgers zijn gespecialiseerd in het verscheuren van dikhuiden zoals olifant-achtigen, nijlpaarden en neushoorns. Dat deden ze (ze zijn uitgestorven) door onder zo’n vleeskolos door te rennen, met die vlijmscherpe sabels de weke buik open rijtend. En dan maar van een afstandje afwachten tot de reddeloos verloren kolos door de knieën gaat: de natuur is wreed en kent geen mededogen. Ze leefden van de ingewanden van die arme dieren, want voor het spiervlees waren die sabeltanden veel te kwetsbaar. Dus zodra ze hun buik vol hadden van de ingewanden en van het getreiter van de ongeduldig wachtende hyena’s hielden ze hun prooi voor gezien. Vanwege die constante kadavertoevoer waren de hyena’s van die tijd dan ook reuzen-hyena’s.

Onze vroegste voorouders moesten, omdat hun nieuwe voedselterrein zo veel gevaarlijker was geworden, ‘professionele’ gooiers worden. Dat is dan nog maar één van de eigenschappen die ze als regenwoudapen al hadden, welke ze noodgedwongen zijn gaan ‘professionaliseren’, zoals we nog zullen gaan zien. Hun nieuwe leefomgeving was heel anders dan het voorouderlijke regenwoud, dus ze werden zelf ook anders.

Waar kun je als ‘professional’ het beste mee gooien? Met stenen natuurlijk: die kun je overal wel vinden en die doen behoorlijk pijn als je die tegen je kop krijgt ook al ben je een sabeltandtijger.

Maar die wapens moet je dan wel bij je hebben op de savanne: hongerige roofdieren liggen altijd op de loer voor momenten van onwaakzaamheid. Hoe moet je als mensaap nou stenen meedragen? Met je handen natuurlijk. Zware dingen dragen mensapen in hun handen en daarbij lopen ze op twee benen. Ze zijn er niet op gebouwd, maar ze kunnen het beter dan een paard of een hond, zelfs beter dan een beer. Ongeveer zo goed als wij op één been hinken. Doe je normaal ook alleen als het moet. Dát is het tweede vermogen dat ze hebben moeten professionaliseren. Het ging allemaal heel geleidelijk, ze hebben er wel een miljoen jaar voor uit kunnen trekken om de nodige lichamelijke aanpassingen te ontwikkelen: bilspieren, langere benen, aderen met klepjes (het hart moet het bloed hoger oppompen), middenrif om de ingewanden op te houden, een geschikter bekken en zo meer. Maar zeven miljoen jaar geleden waren onze vroegste voorouders al volleerde tweebenigen. Uniek in de zoogdierenwereld, die tweebenigheid. Vanaf nu noemen we ze geen mensapen meer maar aapmensen. Wetenschappers spreken dan vaak van Australopithecinen. Wij korten die lange benaming natuurlijk af en noemen ze hier verder AP’s.

Nog meer aanpassingen waren vereist. Hun foerageer- (voedselverzamel-) omgeving was stikgevaarlijk en ze konden daar alleen maar rondstruinen in zeer hechte groepjes, elk ongeveer 15 individuen. Met … een taakverdeling tussen de seksen. Waarom?

Vrouwen moeten hun baby meedragen en ze moeten voedsel verzamelen voor de kinderen en voor iedereen die dat zelf niet kan, dus die kunnen geen hoop stenen meedragen en niet gooien – en laten we eerlijk zijn: vrouwen kunnen nog steeds voor geen meter gooien! – (Oei, laat dit geen handbalster lezen!) Dat gooien was dus mannenwerk. Die zijn trouwens ook 15% sterker.

Van de andere kant: die mannen konden, met hun handen vol wapens, onmogelijk genoeg voedsel verzamelen voor zichzelf. Ze konden hun stenen niet even neer leggen en een knol gaan zitten uitgraven: dat was vanwege de likkebaardende roofdieren veel te link. Kortom, de vrouwen en de grotere kinderen verzamelden het voedsel voor iedereen en de mannen zorgden met hun stenen dat dit in veiligheid kon gebeuren.
Stenen, voedsel en baby’s werden meegedragen in de ‘tassen’ die ze maakten van de dierenvellen die overal lagen te slingeren. Ja, daarom heb ik zo uitgebreid over die sabeltandtijgers verteld. De hyena’s hoefden maar op rondcirkelende gieren te letten: daar had een tijger weer een vleeskolos te pakken dus daar lag hun tafeltje alweer gedekt! De hyena’s gingen echt niet die oneetbare vellen opvreten en misschien ook niet eens de botten. Dus vellen en botten genoeg te vinden. En met hun stenen hamerden ze de botten open om het merg op te peuzelen. Met scherven, verkregen van kapotgegooide stenen, schraapten ze de laatste restjes vlees en vet van de vellen af, en die waren vervolgens geschikt om stenen en andere dingen in mee te dragen. Professionele nestenvlechters als ze van huis uit al waren konden ze ook makkelijk knopen leren leggen.

Maar er was veel meer voedsel te vinden op de savanne. Het hoofdvoedsel was, zeker aanvankelijk, graszaden. Die vermaalden ze met hun tanden. Aan dat werk paste hun gebit zich na honderden generaties aan door een dikkere emaillaag te ontwikkelen voor dat harde spul. Grote hoektanden zoals mensapen die hebben, zitten bij dat maalwerk in de weg, dus die waren bij de AP’s al klein geworden. Fossiele schedels van AP’s worden door de paleontologen herkend aan het gebit met die tot mensentanden verkleinde slagtanden en aan dat dikkere email.
En verder insecten en larven, eieren, klein gedierte als hagedissen en muizen, en vooral ook waterrijke knollen die ze uitgroeven met graafstokken of botsplinters.

Al dit soort uitvindingen werden natuurlijk eerst in één leefgroep als een soort aanwensel door iemand gedaan en door anderen overgenomen. Wanneer het een goedwerkend aanwensel was, deed die groep het beter dan de groepen die dat niet kenden, hield iets meer kinderen in leven en breidde zich uit. Maar doordat jonge vrouwen de groep verlieten om in een andere groep hun kinderen te krijgen (zo voorkomen mensapen inteelt), en de gewoonten om dingen op die manier te doen meenamen, verbreidden die nuttige aanwensels zich ook over andere groepen.

Onze voorouders waren niet de enige mensapen die de overstap op het savanneleven hadden weten te maken. De paleontologen (wetenschappers op het gebied van dierenfossielen) vinden heel wat aapmensfossielen waarvan ze sterk betwijfelen – aan een fossiel hangt geen labeltje – of die afkomstig zijn van voorouders van ons. Aangezien niet uit de lucht zijn komen vallen noemen we die ene succesvolle maar fictieve AP-populatie waar wij van afstammen, onze VOAP’s (voorouder-AP’s).

De VOAP-groepen onderhielden vreedzame betrekkingen om drie redenen. Omdat ze door hun vrouwen familie bleven, omdat hun leefgebied grenzeloos was en … omdat de vrouwen in hun leefgroepen de baas waren. Zo werkt dat bij mensapen: wanneer ze in een hechte groep (moeten) leven zoals in de dierentuin of zoals bij de bonobo’s, dan nemen de vrouwen elkaar in bescherming tegen eventuele agressieve mannetjes. Een man is sterker dan een vrouw, maar tegen twee vrouwen kan hij niet op en voor een clubje schreeuwende en bijtende vrouwen gaat hij haastig op de loop. De bonobo’s leven heel vreedzaam, ook met andere groepen, en alle conflicten lossen ze op met seks. Make love, not war is hun devies, ze worden de ‘hippies van het regenwoud’ genoemd. De VOAP’s waren de ‘hippies van de savanne’.

Agressieve mannetjes? Waarom dat nou weer? Ja, dan moet ik het hier even over de menselijke natuur hebben.

Dat is een ‘drietrapsraket’.
De eerste ‘trap’ is de ikke-ikke-natuur. Bij de primitievere vormen van leven vechten de individuen uitsluitend voor zichzelf om eten en voortplantingskansen. Primitieve levensvormen zoals bacteriën en reptielen kennen alleen het ikke-ikke.
De tweede ‘trap’ is de groepsdieren-natuur. Groepsdieren kunnen hun individuele veiligheid, voedselvoorziening en voortplanting beter realiseren als lid van een groep dan in hun eentje. Maar dat betekent dat ze, om goed als groepslid te functioneren, hun ikke-ikke-neiging moeten opofferen voor het groepsbelang: voor de onderlinge harmonie. De eerste vormen van aardig zijn (het eigenbelang ondergeschikt maken aan het belang van de ander of de groep) verschenen, in de vorm van zorg voor de eigen nakomelingen, bij de groepsdiersoorten. Misschien al bij sommige dinosauriërs, maar zeker bij de vogels. Bij groepsdieren zoals olifanten en dolfijnen ontstonden verfijndere vormen van aardig zijn, zoals gehechtheid en vriendschap. Bij de mensapen, bij de chimpansees vooral, verschenen eigenschappen als medelijden, troost, verzoening (na conflict) en hulpverlening.
Onze VOAP’s heeft het aardig zijn vanwege dat opereren in kleine en hechte groepen de derde en hoogste ‘trap’ bereikt. Hun overleven was toen nog zo hachelijk dat strikte onderlinge harmonie geboden was. Groepen die daar goed in waren, werkten beter samen, hielden iets meer kinderen in leven en overtalligden op den duur de groepen die daar weinig van bakten. Gewoon ‘natuurlijke selectie’ dus.

Dat het vandaag oorlog en geweld en egoïsme is wat de klok slaat, in plaats van aardig zijn, komt doordat onze vooroudere ettelijke tienduizenden jaren geleden door technologische ontwikkeling veel en veel talrijker zijn gaan worden. Zo talrijk dat de groepen met elkaar moesten vechten voor de overleving. Oorlog maakt mannen belangrijk – tot dan toe hadden de mannen altijd braaf gedaan wat de vrouwen zeiden. Maar nu namen ze de macht in handen en ontwikkelden een veel gewelddadiger cultuur. Maar oorlog hadden onze vroege voorouders voordien nooit gekend: al die miljoenen jaren daarvoor leefden ze in hele kleine groepjes, die voor de overleving elkaar hard nodig hadden. Zo lange tijd van onderlinge vrede en harmonie, dat maat onze natuur uit. Die vijftigduizend jaar van overpopulatie heeft onze goede natuur wel gefrustreerd maar niet veranderd. Wij balen nog steeds van oorlog, geweld en egoïsme. En we verlangen nog steeds allemaal ten diepste naar vrede en harmonie. Waarom is er dan toch zoveel oorlog, geweld en egoïsme?

Wel, die drie ‘naturen’: de ikke-ikke-natuur, de groepsdierennatuur en de aardige menselijke natuur spelen alle drie nog hun rol in ieder van ons. Het hangt van de omstandigheden af in welke mate. In een panieksituatie (Brand!!, redde wie zich redden kan!) neemt de eerste ‘trap’, de ikke-ikke-natuur, het heft in handen. Maar dat gebeurt ook in een oorlogssituatie: wanneer jouw groep in overlevingsgevecht raakt met een concurrerende groep. Dus in een overpopulatie-situatie: er kan maar één groep leven van een beperkt voedselgebied (territorium). Panieksituatie als groep dus.
Maar het kan ook in een situatie van macht. Macht corrumpeert: maakt mensen egoïstisch. Het egoïsme kan zelfs toeslaan in een vermeende panieksituatie: als je alleen maar dénkt dat je bedreigd wordt. Dat is natuurlijk altijd het geval in een machtspositie: dan voel je je steeds bedreigd. Superrijke mensen sluiten zich op in beveiligde omgevingen, met bewaking en zo. Gated communities.

Maar onze natuur is aardig. Wij voelen ons alleen gelukkig als we kunnen leven volgens onze aardige natuur (de derde ‘trap’). Superrijken zijn echt niet de gelukkigste mensen. Mensen met macht evenmin. Egoïsten bepaald ook niet.   Als je op een onbewoond eiland zit hoef je met niemand rekening te houden, maar daar zou je al heel snel depressief of gek worden en ellendig aan je eind komen. Een egoïst kan zich wel aso gedragen maar die wordt al snel door de anderen gemeden. De meeste mensen voelen zich het prettigst met aardig zijn voor een ander: wie goed doet, goed ontmoet.

De omstandigheden spelen een grote rol. Als je in een aso-familie geboren wordt (heb je zelf niet voor ’t kiezen) word je aso behandeld en word je zelf ook aso. En al helemaal als je familie ook nog in een aso-buurt woont. Omgekeerd: als je in een aardige familie geboren wordt, word je zelf ook makkelijk aardig.

Maar ook bij een aardig iemand kunnen omstandigheden het individuele eigenbelang de kans geven. Als de kans klein is dat je gepakt (gezien, herkend) word, kom je in de verleiding om je eigenbelang boven het gemeenschapsbelang te stellen. Maar dan komt bij mensen het geweten kijken, het stemmetje in jezelf dat antwoord geeft als je je afvraagt of je iets zou doen of nalaten.

Dat kennen chimpansees nog niet zo, een geweten. En nu zijn we dus weer terug bij die agressieve mannetjes. Wanneer een chimpanseeman die de baas van de groep is geworden, een vrouwtje met een baby tegenkomt waarvan hij weet dat het van zijn verslagen rivaal is, zal hij, als er niemand in de buurt is, de baby afpakken en vermoorden, opeten zelfs. Dat doet hij omdat hij weet dat het vrouwtje dan weer snel ‘loops’ zal worden en dat ze hem dan niet zal durven weigeren. Zij wil hem niet eens weigeren: ze weet namelijk dat haar volgende kind van die geweldenaar wel kansrijk zal zijn. De natuur is wreed en kent geen mededogen.

 

Onze vroegste voorouders trokken dus als ‘hippies van de savanne’ rond in die gevaarlijke open graslanden, de vrouwen en grote kinderen voedselverzamelend en wapperend met hun rechterhand, de mannen met argusogen rondspiedend naar gevaar en zorgend dat niemand zich te ver van de groep verwijderde. Tassen om hun nek, allemaal. Vrouwen hadden dierenblazen met water gevuld, want kinderen drogen nogal snel uit. Bij de drinkplaatsen was het extra uitkijken want daar liggen de roofdieren maar ook krokodillen op de loer. De AP’s kennen hun gebied als hun draagtas en ze weten al in welk bos ze straks zullen gaan eten (het verzamelde voedsel verdelen) en zullen gaan slapen. Maar wat doen die vrouwen toch met hun handen? Ze maken voortdurend opgewekt kwekkende geluiden maar ze gebaren daarbij veel met hun rechterhand …

namen voor de dingen

Ze moesten als VOAP’s heel wat meer weten dan hun regenwoudvoorouders. In een regenwoud hangt het voedsel aan de bomen en veel meer dan waar de volgende boom staat hoef je dan niet te weten. Er was voedsel genoeg te vinden op de savanne, maar om het te verzamelen moest je er alle eigenschappen van kennen en deze kennis moest je ook kunnen doorgeven en uitwisselen.

Kortom, ze konden niet langer uit de voeten met de normale beperkte mensapencommunicatie. Dus waren die vrouwen vanaf het begin hun handige handen met die tien vingers ook gaan gebruiken om er dingen mee uit te beelden. Hun kinderen leerden die (nog uiterst primitieve) gebarentaal ook en tenslotte gingen ook de mannen steeds meer met hun handen wapperen.

Heel simpel in het begin, maar na honderden generaties werkte het steeds beter. Voor het eerst in de natuur konden twee dieren het met elkaar ergens over hebben. Alle groepsdieren, olifanten, honden, walvissen en dolfijnen, noem maar op, hebben hun communicatiemogelijkheden en gebruiken die voortdurend. Ze kunnen er hun gevoelens en bedoelingen mee uiten en van de ander aflezen. Maar het met z’n tweeën over iets buiten henzelf hebben, dat kunnen die andere groepsdieren niet. ze beschikken niet over namen voor de dingen.

Dat hebben alleen de VOAP’s, onze eerste voorouders, ontwikkeld. De ene VOAP-vrouw kon het gebaar voor een bepaalde plant maken en dan begreep de ander dat ze die even moest pakken of halen. Ze ontwikkelden gebarenwoorden (je zou ze symbolen of codes kunnen noemen) voor alle dingen die voor hen belangrijk waren, zoals voedsel (water, een bepaalde vrucht of knol, honing), een bepaalde handeling (geef mij, ga naar), een omgevingselement (rivier, bos, kloof) enzovoort, door deze dingen met de handen na te bootsen.

Omdat het bevorderlijk was voor de samenwerking – ze konden bijvoorbeeld elkaar waarschuwen voor een gevaar dat er nog niet was (eigenschappen van roofdier of slang) – deden de groepen waar dit aanwensel zich verbreidde het beter: meer voedsel en veiligheid, meer in leven blijvende baby’s, enfin, het principe van de natuurlijke selectie.

Met z’n tweeën of met z’n allen kunnen communiceren over iets buiten hen of zelfs buiten de groep, het met elkaar kunnen overleggen, dat was niet alleen nieuw in de natuur, het gaf ook macht óver de natuur. Stel je voor dat de koeien in de wei ineens met elkaar een vergadering konden gaan beleggen: de boer zou het op z’n zenuwen krijgen! Als de andere dieren op de savanne, de hyena’s of de sabeltandtijgers ook over dit vermogen waren gaan beschikken, was het er voor ons heel akelig uit gaan zien. Maar nu zitten zelfs de grootste en sterkste en gevaarlijkste dieren bij ons in de dierentuin en wij bij geen van alle. Zo machtig heeft het kunnen beschikken van namen voor de dingen dat onaanzienlijke ondersoortje mensapen ergens in het Afrika van tig miljoen jaar geleden gemaakt.

Maar het is heel, heel langzaam gegaan. Ze begonnen er al meteen mee, met dat handige aanwensel, dus laten we zeggen zes miljoen jaar geleden. En pas twee en een half miljoen jaar geleden hebben ze er echt het bewijs van laten zien: het gaan gebruiken van het vuur.

Pas na drie miljoen jaar! Dat kwam omdat hun leefomgeving in al die voorafgaande miljoenen jaren nauwelijks veranderde. Eenmaal zo’n bosrijke savanne geworden bleef het zo, en dus was er voor de VOAP’s ook weinig aanleiding om de dingen anders te gaan doen dan ze deden.
Maar twee en een half miljoen jaar geleden trad er een nieuwe klimaatverandering in. Weer door dat voortdurend wegdrijven van die continenten. Welke oorzaak nu precies, dat laat ik maar zitten anders wordt het Verhaal veel te lang, maar de geologen kunnen je het precies vertellen. In elk geval verijsde nu ook Arctica (de noordpool dus).
Weer nog koeler en droger: de IJstijden begonnen. Dat is de periode dat er telkens enorme ijsvlakten ontstaan op de polen en in bergachtige streken zoals Zwitserland. Enorme gletsjers die enorme hoeveelheden water vastzetten zodat de zeespiegel wel honderd vijftig meter daalt en bijvoorbeeld Engeland en Ierland één geheel worden met de rest van Europa. De ijskappen strekken zich vanaf de noordpool tot aan bijvoorbeeld halverwege ons land uit. (Als ik vanuit mijn huisje richting Nijmegen kijk, zie ik de stuwwal van de eervorige ijstijd nog steeds liggen en waar ik dit schrijf was toen een honderd meter hoge muur van ijs). Duizenden jaren lang Siberië … om dan langzaam weer warmer te worden. Zo warm dat het hier subtropisch werd en je in Engeland bijvoorbeeld nu nog fossiele krokodillentanden kunt opgraven. Op en neer, de ijstijden. Vanaf twee miljoen jaar geleden tot nu: we zitten nu in een tamelijk warme periode.

De regenwouden trokken zich nog verder terug, er bleven vaak slechts een paar geïsoleerde ‘dotten’ van over. De bonobo-achtige voorouders van de chimpansees hebben er meer mee te maken gekregen. Hun regenwouden krompen telkens enorm in en breidden zich in de warme perioden weer uit. Telkens weer die overlevingsgevechten tussen hun groepen. Vandaar dat chimpansees er grimmiger uitzien: ze zijn de nakomelingen van de overlevende vechtersbazen. De bonobo-achtige voorouders van de bonobo’s hebben het echter nooit zonder hun regenwoud hoeven te stellen omdat het precies op de evenaar ligt, en hebben nooit van die overlevingsgevechten hoeven te leveren. Die bleven zoals ze van oorsprong waren en vandaar dat de onderzoekers kunnen beweren dat die er nog steeds uitzien zoals en zich gedragen als onze VOAP’s.

Een mooie website over bonobo’s is http://bonobo.org/whatisabonobo.html

Twee miljoen jaar geleden begonnen dus de IJstijden. De savannen werden nu woestijnen. Weer uitsterving of aanpassing van een boel soorten, weer een kritieke tijd voor onze voorouders, die het uiterste vergde van hun vindingrijkheid en hun aanpassingsvermogen.

En wat vonden de dames uit? Ze gingen het vuur gebruiken. Want met vuur kun je dingen die anders oneetbaar zijn, door te koken of te braden eetbaar maken. De heren konden met vuur andere dieren de stuipen op het lijf jagen en prooidieren in een gewenste hoek drijven. En alweer: het hoeft maar één dame geweest te zijn die haar vrees overwon en een brandende tak van een natuurlijke brand (in de droge tijd ontstaan die op de savanne heel makkelijk) meesleepte en ging ‘voeden’ met andere droge takken. Toen ze dat eenmaal onder de knie had, kon ze dingen koken en braden en zo haar kinderen van meer voedsel voorzien. Hun menu breidde zich uit. Ook deze uitvinding verspreidde zich natuurlijk als een ‘lopend vuurtje’ onder de VOAP-groepen.

Dieren gaan instinctief voor het vuur op de loop. Hoe kon deze VOAP-dame haar instinctieve angst overwinnen? Hoe kon ze haar natuurlijke algemeen-dierlijke reactie om voor vuur op de loop te gaan, bedwingen? Omdat ze er een naam voor hadden. Dat gaf haar er een gevoel van macht over.

En ze deed het natuurlijk niet op d’r eentje, ze deed het in overleg met de groep en ze hadden het er al vaak genoeg over gehad. En misschien waren het wel een paar ondernemende knaapjes geweest die er het eerst mee aan de gang geweest waren. Misschien had ze als meisje daar aan meegedaan en ging ze nu als vrouw er wat mee doen. Maak je eigen verhaal maar, ik verzin het mijne ook ter plekke. Je zou ook kunnen bedenken dat ze leerden vuur te maken door de vonkjes die bij het maken van scherpe steenscherven van de vuursteenklomp afsprongen (heet niet voor niks vuursteen!), vanaf toen niet langer in paniek uittrapten.

Maar dat ze dat toen (zie www.btinternet.com/~neuronaut/webtwo_­features_fire.htm ) zijn gaan doen, daar zijn harde bewijzen voor. Niet alleen dat een lang aangehouden vuurplaats veranderingen in de ondergrond achterlaat die na miljoenen jaren nog kunnen worden gemeten. Maar ook: de VOAP’s zijn in ‘korte’ tijd van gestalte flink gegroeid door het uitgebreidere menu en de betere voeding.

Men noemt die mensachtigere voorouders dan ook geen AP meer maar Homo Erectus. Kort ik hier af tot HE’s, als je ’t goed vindt. In 1984 is er in Kenia, bij het Turkanameer, een vrijwel volledig fossiel skelet gevonden van een twaalfjarige HE-jongen, Nariokotome-boy genoemd (naar de vindplaats). De AP’s waren nauwelijks groter dan de huidige bonobo’s, dus zo’n 1.20 lang. Nariokotome-boy had wel 1.70 lang kunnen worden. Hij had nu al de lengte van een huidige twaalfjarige; maar dan wel met zwaardere botten, dus veel en veel sterker. Je weet dat een chimpanseekleuter al sterker is dan jij? Een volwassen chimpansee heeft de kracht van vier atleten; maar doordat hij ook nog vreselijk kan schoppen, stompen en vooral bijten zou hij ze nog verre de baas blijven. Nariokotome-boy zal al minder sterk zijn geweest, laten we zeggen als twee atleten. Nou zeg, daar droom ik wel eens van, dat ik zo sterk was! Maar goed dat het bij een droom blijft, want in werkelijkheid wordt dat al gauw een nachtmerrie: alles wat je omhelst of hanteert, legt het loodje. Het is niet voor niets dat die oerkracht geleidelijk verdwenen is: die zou ons alleen maar hinderen in de dagelijkse praktijk. Bovendien: ook dagdromen zijn (aangenaam maar toch) bedrog.

De HE’s hoefden nu niet langer in de bomen te overnachten (met die grote gestalten zouden die takkenplatformpjes ook wat ongemakkelijk worden): ze konden de roofdieren met een kampvuur van hun kampplaatsen verwijderd houden. Ze konden ermee naar koelere streken migreren en ze verspreidden zich vanaf toen over Eurazië (Europa en Azië is één continent). Hun nakomelingen zijn vanaf 25.000 jaar geleden de Neanderthalers (NT’s) en vanaf 10.000 jaar geleden de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s): onze directe voorouders dus. Alle huidige mensen op de Aarde zijn AMM-nakomelingen. De NT’s zijn 30.000 jaar geleden uitgestorven.

de AMM’s

Nu is ons Verhaal rond, op één ding na. Ons praten.

Want de AP-dames begonnen toch met de namen voor de dingen in gebarentaal? Experimenten om mensapen taal te leren, lukt met leren praten van geen kant, maar met gebarentaal lukt dat wel. Tot op zekere hoogte dan, want ze missen natuurlijk het taalvermogen waar wij als kinderen mee ter wereld komen, net als met de aanleg tot het op twee benen gaan lopen. Dat is een menselijke erfenis van miljoenen jaren praktijk en die valt in één mensapenleven niet bij te spijkeren natuurlijk.

Waarom lukt het een mensaap niet om te praten? Zelfs de NT’s zijn waarschijnlijkheid nog steeds voornamelijk gebarentaalsprekers geweest, al zullen ze er heel wat begeleidende klanken bij hebben uitgebracht zoals de VOAP-dames dat al deden. En de NT’s zullen zeker al wel hebben kunnen zingen, al zal dat nog niet zo welluidend hebben geklonken als Marco Borsato. Waarom niet praten?

Omdat mensapen, tot en met de NT’s, nog geen toereikend grote keelholte compleet met beweeglijke brede tong hebben om spraakklanken mee te vormen. Want hoe vormen wij onze woorden? Met fonemen (spraakklanken), zeg maar de letters van het alfabet. Een f betekent niks, een o ook niet, een n al evenmin en hetzelfde geldt voor een ee en een m. Maar samen kun je er ‘foneem’ mee vormen, of ‘een mof’ of ‘of neem’. De fonemen zijn dus de bouwstenen waarmee wij een onbeperkt aantal woorden kunnen vormen, een woordenschat. Het Nederlands kent 45 fonemen. Wel, die moet je kunnen ‘articuleren’ en daar heb je de juiste spraak-apparatuur voor nodig: keelholte en tong.

Gebarentaal, de taal van doofstommen onder elkaar, is compleet taal en doet in niets onder voor onze spraakklankentaal (al is het wel een totaal andere taal). Maar met elkaar communiceren in het duister, of om een hoekje, dat lukt niet. Probeer elkaar maar eens aanwijzingen te geven bij het manoeuvreren van een grote kast door het trapgat, met gebarentaal. Je kunt er dus ook een boel niét mee, en dus is er altijd wel een druk geweest om steeds meer betekenisvolle spraakklanken te gaan gebruiken bij je gebarentaal. Maar dat wil pas echt lukken als je er de ‘apparatuur’ voor hebt: die grotere keelholte en de bredere tong.

Die kregen de AMM’s. De AMM’s hebben zich ontwikkeld in Noord-Afrika, uit de aldaar levende HE-populaties. De NT’s waren ijstijden-types, dus met korte en gedrongen gestaltes, net als de hedendaagse Inuit (Eskimo’s). Met een korte en gedrongen gestalte verlies je minder snel warmte, vandaar. Maar in die hete streken van Noord-Afrika heb je meer aan een gestalte waarbij je gemakkelijk warmte kwijtraakt, dus lang en dun. Dat kun je zelfs al aan Nariokotome-boy zien.

Welnu. Met een lange en dunne gestalte krijg je ook makkelijk een langere nek. Onze baby’s worden nog steeds als NT’s geboren: met zo’n kort nekkie dat hun hoofdje zo in hun schouders lijkt over te gaan. Zo zagen de NT-nekken er ook uit. Maar de AMM-nekken werden langer en samen met de druk op het steeds meer gaan gebruiken van je stem als spraakorgaan ontwikkelden die het vermogen om voornamelijk met spraakklanken te gaan praten. Ik zeg voornamelijk, want nog steeds hebben wij de neiging om onze spraak met gebaren te ondersteunen. Alleen zijn die gebaren tamelijk betekenisloos geworden en daarom noemen we dat gesticuleren. Maar uit een pas gepubliceerd onderzoek blijkt dat mededelingen die begeleid zijn met gesticulatie, vlotter geformuleerd, gemakkelijker begrepen en beter onthouden worden dan mededelingen zonder gesticulatie. Een spreker op het spreekgestoelte komt met zijn handen in zijn zakken – als hem dat al lukt – stukken slechter over.

Maar heeft gebarentaal dan ook zoiets als fonemen? Jawel. Een doorsnee-gebarentaal – want daar heb je er net zo veel van als gewone talen – kent cheremen als bouwstenen van gebarentaal-woorden. Vierentwintig verschillende handbewegingen (bijvoorbeeld op en neer bewegen), twaalf handplaatsingen (bv de wang) en negentien handvormen (bv wijzende hand). Samen vijfenvijftig cheremen, gebarenbouwstenen waarmee een onbeperkt aantal gebarenwoorden kan worden gevormd, een gebarenwoordenschat dus.

Ik hecht zo aan die woordenschat om de volgende reden. Alle groepsdieren hebben wel een paar communicatiekreten of lichaamshoudingen waar ze één speciaal ding mee aanduiden. Dat zou je dan ook een naam of woord kunnen noemen. Oké. Maar ónze VOAP’s zijn álle dingen uit hun omgeving namen gaan geven. Ze ontwikkelden een woordenschat. Ze zijn in een geheel benoemde wereld komen te leven. Gegeven de afstand die het kunnen noemen van iets schept, een afstand tussen de benoemer en het benoemde, konden ónze voorouders zich dus ietwat onafhankelijk gaan opstellen in hun wereld, in hun leefomgeving met alles wat daarin is. Het gaf hen er een gevoel van macht over. Dat heeft geen enkel ander dier. Dat is het dat ónze voorouders van een onaanzienlijk ondersoortje mensapen ergens in Afrika tot dé dominante soort op Aarde heeft doen worden. Zelfs de grootste en meest woeste dieren zitten bij ons in de dierentuin en wij bij geen enkele andere soort, onthoud dat.

Als er nog vragen zijn: fcouwenb@mens2000.nl

En denk er om, ik hoor graag of je van mijn spreekbeurtmateriaal gebruik gemaakt hebt en hoe het gegaan is. En wat voor punt je er mee gehaald hebt. En wat voor reacties je kreeg. En wat ik nog moet veranderen aan mijn tekst. Want ik ben niet voor niks een ex-leraar (Nederlands).

Waartoe zijn wij op Aarde?

Impressie van de Aarde in kwestie. Zij is een planeetje rond het kleine gele sterretje dat je met een goed vergrootglas nog net kunt ontwaren halverwege twee van de buitenste armen. Om het unieke micro-planeetje Aarde te zien heb je een microscoop nodig. Bedenk hierbij dat onze Melkweg (deze ‘impressie’ laat hem zien van bovenaf of onderaf, maar vanaf Aarde zien wij ‘ons’ sterrenstelsel van de zijkant, als een lichtende baan aan de nachtelijke hemel) slechts één van de honderden miljarden sterrenstelsels is van het heelal. De sterrenstelsels bevinden zich meest in clusters. Tussen die clusters in is het heelal vooral leeg, op de zg. donkere materie na, een van de grote problemen van de kosmologie. Ach, we weten nog maar zo weinig. Maar zelfs dit ene besef is al zo veel meer dan de oude kerkvaders wisten …

door

Frans Couwenbergh

(update 14 feb.07
INHOUD

Inleiding

Hoofdstuk I over het verhaalloos worden van onze samenleving

Hoofdstuk II ons aller ontstaansverhaal

Besluit

inleiding

“Waartoe zijn wij op aarde?”

Dat vraagt de lezer(-es) van deze site zich af, anders had zij/hij de tekst niet opgezocht.

Voor mij betekent dit dat geachte lezer(-es) dan een oudere ex-katholiek moet wezen!

Waarom? Omdat deze vraag letterlijk de eerste is uit de catechismus, die elk katholiek kind in de jaren vijftig van de vorige eeuw[1] in de eerste vier leerjaren van de lagere school uit het hoofd moest kunnen opdreunen. Ik weet niet of de kinderen met ouders van andere confessies beter af waren maar voor ons – ik heb er ook aan moeten geloven – was het een plaag. (Nou ja, de onderscheidingsdrang welke mij toen al kenmerkte, maakte het kunnen opdreunen voor mij ook een prestigemogelijkheid.)

Waarom ex-? Wanneer u nog steeds praktiserend katholiek zou zijn, lag het antwoord voor u al vastgelegd in uw denken. En: dan bezocht u geen sites als deze.

U bent hier als ex- helemaal aan het juiste adres. U krijgt hier niet alleen uitleg hoe u ex- bent gewórden – ook al is het nog zo’n individueel gevecht, de omstandigheden waarin u in gevecht geraakt bent liggen buiten u – maar ook hoe u nieuwe zingeving kunt verwerven, die ook nog eens meer aan uw diepste wensen tegemoet komt. Want dat is het waar uw vraag in wezen om draait: om zingeving.

Evengoed een rare vraag eigenlijk. Hij veronderstelt een Bedoeler. Een Hoger Wezen dat uw er-zijn, of van ons (mensheids-) er-zijn bedoeld heeft. Uw vraag zou dan luiden: wat heeft de Bedoeler met mijn of ons er-zijn voor? En dan ook nog: “op aarde”! Net of iemand ook ergens anders zou kunnen toeven. Als je even naar die Melkweg-impressie kijkt op het titelblad, weet je al genoeg. De catechismusvraag gaat er van uit dat u in een hemel gelooft waar u, althans uw ziel, na uw overlijden voortleeft (voor zover een ziel leeft dan). Maar dat geloof heeft u verlaten (om het even wat in dit zinnetje onderwerp of lijdend voorwerp is).

Maar aan deze onzin denkt u allemaal niet, u bedoelt gewoon: wat is de zin van mijn leven en ons samenleven, nu de zingeving van vroeger is weggevallen. En dat vraagt niet alleen u, ex-katholiek, zich af maar ook heel wat jongeren die nooit ‘iets’ zijn geweest. Ik citeer de 26-jarige acteur Thijs Römer, in het interview in de Volkskrant van 19 februari 2005 (braaf plakboek!): ‘Als ik niet werk, als ik niets doe, krijg ik last van de hamvraag. Wie ben ik en waarom ben ik hier? Daar heb ik dus geen antwoord op.’

Een heel menselijke vraag dus, waarop al lang een bevredigend antwoord had moeten klaarliggen. Voorgebakken door mensen die er in doorgeleerd hebben. Door onze filosofen dus. Waar dienen die anders voor? Wat voeren die lui uit eigenlijk?

Wees er maar van verzekerd dat die meer uren maken dan een bouwvakker, zonder er meer voor betaald te krijgen. Maar waar ze het dan zo stervensdruk mee hebben, daar schieten u en ik vaak weinig mee op, inderdaad. We krijgen het er nog over.

Wat is de zin van uw leven en van ons samenleven, daar bent u naar op zoek en daar hoop ik zinnige dingen over naar voren te brengen.

we zijn alleen

Dat moet ik vooropstellen. Er is geen Bedoeler, geen Hogere Macht die “has got the whole world in His hands”. Net als The Brights[2] ga ik er van uit dat u inmiddels een ‘naturalistische’ kijk op uw bestaan hebt – hetgeen inhoudt dat u niet langer gelooft in een voortbestaan na het overlijden, in een hemel of wat dan ook.

Voor iemand die nog nooit, zoals ik op de Daalseweg in Nijmegen in mijn derde studiejaar (1960), of iemand anders op een andere willekeurige plek en op enig moment, tot zich heeft laten doordringen dat we echt alleen zijn, op deze schitterende blauwe planeet die haar rondjes draait rond een geel sterretje in een overal[3], zelfs binnen het eigen zonnestelsel, onherbergzaam heelal – voor die vrouw of man is het een moeilijk te verteren gedachte dat ons bestaan niet door een Hoger Wezen geschapen of bedoeld is. De gedachte dat er echt niemand is die alles op de wereld in Zijn handen houdt, geen Alles-bestierder of Hoger Wezen, deze gedachte is voor de meeste mensen met een godsdienstige achtergrond ondraaglijk licht. Want dan wordt de catechismusvraag “Waartoe zijn wij op aarde?” ineens een echte vraag en is het geïndoctrineerde antwoord foetsie.

Als je dan (ik toen op de Daalseweg) na vaak al jaren door deze enge gedachte belaagd te zijn geweest, op zeker moment jezelf voorneemt om God definitief uit je mens- en wereldbeeld weg te gummen en tot je te laten doordringen dat we écht alleen zijn … ervaar je even een gevoel van existentiële verlatenheid. Je voelt heel even, dwars door eventuele zonnewarmte heen, de kou van het immense heelal onze dwergplaneet overvallen. Maar dan kijk je om je heen en zie je dat de mensen op straat gewoon hun boodschappen blijven doen en dat onze wereld gewoon doordraait zoals ze dat al 4,57 miljard jaar doet.

Vanaf dat moment voel je, heel gek, wel meer de medeverantwoordelijkheid om dat planeetje zo leefbaar mogelijk te houden. En voel je je meer met je medemensen verbonden. Omdat we het hier samen moeten zien te redden.

Er is voor een naturalistisch in het leven staand mens geen ander antwoord op uw vraag Waartoe zijn wij op aarde? te geven, dan: nergens toe. Er is geen Bedoeler die u of mij of de mensheid geschapen heeft. We zijn gewoon op aarde gegroeid, als één van de vele levensvormen. We zijn er gewoon, en we moeten er het beste van zien te maken.

Wel een beetje kaal en kil antwoord. Maar ik beloof u dat deze tekst u een veel rijker mens- en wereldbeeld zal bieden dan het oude dat u verloren hebt.

onze filosofen

We zijn één van de vele levensvormen. Maar wel een heel unieke en afwijkende.

Over hóe we dat geworden zijn – ook een goeie vraag toch? – weten onze filosofen ook al geen antwoord aan te dragen. En als je hen die vraag toch stelt, dan antwoorden ze dat het een heel goeie vraag is! En dat het er maar vooral om gaat, de juiste vragen te stellen!

Nee, aan antwoorden doen ze niet. Hooguit komt er een filosoof met de flauwiteit dat we juist heel blij mee moeten zijn[4] dat het leven geen zin heeft.

Ja, ik doe nu de vele prachtige filosofen die ons taalgebiedje alleen al telt, zwaar onrecht, en ik schaam me bij voorbaat. Maar waarom is er dan geen antwoord zoals deze tekst op die goeie vraag wél biedt, van de hand van welke filosoof dan ook?

Het kan overigens erger. De aan de weg timmerende rechtsfilosoof Hans Kinneging roept: “De mens is van nature een “woeste barbaar, die zonder bedenken moordt en rooft.” (Trouw, Letter&Geest, 30 mrt. ’96). En hij kan dat straffeloos roepen ook nog. Omdat er geen boek is waarin de menselijke natuur wordt beschreven[5]. Niet dat hij in zijn boude stellingname door alle filosofen wordt bijgevallen, maar er is ook niemand die hem met argumenten weerspreekt.

Je voelt met je klompen aan dat hij het mis heeft. Ook al gebeurt er van alle mogelijke rottigheid in de wereld, je ziet toch elke dag ook het tegendeel van de ‘woest barbaar’ om je heen. De tv-reclames laten altijd een aardig mensbeeld zien. Mensen nemen het normaal op voor elkaar, zijn aardig voor elkaar en springen in het water om een drenkeling te redden. En wanneer dat onverhoopt een keer niet gebeurt, is iedereen ontzet. In de verwarrende eerste uren van de stroomuitval waren de Newyorkers aardig voor elkaar, zo kopte de krant[6]. En zo schieten u zelf ook genoeg voorbeelden te binnen. Voor menig filosoof was het een gegeven dat wij uit onszelf naar het goede verlangen en dat ook doen zonder welk kerkelijk gebod dan ook, en voor Immanuel Kant (1724-1804) die ook vandaag nog als topfilosoof geldt, was het zelfs een cathegorisch imperatief.

Is dat aardige dan soms tegennatuurlijk gedrag, Kinneging? Als mensen van nature gewelddadig en misdadig zouden zijn, zouden wij toch geniéten van oorlog en geweld, immers zo lekker in de lijn van onze natuur liggend? En zouden wij kwaadaardig gedrag bij onze kinderen toch juist aanmoedigen? Het tegendeel is het geval: wij balen als een stekker bij zinloos geweld, en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes, bloemen en beertjes.

Waar haalt zo’n filosoof toch dat onjuiste, ontmoedigende en dus contraproductieve mensbeeld vandaan? Het simpele antwoord is: filosofen hebben nooit anders geleerd in hun opleiding. Voor de oude filosofen was ‘de mens’ ook ten kwade geneigd. En het postmodernísme heeft onze filosofen al helemaal tot geestelijke impotentie gebracht.

Dat met de natte vinger tot stand gekomen negatieve mens-idee kun je de oude Grieken noch Thomas Hobbes kwalijk nemen: die hadden nog geen menswetenschappen tot hun beschikking om tot een gefundeerd standpunt inzake de menselijke natuur te komen. Voor onze filosofen zijn die kennisbronnen intussen volop beschikbaar, maar ze doen er vooralsnog niets mee. Van de ene kant heb ik daar begrip voor: filosofen zijn ook maar mensen, staan onder druk van colleges geven, van vakliteratuur bijhouden en publiceren; vaak ook van deelnemen aan de maatschappelijke discussie en dus dag- en weekbladen bijhouden; en ze hebben ook nog man/vrouw en evt. kinderen die ze niet mogen verwaarlozen, noch hun relaties. Het je dan ook nog eens op een veelheid van andere vakgebieden begeven (en dat is een onvermijdelijke eis) om de menselijke natuur te reconstrueren is eigenlijk niet meer te behappen. Van de andere kant : we kunnen niet blijven voortmodderen met dat oude patriarchale, ontmoedigende en contraproductieve mensbeeld.

De westerse filosofie, geboren met de eerste vormen van vrije markt: in de Griekse stadstaten, begon als natuurfilosofie en met een bereidheid tot het onderzoeken van alle dingen. Het zou in de rede liggen dat met de doorbraak van de echte vrije markt in de jaren zestig de filosofie opnieuw natuurfilosofie zou worden, dus met weetgierige ogen op de groeiende inbreng van alle mens- en natuurwetenschappen. Maar door weet ik welke oorzaak (invloed van de existentiefilosofie misschien?) is de continentale filosofie van de Tweede Wereldoorlog decennia lang door de foute Heidegger gedomineerd geweest. Reden waarom ik in mijn studententijd de filosofiecolleges al gauw voor gezien hield.

De Amerikaanse filosofie heeft daar minder last van gehad. Het oog houden op de inbreng van alle mens- en natuurwetenschappen is een instelling die door de Amerikaanse[7] filosoof Rorty bepleit wordt. De filosoof moet weer een uomo universale worden: iemand die kennis neemt van een veelheid van disciplines zonder zich in één ervan te verdiepen of er een bijdrage aan te willen leveren, zo vindt Rorty.

De werkelijkheid is dat de filosofie zelf al lang is uiteengevallen in een veelheid van subdisciplines. Oké, één van die subdisciplines dan, de filosofische antropologie? Michael Landmann schrijft in zijn standaardwerk Philosophische antropologie (Berlijn, 1964): “De duiding die [de mensheid] van zichzelf geeft, haar voorstelling van zichzelf, van haar wezen en haar bestemming, blijft niet zonder invloed op hetgeen zij daarna ook feitelijk is”. En: “Iedereen voelt vaag dat de vraag naar de mens onze beslissende vraag is.”

Het lijkt dat het fenomenologische getheoretiseer in het voetspoor van Husserl, Heidegger, Gadamer of Ricoeur , wat ik nooit anders heb kunnen zien als betaald hobbyisme van filosofen naar wier talenten maatschappelijk relevanter onderzoek kon fluiten, eindelijk wordt beëindigd. Aan de Universiteit van Amsterdam, het bolwerk ervan, worden de laatste beoefenaars ondergebracht bij de letterenfaculteit, zo las ik in De Groene van 23-9-2000.

Hopelijk gaat de wens van Landmann en Rorty nu in vervulling en gaat er nu door echte vaklui gewerkt worden aan het antwoord op uw vraag: “Waartoe zijn wij op aarde?”

Maar ik betwijfel of hun antwoorden het zullen halen bij wat ik u te bieden heb. Want het blijven filosofen, die vooralsnog geen kaas gegeten hebben van de menselijke natuur.

Hoofstuk I

Over het verhaalloos worden van onze samenleving

de vrije markt en haar televisie

Hoezo ‘verhaalloos’?

Mensen hebben vanaf de vroegste tijden van hun mens-zijn – daarbij moet je denken aan zo’n beetje twee miljoen jaar! – hun leven en wereld altijd beleefd als deel uitmakend van hun scheppingsverhaal. Dat doe ik in hoofdstuk II uit de doeken, dus hier moet u dat nog even gewoon aannemen. Toen de mensen vijfduizend jaar geleden in klassenmaatschappijen kwamen te leven, was het de elite die haar positie legitimeerde met het heersende Verhaal, al dan niet bij monde van een met haar solidaire priesterklasse. Vroeger functioneerde hier het christendom als het heersende Verhaal. Vandaag is driekwart van de mensen buitenkerkelijk en functioneert het niet meer.

Geen heersend systeem zonder een heersend verhaal. Mensen kunnen niet goed samenleven zonder dat er in hun samenleving een verhaal heerst dat de zin geeft aan hun samenleven. Deze tekst draait zo’n beetje om de uitleg over deze menselijke conditie, dus het gaat allemaal heel helder worden. Ik volsta hier even met de constatering dat we een heersend Verhaal nodig hebben om goed te kunnen samenleven, en dat de problemen van ons samenleven vandaag voor een groot deel zijn terug te voeren op het ontbreken ervan. Waarom, of waardoor zijn bij ons de kerken leeg gaan lopen?

Eind vorige eeuw was ik, onderweg naar een werkplek, oorgetuige van een radiodiscussie met een viertal P.I.’s (‘Publieke Intellectuelen’). De vraag was wat er nou in de aflopende eeuw als belangrijkste fenomeen moest worden aangetekend in het boek der geschiedenis. Er werd van alles geopperd, maar niet de televisie. En toch heeft die de wereld van die eeuw en eigenlijk onze hele geschiedenis veranderd. Het laatste wat een vis zal ontdekken is het water waarin hij zwemt, moet je maar denken.

Een terloopse uitvinding. En de goedwillende individuen die het medium televisie binnen ieders bereik brachten, hadden daarbij echt niet de gedacht dat het zulke maatschappelijke veranderingen teweeg zou brengen. Het was weer net zoiets als met onze P.I.’s: individueel vinden ze zichzelf niets voorstellen, maar gezamenlijk bepalen ze elkaars en ons aller denken. De gevolgen van de ‘hobby’ van die goedwillende individuen hebben de hele mensheid in een historisch nieuwe situatie gebracht. Ze zijn ook de oorzaak van uw hamvraag: waartoe zijn wij op aarde? Vóór het televisietijdperk kon u het antwoord nog dromen, geïndoctrineerd als u toen nog werd.

Televisie is met haar bewegende beelden en superbe schijn van werkelijkheid een ongemeen indringend medium. Je kunt er je ogen bijna niet van af houden (– nou ja, dat zeg ik, die zijn televisie op de logeerkamer heeft staan en niet eens meer weet hoe die te bedienen!). Hiermee nu drong de markt vanaf de jaren zestig door tot in alle huis- en bovenkamers, zelfs (of juist) in de nederigste. Het medium was sterker dan het klokgelui en de jaarvullende rituelen van de kerken. Het was er namelijk elke dag en in iéders vrije tijd. Het was er in alle Westerse landen, overal waar de vrije markt heerste.

Ze (‘markt’=vr.) presenteert in haar reclames en shows een mensbeeld ter identificatie. Maar wel: háár mensbeeld.

Dat was tot op dat moment in de geschiedenis het privilege van de kérken geweest, om de mensen hun mensbeeld aan te reiken … Waarom heeft de vrije markt in haar reclames niet gewoon het christelijke mensbeeld overgenomen?

Dat beeld van die zondige en van Gods genade afhankelijke mens? Daar kan de vrije markt echt niets mee. Ze kan om te beginnen niets met godsdienstige of politieke of regionale scheidslijnen tussen de mensen. Wanneer ze die ‘meeneemt‘ in haar reclames, verkleinen die de markt immers. Dus onthoudt de vrije markt-televisie zich angstvallig van iedere godsdienstige of politieke of regionale of andere scheidslijnveronderstellende verwijzing.

Vervolgens kan ze ook niets met dat godvrezende mensbeeld. De mensen moeten juist in volle vrijheid verlangen naar alle genotsmiddelen die de vrije markt in de aanbieding heeft.

Ze kan niets met verschillen, niet tussen man en vrouw, niet tussen rijk en arm, niet tussen volwassene en kind, niet tussen intelligent en dom, niet tussen adel en plebs, niet tussen stad en platteland, zelfs niet tussen landen of culturen. De vrije markt schakelt alles en iedereen gelijk. En ze kan vooral niets met scheidslijnen tussen geloven of politieke partijen.

Ze presenteert derhalve consequent een gelijkgeschakelde a-religieuze, a-politieke, vrouw- en kindvriendelijke, aardige, op spullen azende consument ter identificatie. En dat doet ze niet weloverwogen of ideologisch, dat doet ze domweg. Ze doet het massaal, want ze is niet iemand, ze is ook geen groep of klasse, ze is een mechanisme.

Dat heeft op een door niemand bedoelde of voorziene manier gewerkt. (Ook niet door de sociologen; maar wel al heel gauw door de dominees, die hadden de mentaliteitsbeïnvloedende macht van de televisie in de smiezen – het is tenslotte hun broodwinning – en verboden hun gemeenteleden om zo’n ‘duivels’ ding in huis te halen!) De kerken begonnen aan een onstuitbare leegloop; de zondige van Gods genade afhankelijke mens verdween door de achterdeur. Ook andere oude verbanden zoals politieke partijen, vakbonden, verenigingen liepen leeg, de mensen werden vrij en individualistisch.

Vrij ook in politieke zin: de gelijkschakelende werking die uitging van deze massa-beïnvloeding -waarop je niemand kunt aanspreken[8] – deed de oude regentenklasse verdwijnen. De kerken verloren hun aloude sponsors en boetten zo ook nog aan maatschappelijke status in. Persoonlijk heb ik dat, als atheïstisch geworden ex-priesterstudent, toch wel schrijnend gevonden. Ik genoot van het proces, maar identificeerde me met de bekleders van de geestelijke ambten, de toogafleggers, de uittreders: mijn soort mensen. (Maar u bent ook mijn soort mensen, hoor lezer(-es).)

Ook met standsverschillen kan de vrije markt niets. Vroeger keek de burger Jan met de Pet met de nek aan. Dat is nog steeds wel een beetje zo. Geen standsverschil maar nog wel verschil in opleiding en achtergrond; de burger (ik dus) zal zijn werkster en klusjesman, hoezeer hij voor zijn welbevinden ook van hen afhankelijk is, niet op zijn feestjes vragen want daar zouden zij ‘detoneren’. Maar de handel wil massaconsumptie en kan niets met de beperking tot de burger. Dus is Jan Modaal geworden en verburgerlijkt. En zo moet het ook gaan. De burger (ik dus) moet verdwijnen. It’s the economy, stupid.[9]

Een historisch nieuwe situatie zei ik. En dat is niet overdreven. Een vijfduizend jaar lange geschiedenis van godsdienstgestuurde en politioneel bewaakte klassenmaatschappijen met een kleine elite en een kansloze massa kwam in het Westen door de vrije markt aan zijn einde. Een heersende klasse kenmerkt zich immers altijd en overal door geheime politie, persbreidel en goelags. Dat kent de Westerse samenleving, als eerste in die vijfduizend jaar oude geschiedenis der mensheid (van geschiedenis spreken de geleerden vanaf de uitvinding van het schrift; de tijden daarvoor heten pre-historie), niet meer.

Wel een machtige economische elite, maar die wordt door een voldoende sterke democratie in bedwang gehouden. Dat aan die democratie, net als aan een huwelijk, voortdurend gewerkt moet worden en dat dat vandaag weer hard nodig is, is een andere zaak en daar gaan we ook wat aan doen. Het gaat nu om de vaststelling dat onze consumentenmaatschappij de eerste sinds vijfduizend jaar is die geen klassenmaatschappij meer is.

Leve de vrije markt dus, laat die maar lekker globaliserend[10] doorwerken, de moskeeën, synagogen en tempels leeg laten lopen en ook daar de mensen bevrijden uit hun keurslijf van ‘oude vormen en gedachten’. Ze worden er, net als wij, echt gelukkiger van. (Zie het geluksonderzoek van Ruut Veenhoven, Erasmus Univ.) En zeker als we nu het gat dat de vrije markt in onze gemeenschapsbeleving en zelfbeeldvorming slaat, gaan opvullen. Het marktmechanisme is een dom mechanisme, dus we zullen ons mensbeeld zelf moeten vormgeven.

de Grote Verhalen

De kerken begonnen aan een niet te stuiten leegloop. En niet alleen de kerken, ook de vakbonden en de politieke partijen. Alle verbanden werden losser, de mensen werden individualistisch. Einde van de Grote Verhalen waarbinnen de mensen eeuwenlang hun mens- en wereldbeeld hadden aangereikt, veelal zelfs voorgeschreven, hadden gekregen.

De postmoderne filosofen onder aanvoering van François Lyotard bejubelden terecht het einde van de ‘Grote Verhalen’, waarmee ze de onderdrukkende systemen van fascisme en communisme, en impliciet ook het Grote Verhaal van de westerse samenlevingen: het onderdrukkende Christendom, aanduidden. Nogmaals: terecht, want bedoelde Grote Verhalen waren – en wat het Christendom betreft, zíjn – collectivistisch.

Collectivistisch betekent: uitgaand van de opvatting dat het individu het beste af is als het zich willoos onderwerpt aan het collectief, de gemeenschap. Wat goed is voor het collectief is ook goed voor elk individu van dat collectief. De hoogste zin voor het leven van het individu is gelegen in het zich opofferen voor het collectief.

Wat goed is voor het collectief, wordt echter uitgemaakt door De Grote Leider en daar zit de makke. Een collectivistisch systeem is per definitie dictatoriaal. Collectivisme staat lijnrecht tegenover individualisme, zoals dictatuur staat tegenover democratie.

De monotheïstische godsdiensten, jodendom, christendom en islam, zijn inherent collectivistisch. Ze projecteren het doel van het leven buiten het individu, op een hoger doel: de eenwording met God in het hiernamaals. Het individu is volgens de patriarchale monotheïstische zegslieden een nietswaardige worm, zondig en van Gods genade afhankelijk. Kortom, monotheïsme is inherent ondemocratisch en inherent patriarchaal, zou je moeten concluderen. Maar verderop in de tekst toon ik aan dat dat niet per se hoeft.

Het langzaam aan macht winnen, in het Westen, van de markt die wezenlijk democratisch is, en van de aan haar verbonden koopliedenklasse, heeft dit achterlijke collectivistische denken doorbroken en Verlichte ideeën bij de Westerse geleerden en intellectuelen van de 18e eeuw doen post vatten. Het is inherent aan de vrije markt dat zij ‘oude vormen en gedachten’ doet verdwijnen: ze is niet alleen wezenlijk democratisch maar ook wezenlijk vernieuwend, progressief.

Vooralsnog echter bracht zij, in die 18e eeuw, armoede op het platteland en grove uitbuiting en kinderarbeid in overbevolkte steden. Dat deed de behoudende geesten (terecht) pijn, maakte hen nostalgisch, deed hen verlangen naar de ‘onbedorven natuur’. Gaf hen restauratieve ideeën in.

Een van die geesten was Rousseau. Via de Franse missionarissen[11] had hij kennis gekregen van primitieve indianengemeenschappen die nog geen ongelijkheid en armoede kenden. Dus wat hadden de vooruitgang en de Verlichting dan helemaal opgeleverd aan menselijk geluk? “De mens werd vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen geboeid!” hoonde hij. Hoe kunnen wij onze samenleving weer vrij maken? Het romantische idee was: er zou een ‘sterke man’ moeten zijn die zich in dienst zou stellen van het belang van de samenleving. Jean-Jacques (1712–1778) dacht dit uit in zijn boek Du Contrat Social (1762). Daarin beschrijft hij de staat als een collectief ‘lichaam’, als een ‘zedelijke persoonlijkheid’, waar wij burgers een ‘onscheidbaar deel’ van uitmaken. Dat staatslichaam behartigt de ‘collectieve wil’ en dient een absolute macht te krijgen over zijn leden. Individuen zijn niet in staat om zelf te bepalen wat goed voor hen is, dat moet de Staat doen. En wel bij monde van een ‘mythische’ wetgever (een ‘sterke man’ dus), aan wiens bevelen de burger blindelings dient te gehoorzamen.

De eerste die de aanbeveling van deze denker ter harte nam was de voorman van de Jacobijnen, Robespierre, de eerste ideologisch geïnspireerde massamoordenaar van de moderne tijd (Parijs, april-juli 1794). Rousseau was toen 16 jaar dood.

In de daaropvolgende eeuw vatte Rousseau’s collectivistische denkbeeld niettemin post bij de Duitse ‘Dichter und Denker’ van Pruisen. Fichte was hoogleraar filosofie van de beroemde universiteit van Berlijn. Die gaf aan Rousseau’s denkbeeld van de staat als collectief lichaam waarvan het individu zich een ondergeschikt deel dient te achten (“Het individuele leven bestaat niet echt, aangezien het van zichzelf geen waarde heeft.”…), een racistische draai: “Alleen het Ras bestaat, en vertegenwoordigt het werkelijke leven.” Alle leven buiten het Ras was minderwaardig en ongelukkig. En het beste Ras was toevallig het zijne: de Duitsers waren namelijk het “Oervolk”, zo orakelde Fichte. De Leider van dit Volk (de ‘sterke man’) was de verpersoonlijking van de Duitse natie en kon oordelen voor en over het volk.

Met deze theorie werden generaties Berlijnse studenten begeesterd. Temeer omdat Fichte’s opvolger, de beroemde Hegel, hierop voortfilosofeerde. Hegel ontwikkelde een mystieke variant van het collectivisme. Volgens hem is er in de geschiedenis een Wereldgeest actief. De staat die op dat moment de Wereldgeest het best belichaamt, is dan de Wereldhistorische Natie en heeft het recht en zelfs de plicht om de zwakkere naties aan zich te onderwerpen, desnoods met militaire middelen. (Nog maar een geluk dat Bush niets leest.) Vroeger in de geschiedenis was dat het Romeinse Rijk, en ook de Grote Napoleon was even de Grote Leider, maar nu was (dat verzín je toch niet) zijn land, Pruisen, de Wereldhistorische Natie. De Berlijnse studenten waren niet meer te houden.

Deze blauwdruk van de ideale samenleving verbreidde zich niet alleen over Pruisen maar over de hele intellectuele wereld van de 19e eeuw. Marx en Engels waren doordrongen van de collectivistische idee. Hitler schreef in Mein Kampf (1923): “Het is noodzakelijk dat het individu leert beseffen dat zijn eigen ik van geen enkel belang is in vergelijking tot het bestaan van zijn natie.” “Het individu moet zich opofferen aan het collectief”. Een bekende Nazi-slogan luidde: “Du bist nichts, dein Volk ist alles”. Mussolini’s motto was: “Alles binnen de Staat, niets buiten de Staat, niets tegen de Staat”. Als we ooit over de ‘geest van de tijd’ kunnen spreken dan was het toen wel. Die geest was het collectivisme. Toen Hitler, als een soort Pim Fortuyn-avant-le-dâte[12], kwam spreken op de universiteit van Berlijn, zat de zaal niet alleen afgeladen vol maar er zat ook een groot aantal professoren prominent vooraan.

De Dichter und Denker hadden er de geesten rijp voor gemaakt. Die van Hitler (6 miljoen doden), die van Lenin en Stalin (60 miljoen doden), die van Mao (35 miljoen doden) en Pol Pot (ruim 2 miljoen doden) en van de keizer van Japan (zes miljoen doden). Van geesten van de Turkse ideologen die de moord op 1.8 miljoen Armeniërs lieten plegen, en die van nationalistisch China (tien miljoen doden).

Kortom, dit zijn de Grote Verhalen waar Lyotard het over heeft. Heersende denkstromingen.Terwijl in de 18e eeuw het individualisme nog hoogtij vierde en de Amerikaanse Founding Fathers er van uit gingen dat het de functie is van de staat om de rechten van het individu te beschermen, raakten in de 19e eeuw de intellectuelen in de ban van het collectivisme, hingen het geloof aan dat het voortbestaan van het collectief (in de vorm van de Staat, de Natie of het Ras) het hoogste doel is van het leven op aarde en dat het de taak of plicht is van het individu om dat hogere doel te dienen. Het collectivisme was in de eerste helft van de twintigste eeuw het universele politieke geloof, ook in landen als Groot-Brittanië en de Verenigde Staten. Het is dit geloof dat in de eerste helft van de 20e eeuw de wereld veroverde en uitmondde in de holocaust en al die andere genociden die Lyotard tot zijn afschuw voor Grote Verhalen hebben gebracht.

Ze waren allemaal gebaseerd op het denkwerk van Rousseau, Hegel, Fichte en hun geestverwanten. Allemaal filosofen, dus met niet meer kennis van de menselijke natuur dan Plato of Aristoteles hadden. Of die Hobbes (1588-1679) had. Kinderen van hun tijd, nog niet beschikkend over menswetenschappen zoals vandaag, levend in tijden van burgeroorlogen, godsdienstoorlogen, monotheïsme en slavernij.

Ik herhaal het: die filosofen valt het niet kwalijk te nemen. Onze filosofen daarentegen zouden nu beter moeten weten. We kunnen de postmodernen alleen maar bijvallen in hun afwijzen van die oude Grote Verhalen. Maar wat hen aan te wrijven valt is, dat het hen ontbreekt aan wetenschappelijk inzicht in onze menselijke natuur. Hun niet-weerspreken van Kinneging’s (ongetwijfeld provocerend bedoelde, maar wel herhaalde want in zijn rechtse kraam te pas komende) stellingname is veelzeggend: ze hebben niet echt argumenten in huis.

Hoog tijd dat ik een visie neerleg over

de menselijke natuur

Dat is een ‘drietrapsraket’.

Eerste trap: we zijn een vorm van leven. Drie en een half miljard jaar geleden ontstaan met de eerste levensvormen. Daarin draait het om zoveel mogelijk energie aan te onttrekken aan je omgeving voor je eigen instandhouding en om het produceren van zoveel mogelijk nakomelingen. Dit in concurrentie met wat er van dezelfde bron leeft, ook al zijn het je soortgenoten.

Darwin noemde dat the struggle for life , een gevecht dat door the fittest steeds wordt gewonnen: door de het best aan de gegeven omstandigheden aangepasten – hoeven lang niet altijd de sterksten te zijn. Het ‘najagen van geld en goed’ is een vorm van dit eigenbelang. In principe, als levensvorm, zijn we egoïstisch en als heel kleine kindjes zijn we dat nog steeds. Het is het ikke-ikke-facet van onze driedelige menselijke natuur.

Mensen zijn in de tweede trap, als groepsdieren, ontstegen aan dat primaire ikke-ikke-gedrag. Wij behoren als groepsdieren tot een hogere vorm van leven: dieren die op een ingewikkeldere manier effectiever voorzien in het onttrekken van energie aan de omgeving ter instandhouding van hun organisme en voor hun voortplanting. Namelijk door als groep te opereren. De groep verschaft veiligheid aan jongen en biedt ze de kans om van de ouderen te leren. Elk groepsdier-individu heeft naast ikke-ikke-belang ook belang bij het overleven van de groep waar het van afhankelijk is. Het heeft belang bij de gebundelde kracht ervan, dus bij de harmonie binnen de groep en de leefbaarheid ervan. (Naarmate het zich er onafhankelijker van acht, door rijkdom en macht, heeft het minder boodschap aan de groep….)

Groepsdieren hebben dus een tweede been ontwikkeld om op te staan in het leven . Hebben twee zielen in hun borst, twee tegenstrijdige impulsen: egoïsme – altruïsme. Voor het reguleren van deze tegenstrijdige neigingen kent elke groep zijn heersende omgangsvormen, zijn ‘normen en waarden’, zijn cultuur.[13] Zelfs bij de naaste van onze ‘familieleden’ onder de groepsdieren, de chimpansees, werken deze ‘normen en waarden’ in onze menselijke ogen niet bepaald feilloos.

Mensen zijn namelijk, door hun specifieke evolutie, in een derde trap ook nog aan dat primitieve chimpansee-gedrag ontstegen, zijn supersociale groepsdieren geworden. De langste tijd van ons bestaan als aparte soort hebben we – dat gaan we zodadelijk zien – hypersociaal samengeleefd en dat heeft het hypersociale aspect van onze driedelige menselijke natuur gevormd. Als we volgens dat hypersociale kunnen leven, voelen wij ons op ons gelukkigst. Wanneer dat eenmaal gesneden koek is geworden voor onze filosofen, zullen ze veel wijzer uit de hoek komen. En dan zullen ze hun maatschappelijke functie waar ze voor doorgeleerd hebben en voor betaald worden, stukken beter kunnen vervullen.

Maar … (die gedachte komt nu onmiddellijk bij u op nu) vanwaar dan Holocaust, Rwanda en Kosovo en Bagdad? Gaat allemaal nog aan de orde komen, maar voor een onmiddellijk antwoord op uw gedachte alvast dit.

Na de laatste ijstijd, en vooral de laatste vijfduizend jaar, is onze supersociale soort in situaties komen te leven die frustrerend zijn voor haar supersociale natuur. Eerst de overpopulatie, met als gevolg oorlog: struggle for life maar dan tussen mensengroepen. Als direct gevolg van oorlog[14]: het machisme, de machtsovername door de mannen. Mannen kunnen niet goed (met automatisch duurzaamheidsperspectief zoals de vrouwen) met macht omgaan. Omdat de vrouwen bij onze soort altijd de gezaghebbende sekse is geweest, concentreren de onzekere mannen zich vooral op het marginaliseren van de vrouwen: machisme. Na de overgang op landbouw en veeteelt komen daar ook nog privé-bezit en slavernij bij als corrumperende factoren. Vanaf vijfduizend jaar geleden, het begin van de klassensamenlevingen, is het najagen van ‘geld en goed’ en van het directe eigenbelang het menselijk geluk gaan aantasten. Het geluk van iedereen, ook dat van de onderdrukkers zelf. De uitvinding van het monotheïsme (tussen 600 vóór en 600 ná C. geconsolideerd[15]) heeft van de grootste menselijke samenlevingen definitief mannenmaatschappijen gemaakt.

Maar het is allemaal niet in staat om onze menselijke natuur aan te tasten. Deze is in de loop van vijf miljoen jaar overerfelijk geworden. Vijfduizend jaar frustratie van die natuur is daar echt te kort voor. De hypersociale menselijke natuur blijft als een kurk tegen de onderdrukking in trachten boven te komen. Hoe zijn we aan dat hypersociale gekomen?

VJ’s (Verzamelaars/jagers)

De langste tijd dat onze soort bestaat, hebben ze geleefd als Verzamelaars/jagers.

Oei, dat moet ik even bij u inleiden. Mensen hebben een wel acht miljoen jaar lang verleden en vóór die tijd waren ze nog normale dieren. Mensapen. In Deel II ga ik schetsen hoe ze van mensapen tot mensen geworden zijn.

Bij christelijken hoef ik daar niet mee aan te komen want dat gegeven strijdt met hun geloof in ons door God geschapen-zijn. Maar u bent niet voor niks ex-katholiek en u leest (of kijkt) bovendien nog wel eens wat.

Dat we ‘familie’ van de chimpansees zijn kent u waarschijnlijk al vanwege het biologische feit dat we meer dan 98% van onze genen gemeenschappelijk hebben. Maar je kunt het ook zien aan onze luizen en vlooien, wist u dat? Heel gespecialiseerde beestjes, wier klauwtjes op speciaal haar zijn ingesteld en wier darmstelsel maar één soort bloed kan verteren. Nou, die maakt het niet uit of ze hun leven doorbrengen op een chimpansee of op u. En wist u, lieve lezeres, dat u een chimpansee-baby kunt ‘aanleggen’ of voor uw baby een chimpansee-vrouw zou kunnen inhuren als min? Heel gespecialiseerd spulletje, hoor, moedermelk.

Na ja, waar het hier even om gaat is, dat ook chimpansees van overnachtingsplek naar overnachtingsplek rondtrekken in een heel groot voedselgebied, en dat onze vroegste voorouders nooit een andere leefwijze gekend hebben … tot na de laatste ijstijd.

Deze manier om aan voedsel te komen is ongeveer het enige waar ze geen speciale aanpassing voor hebben hoeven te ontwikkelen. Als australopithecinen (aapmensen) leefden ze zo en als Homo (mensen), dus sinds twee miljoen jaar geleden, leefden ze zo. Tot … na de laatste ijstijd dus, tot 10,000 jaar geleden. Hoe lang is dat, gerekend vanaf 2 miljoen jaar geleden? 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben onze voorouders geleefd als Verzamelaars/Jagers (VJ’s). Dat noem ik hier onze VJ-tijd. Vanaf die laatste 10.000 jaar geleden werden ze boeren, en dat noem ik AGR’s.

Er bestaan nog steeds VJ-groepjes ‘in het wild’. Althans, tot voor kort in elk geval en er zijn onderzoekers die kortere of langere tijd bij hen hebben doorgebracht en die hun mens-zijn beschreven hebben. Ik denk hierbij aan Inuit-volkjes in Alaska en Noord-Canada en aan de San in de Kalahari-woestijn. Maar er zijn meer onherbergzame plekken, zoals oerwouden, waar nog van die volkjes overleven. Juist vanwege de onherbergzaamheid van die plekken: die zijn voor boeren niet interessant en worden dus met rust gelaten. Dat ‘overleven’ klinkt wat dun, maar ze komen er niets te kort en zijn meestal weldoorvoeder en gezonder en zeker gelukkiger dan de boeren.

Laat ik u eerst wat mogen citeren uit het boek The other side of Eden (London 2001) van de Engelse antropoloog Hugh Brody.

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte, die van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Al mag ze dat zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want ze is geboren kort na het overlijden van haar oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft er ook de naam van geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.

Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt[16]. Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen.

Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn opvallend gezond en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want – voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is hard en kent geen mededogen. Want ze is, net als de vrije markt, slechts een dom mechanisme. Zíj blijven er blijmoedig onder. Ze weten niet beter: dat is het leven.

‘Edele wilden’ dus! Let wel: ik heb het over VJ’s. Nog geen 5 % van de primitieve stammen die door de antropologen beschreven worden. En ze maken geen onderscheid tussen VJ’s en AGR’s. Verreweg de meeste primitieve stammen zijn AGR’s: kennen al enigerlei vorm van Tuinbouw; dus (meestal) ook oorlogvoering en vrouwenonderdrukking. Gruwelijke voorbeelden zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. Deze voorbeelden zijn het die het van Rousseau stammende begrip ‘edele wilden’ tot een lachertje hebben gemaakt. Hugh Brody is de eerst die er op wijst dat ze écht bestaan hébben en nóg bestaan.

Die Tuinbouw-volkjes laten heel goed de overgang van VJ naar AGR zien. Die laten zien wat er met de mensheid gebeurd is na de laatste ijstijd, dus zeg maar tienduizend jaar geleden. Toen overkwam de mensen wat de chimpansees 2,5 mjg overkomen is: overpopulatie. Met alle gevolgen voor hun manier van samenleven: overlevingsgevechten, machisme (mannen-overheersing), macht van de ene mens over de andere, ongelijkheid. Maar nu loop ik weer vooruit op hoofdstuk II.

Heb ik nu voldoende materiaal aangedragen om mijn idee voor het goede in de menselijke natuur te hebben aangetoond? Want in dat kader moest ik het over VJ’s hebben: over de manier waarop ons voorgeslacht 99,5 % van de tijd dat ze mensen zijn, hun wereld beleefd hebben. Zodat het een overerfelijke neiging in ons geworden is, waar we nog steeds mee ter wereld komen. Naar dat gelukkige VJ-bestaan verlangen we nog steeds intuïtief terug en aan dat gevoel appelleren alle utopieën.

Maar nu terug naar de Grote Verhalen. Ze zijn verdwenen of, wat de monotheïstische of anderszins godsdienstige aangaat, ze smelten weg onder de warme wind van de globaliserend gelijkschakelende vrije markt. Natuurlijk, dat aangetast worden van de heiligste overtuigingen van de godsdienstfanaten maakt de heftigste gevoelens los en dus beleven we een barre overgangstijd. Maar de vrije markt is een dom mechanisme en gaat onverstoorbaar door. Het weekt de individuen los uit hun geloofsbeklemming en de vrijheid lokt altijd en iedereen. Vrijheid maakt gelukkiger. Inzicht in onze menselijke natuur maakt nóg gelukkiger.

de vrije markt en het geweten

Mensen kunnen niet goed samenleven zonder een Heersend Verhaal. Je geweten, het stemmetje in je binnenste dat antwoord geeft wanneer je je afvraagt of je iets zou doen dan wel nalaten, heeft een Heersend Verhaal nodig om naar te verwijzen.

“Een samenleving kan niet functioneren, als de bodem ontvalt aan het gevoel dat je je aan regels moet houden”, riep burgemeester IJssels van Gorinchem na de zinloos-gewelddadige dood van die twee discomeisjes. Ons geweten heeft een bodem nodig, in de vorm van een Heersend Verhaal. Het Verhaal dat vertelt “waartoe wij op aarde” zijn: waarvoor we het allemaal doen, dat samenleven. Maar ons geweten heeft nu Nix meer om naar te verwijzen.

Ieder mag nu zijn eigen Verhaal maken, zeggen de postmoderne filosofen. Alsof het een gunst, een gelukkige serendipiteit van de vrije markt is. Maar het is een verarming van ons menszijn en van ons samenleven. Een leegte die we nog moeten opvullen.

Het maken van een eigen Verhaal, een consistent wereldbeeld, is maar weinigen gegeven. Bovendien wordt een eigen Verhaal – want bij gebreke van een heersend Verhaal doet iedereen dat inderdaad: je kunt niet zónder – ingekleurd door eigenbelang en dan versterkt het de verloedering. Dát is het nu juist – dat ieder zijn eigen naad naait, en met name de rijken en de machtigen – wat de samenleving fragmenteert tot los zand. Om goed samen te kunnen leven is een heersend Verhaal onontbeerlijk.

mensbeeld, zelfbeeld

Hoe wij ons voelen en hoe we tegen onze medemensen aankijken wordt enorm bepaald door hoe we tegen onszelf aankijken. Onze hersenen werken de hele dag door. De meeste uren op halve kracht en in de slaap zelfs ongecoördineerd, maar het is toch een voortdurende stroom van denkbeelden en veel ervan zijn ‘zelfbeelden’ temidden van onze leefwereldbeelden. Ze bepalen onze gemoedstoestand, ons al dan niet welbevinden. Voor het vórmen van onze denkbeelden, ook voor dat van ons zelfbeeld, zijn we afhankelijk van wat onze omgeving ons aanreikt. Voor het kind zijn dat de ouders en hun omgeving. Daar komen weldra de straat en het onderwijs bij. Maar vooral bepalend is het Verhaal dat in je samenleving heerst. Dat zet je de bril op waardoor je de dingen en mensen beziet. Heel duidelijk wordt dat ook aangetoond in Zineconomie (Ter Borg).

Als je ter wereld komt, heb je niets te kiezen gehad. Niet eens de zoogdiersoort van je ouders. Niet of je een meisje dan wel een jongetje bent geworden. Niet in welke cultuur je ouders leven, niet eens in welk tijdperk van de geschiedenis.

Heel bepalende factoren voor je levensgeluk allemaal. Wanneer je bijvoorbeeld vandaag nog als meisje in een door monotheïsme[17] beheerste cultuur ter wereld komt, staat je een leven van slavernij te wachten. Heel bepalend voor je zelfbeeld is ook of je in een individualistische cultuur als de Amerikaanse of een collectivistische cultuur als de Japanse ter wereld komt[18].

Voor een bevredigend zelfbeeld moet je weten waar je vandaan komt, wat je plaats is in het grote geheel der dingen en waar het allemaal, inclusief jezelf, toe leidt. Sinds historische tijden waren het de godsdiensten[19] die het Heersende Verhaal hadden mogen brengen, die vorm hadden mogen geven aan het zelfbeeld van de mensen en die de bril hadden opgezet waardoor de mensen naar de dingen en de mens keken. Volgens het christelijke Verhaal ligt onze herkomst in de schepping door God, onze toekomst in de eeuwige zaligheid. Deze zou je deelachtig worden onder voorwaarde van braafheid, van het afzien van genot tijdens je leven. Het kerkelijke materiaal voor je zelfbeeld is een ontmoedigend mensbeeld: dat werkt voor het in ’t gareel houden van de mensen het best. Volgens dat beeld is de mens geneigd tot alle kwaad en het hangt van Gods genade af of het toch nog wat zal worden met die eeuwige zaligheid waartoe hij immers op aarde is.

Het christelijke Verhaal was niet veel soeps, maar het grote goed was dat het er wás en dat het je er voor behoedde om als een freischwebender Intelligenz door het leven te moeten. Een lot waartoe de vrije markt, doordat onze filosofen alleen maar dom staan te juichen bij het verdwijnen van het oude Heersende Verhaal, onze jongeren rückzichtlos veroordeelt.

Voor een leefbare samenleving moeten we weten welk mens- en wereldbeeld er in andermans kop zit. Zodat we voor elkaar ergens op aanspreekbaar zijn.

Zonder zo’n Heersend Verhaal hebben mensen niet het gevoel dat ze wat met elkaar te maken hebben. Zonder Heersend Verhaal gaat ieder dan maar zijn eigen doelen nastreven, z’n eigen naad naaien, zijn eigen verhaal maken. En dat eigen verhaal komt toevallig prachtig overeen met het eigenbelang. Democratie ten eigen bate. Maar zo werkt democratie niet. Democratie is bedoeld om op z’n rechtvaardigst en leefbaarst samen te kunnen leven. Democratie houdt in: (op)offeren, werken en inleveren[20]. De levenshouding van een volwassene: genieten als hopelijke en dus uitgestelde beloning, niet als een direct te verzilveren doel-op-zich. “Ik wil het nú “ is een kinderachtigheid van de vrije markt– reclame.

Het zelfbeeld dat onze meisjes en vrouwen altijd hebben meegekregen in de oude christelijke en de moslimse mannenmaatschappij (“God schiep de vrouw uit een rib van de man”!) en wat ze vandaag nóg elke dag meekrijgen in de reclame, actualiteiten-programma’s, videoclips en films van de mannenmaatschappij van de vrije westerse wereld (flirtende, halfnaakte seksobjecten, slank, zorg en arbeid soepel combinerend in een ondergeschikte rol) behoeft onderhand ook behoorlijk bijstelling, zodat de wereld ook voor hen leefbaarder wordt. En wat de islam-jongeren vandaag van de islamisten (islam-fundamentalisten die de islam als politiek instrument hanteren) meekrijgen, daarvoor moet je het boek De tol van de eer van Jan Goodwin (Witte Beertjes, 2002) lezen. Heel deprimerend, maar wel verplichte literatuur. De islam is op zichzelf jonger en progressiever dan het christendom. Maar het gaat er natuurlijk om wat er sinds Mohammed door mannen van gemaakt is en hoe het jouw leven vorm geeft. De boodschap van Jezus was ook in orde; wat de kerkvaders ervan gemaakt hebben bepaald niet. Je leeft maar zo’n 75 jaar, dus het is nogal van belang of dat een gelukkige en creatieve tijd is of niet.

Waarom het mens- en zelfbeeld voor mensen zo belangrijk is, zullen we dadelijk gaan zien en ik schets ook de contouren van een Nieuw Heersend Verhaal. Waarover zal dat moeten gaan? Natuurlijk moet het antwoord geven op de ultieme vragen van elk individu: wie en wat ben ik, waar kom ik vandaan en waar moet het met mij naar toe. Antwoord ook op de ultieme samenlevings-vragen: waarom en waarvoor leven we samen (geluk), waartoe zijn wij op aarde (geluk) en hoe kunnen we ons samenleven het beste inrichten om dat doel (geluk) te bereiken. Maar … eerst nog even over hoe wij in het Westen van ons onderdrukkende Oude Verhaal zijn verlost en nu zonder IETS zijn komen te zitten. Want dat is iets wat we van onze postmoderne filosofen ook niet kunnen vernemen.

een nieuw universeel en gedeeld Verhaal

Hoe moet zo’n heersend Verhaal er uit gaan zien?

Om te beginnen moet je dat ‘heersen’ zien als het ‘heersen’ van de mode, of een rage, een gebruik of gewoonte, of desnoods de griep. Het is geen opgelegd Verhaal. Afgezien dat de consument zich echt niet meer iets laat gezeggen (“Bekijk jij dat es ff, eikel. Maak ik zelf wel uit, ja?!”) is er ook geen heersende klasse meer, steunend op een leger en een geheime dienst, die dat zou kúnnen opleggen. We leven gelukkig in een democratie.

Vervolgens moet je het niet zien als een afgerond IETS, maar als een project waaraan permanent gewerkt en gesleuteld wordt en zal blijven worden zolang de mensheid nog bestaat. Mijn droom is dat het een UNESCO-project wordt. Tenslotte is het een universeel-menselijk Verhaal (we zijn maar op één manier van apen tot mensen geworden) en een globaliserende mensheid vraagt daar om.

Het Verhaal moet de menselijke natuur in kaart brengen. Het is het Verhaal van het onafzienbare en onherbergzame heelal waarin op één enkel planeetje, door een toevallig samenvallen van een groot aantal ideale omstandigheden, de heelalmaterie tot een ongekende complexiteit is geraakt. Het Verhaal vertelt de ontwikkeling van die complexiteit, van zichzelf reproducerende moleculen tot cellen, tot meercelligheid van plantaardig en dierlijk leven, via vissen, amfibieën en reptielen tot zoogdieren, tot apen. Kortom, het moet de wortels van ieders denken over zijn bestaan zo diep mogelijk laten reiken, zodat ieder als een stevige boom in het leven komt te staan.

En vooral natuurlijk ons eigen Verhaal: hoe we van apen tot mensen, van gewone dieren tot talige wezens geworden zijn, tot complexiteits-hoogtepunten van die verder in het heelal zo eenvoudige heelalmaterie. Mensen: wezens die 99,5 % van de tijd dat ze als soort bestaan, hypersociaal hebben geleefd. Die sinds ‘kort’ (sinds 10.000 jaar) uit het paradijs van hun bestaan als ‘edele wilden’ zijn verdreven door overpopulatie. Maar die ten diepste nog steeds verlangen naar die voorouderlijke harmonie, met welk verlangen ze nog steeds geboren worden.

Alle puzzelstukken van ons menselijk bestaan die de filosofen en de PI’s (publieke intellectuelen, zoals columnisten) tot op de dag van vandaag bezighouden, kunnen met behulp van de menswetenschappen van vandaag tot een verhelderend plaatje van de menselijke natuur worden samengevoegd.

Het laat het menszijn van iedere mens zien waarop de Universele Verklaring gebaseerd is. Als Heersend Verhaal geknipt voor een mondialiserende samenleving: herkenbaar voor iedere geïnteresseerde, van welke cultuur of denominatie ook. Een uiterst betrouwbaar plaatje: er wordt elke dag, overal ter wereld, op alle universiteiten en laboratoria en observatoria, aan gewerkt. Het verschaft onze jongeren het broodnodige gevoel van geworteld te zijn in het leven. Het biedt de islamjongeren een beter bij hun vrije markt-wereld passend mens- en wereldbeeld. En zo zijn er nog veel meer nuttige aspecten aan te noemen. Nadelige aspecten heb ik tot nu toe niet weten te bedenken.

 

HOOFDSTUK II

Ons Verhaal, kort geschetst

het begint in het regenwoud

Ons Verhaal begint 8 miljoen jaar geleden. Doordat het klimaat koeler en droger was geworden verdween op de plek waar onze vroegste voorouders leefden (Hoorn van Afrika) het voorouderlijke regenwoud waar ze als soort op waren toegesneden. We zijn afkomstig van een populatie chimpansee-achtigen die zich heeft weten aan te passen aan de savannen-omgeving die voor het verdwijnende regenwoud in de plaats kwam.

De open bossen waar ze hun slaapnesten bleven vlechten, bevatten niet meer de vruchtbomen waarvan ze vanouds geleefd hadden. Ze moesten voor hun eten de open grasgebieden van de savanne op.
Voor hen levensgevaarlijk terrein, niet vanwege de kuddes graseters, zoals zebra’s, gnoe’s, giraffen, olifanten (althans de vooroudersoorten daarvan), maar vanwege de leeuwen, sabeltandtijgers, reuzenhyena’s en ander gespuis dat daar van leefde en dat ook heel graag zo’n trage mensaap te grazen nam. Maar mensapen zoals chimpansees verdedigen zich tegen een luipaard door het van alles naar de kop te smijten. Onze vooroudermensapen hebben dit aangeboren verdedigingsmechanisme (gooien met iets), gedwongen door de nieuwe omgeving waarin ze geleidelijk terechtkwamen, geleidelijk   ‘geprofessionaliseerd’. Zoals ze heel wat meer voorouderlijke vermogens en cultuuruitingen hebben ‘geprofessionaliseerd’, ze hebben maar weinig nieuw hoeven uit te vinden.

De ‘professionalisering’ van het gooien bestond er allereerst uit dat ze zich met stenen bewapenden: die doen zeer en je kunt er een voorraadje van bij je hebben. Aapmensgroepen die dat het bekwaamst deden, floreerden en zo selecteerde dit gedrag zich uit. Vervolgens: het dwong hen om de handen vrij te hebben voor het meedragen ervan. Dus om permanent tweebenig te worden. Heel uniek voor een zoogdier. De paleo’s (de wetenschappers van alle disciplines die onderzoek doen naar onze vroegste geschiedenis) spreken van hominiden, en hun fossielen (veelal slechts tanden of kaakfragmenten) worden ondergebracht in soorten australopitheci. Je kunt ze ook ‘aapmensen’ noemen: op twee benen lopende mensapen. Ik gebruik hier verder de afkorting AP’s, met uw welnemen. Let wel, de verandering van regenwoud naar savanne nam wel een miljoen jaar in beslag, en dus de aanpassingen daaraan kregen alle tijd. Onze vooroudermensapen hebben nooit beseft dat hun wereld, of zijzelf, er anders uitzagen dan ze zich herinnerden.

Onze voorouder-AP’s ontwikkelden meer unieke dingen. Hun nieuwe leefwijze dwong hen tot taakverdeling tussen de seksen. Vrouwen droegen baby’s en moesten eten verzamelen voor de kinderen en iedereen, dus konden ze niet ook nog eens stenen meedragen en gooien. Vrouwen en kinderen verzamelden het eten, de volwassen mannen deden niets anders dan met hun stenen paraat zorgen dat dit in veiligheid kon geschieden. Groepen die daar goed in waren deden het beter dan groepen die er weinig van bakten en zo selecteerden de vereiste gedragingen zich uit.

De hete middaguren en de nachten brachten ze door in de relatief veilige bossen waar het voedsel verdeeld werd en waar ze hun slaapplatforms vlochten in de boomkruinen. Hetgeen betekent dat hun lichaamsbouw en hun handen en voeten nog steeds voor het klimmen geschikt moesten blijven. De paleo’s onderscheiden een heleboel AP-soorten waar ze vanaf 7 mjg de fossiele resten van opgraven. Daar hangt helaas geen labeltje aan. Of er ook maar één voorouder-AP bij die fossiele resten zit is moeilijk te zeggen. Maar die moeten er toen tussen gelopen hebben. Dus ik noem hen hier VOAP’s : voorouder-AP’s.

namen voor de dingen

Eten genoeg op die savanne. Maar je moest wel weten wáár, wannéér, wát verkrijgbaar was. De AP-vrouwen moesten heel wat meer weten en meer aan kennis kunnen doorgeven aan hun dochters dan hun voormoeders in het regenwoud waar het eten gewoon aan de bomen groeide en waar de normale mensapencommunicatie (kreten, gebaren, gelaatsuitdrukkingen en andere lichaamstaal) volkomen toereikend is. Maar voor de AP’s was het foerageren(voedselscharrelen) veel gecompliceerder.

Het kon niet uitblijven dat in één van die AP-groepjes één AP-vrouw haar handen, met die tien vingers, ook is gaan gebruiken om er iets waar ze het met haar medevrouwen over wilde hebben [een bepaalde plant], [een bepaald dier], [een bepaalde plek], [een bepaalde handeling], verzin het maar, mee uit te beelden. Haar medevrouwen snapten wat ze bedoelde, vonden het grappig, en ze gingen het ook doen. En geleidelijk voor steeds meer dingen.

Dit terloops ontstane groepscultuurtje bleef niet tot dat ene groepje beperkt, want als de jonge meiden naar een andere groep verkasten voor hun partner, namen ze het aanwensel mee en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich over de hele stam. Onze VOAP’s!

Want de stam floreerde. De verbeterde communicatie verbeterde hun samenwerking en voedselscharrelen. Ze hielden iets meer kinderen in leven vergeleken bij de AP-groepen die dit ‘cultuurtje’ niet of gebrekkiger ontwikkelden.

Maar met dit terloops ontstane ‘cultuurtje’ was er iets geheel nieuws ontstaan in de natuur, in de geschiedenis van het leven op ons blauwe planeetje. Misschien wel in de geschiedenis van het heelal[21].

Want zo’n gebaar-aanduiding van iets is een naam. Onze VOAP’s konden het met elkaar hebben over alle dingen waar ze een naam voor hadden – en dat werden steeds meer dingen. Ze konden het met die naam ook hebben over een ding dat op dat moment en op die plek niet waarneembaar was. Dus over een bepaalde plant of een dier dat zich zou bevinden op de plek waar ze morgen naar toe zouden gaan.

Iets geheel nieuws in de natuur. Alle groepsdieren hebben hun soorteigen manier van communiceren, van walvissen tot olifanten, van wolven tot vervet-aapjes en noem maar op: je kunt niet eens groepsdier zijn zonder een middel tot onderlinge communicatie. Maar geen van de overige groepsdieren kent namen voor de dingen, alleen wij. Geen enkel ander groepsdier kan het met zijn soortgenoot hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is. Als de koeien in de wei plotseling over dit vermogen zouden komen te beschikken, zou de boer het heel bedreigend vinden!

Namen voor de dingen doét iets met een dier.

Het schept (een gevoel van) afstand tussen de benoemer en het benoemde. Tussen subject en object. Onze VOAP’s waren de eerste dieren in de natuur die de dingen konden objectiveren. Ze kwamen een beetje los van hun omgeving, gevoelsmatig dan, waar andere dieren machteloos deel van uit blijven maken. Want het schept ook een gevoel van macht over de dingen.

Het is ook een gevoelsmatige aantasting: bij veel stammen mag je iemand niet zomaar bij z’n naam noemen: aantasting van diens integriteit. Als je bij de Yoruba de naam van de tijger hardop uitspreekt, neemt hij je diezelfde avond nog te grazen. De Joden mogen hun god niet bij zijn naam noemen: om diens almacht zo onaantastbaar (onbetwijfelbaar) mogelijk te maken plaatsen ze hem eindeloos ver van de mens vandaan. Over afstand gesproken.

Met hun namen voor de dingen kon de oudere generatie haar ervaring overdragen op de jongere. De jongeren konden voortbouwen op de ouderen en zo ontwikkelden de ervaring en de kennis van de VOAP’s zich veel sneller dan dat bij hun chimpansee-achtige voorouders het geval was geweest en zoals het bij de chimpansees en overige soorten nog steeds is: de jongeren leren vaardigheden van de ouderen, maar er komen bijna nooit nieuwe vaardigheden bij. En over kennisoverdracht hoef je het al helemaal niet te hebben bij chimpansees of bavianen of welke andere soort dan ook.

De macht van onze VOAP’s werd enorm vergroot doordat ze het met elkaar over de dingen konden hebben. Ze konden nu overleggen met elkaar. Twee weten meer dan één, en een hele groep kan heel wat problemen aan. Eén hooligan is maar een bang knaapje. Maar voor een hele meute doe je het als ME-er in je broek. Onze VOAP’s werden de ‘hooligans’ van de savanne.

 vuur

Namen voor de dingen. Het begon met niets. Het begon terloops, als een ‘cultuurtje’ binnen één groepje. Maar ik denk dat het al heel vroeg begon. Want de behoefte aan meer communicatie was er al vanaf het begin van de savanne-foeragering, en het mensapenlijke imitatievermogen en het gebaren waren er ook vanaf het begin. Misschien begon het dus al wel zes miljoen jaar geleden. OK, voor mijn part vier miljoen jaar geleden, maar dat wordt mijn uiterste bod.

2.6 mjg zijn ze er blijk van gaan geven!

kada gona utiles

Want deze stenen messen en schrapers dateren al van 2.6 mjg ! Gevonden in Kada Gona in de Ethiopische woestijn. De paleo’s denken dat ze dienden om er de voor grote katten en hyena’s niet te behappen huiden van de pachyderms (dikhuidigen) mee door te snijden. Daarmee hebben onze VOAP’s een vleesbron weten aan te boren die voor hun concurrenten onbereikbaar was: die moesten geduldig wachten tot zo’n nijlpaardkadaver door ontbindings-gassen openbarstte. Onze VOAP’s konden meteen al aan de maaltijd! De betreffende paleo’s kunnen zich niet voorstellen dat deze werktuigen zonder enigerlei vorm van talige communicatie tot stand zou kunnen zijn gekomen. bovendien veronderstellen zij deze werktuigvervaardiging getuigt van een lange voortijd. Dan zitten we al op 3 mjg. Omdat geen enkele andere soort ooit tot zo’n werktuigvervaardiging gekomen is, en er dus iets bijzonders moet zijn gebeurd met deze vervaardigers, ga ik op 4 mjg zitten. Want de ontwikkelingen gingen uiterst langzaam, zoals we al zagen met de overgang van regenwoud op savanne.

Vanaf 2.6 mjg noemen de paleo’s onze vroege voorouders Homo (mensen). Ze hebben het dan over AP garhi of Homo habilis of  Homo ergaster. Het is allemaal nog onduidelijk welke fossiele vondsten tot onze voorouders gerekend mogen worden. Kada Gona, 2.6 mjg Onthoud dat asjeblieft. Want hier en toen verschenen de harde bewijzen van bijzonder gedrag. Onze VOAP’s. Hun fossielen zijn onzeker, maar hun werktuigen niet. Kada Gona is niet één opgravingsplek bij die ene rivier in Ethiopië, maar sindsdien zijn er 15 plekken meer gevonden, allemaal in die streek, en ook snijsporen op fossiele paarden- en runderbotten, allemaal vanaf 2.6 mjg.

Maar waarom zíj, en niet andere dieren? Daar geeft alleen dit Verhaal antwoord op.  Want dat is waar het om gaat als je je afvraagt: waartoe zijn wij op aarde. Volgens mij – maar hierin zal geen paleo mij voorlopig volgen – was er iets nog belangrijkers aan vooraf gegaan: het gaan gebruiken van het vuur. Het gevoel van afstand, van macht, dat hen 2,6 mjg tot professionele slagers heeft gemaakt waarbij machtige andere roofdieren het nakijken hadden, had hen rond drie miljoen jaar geleden al de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Beweer ik. Maar de oudste sporen in de vorm van ‘vuurschalen’ (een kampvuur ‘bakt’ de ondergrond en wanneer dat ongestoord blijft zitten, kunnen paleo’s er nog op stuiten) dateren van 1.6 mjg, maar omdat de meeste paleo’s dat nog te ongelooflijk vinden, wordt er niet echt naar gezocht – lijkt me ook nogal moeilijk.

Waarom wil ik dat toch zo vroeg plaatsen? Omdat na het vuurgebruik hun menselijke gedrag pas echt met sprongen vooruit ging. Dat moet ik uitleggen, aan iemand die wil weten waartoe wij op aarde zijn.

Dat ‘cultuurtje’ van namen voor de dingen was met niets begonnen en stelde heel lang weinig meer voor dan de ‘proto’-taal die mensapen in gevangenschap die aan gebarentaal-experimenten worden blootgesteld, leren hanteren: het communiceren van een ding of handeling waar ze op dat moment aan denken. De communicatie van onze VOAP’s beperkte zich tot het overdagse voedselscharrelen en het verdelen van het verzamelde na aankomst in het overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen  heel kort duurt, moest ieder zijn nest maken in de kruin van een boom en dan was het afgelopen met het communiceren.
Maar toen ze eenmaal het vuur waren gaan gebruiken, konden ze op de grond blijven overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren werden hierdoor aan hun dagen toegevoegd. Uren bovendien die zich voor niets anders leenden dan voor het communiceren.

Wat communiceerden ze dan? Iets wat er die dag tijdens het voedselscharrelen was voorgevallen. De onverwachte confrontatie met een vervaarlijke buffelstier bijvoorbeeld. De mannen hadden met hun stenen in de aanslag terstond een ‘muurtje’ gevormd. De buffel had geaarzeld, schrapend met een hoef: die apen met hun stenen waren intussen berucht bij de savannedieren. Na enkele doodstille ogenblikken had de buffel zich omgedraaid en was weggegaan.
Deze beangstigende confrontatie speelde een vrouw, nu rustig bij het kampvuur, door het hoofd. e sprong op en imiteerde haar angst voor de buffel. De overige vrouwen en kinderen zetten het op een krijsen. Een man sprong op en imiteerde de buffel. Nog harder gekrijs, en de andere mannen vormden een ‘muurtje’. de ‘buffel’-man imiteerde angst en droop af. Opgelucht gekrijs van de overigen.
De rust keerde weer. Maar de adrenaline-spiegel was nog zo hoog dat de vrouw opnieuw opsprong en het spel nog een keer werd gespeeld. En nog eens, toe ieder zich in zijn slaapvel had gerold en was gaan meuren. Maar hun scherpe oren waakten.

Prachtig verhaal, niet? Maar ik ken een paleo, Steven Mithen, die ook meent dat ons taalvermogen met dit soort performances begonnen moet zijn (in zijn boek After the Ice. Harvard UP 2003) Alleen denkt hij aan gesproken taal, niet aan gebarentaal. Zonder er rekening mee te houden dat mensapen geen neurologische controle hebben over hun stem. Natuurlijk begeleidden de VOAP’s hun communicatie met emotionele kreten, maar voor hun namen voor de dingen waren ze aangewezen op hun gebaren. Nu zijn er wel begeleidende geluiden te maken met lippen [P!!] en [PFF!!] en met huig [K!!} en [CHH!!] te meken die je als mensaap wél bewust kunt produceren. Daarmee hebben ze hun gebaren vanaf het begin al gauw mee aangevuld. Want met je handen vol valt er niet veel te gebaren, en je wilt toch wat communiceren onderweg.

Avond aan avond deden ze de [buffel]-performance, tot er zich een nieuw voorval had aangediend en ze weer een nieuw onderwerp hadden. Van generatie op generatie werden deze performances rond het kampvuur meer gestandaardiseerd. Ook de gebaren werden gestandaardiseerd. Wanneer het begin van een gebaar al begrepen wordt, maak je het niet helemaal af: je houd het zo kort mogelijk. Dat doen we nog steeds. In de MMS-communicatie worden de woordjes ook ff afgekort. In een babbel wil je in je communicatiemoment zoveel mogelijk mededeling proppen.
Gebarentaal is lichaamstaal: niet alleen je hele gezichtsmimiek maar ook je lichaamshouding doen er aan mee. Bij emotionele performances lijkt dat op dansen, op ballet. Vooral als de hele groep iets uitbeeldt. De VOAP’s werden ‘dansende apen’.

De VOAP’s zijn het vuur gaan gebruiken. Ze kregen er een veel uitgebreider en voedzamer voedselpakket door. Ze werden groter van gestalte. Dat laten de fossiele resten ook zien. Wat die ook laten zien is dat de gebitten en het hele kauw-apparaat ‘gracieler’ werden: door het koken en roosteren werd het voedsel niet alleen voedzamer, maar ook zachter. Die gracielere gebitten en grotere gestalten zijn voor mij harde bewijzen van vroeg vuurgebruik. 
Ze zijn nu niet langer VOAP’s maar Homo erectus. Kort ik hier af tot HE’s.

De HE’s konden met toortsen dieren in een gewenste hoek drijven, ze werden jagers. Ze verbreidden zich buiten tropisch Afrika naar koelere streken. Via het Midden-Oosten naar het Verre Oosten. Het vuur heeft gemaakt dat wij, begonnen als een volstrekt onbespeurbaar ondersoortje chimpansee-achtigen, nu dé dominante zoogdiersoort zijn van de Aarde. Alle dieren, hoe vreeswekkend ook, zitten bij ons, talige wezens, in de dierentuin en nergens is het andersom.

Het noodgedwongen in hechte groepen foerageren vanwege die roofdieren heeft hen ook gedwongen, de sociale vermogens die ze als mensapen al ontwikkeld hadden – daar laten de onderzoekingen aan de chimpansees verrassende staaltjes van zien – te ‘professionaliseren’ door nóg socialer te worden. Groepen met de meeste onderlinge harmonie deden het beter dan aso-groepen en zo selecteerde de tijd ons tot de aardigste dieren die de natuur kent. De groepen waren klein, hooguit een mens of 25. Volstrekt op elkaar aangewezen. Zo’n HE-groep kon ook niet leven zonder contacten met andere HE-groepen, al was het maar om partners uit te ruilen. Maar ook om er te logeren in slechte tijden. De wereld was nog eindeloos groot. Oorlog was een ondenkbaar verschijnsel, dat hoort bij overpopulatie, bij teveel groepen in een beperkt leefgebied. Maar daar was pas enkele tienduizenden jaren geleden sprake van. De Vroege Mensen, vanaf de HE’s tot en met de Neanderthalers (NT’s) waren nog ‘edele wilden’: leefde in volstrekte harmonie, binnen de groep en tussen de groepen onderling. 

talige wezens

Er gebeurt iets met een diersoort die meer en meer zijn hele leefomgeving benoemt: die komt in een benoemde wereld te leven. Een wereld waarvan de soort los komt te staan, gevoelsmatig dan, mentaal, cognitief of hoe je het noemen wilt. Onze voorouders werden talige wezens.

Omdat mensen tot talige wezens geworden zijn, hadden ze en hebben ze nog steeds een Ontstaansverhaal, een Heersend Verhaal nodig. Dat is het waar deze tekst om draait; dus dat moet ik goed proberen uit te leggen.

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je daar geen samenhang in hebt. Een logisch en consistent verhaal dat het begin van de dingen vertelt en waarin je eigen stam, dus je eigen persoon, zijn plaats heeft. Dat is het enige procédé dat greep geeft op je benoemde wereld, dat er samenhang in schept en dat je vaste grond onder je denkvoeten geeft. Dat hebben mensen dan ook altijd gehad: elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal. Vandaar dat die primitieve stammensen vaak zo’n evenwichtige indruk maken.

Onze voorouders verbreidden zich over Eurazië. Dat verbreiden ging heel langzaam. Als een stam te groot werd, kreeg je spanningen en dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet al te ver weg, want je bleef elkaar nodig hebben. Maar dat groepje eerste ‘kolonisten’ was wel de eerste groep mensen die in dat nieuwe stamgebied (nog ‘woest en ledig’, want nog onbenoemd) de dingen hun namen gaven. Voor talige wezens zijn de dingen er pas als en in zoverre ze er een naam voor hebben. Door de dingen aldaar te benoemen ‘riepen’ ze de dingen ‘in het bestaan’, schiepen ze de dingen. (“In den beginne was het Woord.”)

Voor hun nakomelingen waren zij, in het spraakgebruik als groep tot één figuur samengetrokken: de Grote Voorouder. (Hebben wij nog steeds een handje van, we spreken rustig over ‘de Mof’ of ‘de Jap’ of ‘de Amerikaan’, ‘de Fransman’ en primitieven zoals de aboriginals hebben het nog sterker)

Het scheppingsverhaal vertelt hoe de Grote Voorouder in de Droomtijd het stamgebied was binnengekomen en op zijn weg alle belangrijke dingen (de vruchtbomen, de bergen en rivieren, de vissen en de moerassen, de kloven en de noem maar op) geschapen had. Veel van die belangrijke dingen werden ook belangrijke Figuren in het scheppingsverhaal. Dit Verhaal dansten/zongen ze bij elke gelegenheid. Ze hadden ook het gevoel dat ze al dansend/zingend hun stamwereld telkens opnieuw in leven riepen, schiepen, en dat die zou ophouden te bestaan als ze die niet langer zouden dansen/zingen. Alle plekken waar de Grote Voorouder (nooit een man of een vrouw en dat klopt, het was een groep) zijn sporen had achtergelaten: bergen, bronnen, kloven, wouden etc., waren heilige plaatsen, mochten niet dan met de vereiste gebeden en schroom betreden worden.

Je begrijpt dat we met de figuur van de Grote Voorouder te maken hebben met het prototype van God. En dat we die geschapen hebben omdat we talige wezens geworden waren.

Belangrijke ‘scheppingen’ in het Scheppingsverhaal, belangrijke planten of dieren bijvoorbeeld, werden ook belangrijke Figuren in het Verhaal. Zoveel stammen, zoveel Grote Voorouderfiguren en andere Figuren. Daarbij maakten de mensen voor hun gevoel nog steeds deel uit van de dierenwereld waar ze van afhankelijk waren. Ze beschouwden zichzelf nog als afstammend van een bepaald dier. Ze kregen hun totemdier ook bij de initiatierituelen mee; dat werd hen even eigen als hun naam. Nog steeds zijn wij onze naam.

Vanaf de tijd dat steeds meer stammen overgingen van voedsel ‘scharrelen’ op voedsel telen, pasten hun scheppingsverhalen zich daaraan aan en de Grote Voorouder werd – doordat het zwaartepunt van de economie op de landbouw kwam te liggen, wat aanvankelijk vrouwenwerk was – De Grote Moeder. Hun stamtotems werden stamgoden. Ze vestigden zich in dorpen, en hun rituelen zowel als hun voedseloverschotten werden beheerd door de tempel. Gewijd aan hun (dierlijke) stamgod, als speciale bemiddelaar bij de Grote Moeder.

Sinds vijfduizend jaar geleden zijn we meer en meer in klassenmaatschappijen komen te leven. De scheppingsverhalen van de afzonderlijke stammen moesten daarin plaats maken voor een eenheidsgodsdienst, een ‘Groot Verhaal’. Het proces van beschaving ging gepaard met oorlogen, slavernij en andere onmenselijkheden. Het houdt in: het onder dwang leren om leden van andere stammen die een andere taal spreken dan jij, toch als mensen net als jij te zien. De mythe van de Toren van Babel is er nog een overblijfsel van. Een smartelijk proces, maar het leverde wel een uitbreiding van het menselijk bewustzijn op: schrift, vormen van natuuronderzoek, uitwisseling en verbetering van technieken, verhoging van de landbouwopbrengsten, onderwijs en wetenschap, kortom, vooruitgang. Zo bezien zou de Bush-kliek met zijn imperialistische bezetting van het olieparadijs Irak toch nog de handen in historie kunnen schoonwassen.

Maar ondanks een opeenvolging van wrede culturen is onze menselijke natuur onveranderd gebleven.

De vrije markt heeft ons, als eerste cultuur, van ons teneerdrukkende godsdienstige Grote Verhaal bevrijd. We leven voorlopig op een seculier eiland in een verder nog geheel religieuze wereld.

Maar ook consumenten blijven mensen. Dus we zijn nog steeds ‘ongeneeslijk religieus’, zoals Dorothee Sölle stelde (zonder het te kunnen uitleggen natuurlijk). Tienduizenden generaties lang je wereld dansend/zingend beleven laat zijn sporen na in onze wereldbeleving. Onze kindjes komen nog steeds ter wereld in de verwachting dat hun moeder een verhaal danst/zingt. Ze houden even op met huilen als mama neuriënd met ze rond deint: dan luisteren ze oplettend want dat ‘kennen’ ze ergens van. Onze wereld beleven in een gemeenschappelijk gedanst/gezongen scheppingsverhaal, dat zit de mensen als het religieuze gevoel in het bloed, net als de neiging om op twee benen te gaan lopen en om talig te gaan communiceren.

Er is geen klassensamenleving geweest die het zonder Heersend Verhaal heeft kunnen stellen. Het kon een godsdienstig Verhaal zijn, zoals het Christendom of de Islam. Het kon een collectivistisch, dus nationalistisch of fascistisch of etnisch of economistisch Groot Verhaal zijn. Maar geen heersende klasse heeft ooit zónder gekund, zelfs de Argentijnse dictatuur waarin papa Zorregieta tot de trawanten behoorde, had zijn Groot Verhaal “Het Proces van de Nationale Reorganisatie”. Ook de mannenmaatschappij kon niet zonder dat verhaal dat God de vrouw schiep uit de rib van de man. Alle foute dingen moet je voor jezelf goedpraten met een ‘verhaal’ (je dronkenschap bijvoorbeeld: “op één been kun je niet staan”). Als ieder zijn eigen verhaal mag maken, levert dat al te vaak eigenbelang-versies op.

conclusie

Mensen zijn talige wezens. Hun samenleving heeft voor hen alleen in een Verhaal samenhang en zin, hun bestaan alleen in een Verhaal grond en sociale bedding. Dat is de menselijke natuur en dus is het ‘beetje dom’ dat de filosofen zo juichen om het einde der Grote Verhalen. Ja, de bevrijding van het onderdrukt worden door een heersende klasse middels een vrijheidsbeperkend collectivistisch communistisch of fascistisch Verhaal of een gelukbeperkend godsdienstig Verhaal is een zegen en die wensen we onze islamitische medemensen natuurlijk ook toe. Maar zónder Verhaal kunnen we niet goed samenleven. Dat wordt ook steeds duidelijker. Als in je samenleving geen Verhaal heerst (zoals een mode heerst bedoel ik), dat doel en richting van dat samenleven aangeeft, heb je ook niet het gevoel dat je buiten je familie- en vriendenkring wat met elkaar te maken hebt. Dan gaat ieder maar zijn eigen doelen nastreven.

Ook voor onze jongeren is het geen pretje, hun identiteit en hun bestaansworteling te moeten vinden zonder dat hun samenleving daar een Verhaal voor heeft, een Verhaal waarin alles past en zij zelf ook. Wij ouderen hebben nog wel een Verhaal meegekregen, het christelijke. Maar dat onderdrukkende, vrouw- en kindonvriendelijke Verhaal hebben we niet aan onze kinderen willen doorgeven. Niet wetend dat we hen daarmee ook vaste grond onder de voeten onthielden en ze veroordeelden om de ‘verloren generatie’ te worden. Trouwens, wie waren wij? In onze samenleving moet een Verhaal heersen. In je eentje heb je Nix te bieden, en dat boden we dan ook.

Als je niet weet hoe je geworden bent, heb je ook geen idee hoe je zelf bent en waar het met je naar toe moet. Het schrijnendst om te zien vond ik de Punks: hun wanhopig proberen zichzelf gestalte te geven. Schrijnend is ook hun motto: No Future. De hedendaagse literatuur laat die vergeefse worsteling om vaste grond en worteling in het leven te vinden, veelvormig zien.

Wie zijn herkomst niet kent, kan ook zijn heden niet begrijpen en geen toekomst zien. Dat geldt voor elke mens, maar ook voor een samenleving.

Het hoéft helemaal niet, dat samenleven zonder Verhaal. Ik heb nu nog maar een paar dingen in vogelvlucht laten zien, maar er is veel meer te vertellen en begrijpelijk te maken. Onze geneigdheid tot het goede; waarom we desalniettemin oorlog voeren en belachelijk omgaan met onze vrouwen en kinderen; en zo voort. Een clubje wetenschapsschrijvers zou, tenminste wanneer ik daar ook deel van zou mogen uitmaken, binnen een jaar een Verhaal voor elkaar kunnen hebben dat in de bestaande behoefte voorziet. Het hoeft namelijk niet perfect te zijn: dat heeft geen enkel Scheppingsverhaal ooit hoeven zijn om toch zijn bindende werk te kunnen doen. Bovendien steunt het op de enige echte waarheid die er voor mensen is weggelegd: één waar voortdurend aan gewerkt blijft worden. Het Verhaal komt immers nooit af, omdat de wetenschappelijke onderzoekers over de hele wereld maar door blijven gaan. De echte waarheid blijft altijd onderweg, dus het gaat een nimmer eindigend project worden. Elk jaar een supplement met de meest recente inzichten, elke vijf jaar een bijgewerkte hoofdtekst. Zoiets als het postcodeboek.

Een Nieuw Scheppingsverhaal. Maar nu één dat geldt voor elke mens die er bestaat, van welk ras of welke cultuur of gezindte dan ook. Of iemand dat zelf zo wil zien is een tweede, daar is zij/hij uiteraard vrij in. Het gaat om de mensen met Nix, die een IETS willen voor hun leven. Het gaat om een samenleving met een IETS dat ons bindt.

Een universeel Scheppingsverhaal is ook de globaliserende vrije markt waardig. Het haakt aan bij het eerste universele document dat de mensheid tot stand heeft weten te brengen: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Ook dat is gebaseerd op het menszijn van iedere mens. Een enorme prestatie voor 1948, om God er buiten te laten: de macht van de kerken was nog onaangetast. Het bleef bij een uiterst summiere aanduiding, de nadere invulling van het begrip ‘menszijn’ was politiek maar ook wetenschappelijk nog niet haalbaar toen. Dat is het vandaag wel.

Het moet er vooral zijn voor onze overheden, dat ze weer doel en richting kunnen uitzetten, en duurzaamheidsmaatregelen en eerlijk-delen-beleid kunnen legitimeren. En voor de burger, dat hij zijn overheid weer ergens op kan aanspreken. Voor het onderwijs, dat het de kinderen weer IETS mee te geven heeft. Voor de programmamakers, dat ze over zinnige inhoud beschikken. Voor de jongeren, dat ze grond onder hun denkvoeten krijgen: het stelt ze in staat hun wortels tot in de oerknal door te denken! Voor de allochtone jongeren, dat ze een alternatief krijgen voor het niet bij de vrije markt passende islamverhaal. En als alternatief voor het creationistische verhaal van het opdringende christenfundamentalisme. Voor ons samenleven dat niet zonder IETS kan. Voor Europa, dat ook geen gemeenschap kan worden zonder Verhaal. Voor de filosofen, dat ze niet meer van die domme dingen zeggen over ‘de mens’.

Voor de ex-gelovigen, dat ze gemakkelijker afstand kunnen doen van hun achterliggende gedachte dat ‘er toch iets moet zijn’ en ze rijp te maken voor de vruchtbaardere gedachte dat wij, mensen, het samen moeten zien op te lossen op dit paradijsje in het onherbergzame heelal.

info@mens2000.nl

Een uitgebreidere (maar ook nog steeds een te korte) uiteenzetting van ons Verhaal vindt u in de tekst “De Geboorte van God” (50 blz)


[1] wat mijzelf betreft waren het de jaren veertig, en luidde het antwoord nog: “Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen”. In 1948 is een nieuwe versie ingevoerd waarin je ook tijdens je leven al gelukkig kon wezen als je God diende.

[2] het hebben van een ‘naturalistic worldview’ is de (enige) voorwaarde om deel uit te mogen maken van THE-BRIGHTS, de begin 2003 van de grond gekomen beweging van Amerikaanse intellectuelen die de grondwettelijke scheiding van kerk en staat in het nauw gedreven achtten door het christenfundamentalisme dat met de Bush-regering wind in de zeilen kreeg; geleerden van faam zoals Richard Dawkins en Daniel Dennett schaarden zich onmiddellijk achter het initiatief, dat nu al wereldwijde instemming en aanhang geniet. The BRIGHTS Movement. P.O.Box 163418, Sacramento, CA 95816 www..the-brights.net

[3] voor de mogelijkheid van ETI (Extra-Terrestrial Intelligence) of UFO’s moge ik verwijzen naar de Toeval-tekst op deze site

[4] filosoof en psycholoog Jaap van Heerden Wees blij dat het leven geen zin heeft (Amst.1991) is bekend o.m. van zijn deelname aan het programma “God bestaat niet” van de RVU, 12 juli 2005, en bovendien heeft/had hij een internetsite waarin hij publieksvragen beantwoordt!

[5] niet dat dit zo moeilijk is; zie mijn tekst “De menselijke natuur” elders op deze site

[6] ja, ziet u, deze tekst schreef ik al drie jaar geleden, ik heb hem nu pas opnieuw op de werkbank gelegd

[7] ik meen echt dat we van de continentale filosofen á la Sloterdijk niets leren; dat is deze overigens in een debat in Felix Meritis in febr.’06 ook onomwonden verweten, door burger Bolkestein. Vrijwel al het bruikbare op de gebieden waarin ik mij als amateur begeef, is van Amerikaanse auteurs

[8] het kapitalisme is niemands uitvinding, het is een mechanisme; zelfs de CEO’s hebben er niets over te vertellen, ze draaien er in mee, net als u en ik; alleen hebben ze meer macht over ‘geld en goed’, en macht corrumpeert

[9] dit prikte de campagneleider van Bill Clinton als memory op voor diens redevoering; en voor iemand die wil weten waartoe wij op aarde zijn, moeten het evenzeer duidelijk zijn: ons denken wordt bepaald door de heersende economie, en dat is al vanaf de allervroegste tijden zo

[10] van Bart Tromp (of was het Van Doorn?) moet ik eigenlijk zeggen mondialiserend

[11] zoals Jean de Léry Reisverslag Brazilië , over de ideale Tupinambe-gemeenschap (1578)

[12] Pim was een aarts-egomaan, maar hij was in ’t geheel geen foute man, geen fascist; dus deze vergelijking slaat alleen op beider populistische welbespraaktheid; sorry Pim (ik hoorde hem zich omdraaien in zijn graf)

[13] daar gaat het boek De aap en de sushimeester van Frans de Waal (Contact, 2001) over

[14][ overpopulatie is: teveel leefgroepen binnen een te klein foerageergebied; dan is elke aanleiding tot een overlevingsgevecht goed genoeg; de overleving van je groep is dan afhankelijk van het aantal vechtbekwame mannen; dus gaan de vrouwen gewelddadigheid van hun jongens en mannen als een goede eigenschap zien en dus aanmoedigen; dan stijgen de mannen als sekse in status en gaan, na miljoenen jaren ‘tweederangs-burgers’ te zijn geweest, zichzelf ineens superbelangrijk voelen

[15] Rosalind Miles The Women’s History of the World (London, 1988)

[16] onderstreping van mij

[17] Rosalind Miles Stiefdochters van de tijd (Bruna, 1989)

[18] www.nrc.nl/W2/Nieuws/2000/03/25/Vp/wo.html

[19] ‘historische tijden’: t.o. de pre-historische tijden, de tijden waarin onze menselijke natuur gevormd is en waarin onze religieuze geneigdheid gevormd is; ik maak dus duidelijk onderscheid tussen religie: de neiging om onze wereld en ons samenleven te beleven binnen een gedanst/gezongen Scheppingsverhaal – en godsdienst: de eenheidsvorm waarin de religies gegoten zijn onder de dictatuur van een heersende klasse

[20] héé, komt hier niet een collectivistische gedachte om de hoek? Jazeker. Maar … ik zie als de stuwende kracht achter alle menselijke vooruitgang (in denken zowel als in welvaart) de vrije markt. It’s the economy, stupid!

Laat een échte denker maar gauw een ‘derde weg’ tussen deze twee uitersten bedenken. Ik heb al wel een idee voor haar/hem: alle macht aan de vrouwen (als sekse) en weg met het patriarchaat

[21] voor deze veronderstelling verwijs ik weer naar mijn tekst “Toeval.doc” op mijn site

Over het ontstaan van ons taalvermogen en ons bewustzijn (versie 2012)

Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image002.jpg

versie 11 april 2012

WOORD VOORAF

lieve lezer(-es),

Een humanosoof is een humanist/filosoof die het mens-zijn beziet vanuit de ontstaans-geschiedenis van onze soort. Omdat noch het humanisme, noch de filosofie, een verhaal in de aanbieding heeft over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn en dat niet eens beoogt, en een humanosoof dat wél beoogt en aanbiedt, noem ik mij humanosoof.
Nu moet ik bekennen dat ik de enige humanosoof ter wereld ben. Dan ben je wel makkelijk te vinden op het internet, het is ook wel een beetje zielig. Maar op een zwak pitje gloeit mijn hoop dat u, na kennisneming van wat ik u hier ga bieden, uzelf ook als humanosoof zult zien.

Een humanosoof beschouwt de menselijke natuur als gevormd in de menselijke prehistorie, in de VJ-fase (zie onder). In die lange-lange fase leefden onze voorouders in kleine, uiterst vreedzame groepjes met vrouwelijke dominantie. Van nature goed. Edele wilden.
In de AGR-fase (zie ook onder), en vooral in de historische tijden, is die natuur geweld aangedaan en gefrustreerd. Maar het verlangen naar het goede komt als een ondergeduwde kurk steeds weer bovendrijven waar het de kans krijgt.
Kennis van de menselijke prehistorie, dat is waar het in de humanosofie om draait. Daar komt vooral kennisname van wat de menswetenschappen aandragen aan te pas: kennis waarin filosofische opleidingen zwaar tekortschieten en waaraan ook op de universiteit voor humanistiek geen aandacht wordt besteed.
Zeker wat mijzelf betreft komt er ook eigen-wijsheid aan te pas: bij het opvullen van de weinige ‘witte plekken’ die ons menselijke kaart nog vertoont.
Eigengereidheid ook wel, voornamelijk tot uiting komend in mijn afkortingen. Ik leg ze in de tekst telkens uit, maar ik presenteer hier alvast een naslaglijstje.

VJ’s : verzamelaars/jagers (het stadium van 2 mjg tot 10.000 jg)
AGR’s : boeren (het stadium van 10.000 jg tot nu)
jg : jaar geleden
mjg : miljoen jaar geleden
vC : vóór het begin van onze jaartelling
AD : ná het begin van onze jaartelling
paleo : wetenschapper inzake onze ontstaansgeschiedenis: archeoloog, paleoantropoloog, antropoloog, etholoog, taxonoom, geoloog, noem maar op
vobo’s : voorouder-bonobo’s (voorouder-hominiden, voorouder-australopitheken)
AP’s : (australopitheken)
HERG’s : H. ergaster-mensen
HE’s : H. erectus-mensen
HEID’s : H. heidelbergensis-mensen
NT’s : H. neandertalensis-mensen
MSA’s : Afrikaanse NT’s (Middle Stone Age-mensen)
AMM’s : Anatomisch Moderne Mensen (H. sapiens-mensen)
EWG : Enig Ware God
mbt, oa, jg, ea : (puntjes voegen toch niets toe aan de leesbaarheid? Vooruit dan, bij o.m. wel)

INHOUD

4 Inleiding
8 literatuurlijst
11 ons verhaal
11 het begin
13 vellen
14 voap’s: hypersociale dieren
17 we werden talige wezens
18 gebarenwoorden
20 niet begonnen met praten!
21 symbolentaal
27 namen voor de dingen, en die in een woordenschat
30 de cheremen-doorbraak
33 het ontstaan van ons talige bewustzijn
34 het vuur
37 de grote sprong voorwaart als gevolg van de vuurbeheersing
40 talig bewustzijn
42 een overstap met dramatische gevolgen
47 het scheppingsverhaal
48 het bastion van heiligverklaring
50 conclusie

OVER HET ONTSTAAN VAN ONS TAALVERMOGEN EN ONS BEWUSTZIJN

“Over het bewustzijn tasten we nog steeds in het duister. Op dit moment is het bewustzijn een nogal geïsoleerd onderwerp, waarover zelfs de scherpste denkers maar liever zwijgen. Net als bij al die eerdere raadsels zijn er veel mensen die beweren – en hopen – dat het bewustzijn nooit zal worden gedemystificeerd. “ ( Daniel C. Dennett) [1]
Geen frustrerender onderwerp dan het bewustzijn… We kennen het bewustzijn allemaal, we zijn bewustzijn. Maar leg maar eens uit wat het is. (Bart Voorzanger)[2]
Wat is er nu zo ‘talig’ aan bewustzijn? (Wim van de Grind)[3]

inleiding

Ons menselijk bewustzijn is in de natuur ontstaan en die doet niet aan ingewikkelde dingen. De evolutie werkt met oude spullen, ruimt die pas op als ze in de weg zitten en ontwikkelt iets nieuws waar het van overlevingswaarde is voor een soort.
De continenten blijven niet op hun plek liggen. Ze hebben niet eens een plek, ze drijven. Door magmaconvecties in het binnenste van Aarde worden ze bijeengedreven of juist uit elkaar. Door die verplaatsingen krijg je nieuwe golfstromen. Door opduwingen tot gebergten van wat eerst kustgebieden waren of andersom krijg je andere luchtstromingen, dus andere verdeling van de zonnewarmte. Eenzelfde wispelturigheid en invloed hebben de stand van de aardas en de baan van Aarde om Zon. Het kan allemaal behoorlijke veranderingen teweeg brengen in het klimaat, en dan is het uitsterven geblazen voor soorten die op een bepaald klimaat zijn afgestemd. Randpopulaties van een soort kunnen al eerder met de omslag te maken gekregen en aanpassingen ontwikkeld hebben. Die groeien uit tot nieuwe hoofdpopulaties maar wel van een nieuwe soort.
Ons bewustzijn moet ook zo’n aanpassing zijn aan veranderde omstandigheden. Vergelijkbaar met het vliegvermogen van vogels of de sonar van de vleermuizen. Voor het ontstaan van dat vliegvermogen ga je toch niet zoeken in het vogelbrein en het vleermuizenbrein ga je toch niet afspeuren naar sonar? Nee, je loopt de evolutionaire ontwikkelingsgang van die soorten na, en je zoekt vergelijkbare soorten in vergelijkbare omstandigheden. Tenminste, dat is wat een humanosoof geneigd is te doen. Een humanosoof is iemand die menselijke fenomenen terugvoert op de ontstaansgeschiedenis van onze soort en die beschikt over een coherent verhaal daarvan[4]. Tien miljoen jaar geleden waren onze voorouders nog mensapen, nu zijn we mensen. Die weg gaan we nalopen.
Waarom doen geleerden als de hierboven geciteerde Dennet dat niet en blijft deze, terwijl hij nota bene zelf zegt dat het hopeloos is, ons brein aftasten? Volgens deze humanosoof komt dat door het denken vanuit een paradigma. Paradigma’s zijn, zo legde Klukhuhn het uit in Sterf, oude wereld : vooronderstellingen, wetten, methoden, schoolvoorbeelden, die niet meer ter discussie staan. Ze worden tijdens de opleiding aangeleerd en vormen het ‘denkraam’ waarbinnen wetenschappelijke problemen worden bezien.
Dat geldt met name voor onze filosofen; hun opleiding voorziet uitsluitend in kennisname van het denken over de wereld en de mens van de oude Griekse filosofen, van die van de Verlichting en van de Duitse metafysici. Maar die oude filosofen hadden nog geen wetenschappen tot hun beschikking, hun denken was voornamelijk ‘natte-vinger-werk’. Van de opbloei van de menswetenschappen na de zestiger jaren hebben onze filosofen in hun opleiding niets meegekregen; dus berust hun denken over wereld en mens op ‘oude koek’. Het schadelijke van deze toestand is dat de wetenschappers zich in hun denken richten op de heersende filosofie.
Zo is voor de meeste wetenschappers de vanzelfsprekendheid van het onoverbrugbaar zijn van de kloof tussen ‘de mens’ enerzijds en alle overige vormen van leven anderzijds de vrucht van het filosofische paradigma. De denkers uit de klassieke oudheid schetsten die kloof, latere geleerden als Thomas Hobbes zagen het niet anders, zo hebben onze wetenschappers het altijd leren zien in hun opleidingen en met die bril op staan ze in hun onderzoeksgebieden.
Maar er begint zich een (overbrugbare) kloof af te tekenen tussen filosofen, linguïsten en cultureel antropologen enerzijds en veldantropologen, ethologen en neurologen en ontwikkelingspsychologen anderzijds. Het woord ‘veld’ is hier veelbetekenend. Onderzoekers die daar met beide benen in staan of gestaan hebben, bezien de dingen anders. En die beginnen nu steeds luider hun boekengeleerde collega’s te verzoeken die oude bril af te zetten en gevolg te geven aan een niet minder klassieke aansporing: KEN UZELF. Om te weten hoe ‘de mens’ is moet je nu eenmaal weten hoe hij van ‘de aap’ tot mens geworden is. Dus moet je ons pad vanaf tien miljoen jaar geleden tot nu nalopen. Kom je UZELF vanzelf tegen.

Eeuwen geleden kon dat nog niet, dat pad aflopen. De klassieke denkers moesten er maar een slag naar slaan hoe mensen van apen mensen geworden zijn. Wat? Het besef dat we als apen begonnen zijn en dat we er nog heel wat eigenaardigheden van in ons meedragen, is tamelijk nieuw. Tot ruim een eeuw geleden heeft zelfs in de wetenschappen als vaststaand gegolden dat we kant en klaar door een Hoger Wezen op de aarde getoverd waren. Hoewel onze westerse wereld al wel grotendeels ‘onttoverd’ was, bleef wat de mens’ betreft het woord van de bijbel nog als wet gelden en Darwin is nog heel lang verketterd met zijn afwijkende visie. Tot op de dag van vandaag is de kloof tussen ‘de mens’ en zijn mededieren voor veel wetenschappers nog steeds onoverbrugbaar. Met name voor filosofen, cultureel antropologen en linguïsten. Omdat ze dus nog steeds voortbouwen op de inzichten der klassieke wijsgerigheid en geen kennis genomen hebben van de groeiende inzichten uit de antropologische disciplines. Die kloof is een onnodige én onvruchtbare barrière.
Ook de antropologische disciplines, aan de andere zijde van de kloof, weten deze nog niet te overbruggen. Frans de Waal ziet als primatoloog zoveel gedragsovereenkomsten tussen ons en de chimpansees dat hij de kloof verwaarloosbaar acht. De kloof negeren is ook geen overbruggen ervan.

Denken binnen een star paradigma is één blokkade.  Het niet helder zijn van wat onder het woord ‘bewustzijn’ verstaan kan en moet worden is een tweede struikelblok.
Het woord ‘bewustzijn’ komt uit de gereedschapskist van de Zijnsfilosofen, zoals Fichte, Schelling en vooral Hegel. Het woord ‘bewust’ is volgens het etymologisch wb uit het Hoogduits afkomstig. In elk geval is het denken over ons bewustzijn zeker tot in de jaren ‘70 van de 20ste eeuw aan de filosofen overgelaten. Sinds de wetenschap kwam te beschikken over krachtige nieuwe technieken zijn ook de neurobiologen zich met ons brein en vervolgens ook met ons bewustzijn bezig gaan houden, zoals ook mijn aanvangscitaat laat zien. Het betere werk vergeleken met het ‘natte vinger’-werk van de filosofen. Maar met als nadeel dat die link met ons brein de wetenschappers ook weer gevangen houdt. Die houdt hen af van het zoeken waar de oorsprong van ons talige bewustzijn echt te vinden is: op het pad van mensaap naar mens.
Ook de meeste paleoantropologen zijn in de val van het brein gelopen en meten de mate van hogere menselijkheid bij hun fossiele vondsten af aan de cc-inhoud van de schedels. Zodat een befaamd paleoantropoloog als Alan Walker, in zijn boek Wisdom of the Bones (1996), naar aanleiding van een pas gevonden Homo erectusskelet, mijmert: “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een vreemdeling, maar de dodelijke onwetendheid in de starende ogen van een leeuw.” Walker heeft dus nimmer oog in oog met een chimpansee of gorilla gestaan – vermoedelijk wel met een leeuw! Sommigen gaan zelfs zover dat ze die groei naar hogere menselijkheid toeschrijven aan de aanwas van de hersenmassa. Terwijl het toch duidelijk moge zijn dat er eerst het gedrag ontstaat en dan pas het aan dat gedrag aangepaste brein.

Laten we eerst inventariseren wat we allemaal onder ‘bewustzijn’ kunnen verstaan.
In medische zin betekent het: besef van jezelf en je omgeving. Je kunt buiten bewustzijn raken en weer bij (bewustzijn) komen. Maar dat kunnen dieren ook, buiten westen raken of gemaakt worden, en weer ‘bij’ komen. Eigenlijk zou het handiger zijn als we voor dát bewustzijn (‘westen’) het woord “attentieniveau” zouden kunnen vaststellen.
Daar heeft Dennet het natuurlijk niet over, hij bedoelt het ik-gevoel. Zelfbewustzijn. Het besef dat jij jij bent en niemand anders. Maar dat hebben hogere dieren ook al. Dat hadden we dus al toen we nog een soort chimpansees waren. Chimpansees in gevangenschap leren al doende de spiegel te gebruiken om hun (fraaie) gebit te inspecteren of zo en voelen zich diep beledigd wanneer een ander hen in de maling genomen heeft. (Zelf-)bewustzijn is in primatenleefgroepen bijzonder belangrijk. Dat heb je nodig om je in de gedachtegang en de gevoelens van de ander te kunnen verplaatsen, om diens reactie en gedrag te kunnen voorzien. Dus om je eigen kansen op eten, het vermijden van vijanden en je eigen voortplanting zo groot mogelijk te maken.

Het begrip ‘bewustzijn’ is ook nog gekaapt door de New Age-auteurs en andere aanbieders van ‘bewustzijn’; waarmee dezen vooral ‘hoger (of ‘dieper’ of ‘meta-’) bewustzijn’ bedoelen. Maar aan ‘hoger bewustzijn’ komt alleen geloof, geen wetenschap, te pas. New Age-auteurs moeten niet veel hebben van wetenschap. Ze doen deze af als reductionistisch. Nu is de reductionistische methode (complexe verschijnselen uiteenrafelen om de afzonderlijke en gemakkelijker te verklaren onderdelen één voor één onder de loep te leggen, teneinde zodoende het geheel te kunnen verklaren), uiterst succesvol gebleken. Qui bene distinguit, bene discit, nietwaar?  Het heeft de westerse wereld tot hoge welvaart gebracht. Ook tot geestelijke leegte: de kerken zijn leeg geraakt en er kwam geen nieuw zingevend Verhaal voor in de plaats. New Age zingevers zijn de wetenschap de schuld gaan geven van de leegte. Hun devies is ‘heelheid’ (holisme), en dan is de wetenschappelijke methode van reduceren, en daarmee de wetenschap zelf, de natuurlijke vijand van New Age.
Het is een misvatting om te denken dat denken typisch menselijk is. Hogere dieren zouden niet aan hun eten kunnen komen als ze niet konden denken. Denken is het binnen je hersennetwerkjes afspelen van mogelijke scenario’s om daaruit op je gevoel af de beste keuze te maken. Daar laten de chimpansees al supermenselijke staaltjes van zien, maar ook gewone apen zoals kapucijnapen leggen, blijkens het recent gepubliceerde experiment van Frans de Waal (sept.’03) gevoel voor eerlijkheid in de omgang aan de dag. Alle hogere dieren, hoger dan bijvoorbeeld een zeester, denken en lijken echt niet op bijvoorbeeld een grasmaaiende robot. Hét voorbeeld van het dierlijke denken is voor mij het volgende verhaal:
Een onderzoeker volgt met zijn kijker drie leeuwinnen die op jacht zijn. Ze duiken plotseling neer: ze hebben in de verte een troep grazende impala’s gezien. De wind komt naar ze toe dus de impala’s hebben nog niets van hen bespeurd. Terwijl de twee andere blijven liggen sluipt één leeuwin behoedzaam om de troep heen en jaagt de impala’s op: in de richting van de andere leeuwinnen. De onderzoeker ziet de tactiek beloond worden.
Zelfs mijn kipjes maken zich gedachten als ze mij ’s morgens naar mijn busje zien lopen. Stapt die tweebenige die hun graankorrels strooit meteen in en rijdt weg? Dan blijven ze waar ze zijn: scharrelend op de composthoop van de buren. Of loopt hij door naar zijn atelier waar de blikken bus met de graankorrels staat? Dan zijn ze er als de kippen bij! Bepaald geen robots.

Ons menselijke bewustzijn moeten we zoeken in de culturele evolutie die ons zulke speciale dieren heeft laten worden dat we er kippen op na houden – om eens wat te noemen. Wij doen een heleboel dingen die een normaal dier niet doet. Op twee benen lopen, vuur gebruiken, met symbolen communiceren. Allemaal heel uniek voor zoogdieren die begonnen zijn als een onaanzienlijk en bang troepje mensapen dat gedwongen werd op de savannen voedsel te zoeken dat zijn bossen niet langer boden. Hoe, waarom, waardoor heeft dat hen toen, acht miljoen jaar geleden, zo’n afwijkend pad in doen slaan?
Dat pad gaan we nu nalopen en dan komen we ons rare bewustzijn vanzelf tegen.
Dat zullen we voortaan niet meer aanduiden als ‘bewustzijn’, omdat we dat we dat delen met alle hogere groepsdieren. We zullen dan nog uitsluitend spreken over talig bewustzijn want daarin zijn wij als soort uniek.
Daar gaat deze tekst dus voornamelijk over: over de oorsprong van ons menselijke taalvermogen. Ook daarover heeft de humanosoof een nieuwe kijk op te bieden. Mijn literatuurlijst vermeldt de belangrijkste actuele auteurs in deze: Richard Byrne The Thinking Ape (1995), Terrence Deacon The Symbolic Species (1998), Steven Mithen The Prehistory of the Mind (1996), en vooral Steven Pinker Het Taalinstinct (1994). Geen van deze auteurs weet de oorsprong van ons taalvermogen coherent binnen de ontwikkelingsgang van aap naar mens, dus als een Verhaal, te schetsen. Met Verhaal bedoel ik: een vloeiende serie oorzaken en gevolgen. Nee, daar beginnen wetenschappers niet graag aan. Het dichtst bij de formulering van wat de humanosoof als menselijk taalvermogen ziet, is van Pinker: “taal, waarin symbolen zijn omgezet in een oneindig apparaat van combinaties, elk met een vast omschreven betekenis”. Maar ook Pinker constateert slechts, hij speculeert niet over waarom het onze soort is die daarmee begon (oorzaak), noch wat daarvan onze soort zo speciaal maakte in de dierenwereld (gevolg).  Hij loopt het pad van aap tot mens niet na.

De humanosoof laat, gebruik makend van wat voor het Verhaal relevante wetenschappers aandragen aan bouwstenen ervoor, het pad zien. Op duizenden plekken op de aarde zijn wetenschappers aan het onderzoeken. In laboratoria en aan universiteiten, in oerwouden maar ook in dierentuinen, waar de ze gedragingen en het denken van apen bestuderen; en in afgelegen gebieden waar ze mensenpopulaties die nog op een vroegere manier leven, bestuderen. Ze wisselen hun bevindingen uit in boeken en tijdschriften, veelal in het Engels als wetenschappelijke taal, en via internet. En omdat de humanosoof door levenslange interesse, goede opleiding en met meer vrije tijd dan iemand met een ander beroep, er de gelegenheid toe heeft, kan hij nu dit verhaal te berde brengen over waarom en hoe onze vroegste voorouders namen voor de dingen zijn gaan ontwikkelen. Kan hij begrijpelijk maken dat er daardoor afstand ontstond tussen hen en de dingen, dat ze erdoor hun wereld zijn gaan begrijpen, en dat dit (een gevoel van) macht geeft over de dingen.
Daardoor, en alleen daardoor, zijn ze, begonnen als een uiterst onaanzienlijk en bang ondersoortje chimpansee-achtigen, niet beschikkend over horens of scherpe hoeven of slagtanden en klauwen of over grote snelheid of afmeting, ergens op de Oost-Afrikaanse savanne van zes miljoen jaar geleden, na ettelijke miljoenen jaren er toe gekomen om het vuur gaan gebruiken; vanaf toen ze dermate bijzondere dieren geworden dat vandaag al die grote en machtige mededieren nu bij ons in de dierentuin zitten en dat het nergens andersom is.
Macht is één ding. Een ander ding is, dat namen voor de dingen denkbeelden zijn. Onze soort is in een benoemde wereld komen te leven, in een denkbeeldenwereld, een woordenwereld, een alleen in ons talige bewustzijn spelende wereld. Voor ons bestaan de dingen er pas en in zoverre wij er een woord voor hebben.
Onze voorouders schiepen met hun woorden de dingen, riepen ze in ons bewustzijn, dus menselijkerwijs gesproken in het bestaan. Het groepje vrouwen, kinderen en mannen dat als eerste mensen een bepaald gebied als hun jachtgebied in gebruik nam, was voor hun nakomelingen de scheppende groep. Dat groepje gaf er de dingen hun naam, en voor hun nakomelingen leefde de vooroudergroep in het gedanst/gezongen scheppingsverhaal voort als De Grote Voorouder die alle dingen in hun stamgebied geschapen had. Menselijkerwijs gesproken was het stamgebied voordien nog ‘woest en ledig’: was het nog onbenoemd.
Die proto-godsfiguur is dus in wezen de groep eerste ‘kolonisten’, samengebald tot één Scheppende Figuur – die dan ook onveranderlijk noch man was noch vrouw.
Met het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal gaven onze voorouders hun stamgebied telkens weer opnieuw gestalte. Het was een hachelijk ‘papieren zoldertje’ waarop zij mentaal waren komen te leven, die woordenwereld moest vooral aanvankelijk door herhalingen op herhalingen telkens weer opnieuw bevestigd worden. Ze hadden het gevoel dat hun (woorden)wereld zou ophouden te bestaan wanneer ze hun Scheppingsverhaal niet langer zouden dansen/zingen. Ze werden er religieuze wezens door en dat zijn we nog[5].

Dat houdt taligheid dus voor mensen in: we leven in een benoemde wereld, een denkbeeldenwereld, een woordenwereld. Vandaar dat ons bewustzijn talig is.
Het is een pad waarop wetenschappers zich nauwelijks durven begeven. Omdat het glibberig is en zij er hun wetenschappelijke reputatie – en dus hun inkomen – op riskeren . Maar de humanosoof is portrettekenaar. Zijn inkomen loopt geen gevaar, hij heeft nul wetenschappelijke reputatie en begeeft zich dus onbekommerd op het pad. “Fools jump in where angels fear to tread”, zei Alexander Pope. Maar eer u nu geen zin meer heeft om u verder bezig te houden met hetgeen een leek onbekommerd en vrijblijvend te berde meent te mogen brengen, moet u nu twee dingen overdenken.
Natuurlijk bent u als wetenschapper vele malen geleerder dan deze portrettekenaar. Echter … alleen op uw eigen (onderdeeltje van uw) vakgebiedje. Op dat gebiedje hebt u al moeite genoeg om de ontwikkelingen bij te benen, terwijl u ook nog eens moeten lesgeven en publiceren en uw relaties en uw ouderschap goed moet zien te houden. Op alle overige gebieden bent u een even grote leek als deze portrettekenaar. Voor het reconstrueren van ons mensenverhaal nu moet je grasduinen op een veelheid van gebieden (‘grasduinen op’, niet ‘je verdiepen in ’!) Wie kan dat? Dat kan alleen een begeesterde oude en alleenwonende portrettekenaar met universitaire ondergrond. Voilá!
Toch zal de humanosoof meer moeten doen om enige geloofwaardigheid bij u te verwerven, want – en dat is wellicht zijn grootste makke – hij beschikt ook nog eens niet over het bij dit prestigieuze onderwerp passende geserreerde taalgebruik. Het manco van een artistieke inslag, die echter soms ook creatief denken bevordert.
En … hij haat onechtheid en duisterheid. De humanosoof kan zijn verhaal aan elke geïnteresseerde scholier uitleggen, en dat doet hij dan ook vaak, als was het maar om ze ‘bij de les’ te houden bij het geportretteerd worden.

Wat (vooral continentale) geleerden van Alan Socal & Jean Bricmont – Impostures intellectuelles (1997) in hun zak kunnen steken is dat een geserreerde betoogtrant niet per se diepzinnig hoeft te zijn; dat het er om gaat dat je weet waar je over praat en dat je zowel autoriteitsargumenten als ingewikkelde woorden of duister taalgebruik hebt te schuwen. Als je niet simpel uit kunt leggen wat je bedoelt, snap je het zelf niet goed genoeg.

Misschien dat mijn literatuurlijst u enig vertrouwen kan geven. Om aan te geven aan welke auteurs ik bij het schrijven van mijn teksten het vaakst terugdenk, maak ik de betreffende achternaam vet.

 

ons verhaal

“Dit is natuurlijk een post hoc-verhaal, maar dat zijn alle reconstructies. Je kunt het nooit bewijzen. Maar het is een goed verhaal wanneer het strookt met alle bekende feiten en als we er wat mee kunnen.” (Primatoloog Carel van Schaik in interview NRC4 mrt ’06)

het begin

Ons verhaal begint zo’n acht miljoen jaar geleden in de regenwouden van Afrika, het woongebied van de gemeenschappelijke vooroudermensapen[6] van de huidige chimpansees, bonobo’s en mensen.
Bonobo’s delen met de chimpansees en met ons dezelfde vooroudersoort. Ze lijken nog zoveel op de gewone chimpansees (of andersom) dat ze, doordat ze veel zeldzamer zijn, nog niet zo lang geleden ‘ontdekt’ zijn – in een Belgische dierentuin nota bene – als aparte soort met een eigen soortnaam.
Hun leefgebied is het oerwoud binnen de noordwaartse lus van de Congorivier. Dat oerwoud heeft nooit wezenlijk te lijden gehad onder de klimaatwisselingen van de IJstijden, en dus hebben de bonobo’s zich nooit aan veranderde omstandigheden hoeven aanpassen, zoals ónze voorouders en later ook die van de chimpansees wél hebben gemoeten. Vandaar dat primatoloog Frans de Waal stelt dat, willen wij ons een betrouwbare voorstelling van onze vroegste voorouders maken, we naar de bonobo’s kunnen kijken. Vandaar ook dat ik die gemeenschappelijke vooroudersoort als ‘ voorouder-bonobo’s’ aanduid. Kort ik gemakshalve af tot vobo’s.
De vobo’s zijn dus niet alleen ónze primatenvooroudersoort maar ook die van onze ‘neven’, de chimpansees. Beiden zijn we door omstandigheden anders geworden, de bonobo’s zijn gewoon gebleven wat ze als vobo’s al waren.
Acht miljoen jaar geleden waren ónze vobo’s definitief van hun familieleden gescheiden door de Afrikaanse Grote Slenk, het breukdal dat zich toentertijd tot een binnenzee verdiept had. In het deel dat nu als de ‘hoorn’ van Afrika wordt aangeduid, verdween door een geleidelijke klimaatverandering het regenwoud. De vobo’s aldaar moesten zich aanpassen aan wat ervoor in de plaats kwam: savannen[7].
Dus is een heel andere biotoop dan waar die oorspronkelijke regenwoudbewoners op gebouwd waren: geen voorouderlijke vruchtbomen meer maar een gebied met open bossen, uitgestrekte graslanden en struikgewassen. Een biotoop die ook nog eens onderhevig was aan seizoenswisseling: een korte moessonperiode en dan lange maanden van droogte.

Dat aanpassen kreeg alle tijd en verliep volkomen ongemerkt. Ook mensapen struinen rond in hun territorium, foerageerroutes volgend die door seizoenmatige afwisseling worden gedicteerd. Daar heeft voor onze vobo’s geen enkele onderbreking in plaatsgevonden: ze moesten immers elke dag eten. Het enige wat gebeurde was dat hún foerageergebied in de loop der generaties steeds grotere open grasvlakten ging beslaan en dat het bestand aan vruchtbomen in hun bossen achteruitging. Het achteruitgaan van hun regenwoud en het tot savanne worden ging zo geleidelijk dat ze er nooit erg in gehad hebben. Zo geleidelijk verliep ook hun fysieke aanpassing aan de nieuwe condities.
Zo geleidelijk veranderde ook het menu van onze vobo’s, toen hun foerageerroutes steeds vaker en verder over die open grasgebieden liepen: graszaden[8], uit te graven knollen[9], larven, insecten en hagedissen, vogeleieren, kleine gronddieren. En vooral: de vellen van door sabeltandtijgers aangeleverd aas. Leeuwen, hyena’s en gieren hadden zich al tegoedgedaan aan het vlees en zelfs de botten. Maar in de harige vellen hadden die geen trek. Voor onze vobo’s waren de vellen erg aantrekkelijk, zoals we nog zullen zien.

Eten genoeg te vinden op de open graslanden. Maar het was voor mensapen levensgevaarlijk terrein. Vanwege de grote katten die daar leefden van olifantachtigen, neushoorns, gnoes, zebra’s, antilopen en gazellen en andere planteneters. Behalve drie soorten sabeltandtijgers, waren de leeuwen en de hyena’s bovendien reusachtiger dan de hedendaagse soorten. En ze lustten bepaald graag mensaap, want die hebben geen horens of gevaarlijke hoeven of scherpe klauwen; en vooral: ze zijn traag, vergeleken bij de graseters en hun predators die een evolutionaire ‘wapenwedloop’ in snelheid hadden doorgemaakt. [10]

Dat de toenmalige graslanden vanwege de reuzenkatten en reuzenhyena’s vele malen gevaarlijker waren dan de huidige Serengeti is een belangrijk gegeven, waar nochtans weinig acht op wordt geslagen door de paleo’s[11], vind ik. Gelukkig – tenminste als je blij bent dat je er bent – kunnen mensapen iets waar roofdieren een hekel aan hebben: ze gooien met van alles als je in hun buurt komt.

Jane Goodall, die de chimpansees in het wild bestudeerd heeft, noemt het voorbeeld van Heer Worzle (zij gaf de individuen namen om ze uit elkaar te kunnen houden). De bananen die zij in het woud neerlegde om hen naar haar tent te lokken, daar kwamen ook bavianen op af. Die zijn bijna even groot als chimps en ook voor geen kleintje vervaard, en vrouwen en kinderen lieten zich dan imponeren. Heer Worzle liet zich niet van zijn stuk brengen, hij week geen centimeter, raapte op wat voor zijn handen lag en wierp dat naar hun kop. Soms waren het bladeren, een keer – tot groot genoegen van de bavianen – een tros bananen. Maar langzaam kwam Heer Worzle tot de ontdekking dat stenen het beste waren en na een tijdje ging hij ook steeds grotere gebruiken.
Onze vobo’s zijn dit mensapenkunstje noodgedwongen gaan ‘professionaliseren’, zoals ze meer vermogens waar ze vanuit hun mensaap-zijn al over beschikten, zijn gaan ‘professionaliseren’. Wat het gooien betreft hield dat in dat hun projectielen stenen werden, zoals Heer Worzle al liet zien. Die doen niet alleen pijn maar je kunt er ook een voorraadje van meenemen. Want je moet die wapens natuurlijk bij je hebben als je je op zulk gevaarlijk terrein begeeft. Aan één steen heb je niet genoeg, daar laat een troep hongerige reuzenhyena’s zich niet mee verjagen. Maar een troep schreeuwende mensapen en een hagelbui van stenen, daar heeft zelfs een sabeltandtijger niet van terug.
Hoe moet een mensaap in godsnaam een hoop stenen meedragen? Met hun handen natuurlijk. Hetgeen meteen de vraag beantwoordt waarom wij als enige zoogdiersoort tweebenigen zijn geworden. Ook een ‘professionalisering’ van wat chimpansees en bonobo’s al doen: wanneer ze iets zwaars moeten meedragen doen ze dat met hun handen en waggelen ze op hun benen. De meeste dieren, beren, honden, paarden, noem maar op, kunnen het – met hetzelfde (on)gemak als waarmee wij op één been hinken.

vellen

Dat onze voorouders bij dat meedragen van een stapel stenen (en andere mee te dragen dingen en baby’s) vanaf het begin dierenvellen zijn gaan gebruiken, is een speculatie die voor de hand ligt als je weet dat die vellen daar overal lagen te slingeren. Sabeltanders waren gespecialiseerd in het veroveren van een neushoorn[12], nijlpaard of andere dikhuid. Maar hun sabeltanden leenden zich niet voor afknagen. Zodra ze de buik vol hadden, van de ingewanden maar ook van het getreiter van de ongeduldig wachtende aaseters, hielden ze de resten van hun buit voor gezien. De toenmalige hyena’s hadden niet voor niets ook reuzen-uitvoeringen!
Gieren en hyena’s verslinden alles, zelfs de botten, maar die harige vellen zijn echt niet te vreten. Dat onze vobo’s ze gebruikt zullen hebben als draagtas vermoeden ook echte wetenschappers[13]. Maar volgens mij waren de vellen voor hen ook belangrijk als extra bron van proteïnen!

Chimpansees en ook savannebavianen zijn tuk op vlees en beide soorten hebben daartoe hun ‘jachtmethoden’ ontwikkeld[14]. Onze vobo’s konden jacht op die snelle grazers vergeten; maar ze hebben vermoedelijk al heel gauw de door aaseters achtergelaten vellen, waar nog genoeg vet en ander weefsel aan zat, als nieuwe niche (voedselbron) ontdekt. Want met die handige vingers waarmee ze ook luizen uit elkaars haren konden ‘vlooien’, konden ze ook de restanten vlees en vet aan de vellen die buiten het bereik van tanden en snavels waren gebleven, afpulken en opeten. En al gauw zullen ze er ook scherpe schelpen en steenscherven bij zijn gaan gebruiken, om het achtergebleven weefsel er van af te schrapen.

Wanneer een vel helemaal schoon gepeuzeld en geschraapt was, hielden ze er een prima ‘draagtas’ aan over, annex windscherm of zonne- dan wel regenscherm op hun rustplaatsen, annex ‘deken’ voor de koude nachten – want in de tropen daalt de temperatuur ’s nachts soms behoorlijk. Kortom, de vellen zijn voor onze vobo’s vanaf het begin heel gewild geweest, hebben hun ‘rijkdom’ gevormd en hun overleving ten zeerste bevorderd. Ze zijn bovendien uiterst belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de steenbewerkingstechniek. Aanvankelijk zochten de vobo’s naar steenscherven. Maar al heel gauw maakten ze die zelf door een steen kapot te smijten op een grotere steen of met een grotere steen aan scherven te slaan.
Rondcirkelende gieren gaven de plek aan waar vers aas aan te treffen zou zijn. Zeker aanvankelijk zullen ze de plek met uiterste omzichtigheid benaderd hebben, maar in de loop der miljoenen (!) jaren zullen ze steeds brutaler en haastiger de concurrenten van het aas hebben weggejaagd met hun stenen.

Vrouwen kunnen niet gooien, want die moeten hun baby meedragen en eten verzamelen. Mannen kunnen geen knollen gaan zitten uitgraven: leeuwen en andere roofdieren liggen altijd op de loer, ze moesten voortdurend op hun hoede zijn en hun wapens paraat houden. Taakverdeling dus, vanaf het begin. Vrouwen en kinderen verzamelen het voedsel en de volwassen mannen doen niets anders dan zorgen dat dit in veiligheid kan gebeuren. Die taakverdeling komt de gedragsonderzoekers van chimpansees bekend voor: ook bij de chimps zijn het de mannen die voor het vlees zorgen – het ook verdelen, zij het niet met vrouwen en kinderen. Overigens foerageert bij hen ieder voor zich; mensapen verorberen het gevonden eten meteen en delen het niet. Onze vobo’s werden verzamelaars/aaseters, droegen het voedsel mee naar een veilig overnachtingsbos en deelden het daar.
Het was de nieuwe leefomgeving die ónze vobo’s dwong tot deze nieuwe leefwijze. Bewapening (vooral stenen) meedragen hoort daar bij, dus ook rechtop lopen. Daar zijn zoogdieren niet op gebouwd: op het op de achterpoten lopen. Voor de vereiste aanpassingen aan bil- en buikspieren en zelfs aan hun aderen[15] hebben ze wel een miljoen jaar de tijd gehad, zo geleidelijk voltrokken zich de veranderingen van hun omgeving. Het is best mogelijk dat er een overgangsfase in zoutwater-mangrovebossen, zoals bij de neusapen in Borneo, tussen zit, maar nodig is een aquatic ape-theorie[16] niet (al heeft die qua zouthuishouding en zweetkliertjes wel wat).
Bij al die culturele verworvenheden moet je voortdurend bedenken dat de groepen waarin deze gewoonten het best tot ontwikkeling kwamen, beter floreerden dan de groepen die er weinig van bakten. Want onze vobo’s waren bepaald niet de enige hominiden die de noodgedwongen overstap van het regenwoud naar de savanne-omgeving hebben gemaakt.
Zeker is dat onze vobo’s zes miljoen jaar geleden al volleerde tweevoeters waren: dat bewijzen de fossiele botten[17]. Tweebenige mensapen worden door de paleo’s (paleoantropologen, archeologen en andere relevante –logen) hominiden genoemd. Of vaker nog: australopithecinen. Dit tongbrekende woord wordt door mij hier verder afgekort tot AP’s. De paleo’s vinden vanaf de zestiger jaren het ene AP-fossiel na het andere maar of er ook maar één bij is dat op onze rechtstreeks voorouderlijke lijn te plaatsen valt, blijft twijfelachtig. Boiseï, robustus, africanus, afarensis, habilis, garhi, noem ze maar op, je weet nooit of je een voorouder dan wel de prooi van een voorouder in handen hebt[18]. Maar ons Verhaal gaat over ónze voorouders, en om die reële maar moeilijk te traceren variant aan te duiden, noem ik ze, ter onderscheiding van al die overige AP-soorten, voap’s (inderdaad: voorouder-AP’s).

voap’s, hypersociale dieren

De voap’s zagen er nog hetzelfde uit als hun naaste bloedverwanten in het regenwoud en op de savannen. Ze ‘woonden’ ook nog steeds in de bossen langs de oevers van meren en rivieren, waar ze voor hun overnachting hun slaapplatforms maakten hoog in de bomen. Al waren die bomen nu niet langer de reusachtige vruchtbomen van het regenwoud, maar het lagere geboomte van de open bossen die daar voor in de plaats gekomen waren. Ook hun handen en voeten bleven op klimmen berekend, ze moesten nog steeds bliksemsnel de bomen in kunnen als het hun te link werd. Hun voeten waren al wel een tussenvorm tussen mensapen- en mensenvoeten[19] door hun manier van voortbewegen.
Als groepsdieren en chimpansees waren onze vobo’s al heel sociaal, maar vanwege de nieuwe levensomstandigheden die hen dwongen voortdurend heel dicht bij elkaar te blijven hebben ze ook deze mensapeneigenschap ‘geprofessionaliseerd’: als voap’s zijn ze supersociaal geworden, de meest sociale zoogdieren die de natuur kent.
Cultuurpessimisten schamperen als ze mij de menselijke natuur als hypersociaal horen kwalificeren. Zij dienen echter onze natuur te zien als een ‘drietrapsraket’:
Fase 1. delen we met alle, dus ook de meest primitieve, levensvormen; dat is dus: blindelings graaien wat je pakken kunt ter instandhouding en voortplanting van je eigen organisme. Is ook bij ons nog volop werkzaam in al dan niet vermeende panieksituaties.
Fase 2, de groepsdierfase, voegt al een sociale neiging in; groepsdieren als olifanten, walvissen en chimpansee-achtigen slagen er als groep beter in om voedsel te graaien en de eigen soort voort te planten; om de eigen groep zo sterk mogelijk te houden in concurrentie met andere groepen, dienen de individuen hun primitieve zelfzucht in te tomen en medeleven en zorgzaamheid aan de dag te leggen; het is de natuurlijke selectie op groepsniveau die hier gewerkt heeft: groepen met de beste samenwerking deden het ‘t beste. Bij de in een totaal nieuwe leefomgeving terechtgekomen chimpansee-achtige voap’s heeft de natuurlijke selectie Fase 3, het hypersociale, veroorzaakt; in hun hachelijke omgeving was strikte harmonie van overlevingsbelang; daarover dadelijk meer.
Een groepsdier kan niet buiten zijn leefgroep. Dan mist het de bescherming ervan maar ook de in de cultuur van de groep opgeslagen kennis die voor het overleven onmisbaar is; kennis die niet aangeboren is maar die het in zijn jeugd meekrijgt. Het welzijn en de leefbaarheid van de groep zijn voor elk individu van zo groot belang dat het bereid is om daar aan individueel eigenbelang[20] voor in te leveren. Groepsdieren zoals chimpansees, onze naaste verwanten in het dierenrijk, kennen dan ook een heel repertoire aan sociale vaardigheden zoals medeleven en troosten, conflictverzoening, betrokkenheid, goed leiderschap, wederkerig altruïsme, gehechtheid en vriendschap, verdriet en gemeenschapszin, waar vooral de boeken van Frans de Waal[21] over gaan.
Chimpansees kunnen, al hun sociale vaardigheden ten spijt en hoe vreedzaam ze doorgaans zijn, tamelijk gewelddadig uit de hoek komen. Ze kennen moord en doodslag, verkrachting en kindermoord, en moorddadige overvallen op hun buren. Als ‘derde chimpanseesoort’[22] dragen wij dus een gewelddadige erfenis in onze genen mee, vooral onze mannen. Althans, dat is de boodschap van het boek Demonic Males van de Amerikaanse paleoantropoloog Richard Wrangham. Maar wat hierin evenals bij De Waal duidelijk wordt is, dat elk conflict, hoe ernstig ook, zo snel mogelijk wordt bijgelegd en verzoend. En dat de vrouwen een belangrijke rol spelen bij de conflictbeheersing (zijzelf en de kinderen zijn meestal de dupe) en dat die rol groter wordt als de groep als geheel bij elkaar is bij de voldoende voedselaanbod, of … in gevangenschap! Dan kunnen de vrouwen elkaar bijspringen tegen mannelijk geweld.
Wrangham gaat er van uit dat de chimpansees onze vooroudervoorbeelden zijn. Maar hij heeft het mis. De chimpansees zijn pas zo gewelddadig en machistisch gaan worden vanaf 2,5 mjg, toen de IJstijden begonnen. Om de 20.000 jaar krompen hun leefgebieden in, met alle overlevingsgevechten van de groepen van dien. En oorlog maakt mannen belangrijk.
Bonobo’s nu, binnen de grote lus van de Congorivier, hebben een paradijselijk leefgebied dat ook in de ergste ijstijden paradijselijk bleef en dat ze bovendien niet hoeven te delen met gorilla’s (mensapen kunnen niet zwemmen), Ze hebben de luxe om vrijwel permanent in grote leefgroepen met elkaar op te trekken. Doordat hun vrouwen elkaar in bescherming nemen tegen mannelijke gewelddadigheid hebben de bonobo’s de gewelddadigheid verregaand uit hun samenleven gebannen. Een belangrijke ‘strategie’ hierbij is de grotere paringsbereidheid van de vrouwen, waardoor concurrentiegevechten hun zin verliezen.
Dé bron van onenigheid bij chimpansees zijn de statusgevechten tussen de mannen om de voorrang bij de paringsbereide vrouwen. Bij bonobo’s maken de dames de dienst uit en worden bijna alle conflicten opgelost met seks: de make love, not war-strategie. Ten behoeve van hun statusgevechten hebben de chimpansees grote hoektanden. Groter dan die van de bonobo’s. Welnu, kenmerkend voor de voap’s is dat hun fossiele gebitten vrije ‘graciele’ slagtandjes vertonen, bijna even klein als de onze vandaag zijn. Bij de hominiden waren de statusgevechten uitgebannen.
Fase 3, de mensenfase. De voap’s  moesten noodgedwongen in zeer hechte groepen leven, anders werden ze ook een prooi van de loerende roofdieren. Onderlinge statusgevechten zouden een directe bedreiging voor hun voortbestaan hebben betekend. Ze ‘professionaliseerden’ dus hun voorouderlijke sociale vaardigheden. Hoe?
Onze vooroudervrouwen hebben de bonobo-strategie kennelijk nog verder doorgevoerd. Mensenvrouwen kennen helemaal geen oestrus (loopsheid) meer. Ze evenaren de mannen in paringsbereidheid en ze hebben ook de voor chimpanseemannen zo intrigerende vaginale zwelling geheel ‘afgeschaft’[23]. Ter compensatie ontwikkelden ze aantrekkelijke borsten en billen waar mannen hun ogen ook niet van kunnen afhouden. De mannen op hun beurt ontwikkelden de grootste penissen van alle mensapen. Seks werd hun belangrijkste middel om conflicten in de kiem te smoren en speelde gezien de overdadige seksuele uitrusting van ons, mensen, vergeleken bij de overige mensapen, een nog belangrijkere rol dan bij de vreedzame bonobo’s.
Zeer waarschijnlijk hebben, net als bij de bonobo’s, ook bij de voap’s de vrouwen de dienst uitgemaakt en kenmerkten hun leefgroepen zich door grote onderlinge harmonie en vreedzaamheid. Leefbaarheid, daar draaide alles om en daar draait het in de grond voor ons nog steeds om.

Wrangham/Peterson trekken, zoals eerder opgemerkt, een directe lijn tussen ons en de chimpansees, omdat wij net als die oude familieleden nogal wat oorlogszucht en mannelijk seksisme aan de dag leggen. Maar ik volg de redenering van Frans de Waal, en trek een lijn tussen ons en de bonobo’s. Die laatsten zijn, als gezegd, nog steeds zoals de gemeenschappelijke voorouders acht miljoen jaar geleden (8 mjg) waren. Waar de chimpansees 2.5 mjg van die lijn zijn gaan afwijken onder invloed van de voortdurende inkrimpingen (en dan weer uitbreidingen) van hun leefgebieden gedurende de IJstijden, met alle overlevingsgevechten en mannelijke gewelddadigheid van dien, zijn  mensen pas zo’n 20.000 jaar geleden heel geleidelijk van die lijn van make love not war en vrouwelijke dominantie gaan afwijken, eveneens door overpopulatie. Voor de meeste hedendaagse culturen is dat zelfs pas enkele duizenden jaren geleden.
Misschien heeft de verbetering van de jachttechniek door pijlenboog en de domesticatie van de wolf tot jachthond de eerste overpopulatie-situaties geschapen. Maar de overstap op de Tuinbouw (horticultuur) na afloop van de laatste ijstijd was noodgedwongen, en wel door overpopulatie en bijbehorende overlevingsgevechten. Tuinbouwers als de Yanomamö en vooral de Bergpapoea ’s zijn extreem oorlogszuchtig en derhalve extreem machistisch. Voor Chagnon, de bekende onderzoeker van de Yanomamo, zijn deze horticulturalisten voorbeelden van onze prehistorische voorouders, dus van onze menselijke natuur. Mar ook hij heeft het net zo mis als Wrangham met zijn chimpansees: onze voorouders zijn 99 procent van hun tijd uiterst vredelievend en ‘aardig’ geweest. Precies zoals we dat vandaag nog het liefst zijn.
Als je de gezichten van de bonobo’s en de chimpansees met de onze vergelijkt, dan zie je dat de chimps veel grimmiger van uiterlijk zijn dan de bonobo’s, die meer op ons lijken. De chimpansees kwamen 2,5 miljoen jaar geleden (mjg) in de situatie van oorlog en machisme. Die paar duizend jaar van oorlogen, machisme[24], slavernij en andere ellende is voor onze soort  te kort om het lieve uiterlijk van de vobo’s in te ruilen voor dat van die gemelijke chimpansees.
The third chimpanzee (Jared Diamond, NY 1992) zou, kortom, moeten luiden: ”The second bonobo”.  En dan zie ik de chimps daarbij graag als “the third bonobo”.

Hiermee heb ik de situatie geschetst waarin onze voorouders, nog steeds mensapen, zij het op twee benen lopend en in vreedzame groepen foeragerend, zich op het pad begeven hebben dat tot ons leidt. Het enige bijzondere in mijn versie van ons verhaal is de belangrijke rol die ik toeken aan de gevaarlijkheid van de toenmalige savanne; met alle gevolgen voor de grote groepsgehechtheid en taakverdeling. En de belangrijkheid van de gevonden vellen.
Vijf ‘professionaliseringen’ heb ik laten zien. Maar wat nu komt, ons speciale taalvermogen, is niet echt een ‘professionalisering’. Natuurlijk, die begon met gebarentaal en gebaren doen de chimpansees al volop. Maar die blijven daarmee tot in der eeuwigheid (nou ja, ze sterven vandaag bij bosjes uit) tot de dierenwereld behoren … omdat ze er geen namen voor de dingen mee ontwikkelen. Omdat ze dat in hun leefwereld niet nodig hebben. Onze voorouders hebben die wél ontwikkeld, maar als puur toevallig uitvloeisel, niet als ‘professionalisering’. De AP’s deden het prima zonder taligheid. Wij zouden er niet geweest zijn – of hooguit als een stelletje aapmensen in Afrika – wanneer er zo’n vier mjg niet heel terloops in één groepje aapmensen het eigenaardige ‘cultuurtje’ was ontstaan waar de volgende paragraaf over gaat. Ik ben tot deze mening gekomen door twee recente onderzoeken, door twee vrouwen, aan boslandchimpansees.
Recentelijk is in het Ugallagebied van Tanzania, waar het regenwoud plaats heeft gemaakt voor savanne, ontdekt dat de chimpansees aldaar zich ook hebben aangepast aan de nieuwe omgeving! In de regentijd, wanneer er toch ook ander voedsel in overvloed is, gaan vrouwtjeschimpansees de open grasgebieden op om maniok en andere knollen op te graven. Met graafstokken!
Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image003.jpgDeze ontdekking is te danken aan het volhardende veldonderzoek van Adriana Hernandez-Aguilar: het heeft haar vier jaar gekost om de schuwe dieren zo aan haar aanwezigheid te laten wennen dat ze hen met haar kijker kon volgen. Een heldin. Ze zit voortdurend onder de bulten en ze heeft al vier keer malaria gehad; ze leeft ver van de beschaafde wereld in een armoedig dorpje waar ze bij arme mensen een slaapplekje huurt en mee-eet van hun schamele kost. Maar ze houdt vol, want ze weet dat ze bijzondere informatie toevoegt aan wat we kunnen weten over onze vroegste voorouders. Ze heeft de boslandchimpvrouwen niet zién graven, laat staan dat ze hun gegraaf kon filmen of fotograferen. Maar ze heeft elf graafplekken vers gevonden, met sporen van hun knokkels, van feces en van uitgekauwde knolresten. En op vier plekken hadden de vrouwtjes-chimps hun graafstokken laten liggen: stokken met duidelijke sporen van het graafwerk.
Bosland-chimpansees leven vanwege hun voedselarmere leefomgeving in kleinere groepen dan hun verwanten in het regenwoud.
Een tweede al even volhardende veldwerkster is Jill Pruetz. Ze bestudeert de bosland-chimpansees van Fongoli (Oost-Senegal). Die ontdoen met hun tanden een tak van zijtakken en knagen er een punt aan. Met deze ‘speer’ doden ze bush baby’s: een kleine apensoort die zich overdag schuilhoudt in boomholten, en zich kenmerken door hun babyachtige kreetjes. Veilig voor aanvallers, maar niet voor een (vrouwtjes)chimp met een speer. Ook Pruetz heeft vier jaar nodig gehad om zo dicht bij ze te kunnen komen dat ze de bosland-chimpansees heeft kunnen bespieden bij hun jacht. Voor mij maakt haar waarneming het hoogst aannemelijk  dat de voap’s niet alleen een voorraadje stenen maar ook gepunte stokken voor graafwerk én verdediging bij zich hadden.
Genoemde veldwerksters, maar ook hun professoren, gaan er van uit dat de bosland-chimpansees een beeld geven van de aanpassingen van onze vroegste voorouders aan hun nieuwe omgeving. Althans wat hun nieuwe voedselbronnen en de methoden om die te verwerven betreft. De bosland-chimpansees maken nog geen aanstalten om tweebenig te worden. Ze wagen zich ook nog niet zo ver van hun woonbossen, foerageren niet in groepjes met taakverdeling, en ze eten niet van graszaden.

Belangrijke vraag: wanneer de bosland-chimpansees tijd van leven zouden krijgen om, bij verdergaande achteruitgang van hun vruchtbomenbestand en uitbreiding van de graslanden in hun leefgebied, ook voedseltochten te gaan maken, zouden ze dan wél genoemde gedragspatronen ontwikkelen en  na een paar miljoen jaar vanzelf talige wezens (mensen) worden?
Dat laatste vermoedelijk  niet. De boslandchimps zouden, hoewel de hedendaagse roofdieren niet meer zo enorm zijn als in het Mioceen, evengoed genoodzaakt zijn om effectieve bewapening tegen leeuwen, luipaarden en hyena’s (stenen dus) mee te dragen en dus tweebenig te worden. Misschien zouden er ook dan (de sabeltanders zijn uitgestorven!)  genoeg vellen te vinden of kleine dieren te vangen en te slachten om a. in hun behoefte aan vlees te voorzien en b. om oefenmateriaal te bieden voor het ontwikkelen van stenen werktuigen. Maar vervolgens zijn deze verworvenheden voldoende om tot in het einde der tijden een bevredigend hominiden-leven te leiden. Als je ziet hoe perfect de savannebavianen (gewone apen, maar aangepast aan de savannen) weten te overleven, dan besef je dat er geen enkele aanleiding is om dat vreemde pad op te gaan dat onze voorouders zijn gaan bewandelen.
Nou ja, één aanleiding zou ik kunnen bedenken: behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid dan de kreten en overige lichaamstaal waar de regenwoudmensapen meer toe kunnen. De voedselvoorziening op de savanne is heel wat gecompliceerder dan in het regenwoud, waar je alleen hoeft te weten waar de volgende vruchtboom staat wanneer die waarin je de dag hebt doorgebracht, leeg is gegeten. Op de graslanden moet je weten wáár wát te vinden is. Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. En in welk seizoen: op de savannen wisselen natte en droge seizoenen elkaar af. Vandaag is het in de streek waar de oudste resten van onze vroegste voorouders gevonden worden: het stroomgebied van de Awash-rivier (Ethiopië), in de maanden februari en maart moessontijd, terwijl het in de rest van het jaar droog blijft. Tegen het einde van de natte tijd is er voedsel in overvloed. Maar naarmate de droogte langer duurt, worden de savannebavianen en werden de hominiden voor een groot deel aangewezen op graszaden en uit de grond te graven knollen, wortels en bloembollen. Omdat in het Mioceen de savanne-omgeving veel gevaarlijker was, waren de hominidengroepen met een effectieve taakverdeling tussen de seksen (vrouwen en kinderen verzamelen het eten, de volwassen mannen zorgen met hun stenen voor de veiligheid) in het voordeel en ik veronderstel dat onze voap’s zo leefden.
Behoefte aan meer communicatiemogelijkheid dan waar je in een regenwoud-omgeving mee toe kunt, dat zou dus een denkbare aanleiding kunnen zijn!
Maar toch… de savannebavianen doen het uitstekend zonder taligheid. De andere hominiden dan onze voap’s deden het indertijd eveneens voortreffelijk en het is meer dan aannemelijk dat hun verdere voortbestaan vooral door toedoen van onze voap’s onmogelijk gemaakt is. Bovendien,  onze baby’s en kleuters weten ook nog steeds prima kenbaar te maken wat er in ze omgaat zonder over taal te beschikken.
Dus, anders dan ik tot voor kort (vóór de informatie over de boslandchimps) dacht: er was voor onze vobo’s geen enkele omgevingsnoodzaak om zich buiten de dierlijke paden te gaan begeven.
Het feit blijft … onze taligheid (ik leg verderop uit wat dat voor mij inhoudt) moét ooit begonnen zijn.
Dus moet ik iets nieuws verzinnen. Wel, dan blijft er volgens mij geen ander scenario over dan dat het begonnen is als een meidenspelletje!

Ik denk dat het begonnen is in één groep. Met één jong vrouwtje (bij apen en mensapen begint nieuw gedrag meestal bij jonge vrouwtjes).
Op zekere ochtend is een jonge meid zo blij dat de oudere vrouwen besloten hebben om naar een bepaald bekend gebied te gaan dat ze, in haar behoefte om aan haar vriendinnen duidelijk te maken wat er in haar omgaat, ze met haar handen imiteert waar ze aan denkt: een bepaalde plant waar ze dol op is! De vriendinnen snappen wat ze bedoelt, en ze lachen zich dubbel. Ze maken het imitatiegebaar ook en ze komen niet meer bij. Tien keer, twintig keer, en ze blijven maar lol hebben. De Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image005.jpgvolgende dag heeft een ander een imitatiegebaar bedacht voor iets wat zíj lekker vindt. En weer liggen ze in een deuk. Zoiets, bedenk ik.

Ik heb een schilderij gemaakt van het moment waarop ik mij voorstel dat een jong vrouwtje (rechtsonder) de eerste stap zet op het pad dat uiteindelijk tot ons zou leiden. De wijzende vriendin snapt niet wat haar bezielt. De zittende peinst, en zal dadelijk opspringen en het gebaar nadoen …

Het is natuurlijk een just-so-story, een verhaaltje van ‘zo moet het gegaan zijn’. Je kunt er zo een ander voor bedenken. Maar dan moet het wel een beter , of minsten even goed verhaaltje zijn, vind ik. Je moet bijvoorbeeld bedenken dat nieuwe dingen bij apen en mensapen meestal meiden-initiatieven zijn.

Omdat het wel handig is, zo’n imitatie van iets (zo kun je het met de anderen over dat ‘iets’ hebben  terwijl het zich niet in de omgeving bevindt maar alleen in je eigen gedachten), lokt dat al gauw meer imitaties uit. Het werd een speciaal ‘cultuurtje’ binnen die groep. Onder de jonge vrouwen: mannen doen daar aanvankelijk niet aan mee.
De jonge meiden die voor hun partner verkasten naar een bevriende groep (bij mensapen verlaten de pubermeiden de groep terwijl de jongens bij hun moeder blijven) namen het handige aanwensel mee, en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich onder de hele stam. De gewoonte hield stand, en breidde zich zelfs redelijk snel uit. Want het verbeterde de communicatie, en dus de samenwerking, zowel binnen de groepen als tussen de groepen. De stam die over deze handige uitbreiding van hun onderlinge communicatie beschikte, floreerde (hield gemiddeld iets meer kinderen in leven) en overtalligde op den duur de overige aapmenspopulaties die het zónder deze communicatieverbetering moesten stellen.
Ónze voap’s! Ze waren onze vroegste voorouders.

we werden gebarentalige wezens

Chimpansees en bonobo’s staan erg open voor gebarentaal. “Toen Nim (een chimp) werd geconfronteerd met mensen die vloeiend gebarentaal spraken, stond hij perplex. Hij staarde hen wel vijftien minuten (en dat is lang voor een jonge chimpansee) aan toen hij ze met elkaar zag communiceren. Gesproken taal kon hem daarentegen maar enkele seconden boeien. “
Er zijn vanaf de zestiger jaren experimenten gaande om chimpansees en bonobo’s taal te leren. Spraakklankentaal haalt niets uit maar met symbolen voor dingen leren ze aardig werken en ook gebarentaal leren ze, als ze jong beginnen, best aardig . Maar opvallend minder snel en goed dan mensenkleuters. Jonge chimps hebben dan ook geen ‘taalprogrammaatje’ in hun hersenschors geërfd zoals de mensenkleuters.
Washoe is de eerste chimpansee die aan een gebarentaaltraining werd onderworpen, en inmiddels leeft ze haar verdere leven in een heel groepje chimpansees die dezelfde training gevolgd hebben[25]. Binnen dat groepje nu wisselen de individuen veelvuldig gebarentaal-woorden met elkaar zonder tussenkomst van de onderzoekers. Wat nog opmerkelijker is: ze ‘praten’ ook in gebarentaal in zichzelf. Washoe is bijvoorbeeld eens hoog in een boom zittend, waar ze zich voor menselijk gezelschap probeerde te verbergen, gefilmd en ze maakte toen voor zichzelf het gebaar voor ‘stil’. Een ander maakte het gebaar [ik] [omhoog] en klom vervolgens op een muurtje. En zo zijn er tientallen waarnemingen gedaan. Dat is het begin van het een talig wezen worden.
Washoe heeft, nadat ze door toedoen van een bazige psycholoog haar eigen baby verloren had, een vier maanden oude chimpansee, Loulis geheten, als zoon ‘geadopteerd’ en daar communiceerde ze (ze is in 2007 overleden), zonder bemoeienis van de verzorgers, mee in haar gebarentaal. Loulis gebruikt inmiddels zo’n vijftig gebarenwoorden.[26] Maar … minder dan Washoe zelf die er zo’n honderdzestig gebruikte. Men neemt daarom aan dat deze gebarencommunicatie wanneer het groepje eenmaal zou zijn teruggekeerd in hun regenwoud[27], binnen enkele generaties verdwenen zou zijn. Waarom? Mensapen staan er wel voor open, maar nódig hebben ze het niet. Het is de druk vanuit hun gevaarlijke nieuwe leefomgeving geweest die de voap’s genoopt heeft, gebarentaal te ontwikkelen.
In een regenwoud is het voor de op dat leven toegesneden mensapen een peulenschil om aan eten te komen. Het hangt in de vruchtboom om ze heen, en wanneer die leeg is, hoeven ze alleen maar te weten waar de volgende boom staat waarvan de vruchten nu rijp zijn. Ze wandelen er over de grond naar toe, en onderweg kijken ze voortdurend omhoog om de stand van hun vruchtbomen in de gaten te houden. Want ze moeten wel zorgen er op tijd bij te zijn: er zijn genoeg andere vruchteneters die daar ook van leven.
De nieuwe foerageeromgeving waarin het regenwoud van de voap’s was veranderd, was vele malen gecompliceerder. Eten genoeg, maar je moest bij het rondstruinen een boel meer kunnen en een boel meer weten. Ook de kinderen moesten een boel meer leren en dat vele kon niet allemaal simpel worden afgekeken van de ouderen; er was ook heel wat kennis die gecommuniceerd moest kunnen worden. Kortom, de voap’s konden niet meer uit de voeten met de simpele regenwoudcommunicatie. Vooral de vrouwen niet.

gebarenwoorden

Een puur terloops ontstaan ’cultuurtje’: uitbeeldingen van wat ze bedoelden in hun dagelijkse ‘huishouding’: water, een steen, een bepaalde plant, een handeling, een bepaald insect, een bepaald roofdier. Of een bepaalde plek, regen, onweer, een dierenvel, verzin het maar. Met hun handen, met die tien handige vingers. Daarbij speelden hun waarnemingsvermogen (scherper dan het onze-nu) en hun imitatievermogen (chimpansees zijn ál en natuurmensen zijn nóg steeds meesterlijke imitators) een rol. Dat terloops, tussen een paar voap-vrouwen uit de nood geboren ‘cultuurtje’ zou dus uiteindelijk een zoogdier op Maan brengen!
Wat is daar dan zo bijzonder aan? Die uitbeeldingen waren namen voor de dingen, waren symbolen voor dingen, codes voor dingen, hoe je het maar noemen wil.
De nakomelingen van onze voap-voorouders verwierven een uitgebreid repertoire aan gebarencodes voor alle planten, dieren, insecten, omgevings-elementen, natuurverschijnselen, gebruiksvoorwerpen, handelingen en gevoelens welke in hun groepsleven een rol speelden[28].
Namen voor de dingen! Dat heeft geen enkele andere soort. Alle groepsdieren beschikken over hun specifieke communicatie zonder welke ze überhaupt geen groepsdieren zouden kunnen zijn. Ze communiceren, in enigerlei soorteigen vorm, met lichaamstaal, gebaren en vooral keelgeluiden. Vooral bonobo’s kwekken wat af, de hele lieve dag. Maar … ze kunnen het niet met elkaar hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is[29]. Ze hebben geen namen voor de dingen. En áls je een bepaalde kreet al als een naam zou willen zien: ze kunnen die kreet niet bewust slaken, slechts als emotionele reactie op wat ze waarnemen. Emotionele reacties komen namelijk vanuit het limbische systeem, een primitiever hersengedeelte bovenop de hersenstam. Bewuste acties daarentegen worden aangedreven vanuit de hersenschors die bovenop het limbische systeem zit en waar zich onze taalgebieden bevinden. Hoe de namen voor de dingen daar beland zijn, dus hoe wij een talig bewustzijn gekregen hebben, gaat verderop nog allemaal duidelijk worden.

Namen voor de dingen, dat dóet iets met een dier. Het schept afstand tussen de noemer en het benoemde. Onze voorouders kwamen steeds meer los te staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving doordat ze die onder woorden gingen brengen. Ze gingen de dingen van hun omgeving als objecten zien, als losstaand van het zelf. Een psychische equivalent van het fysieke ‘gooien met iets’: verdediging op afstand. Ze gingen hun omgeving objectiveren. Nieuw fenomeen in de natuur: subject versus object.
Het kunnen noemen van iets geeft, vanwege dat gevoel van afstand, ook het gevoel van onafhankelijkheid en macht over het benoemde. Dat merken we vandaag nog steeds: iets onbestemds als je je niet goed voelt, wordt stukken minder benauwend wanneer de dokter constateert dat je dit-of-dat hebt. Als het een naam heeft heb je het gevoel dat je het ‘te pakken’ hebt, dat je het kunt ‘grijpen’, er ‘grip’ op hebt.
Je kunt de naam voor het ding ook zien als een handgreepje gekoppeld aan het denkbeeld (voorstelling in het brein) van het ding. Met de naam ‘grijp’ je het ding en met de naam roep je ook het ding op in het brein van je medevrouw. Of het ding nu op dat moment aanwezig of waarneembaar is of niet. ‘Begrijpen’ kun je dan ook heel letterlijk opvatten. Onze voorouders zijn de dingen uit hun omgeving meer en meer gaan begrijpen.
Kleine kinderen zullen hun naam niet zo gauw prijsgeven aan een vreemde. Bij veel primitieve stammen mag je een volwassene nooit openlijk bij zijn naam noemen: is een aantasting van iemands integriteit. De Joden mochten hun god immers ook niet bij zijn naam noemen? Door iemand (of iets) te noemen tast je het ook aan. Ik laat hier Jane Goodall, de eerste echte veld-ethologe, aan het woord, over een insect dat op haar arm geland was toen ze ergens in het oerwoud op een favoriet plekje zat te mijmeren.
Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Ik wist zeker dat het nog nooit beschreven is. Als chimpansees naar zo’n vlieg kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord <vlieg>. Ze kennen zonder twijfel het concept <vlieg>, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te vragen wát het is. Ik kreeg het gevoel dat het besef <dit is een vlieg> iets afdeed aan de schoonheid ervan en ik stelde me voor hoe het zou zijn, als ik het woord <vlieg> losmaakte van het insect op mijn arm. Ik keek nu naar het wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde zonder er een benaming aan te verbinden. Toen was er alleen een gevoel van ontzag en verwondering over de evolutie van het leven waar we beiden deel van uitmaakten. (met Wim Kayzer in gesprek in Over de Schoonheid en de Troost).

Belangrijker misschien nog dan de macht die het kunnen noemen van de dingen aan de voap’s schonk was dat het ‘met elkaar kunnen hebben over iets’ hBeschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image007.jpgen de mogelijkheid schonk om kennis over te dragen. De door de ene generatie verworven kennis kon met de namen voor de dingen worden overgedragen op de volgende. Opstapeling van kennis, in plaats van dat elke generatie opnieuw hetzelfde wiel moest uitvinden.
Nee, nóg belangrijker misschien was het kunnen overleggen met elkaar. Twee weten meer dan één, en met een hele groep brainstormend kun je heel wat problemen aan. Eén hooligan is maar een bang knaapje, maar voor een hele meute doe je het als ME-er in je broek. Onze voap’s werden de hooligans van de savanne.
En vooral de overige AP’s waren de pineut. De voap’s waren kannibalen. Andere aapmenssoorten waren gewilde prooidieren voor hen. Trouwens, de voap’s aten ook hun overleden dierbaren op. Liever dan ze over te laten aan hun concurrenten-aaseters, de hyena’s. Een heel zinnige manier van recyclen. Het gaf hen ook het gevoel dat de overledenen in hen voortleefden: je bent wat je eet. Dis is volgens mij de belangrijkste reden dat de paleo’s wel leuk wat fossielen van AP’s vinden maar dat die van de voap’s heel zeldzaam zullen blijven: die aten hun overledenen op en lieten weinig ervan ten prooi worden van hun gehate concurrenten, de hyena’s[30]. Wellicht hebben ze wat ze niet op konden, begraven: de eerste vorm van wat wij nu nog steeds doen met onze overledenen.

niet begonnen met praten!

Dit scenario gaat er dus niet van uit dat ons taalvermogen zich ontwikkeld heeft uit het steeds beter gaan praten, zoals de meeste paleo’s en taalonderzoekers zoals Steven Pinker[31] nog steeds veronderstellen.
Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image008.gifDe mensapenkreten worden, zoals ik hierboven al aanstipte, neurologisch aangestuurd vanuit het limbische systeem. Dat is een primitief hersengedeelte binnenin onze hersenen, waar we geen bewuste controle over hebben. Als we schrikken, of boos schreeuwen, of krijsen van angst, of op onze fikken slaan bij het timmeren, dan komen onze kreten vanuit de amygdala (het limbische systeem omvat een aantal belangrijke centra van ons gevoelsleven). Dat gevoel blijft zijn rol meespelen bij onze communicatie, en maar goed ook: het zorgt voor de emoties in onze stem. Zonder meespelen van de amygdala zouden onze stemmen robot-achtig klinken. Het lijkt me een onmogelijke opgave voor de robotbouwers om een amygdala aan hun stemcomputers toe te voegen, maar onderschat ze niet, ze zullen er best wel aan gaan werken.
Bij het praten hebben wij, Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s), bewuste controle over onze stemgeluiden [32]. Mensapen hebben dat niet en de voap’s hadden het evenmin. Als een in een mensengezin opgroeiend chimpkindje stiekem een koekje wil jatten, verraadt het zich als het de deksel open doet en de koekjes ziet: het kan de voedselkreet niet inhouden. Onderzoekers haalden het gemene experiment uit met de jonge chimp die ze stiekem, als de volwassen mannen even niet opletten, een banaan toestopten. Die kwamen echter onmiddellijk aansnellen op aapjes voedselkreet en confisqueerden de banaan prompt. Tot vijf keer toe. De zesde keer wist het arme aapje zijn voedselkreet binnensmonds te houden, maar hij kokhalsde en stikte er zowat in. Probeer maar eens een hoestprikkel binnen te houden!
Ondanks intense inspanningen om een chimpkind te leren praten[33] is dat nooit gelukt. Maar fijne hand- en vingerbewegingen, en dus ook gebarentaal, worden aangestuurd vanuit de hersenschors, de neocortex. Daar zetelt ook ons talige bewustzijn[34]. De neocortexgebieden die actief zijn bij het spreken, zijn dezelfde als die bij gebarentaal en bij fijne hand- en vingerbewegingen. De gebarentaal is een ‘professionalisering’ van het mensapenlijke gebruiken van gebaren bij hun communicatie.
Wat we wél mogen veronderstellen is, dat onze aapmens-voorouders (ik bedoel de voap’s) hun gebarencommunicatie al heel vroeg verrijkt hebben met klik!- en plof!- en blaas!-geluiden, gevormd met tong, lippen en wang, waar ze wél neocorticaal controle over hadden.

En nu moet ik het recente onderzoek van Thore Bergman  aan de lipsmakkende gelada-bavianen van de graslanden in de berggebieden van Ethiopië (gepubliceerd in Current Biology van april 2013) zeker niet onvermeld laten. Heel interessant: apen die communicatiegeluiden maken door met hun lippen te smakken. Geluiden dus waar ze wél bewuste controle over hebben, terwijl ze dat zoals normale dieren over hun stem niet hebben. Bergman (en velen met hem) speculeert dat dit dus een vorm van menselijke taal zou kunnen zijn. Zou kunnen zijn: verandering van hun normale dierlijke gedrag bespeurt hij niet. Natuurlijk niet, denk ik dan. Het zou gedragsverandering met zich meebrengen als ze met dit bewuste lipgesmak namen voor de dingen zouden communiceren. Alleen het beschikken over namen voor de dingen doét wat met een dier. Maar voor het vormen van een woordenschat is lipgesmak toch echt niet toereikend. Maar, als wijkt het gedrag van deze gelada’s verder niet af van de overige soorten in de dierenwereld (dolfijnen en ettelijke walvissoorten hebben intrigerende klik!-communicatie waaraan ze elkaar als individu onderscheiden), ik vind het onderzoek toch het vermelden waard.

Pas het meest recente menstype, de Anatomisch Moderne Mens (AMM)[35] , waartoe alle nu levende mensen waar ook ter wereld vandaag behoren en die pas zo’n 150.000 jaar bestaat, beschikt over een ingedaald strottenhoofd en over een daardoor grotere keelholte, hetgeen erop wijst dat pas dié variant met spraakklanken begon te praten.
Taal, ook gebarentaal, is een cultureel fenomeen, en dus aan verandering en ontwikkeling onderhevig. Gebarentaalgroepen die al eeuwenlang geen contact met elkaar gehad hadden, konden elkaar dus niet meer ‘verstaan’ en dat kunnen de gebarentaligen van de verschillende landen evenmin.

symbolentaal

De gebarentaalcodes (symbolen, woorden) zijn niet alleen een uiterlijk gebaar, maar ook een beeld in je kop, een ‘representatie’ in de hersenen[36]. Dat is al waar te nemen bij Washoe en haar ‘gezinsleden’: als ze iets zien of aan iets denken, maken ze automatisch het gebaar erbij.
Het zijn begrippen: de voap-vrouw hoefde geen steen meer op te pakken of er naar te kijken of te wijzen als ze een steen bedoelde: ze greep de steen met de in haar leefgroep gebruikelijke gebarencode voor ‘steen’. Haar mentale voorstelling van ‘steen’ (haar denken aan een steen: haar beeld van een steen, gekoppeld aan de gebarencode ervoor) uitte ze met die gemeenschappelijke gebarencode. Ze kon de steen ‘steen’ noemen met dat gemeenschappelijke gebarencode-woord. En zo kon ze honderden planten, dieren, dingen en handelingen noemen en er over van gedachten wisselen: die codes zaten allemaal in haar neocorticale netwerk, niet alleen als voorstelling maar gekoppeld aan de serieel geschakelde spieraansturingscommando’s die haar er de juiste gemeenschappelijke gebarencodes voor lieten maken.
In haar linker hersenhelft[37]. Mensapen communiceren niet alleen via gezichtsuitdrukkingen en door te roepen, maar vaak ook door middel van gebaren. Bonobo’s gebaren meestal met de rechterhand (wenken, bedelen, e.a.) wat wijst op een begin van specialisatie en lateralisatie van de hersenen die de basis vormt van het menselijk taalvermogen. De Waal, Bonobo 1997). Ook chimps leggen bij gebaren al een voorkeur voor hun rechterhand aan de dag. En u weet immers dat uw linker-hemisfeer de rechterkant van uw lichaam-plus-uitsteeksels aanstuurt en uw rechter-hemisfeer de linkerkant? Welnu, bewuste uitingen en gebaren worden voornamelijk vanuit de l-helft aangestuurd.
Zelf denk ik aan nog een ander mechanisme. Voor een boomdier heeft een grotere ‘handigheid’ van één van beide handen geen overlevingsvoordeel omdat takken en vruchten zich overal om het individu heen bevinden. Maar voor tweebeners op de grond wel. Vrouwen dragen hun baby links, omdat het kindje daar nog moeders hartenklop waarmee het zo vertrouwd is, waarneemt en zich dus het rustigst voelt; dan hebben de moeders de rechterhand vrij voor hun verzamelarbeid en hun communicatie[38]. Op de lange duur werkt dit door in de erfelijkheid. Gebarentaligen gebaren ook het meest met hun rechterhand, de linker is meer ondersteunend. Bij linkshandigen is het ook bij hen omgekeerd.
Vandaar dat de ‘taalcentra’ ook bij ons vooral in de linker hersenhelft zitten. Die zijn bij vrouwen relatief iets groter dan bij mannen, wat er op zou kunnen wijzen dat de gebarentaal in eerste instantie vooral een vrouwenhebbelijkheid geweest is.
Voor mannen gold die hartenklopbeperking uiteraard niet en vandaar misschien het nog betrekkelijk grote aantal (18%) linkshandigen.

Kun je onze voorouders in die AP-fase als mensen beschouwen? Ze zijn dan immers al talig aan het worden?
Wanneer we als hét grote verschil tussen ons en de overige dieren, chimpansees en bonobo’s incluis, ons talige bewustzijn aanwijzen, dan zou ik ons in de voap-fase nog steeds als dieren beschouwen. Ik denk dat hun handelen nog steeds voornamelijk door overgeërfde instincten werden aangestuurd. Hun communicatie zal de simpele aanduidingen van dingen en handelingen als [water] voor “haal water” of [geef] [noot], communicatie zonder verbindingswoordjes of complexere zinnen, nog niet overstegen hebben. Maar we hebben het alsmaar over miljoenen jaren, hoeveel generaties zijn dat niet? vijf per eeuw, reken zelf maar uit. Elke generatie bracht deze ontwikkeling een bijna onmerkbaar stapje vooruit. Ons taalvermogen heeft er zo onvoorstelbaar lange tijd voor gehad om te ontstaan en te groeien, met die niet aflatende communicatiebehoefte als drijfveer, dat we daar niet moeilijk over hoeven te denken. Onze dreumesen spelen ons de ontwikkeling van kretologie naar symboolgebruik nog steeds ‘life’ voor. Zodra ze rond kunnen drentelen, gaan ze hun eerste monosyllabische aanduidingen produceren: Uit! Mee! Auto! Joepie! (gooi me de lucht in, opa!) en hun overige lichaamstaal laat aan hun bedoelingen niets te raden over. Doofstomme kindjes maken in een gebarentalige omgeving exact dezelfde ontwikkeling in dezelfde periode en hetzelfde tempo door, en ook die beginnen met ‘brabbel’-gebaren.

Laura-Ann Petitto

Dit is de bevinding van Laura-Ann Petitto. Ze verricht baanbrekend onderzoek naar de overerfelijke taalprogrammaatjes waarmee onze kindjes zo makkelijk mensentaal, of het nu gebarentaal is of gesproken taal, leren gebruiken, terwijl chimpanseekindjes dat heel moeizaam en gebrekkig leren omdat ze niet over zo’n taalprogrammaatje beschikken. Ze is tot dat onderzoek gekomen doordat ze in 1974 als 19-jarige studente uit een aantal andere gegadigden gekozen werd tot begeleidster van eerdergenoemde Nim die als jong chimpanseekind gebarentaal moest leren.
Het Project Nim Chimpsky stond onder leiding van Herbert Terrace, een behaviorist. In de gedragspsychologie van de jaren vijftig in Amerika heerste de opvatting dat het gedrag bij dieren uitsluitend gevormd wordt door het straffen/belonen vanuit de omgeving van het individu. Mensen hebben verstand dus die kunnen iets leren; maar ook kinderen leren door bestraffen/belonen, menen de behavioristen.
Terrace had uit voorgaande experimenten van anderen begrepen dat je chimpansees niet kunt leren praten omdat die a. het juiste stemapparaat missen (een te dunne tong en te korte keelholte) en b. ze hebben geen controle over hun kreten (die worden neurologisch aangestuurd door het limbische systeem). Tot zover had hij het allemaal goed, en ook zijn besluit om de training te richten op het aanleren van gebarentaal was oké. Maar zijn uitgangspunt als behaviorist (dieren leren uitsluitend door straffen/belonen, als een soort machines, dus ongeacht de sociale omgeving) was fout. Nim werd in een kaal bakstenen vertrek (kon hij door niets worden afgeleid) door telkens andere medewerkers (kon hij niet gevoelsmatig afgeleid worden) drie jaar lang tweemaal daags als volgt onderwezen. Er werd een snoepje of een speeltje getoond dat hij graag wilde hebben. Dan werd het gebaar ervoor gemaakt. Pas wanneer hij dat gebaar imiteerde, kreeg hij het. Welnu, zo leerde hij in vier jaar tijd 120 gebaren. Hij begreep 166 gebaren en kon er 100 gebruiken zegt Petitto, die gedurende die jaren zijn vaste verzorgster was.
Het verschil met mensenkinderen is duidelijk genoeg. Nim gebaarde alleen spontaan als hij iets wilde eten, drinken of spelen. Kleine kinderen kletsen honderduit uit zichzelf. Hoe slim Nim ook was in het overbrengen van zijn gevoelens en wensen, en hoe goed hij ook kon imiteren, hij miste iets wat mensenkinderen wel hebben en waar die blijkbaar mee geboren worden.

Nu was het behavioristische experiment met Nim gewoon dom en daardoor leerde hij zo gebrekkig gebarentaal. Leren in een sociale omgeving zoals het chimpanseekind Washoe onderging en zoals mensenkinderen dat normaal ondergaan werkt veel beter.[39] Washoe leerde, als een mensenkind, spelenderwijs en doordat er voor gezorgd was dat haar (mensen)omgeving uitsluitend gebarentalig was. Ze leerde niet alleen sneller meer gebarenwoorden te gebruiken, ze gebaarde ook uit zichzelf tegen haar pop als ze zich onbespied waande; als ze zag dat er iemand keek, hield ze er mee op, net als een mensenkind en als ze dacht dat die persoon vertrokken was, ging ze door met ‘praten’ tegen haar pop. Later heeft ze haar zoontje Loulis zonder enige inmenging van mensen (dat was een afzonderlijk experiment) 52 gecontroleerde gebaren leren gebruiken in de alledaagse omgang met zijn ‘familie’.[40] Maar evengoed blijft de kloof bestaan tussen het taalgebruik en het taalleren van mensapen en mensenkinderen. Dat er dingen in taal zitten die een aap blijkbaar met de beste wil van de wereld niet zijn bij te brengen, terwijl elk normaal kind ze probleemloos oppikt, dat vraagstuk zette Petitto op het spoor van haar onderzoekscarrière.
Ze is gaan bestuderen, met alle mogelijke slimme experimenten, hoe kinderen taal verwerven en hoe mensaap-kinderen zoals Nim dat doen. Ze had zich in het kader van het verzorgen van Nim al bekwaamd in het ASL, de Amerikaanse gebarentaal waarin Nim werd onderwezen, en ze verbaasde zich nogal dat in de literatuur over kindertaalonderzoek uitsluitend van spreektaal werd uitgegaan. Apen kunnen niet praten en daarom kun je ze geen taal leren zo was de redenering. Kinderen hóren praten, beschikken neurofysiologisch over het vermogen om die geluiden in stukjes te ontleden en gaan tenslotte met die stukjes zelf woordjes produceren, zo gold de baanbrekende theorie van Chomsky. Maar … Petitto had toch in de bloeiende dovencultuur van New York met eigen ogen gezien dat de kindjes zonder enig taalgeluid die doventaal oppikken?
Ze volgde dove kinderen en horende kinderen, keek in twee landen (USA en Canada) naar twee verschillende gesproken talen (Engels en Frans) en twee verschillende gebarentalen (ASL en QUEBECS). En wat bleek? Zowel de horende als de dove kindjes begonnen met zes maanden te brabbelen met mondje of handjes, en kwamen met twaalf maanden met hun eerste woordjes of gebaren. Ze praten over dezelfde dingen en hebben met dezelfde dingen moeite. Ze bouwen ongeveer dezelfde woordenschat op en verwarren rond dezelfde periode ‘ik’ en ‘jij’.
Petitto was de eerste die constateerde dat dove baby’s die in gebarentaal worden toegesproken, systematisch andere handbewegingen maken dan horende baby’s waartegen gepraat wordt, en ze kon niet anders dan concluderen dat dit brabbelen in gebarentaal moest zijn.

Brabbelen in gebarentaal? Dat vonden veel collega-taalkundigen ál te dol. Dat kinderen hun praten beginnen met het uitbrengen van willekeurige reeksen klanken (bababa, tatata, papapa[41]) was bekend. Geleidelijk beginnen dan de klankpatronen van hun omgevingstaal door te klinken. Spraak en het oefenen van de mondspieren moest de basis van alle taalverwerving zijn, was hun stellige overtuiging. Ze rieden Petitto klemmend aan, haar carrière niet op het spel te zetten met zo’n gewaagde veronderstelling als brabbelen in gebarentaal. Dus ging Petitto braaf alles weer checken en nog eens checken, met weer andere kinderen, enzovoort. Tot ze zich zo zeker van haar zaak wist dat ze de sprong waagde met een artikel in Science. En wereldwijde achting was haar deel.
Maar ook hierna bleef ze experimenteren. Nu met lichtdiodes op de handjes geplakt om heel precies de handbewegingen op film te kunnen registreren. Met drie verschillende groepen: dove baby’s tegen wie gebaard werd, horende baby’s tegen wie gepraat werd en horende baby’s tegen wie gebaard werd. De resultaten kwamen in grafieken. Die grafieken lieten twee soorten frequentiepatronen zien. Het ene patroon kwam bij alle baby’s voor, het andere alleen bij de baby’s die gebarentaal aan het leren waren! De afwijkende bewegingspatronen hadden een frequentie van één á anderhalf hertz (hertz is de maat waarmee je bewegingen meet), en ze bleken allemaal brabbelen te betreffen! Terwijl de gewone bewegingen grijpen of zwaaien of zo betroffen. Exact dié frequentie, wist ze, zit ook in het brabbelen van pratende baby’s, dus de streepjes tussen ta-ta-ta. Alle baby’s, of ze nu doof of horend geboren worden, blijken een gevoeligheid voor een tijdvenster van rond één hertz te hebben. De hersenprogrammaatjes voor die hertz-gevoeligheid blijken aangeboren, ze blijken in ons genoom te zitten!
Dus nu ging Petitto op jacht, met hersenscans, naar de hersengebiedjes welke hierbij een rol spelen. Ze wist al dat zowel gesproken als gebaren-talen vooral in de linkerhersenhelft verwerkt en geproduceerd worden. Ze wist dat de eerste verwerking van spraakgeluid plaatsvindt in het planum temporale, een gebiedje dat grenst aan het gehoorcentrum; het licht op als je een horende baby brabbels (ta-ta-ta, ba-ba-ba) laat hóren. En zie je wel, het licht ook op als je een dove baby gebarenbrabbels laat zien! Wat? het licht ook op als je die aan een horende baby laat zien!
Nou, daar gingen de haren van de spraakfanaten pas goed overend. Maar ja, scans liegen niet.

Gemiddeld gebruikt een taal zo’n vijfenveertig verschillende klanken (fonemen) om woorden mee te vormen. In gebarentaal hebben handconfiguraties (cheremen) dezelfde functie: sommige komen wel voor in een bepaalde gebarentaal, andere niet, maar ook dat zijn de ‘bouwstenen’ voor het vormen van gebarenwoorden en het zijn er, opvallend genoeg, ook zo’n vijfenveertig verschillende. Maar de meeste taalkundigen zijn totaal onkundig van hoe gebarentaal in elkaar zit en ze blijken moeilijk te bewegen om er kennis van te willen nemen.
Taalvermogen draait dus om de kunst een taalstroom, of het nu een stroom klanken of een stroom gebaren betreft, te kunnen opdelen in stukjes en die ‘bouwstenen’ snel te kunnen herkennen: categoriseren, in de juiste hokjes van dit hoort bij dit en dat hoort bij dat, te plaatsen.

Over dat vermogen beschik je als je geboren bent met het hersenprogrammaatje ervoor. Daar worden alleen mensenkindjes mee geboren. De chimpanseebaby’s als Washoe of Nim hebben het niet. Ze kunnen dingen snappen, onthouden, associëren; ze worden geboren met sociale vermogens; ze kunnen losse woorden leren begrijpen en losse gebarenwoorden leren gebruiken, met wat moeite. Maar ze kunnen ze niet tot ‘bouwstenen’ reduceren en die tot nieuwe woorden combineren. Ze kunnen hooguit zelf nieuwe combinaties verzinnen (WATER VOGEL = eend, BES PIJN = radijs[42]), maar veel verder kunnen ze nooit ofte nimmer komen. En moet je dan zien hoe vlot en moeiteloos de mensenkinderen duizenden woorden leren nog voor ze een voet op school gezet hebben. Hoe ze de woorden kunnen verbuigen en vervoegen al maken ze daar nog fouten mee … maar juist doordat ze dingen zeggen als ‘geslaapt’, zie je dat ze niet na-apen maar al weten hoe hun moedertaal wérkt.
Taal, woorden bouwen en zinnen bouwen verloopt steeds op dezelfde manier, volgens dezelfde basisprincipes. Die frequentie van ongeveer een hertz waarmee de mensenbaby’s spraakgeluiden of gebarenbewegingen in hun hersennetwerkjes in stukjes (lettergrepen, syllaben) verdelen, dát is wezenlijk voor ons taalvermogen en dat valt niet na te ‘apen’.

Een lange uitweiding, naar aanleiding van het werk van Petitto[43], over het wezenlijke van taal, over het kleine maar wezenlijke verschil tussen onze hersenen en die der mensapen: het ‘programmaatje’ in het planum temporale. De voap’s begonnen met de aanmaak ervan.
Het begon ongetwijfeld met één voap-vrouw in één voap-groep – want dat is aannemelijker dan dat het in meerdere groepen begon. En wel héél vroeg. Zodra de omstandigheden onze voap’s dwongen om over te gaan op tweebenigheid en om AP’s te worden, oefenden die ook druk uit op de vrouwen om hun communicatie te verfijnen. Zodat het niet raar was dat in die ene AP-groep die ene AP-meid haar handen ook ging gebruiken om een gebaar-imitatie te maken van iets wat ze bedoelde. Het uiterst simpele begin van een ‘cultuurtje’ in één populatie. Maar het maakte die populatie wel heel anders dan alle overige AP-populaties. De voap’s kwamen anders in het leven te staan.
Het ging wel allemaal heel langzaam. Hun ‘taal’ bestond nog heel lang uit losse ‘woorden’, zoals de mensapen die ook kunnen leren gebruiken. Maar toch konden ze het met elkaar al over de dingen hebben, in plaats van er een deel van te zijn. De familie Washoe in Ellensburg communiceert met elkaar over dingen die ze zien uit het raam van hun binnenverblijf, over dingen die ze hun verzorgers zien doen, over dingen die ze in hun tijdschriften zien (plaatjes). Zij zijn daarmee de enige wezens naast ons, mensen, in het geheel der natuur, die het met elkaar kunnen hebben – al is het nog zo primitief – over iets wat niet direct waarneembaar is en wat alleen speelt in de gedachte van een individu.
Ik denk dat we daar in Ellensburg een beeld kunnen zien[44] van hoe onze vroegste AP-voorouders communiceerden met hun nieuwe verworvenheid van namen voor de dingen. Maar dan niet in een ‘verzorgingstehuis’ zoals daar, maar in hun stikgevaarlijke savanneomgeving en een heel wat moeizamere overlevingssituatie. En dat ‘verzorgingstehuis’-taalexperiment is ook tot uitsterven gedoemd: de chimpvrouwen daar zijn gesteriliseerd. Over tien jaar leeft er geen een meer van, schat ik.

Het begon dus als gebarentaal, met de stemgeluiden in een aandachttrekkende en ondersteunende rol, en met veel mimiek en overige vormen van lichaamstaal. De AMM’s, zo’n 200.000 jg ontstaan in Soedan-Afrika, zijn de eerste mensen bij wie die rollen zijn omgekeerd. De AMM’s zijn voortgekomen uit de ‘Nilotische’ tijdgenoten van de Neanderthalers[45]. Ze zijn een aan de tropische warmte aangepaste variant van de laatste erectus-populaties van Afrika. Lang en slank, met langere nekken.
Natuurlijk is er vanaf het begin een druk geweest op het steeds betekenisdragender maken van spraakklanken bij de gebarentaal: die is tenslotte niet erg praktisch in het donker of als je je handen vol hebt[46]. En als voap’s gebruikten we onze stem al volop, te oordelen naar de huidige chimpansees en vooral bonobo’s. Dus hebben ook de voap-dames hun stem al volop gebruikt ter begeleiding van hun gebarencommunicatie.[47]
Maar nogmaals, de mensapen beschikken niet over de benodigde ‘software’ in hun hersenen en bleken niet te kunnen leren praten. Gebarentaal ging wel. Misschien is een nog grotere hinderpaal dat de mensapen geen controle hebben over hun stemgeluiden.
De Homo erectus-mensen (HE’s), tot en met de Neanderthalers (NT’s), hadden nog steeds de mensaapachtige bouw van hun stemapparaat. Mijn idee is – ik had het er al even over – dat de HE’s, vanwege eerdergenoemde ongemakken (handen vol, communiceren in het donker of om een hoekje), hun gebarencommunicatie vergezeld deden gaan van stemloze klik!-geluiden, waar je neurologisch wél controle over hebt, net als over je gebaren. Dat daar heel wat fonemen mee te maken zijn, laten de Khoisan-talen van Zuid-Afrika zien.
Hoewel klik-fonemen hun oorsprong vinden in de Khoisan talen heeft isiXhosa een ruim aantal overgenomen. Er zijn drie basis-kliks: c (dentale klik, zoals in ‘tsk,tsk, nee hoor dat mag niet, hoor!’) x (laterale klik: een zijdelingse klak die men wel gebruikt om paarden mee aan te sporen) q (palatale klik, die klinkt als het ontkurken van een champagnefles). Iedere klik komt voor in zes vormen: x (de klik zelf), xh (geaspireerd), gx (stemhebbend), nx (genasaleerd), ngx (combinatie van drie der voorgaande), nkx (voorafgegaan door nasaal). Een woord kan meerdere kliks bevatten, maar dat zijn in de regel vormen van dezelfde basisklik: iqhoqhoqho (luchtpijp), uqongqothwane (klopkever (‘tokkie’)). In plaatsnamen zijn er soms twee verschillende kliks, zoals iQonce (Koning Willemstad). (van: Wikipedia, zoekterm ‘klik-talen’)
Waarmee ik maar wil laten zien dat de mogelijkheden voor de begeleidende geluiden bij de gebarentalen van de Vroege Mensen legio waren.

Daarnaast vermoed ik dat de druk om de stille gebaren begeleid te laten worden door betekenisdragende geluiden er voor gezorgd heeft dat de HE’s hun gebaren al volop hebben aangevuld met echte stemgeluiden. En dat daar het zingen bij hun dansen/zingen een belangrijke rol heeft gespeeld. Maar daar krijgen we het verderop pas over.
Die begeleidende stemgeluiden zijn bij de nilotische AMM’s, vanwege de geschiktere bouw van hun stemapparaat, zo betekenisdragend geworden dat ze er hun gebaren steeds minder bij nodig hadden en dat die steeds meer een bijrol te vervullen kregen.
Dat de gebarentaal echter onze oorspronkelijke manier van symbolisch communiceren moet zijn geweest, blijkt wel uit het feit dat we nog steeds moeilijk zonder gesticulatie kunnen; terwijl die eigenlijk nergens meer op slaat. Zelfs onze telefoongesprekken begeleiden we met gebaren! Des te meer naarmate het gesprek met emotie geladen is. Recent onderzoek van de universiteit van Manchester (Trouw, 14 mrt ’03) wijst uit dat mededelingen die met handgebaren ondersteund worden, ook beter begrepen en onthouden worden. En sterker nog: blindgeborenen (!) gesticuleren volop, ook tegen elkaar, en maken blijkens een onderzoek dezelfde soort handbewegingen bij opgegeven spreektaken als zienden.[48] Het recent gepubliceerde onderzoek van Laura-Ann Petitto levert een aanwijzing temeer: die wezenlijke hersenprogrammaatjes waarmee onze kindjes ter wereld komen, kunnen onmogelijk het resultaat zijn van slechts honderdduizend jaar evolutie: een veel te korte tijd.

Onze baby’s komen nog steeds als een soort neanderthalertjes ter wereld. Ze hebben nog van die korte, aapachtige nekkies, en hun strottenhoofdjes zijn nog niet permanent ingedaald zoals bij ons, AMM’s. Baby’s kunnen nog tegelijk ademhalen en slikken. Ik denk dus dat de NT’s dat ook nog steeds konden. Ik denk dus ook dat de NT’s nog steeds voornamelijk gebarentalig waren. Behalve die opvallend aapachtige bouw van hun nekken is er nóg iets dat wijst op hun gebarentalig zijn. In P. Moerman Op het spoor van de Neanderthal-mens (Baarn, 1977) stuitte ik op het volgende. Het fossiele skelet van de ‘oude man van La Chapelle-aux-Saints’ is zo volledig dat er zelfs veel polsbeentjes van bewaard gebleven zijn. Deze zijn door een specialist bestudeerd en die bevond dat de NT’s wel grote en oersterke handen hadden, maar dat “die gezien de polsgewrichten veel beweeglijker naar alle richtingen moeten zijn geweest dan de handen van de tegenwoordige mens”. Dus Jane Auel had waarschijnlijk gelijk dat ze haar NT’s gebarentalig heeft laten zijn.
Nu moet ik alleen nog van een specialist te horen krijgen of de handen van een levenslange gebarentaalspreker inderdaad veel beweeglijker zijn dan die van een levenslange spraakklankentaalspreker.

Een andere aanwijzing voor de oorspronkelijkheid van gebarentaal komt uit de antropologische literatuur. Wilhelm Schmidt[49] komt in zijn verhandeling over de oudste culturen der mensheid te spreken over het bidden: het zich geestelijk tot de Grote Voorouder wenden dat primitieve jagers doen voorafgaand aan jacht of visvangst. “Moeilijk als zodanig te herkennen is het in gebaren uitgedrukte gebed, in Zuidoost-Australië bijvoorbeeld en in zijn meest intensieve vorm bij de Selisj-indianen in Noordwest-Amerika.” Ik denk inderdaad dat de al met spraakklanken communicerende AMM-jagers zich voor hun jachtgeluk nog lang verlaten hebben op hun oeroude en dus sacrale gebarentaal. Ook de hedendaagse kerkelijke rituelen kennen nog veel sacrale gebaren. Al deze feiten wijzen er op dat gebarentaal heel diep in ons wezen verankerd ligt en dat de spraakklankentaal een betrekkelijk recent verschijnsel is.

namen voor de dingen, en die in een woordenschat

Alle groepsdieren communiceren met elkaar en beschikken dus over een of andere vorm van communicatie. Olifanten, walvissen en dolfijnen, wolven, paarden, honden, ze hebben allemaal een verfijnd repertoire om hun soorteigen gevoelens en kennis met elkaar uit te ruilen. Onze naaste familieleden, de chimpansees en de bonobo’s, spannen hierin de kroon. De chimpansees, die veel langer en uitgebreider voorwerp van onderzoek zijn geweest dan de zeldzamere en moeilijker bereikbare bonobo’s, kennen 13 verschillende stemgeluiden waarmee 13 verschillende dingen bedoeld worden. Het repertoire wordt uitgebreid met gelaatsuitdrukkingen en lichaamshoudingen of –bewegingen.
Het bonobo-repertoire is zeker zo groot, omdat ze veel socialer zijn dan de chimpansees. Chimpansees maken lagere grom- en blafgeluiden en zijn wat zwijgzamer vergeleken bij de bonobo’s, voor wie alles aanleiding is om er uitgebreid en opgewonden over te communiceren met hun hoge kefgeluiden.

Toch is dit allemaal niet wat ik onder taal versta. Taal is voor mij namen voor de dingen. Dat hebben alleen mensen ontwikkeld. Hoe dat hen zo machtig heeft gemaakt in de natuur en hen heeft doen uitgroeien van een nauwelijks traceerbaar ondersoortje ergens in Oost-Afrika tot een de gehele aarde koloniserende en dominante soort, daarover krijgen we het verderop.
Maar wacht eens. Chimpansees kennen 13 verschillende stemgeluiden. Waarmee ze 13 afzonderlijke dingen communiceren. Chimps beschikken over 13 ‘woorden’ dus! In hun voedselkreten is bijvoorbeeld verschil tussen die voor vegetarisch voedsel en die voor vlees!
Ja zeg: daarmee kun je niet echt van een woordenschat spreken! Laat staan dat ze daar hun ‘wereld’ mee onder woorden kunnen brengen of dat ze het daarmee met elkaar kunnen hebben over wat niet waarneembaar is op dat moment. Nog afgezien van het feit dat ze die voedselkreten niet bewust kunnen produceren.
Niettemin: ik doe uw opmerking recht en wijzig mijn definitie van het wezenlijke van het uniek-menselijke fenomeen taal : het kunnen beschikken over een woordenschat aan namen voor de dingen.
Eenmaal bezig met het ontwikkelen van die woordenschat – hetgeen geen individuele bezigheid is maar een groepsgebeuren – is het vormen van zinnen, het volgen van regels daarbij en andere verfijningen een onvermijdelijk bijverschijnsel. Voor onze taalkundigen echter is het wezenlijke van ons bijzondere taalvermogen gelegen in het kunnen rangschikken van onze woorden – en daarmee onze gedachten – door middel van grammatica en syntaxis.

Taalonderzoeker Noam Chomsky bedacht dat mensen geboren worden met een Universele Generatieve Grammatica (1957), een aangeboren taalvaardigheid waardoor kinderen in staat zijn spelenderwijs de taal van hun omgeving op te pikken en uit te bouwen. Dat was weliswaar een heel wat juistere opvatting dan de tot dan toe heersende behavioristische opvatting dat kinderen taal leren van hun omgeving door straffen/belonen. Dat om te beginnen. Verder was hij de eerste die het ontstaan van de taal weer op de wetenschappelijke agenda plaatste, waar dat onderwerp in 1866 door het Parijse Taalgenootschap voor taboe was verklaard – waardoor aartsvader Darwin en zijn nazaten er zich ook verre van gehouden hadden. Chomsky had zich afgevraagd hoe het mogelijk was dat kinderen zoiets ingewikkelds als taal zich met even groot gemak leken eigen te maken als pianospelen of fietsen. Ze moesten er een aangeboren ‘taalorgaan’ voor in hun hersentjes hebben. Door neurologen werd dat lacherig afgedaan: niks van te vinden, hoor, in onze hersenen! Nee, oké, maar wel hersengebieden als het centrum van Broca en van Wernicke, toch? dus zo dom was Chomsky’s ‘taalorgaan’ toch niet, voor een niet-neuroloog?
Chomsky kwam tot zijn inzicht door het bestuderen van de taalregels van het Amerikaanse Engels. Dus niet door het nalopen van hoe mensen van apen tot mensen zijn geworden. Dus wat ik als humanosoof wel raar vind van Chomsky, én van de taalkundigen in zijn voetspoor zoals Steven Pinker, dat ze aan grammatica en syntaxis zoveel gewicht toekennen dat ze deze eigenschap(pen) nota bene zien als de essentie van ons taalvermogen.
Taal is voor talige wezens hét ultieme sociale gebeuren, en ‘werkt’ alleen als je je aan regels houdt. Derhalve zijn grammatica en syntaxis onvermijdelijke en dus bijkomstige eigenschappen, en maken ze niet het wézen uit van het talig-zijn van de taalgebruiker. Laat staan dat daarmee de voor een mensaap opmerkelijke gedragingen als het gaan gebruiken van het vuur en het ontwikkelen van religie verklaard zouden kunnen worden.
Toen aanwijzingen zich opstapelden dat sommige dieren ook woorden kunnen maken (zoals ik hierboven liet zien) en daarbij neiging tot grammaticale ordening vertoonden, en dat sommigen zoals Washoe zelfs woorden kunnen combineren ([bes]/[pijn]=radijs) viel er een bouwsteen uit het uniek-menselijke taalbouwwerk weg.
Maar in 2002 publiceerde Chomsky samen met Marc Hauser en T. Fitch een Science-artikel met een nieuwe hypothese: recursie[50] zou het unieke-menselijke aspect van taal zijn. Ook daar is commentaar op gekomen: de taal van de Piranha-indianen in het Amazone-regenwoud kent geen recursie. Ze uiten zich alleen in hoofdzinnen[51]. Ook in sommige andere talen, in Nieuw Guinea en Australië bijv., komt recursie hooguit sporadisch voor. De Leidse taalkundige Arie Verhagen ziet recursie dan ook als een cultureel product, zoals ook ons getalsysteem: ontstaan in talen die al lang een geschreven traditie hebben.

Nou ja. Ik weet niet hoe u er over denkt, maar deze humanosoof vindt het hoogst opmerkelijk dat de taalkundigen geen oog lijken te hebben voor wat wél wezenlijk is voor ons uniek-menselijke taalvermogen: het hebben van namen voor de dingen. We leven in een benoemde wereld, een woordenwereld. Geen enkele andere soort, hoe communicatief ook, beschikt over namen voor de dingen en kan het met zijn mededier hebben over wat niet direct waarneembaar is; of kan overleggen, brainstormen, plannen smeden.
Ik ga het hier verderop uitgebreid over hebben, waar ik de dramatische gevolgen van de overstap van het normale dierlijke bewustzijn op het menselijke talige bewustzijn behandel.

fonemen/cheremen

We vervolgen het taalbetoog. Hoe hebben onze voorouders wél een woordenschat kunnen maken en de chimpansees niet?
Wat de chimps betreft: die zijn altijd regenwoudbewoners gebleven en hebben dus nooit de behoefte gehad, meer te maken van hun communicatie. Zelfs de boslandchimps van Adriana Hernandez-Aguilar maken geen soort van aanstalten hiertoe. Eén populatie van de voap’s is daar wél toe overgegaan. Ik bedoel: anders waren wij nu nog steeds voap’s geweest, ergens in tropisch Afrika, geen probleem. Maar we zijn nu mensen, dus het moet daar ooit met één voap-populatie begonnen zijn. Dus: hoe hebben ze een woordenschat kunnen maken?
Hoe vormen wij vandaag onze woorden? Dat doen we met fonemen. Fonemen – bijvoorbeeld de letters van ons alfabet – zijn de bouwstenen van de taal. Een f betekent niets, evenmin als dat een o of een n of een ee of een m iets betekenen. Samen echter betekenen ze foneem, en je kunt er ook nog andere woorden mee maken, zoals of neem of om neef of een mof. Met de vijftig of meer geluiden die een mens kan maken kunnen we honderdduizend of meer woorden maken en een oneindig aantal zinnen. Zo maken wij onze woordenschat.
Chimpansees kunnen nauwelijks fonemen maken: daar leent, zoals gezegd, hun stemapparaat zich niet voor. Klinkers sowieso niet, althans niet opzettelijk. Medeklinkers als [p!] en [k!] met veel moeite. Van 1947 tot 1954 bracht het psychologen-echtpaar Hayes de chimpansee-baby Viki groot in een poging haar te leren praten alsof het een mensenkind was. Na zes jaar intensieve en creatieve vocale training kon Viki vier woordjes zeggen: ‘mama’, ‘ papa, ‘cup’, en ‘up’, waarvan de klinkers nagenoeg stemloos bleven.
Wij beschikken, behalve over lippen en huig, ook over een relatief grote keelholte en een brede tongwortel . Niet alleen medeklinkers kunnen we in soorten en maten vormen, maar we hebben ook bewuste (neocorticale) controle over onze klinkers. Dat alles mist een chimpansee en daardoor mislukten de pogingen om een in ’n menselijk gezin mee opgroeiende chimpanseebaby te leren praten. Pogingen om in eenzelfde situatie jonge chimpansees gebarentaal te leren, lukten wél. Dat wil zeggen, die verwierven een (gebarentaal)woordenschat van een paar honderd (gebarentaal)woorden[52], zeg maar het niveau van een driejarig mensje. Je kunt zeggen: bar weinig. Maar let wel: in één leven. Dat driejarige mensje wordt geboren met een adequaat hersenprogrammaatje; onze voorouders hebben er vier miljoen(!) jaar de tijd voor genomen om dat aan te maken.

Maar … die voap’s waren toch apen? Dus ze beschikten én niet over het stemapparaat van de moderne mens om fonemen te maken, én niet over de bewuste controle over hun stem-uitingen!
Inderdaad. En over het tweede beschikken doofstomme gebarentaalsprekers nog steeds niet.  Toch staat hun (gebaren)taal op een even hoog niveau als onze spreektaal.
Dat komt:  gebarentaal kent het gebarentaal-alternatief voor de spreektaal-fonemen: de cheremen. Dat zijn betekenisloze handconfiguraties, handplaatsingen en handbewegingen die de ‘bouwstenen’ zijn voor een oneindig aantal gebarenwoorden.
Er zijn vijfenvijftig cheremen: negentien handconfiguraties (bijvoorbeeld de wijzende hand), twaalf handplaatsingen (bijvoorbeeld de wang) en vierentwintig handbewegingen (bijvoorbeeld op en neer). De wijzende hand betekent één gebaar (woord) wanneer deze bij de wang gehouden wordt, een ander gebaar (woord)  wanneer hij bij het voorhoofd wordt gehouden en weer een ander gebaar (woord) wanneer hij bij de kin gehouden wordt[53].

Het van niets tot iets laten worden van het taalvermogen waar onze voorouders vier miljoen jaar voor uitgetrokken hebben, kwam dus vooral neer op het ontwikkelen van steeds meer cheremen.
Van niets? Afgaande op het gebarengebruik van de chimpansees in het wild was er, toen onze voorouders er mee begonnen, al wel degelijk iets. In 1967 al verscheen het baanbrekend onderzoek van de Nederlandse etholoog Adriaan Kortlandt The Use of the Hands in Chimpanzees in the Wild. “Het is nauwelijks mogelijk het belang van de hand in het sociale leven van de chimpansees te overschatten”, schrijft hij. “Chimpansees gebaren om om voedsel te smeken, geruststelling te zoeken en aanmoediging te geven”. Hij beschrijft bovendien dat deze gebaren variëren naargelang het woongebied: ze hebben allemaal hun eigen ‘dialect’! Kortlandts bevindingen gaven voor het echtpaar Gardner de doorslag om met hun experiment te beginnen en zo kwam Washoe in 1967 in het leven van Roger Fouts, waarvan ze tot haar overlijden in okt. 2008 nog steeds deel uitmaakte.[54]
Toen Jane Goodall een bezoek bracht aan het Nim-project van Terrace en Petitto en de zogenaamde gebaren van Nim had waargenomen, zei ze dat deze gebaren haar heel bekend voorkwamen van haar chimpansees in het wild! Veel van de handbewegingen van ASL-gebaren herkende ze van het natuurlijke gebarenrepertoire van chimps.
Ook het ontwikkelen van hun gebarentaal door onze vroegste voorouders zou je dus kunnen zien als een uitbouwen – ‘professionaliseren’ – van een vermogen dat ze al in zich droegen als mensaap.
Het ontwikkelen mag dan als ‘professionalisering’ gezien worden. Maar wat er uit voortvloeide: dat ze er namen voor de dingen mee zijn gaan vormen, dat was een serendipiteit[55]. Ze ontwikkelden in het verloop der erg lange tijden en heel geleidelijk steeds meer cheremen in hun communicatie, als een soort smeerolie om de communicatie soepeler te laten lopen. Die cheremen nu stelden hen in staat tot het vormen van een onbeperkt aantal gebarenwoorden: tot een woordenschat. En zo werden ze mensen. Niet bedoeld maar mooi meegenomen. Er zit veel toeval in het ontstaan van ons menszijn.

de cheremen-doorbraak

Om ons hier een voorstelling van te maken kunnen we kijken naar het begin van het schrift. Zo’n zesduizend jaar geleden leefden in het Midden Oosten steeds meer mensen in boerendorpsamenlevingen. Van de opbrengsten van hun velden, hun vee en hun nijverheid stond elke familie een deel af aan de tempel, ten behoeve van de jaarlijkse feesten, de ruilhandel met andere dorpen en de noodgevallen. De tempelbeambten moesten, om ‘uitvreterij’ en scheve ogen te voorkomen, bij kunnen houden wat welke familie precies had bijgedragen aan de tempel. De notities werden in de klei van de opslag-urnen gegrift. Later werden dat klei-envelopjes met bepaalde ‘fiches’ er in, met op de buitenkant tekentjes die de inhoud weergaven. Nog later werden dat de bekende klei-tabletten, die bij honderdduizenden teruggevonden zijn en, na de ontcijfering van het spijkerschrift, ons een schat aan inzicht over de oude wereld hebben verschaft. Die eerste notities waren pure nabootsingen, tekeningetjes. Maar … geen kunstwerkjes, hooguit ‘minimal art’: de weergave was ontdaan van al het niet strikt noodzakelijke voor de herkenbaarheid, en dan nog alleen voor de gebruikers. Het werden steeds meer gestileerde symbolen.
Een bevestiging van deze origine van het schrift leveren de onlangs in China (Jiahu, een dorp uit de begintijd van de Chinese landbouw) gevonden 8500 jaar oude schildpadschilden met elf ingekraste tekens die lijken op de latere Chinese karakters. De tekens vertegenwoordigen waarschijnlijk symbolen uit waarzeggerij-praktijken, gezien de ‘dragers’ (schildpadschilden) die ook later in die context zijn gebruikt. De onderzoekers nemen aan dat dergelijke symbolen al eerder gangbaar waren in het economisch verkeer van de landbouwpopulatie. Zoals de symbolen op de klei-envelopjes in het Sumerië van ca. 3000 vC waarop schulden en rekeningen in de landbouwgemeenschappen aldaar werden bijgehouden en die aan de kleitabletten en het spijkerschrift voorafgingen.[56]

Welnu, zo ging het ook met de gebaren-nabootsingen: niet uitgewerkter dan het voor de goede verstaanster nodig was. Immers, hoe minder uitgebreid elke gebaar-nabootsing, des te meer kun je er binnen een communicatiemoment maken en des te effectiever het communicatiemoment. In zo’n groepje kwebbelende dames wil iedere voap-dame haar duit in het zakje doen en dan moet je ze snel mogelijk je punt kunnen maken. Ook nu nog hebben we bij ons spreken de hebbelijkheid om overtollige woorden of woorddelen weg te laten vallen. De SMS-taal van onze mobieltjes spreekt boekdelen.
De eerste door de voap-dames handgebaarde codes waren nog pure nabootsingen van wat bedoeld werd, zoals ook het Sumerische schrift (oudste van de mensheid) bestond uit ‘pictogrammen’: simpele voorstellingen van het bedoelde. Zo betekende een eenvoudige tekening van een hoofd gewoon <hoofd> en twee kronkelende lijnen <water>. Maar weldra ging men deze symbolen combineren om iets moeilijkers (althans in schrift!) te bedoelen: <drinken>. De simpele pictogrammen werden steeds schematischer, maar de grootste verandering in het Sumerische schrift voltrok zich toen bepaalde woordtekens in toenemende mate een klankwaarde kregen – meestal de eerste klank van het begrip dat het teken aanvankelijk had gesymboliseerd[57]. ‘Fonemen’ dus, maar dan voor het vormen van een geschreven woordenschat. Vanaf dat moment leende het schrift zich voor vastlegging van elke gewenste communicatie. Dus betrof de functie van het schrift aanvankelijk alleen het optekenen van standaardproducten, nu kon voortaan alles worden vastgelegd: persoonlijke boodschappen, decreten en wetten, onderwijs-inhouden, literaire werken, orale overlevering, de heldendaden van de opeenvolgende koningen. En daarmee begint de geschiedenis, althans voor historici.
Dienovereenkomstig denk ik dat het ingang vinden van cheremen de grote doorbraak in de gebarentalige communicatie van onze vroege voorouders heeft betekend en dat dit hen tot talige wezens heeft doen worden. Vier miljoen jaar ‘pictogrammen’-gebaren, en dan, twee miljoen jaar geleden, de cheremen-doorbraak, met als resultaat het durven gaan gebruiken van het vuur. Of was het andersom: dat het voortaan het avondenlang kunnen blijven communiceren is geweest dat voor versnelde verfijning van de gebarencommunicatie heeft gezorgd? Gaan we het nog over hebben.

Vier miljoen jaar. Het natuurlijke verloop van alle leven: een uiterst traag begin maar als het eenmaal op gang is, steeds sneller. Het volgde het onzichtbare maar voorwaardelijke proces van steeds complexere atomencombinaties tot er zich een molecule vormde die zichzelf kon reproduceren. Toen het proces dat leidde tot de vorming van een cel. De vorming van meercelligheid. Van plantaardig en dierlijk leven. En pas 900 mjg wordt dit tot met het blote oog waarneembare levensvormen. Bijna drie miljard jaar van ‘grondwerk’. Daar moet je die vier miljoen jaar ‘grondwerk’ voor het menselijk taalvermogen mee vergelijken.
Over mijn voorplaat, met die drie VOAP-meiden en het verschijnen van het eerste woordgebaar, hoeft dus niet al te lacherig gedaan te worden: ook dat eerste zichzelf reproducerende molecuul is ook nog steeds een biologenbedenksel. Toch is daarop een hele evolutietheorie gebouwd waar je moeilijk meer aan kunt twijfelen zonder de grond onder je denkvoeten weg te halen. Waar iets kán, gebeurt het ook, vroeg of laat.
Die vier miljoen jaar waren hard nodig voor de ontwikkeling van het door Laura-Ann Petitto blootgelegde vermogen om gebarenstromen en later spraakgeluidstromen in stukjes te ontleden, te categoriseren en te gaan herkennen en gebruiken als bouwstenen voor taal. Die bouwstenen zijn de lettergrepen. Ta-ta-ta, ma-ma-ma, enzovoort. Maar hoe maakt de baby ta en ma? Dat heeft Laura-Ann nog niet uitgelegd. Dat doet de baby met fonemen, en de gebarentalige baby met cheremen. Het is het ingang vinden van de cheremen dus, die de onbeperkte woordenschat heeft gebracht. En het talig worden van onze soort. Het bijzonder worden van onze soort, en het afscheid nemen van het normale dier-zijn. Het durven gaan gebruiken van het vuur.

Het hier beschreven scenario voor de ontwikkeling van ons taalvermogen, gesteund door o.m. Fouts, Corballis en Stokoe, gaat dus uit van gebarentaal en niet van het steeds beter gaan praten. Pas het meest recente menstype, de anatomisch moderne mens (AMM), waartoe alle nu levende mensen waar ook ter wereld behoren en die pas 200.000 jg in Afrika zich uit een aldaar levende slankere erectuspopulatie (die van ´Zwarte Eva”!) is gaan ontwikkelen, beschikt over een ingedaald strottenhoofd en over een daardoor grotere keelholte, hetgeen erop wijst dat pas dié variant met spraakklanken is beginnen te praten. Maar … binnen een reeds bestaande en volledig ontwikkelde taal: nergens ter wereld kun je bij mensen zoiets als een ‘proto-taal’ ontdekken.

Natuurlijk moeten we als aapmensen onze stem al volop gebruikt hebben, te oordelen naar de huidige chimpansees en vooral bonobo’s. Van de laatste soort moet hier nog iets bijzonders verteld worden: hun ‘koorzang’. Het geluid van een troep chimpansees en dat van een troep bonobo’s verschilt behoorlijk. Van de chimpansees zijn het hu-hu-geluiden, áls je ze al hoort, en die kennen ook een lange-afstands-roep zoals de orang oetans: een aanzwellend geloei. Het geluid van de bonobo’s lijkt meer op een roedel keffende hondjes. Dat opvallende verschil is veelzeggend. Het duidt er op dat ‘taal’-uitingen culturele trekjes zijn, meer niet.
Bonobo’s raken veel sneller opgewonden door op zich onbelangrijke gebeurtenissen en leveren daar ‘commentaar’ op door middel van schelle piep- en blafgeluiden. Maar het opmerkelijke is dat ze hun geroep soms sterk synchroniseren. Dan ‘echoën’ ze elkaar na. Bij agressieve confrontaties wordt dat geëcho (chimpansees slaan er dan gewoon op los) zelfs een soort beurtzang, waarbij de kreten elkaar als een pingpongballetje afwisselen. Het schijnt informatie uit te wisselen over emoties en bedoelingen [58]. Misschien hebben we hier te maken met een bestaand vobo-vermogen dat het onze voorouders gemakkelijker maakte om gebaren in stukje te ontleden. Zal ik Petitto eens voorleggen. De kreten variëren ook: soms bedreigend, dan weer angstig en dan weer verzoenend. De kreten overlappen elkaar niet, het is echt een reageren op elkaar en een geleidelijk het met elkaar eens worden. Claudia Jordan[59] spreekt in dit verband van Quieckduelle (krijsduels), een vocaal uitvechten van een conflict dat chimpansees niet kennen.

Je komt dan in de verleiding om te denken: zie je wel, ons taalgebruik is gewoon een uitbreiding van de vocale communicatie van die bonobo’s waar we immers zoveel van weg hebben! Maar we zagen al dat de ‘kretologie’ van de bonobo’s neurologisch wordt aangestuurd door het limbische systeem [60], terwijl onze spraak neurologisch wordt aangestuurd door de prefrontale schors, een totaal ander hersengedeelte, dat ook de verfijnde handmotoriek aanstuurt. Om van de onmogelijkheid tot het vormen van fonemen met zo’n apenstemapparaat nog maar te zwijgen.
Verderop zullen we het over het dansen/zingen van ons Scheppingsverhaal gaan krijgen. Dan wordt meteen duidelijk hoe ons aangeboren zangvermogen door het dansen/zingen aan onze gebarentaal gekoppeld werd en zo vanuit het lymbische systeem onder medecontrole van de cortex is gekomen. Darwin had ook al zoiets geopperd: dat onze stemcontrole niet in eerste instantie door het spreken maar door het zingen is geëvolueerd. Gezang, zo zegt hij, verschijnt in de context van emoties: liefde, devotie, haat, trots, nationalisme, droefheid; maar ook in de context van verbale uitdrukking ervan. “In de context van emoties”… dus van het limbische systeem! Darwin was echt een genie. Niets van wat ik hier allemaal te berde kan brengen, was in zijn tijd nog bekend.
Darwin zag niets in gebarentaal als oorspronkelijke vorm van onze taligheid. Niet omdat hij onkundig was van de aard ervan[61]. Hij wees op een toentertijd beroemde doofstomme vrouw, Laura Bridgman, die er met haar gebarentaal duidelijk blijk van gaf dat ze een zeer intelligente dame was, en concludeerde daar terecht uit dat taal niet gebonden was aan zijn vocale vorm maar dat er een onderliggend cognitief vermogen moest zijn[62]. Nee, het was omdat hij zich verre hield van elke speculatie over de oorsprong van ons taalvermogen. Dat kwam doordat het speculeren vóór zijn tijd erg ‘in’ was geweest en dat het tot zulke belachelijke theorieën en tot niets leidende discussies had geleid dat het Taalkundig Genootschap van Parijs in 1866 in meerderheid van stemmen de maatregel had aangenomen om geen enkele speculatie hierover meer toe te staan! Hoe begrijpelijk ook, een autoritair en ook nog eens volstrekt onwetenschappelijk besluit. Het is verbluffend dat elke taalgeleerde er zich tot op de dag van vandaag angstvallig aan houdt! Tekenend voor het prestige van Darwin. Terwijl die niet eens een argument aangevoerd heeft voor zijn afwijzen van gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen. Van zijn positie uit gezien wel begrijpelijk: zijn theorie voor het ontstaan van mensen was al zo’n waagstuk in een door God geschapen wereld dat hij die niet aanvechtbaar wilde maken met een ondergeschikt standpunt: het ontstaan van ons taalvermogen. Het is Chomsky’s verdienste dat hij als eerste dit onwetenschappelijke taboe doorbroken heeft.
Dat de gebarentaal echt onze oorspronkelijke manier van symbolisch communiceren moet zijn geweest, blijkt behalve uit het feit dat mensapen geen neocorticale controle hebben over hun stem uit het feit dat we bij enigszins emotionele communicatie nog steeds moeilijk zonder gesticulatie kunnen[63]. Maar we kennen allemaal de beelden van lui die begeesterd gesticuleren tegen degene met wie ze via hun mobieltje in gesprek zijn. Onderzoeken hebben aangetoond dat de gesticulatie een fractie sneller is dan het gesproken woord, en dat de gesproken woorden ook makkelijker ‘loskomen’ wanneer er bij gegesticuleerd kan worden.

het ontstaan van ons talige bewustzijn

Door de ontwikkeling van gebarentaal zijn we ‘talige’ wezens geworden[64]. Niet van de ene dag op de andere uiteraard. De eerste miljoen jaren zal er nog niet veel bijzonders aan onze vooroudermensapen te merken zijn geweest, behalve dat hun vrouwen veelvuldig met hun handen aan het communiceren waren. Op die manier waren ze ook tegen zichzelf aan het ‘praten’: hun gebarentaal-codes gingen ook in hun koppen om en beheersten hun denken over de dingen, hun gedachtenscenario’s.
Maar het is de veelheid van benoemde dingen geweest, alsmede het zich ontwikkelen van de cheremen in hun gebarentaal, die maakten dat ze tenslotte in een geheel benoemde wereld zijn komen te leven.
Het noemen van iets schept een gevoelsmatige afstand tussen de benoemer en het benoemde. De voap-vrouw greep met haar gebarencode voor ‘leeuw’ een leeuw die op dat moment in geen velden of wegen te bekennen was. Het verschafte haar vat op het fenomeen ‘leeuw’. Misschien neem ik een verkeerd voorbeeld en durfde ze aanvankelijk een angstwekkend dier als een leeuw nog niet te noemen[65]. Maar hetzelfde gold natuurlijk voor een steen of een bepaalde in dat seizoen niet verkrijgbare plant: ze greep de afwezige steen of plant met het in haar leefgroep gebruikelijke gebarenwoord ervoor.
Afstand. Misschien is dit ook een ‘professionalisering’ voor iets mensapenlijks. Het gooien met van alles naar een roofdier en het op die manier op een afstand houden, wat chimpansees en bonobo’s doen bedoel ik. Als wij iets niet kunnen ‘vatten’, gooien we er ook met de pet naar of slaan we er een slag naar.
Doordat ze geleidelijk alle dingen die hun leefwereld uitmaakten, onder (gebaren)woorden gingen brengen, ontstond er een gevoelsmatige afstand, een gevoel van onafhankelijkheid, van beheersing van hun wereld.
J.Hughlings Jackson[66] merkte op: “We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.” Die gebarenwoorden waren, als gezegd, niet alleen uiterlijke codes, ze waren gekoppeld aan beelden in hun koppen, aan denkbeelden. Die denkbeelden beheersten ook voor een deel hun denken, hun bewustzijn. Ze kwamen in een ‘denkbeeldige’ wereld te leven, met bijbehorend gevoel van afstandelijkheid. Ze konden de dingen objectiveren. Ze werden talige wezens, met een talig bewustzijn.
Er moet een moment geweest zijn waarop hun handelingen niet langer voornamelijk door hun overgeërfde instincten werden aangestuurd, hun keuzen niet langer uitsluitend door instinct ingegeven werden, maar waarop deze meer en meer het resultaat werden van hun onderling overleg en van het individuele innerlijke ‘algebra’ met begrippencodes. Immers, de ontwikkeling in deze richting ging maar door en je kunt geen twee aansturingen van je handelen tegelijk gebruiken, geen twee kapiteins op het schip van je gedachten. De ontwikkeling naar het benoemen van steeds meer dingen ging onstuitbaar door en dat ging ten koste van hun instincten: die moesten ze onderdrukken. Ze waren een hachelijk pad ingeslagen vanwaar geen weg terug is, toen niet, nu niet en nooit meer.

het vuur

Talig worden is een geestelijk iets en kan niet aan een fossiele schedel worden afgelezen. Maar hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, gebarentaal wel! Namelijk door het iets vergrote hersendeel dat het gebied van Broca genoemd wordt. Deze lichte vergroting is aan de binnenkant van een schedel waar te nemen, en volgens Ralph Holloway van de Columbia Universiteit waren deze taalgebiedjes al in de AP’schedels bespeurbaar[67]! In elk geval zijn ze duidelijk aanwijsbaar in de schedels van de erectus-mensen die we dadelijk op ons pad zien verschijnen. Die taalgebiedjes sturen niet alleen de tong aan maar ook fijne hand- en vingerbewegingen. Dat was Darwin al opgevallen: dat wanneer we precisiewerk doen met onze vingers, tegelijk ook onze tong in beweging zetten (bij het pielen van een draad door het oog van een naald bijvoorbeeld).
Bewijs voor gebarentaal, zul je dan toegeven, maar nog niet voor het talig geworden zijn, in de betekenis van onafhankelijk in de natuur zijn komen te staan. Ook daar is echter een hard bewijs van een datering voor beschikbaar: het gaan gebruiken van het vuur!
Een normaal dier gaat blindelings voor vuur op de loop. Redde wie zich redden kan! Leeuwen en antilopen, hazen en vossen, wolven en lammeren, alles neemt de benen zonder aandacht voor elkaar. Maar er zijn harde bewijzen dat onze voorouders rond twee miljoen jaar geleden (door mij afgekort tot pm 2mjg) hun instinctieve reactie hebben weten te overwinnen, en u begrijpt al waardoor.
Natuurlijk kenden ze de prettige kanten van dat beangstigende gebeuren al veel langer, en zij niet alleen. Aaseters van allerlei slag worden door een brand aangetrokken vanwege het heerlijke aas dat er te vinden valt wanneer de brand over is, en herten komen likken aan de zoutige as. En de voap’s waren ook aaseters. Aaseters?

Dus even een zijwegje.
Onze voorouders luisterden naar het gebrul van de leeuwen in de nacht. Als de leeuwen op een bepaalde manier brulden, dan wisten onze voorouders dat ze er de volgende ochtend op af konden gaan om dankbaar het hoofd te buigen en vervolgens de resten vlees die de leeuwen van hun slachtpartij hadden overgelaten mee te nemen. Als wilde dieren een mens doodmaken dan accepteren we dat en zeggen tegen onszelf: niets aan te doen, het is nu eenmaal ons dier. Het heeft een glanzende huid omdat het een ander dier heeft opgegeten. Ik ben ook gezond omdat ik een ander dier heb opgegeten.
(Baba Mhlanga in Hoeders van de aarde.)
Als mensapen hadden ze al vlees op het menu, hoewel bonobo’s wat minder fanatieke jagers zijn dan de chimpansees. Bonobo’s spelen vooral met een door hen gevangen aapje, in plaats van het op te eten. Overigens legt het daarbij evengoed het loodje, want ook bonobo’s zijn oersterk en dus te ruw voor die tere beestjes. Maar op de savanne zijn de prooidieren geselecteerd op de snelle vlucht, en ook hun roofdieren zijn op snelheid berekend. Dat waren de voap’s bepaald niet. Ze hadden hun voorouderlijke vierbenige snelheid ingeruild voor de voordelen die de tweebenigheid biedt, maar daarin waren ze vooral aanvankelijk nog geen virtuozen en nog steeds haalt een viervoetige chimpansee ons nog met gemak in. Tenminste in de sprint, niet in een lange-afstandsloop.
Savannebavianen zijn ook van boomapen tot savannebewoners moeten worden; die hebben geen tweebenigheid ontwikkeld, in tegendeel, dat zijn echte viervoeters geworden, ze draven als honden. Met behoorlijke snelheid. Echter niet genoeg om een antilope bij te kunnen houden, maar daarvoor hebben ze een estafette-jachttechniek ontwikkeld. Eén drijft zo’n van de troep afgeweken antilopenjong in de richting van een in het gras ineengedoken medejager, en die doet hetzelfde naar een volgende, tot het antiloopje van uitputting moet blijven staan[68].
Weinig kans dat die trage voap’s zoiets hebben kunnen praktiseren. Dat waren aaseters en dat zijn hun erectus- en volgende nakomelingen nog grotendeels gebleven. Aas is gewoon vlees, alleen van een prooi die je niet zelf hebt gevangen. Zelfs de huidige jagers zijn gelegenheids-aaseters zoals het citaat hierboven laat zien, en de trotse leeuwen zijn ook liever lui dan moe, die pakken bij voorkeur de prooi van de hyena’s af. Hyena’s, dat zijn de echte jagers! Daarom hebben die zo de schurft aan leeuwen.

Maar we hadden het over het vuur, en dat de voap-vrouwen al lang de prettige eigenschappen ervan hadden ontdekt. Het geroosterde vlees is behalve lekkerder en voedzamer ook langer houdbaar. Planten die je rauw niet kunt eten, zoals aardappelen, worden eetbaar door ze te koken. Het kon niet uitblijven dat … er hoeft er maar weer één geweest te zijn, één oude vrouw die vanwege haar taligheid de instinctieve angst voor het vuur een beetje was kwijtgeraakt (ze hadden er een naam voor, een begrip, ze konden het vatten!) en die, al haar moed bijeenrapend en bevend, een nog na-smeulende tal beetpakte en meesleepte naar een gedoofde plek en de tak met dor spul voedde en brandend hield[69].
Het kunnen koken en braden van voedsel betekent een forse uitbreiding van het menu. Vlees drogen, in stukken gesneden en aan een pees of touw geregen in de zon tussen twee paaltjes, kenden ze al lang, maar met een vuurtje er onder gaat het sneller en beter, met langere houdbaarheid. Veel planten en knolgewassen zijn alleen gekookt eetbaar en verrijkten nu de dagelijkse pot. Een gat in de grond, stenen er in en daar een vuur in gestookt tot de stenen gloeien; dan vlees en groenten en in, afdekken met een huid met aarde er overheen en wachten tot alles gestoofd is, die kooktechniek heeft zeker niet lang op zich laten wachten. Laat dat maar aan de vrouwen over. En laat het maar aan de mannen over om ontdekt te hebben dat je met de huid waarin je je stenen meedraagt, je een steen veel verder kunt wegslingeren als je hem erin weg zwiept en op tijd één uiteinde loslaat. Het is allemaal speculatie, maar ik durf er de rand van mijn hoed voor op te eten dat de voap’s al lang slingers gebruikten – makkelijk praten als je niet eens een hoed hebt.
Ik had fundamentele kritiek op Richard Wrangham met zijn Demonic Males (1996) waarin hij een link legde tussen de gewelddadigheid van mensen en die van de chimpansees zonder de omstandigheid (overpopulatie) te benadrukken waaronder de chimpansees vanaf 2,5 mjg gewelddadig werden, terwijl mensen pas vanaf hooguit 65.000 jaar in overpopulatie zijn komen te leven.  Maar met zijn Catching Fire: How Cooking Made Us Human (2009) heeft hij weer helemaal mijn hart gestolen. Daarin legt hij uit dat door het kunnen koken en braden van plantaardig en dierlijk voedsel onze voorouders minder heftig en lang hoefden te kauwen, hun voedsel voedingsrijker werd en langer houdbaar, én hun menu uitgebreider doordat rauw oneetbare knollen door het koken eetbaar werden. Dus een enorme vooruitgang. Hij heeft vooral mijn sympathie gewekt door te proberen, een week lang op een chimpansee-dieet te leven en op wilde vijgen en rauw vlees te kauwen! Een held.

Waar blijven nou de harde bewijzen? Komen ze. Een rijker en voedzamer menu betekent een groei van de gestalten, van generatie op generatie. En dat zien we aan de gevonden fossielen: steenharde bewijzen dus. Eén belangrijke fossiel gevonden gestalte is die van Nariokotome boy. Een jongen van een jaar of twaalf, waarschijnlijk door een overstroomde beek meegesleurd en verdronken en op een plek terechtgekomen en snel bedolven zodat zijn lijk niet door aaseters vernield is kunnen worden. Vrijwel gaaf is zijn skelet in 1984 in Koobi Fora gevonden door de Keniase paleontoloog Kimoya Kimeu[70]. Als volwassene zou hij lang en slank geworden zijn, wel 1.7 m lang. Terwijl de AP’s altijd de vobo-afmetingen behouden hadden. Dat valt maar op één manier te verklaren, toch? ……… Nog niet hard genoeg, dat bewijs?
Dan nu dat van de paleo’s Randy Bellomo, Ralph Rowlett en anderen. Die hebben een speciale studie gemaakt van wat een lang aangehouden kampvuur doet met de onderliggende bodem (in tegenstelling met wat een natuurlijke brand doet), namelijk een schaalvormige, geoxideerde en gemagnetiseerde laag grond achterlaten. In Koobi Fora, bij diezelfde HE-site, waren in de jaren ‘80 van die ‘vuurschalen’ gevonden en net als Nariokotome boy gedateerd op 1.6 mjg[71]. Enigen hunner hadden toen al geopperd dat dit ‘fossiele’ resten van kampvuren waren, maar voor de leider van het team, de gezaghebbende paleo Alan Walker, was dit uitgesloten. Die had namelijk een bijzonder lage dunk van onze vroege voorouders. Van Nariokotome boy schrijft hij, in het samen met zijn vrouw, de paleo Pat Shipman[72], geschreven boek The Wisdom of the Bones (1997): “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een mens die een vreemdeling ontmoet, maar de dodelijk onwetende blik die ik gezien heb in de starende ogen van een leeuw”. Walker ziet in de HE dus geen mens maar een roofdier. Betekent dus dat Walker nog nooit een chimpansee of gorilla aangekeken heeft, of zo’n mensapenblik op een foto heeft bestudeerd. Het blikveld van een wetenschapper reikt soms echt niet verder dan zijn vakgebiedje. Evengoed worden zulke autoriteiten (op hun vakgebied) ook in zulke bar-en-boze uitspraken serieus genomen door andere vakidioten! Maar niet door een etholoog als Frans de Waal.
“Veel primatologen hebben verklaard dat hun houding ten opzichte van mensapen volledig veranderde nadat zij voor het eerst oog in oog hadden gestaan met een mensaap. Ze zijn nooit vergeten hoe er, ondanks de barrière tussen de soorten een gevoel van medemenselijkheid oversprong.” (Bonobo)
Dus wanneer Walker een AP, van welke soort dan ook, zou zijn tegengekomen, zou hij in haar/zijn ogen echt geen “dodelijke onwetendheid” hebben ontwaard. Laat staan dus in de ogen van een voorouder als Homo erectus, die professionele vuistbijlen[73] maakte, eilanden koloniseerde[74] en vuur gebruikte.
Opmerkelijk is dat Alan Walker eerder,  in 1982 (samen met Zimmerman en Leakey), een artikel in Nature publiceerde waarin hij aan de hand van een HE-bot dat sporen van vitamine A-vergiftiging vertoont, concludeerde dat de HE’s menselijk mededogen en zorgzaamheid aan de dag gelegd moeten hebben. Misschien dat hij daar kritiek op heeft gekregen? dat hij de HE’s een te menselijk gedrag toedichtte? wie weet.

Kada Gona

Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image009.jpgDe oudst gevonden stenen werktuigen tot nu toe zijn van de Kada Gona site in Ethiopië. Ze dateren van 2.6 mjg. De paleo onder wiens leiding de opgraving plaatsvindt, Dr. Semaw, vertelt dat die plek indertijd aan een rivieroever lag, met steenmateriaal in overvloed, en schaduwrijke en veilige overnachting biedende bomen in de nabijheid.
afb bij zijn publicatie in Journal of Archaeological Science 2000-7

De messcherpe afslagen dienden volgens hem om karkassen te slachten en graafstokken aan te scherpen waarmee de vrouwen voedzame en waterrijke knollen konden opgraven.
Voor Dr. Semaw is het een uitgemaakte zaak dat de mensachtigen die deze werktuigen maakten en gebruikten om grote karkassen te slachten, over enigerlei vorm van talige communicatie moeten hebben beschikt: hij acht het ondenkbaar dat dergelijke technologie tot stand gekomen is met puur mensapenlijke lichaamstaal. Ik voeg daar aan toe dat het anders onverklaarbaar is waarom deze aapmensen tot dit gedrag zijn gekomen en geen enkele andere soort. Ze moeten over namen voor de dingen hebben beschikt, dus over het daardoor gegenereerde gevoel van ‘afstandelijkheid’ tegenover de dingen en het gevoel van macht over de dingen.
Geen hominide-fossielen bij de perfect gemaakte Oldowan-werktuigen op de Kada Gona sites van 2.6 mjg (vind ik dus niet meer dan normaal). Als de makers ervan wordt door de onderzoekers Ap. garhi [75] genoemd, vermoedelijk een afstammeling van ap africanus.
Homo habilis lijkt zijn eervolle plaats te moeten afstaan aan ap garhi , en niet langer beschouwd te worden als de maker van de Oldowan-werktuigen (de ‘industrie’ waartoe ook de werktuigen van Gona gerekend worden) die Louis Leakey in 1962 in de Olduvaikloof had gevonden. Men wijst op het primitieve (aapachtige) van H. habilis : lange armen en korte benen, dus nog erg aangewezen op de bomen voor veilige overnachting en de twijfel werd versterkt toen er in 1975 een onderkaak met tanden was gevonden die veel menselijker eigenschappen had dan die van habilis.

Ik heb nog een ander argument. Bij de Gona-werktuigen vind je geen fossielen van de makers ervan. Natuurlijk niet: die werktuigen dienden om hun prooidieren te slachten en ander voedsel te bereiden. Daar ging je toch je eigen mensen niet slachten en opeten? Hoogst onwaarschijnlijk dus dat de hominide-fossielen die bij die werktuigen in de Olduvaikloof gevonden waren door de Leakeys, van de makers ervan zouden zijn[76] – waar Louis Leakey toen voetstoots van uit ging. Waarschijnlijker is dat ze van de maaltijdrest van de makers ervan zijn! H. habilis prooidier van onze voorouders. Maar hoe heten die? Ap garhi?
2.6 mjg oud zijn deze stenen werktuigen. Denk je eens in! Dus van nog gewone aapmensen. De eerste bekende mensachtige populatie is die van Turkana Boy, en dat is een volle miljoen (!) jaar later. En die werd door Alan Walker nog elke vorm van menselijkheid ontzegd.[77]
Silashi Semaw, de aan de Rutgers Univ. opgeleide Ethiopiër die de leiding heeft in Kada Gona, werpt[78]de belangrijke vraag op: is aan deze steenbewerkings-techniek een gedurende miljoenen jaren toenemende vaardigheid voorafgegaan of is het een ‘plotseling’ verschijnen ervan rond 2.6 mjg? Tot nu toe zijn er geen voorstadia voor aangetroffen. Niemand twijfelt er echter aan[79] of de door garhi aan de dag gelegde vaardigheid veronderstelt een al heel veel oudere werktuigvervaardiging.
Maar de werktuigen van primitievere makelij dan de afgebeelde hebben zoveel weg van een toevallig-kapotte kei dat die niet gemakkelijk als werktuig kunnen worden aangezien. Om maar niet te spreken van alternatieve werktuigen van vergankelijk materiaal als hout of bot.

de grote sprong voorwaarts als gevolg van de vuurbeheersing

Wanneer zal ik het terloopse ‘cultuurtje’ van namen voor de dingen (het met elkaar over iets kunnen hebben) laten beginnen? Wanneer zal ik dat terloopse ‘stuntwerkje’ van dat ene meisje in die ene groep: het met haar handen na-apen waar ze op dat moment vol van was, en dat van zo vér strekkende invloed zou worden op het verdere verloop van de dingen in de wereld, laten plaats vinden?
Daarvoor wijs ik even terug op die ‘mijlpaal’ van de oudste door de mens vervaardigde werktuigen, gevonden in Kada Gona. Gedateerd op 2.6 mjg. Vervaardigd met een technologie waarvan het ondenkbaar is dat die zonder talige communicatie tot stand gekomen zou kunnen zijn. Daar moeten nogal wat generaties van talig communicerende vobo’s aan vooraf zijn gegaan. Dus gok ik voorlopig op de datering van 3 mjg.
Maar misschien moeten we voor het ‘meidenspelletje’, voor de geboorte van de proto-gebarentaal, nog verder terug. De proto-gebarentaal begon bij het nulpunt, en de meeste dingen in de natuur komen uiterst traag op gang, vertonen de bekende ‘exponentiële groei’- curve: een heel lange aanloop en dan woeps! de hoogte in.
Het is zeker dat de taligheid door het gaan beheersen van het vuur een forse sprong voorwaarts heeft gemaakt. Ga maar na.
Vóór dat de vobo’s over kampvuren beschikten, was hun communicatie beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen van het voedsel na aankomst in het overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen maar heel kort duurt, was het afgelopen met de communicatie. Dan moest ieder de boom in om, ieder voor zich, zijn slaapplatform in elkaar te vlechten boven in de kruin. De vrouwen en kinderen bovenin, de volwassen mannen met hun zak stenen een etage lager, omdat de voorouders van de luipaarden hen ook ’s nachts konden besluipen.
Hoe anders werd deze situatie toen ze voortaan op de grond konden blijven overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren op afstand hield. Uren en uren werden aan elke dag toegevoegd, en alleen voor het communiceren: in het donker kun je weinig anders doen.

Wát zouden ze gecommuniceerd hebben? Natuurlijk wat er in ze om ging. Bijvoorbeeld iets beangstigends wat ze die dag beleefd hadden.
De plotselinge confrontatie met een buffelstier! De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, hun stenen in de aanslag, en de vrouwen waren naar een boom gevlucht en klommen er met de kinderen in. De buffel had geaarzeld: die vobo’s met hun stenen waren inmiddels berucht. Na enige ijzige seconden had de buffel zich omgedraaid en was weggelopen. Die avond bij het kampvuur was een der vrouwen opgestaan en imiteerde de dreigende buffel. Luid krijsend vielen de vrouwen haar bij. Een man stond op en deed of hij de buffel was. De andere mannen boden hun vastberaden weerstand en de ‘buffel’ week. Als eindelijk iedereen weer zat en de kreten verstomd waren, bleven de gevoelens en beelden nog doorspoken in hun hoofden en sprong een andere man op en deed de buffel opnieuw, en weer werd hij door de andere mannen verjaagd. Herhaling op herhaling, tot de een na de ander zich in zijn dierenvel draaide en ging slapen. Maar hun oren waakten: bij het geringste geritsel was iedereen weer klaarwakker en paraat[80].
Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image011.jpgDe prachtige performance werd nog vele avonden met veel emoties opgevoerd. Tot hij plaats maakte voor een nieuwe emotionele belevenis.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces, ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaander heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Je maakt een gebaar dan niet helemaal af wanneer de aanzet ervan al begrepen wordt binnen de context. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.

Na het uiterst trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij], ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de vobo’s zich nu zeer snel tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen. En onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de vobo’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de vobo-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al heel vroeg deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik.

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam. De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging.
[Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaalhypothese.]
Sommige ouderen waren, denk ik, ook gewoon stilletjes bezig, met het schoonschrapen van vellen[81]. Of er op te kauwen met die enorme kaken van ze. Lekker omdat er altijd nog wat organisch spul achterbleef, maar ook gewoon functioneel: het vel werd er soepel van. Dierenvellen waren hun enige ‘rijkdom’.
Ik beweer dus dat de vellen vanaf het allereerste begin een hoofdrol hebben vervuld in onze menswording. In de loop van de voorafgaande vier miljoen (!) jaar waren ze natuurlijk steeds bedrevener geworden in het maken van de benodigde steenscherven. Het is vooral het bewerken van de vellen geweest dat de ontwikkeling van hun werktuigtechniek het meest in de hand gewerkt heeft.
Het eerste vuurgebruik dicht ik de makers van de Kada Gona-werktuigen toe.
De nakomelingen van de  voap-stam die deze werktuigen maakte, AP garhi wellicht, zou weldra als H. habilis of H. rudolfensis zich ook buiten de tropen gaan verbreiden. Ze heeft vermoedelijk ook de overige AP-populaties uitgeroeid waar ze er maar op stuitten[82].

En niet doordat ze grotere hersenen kregen. Grotere hersenen betekenen niet automatisch meer intelligentie of meer menselijkheid. Recente fossiele schedelvondsten van vroege mensen, zoals Dmanisie in Georgië en de Liang Bua-grot op Flores, laten schedels zien die minder of nauwelijks meer dan het mensapenvolume hebben, maar toch in een context van bekwaam gemaakte stenen werktuigen. Anderzijds kunnen mensen met hersenen van normale grootte en vorm uitzichtloos geestelijk gehandicapt zijn.
De ontwikkeling van de hersenen is een gevolg het doen en laten, het is er niet de oorzaak van.[83]
Hersenen zijn wel enorme energievreters, en de veel rijkere voeding die de beheersing van het vuur[84] verschafte, heeft onze voorouders niet alleen van gestalte flink doen groeien maar heeft ook hun hersenen van veel meer energie voorzien. Het vuurgebruik echter, hun groeiende macht over de wereld van hun prooidieren en de roofdieren – en niet de groei van hun brein – heeft hen in staat gesteld om als homo erectus de tropen te verlaten en te verruilen voor gezondere en wildrijkere streken, vol nieuwe uitdagingen voor hun groepsvindingrijkheid en hun talige bewustzijn.

de tobbende aap

De almaar groeiende afstandelijkheid door de namen voor de dingen heeft de vobo’s uit hun normale en onbekommerde dierlijke bestaan verdreven.
Ook voor onze mededieren is de natuur wreed en kent ze geen mededogen. Het is eten en gegeten worden. Het is groot en sterk worden om vervolgens af te takelen. Tijden van overvloed wissen af met hongersnood. Maar onze mededieren ondergaan dit zoals wij doorgaans de jaargetijden beleven: zonder erover te tobben. Ze blijven eten zoeken tot ze er bij neervallen of door een roofdier gepakt worden, maar ze tobben niet en hun roofdieren doen dat evenmin.
Doordat de vobo’s hun wereld onder namen gingen brengen, kregen ze een talig bewustzijn. Dat is een ‘bordkartonnen zolder’ bovenop hun normale groepsdierlijke zelfbewustzijn, waarop ze voortaan en in groeiende mate gevoelsmatig meenden te leven. Binnen dat bewustzijn ‘weet’ je dat leuke maar ook kwalijke dingen die in het verleden gebeurd zijn, weer kunnen gebeuren. Bij normale dieren zijn die dingen in hun geheugen gekoppeld aan bepaalde tekenen; bij afwezigheid van die gewaarwordingen denken ze niet aan die dingen. Mensen kunnen ze naar believen voor hun geest halen, of lijden onder de dwanggedachten er aan. We hebben namen voor de dingen, en zoals J. Huglins Jackson[85] al rond 1900 zei: We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.” We zijn ‘tobbende apen’ geworden.

Normale dieren kennen doorgaans geen onzekerheid. Wanneer de dingen gaan volgens de ordening waarop hun instinct is afgesteld, kennen ze geen twijfel. De echte ezel tussen twee hooibergen twijfelt niet maar begint meteen te eten. Maar onze voorouders zijn hun instinctmatig handelen steeds meer ondergeschikt gaan maken aan het overleggen met elkaar. Of met zichzelf: reflectie heet dat. Het jezelf kunnen verplaatsen in een ander. Hogere groepsdieren zoals mensapen kennen dat ook al wel een beetje[86], reflectie. Onze voorouders zijn dat enorm gaan uitbouwen, met hun namen voor de dingen.
Hun instinctzekerheid verloren ze hierdoor meer en meer. Hun handelen werd steeds meer het resultaat van onderling overleg en steeds minder instinctmatig ingegeven. Het instinctieve gedrag werd meer en meer weggedrukt, je kunt geen twee kapiteins hebben op het schip van je handelen. Maar dat eiste wel zijn tol.
De overstap op gaan benoemen, het begrijpen van de dingen was een hachelijk gebeuren voor de dieren die onze voorouders werden.
Het begon namelijk met niets. Hun begrijpen van de dingen schoot vooral aanvankelijk schromelijk tekort. Ze begrepen de dingen niet of maar half.
Alles wat je niet kunt begrijpen, beangstigt je. Angst en twijfel werken verlammend, daar kun je niet mee leven. Onze voorouders zijn het verlies aan instinctzekerheid dan ook van stond af aan gaan compenseren met twee zekerheidverschaffende mechanismen: herhalingen en geloven.

Herhalingen: Het elke dag opnieuw bevestigen van hun woordenwereld door deze elke avond rond het kampvuur te dansen/zingen in het scheppingsverhaal ervan. De repeterende bewegingen en geluiden daarbij, het ritme, gaandeweg versterkt met trommelen op geluid makende dingen.
Maar vooral ook: de dingen doen zoals ze altijd al gedaan werden, dus tradities, gewoonten, gebruiken. De paleo’s verbazen zich over het inderdaad opmerkelijke feit dat de HE’s zeker anderhalf miljoen (!) jaar lang hetzelfde type vuistbijl hebben gemaakt. De verklaring is simpel. Tradities geven een gevoel van zekerheid, broodnodig, zeker zo kort na het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid. Verandering en vooruitgang, voor ons-nu vanzelfsprekend deel uitmakend van ons samenleven, was voor onze vroege voorouders ondenkbaar. Doen zoals de voorouders het altijd gedaan hadden, dat was het devies tot en met de Neanderthalers (NT’s). Ik was eens met een gezelschap op de opgravingssite Veldwezelt-Hezewater in België, waar twee kampplekken van NT’s zijn blootgelegd, één van 130.000 jg en één van 34.500 jg. Op onze vraag of er verschil was te constateren in steentechnologie was het antwoord: geen enkel verschil!  Dat is voor ons best wel schokkend.
De grondbetekenis van het woord religie is: herlezen (telkens opnieuw verzamelen). Voor kleine kinderen kunnen verhaaltjes en liedjes en spelletjes niet vaak genoeg herhaald worden. Herhaalde bewegingen met het lichaam, zoals bij het lopen door het clangebied, of bij het joggen, maken rustgevende endorfines vrij[87]; daarom zijn we dol op ritmes en dansen.

– Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag zou willen dat ze zijn of zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloof in magie, in magische (invloedrijke) handelingen en rituelen. Geloven dat de dingen-buiten-je net zo zijn als je zelf bent (antropomorfisme[88]) en dat je zelf net zo bent als de overige levende wezens (totemisme); dat de dingen denken, net als wij, dus een geest hebben (animisme). We kunnen onszelf werkelijk van alles wijs maken, of láten maken. Niets mis mee overigens, zo lang er maar geen misbruik wordt gemaakt van onze lichtgelovigheid. Maar later zijn we in situaties terechtgekomen dat de ene mens macht kon uitoefenen over de ander, en omdat macht altijd en iedereen corrumpeert, lag dit misbruik voor het grijpen.
Onze voorouders zijn door het gaan benoemen van de dingen in een denkbeeldenwereld, een woordenwereld, komen te leven en kwamen daardoor heel anders in het leven te staan dan ze als normale dieren altijd gestaan hadden. Het denkbeeld dat de dingen er alleen maar zijn omdat wij denken dat ze er zijn, of de vraag of er ook dingen buiten onze benoemde werkelijkheid bestaan heeft filosofen al vanaf Plato geboeid. Voor Immanuel Kant, de aartsvader van de westerse filosofie, bestond er naast de werend zoals wij die kennen een ‘wereld-buiten-ons’, de noumenale werkelijkheid.
“Door een bewuste voorstelling van de wereld te maken, plaatsen we de wereld tegenover onszelf en daarmee onszelf tegenover de wereld. Deze bijzondere eigenschap, voor zover we weten zelfs een unicum in de geschiedenis van het heelal, heeft vele filosofen , wetenschappers en kunstenaars bezig gehouden.” Zo begint André Klukhuhn zijn boek Sterf oude wereld (Amst. 1995), en behandelt vervolgens een lange reeks schrijvers en denkers die geworsteld hebben met het gevoel dat je, hoe je jezelf ook observeert, je toch nooit in jezelf kunt binnendringen[90]: Marcel Proust, Robert Musil, de wijsgeren Oldewelt, Schopenhauer, Berson en natuurlijk Heidegger. Een door hem aangehaald citaat van Oldewelt maakt deze navelstaarderij misschien duidelijk:
Ik héb een bewustzijn, héb een karakter, héb een onderbewuste en ik weet bij voorbaat, dat wát ik ook in mezelf moge ontdekken, dit opnieuw het mijne zal zijn, maar niet ik-zelf. (H. Oldewelt De plaats van de mens in de totaliteit van het leven. Kruseman, 1962)
De humanosoof koestert de gedachte  opgehelderd te hebben hoe het gekomen is dat “we de wereld tegenover onszelf en daarmee onszelf tegenover de wereld” hebben geplaatst: door het terloops ontstane en toevallige ‘cultuurtje’ in die ene voap-groep. Namen voor de dingen! Dat heeft geen enkele andere soort. Namen voor de dingen, dat dóet iets met een dier. Het schept afstand tussen de noemer en het benoemde. Onze voorouders kwamen steeds meer los te staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving doordat ze die onder woorden gingen brengen. Ze gingen de dingen van hun omgeving, de noumenale werkelijkheid,  als objecten zien, als losstaand van het zelf. Ze gingen hun omgeving objectiveren. Nieuw fenomeen in de natuur: subject versus object. Er kwam ‘licht’ tussen de benoemende aap en zijn leefomgeving, hij kwam er een beetje ‘los’ van. Hij kwam in een ‘woordenwereld’ te leven: een wereld van benoemde dingen. Hij werd een talig schepsel, en dat zijn we nog steeds.

De afstand die het benoemen schept, tast ook de dingen voor ons gevoel aan. Bij veel nog in stamverband levende mensen mag je iemand niet zomaar bij z’n naam noemen: daarmee schendt je iemands integriteit.  Bij ons op het dorp hadden alle populaire lui een bijnaam. Iemands echte naam diende voor de post en het stadhuis. Klein kinderen geven hun naam ook niet gemakkelijk prijs. Hoe heet je? … maar dan zeggen ze niks. Toe dan, dringt de moeder aan, zeg dan hoe je heet. En dan durven ze het pas. De Joden mochten hun God ook niet bij Zijn naam noemen. Geliefden bezigen ook vaak ‘koosnamen’ en gebruiken iemands echte naam pas als ze er boos op zijn. En wat Jane Goodall over het schitterend mooie insect zei, maakte het ook duidelijk.
Het had ook gevolg ook voor ons levensgevoel. De overstap op talig bewustzijn heeft ons bepaald niet gelukkiger gemaakt dan we als gewone dieren waren.
Hoewel … dieren zijn niet gelukkig of ongelukkig, ze zijn eenvoudigweg. Natuurlijk, ze kunnen zich prettig voelen, wanneer hun organisme optimaal werkt. Euforie is niet uniek-menselijk. Jonge dieren vooral kunnen duidelijk plezier vertonen in het rennen en andere kunsten vertonen waartoe hun organisme sinds kort in staat is; denk aan kalveren of veulens. Maar ook de dameskoeien hebben lol als ze in ‘t voorjaar weer de wei in mogen. En kijk eens naar het plezier van een kindje dat pas kan lopen en ineens beseft dat het dat kan. Chimpansees kunnen lol maken, en ze kunnen in een diepe depressie raken, bijvoorbeeld wanneer ze een baby verliezen, of in eenzame opsluiting geraken in een aidsonderzoeks-laboratorium. Ze kunnen wegkwijnen en zelfs doodgaan, maar ze zijn er zich niet van bewust. Dieren leven onbekommerd; zelfs wanneer ze niet te eten hebben, tobben ze niet maar blijven zoeken tot ze er bij neervallen.[91]
Alleen wij mensen leven in een wereld van denkbeelden die ons (on-)gelukkig kunnen maken. Bewustzijn is namelijk vooral: het je bewust zijn van de altijd dreigende honger, ziekten, dood, vijandelijkheden en andere problemen. Daar hadden we toen we nog gewoon dieren waren, geen weet van. Wij zijn tobbende apen[92]geworden.
Pogingen om aan het kwellende bewustzijn te ontsnappen zijn al zo oud als het bewustzijn zelf. Natuurvolken, hun sjamanen vooral, zoeken hiertoe de trance, bereikt door langdurig vasten, door eindeloos te dansen of rond te draaien en/of veelsoortige drugs uit planten. Daarmee willen ze weer even vertoeven in de Droomtijd, de tijd van het begin der dingen (de tijd van het begin van de namen voor de dingen, kortom de tijd dat de mensen nog niet-tobbende dieren waren), en om daarin te kunnen communiceren met de Grote Voorouder. En vandaag zoeken nog steeds tallozen vergetelheid in de roes.
Nog een gevolg: we kwamen in een denkbeeldige wereld te leven, zoals ik al zei. Als we nadenken over de dingen, halen we die voor onze geest. Dingen die ons ongelukkige gevoelens kunnen bezorgen. Gedachten die we dan weer kunnen ‘verdringen’, door onze gedachten te concentreren op andere, liefst leukere, dingen. Maar het kunnen ook onzinnige dingen zijn: niet bestaande dingen, die we ons voor de geest kunnen halen louter omdat we er woorden voor hebben. “Waarom is er iets, en niet veeleer niets?”: dat soort woordgegoochel, waarmee vooral Duitse filosofen ontelbare nutteloze uren zelf mee hebben verdaan en ook talloze anderen hebben laten verdoen.
Ik denk hierbij vooral aan Heidegger[93]. Ik heb lang nagedacht wat ik er nou zo fout aan vind, aan deze filosoof. En dan bedoel ik niet zijn geflirt met Hitler (hij had dé Nazi-ideoloog willen worden – maar Hitler wou natuurlijk geen idealistische filosoof voor z’n voeten hebben lopen!) maar zijn gedachtespinsels. En ik denk dat de fout hierin zit.
Mensen zijn zo bijzonder geworden doordat ze namen voor de dingen zijn gaan ontwikkelen. Onder dingen versta ik de concrete, waarneembare zaken. Ik versta er ook abstracties onder, voor zover die waarneembaar zijn of voor zover je ze gewaar kunt worden. Dus: handelingen, eigenschappen van dingen (kleur, hardheid, zeldzaamheid, gevaarlijkheid, enz.)  Maar abstracties die je niet gewaar kunt worden, eigenschappen zoals het al dan niet bestaan van een ding, behoren tot het domein van de namen ervoor, en behoren niet tot de dingen. Je kunt een ding gewaar worden en daaruit concluderen dat het ‘bestaat’. Maar zodra je dan gaat nadenken over het ‘bestaan’ van het ding en dat ‘bestaan’ als een fenomeen, als een ding, gaat zien, ben je verkeerd bezig. Omdat je het begrip ‘bestaan’, behorend tot het domein van de namen voor de dingen, ten onrechte binnenhaalt in het domein van de concrete of gewaar te worden dingen. De Eleatische filosoof Parmenides (540-470 vC) deed dat als eerste. “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet!” poneerde hij parmantig. Hiermee een eigenschap van de dingen, namelijk dat ze ‘zijn’ (bestaan), latende optreden als een handelend ding: hij laat het ‘zijn’ bestaan! Ja, dan kun je verder een enorm eind weg filosoferen. Maar niemand schiet er wat mee op, met die aldus verkregen ‘inzichten’. Door namen als dingen te gaan zien maak je er een potje, een warboel van. Kán hoor. Maar dan ben je fout bezig. Zullen we dat afspreken?[94]
En zo kunnen we ons de vraag naar de zin (bedoeling) van het leven in de kop halen. Dan gaan de woorden er met onze gedachten aan de haal: dat suggereert namelijk een Bedoeler. Fout. Er is geen Bedoeler, geen Hogere Macht. we zijn alleen, op dit leefbare planeetje in een verder onleefbare heelal.

Ah, je bedoelt: de zin van jouw leven? Maar dan heb je last van het feit dat er geen Verhaal meer heerst in ons samenleven dat daar betekenis aan geeft. Maar daar gaan we wat aan doen. Zie bijvoorbeeld mijn tekst “Een nieuw Groot Verhaal”. In mijn jeugd heerste er nog wél een Verhaal in ons samenleven: het christelijke. Het was wel een stupide Adam-en-Evaverhaal, maar het wás er wél. Het dóórbreken van de vrije markt door het medium televisie deed het ‘verdampen’: de kerken liepen leeg. En sindsdien heerst er NIX meer. Maar – en dat is wat ik ga duidelijk maken – mensen zijn talige wezens en die kunnen niet goed samenleven zónder een Verhaal. Dan heeft hun geweten namelijk NIX meer om op terug te vallen. Dan hebben de mensen NIX meer met elkaar te maken, en gaat ieder voor zich en de overheid voor ons allen; die moet de regels stellen en dan weten de bobo’s wel de mazen in het net te vinden dat de regels niet voor hén hoeven te tellen. Dan is verloedering ons deel.
Wat ik ook aantoon is hoe simpel het is om ons weer van een nieuw Verhaal te gaan voorzien. Ditmaal graag een universeel en op wetenschap gebaseerd Verhaal, één dat met de voortschrijdende wetenschappen meegroeit. En dan graag ook zonder dat het aan ook maar iemand hoeft te worden opgelegd. Gaan we allemaal regelen. Zie “Een nieuw Groot Verhaal”.

Een vijfde zeer dramatisch gevolg van het komen leven in een denkbeeldenwereld heeft met moslims en vrouwen te maken. Actueel, niet? Ga er even voor zitten.
20 Procent van ons dagelijks bestaan draait om denkbeelden.
– Om het beeld dat we van ons zelf hebben.
– Om het beeld dat we van de ander(en) hebben.
– Om het beeld dat de ander(en) van ons heeft/hebben.
Geen van die beelden hebben we voor het kiezen.
Je hebt sowieso weinig te kiezen in het leven. Niet eens óf je geboren wordt of niet. En als je dan wél geboren wordt, heb je niet voor het kiezen van wat voor zoogdiersoort je ouders zijn. En als je als mensje geboren wordt, heb je niet kunnen kiezen of je een jongen bent of een meisje. Je hebt je ouders niet voor het kiezen gehad, noch de sociale omgeving waarin die leven of de maatschappelijke klasse waar die toe behoren. Je hebt niet kunnen kiezen in welk land of in welke cultuur je geboren wordt. Niet eens in welke tijd van de menselijke geschiedenis.
Je zelfbeeld vorm je / wordt gevormd door wat je moeder en je verdere sociale omgeving blijkbaar van je vindt. Vooral vanaf de tijd dat je je ook buiten de gezinssfeer beweegt, gaat de samenleving en de cultuur waarin je geboren bent, mede vorm geven aan je zelfbeeld. Is dat een godsdienstige dus vrouwvijandige cultuur, dan krijg je het als meisje heel moeilijk. Is het een cultuur waarin een geschrift als wat je nu leest, denkbaar is, dan krijg je het ook als jongen moeilijk door enerzijds de moeilijk te vervullen verwachtingen welke de (televisie-) voorbeelden van je eisen en anderzijds doordat er geen Verhaal heerst dat duidelijk maakt waar het allemaal toe dient. Maar vergeleken bij de situatie waarin de meisjes uit vroeger eeuwen en de moslimmeisjes van vandaag moeten opgroeien, is het nog best wel uit te houden.
De eer[95] waaronder de moslimgemeenschappen vandaag nog steeds gebukt gaan, heeft ook alles met zelfbeelden te maken. In een onderdrukkende samenleving als de moslimwereld culmineert de onderdrukking in de onderdrukking van de vrouwen en de onderdrukking van de seksualiteit.
Een mannen-uitvinding, die onderdrukking. Vrouwen zijn in onze specifiek menselijke evolutie altijd de baas geweest[96] maar hebben nooit in hun hoofd gehaald om hun mannen te onderdrukken. Enkele tienduizenden jaren geleden hebben de mannen de macht gegrepen terwijl ze daar evolutionair eigenlijk niet voor geschikt zijn. Hun onmacht moeten ze compenseren met het onderdrukken van de vrouwen waar ze maar kunnen.
Heel contraproductief (vrouwen hebben altijd het meeste en belangrijkste werk verzet en doen dat nog steeds) en heel asociaal, dus onmenselijk. Dat onderdrukken doen de mannen door de vrouwen te weren uit alle posities waaruit macht en aanzien te halen valt. Met als belangrijkste wapen hun patriarchale (op mannenmacht gerichte) monotheïstische godsdienst. En door het onderdrukken van hetgeen de mannen zelf zwak maakt: seks. Met het gevolg dat het een obsessie wordt. Allemaal de schuld van die vrouwen. Wie maken immers dat die arme mannen zo lijden onder hun seksuele obsessie: de vrouwen! Sla ze, neuk ze waar je maar kunt. Maar zorg dat je eigen zusters of dochters maagd blijven! En wanneer die door je vrienden gepakt zijn, dood ze met jachtgeweer of hakbijl. Nee, niet die vrienden, oen! – je zusters of dochters natuurlijk. Want die hebben jouw eer en de eer van jouw familie tot schande gemaakt. Die vrienden waren immers slachtoffer van hun obsessie? Chottegod, wat een ellende. Hebben alleen mensen. Talige wezens.

talige wezens, talig bewustzijn

De jonge meid rechtsonder op de voorplaat heeft wat op haar geweten, zou je kunnen denken. Want met haar zijn deze dramatische toestanden in die onbekommerd dierlijk levende op twee benen lopende en zich met stenen verwerende mensapen in die soortnieuwe omgeving begonnen: door haar speelse ideetje zijn de nakomelingen van haar populatie talige dus tobbende apen geworden. Zal ik haar Eva noemen? Nee, serieus. Wat houdt dat precies in, die taligheid?
Steeds meer namen voor steeds meer dingen. Er komt een moment dat er zoveel dingen in onze omgeving door het onder-woorden-gebracht-zijn binnen de wereld van benoemde dingen zijn gebracht dat we gevoelsmatig in een ‘benoemde wereld’, een ‘woordenwereld’ zijn komen te leven. Dat we (onze voorouders) het gevoel kregen dat de dingen pas bestaan als en in zoverre we er een woord voor hebben. En dat iets waar we geen woord voor hebben, voor ons ook onbegrijpelijk is. Zoals in het carnavalsliedje
Dat is het einde/ dat doet de deur dicht/ daar zijn geen woorden voor/ja, dat is la-laláá-lalalala / ja dat is la-la-la-la-la !
We (onze voorouders) zijn dan talige wezens geworden. Hun bewustzijn is talig geworden. En dat is ons bewustzijn nog steeds. Pas hiermee is Het bewustzijn verklaard, hooggeleerde vriend Dennett![97]
Je zou kunnen gaan denken dat wij ons met het ons talig bewust worden van de dingen op een onnatuurlijk of zelfs tegennatuurlijk pad hebben begeven. Dat zou best zo kunnen zijn maar er is geen weg terug. Het is het pad van het steeds beter begrijpen van de dingen, het pad dat ons steeds verder verwijdert van het dier-zijn en van het primitieve begrijpen, verder wég van het geloven en het spirituele. Het pad naar steeds meer ratio. Begrijpen en beheersen.
Zodat we tenslotte onszelf en ons samenleven begrijpen en beheersen.

het scheppingsverhaal

Duizenden namen voor duizenden dingen, dat wordt een chaos in je kop als je die begrippen niet ordent, niet in een logische samenhang brengt, niet in een verhaal hangt.
De beelden (gedachten) in je kop blijven ongrijpbaar en onbeheersbaar als je ze niet verwoordt (uitspreekt, aan een ander of aan jezelf, door ze op te schrijven bijvoorbeeld) meedeelt. Autisten kunnen dat niet uiten: blijven in zichzelf opgesloten. Lichtelijk-autisten, zoals Asperger-types, hebben er moeite mee, maar die kunnen met enige hulp wat doen aan hun uitingsprobleem. Vrouwen babbelen wat af, daar zul je weinig Asperger-types onder aan treffen (hoewel, het is wel erfelijk … humanosoof, blijf bij je leest).
Maar alle mensen hebben alleen echt grip op hun wereld wanneer de dingen daarin in hun geest met elkaar samenhangen in een Verhaal.

Dat begrijpen door middel van een Verhaal hebben onze voorouders, talig geworden wezens, dan ook vanaf het begin, hoe onbeholpen ook aanvankelijk, nagestreefd. Het Verhaal van hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief de mensen, tot hoe ze nu zijn. Door middel van het scheppingsverhaal van hun wereld. Dat Verhaal werd bij elke gelegenheid gedanst/gezongen. Als ze zouden ophouden met het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal, zou hun wereld ten onder gaan, was hun gevoel. En daar zat wat in: het was immers een woordenwereld. Hun taligheid was een nog zo recente verworvenheid dat die keer op keer bevestigd diende te worden om hun vertrouwen erin te schragen. Herhaling, herhaling. Aan het slot van elke dag, van generatie op generatie.
De belangrijkste figuur er in is de Grote Voorouder. Hoe kwamen onze vroege voorouders dáár dan aan?
De erectusmensen (HE’s) verbreidden zich immers met hun vuur ook buiten de tropen van Afrika, naar Eurazië.  Wanneer een leefgroep te groot werd, vertrok een ondernemende groep vrouwen, kinderen en mannen en ging een nieuw gebied ‘koloniseren’[98]. Dat gebied was nog onbetreden, nog zonder mensen, dus ‘woest en ledig’: nog onbenoemd. Want voor ons, talige wezens, zijn de dingen er pas (zijn we ons er pas echt van bewust) wanneer en in zoverre we ze onder woorden kunnen brengen. “In den beginne was het Woord … “ Die koloniserende groep was de eerste die heuvels en rotspartijen, rivieren en moerassen, bergen en ravijnen, bomen en planten en dieren van het nieuwe gebied hun namen gegeven hadden. Hetgeen voor talige wezens betekent dat ze die dingen daarmee het aanzijn gaven, schiepen[99].
Voor hun nakomelingen nu  leefde deze groep eerste kolonisten (tot één Scheppende Figuur samengetrokken[100]) voort als de Grote Voorouder, wiens scheppingsverhaal ze elke avond dansten/zongen rond het kampvuur.
Het Verhaal vertelt hoe de Grote Voorouder het stamgebied binnen kwam en waar Hij/Zij/Het[101] ging, overal de voor de stam waardevolle dingen en dieren en planten schiep. Al die belangrijke dingen kwamen ook in het Verhaal als belangrijke Figuren voor. Dat Scheppingsverhaal (oorsprongsmythe) werd bij alle belangrijke gelegenheden door de stam gedanst/gezongen; geen gebeurtenis (ziekte of dood, eerste menstruatie of huwelijk) of het Verhaal kwam er aan te pas, met inkorting van dan niet ter zake doende delen en uitbreiding van het onderdeel dat dan juist wel ter zake deed. De gebeurtenis bij uitstek was natuurlijk de initiatie van de jongeren bij hun intrede in de volwassenenwereld. Het Scheppingsverhaal gaf niet alleen de dingen hun plaats in de ons omringende wereld, maar ook onszelf, het was de drager van onze identiteit. Dat Verhaal wás hun wereld, die door hun dansen/zingen telkens opnieuw door hen geschapen en zodoende in stand gehouden werd.
Het best gestalte gegeven vind ik het hierboven geschetste terug in De clan van de Wilde Honing van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom ( Becht, 1996) Dat gaat over een aboriginal-clan in het Australische Arnhemland, door wie hij als westerling is geadopteerd.

Pas nadat in recentere tijden stammen door wrede overheersers gedwongen werden hun scheppingsverhaal te verwerpen en dat van de heerser aan te nemen – ‘beschaafd’ werden – , kregen hun nakomelingen het besef dat de wereld bleef voortbestaan ook wanneer ze die niet meer dansten/zongen[102]. Die oeroude Scheppingsverhalen, die telkens en bij iedere gelegenheid gedanst/gezongen werden, misschien al wel twee miljoen jaar lang, die manier van beleven van de (woorden)wereld, is de basis van onze religieuze[103] gevoelens. Samen met veel andere neigingen die we als erfenis uit ons voorouderlijk verleden in ons meedragen is de religieuze neiging evident. Ook al zijn de westerse mensen vandaag in een Nix-wereld komen te leven, dan nog blijven die consumenten ‘ongeneeslijk religieus’ en zoeken en scheppen ze surrogaat-rituelen om hun religieuze gevoel te bevredigen.

het bastion van de heiligverklaring

Onze voorouders hebben de onzekerheid waartoe ze veroordeeld waren door hun overstap op talig bewustzijn (ratio, het weten van de dingen), leefbaar proberen te houden met geloof en magische rituelen. Deze zekerheden waren echter bedenksels, waren pseudoverklaringen van de werkelijkheid waar het echte weten van de dingen nog tekortschoot. Voor Westerse mensen die beschikken over een al vier eeuwen bestaande traditie van het natuurwetenschappelijk bekijken van de dingen, met steeds betere kijk- en meetinstrumenten, en wier denkwereld ‘onttoverd’ is, is het moeilijk meer voor te stellen dat hun wereld een eiland is in een oceaan van mensen die in een heel andere wereld leven. Een wereld waarin de mensen nog geen andere middelen hebben om hun bestaans-onzekerheid te bezweren dan het geloof en de tradities.
Omdat men in diepste bewustzijn altijd wel voelt dat dit bedenksels zijn, moet men deze diepere twijfel onschadelijk maken met heiligverklaring van deze zekerheden. Heilig is: onaantastbaar, mag je niet aankomen, mag niet worden betwijfeld of ter discussie gesteld. In de Islam-wereld, waarin engelen, duivels en andere geesten nog volop rondwaren, vigeert de heiligverklaring virulent. De enkeling die kennis heeft genomen van het westerse denken durft daar vaak niet voor te kiezen omdat hij dan de denkwereld van zijn ouders en overige familie verlaat; behalve dat dit smartelijk is, is het, vooral voor vrouwen, niet zonder lijfsgevaar.
Maar … dat staat haaks op de onstuitbaar voortgaande groei van ons bewustzijn, ons weten, onze ratio, het enige dat ons werkelijk van onzekerheid kan bevrijden! Als dat niet dramatisch is ….
Onze vroegere voorouders zijn daar altijd tamelijk soepel mee omgesprongen. Hun clan-samenlevingen waren egalitair, kenden geen ander gezag dan het beraad van de oudsten; en dit kon geen macht uitoefenen en dacht daar ook niet over. Vooral toen de vrouwen het nog voor ‘t zeggen hadden waren deze samenlevingen tamelijk vredig. Maar dat zijn ze niet gebleven.

de AMM’s

Ik heb het al even over ze gehad, in verband met de gebarentaal als de oorspronkelijke communicatievorm van onze soort. De Anatomisch Moderne Mens-populatie is omstreeks 200.000 jg in Afrika ontstaan. Wederom in het noordoostelijke deel van het continent, naar de paleo’s vermoeden, en wederom op grond van het feit dat daar hun oudste fossielen worden gevonden. Ik zei dat de AMM’s nilotischer van gestalte waren dan de Vroege Mensen elders in Eurazië. Dat heeft met het klimaat daar te maken: ook vandaag zijn daar de mensen over het algemeen lang en dun. Dat betekent ook: langere nekken. De tweede factor noemde ik ook al: de drang om zoveel mogelijk betekenis te leggen in de bij het communiceren gebruikte klanken, en die betekenis niet te beperken tot de klik!- en plop!-klanken waar geen limbisch systeem aan te pas komt. Dus om ook betekenislading te brengen in de stemhebbende klanken. Ik zei bovendien al dat dit vermoedelijk in het kader van het dansen/zingen van het scheppingsverhaal en de bijbehorende performances is gebeurd.
Die drang speelde vooral bij de zangroutes. De Vroege Mensen trokken voor hun voedselgaring seizoenmatig rond in een heel groot gebied, waarbij ze vaste routes volgden. Elke bijzondere plek daarin (heuvel, bos, kloof, rivier-arm, rots, noem het maar, was heiligen moest met gepast gezang worden begroet. Op bepaalde punten kruiste de foerageerroute die van een andere clan. Op zo’n punt wachtten ze op elkaar: was gelegenheid voor een dagenlang feestelijk samenzijn, en uitwisseling van kennis goederen en huwelijkspartners. Het leven was hachelijk, in slechte tijden moesten de groepen op elkaar kunnen terugvallen voor de overleving. Zangroutes: zo’n foerageroute was een aaneengeschakelde serie gezangen. Maar de mensen hadden hun handen nodig om wapens en spullen mee te dragen. De vrouwen droegen hun zware draagtassen met veelal ook een baby daar bovenin, aan een band rond hun voorhoofd, maar hadden hun graafstok bij de hand. Dan is het maken van betekenis-dragende woordgebaren moeilijk en ben je erg op je stem aangewezen.
Ik heb het gehad over het vormen van fonemen, de bouwstenen van onze woorden, en over het belang van de grotere keelholte hierbij, dus de langere nilotische nekken vergeleken bij de korte nekken van de Vroege Mensen zoals de NT’s (en onze baby’s). Ergens in de regio van het huidige Soedan of zo, in de populatie van de nilotische Vroege Mensen aldaar, ergens rond 200.000 jg, slaagden de vrouwen er in om hun woorden bij het dansen/zingen van het scheppingsverhaal zo compleet met alleen hun stem te ‘chanten’ dat hun gebaren steeds meer tot een begeleidende functie werden gereduceerd. Daar en toen nu werden onze naaste voorouders, de AMM’s, geboren!
Op mijn literatuurlijst prijkt ook The Evolution of Modern Humans van de Amerikaanse antropologe Prof. Pamela Willoughby. Ik schaf zo’n boek aan en zwoeg er door om ondersteuning te vinden voor mijn theorie over het ontstaan van onze soort en waardoor die zo anders is geworden dan alle overige Vroege Mensen. Maar nergens in het dikke standaardwerk van Prof. Willoughby zul je een poging vinden om een theorie als zojuist geëtaleerd, op te stellen. Als een echte wetenschapper beperkt ze zich tot constateren:  dat de AMM’s op zeker moment in onze culturele evolutie verschijnen. Vervolgens documenteert ze uitvoerig de archeologische sporen die deze hebben achtergelaten, in duizend (ik gok maar wat) opgravingssites in Afrika. That’s it. Keiharde bewijzen, humanosoof!
Mijn erkentelijke dank, hooggeleerde Professor Willoughby, maar daarmee heeft de samenleving die uw gewaardeerde onderzoeken betaalt, nog steeds geen Verhaal. En daar zitten we nu steeds meer om verlegen, ten behoeve van ons gevoel van saamhorigheid.
Het samenstellen van dat Verhaal is dan ook geen werk voor wetenschappers. Laat die maar goed bezig blijven in hun eigen onderzoeksgebiedje en de bouwstenen aanleveren. Het is filosofenwerk. En zolang de filosofen-opleiding daar nog niet op wordt ingericht, zal onze samenleving het met een humanosoof moeten stellen. Wel armoeiig maar voorlopig moet u het er mee doen!

overpopulatie

De AMM’s waren de eerste mensen die overgingen van (vooral) gebarentaal naar (vooral) gesproken taal. Dit dóet iets met een mens. Met gebarentaal is het onmogelijk om te liegen. Gebarentaal is qua ‘mechaniek’ een uitbreiding van de dierlijke lichaamstaal, en niet alleen je handgebaren maar je mimiek en je lichaamshoudingen spelen er volop in mee. Vooral bij emotie-geladen religieuze performances heeft de taal iets van dansen, van ballet. Hier ligt de oorsprong van het voor mensen zo kenmerkende dansen. We werden ‘de dansende aap’.
Gebarentaalsprekers kunnen dus niet liegen: teveel spieren en spiertjes onder bewuste controle zien te houden: je begint er niet eens aan. Bovendien zijn gebarentaalsprekers specialisten in het waarnemen van de geringste spierbewegingen. Bekend is de verontwaardiging van de Amerikaanse doven bij de redes van hun president: ze zagen dat hij loog.
Maar met gesproken taal kun je, met een ‘stalen’ gezicht en je handen in je broekzakken, wél liegen. Nou neem ik niet aan dat de AMM’s daar een potje van maakten, van elkaar voor ’t lapje houden, maar het gevoel dat je het kúnt als je het zou willen is al genoeg om je een gevoel van persoonlijke macht te geven, van individueel zelfbewustzijn. Dat is mijn verklaring van het ‘harde’ feit dat de AMM’s een beetje los kwamen van het starre conservatisme dat hun Vroege Mens-voorouders altijd had weerhouden om ook andere materialen voor hun werktuigen te gebruiken dan het traditionele steen. Ze zijn ook hoorn en been als materiaal gaan bezigen. Daarvan kun je geweerhaakte speerpunten maken, voor het spiezen van forellen en andere waterdieren. Terwijl de Vroege Mensen bleven jagen op landdieren werden de AMM’s oever- en kustbewoners en voegden een nieuwe en proteïne-rijke voedselbon toe aan hun dieet: de waterflora- en fauna. De AMM-vindplaatsen kenmerken zich door de enorme afvalhopen van schelpen.
Dat had ver strekkende gevolgen voor de mensheid.
Eén gevolg was dat de nieuwe voedselbron grotere groepen mogelijk maakte. Overschreed het groepsaantal bij de Vroege Mensen de 25 nauwelijks (drie hutten), de gemiddelde groepsgrootte bij de AMM’s werd 100-150 mensen (twaalf tot wel vijftien ‘vuren’). De groepen splitsten zich ook veel sneller, met het gevolg: een snel groeiend aantal AMM-leefgroepen. Afrika begon weldra ‘vol’ te raken met AMM-groepen en de Vroege mensen verdwenen er van het toneel.
Een tweede gevolg is dat het starre conservatisme dat de Vroege Mensen altijd gekenmerkt had, bij de AMM’s afzwakte. We zagen het al bij het gaan maken van hoornen en benen werktuigen. De paleo’s zien het ook aan de microlieten: de veel verfijndere steen-afslagen, minuscule splinters die in handvatten werden gelijmd. Was een eventueel nieuw idee bij de Vroege Mensen gedoemd om bij gebrek aan medestanders in schoonheid te sterven: in de veel grotere AMM-groepen vond een nieuwe uitvinding makkelijk een paar navolgers. Bovendien verbreidde de uitvinding zich door de veelvuldige contacten snel over de overige AMM-groepen. Het verschijnsel ‘verandering en vooruitgang’, dat voor ons-nu zo gewoon is, begon bij de AMM’s te dagen.
Een derde gevolg is: Afrika begin ‘vol’ te raken. Op bepaalde aantrekkelijke plekken werd het dringen: konden de groepen niet langer vrij rondtrekken zonder op het leefgebied van een andere groep te stuiten. In slechte tijden werd het dringen en vechten voor ‘Lebensraum’: overpopulatie en dus oorlog deed zijn intredein het mens-zijn.

VJ’s versus AGR’s

Alvorens verder te gaan met de gevolgen van overpopulatie, moet ik eerst nog even vaststellen dat wij van nature hypersociaal, dus ‘edele wilden’ zijn. Ai! Weer zo’n humanosofen-stelling die conservatieve stekels overeind doet gaan. Maar intussen bent u hopelijk gewend geraakt dat er onderbouwing op volgt.
De Vroege Mensen leefden als Verzamelaars/Jagers (VJ’s). Als scharrelaars dus, zoals hun HE-voorouders, zoals hun vobo-voorouders en zelfs als hun mensapen-voorouders. Het is een continuüm. Alleen de omgeving veranderde, de aanpassingen daaraan maakten dat ook de scharrelaars in technologie en uiterlijk mee-veranderden. De  savanne-omgeving, gevaarlijker dan de regenwoud-omgeving,  noopte hen tot hypersociaal, harmonisch groepsleven. En dat is zo gebleven tot het moment dat ze hun voedsel gingen telen, en dus AGR’s werden. De aanduiding ‘AGR’ combineert ‘agrarisch’ en ‘agressief’.

De VJ’s hebben hun vrije scharrelaarsbestaan niet vrijwillig en juichend voor het AGR-bestaan ingeruild. De vrije zigeuners doen ook niet graag afstand van hun scharrelaarsbestaan, het valt alleen niet meer in te passen in een ‘burgerlijke’ en globaliserende consumentensamenleving. De VJ’s hebben hun vrije scharrelaarsbestaan moéten prijsgeven omdat ook hun wereld te ‘vol  werd. Ze konden niet langer vrij rondzwerven omdat ze steeds nauwer werden ingeperkt door andere vrij rondzwervende clans. Gevechten op leven en dood (er kan maar één clan leven van één jachtgebied) ga je niet graag aan, zeker niet als een nederlaag voorspelbaar is. Het ‘agressie’-element speelt dan al; het ‘agrarische’ element dient zich als aanpassing aan.

De Vroege Mensen (90 % van onze voortijd) waren ‘edele wilden’. Ik benadruk dat dit niks moreels had maar dat het een vorm van overlevings-aanpassing was. De groepen met de meeste onderlinge harmonie hielden de meeste kinderen in leven; de groepen bij wie het altijd hommeles was, floreerden minder en stierven weldra uit (trokken in bij wél florerende groepen). Goed is wat goed is voor de overleving. Soms is dus ook agressief gedrag goed. Daar ga ik nog een voorbeeld van geven. Maar de speltheorie laat overtuigend zien dat gedrag dat wij als moreel ‘goed’ aanvoelen, inderdaad op den duur succesvol is voor de overleving. Mijn indeling in VJ’s en AGR’s heb ik wel zelf verzonnen maar het boek van de antropoloog Hugh Brody The Other Side of Eden (London, 2001) bevestigde mij er in. Brody leunt vooral op zijn ervaringen met de Inuit. Vandaar het citaat dat ik hier ter illustratie van VJ-mentaliteit weergeef:
In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte. Vooral de vertrouwde stem van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Dat mag ze zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden. Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[42] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen[43]. Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.
Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn, ondanks de woestijn- of pool-achtigheid van hun leefgebieden, opvallend gezond[44] en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om[45]. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want – voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is hard en kent geen mededogen. Want ze is, meer nog dan de vrije markt, een dom mechanisme. Maar onze voorouders hadden vanaf hun dier-zijn nooit anders gekend.
Op deze VJ-manier hebben onze voorouders 99,5% van de tijd dat we ze mensen (Homo) noemen, dus vanaf 2 mjg, geleefd. Zo te zijn en zo de wereld en het samenzijn te beleven, dat zit overerfelijk in ons wezen. Dat is – ik kan het niet vaak genoeg herhalen – onze menselijke natuur. We zijn ten diepste nog steeds ‘edele wilden’. Wanneer we van nature agressief zouden zijn, zoals sommige rechtse filosofen beweren om er hun conservatieve standpunten mee te onderbouwen, zouden we genieten van ‘zinloos geweld’. Maar het tegendeel is waar: we raken erdoor ontregeld en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes, speelgoedbeertjes en stille tochten.
Pas in die laatste 0.5% zijn de mensen door overpopulatie met elkaar in gevecht geraakt en zijn de mannen macht gaan uitoefenen over de vrouwen. In die laatste 0,5 % ook zijn de vrouwen op het telen van voedsel overgegaan, zijn de mensen in steeds definitievere behuizingen gaan leven en hebben hun vrije VJ-bestaan vaarwel moeten zeggen. Zijn ze boeren (AGR’s[46]) geworden. U en ik zijn AGR’s.

Om vooral de verdenking van naïef-romantiseren van onze menselijke natuur te ontkrachten geef ik meteen mijn gruwelverhaal weer van een VJ-groep die in genoemde overgangssituatie verkeert: dat hun vrije scharrelbestaan in het nauw komt doordat er teveel van die vrije scharrelgroepen verschijnen:
Het gaat om een onderzoeker? of missionaris? toevallige gast? Ik moet het al 35 jaar geleden ‘meegekregen’ hebben, ik weet echt niet meer waarvan. Hij vertoeft  bij een indianenclan (misschien de Montaignais-Nascapi, die in het noordoosten van het huidige Quebec wonen?).
Zulke aardige mensen, je houdt het als westerling niet voor mogelijk. Zo respectvol voor iedereen en voor hun kinderen. De bezoeker kwam er niet over uitverbaasd: veel ‘beter’ dan wij met onze westerse beschaving.
Op zekere dag meldden de mannen dat er vreemden in het noorden van hun gebied gesignaleerd waren en dat ze er dus even heen moesten. Of de bezoeker zin had om mee te gaan. Nou, zeker, graag, hij was er altijd tuk op om wat te leren.
Toen ze het kamp van de vreemden naderden, werd het beslopen. Het bleek dat de mannen ervan op jacht waren. Nu werd het kamp overvallen en alle aanwezigen, vrouwen kinderen ouden, meedogenloos afgeslacht. Een meisje kroop in radeloosheid op de versteend toekijkende bezoeker toe, om hulp. “Ach, wil je haar nog even neuken, witte?” vroeg een behulpzame clangenoot. “Wacht, ik zal ze even voor je vastzetten.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

Vanaf toen begreep ik dat wij heel sociaal zijn, maar alleen ten opzichte van mensen die wij als medemensen zien. De ‘indringers’ waren voor die leefgroep geen medemensen. Niet eens mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild dat je heel nodig moest uitroeien. Ik begreep ook dat dit afschuwelijke gedrag hen niet minder sociaal maakte maar dat het van overlevingswaarde was: er kan maar één clan leven van een jachtgebied. Er is voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden. Het is een panieksituatie, waarin de aangeboren ikke-ikke-natuur de voorrang neemt, maar dan als collectief. Het verhaal is ook leerzaam als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat in een collectivistische (godsdienstige of nationalistische) oorlog sociale jongens tot nietsontziende mensendoders gemaakt kunnen worden en tot de grofste mensenrechtenschendingen kunnen worden aangezet: dan wordt bij heb de sociale natuur uitgeschakeld en wordt alleen op de primitieve delen een beroep gedaan. Uiteraard lukt dat bij de één beter dan bij de ander: we hebben ook allemaal nog ons eigen ‘pakket’.

Ik heb mijn gruwelverhaal nergens meer terug kunnen vinden. Vandaag zou ik precies willen weten hoe die aardige mensen aan de kost kwamen (ik Beschrijving: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/4/4f/Jhum.jpg/220px-Jhum.jpgonderstreep het woord ‘aardig’ graag omdat het onze aard, onze menselijke natuur, goed weergeeft) maar ik ben er vrij zeker van  dat ze Tuinbouwers waren. Tuinbouwers zijn deeltijd-AGR’s . Het grootste deel van het jaar telen ze hun voedsel in tuinen, aangelegd door het platbranden van een stuk natuur. Zo’n stuk grond gaat hooguit drie jaar mee, dan is het uitgeput en wordt een nieuw stuk natuur platgebrand. Slash and burn heet die productiewijze. Ze wonen meestal in één groot gebouw waarin elke familie zijn eigen haardvuur heeft. Een paar maanden laten ze hun bedoening in de steek en trekken blij scharrelend rond. Dan keren ze terug, de trekmieren hebben de boel schoon gevreten en de mensen pakken hun AGR-leven weer op. Maar ze leven vaak in vete met naburige clans, en zijn veel van hun oude religie en rituelen kwijtgeraakt vanwege de oorlogssituatie. Mijn voorbeelden zijn de Yanomamö, The Fierce People, van hun onderzoeker Napoleon Chagnon. Nog erger zijn de Bergpapoea’s van Borneo, die kunnen zelfs niet meer in deeltijd rondscharrelen en mishandelen hun vrouwen gruwelijk.

Machisme

De AMM’s waren door hun minder star-conservatieve vindingrijkheid uitgegroeid tot een soort die heel Eurazië plus een groot aantal eilanden had weten te bevolken. In sommige leefgebieden was er een hoge bevolkingsdruk. In periodes van droogte of inkrimping door klimatologische oorzaken leidde dit – we zagen het al bij de chimpansees – tot vechten tussen de leefgroepen om te overleven. Leefgroepen met de meeste gewelddadige mannen hebben dan de beste kansen.  Dus gaan de vrouwen gewelddadigheid bij hun jongetjes en mannen aanmoedigen als goed gedrag[104].
Dat ze hier zelf de dupe van werden, namen de vrouwen maar op de koop toe. De mannen gingen zich als de superieure sekse beschouwen, hun rituelen als superieur aan die van de vrouwen zien, het Scheppingsverhaal aan de mannelijke superioriteit ( hier als ‘machisme’ aangeduid) aanpassen; de Grote Voorouder werd een man, etc.
Zo is het machisme [105] ontstaan, de eerste aantasting van de tot het goede (= sociale) geneigde menselijke natuur. Waar en wanneer zal zich dit voor het eerst hebben voorgedaan? Te oordelen naar de Pygmeeën van het Ituri-regenwoud (voortreffelijk beschreven door Colin Turnbull), met de San behorend tot de oorspronkelijke AMM-bevolking van Afrika, heeft deze omslag al plaatsgevonden vóór dat de AMM’s Out of Africa migreerden. Want bij de Pygmeeën hebben de mannen zich al meester gemaakt van de ‘heilige fluiten’.
Dat de mannen het nodig hebben om de superioriteit van hun sekse te bevestigen door het onderdrukken van de vrouwen is al een bewijs dat deze rollen in onze lange voorgeschiedenis omgekeerd lagen. Maar de vrouwen hebben het nooit nodig gehad om hun superioriteit te bevestigen: die bleek duidelijk genoeg uit hun vermogen tot kinderen baren en voeden, en door hun betrouwbare inbreng in de voedselvoorziening – waarbij mannen oorspronkelijk zelfs alleen voor de veiligheid zorgden en pas later voor de vleesvoorziening.  Mannen zijn bovendien 15% sterker dan vrouwen, én mannen dragen de wapens; dus reden temeer voor vrouwen om er niet eens aan te denken om hun mannen te onderdrukken. Onderdrukken van de andere sekse gaat ten koste van de productiviteit van de groep, dus daarvoor was de overleving de langste tijd nog te hachelijk: als VJ’s konden ze zich dat nauwelijks permitteren.
Maar oorlog maakt mannen belangrijk, en dan gaan ze zich in de kop halen dat hun sekse de belangrijkste is. Omdat het leven bij hen nog steeds draait om het scheppingsverhaal, zijn het de heilige voorwerpen zoals de ‘heilige fluiten’ en de ‘bromhouten’, zijn het de Grote Voorouder-symbolen, zijn het de initiatierituelen waarin  de vrouwen altijd de hoofdrol speelden, het terrein waarop de mannen hun ‘coupe’ pleegden. In ettelijke antropologische verslagen lezen we dat de vrouwen de mannen beschuldigen dat die de ‘heilige fluiten’ van hen gestolen hebben.
In het boek van Turnbull over de Pygmeeën lees ik voor het eerst waarom deze ‘heilige fluiten’ nou zo belangrijk waren. Ze waren gemaakt van lange uitgeholde rechte stammetjes van een vlier-achtige heester, dus met zachte kern. Ervaren ‘trompetters’ konden daarmee veelsoortige klanken voortbrengen, en vanuit de duisternis konden daarmee de ‘stemmen’ van de Grote Voorouder en van de overige Figuren van het scheppingsverhaal levensecht worden voortgebracht. Het geloof van de primitieve mensen is nog zo sterk dat ze vast geloven in deze dingen. Ze raken gemakkelijk in een trance, zodat ook de voortbrengers van de geluiden zelf geloven dat hier de Grote Voorouder aanwezig is. De Grote Voorouder zelf kon moeilijk worden afgebeeld aangezien het van oorsprong een groep is: het groepje eerste kolonisten van het stamgebied.
Na de ‘coupe’ werden de vrouwen steeds meer uit de heilige rituelen geweerd. Bij de Pygmeeën mogen de vrouwen al niet meer als toeschouwers meedoen, ze moeten tijdens de nachtelijke rituelen in hun hutten blijven. De vrouwen spelen het spelletje gedwee mee. Niet alleen in Afrika maar ook bij de Amazone-indianen zien we dit patroon. Kortom, ik ga er van uit dat dit beginnende machisme al van 65.000 jg dateert en dat de out of Afrika-migranten er al mee waren behept.

Out of Africa

Hoewel er nog enkele paleo’s zijn die de oude opvatting dat de AMM’s overal ter wereld nakomelingen zijn van de plaatselijke Vroege Mensen-populaties: de multi-regionale theorie, zijn verreweg de meest paleo’s overgestapt op de Out of Africa-theorie: dat Europanen, Aziaten en Amerikanen  afstammen van een paar emigrantengroepen uit Afrika.

Beschrijving: File:Map-of-human-migrations.jpg

Dit plaatje geeft de Out of Africa- migratie weer zoals het bloedgroepenonderzoek het laat zien. Linksboven is Afrika. In dat continent zijn alleen de drie L-groepen aangeven maar op een detailkaart zie je daar wel tien andere bloedgroepen. Alleen de L-groep migreerde en bevolkte de rest van de wereld; het continent onder Afrika is Eurazië, met links-onder het Verre Oosten en Australië; midden-rechts en uiterst rechts de Amerika’s.

De emigratie van de L-groep (althans van sommige clans ervan) voltrok zich in enkele ‘golven’, waarvan de eerste al rond 130.000 jg moet hebben plaatsgevonden, gezien de recente vondst van AMM-vuistbijlen van 125,000 jg, gevonden in Jebel Faya in Arabische Emiraten.  Dan zijn er ook nog de 11 AMM-skeletten gevonden bij de berg Karmel in Palestina, in de grotten van Skhul en Qafzeh, gedateerd op rond 95.000 jg. Sommige paleo’s beschouwen het als een doodgelopen ‘golf’, omdat ze daar weer verdwenen zijn om zelfs plaats te maken voor NT’s, waarvan resten in diezelfde regio en grotten zijn gevonden, gedateerd van rond 70.000 jg.
Ik denk echter dat deze vroege ‘golf’ ook  richting het Verre Oosten is getrokken, om uiteindelijk rond 55.000 jg de eerste kolonisators te worden van Australië. Ik noem deze vroege ‘golf’ OoAII-a (OoAI is de aanduiding van de vroege migratie van erectus-mensen die de voorouders waren van de Java-mens en de Peking-mens). Want er kwam een kink in de kabel van opkomst van de mensheid.
Vanaf 85.000 jg begon de laatste ijstijd, het Weichselien geheten; maar 74.000 jg explodeerde op Sumatra de supervulkaan Toba en dat verdiepte de afkoeling en uitdroging die, ondanks af en toe wat verbeteringen, 24.000 jg zijn dieptepunt zou bereiken. De waarna het klimaat weer opwarmde en het Holoceen begon, waarin we nu leven.
De Toba-explosie was een catastrofe zoals de Aarde er gelukkig maar weinig in petto heeft. Gedurende een week vloog 2,800 km3 as de lucht in (bij de op één na ergste uit de geschiedenis, de Tambora, was dat 100 km3, dus kun je nagaan) en regende in een hete en giftige pluim in noordwestelijke richting, midden-India met een metersdikke laag tefra (vulkaan-as) bedekkend. De fijnere asdelen verbreidden zich hoog in de atmosfeer, de zon verduisterend en een zes jaar durende ‘nucleaire winter’ veroorzakend. Voor al wat leeft was het een bottle-neck: door de duisternis en de kou groeiden er nog nauwelijks planten, met als gevolg een massale sterfte onder de planteneters en de roofdieren die op de planteneters aangewezen waren. Waaronder de Vroege Mensen en de AMM’s. Der laatsten waren, vooral die aan de zuidkusten van Afrika waar de gevolgen het minst erg waren en het herstel het vroegst intrad, het beste af. Geholpen ook door hun maritieme voedselbron. Het getuigt van de taaiheid van de NT’s dat die het ook overleefd hebben, in elk geval in Palestina waar ze verbleven in de gebieden waar de AMM’s toen al weggetrokken waren.
Na de zes kritieke jaren (sommige paleo’s stellen dat de AMM-vrouwen in reproductieve leeftijd  gereduceerd waren tot 10.000) leefde de plantenwereld weer op en dus ook de dierenwereld. In de paragraaf over “machisme” heb ik gewezen op de gevolgen die het gevecht om toegang tot de beste overlevingsgebieden heeft op de verhouding tussen de seksen: ‘oorlog maakt mannen belangrijk’. Ik speculeerde daar dat dit zich het eerst in de mensheid zou hebben voorgedaan 65.000 jg, zijnde het begin van OoAII-b. Misschien moeten we het terugschroeven naar de gevolgen van het Toba-gebeuren (in paleo-taal YTT-event) van 74.000 jg. De worsteling om te overleven zal ook een behoorlijke stimulans zijn geweest voor hun inventiviteit, de vrouwen zullen nog koesterender zijn omgegaan met de vindplaatsen van hun planten en zullen hun kennis omtrent de beste overlevingskansen ervan hebben vergroot.
In elk geval zijn de AMM- populaties  ‘explosief’ gaan toenemen. De wereld was door het uitsterven van de meeste Vroege Mensen weer eindeloos groot, de AMM-groepen vulden opnieuw alle hoeken en gaten van het Afrikaanse continent. Rond 60.000 jg verschijnt er opnieuw een ‘golf’ AMM’s in Israël. Maar nu wél met benen en hoornen werktuigen en sieraden van schelpen en been (hun voorgangers daar onderscheidden zich in technologie nog niet van de vroege Mensen, zie de vuistbijlen van Jebel Faya).
Het is deze ‘golf’ waar bovenstaand wereldkaart betrekking op heeft. De exodus van OoAII-b schijn ditmaal niet via Palestina gegaan te zijn (het klimaat was nu koeler en droger, dus de Sahara bleef woestijn) maar via de zuidelijke vernauwing van de Rode Zee (Bab el Mandeb). En nu niet alleen richting India en het Verre Oosten, maar ook noordwaarts: de leefgebieden van de NT’s.

De AMM’s moeten voor de NT’s een nachtmerrie geweest zijn. Niet alleen hun uiterlijk: een soort aliens, met van die vreemd-hoge voorhoofden, kleine neuzen en uit-stekende kinnen. Maar ook hun luidruchtigheid: je hoorde ze al van ver aankomen. En ze reageerden totaal niet op je gebaren. En ze hadden enge werpspiesjes, die ze vanaf grote afstand dwars door je heen konden werpen, met een soort verlengstok. En ze hadden afgerichte wolven bij zich, die je konden achtervolgen en insluiten. Nee, het beste was om weg te trekken naar gebieden waar ze zich niet vertoonden.

Voor de AMM’s waren de NT’s een soort apen, al liepen ze net als mensen op twee benen en droegen ze kleding. Maar toch dieren, want ze konden niet praten. Ze waren wel oersterk, ze konden je oppakken en meters ver weg gooien. Je kon ze maar beter meteen spiezen als je ze zag. Althans, zo luidden de verhalen, want je zag er nooit een. Maar je kon wel grotten tegenkomen waar ze gewoond hadden. Met vuurplaatsen en al.

Afgelegen berggebieden in Spanje, de Balkan en de Krim zagen de laatste NT’s, uitstervend door gedwongen inteelt en uitzichtloosheid, rond 28,000 jg.

De “Grote Sprong Voorwaarts”

Zo worden de grotschilderingen in Zuid-Europa van tussen 30 en 20.000 jg gezien: totaal nieuw gedrag van de prehistorische mens. Hoe kwamen die Cromagnon-mensen daar zo Beschrijving: http://members.home.nl/keesdebrouwer/images/prehistorie/Steentijd%20-%20grotschildering-handen%2001.jpgBeschrijving: Rotstekeningplotseling toe? Speculeren kunnen ook wetenschappers als de besten. Zo postuleert de Amerikaanse Professor Richard Klein in The Human Career (2009) zelfs een gen-mutatie in de hersenen, waardoor deze mensen plotseling tot taal (!) en nieuw gedrag kwam. Andere paleo’s wijzen op de vroege voorouders van de grottenschilders in Afrika, die ook al nieuw gedrag (vergeleken bij de Vroege Mensen) aan de dag legden. De naaste voorzaten van de Cromagnons, de AMM’s van OoAII-b die in de Balkan arriveerden, lieten in Roemenië al grotschilderingen achter, gedateerd 35.000 jg. En indien de op 43.000 jg gedateerde geschilderde voorstellingen van zeehonden in een grot in het Spaanse Malaga inderdaad door plaatselijke NT’s zijn gemaakt, zoals de Spaanse onderzoeker Sanchidrian (Un. Cordoba) recentelijk postuleert – ik geloof er geen barst van – dan is dat gedrag niet echt nieuw.
Uw humanosoof heeft zijn eigen idee  (het zou eens niet!) over die grotschilderingen en andere nieuwigheden. De Cromagnons arriveerden in West-Europa in een relatief wat minder koude periode. Maar het werd weldra weer kouder. De lange winters brachten ze door in degelijk verwarmde winterverblijven. In Oost-Europa bouwden ze die van mammoetschedels en botten en slagtanden, overdekt met mammoetvellen. In de Dordogne waren het grot-overhangen, met palissaden en mammoetvellen afgedicht. Voor de vrouwen ging het dagelijkse werk van voor de kinderen en het eten zorgen en kleren naaien gewoon door, maar de mannen hadden, na ’s morgens de vleesopslagplaatsen (onder steenhopen) gecontroleerd te hebben, de godganselijke dag niks te doen dan aan hun jachtwapens werken,  worstelwedstrijden en pijl en boogwedstrijden  houden, sieraden maken, en natuurlijk de scheppingsverhalen zingen. Maar ook … slimme uitvindingen in elkaar pielen zoals  zelf rijdende karretjes voor de kinderen. Vuurbogen, om gemakkelijk zelf vuur te maken. De kinderen speelden met hun jonge wolfjes en andere jonge dieren. Draadfiguren maken was ook erg populair. En ook afbeeldingen uitkrassen op zandsteenplaten, die eerst met okerverf werden ingesmeerd, zodat de tekening mooi uitkwam. Als je een nieuwe tekening wou maken, ging je er gewoon met de kwast (een stukje huid) met oker overheen. Als kind schreven wij in de oorlog nog op een lei, met een griffel. Zoiets deden de Cromagnons ook, die hadden ook geen papier.
Ergens in de zomer was de initiatiemaand voor de jongens. Die moesten zware beproevingen ondergaan om man te worden. De inwijding in de mannenwereld vond plaats diep in een beangstigend-donkere grot, in een met fakkels verlichte zaal. De mannen hadden namelijk hun eigen rituelen, verboden voor de vrouwen. Bepaalde druipsteenformaties of rots-uitstulpingen leken bij het schijnsel van de fakkels op Voorouderfiguren, en in de loop der tijden hadden de mannen die steeds meer met verf scherper doen uitkomen, totdat ze voortaan hele totemdieren gingen afbeelden. Dat werd steeds meer het werk van bepaalde kunstenaars. Ze leidden talentvolle jongens op in de winterverblijven.
En de vrouwen? Waar de mannen hun op de jacht afgestemde religie hadden, hadden de vrouwen hun eigen op de plantenwereld afgestemde religie. Moeder Aarde, de Maan, de vruchtbaarheid van hun buik. Al in Oost-Europa maakten ze hun vrouwenbeeldjes, van hout, van ivoor, zelfs van aardewerk. In onze consumptiemaatschappij is dik zijn een probleem, maar in die VJ-tijd was het een teken van voorspoed. Vrouwen gingen over het eten, dus hun Beschrijving: https://encrypted-tbn1.google.com/images?q=tbn:ANd9GcT9vw2Ap2WAQYexyEU0-cBu--gjWeRR0qWSAoxIKCfEUABPZ4D-Ewvrouwenbeeldjes zagen er overdadig voluptueus uit. Wij maken onze goden en godinnen naar onze wensdromen. Ook al is er archeologisch maar een fractie van overgebleven, de vrouwen maakten hun Moeder Aarde-beeldjes massaal en overal en zolang als ze nog vrij waren om hun vrouwenreligies uit te oefenen. Een veelbetekenende afbeelding is de “Venus van Laussel”.
De vrouwenbeeldjes hebben nooit een gelaat. Moeder Aarde heeft geen gelaat, ze heeft heuvels, en een beboste hoogte. Het gaat niet om een bepaalde vrouw, maar om ‘het vrouwschap’. Het gaat om vruchtbaarheid, dus om seks, om zwangerschap. De in Laussel gevonden kalkstenen afbeelding houdt een hoorn omhoog. De vrouwen droegen vanaf onheuglijke tijden altijd een smeulend kooltje mee van kampplaats naar kampplaats. In de noordelijke streken was een runderhoorn een geschikt ding daarvoor. Op deze hoorn staan streepjes: de vrouwen gaven op hun hoorn aan over hoeveel ‘manen’ ze waren uitgeteld. Deze afbeelding is volgens mij niet helemaal afgekomen:  rechts van het kopje moet nog wat zandsteen worden weggebeiteld. Let ook op de hangtieten. Vandaag zijn de vrouwen daar niet blij mee, maar toen was het een teken van vruchtbaarheid.

“Grote sprong voorwaarts”? Ja, net als de Inuit vanwege hun lange wintermaanden  verbazingwekkend technisch zijn, waren de AMM’s dat in de ijstijd ook. Maar niet zodra die afgelopen was, trokken de nazaten van de Cromagnons (de Magdaleniens) de rendieren achterna richting het hoge Noorden, en is er van hun culturele ‘sprong voorwaarts’ niets meer over, ze zijn weer gewoon vrije VJ’s. Hun hedendaagse nakomelingen zijn de Lappen. Voor het vervolg van ‘verandering en vooruitgang’ moeten we de blik naar het Midden-Oosten richten.

De overgang naar de landbouw

In Guns, Germs, and Steel (NY 1997) heeft Jared Diamond uitgelegd waarom landbouw, en daarmee ‘beschavingen’,  alleen dáár kon ontstaan waar granen van nature voorkomen. Graszaden zijn niet alleen voedzaam, je kunt ze ook heel lang bewaren. Als je genoeg voorraad hebt, kom je ook in slechte tijden niet om van de honger. Waar in het opwarmende klimaat wilde tarwe en gerst, wilde schapen en geiten, zwijnen, runderen en paarden in één streek voorkwamen, was het leven goed, en dat was in veel gebieden van de Levant: de ‘groene sikkel’ vanaf Palestina omhoog over het Noorden van Syrië en Irak: de voet van het Zagrosgebergte. De vrouwen verzamelden in het seizoen de graankorrels door met hun graafstok tegen de halmen te tikken en de korrels in een mandje op te vangen. De mannen hadden genoeg te jagen. De korrels stampten de vrouwen fijn in vijzels en van het meel bakten ze voedzame koeken. Ze hielden veel kinderen in leven en de populatie groeide er als kool. Het werd daar overbevolkt. De clans konden niet langer vrij rondtrekken zonder in conflict te komen met andere clans. De vrouwen bleven in de buurt van ‘hun’ graan-voorkomens. Ze bouwden er steeds duurzamere hutten, half in de grond gegraven: koel in de zomerhitte en beschut tegen de koude winterwind. De lage wanden besmeerden ze met leem. Voor de opslag van hun graanvoorraden deden ze hetzelfde: ingraven, wandjes met leem besmeren, die je ook nog eens steenhard kon maken door er een vuurtje in te stoken, en afdekken met een platte steen: kan er geen muis meer bij.
Rond 13.000 jg keerde de ijstijd nog een millennium lang terug. De paleo’s noemen deze koude en droge tijd Het Jonge Dryas, naar een plantje waarvan de fossiele pollen deze klimaatfase goed laten zien. Hongersnood dwong de overlevenden tijdelijk terug te keren naar het nomadische bestaan.
Vanaf 9600 vC werd het klimaat definitief warm: brak het Holoceen aan, dat tot in onze dagen voortduurt. De vrouwen hadden intussen geleerd hoe ze door uitgelezen mooie korrels terug te schenken aan Moeder Aarde, het seizoen daarop nog veel meer van deze mooie korrels konden terug verwachten. Ze hadden ook geleerd om hun veldjes te omheinen met doornhagen, tegen de wilde schapen en geiten. Ze waren ook op het idee gekomen om drachtige dieren binnen omheiningen te drijven en ze van voedsel te voorzien: zo voorzagen ze zichzelf van een permanente vleesvoorraad. Hetzelfde dezen ze met wilde zwijnen.
De mannen hadden steeds minder te jagen gekregen en zagen in dat het productiever was om hun vrouwen te helpen. Zo werden de ook de mannen boeren. De mensen leefden er voortaan in dorpen en waren definitief boeren (AGR’s) geworden.

nog even over de Tuinbouwers

Op de meeste andere plekke op de wereld kende de overgang van Verzamelen/Jagen naar Landbouw een duidelijker tussenstadium: de Tuinbouw. Ik heb daar al even over verteld in de paragraaf voap’s, hypersociale dieren en in de paragraaf VJ’s versus AGR’s. De fase dat clans door overpopulatie, soms verergerd door oorlogvoering, gedwongen zijn om hun plantaardige hoofdvoedsel te telen in tuinen, aangelegd door het omhakken en platbranden van een stuk bos. Ze wonen dan in grote bouwsels waarin elke familie haar eigen haardvuur heeft. In enkele maanden van het jaar laten ze de bedoening in de steek en trekken dan nog even vrij rond. Van de Levant zijn mij die grote bouwsels eigenlijk niet bekend. Maar de slash-and-burn-landbouw moet er ook geweest zijn. Jericho, uit de Bijbel bekend om zijn muren, blijkt archeologisch wel de oudste en dikste muur te hebben gehad, maar dat was een beschermingswal tegen de modder-lawine na een slagregen: door het omhakken van de bossen voor zowel bouwgrond als bouwhout  was de aarde geërodeerd en er had al een paar keer een catastrofe plaatsgevonden. Jericho was een stad geworden doordat er een gulle waterbron was, waar handelskaravanen hun dieren konden laven: het was een handelsknooppunt. De inwoners konden een dikke muur met toren optrekken om zich definitief te beschermen … tegen de modder. Het was dus geen muur rond de stad, al hebben de Bijbelschrijvers van die spectaculaire eerste door mensen opgetrokken muur die een mythisch beroemdheid was geworden, een bruikbaar verhaal gemaakt.
Zodra vanaf 7000 jaar geleden landbouwproductie voedseloverschotten mogelijk maakt, kunnen mannelijke elites zich die overschotten toe-eigenen, zich eigenaars van land verklaren, handelsoorlogen voeren en zich de overwonnen bevolking toe-eigenen als slaven.

Mensen, ook de huidige consumentenmaatschappij-mensen, zijn nog steeds van nature goed. Zeker in hun eigen ogen, in hun zelfbeeld. Zoals een crimineel zei: “Ik ben een goede jongen. Ik doe alleen slechte dingen.” Mensen zijn van nature goed … zolang er geen geld of bezit in het spel is. Maar dit zijn betrekkelijk recente fenomenen. In onze kapitalistische samenleving spelen die dingen nu een hoofdrol …
De vrouwen hebben hun voorouderlijke machtspositie bepaald niet van de ene dag op de andere prijsgegeven, dat is allemaal heel geleidelijk gegaan. Rosalind Miles beschrijft dat in haar boek The Women’s History of the World (London: Joseph, 1988) heel overtuigend. De definitieve overwinning op de voorouderlijke verering van de Grote Moeder hebben de mannen behaald met de invoering van de grote monotheïstische godsdiensten. En het zijn niet zozeer de stichters[109] ervan geweest die de vernederende en noodlottige anti-vrouw-propaganda hebben uitgekraamd, maar de schiftuitleggers ervan, de kerkvaders en oelema.
Ook Marvin Harris heeft de ontwikkelingsgang van egalitaire gemeenschappen naar klassensamenlevingen goed beschreven in Our Kind (1989)[110]. Al deze boeken heb ik gebruikt in mijn tekst “Bestaat God?”, waarin ik ook het begin van het Judaïsme, het begin van het Christendom en het begin van de Islam beschrijf. Vooral die beginfasen is voor de meeste mensen nieuwe informatie. Toch belangrijk: als je het begin weet, snap je de rest pas goed.

In klassensamenlevingen worden de pseudoverklaringen en -zekerheden bolwerken van prive-belangen der heersende elite en dan gaat het je de kop kosten als je ze ter discussie wilt stellen. Dan is het bastion van de heiligverklaring een gevangenis voor de ratio geworden. Daar is het islamisme, de huidige politieke islam, een voorbeeld van.
Maar vandaag hebben we de beschikking over zoveel verklaringen voor de dingen en we krijgen er elke dag meer. De bestaansonzekerheid waarmee ons te kort schietende bewustzijn ons had opgezadeld, is vandaag door de groei ervan danig afgenomen. Onweer, ziekten, droogte en hongersnoden zijn voor de consument tot herkenbare problemen gereduceerd. Maar nog steeds heeft ons talige bewustzijn behoefte aan een (nu graag wetenschappelijk verantwoord) kader om de chaos der dingen en hun begrippen in te vatten en om er de zin van te kunnen zien[111].

conclusie

Hiermee besluit ik mijn uiteenzetting over taal en bewustzijn. Het eigenwijze er in is de stelligheid waarmee ik deze met gebarentaal laat beginnen, de taligheid (en de bijzondere manier waarop onze voorouders daardoor in het leven kwamen te staan, de macht die ze erdoor kregen over de dingen, over het vuur maar ook over hun mededieren) en de betekenis van het gedeelde scheppingsverhaal voor het menselijke samenleven.

Wanneer u er op wilt reageren: welkom.

fcouwenb@mens2000.nl

 


 

[1] Daniel C.Dennett Het Bewustzijn Verklaard, Contact 1993
[2] Bart Voorzanger, in Tussen mens en stoel (artikel in Wetenschap, Cultuur&Samenleving, sept.’97)
[3] Wim van de Grind Natuurlijke intelligentie (Amst. 1997)
[4] zie www.humanosofie.nl
[5] treffend is de etymologie van religie volgens Van Dale’s Etymologisch Woordenboek: van relegere [weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen], van re-(wederom)+ legere(lezen).
[6] deze al veel oudere aanname wordt sinds de DNA-onderzoeken rond 1950 nu door niemand meer betwijfeld; maar ik vond een leuk bewijs dat ik u niet wil onthouden: onze luizen en vlooien. Deze parasieten, insecten die de haren en veren van de meeste levende wezens bevolken, hebben zich net als hun gastheren aangepast aan hun leefomgeving en wel zodanig dat ze niet meer in een andere kunnen leven. Niet alleen wat de vorm van hun klauwen betreft maar ook wat betreft hun spijsverteringsstelsel: geheel afgestemd op het bloed van hun gastheersoort. Welnu, wij kunnen onze luizen ruilen met die van de chimpansees en bonobo’s, maar met geen enkel ander dier, zelfs niet met onze neven, de gorilla’s.
Nog een bewijs voor onze nauwe verwantschap: chimpansee-baby’s doen het goed op mensenmoedermelk en andersom: dat is ook met geen enkele andere soort het geval, omdat moedermelk een heel gespecialiseerd goedje is
[7] maar ook westelijkere gebieden zoals de huidige Sahel werden savannen, zoals gebleken is uit de onderzoekingen van de Franse paleontoloog Michel Brunet en de zijnen, die in Tsjaad het oudste hominidenfossiel Tourmaï hebben opgedolven, dat op bijna 7 miljoen jaar oud wordt geschat
[8] die noem ik als eerste vanwege een heel belangrijk empirisch gegeven: de tanden van de gevonden australopithecinenfossielen; hun vorm, hun zeer kleine slagtanden en hun glazuur wijzen op een hoofddieet van het vermalen van zaden
[9] daar legt de gezaghebbende Amerikaanse paleoantropoloog Richard Wrangham erg de nadruk op
[10] het indianenverhaal wil dat één van die tijgersoorten, dinofelis, zich zelfs speciaal op hominiden toegelegd heeft! Maar onder de opsomming van diens prooien worden geen hominiden vermeld. Dat zijn trouwens geen dikhuiden: sabeltanders waren op de grote dikhuiden gespecialiseerd. En dinofelis was, wel behorend tot het geslacht felines, geen tijger en zijn tanden waren meer dolken. Het gevaarlijkst voor de vobo’s waren, denk ik, de (voorouders van) de boomklimmende luipaarden en de arenden.
[11] ach ja, zo duid ik alle geleerden en onderzoekers aan die van belang zijn voor ons verhaal
[12] “the seize of a Volkswagenbus” zoals een Amerikaanse paleontoloog de fossielen ervan omschreef; en als je Naturalis bezoekt, kom je er een tegen in de gang naar de zalen, er zijn bezoekers die er niet in hun eentje langs durven, zo echt lijkt die. Dat ‘veroveren’ deden ze niet door er bovenop te springen maar door de buik open te rijten … ze voedden zich kennelijk met de ingewanden
[13] Margaret Ehrenburg Women in prehistory; Nancy Tanner in On becoming human; Adrienne Zihlman in Women as shapers of human adaptation en Tim Taylor in Prehistory of the Sak
[14] chimpansees sluiten met een paar man een colobus-aapje in, zodat alle vluchtwegen voor het slachtoffer zijn afgesloten; dan klimt één hunnen naar boven en grijpt het diertje, rukt er terwijl het schreeuw van pijn en angst, een vooreen de ledematen af en verdeelt de buit onder de helpers; savannebavianen sluiten een van de kudde afgedwaald antiloopje in en jagen het in een wijde kring estafettegewijs op tot het van uitputting blijft staan
[15]
wordt goed uitgelegd in Sporen van de evolutie van Elaine Morgan (Ambo 1996)
[16] daar pleit Elaine Morgan vooral zeer overtuigend voor, wijzend op onze afwijkende zouthuishouding en zweetgedrag; dus moeten in ons verhaalbegin wellicht meer zoutwatermangrovebossen worden ingebouwd; maar ze krijgt zo weinig support omdat haar verhaal meer vragen oproept dan bevredigend beantwoordt
[17] en dan denk ik vooral aan de in 2001 gevonden fossiele restanten van orrorin tugunensis, gedateerd op 6 mjg en van een tweebener die er ‘menselijker’ uitzag dan de beroemde ap afarensis ‘Lucy’ van 3.6 mjg, tot dan toe als vooroudertype beschouwd
[18] het beroemde in 1960 door de Leakey’s in de Olduvay-kloof gevonden fossiel werd aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van primitieve stenen werktuigen, als de maker ervan beschouwd en derhalve tot Homo habilis (‘de handige mens’) gedoopt; in diezelfde kloof zijn ook twee slachtplaatsen van primitieve olifanten gevonden, met primitieve stenen werktuigen, maar daarvan werden terecht niet de olifanten als de makers aangezien …
[19] hun handen en voeten verloren hun klimfaciliteit pas toen onze voorouders twee miljoen jaar geleden het vuur leerden beheersen, voltijds grondbewoners werden en tot erectus evolueerden
[20] in de strijd om voedsel en voortplantingskansen zijn soortgenoten de grootste concurrenten voor het individu
[21] Frans de Waal Chimpansee Politiek (1982), Van nature goed (Contact, 1996), Bonobo (1997)
[22] Jared Diamond The Third Cimpanzee. Het evolution and future of the human animal. New York 1992.
[23] die zou bij het op twee benen lopen alleen maar in de weg zitten; aan het feit dat onze vooroudervrouwen de oestrus tot een ook voor henzelf onmerkbaar lichamelijk gebeuren hebben weten te maken, wordt denk ik te weinig aandacht besteed; het is verdwenen omdat de spanningen tussen de mannen die de geuren van de oestrus opriepen, een te grote bedreiging van de groepshechtheid vormden en dus zeer ongewenst waren; maar hoe krijg je die onderdrukt? daar ga je je al gauw een Lamarckistisch proces bij voorstellen …
[24] in de literatuur noemt men de overheersende positie van de mannen patriarchaat, maar ik vind dat woord iets eerbiedwaardigs hebben. Onderdrukking van de vrouwen en kinderen hoort bij slavernij en apartheid en die vind ik allesbehalve eerbiedwaardig; dus gewoon ‘machisme’!
[25] www.cwu.edu/~cwuchci/ en lees vooral het uiterst leerzame en onderhoudende boek van Roger Fouts
Van mens tot mens (Bruna, 1997); Washoe is op 30 okt.’07 op 42-jarige leeftijd overleden
[26] Fouts p.224: “Loulis was een autodidact. Negentig procent van zijn gebaren waren spontaan en kwamen niet voort uit aanwijzingen van Washoe. Dit leidde tot creatieve doorbraken. Zo gaf ik op een dag nadat hij de gebaren voor SNEL en GEEF ME van Washoe had geleerd Loulis iets te drinken. Per ongeluk haalde ik het kopje even van zijn mond weg. Loulis keek me aan en gebaarde SNEL GEEF ME! Een onmiddellijk bedachte combinatie van die twee gebaren.”
[27] overigens geen realistische optie voor chimpansees die in een mensenomgeving zijn opgegroeid. Ze hebben nooit kunnen leren hoe ze in het regenwoud moeten leven dus daarin zouden ze even ‘onthand’ zijn als wij
[28] Nicholas Humphrey, Consciousness Regained, Oxford Univ.Press 1984: niet het gebruiken van gereedschap maar de sociale interactie is de belangrijkste factor bij de evolutie van de hominiden (Hst.2)
En daar vind ik de druk van de nieuwe hachelijke leefomgeving weer de belangrijkste factor bij. Want waarom hebben de toch veel en gemakkelijk op hun achterpoten lopende bonobo’s geen gebarentaal en geen gereedschapsgebruik ontwikkeld? omdat deze soort haar regenwoud in geen enkel tijdperk heeft hoeven te missen (Frans de Waal Bonobo, p.25). Dus ze hebben nooit de veel grotere behoefte aan complexere communicatie die het savanne-overleven van de vobo’s vergde, gekend. Nog een factor is de volgende: In het dichte regenwoud vormt roepen dikwijls het enige communicatiemiddel; visuele signalen zijn alleen op korte afstand bruikbaar. Bepaalde roepen dienen om individuen te verzamelen of juist te verspreiden. Hoogstwaarschijnlijk herkent de bonobo de stem van ieder individu in zijn groep. (Id. p.144)
De savannebavianen, toch ook van oorsprong regenwouddieren, hebben ook geen gebarentaal ontwikkeld. Ze gooien niet, zijn dus nooit tweebenig geworden, in tegendeel, ze zijn echte viervoeters geworden en draven als honden. Voor hun verdediging blijven ze in de buurt van de bomen, en hun slagtanden zijn groter dan die van een leeuw. Maar belangrijker: ze zijn veel minder sociaal. De mannen zijn zowat tweemaal zo groot als de vrouwen en spelen zonder meer de baas. Wordt nooit wat.
[29] het verst hierin gaat een bonobo die, als hij wil dat de groep verkast naar een vruchtboom waarvan hij weet dat die nu rijpe vruchten draagt en dat die door andere vruchteneters half leeg gegeten is wanneer ze daar niet nu en onmiddellijk heen gaan, met een grote tak gaat lopen slepen in de richting van die boom; de andere groepsleden begrijpen wat dat stuk ongeduld bedoelt en maken weldra – veel te traag naar zijn zin natuurlijk, aanstalten. Evengoed is hij hiermee wel over iets aan het communiceren dat hij weet maar dat niet waarneembaar is! Maar bedenk wel, dat het iets is waarvan hij weet dat de anderen het ook weten en dat hij alleen hun besluit wil verhaasten
[30] waarom vinden wij een hyena zo’n afstotelijk dier? Het is, objectief gezien, toch een prachtig dier? wij kunnen intuïtief niet onbevooroordeeld naar een hyena kijken omdat het de gevreesde en gehate voedselconcurrenten van onze soort waren
[31] Pinker wil niet aan een gebarentaal-voorfase omdat, zo zegt hij, gebarentaal “even complex is als spraak” (Taalintinct p. 382) en oppert dat ‘verwijzings-kreten’ zoals die van de groene meerkatten “ spontaan onder controle van de hersenschors” gekomen zullen zijn! Waarin Pinker mijn verhaal ondersteunt is zijn stellige overtuiging van het vroege begin van de ‘aanmaak’ van ons taalvermogen – alleen zonder bijbehorende argumentatie
[32] daar krijg ik het verderop nog over
[33] in 1931-32 door het echtpaar Kellogg, met chimpmeisje Gua, en begin jaren ‘50 door het echtpaar Hayes met chimpmeisje Viki – die na zes jaar intensieve training slechts vier woorden kon zeggen”’mama’, ‘papa’, ‘cup’ en ‘up’, moeizaam en nagenoeg stemloos uitgebracht. Hierna heeft men spreektaalexperimenten voor gezien gehouden ; het echtpaar Gardner is toen met het ‘Washoe’-project begonnen: een chimp-baby opvoeden met ASL-gebarentaal; Roger Fouts is daar als student bij ingehuurd en die is daar verder ‘levenslang’ aan vast blijven zitten
[34] toen de interviewer in het programma “God bestaat niet” aan Dick Schwaab vroeg: wat zijn wij?
antwoordde deze: “Wij zijn onze hersenen. De rest van ons lichaam dient slechts om onze hersenen voort te bewegen, ze te voeden en ze voort te planten!”.
[35] de soortnaam Homo sapiens, te danken aan Linnaeus (1758), en nog steeds officieel in gebruik in de paleo-wereld, krijg ik niet meer uit m’n bek
[36] William H.Calvin, De Speurtocht naar Intelligentie, Contact 1996
[37] William H.Calvin, De rivier die tegen de berg op stroomt, Amsterdam 1990. p.456: “De linkerhersenhelft bij mensen wordt algemeen geassocieerd met tijdgebonden reeksen. De taal is daarvan slechts een onderdeel: snelle bewegingen van hand en arm, ongeacht of ze nu links of rechts worden uitgevoerd, worden beheerst door de linkerhersenhelft. Hetzelfde gaat op voor de bewegingsreeksen van mond- en gezichtsspieren: de linkerher-senhelft beheerst beide gezichtshelften.”
De vage afdruk van de hersenen in enkele fossiele H.Habilis-schedels duiden er misschien op dat de grote hersenen al ruimte vrijgemaakt hebben voor wat nu bij de huidige mens bekend is als ‘Broca’s gebied’, een hersenstreek in de linkerhersenhelft die verbonden is met het spraakvermogen. (Stephen Jay Gould e.a., Verslag van het leven. Schuyt 1993)
[38] had ik echt zelf bedacht. Maar laat ik nou in Taalinstinct van Steven Pinker (p.395) lezen dat juistgenoemde William Calvin in (het niet door mij gelezen boek) The Throwing Madonna precies hetzelfde oppert als verklaring voor de linksbreinigheid van de taalcentra! Alleen begaat Calvin de stommiteit om zijn ‘Madonna” haar vrije hand te laten gebruiken voor het stenen gooien in plaats van voor het communiceren; de dames babbelden, de heren zwegen en zorgden met hun stenen voor de veiligheid
[39] in plaats van achteraf toe te geven dat zijn behavioristische aanpak onjuist geweest was, kritiseerde Terrace de beter slagende experimenten die in een menselijke en sociale omgeving plaatsvonden als ‘onwetenschappelijk’! Dat argument werd door een bezuinigende overheid aangegrepen om de subsidies ervoor in te trekken. Ze raakten daardoor in ernstige overlevingsmoeilijkheden: je kunt die chimpansees niet laten verhongeren en in de steek laten. O.a. Jane Goodall heeft er zich toen zeer voor ingezet.
[40] helaas is mijn enthousiasme voor het Washoe-project, althans voor wat de gebarentaalverwerving betreft, door terechte kritiek wat gedempt; het Washoe-team interpreteerde, in haar ijver om zoveel mogelijk ASL-gebaren te ‘scoren’, te gemakkelijk gewone communicatieve of imitatieve gebaren als ASL-gebaren; met scherpere criteria komt de omvang van de Washoe-woordenschat dichter bij de vijfentwintig dan bij de geclaimde 240 (!) te liggen
[41] vinden wij heel gewoon, niet? ta-ta-ta bij die kindjes. Maar waarom geen tááááá? Juist! ze maken onderbrekingen
[42] smaakt een beetje ‘heet’
[43] ik heb het uit een bespreking van Liesbeth Koenen in het Magazine van NRC mrt ‘03
[44] ja, als ik daar een foto zou kunnen uitzoeken van zo’n moment, zou ik een beter voorfrontschilderij kunnen maken dan ik nu heb gewrocht
[45] wetenschappelijke aanduiding: MSA (Middle Stone Age) –mensen
[46] nee, dit is geen Lamarckistische gedachte, ik denk wel degelijk in termen van populaties die het beter doen dan andere doordat een bepaalde half-culturele, half-fysieke verworvenheid daar dominanter voorkomt dan bij de andere
[47] sterker nog, de VOAP-dames zijn waarschijnlijk behoorlijk luidruchtig geweest; bij het verzamelen kun je maar het beste veel lawaai maken, zodat de slangen en ander ongedierte dat gevaarlijk is als je het overloopt, zich tijdig uit de ‘voeten’ maken
[49] Wilhem Schmidt (1868-1954), Oostenrijks taalkundige, antropoloog en etnoloog, boek Der Ursprung der Gottesidee
[50] dat is het kunnen invlechten van bijzinnen in je hoofdzin [Jan riep dat Piet had gezegd dat ‘ie zelf ook wel weet dat het morgen gaat dooien]
[51] antropoloog Daniël Everest verblijft al dertig jaar regelmatig bij hen; ze zijn ook wel een beetje apart: ze slaan geen voedsel op, kijken nooit verder vooruit dan één dag, praten nooit over iets uit het verre verleden of in de verre toekomst, ze leven echt in het ‘hier en nu’ en concentreren zich op de directe ervaring
[52] Washoe beheerst er 240 (volgens www.cwu.edu/~cwuchci/ )
[53] Fouts p.76
[54] www.cwu.edu/~cwuchci/
[55] serendipiditeit, het vinden van dingen die je niet zocht. Zoals in het oude Indiase sprookje de drie prinsen van Serendip telkens overkwam ( zie: http://livingheritage.org/three_princes-2.htm )
[56] Henk Spiering, 16 apr.’03 NRC)
[57] bekend is het tekeningetje dat stond voor [stier]: apis; dat werd het tekentje voor A; als je een A omdraait, zie je nog steeds het driehoekje dat voor de kop staat met de twee horens er boven uit stekend
[58] Bonobo, p.32
[59] C. Jordan Das Verhalten zoolebender Zwergchimpanzen, Frankfurt 1977
[60] Donald haalt Skinner Verbal Behaviour (1957) en Meyers aan bij het er op wijzen dat mensapen weinig controle hebben over hun stemgeluiden en dat de patronen ervan erg stereotiep zijn
[61] onbekendheid met de macht van de gebarentaal speelt de meeste taalkundigen nog steeds parten, blijkens het boek van Jean Aitchisson The Seeds of Speech Language Origin and Evolution (Vert. Het Spectrum, 1997 als De Sprekende Aap). Ze behandelt wel de optie van de gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen, maar wijst deze af als “niet waarschijnlijk” (p.89), en met als enige argument “ondoelmatig” : handenbindend en in het donker niet te zien
[62] Donald, 1995 p.42
[63] onze woorden komen beter ‘los’ wanneer we onze handen en ons overige lichaam mogen laten meedoen; de gesticulatie is ook een fractie sneller dan de articulatie
[64] Dat ik het begin van onze taligheid al in de australopithecinen-fase laat beginnen, zal voor menig deskundige moeilijk aanvaardbaar zijn, wanneer ze weten dat autoriteiten als Randall White, Richard Klein en Lewis Binford zelfs aan de Neanderthaler nog ieder vermogen tot talige communicatie ontzeggen. Tegenover dezen staan dan andere deskundigen als de paleo-neurologen Raph Holloway, Dean Falk en Terrence Deacon die de ontwikkeling van gesproken taal al op een vroeg moment in de menselijke historie plaatsen. Zoals ik doe, maar dan niet als gesproken taal maar als gebarentaal. En daar beginnen ook steeds meer onderzoekers van uit te gaan: Hewes, Corballis, Stokoe, Fouts, Wrangham e.a.
[65] als de Merapi onrustig is, durven de bewoners van de kampong aan de voet van de berg nauwelijks hardop te praten en al helemaal niet over de berg: dat zou getuigen van weinig respect voor ‘de oude heer’ (zoals ze de vulkaan aanduiden)
[66] John Hughlings Jackson (1835-1911), Engels neuroloog, en vernieuwend denker met brede interesse; belangrijke inspiratiebron voor de bekende Britse neuroloog Olivier Sacks (oa De man die zijn vrouw voor een hoed hield)
[67] Boyd % Silk How Humans Evolved (NY/London 2000) p.509
[68] beschreven door biologisch-antropologe Shirley C. Strump Moving The Pumphouse Gang” International Wildlife,1998
[69] nóg een mogelijkheid: vrouwen wisten dat je na een brand ook stokken met vuurgeharde punten kon verzamelen, als graafstok; en dat er een op het idee kwam om een vuurtje van een smeulende tak aan te houden om zelf een stok van een vuurgeharde punt te voorzien … ach, verzin zelf ook eens iets! [70] Boyd&Silk p.411
[71] Boyd&Silk p.429 Maar in een gesprek van Hendrik Spiering met primatoloog Jan van Hooff in VN 31 okt.’03 noemt Van Hooff 1.8 mjg als hij het heeft over Nariokotome Boy. Daar citeert deze ook nog de befaamde paleoantropoloog Alan Walker, leider van het team dat Nariokotome Boy gevonden had: Walker mijmert daarbij: “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een mens die een vreemdeling ontmoet, maar de dodelijk onwetende blik die ik gezien heb in de starende ogen van een leeuw.” Walker ziet in de HE dus geen mens maar een gewoon wild dier. Betekent dus dat Walker nog nooit een chimpansee of gorilla aangekeken heeft of zo’n mensapenblik op een foto gezien heeft!
[72] ik heb haar eens gemaild hierover, en ze zei dat ze nog steeds van mening zijn dat de HE’s nog geen mensen zoals wij waren … (jah, daar ging het natuurlijk niet over, maar een portrettekenaar gaat niet lopen kissebissen met een topwetenschapster)
[73] het multifunctionele stenen snij- en hakmes dat onze deskundigen slechts met lange ervaring en moeite kunnen maken
[74] Flores is altijd door een zeestraat van vasteland gescheiden geweest, ook gedurende de koudste momenten van de ijstijden … desondanks al 840.000 jg door HE-mensen gekoloniseerd, getuige de door Michael Morwood in 1998 in het Soa Basin van Centraal Flores opgedolven en gedateerde stenen HE-werktuigen
[75] zelf denk ik dat H. habilis nog een keer zijn H moet afstaan aan garhi en diens ap moet aannemen.
[76] net zo min als men aanneemt dat op de ‘nijlpaard’-vindplaats FLK-Noord in Oldowai het geslachte nijlpaard de maker van de drie kernen en de 150 afslagen is; of dat de reuzenbavianen waarvan resten op de bekende vindplaats Olorgesailie samen met heel veel stenen werktuigen te zien zijn, als de makers ervan worden beschouwd
[77] in het boek THE WISDOM OF THE BONES (1984), samen met zijn vrouw Patty Shipman. Overigens, haar heb ik hierover een mail gestuurd en ze antwoordt:” If you are asking do we still think the Nariokotome individual was not a human (not “us”), we both still believe that is true. “ Ja, dat beweer ik ook niet, dat NB een mens was zoals wij-nu. Maar het gaat om hún bewering dat hij een dier was zoals een leeuw dat is. Maar kom, een portrettekenaar gaat niet lopen kissebissen met een topdame zoals Pat Shipman!
[78] in zijn Science-artikel mei 2000
[79] Kathy Schick & Nick Toth Making Silent Stones Speak (N.Y.1993) en Ian Tattersall The Fossil Trail (Oxford U.P.,1995)
[80] zoals de Yanomamö, in The Fierce People van N. Chagnon (N.Y. 1983)
[81] De vellen waren niet alleen onmisbaar om er stenen of verzameld voedsel in mee te dragen, maar ook BABY’S!
Dat ze tweebeners geworden waren, had de nodige aanpassingen gevergd in de loop van een paar miljoen jaar (tussen 8 en 6 mjg), waaronder een heel ander bekken. Met een nauwer geboortekanaal! Dus onvolgroeidere, afhankelijkere baby’s! Langer van moederlijke zorg afhankelijk dan chimpansee-baby’s. Met als gevolg een langere jeugd- en leerperiode, een grotere onderlinge (sociale) afhankelijkheid en samenwerking binnen de groep en … het verschijnen van de oma (kennen mensapen niet).
[82] nou ja, uitroeien … het waren voedselconcurrenten en bovendien zijn apen voor apen het lekkerst, voor mensen trouwens ook. De erectusmensen waren veel groter, en beter bewapend. Misschien zijn de australopithecinen verdrongen door de groeiende erectuspopulaties, naar steeds voedsel-armere en geïsoleerde gebieden, en zodoende gewoon uitgestorven. Maar als je ‘t mij vraagt … gewoon opgevreten, en onlangs stuitte ik, in Boyd&Silk p.429, op een bewijs! In de Swartkransgrot (Transvaal) zijn in lagen met ercetuscontext (erectusfossielen en – werktuigen) geroosterde botten gevonden van hun prooidieren, waaronder van AP.boisei! (dat was een gorilla-achtige plantenetende AP)
[83] ik schrijf de fascinatie door de hersengrootte bij onze paleontologen vooral toe aan het feit dat die schedel-inhouden zo prachtig in cc’s te meten vallen. Taalonderzoeker Steven Pinker merkt hierbij snedig op dat dit eenzelfde soort reactie is als van de dronkelap die z’n sleutel verloren heeft en deze bij de lantarenpaal gaat zoeken: daar valt immers licht! En hij zegt ook nog: “Selectie op uitsluitend hersengrootte zou zeker punthoofden hebben opgeleverd, vanwege de vlottere bevallingen.”
[84] ik schrijf dat telkens vetgedrukt, omdat ik het gaan beheersen van het vuur zo betekenisvol vind terwijl er door de echte geleerden weinig of geen acht op wordt geslagen; de meesten houden vast aan een heel recente datum van het gaan gebruiken ervan, omdat tekenen van een vroeg gebruik pas kort geleden zijn gevonden
[85] de Britse neuroloog John Huglins Jackson (1835-1911), de ‘vader van de Britse neurologie’, bewonderd door Freud
[86] chimpansees zijn er beter in dan bavianen, bijvoorbeeld
[87] je ziet het in de dierentuinen veel: opgesloten dieren die urenlang heen en weer lopen langs de tralies; ‘ijsberen’; de olifant die urenlang op dezelfde plek staand ritmisch kop en slurf heen en weer zwaait, daarbij telkens de voorpoten kruisend
[88] ik vermoed dat die eerste vuurgebruikende VOAP-vrouwen het vuur nog als een levend wezen zagen dat je moest ‘voeden’ om het in leven te houden en dat doodging als je dat niet langer deed, of door een stortbui; ze hebben er tegen gebaard en het beweend als een dierbare overledene, fantaseer er maar op los. Maar in het droge seizoen hadden ze zo weer een nieuw vuur om te koesteren.
[89] twee jaar geleden nam ik met kameraad Ruud deel aan de Neanderthal Convention in Tongeren. Na afloop waren er een paar bezoeken aan naburige opgravingssites, met bussen. In Veldwezelt werden we gewezen op twee lagen waarin de restanten van een NT-kamp waren aangetroffen (vuurplaatsen, stenen werktuigen en prooidierbotten, o.a.); de diepste laag dateerde uit de warme Eemien-tijd (130.000 jg) en de bovenste was van 40.000 jg. Dus Ruud (en niet ik) stelde de voor de hand liggende vraag: is er verschil in werktuigtechniek te zien na die bijna 100.000 jaar! Geen enkel verschil! was het antwoord
[90] Klukhuhn vergelijkt dit gevoel met jet jezelf opbellen: doe je het met je huistelefoon dan krijg je een in-gesprek-toon en doe je het vanuit de telefooncel dan neemt er niemand op (Klukhuhn had toen nog geen mobieltje!)
[91] Fouts vertelt het schrijnende verhaal van de vrolijke Ally, de favoriete vriend van Washoe. Puur omdat de behavioristische psycholoog William Lemmon officieel zijn eigenaar was werd Ally uit de ‘familie Washoe’ weggehaald en verkocht aan een aidsonderzoekslaboratorium, waar hij zijn verdere dagen in eenzame opsluiting in een nauwe kooi moest slijten. Na twee jaar bezocht Fouts, in gezelschap van Jane Goodall, de gevangene. Deze herkende hem onmiddellijk en ontwaakte uit zijn lethargie. Maar na een half uur gebaren uitwisselen moest Fouts weer weg. Ally heeft er nog drie jaar geleefd alvorens vroegtijdig te overlijden.
[92] titel van een van mijn teksten; variant van het door Morris aangereikte thema de naakte aap, overgenomen door M.Corballis The lobsided ape. Oxford Univ.Press 1991 (erg goed boek) en Jean Aitchison De sprekende aap. Spectrum 1997 (minder).
[93] het beste referaat over hem wat ik gelezen heb, is van Ciano Aydin (Aramees van geboorte) en Pieter Lemmens en het heet: “Nietzsche’s en Heideggers offensief tegen het humanisme”. Beide filosofen zijn medewerker aan de Universiteit Nijmegen.
[94] je ziet de fenomenologen al in hun schulp kruipen voor deze strenge portrettekenaar!
[95] ‘eer’ is een denkbeeld uit de machistische stammenwereld; de moslimcultuur hangt daar nog zwaar in; de westerse cultuur is al voor een groot deel bevrijd van de stam-mentaliteit; omdat niemand het voor ’t kiezen heeft gehad in welke cultuur hij geboren is, is stam-mentaliteit dus niemand kwalijk te nemen; maar lastig is het wel; alleen het ook in die wereld dóórbreken van de vrije markt en de democratie kan hen er van bevrijden
[96] Niet dat ze macht over de mannen hadden. Natuurlijk niet: een man is 15 % sterker dan een vrouw (puur als gevolg van de taakverdeling) en heeft altijd over de wapens beschikt. Maar ueberhaupt hebben de mensen nooit macht uitgeoefend over elkaar, zelfs niet over hun kinderen. In 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben onze voorouders geleefd als Verzamelaars/Jagers (VJ’s), en in al die lange-lange VJ-tijd die onze menselijke natuur bepaalt – maar daarover gaat mijn tekst “De menselijke natuur”—waren onze voorouders gezond en gelukkig en hadden volledig respect voor elkaar, voor hun kinderen, voor de dieren en de hele natuur. We verlangen er nog steeds ten diepste naar terug, naar dat ‘verloren paradijs’.
[97] Daniel Dennett Consciousness Explained (Back Bay Books 1992), vertaald als Het bewustzijn verklaard
[98] De nieuwe groep bleef contact houden met de stamgroep, ze bleven van elkaar afhankelijk vanwege huwelijkspartners, grondstoffenruil, gezamenlijke jachten, feesten en stamrituelen. De verspreiding ging met een ‘snelheid’ van 16 km per jaar.
[99] dichters zijn ook scheppende kunstenaars, en zo voelen ze zich ook vaak. Willem Kloos dichtte: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten …”
[100] hebben we nog steeds een handje van, in de oorlog hadden we het over ‘de mof’ (de Duitsers); en ‘de Amerikaan’ denkt hier anders over dan ‘de Engelsman’
[101] de Grote Voorouder is onveranderlijk noch man noch vrouw, en dat klopt: het is een groep! Vaak is Hij/Zij half dier half mens
[102] de meeste aboriginals hebben hu n levensmoed verloren nu hun stamgebied, hun Verhaal, hun wereld door oppermachtige bezetters in beslag genomen is
[103] Van Dale: religie (van lat. relegere: weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen). Godsdienst en religie worden door gelovige schrijvers consequent door elkaar gehaald. Samuel IJsseling is de eerste die ik in Trouw het onderscheid wel zag maken (heb ik helaas niet uitgeknipt, zo belangwekkend was de rest nou ook weer niet, en nu regent het dus ik loop nou niet naar de schuur, je kunt me wat!)
[104] hebben we nu nog steeds een handje van! “Moet je die ondeugende grijns zien!” jubelen de moeders zogenaamd afkeurend over hun jongetjes. Doen ze nooit bij hun meisjes. En “‘t Is toch zo’n kleine boef!” roemt papa goedkeurend.
[105] hier stond eerst ‘patriarchaat’, maar ik vind dat woord iets eerbiedwaardigs hebben, terwijl de onderdrukking van vrouwen door de mannen niets eerbiedwaardigs heeft; dus gewoon: machisme
[106] waarom? omdat zich dan die merkwaardige Grote Sprong Voorwaarts in steentechniek, jachtbewapening (speerwerper, pijl en boog), sieraden en grottenschilderingen begint af te tekenen, die door mij als een afscheid van het vrouwelijke cyclische denken en de overgang op het mannelijke lineaire vooruitgangsdenken wordt geïnterpreteerd
[107] Richard Wrangham and Dale Peterson Demonic Males. London 1996
[108] Matt Ridley, The Origins of Virtue (Oxford, 1996). Vert. De oorsprong van de moraal. Contact 1997
[109] Mohammed was voor zijn tijd van een ‘revolutionaire’ vrouwvriendelijkheid, en in de laatste toespraak die hij, kort voor zijn overlijden hield, drukte hij de mannen op het hart om aardig te zijn voor hun vrouwen. En “Het paradijs ligt onder de voeten van uw moeder.”
[110] vert. Onze Soort. De Kern, Baarn 1990
[111] vandaar dat ik in mijn schets Een nieuw Groot Verhaal (70 pag.) er voor pleit om aan dit IDEE een serieuze discussie te wijden

LITERATUURLIJST

Ik heb veel teksten en bij ettelijke ervan figureert deze ‘uniforme’ en telkens aangevulde literatuurlijst. Hij is bij geen enkele tekst adequaat in de zin van: enkel de auteurs weergevend die in de tekst worden aangehaald. Hij dient meer als algemene weerspiegeling van mijn geestelijke bagage. Heel onwetenschappelijk. Mijn teksten zijn evenmin wetenschappelijk. Mijn hele project: het nieuwe Grote Verhaal, is geen wetenschappelijk project maar meer een sociaal-religieus project. Maar de er bij gebruikte informatie is dat wel, en er wordt ook uit geen enkele andere bron dat uit die der wetenschappen geput.
De namen van de auteurs die het meest bepalend voor mijn theorievorming zijn, geef ik vet weer. Het zijn er ruim twintig, tot nu toe. Mijn top-vijf uit het hoofd? Frans de Waal, Roger Fouts, Ad Borsboom, John Gowlett en Hugh Brody.
Wat hier niet bij kan staan maar wat een even belangrijke bron is, is wat ik allemaal download van het internet. Dat gaat grotendeels over archeologie. Ik bind de uitgeprinte teksten in, op een handige manier die ik van plan ben op mijn website weer te geven (de foto’s liggen er al lang voor klaar maar het is veel werk en de teksten zelf zijn al zo’n klus).  De boeken tellen meest 150 – 200 A4’s. De boeken worden van een harde kaft voorzien, genummerd, krijgen elk een titel, ook op de rug. En paginanummering. Omdat de inhoud een willekeurig samenraapsel is van dl’s, worden de titels ervan op de voorzijde geschreven, hetgeen het terugvinden makkelijk maakt. Ik ben nu bezig met dl 359, hetgeen neerkomt op ruim 4 meter dl’s. Dat wordt helaas alleen maar meer en ik ben kleinbehuisd.
Even belangrijk zijn de knipsels uit de vier kranten die ik bijhoud: Trouw, De Volkskrant, NRC en De Gelderlander. De knipsels zitten (de kolommen losgeknipt, tot één strook gelijmd, opgemeten en gedeeld door (meestal) 5, ingeplakt in plakboeken, gemaakt van tabloidformaat spul wat in de brievenbus van een portrettekenaar belandt en toch niet gelezen wordt. Elk plakboek telt ruim 200 pagina’s. Elk plakboek is genummerd en gepagineerd (nu is pb 39 onderhanden), zodat elk knipsel terug te vinden is via ettelijke kaartsystemen, op onderwerp.
Dan hebben we nog de weekbladen en periodieken Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, Filosofie Magazine, National Geographic Magazine, De Vrijdenker, Kunst & Cultuur, en zo nog een en ander. Wordt allemaal uitgespeld.
Houdt je wel van de straat, zo’n project.

Abu Zaid, Nasr H. – Mijn leven met de islam (Haarlem, 2002)
Adovado J.M., Olga Soffer & Jake Page – The invisible sex (NY 2007)
Aitchisson, Jean – De sprekende aap (Spectrum, 1997)
Angier, Nathalie – De Vrouw. De waarheid over het vrouwelijke lichaam. (Amst. 1999)
Armstrong, Karen – Een geschiedenis van God (Baarn, 1993)
Armstrong, Stokoe & Wilcox – Gesture and the nature of language (Cambr. 1997)
Azawa, Takeru e.a. – Neandertals and Modern Humans in West Asia (New York, 1998)
Beck, Ulrich – De wereld als risicomaatschappij (De Balie, 1997)
Besten, G.J. den – Mens en Medemens (Gron. 1995)
Beus, Jos de – Economische gelijkheid & het goede leven (Contact, 1993)
Blokland, Hans – Publiek gezocht (Boom, 1997)
Borsboom, Ad – De clan van de Wilde Honing (Becht, 1997)
Boyd & Silk – How Humans Evolved (New York/London, 2000)
Brown, Donald E. – Human Universals (McGraw-Hill Inc., 1991)
Bruemmer, Fred – Leven met de Inuit (Atrium, 1993)
Burling, Robbins – The Talking Ape (Oxford Univ. Press, 2005)
Buskes, Chris – Evolutionair denken (Amsterdam, 2006)
Byrne, Richard – The Thinking Ape (Oxford UP 1995)
Calvin, William – De rivier die tegen de berg op stroomt (Amst. 1994)
– De opkomst van het intellect (Amst. 1994)
– De speurtocht naar intelligentie (Contact, 1996)
Cambridge Encyclopedia of Human Evolution (CUP 1992)
Cavalli-Sforza, L. en F. – Wie zijn wij? (Amst. 1994)
Chagnon, Nap. – Yanomamö, The fierce people (New York, 1983)
Chaisson, Eric – Cosmic Evolution: The Rise and Complexity in Nature (HUP 2001)
Claessen, e.a. – Inleiding tot de culturele antropologie (Den Bosch, 1989)
Clarke, Robert – Naissance de l’Homme E. du Seuil, 2001)
Collins, Desmond – The Human Revolution (Oxford, 1976)
Condé, Maryse – Ségou (Amst. 1993)
Corballis, Michael – The Lopsided Ape (New York, 1991)
Damasio, Antonio – De vergissing van Descartes (Werld. 1996)
– Ik voel dus ik ben (Wereldb. 1999)
Darwin, Charles – De autobiografie van (Uitg. Nieuwezijds, 2000)
– Over het ontstaan der soorten (vert. Uitg. Nieuwezijds, 2000)
Deacon, Terrence W. – The Symbolic Species (New York, 1998)
Debat over de moraal. Uitg. Trouw, 1996
Delfgaauw, Bernard – De Mens en zijn Rechten ( Kampen, 1993)
Dennett, Daniel C. – Het Bewustzijn Verklaard (Contact, 1993)
Diamond, Jared – The third chimpanzee (Harper P. 1993)
– Guns, Germs and Steel (New York, 1997)
– Why Is Sex Fun? (Science Masters, 1998)
Dobzhansky – De biologische en culturele evolutie van de mens (Aula, 1962)
Doeve, prof.dr J.W. – Het Palestijnse Jodendom Tussen 500 vóór en 70 na Chr. (Utrecht 1975)
Donald, Merlin – Origins of the Modern Mind (Harvard UP, 1991)
Donner, Florinda – Shabono (Baarn, 1982)
Draulans, Dirk – De mens van morgen (Atlas, 1998)
Droste, Flip G. ( red.) – Het neefje van de aap (Leuven, 2003)
Dunbar, Robin – Grooming, Gossip and the Evolution of Language (London, 1996)
Dijksterhuis, Ap – Het slimme onderbewuste (Amst. 2007)
Ehrenberg, Margaret – Women in Prehistory (London, 1995)
Ellwood, Wayne – De feiten over globalisering (Novib, Lemniscaat, 2003)
Evolutie van de Mens. 21 auteurs onder red. Natuur&Techn. ( Maastr./Brussel, 1981)
Fasani, Leone – Archeologia (Helmond, 1981)
Finkelstein, I. en Silberman, N.A. – David and Solomon (FreePress 2006)
Fouts, Roger – Next of Kin (Living Planet Press, 1997)
Freke, Timothy & Gandy, Peter – The Jesus Mysteries (NY, 1999)
French, Marilyn – Een vrouwelijke geschiedenis van de wereld (Amst. 1996)
Galdikas, Biruté – De spiegel van het paradijs (Atlas, 1997)
Gellner, Ernest – Rede en Cultuur (Wereldb. 1995)
Giel, R. – De Vreemdeling. Relaas van een arts ver van huis (Utrecht, 1999)
Gilmore, David – De man als mythe (Yale Univ. 1990, Amst. ’93)
Gimbutas, Marija – The Language of the Goddess (London, 1998)
Glasenapp, Helmuth von – Die nichtchristichen Religionen (Fischer B., 1957)
Good, Kenneth – Into the heart (New York, 1991)
Goodwin, Jan – De tol van de eer (Bruna, 2002)
Goudsblom, J. – Vuur en beschaving (Amst. 1992)
– Het regime van de tijd (Amst. 1997)
– Mappae Mundi (met B. de Vries e.a.), (AUP 2002)
Gould, S.J. e.a. – Verslag van het Leven (Schuyt, 1993)
– The Panda’s Thumb (New York, 1980)
Greenspan, Stanley I. – De ontwikkeling van intelligentie (Contact, 1998)
Grind, Wim van de – Natuurlijke intelligentie ((Amst. 1997)
Harris, Marvin – Culture, People, Nature (New York, 1988)
– Our Kind (vert. Onze Soort, De Kern, 1989)
Hemleben, Johannes – Darwin (RoRoRo, 1968)
Hoogerwerf, A. – Elites in de Democratie (Tjeenk W., 1997)
Hooff, Jan van – Aspecten van het sociale gedrag etc. (Rott. 1971)
Hove, Chenjerai e.a. – Hoeders van de Aarde (Schuyt&Co, 1997)
Hulspas, Marcel – En de zee spleet in tweeën (Fontaine Uitg. 2006)
Jackendoff, Ray – Taal en de menselijke natuur (vert. Spectrum, 1996)
Jones, Martin – Feast. Why Humans Share Food (Oxford UP, 2007)
Julien, Paul – Kampvuren langs de evenaar (1951)
Kerkhof, Bas van – Een hekel aan geraniums (Afasie Vereniging Ned., 2003)
King, Barbara – De Spirituele Aap (Ten Have, 2007)
Klinkenberg, Gerard van – De mens als natuurverschijnsel (De Beuk, 1997)
Klukhuhn, André – Sterf oude wereld (Amst. 1995)
– De geschiedenis van het denken (Amst. 2003)
Koenis, Sjaak – Het verlangen naar gemeenschap (Amst. 1997)
Kramer, Samuel Noah – Mesopotamien. Frühe Staaten an Euphrat uns Tigris (RoRoRo, 1971)
Kunneman, Harry – Van theemutscultuur naar walkman-ego (Boom, 1996)
Kurlansky, Mark – Zout. Een wereldgeschiedenis (Anthos, 2002)
Landes, Davis S. – Arm en Rijk (Het Spectrum, 1998)
Landmann, M. – Filosofische Antropologie ((Utrecht, 1971)
Lange, Frits de – Gevoel voor verhoudingen (Kampen, 1997)
Lanpo, Jia – Early Man in China (Foreign Lang.Press, Beijing, 1980)
Leakey, Richard E. – De Oorsprong van de Mens (Natuur&Techn. 1982)
Lemaire, Ton – De indiaan in ons bewustzijn (Ambo, 1986)
– Twijfel aan Europa (Baarn, 1990)
Lévi-Strauss, Claude – Het trieste der tropen (Editie SUN, 1985)
Lewin, Roger – The Origin of Modern Humans (New York, 1993)
Lewin, Roger & Foley, Robert A. – Principles of Human Evolution (Blackwell, 2004)
Lindijer, Koert – Een kraal in Nairobi (Amst. 1995)
Mayr, Ernst – Toward a new philosophy of biology (Harvard UP, 1988)
Meijer, Fik – Paulus’ zeereis naar Roma. Een reconstructie. Amst. 2000
Middel, Bert – Politiek handwerk (Amst. 2003)
Maybury-Lewis, David – Millennium (New York, 1992)
Miles, Jack – God. Een biografie (New York, 1996)
Miles, Rosalind – The Women’s History of the World (1989)
Mithen, Steven – The Prehistory of the Mind (London, 1996)
– After the Ice (Harvard UP, 2003)
Moerman, P. – Op het spoor van de Neanderthal-men (Baarn, 1977)
Monbiot, Geaorge – Niemandsland. Een speurtocht door Kenia en Tanzania (Atlas, 1994)
Morgan, Elaine – Sporen van de evolutie (Ambo, 1996)
– The Descent of the Child (Penguin Books, 1994)
Moussaieff Masson, Jeffrey & Susan McCarthy – Wanneer olifanten huilen (Amst. 1995)
Mulder, Eildert & Milo, Thomas – De omstreden bronnen van de islam (Zoetermeer 2009)
Oxford Linguistics – Language Origins. Perspectives on evolution. Ed. by Maggie
Tallerman. (Oxford Univ. Press, 2005)
Paling, Kees M. – Het Fin de siècle als Uitdaging (Ambo, 1996)
Peyrony, E. & L. Casalis – Notions de Préhistoire (Perigeux, 1975)
Pinker, Steven – Het Taalinstinct (Contact, 1994)
Roele, Marcel – De eeuwige lokroep (Contact, 1997)
Rudgley, Richard – Het Stenen Tijdperk (Baarn, 1999)
Rijk, L.M. de – Religie, Normen en Waarden. 2e dr. 2008 Bert Bakker
Sapolsky, Robert M. – Herinneringen van een mensaap (Contact, 2001)
Schilder, Marian & Max Lebouille(red.) – De evolutie de baas (AUP 1998)
Schilling, Govert – Tweeling Aarde (Wereldb. 1997)
– De jacht op superexplosies (Wereldb. 2000)
– De kosmos in een notendop (Amst. 2001)
– Wat was er voor de oerknal? Haarlem, 1995)
Schlegel, Stuart A. – Wijsheid uit het regenwoud (BZZTôH, 1999)
Schuster/Smits/Ullal – De Denkers van de jungle (Tandem Verlag GmbH, 2008)
Sierat, Joop – Rapádaba. Mensen aan de Wisselmeren van Irian Jaya (Bergen, 1999)
Slurink, Pouwel – Why some apes became humans (proefschr. 2003)
Spier, Fred – The Structure of Big History (Amst.Univ.Press 1996)
Stanford, Craig – Significant Others (New York, 2001)
Stanley, Steven S. – Children of the Ice Age (New York, 1996)
Stokkom, Bas van – Emotionele democratie (Amst. 1997)
Stone, Merlin – Eens was God als vrouw belichaamd (Servire, 1979)
Störig, H. – Geschiedenis van de filosofie 1 en 2. (Aula, 1959)
Swaan, Abram de – De mensenmaatschappij (Bakker, 1996)
Swierstra, Tsjalling – De sofocratische verleiding (Kampen, 1998)
Tas, Filip – Volken en Stammen (Amst.Boek, 1976)
Tattersall & Schwartz – Extinct Humans (new York, 2000)
Taylor, Charles – Wat betekent religie vandaag? (Klement, 2003)
Thomas, Herbert – Human Origin (1995)
– L’Homme avant l’Homme. Le scenario des origins (Galimard, 1994)
Tokarev, S.A. – Die Religion in der Geschichte der Völker (Köln, 1968)
Turnbull, Colin M. – The Forest People (NY, 1962)
Veer, Peter van der – Islam en het ‘beschaafde’ Westen (Amst. 1993)
Verhoeven, Paul – Jezus van Nazaret (Amst. 2008)
Verlinden, Peter – Hutu en Tutsi. Eeuwige strijd (Leuven, 1995)
Vroon, Piet – Intelligentie (Sesam, 1980)
– De Wolfsklem ( Ambo, 1992)
– De mens als metafoor (met Douwe Draaisma) (Baarn, 1985)
Waal, Frans de – Chimpansee Politiek ((Amst. 1982)
– Van nature goed (Contact, 1996)
– Bonobo (Kosmos, 1997
– De aap en de sushimeester (Contact, 2001)
Walter, Ulrich – Buitenaards leven. Zijn wij alleen in het heelal? (Natuur & Techn. 2002)
Watson, Peter – The modern mind (Harper/Collins, 2001)
Watson, Lyall – De Regenmaker (Karnak, 1982)
Westerman, Frank – De graanrepubliek (Atlas, 2001)
Wilson, Edward O. – On Human Nature (New York, 1978)
– The Biophilia Hypothesis (Island Press, 1993)
– Het Fundament. Over de eenheid van kennis en Cultuur (Contact, 1998)
Willoughby, Pamela R. – The evolution of Modern Humans in Africa (Altamira Press, 2007)
Wilson, Hilary – Het volk der farao’s (Bosch&Keunig, 1998)
Wrangham & Peterson – Demonic Males (London, 1997)

commentaren