Mens2000

Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

Waartoe zijn wij op Aarde?

Impressie van de Aarde in kwestie. Zij is een planeetje rond het kleine gele sterretje dat je met een goed vergrootglas nog net kunt ontwaren halverwege twee van de buitenste armen. Om het unieke micro-planeetje Aarde te zien heb je een microscoop nodig. Bedenk hierbij dat onze Melkweg (deze ‘impressie’ laat hem zien van bovenaf of onderaf, maar vanaf Aarde zien wij ‘ons’ sterrenstelsel van de zijkant, als een lichtende baan aan de nachtelijke hemel) slechts één van de honderden miljarden sterrenstelsels is van het heelal. De sterrenstelsels bevinden zich meest in clusters. Tussen die clusters in is het heelal vooral leeg, op de zg. donkere materie na, een van de grote problemen van de kosmologie. Ach, we weten nog maar zo weinig. Maar zelfs dit ene besef is al zo veel meer dan de oude kerkvaders wisten …

door

Frans Couwenbergh

(update 14 feb.07
INHOUD

Inleiding

Hoofdstuk I over het verhaalloos worden van onze samenleving

Hoofdstuk II ons aller ontstaansverhaal

Besluit

inleiding

“Waartoe zijn wij op aarde?”

Dat vraagt de lezer(-es) van deze site zich af, anders had zij/hij de tekst niet opgezocht.

Voor mij betekent dit dat geachte lezer(-es) dan een oudere ex-katholiek moet wezen!

Waarom? Omdat deze vraag letterlijk de eerste is uit de catechismus, die elk katholiek kind in de jaren vijftig van de vorige eeuw[1] in de eerste vier leerjaren van de lagere school uit het hoofd moest kunnen opdreunen. Ik weet niet of de kinderen met ouders van andere confessies beter af waren maar voor ons – ik heb er ook aan moeten geloven – was het een plaag. (Nou ja, de onderscheidingsdrang welke mij toen al kenmerkte, maakte het kunnen opdreunen voor mij ook een prestigemogelijkheid.)

Waarom ex-? Wanneer u nog steeds praktiserend katholiek zou zijn, lag het antwoord voor u al vastgelegd in uw denken. En: dan bezocht u geen sites als deze.

U bent hier als ex- helemaal aan het juiste adres. U krijgt hier niet alleen uitleg hoe u ex- bent gewórden – ook al is het nog zo’n individueel gevecht, de omstandigheden waarin u in gevecht geraakt bent liggen buiten u – maar ook hoe u nieuwe zingeving kunt verwerven, die ook nog eens meer aan uw diepste wensen tegemoet komt. Want dat is het waar uw vraag in wezen om draait: om zingeving.

Evengoed een rare vraag eigenlijk. Hij veronderstelt een Bedoeler. Een Hoger Wezen dat uw er-zijn, of van ons (mensheids-) er-zijn bedoeld heeft. Uw vraag zou dan luiden: wat heeft de Bedoeler met mijn of ons er-zijn voor? En dan ook nog: “op aarde”! Net of iemand ook ergens anders zou kunnen toeven. Als je even naar die Melkweg-impressie kijkt op het titelblad, weet je al genoeg. De catechismusvraag gaat er van uit dat u in een hemel gelooft waar u, althans uw ziel, na uw overlijden voortleeft (voor zover een ziel leeft dan). Maar dat geloof heeft u verlaten (om het even wat in dit zinnetje onderwerp of lijdend voorwerp is).

Maar aan deze onzin denkt u allemaal niet, u bedoelt gewoon: wat is de zin van mijn leven en ons samenleven, nu de zingeving van vroeger is weggevallen. En dat vraagt niet alleen u, ex-katholiek, zich af maar ook heel wat jongeren die nooit ‘iets’ zijn geweest. Ik citeer de 26-jarige acteur Thijs Römer, in het interview in de Volkskrant van 19 februari 2005 (braaf plakboek!): ‘Als ik niet werk, als ik niets doe, krijg ik last van de hamvraag. Wie ben ik en waarom ben ik hier? Daar heb ik dus geen antwoord op.’

Een heel menselijke vraag dus, waarop al lang een bevredigend antwoord had moeten klaarliggen. Voorgebakken door mensen die er in doorgeleerd hebben. Door onze filosofen dus. Waar dienen die anders voor? Wat voeren die lui uit eigenlijk?

Wees er maar van verzekerd dat die meer uren maken dan een bouwvakker, zonder er meer voor betaald te krijgen. Maar waar ze het dan zo stervensdruk mee hebben, daar schieten u en ik vaak weinig mee op, inderdaad. We krijgen het er nog over.

Wat is de zin van uw leven en van ons samenleven, daar bent u naar op zoek en daar hoop ik zinnige dingen over naar voren te brengen.

we zijn alleen

Dat moet ik vooropstellen. Er is geen Bedoeler, geen Hogere Macht die “has got the whole world in His hands”. Net als The Brights[2] ga ik er van uit dat u inmiddels een ‘naturalistische’ kijk op uw bestaan hebt – hetgeen inhoudt dat u niet langer gelooft in een voortbestaan na het overlijden, in een hemel of wat dan ook.

Voor iemand die nog nooit, zoals ik op de Daalseweg in Nijmegen in mijn derde studiejaar (1960), of iemand anders op een andere willekeurige plek en op enig moment, tot zich heeft laten doordringen dat we echt alleen zijn, op deze schitterende blauwe planeet die haar rondjes draait rond een geel sterretje in een overal[3], zelfs binnen het eigen zonnestelsel, onherbergzaam heelal – voor die vrouw of man is het een moeilijk te verteren gedachte dat ons bestaan niet door een Hoger Wezen geschapen of bedoeld is. De gedachte dat er echt niemand is die alles op de wereld in Zijn handen houdt, geen Alles-bestierder of Hoger Wezen, deze gedachte is voor de meeste mensen met een godsdienstige achtergrond ondraaglijk licht. Want dan wordt de catechismusvraag “Waartoe zijn wij op aarde?” ineens een echte vraag en is het geïndoctrineerde antwoord foetsie.

Als je dan (ik toen op de Daalseweg) na vaak al jaren door deze enge gedachte belaagd te zijn geweest, op zeker moment jezelf voorneemt om God definitief uit je mens- en wereldbeeld weg te gummen en tot je te laten doordringen dat we écht alleen zijn … ervaar je even een gevoel van existentiële verlatenheid. Je voelt heel even, dwars door eventuele zonnewarmte heen, de kou van het immense heelal onze dwergplaneet overvallen. Maar dan kijk je om je heen en zie je dat de mensen op straat gewoon hun boodschappen blijven doen en dat onze wereld gewoon doordraait zoals ze dat al 4,57 miljard jaar doet.

Vanaf dat moment voel je, heel gek, wel meer de medeverantwoordelijkheid om dat planeetje zo leefbaar mogelijk te houden. En voel je je meer met je medemensen verbonden. Omdat we het hier samen moeten zien te redden.

Er is voor een naturalistisch in het leven staand mens geen ander antwoord op uw vraag Waartoe zijn wij op aarde? te geven, dan: nergens toe. Er is geen Bedoeler die u of mij of de mensheid geschapen heeft. We zijn gewoon op aarde gegroeid, als één van de vele levensvormen. We zijn er gewoon, en we moeten er het beste van zien te maken.

Wel een beetje kaal en kil antwoord. Maar ik beloof u dat deze tekst u een veel rijker mens- en wereldbeeld zal bieden dan het oude dat u verloren hebt.

onze filosofen

We zijn één van de vele levensvormen. Maar wel een heel unieke en afwijkende.

Over hóe we dat geworden zijn – ook een goeie vraag toch? – weten onze filosofen ook al geen antwoord aan te dragen. En als je hen die vraag toch stelt, dan antwoorden ze dat het een heel goeie vraag is! En dat het er maar vooral om gaat, de juiste vragen te stellen!

Nee, aan antwoorden doen ze niet. Hooguit komt er een filosoof met de flauwiteit dat we juist heel blij mee moeten zijn[4] dat het leven geen zin heeft.

Ja, ik doe nu de vele prachtige filosofen die ons taalgebiedje alleen al telt, zwaar onrecht, en ik schaam me bij voorbaat. Maar waarom is er dan geen antwoord zoals deze tekst op die goeie vraag wél biedt, van de hand van welke filosoof dan ook?

Het kan overigens erger. De aan de weg timmerende rechtsfilosoof Hans Kinneging roept: “De mens is van nature een “woeste barbaar, die zonder bedenken moordt en rooft.” (Trouw, Letter&Geest, 30 mrt. ’96). En hij kan dat straffeloos roepen ook nog. Omdat er geen boek is waarin de menselijke natuur wordt beschreven[5]. Niet dat hij in zijn boude stellingname door alle filosofen wordt bijgevallen, maar er is ook niemand die hem met argumenten weerspreekt.

Je voelt met je klompen aan dat hij het mis heeft. Ook al gebeurt er van alle mogelijke rottigheid in de wereld, je ziet toch elke dag ook het tegendeel van de ‘woest barbaar’ om je heen. De tv-reclames laten altijd een aardig mensbeeld zien. Mensen nemen het normaal op voor elkaar, zijn aardig voor elkaar en springen in het water om een drenkeling te redden. En wanneer dat onverhoopt een keer niet gebeurt, is iedereen ontzet. In de verwarrende eerste uren van de stroomuitval waren de Newyorkers aardig voor elkaar, zo kopte de krant[6]. En zo schieten u zelf ook genoeg voorbeelden te binnen. Voor menig filosoof was het een gegeven dat wij uit onszelf naar het goede verlangen en dat ook doen zonder welk kerkelijk gebod dan ook, en voor Immanuel Kant (1724-1804) die ook vandaag nog als topfilosoof geldt, was het zelfs een cathegorisch imperatief.

Is dat aardige dan soms tegennatuurlijk gedrag, Kinneging? Als mensen van nature gewelddadig en misdadig zouden zijn, zouden wij toch geniéten van oorlog en geweld, immers zo lekker in de lijn van onze natuur liggend? En zouden wij kwaadaardig gedrag bij onze kinderen toch juist aanmoedigen? Het tegendeel is het geval: wij balen als een stekker bij zinloos geweld, en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes, bloemen en beertjes.

Waar haalt zo’n filosoof toch dat onjuiste, ontmoedigende en dus contraproductieve mensbeeld vandaan? Het simpele antwoord is: filosofen hebben nooit anders geleerd in hun opleiding. Voor de oude filosofen was ‘de mens’ ook ten kwade geneigd. En het postmodernísme heeft onze filosofen al helemaal tot geestelijke impotentie gebracht.

Dat met de natte vinger tot stand gekomen negatieve mens-idee kun je de oude Grieken noch Thomas Hobbes kwalijk nemen: die hadden nog geen menswetenschappen tot hun beschikking om tot een gefundeerd standpunt inzake de menselijke natuur te komen. Voor onze filosofen zijn die kennisbronnen intussen volop beschikbaar, maar ze doen er vooralsnog niets mee. Van de ene kant heb ik daar begrip voor: filosofen zijn ook maar mensen, staan onder druk van colleges geven, van vakliteratuur bijhouden en publiceren; vaak ook van deelnemen aan de maatschappelijke discussie en dus dag- en weekbladen bijhouden; en ze hebben ook nog man/vrouw en evt. kinderen die ze niet mogen verwaarlozen, noch hun relaties. Het je dan ook nog eens op een veelheid van andere vakgebieden begeven (en dat is een onvermijdelijke eis) om de menselijke natuur te reconstrueren is eigenlijk niet meer te behappen. Van de andere kant : we kunnen niet blijven voortmodderen met dat oude patriarchale, ontmoedigende en contraproductieve mensbeeld.

De westerse filosofie, geboren met de eerste vormen van vrije markt: in de Griekse stadstaten, begon als natuurfilosofie en met een bereidheid tot het onderzoeken van alle dingen. Het zou in de rede liggen dat met de doorbraak van de echte vrije markt in de jaren zestig de filosofie opnieuw natuurfilosofie zou worden, dus met weetgierige ogen op de groeiende inbreng van alle mens- en natuurwetenschappen. Maar door weet ik welke oorzaak (invloed van de existentiefilosofie misschien?) is de continentale filosofie van de Tweede Wereldoorlog decennia lang door de foute Heidegger gedomineerd geweest. Reden waarom ik in mijn studententijd de filosofiecolleges al gauw voor gezien hield.

De Amerikaanse filosofie heeft daar minder last van gehad. Het oog houden op de inbreng van alle mens- en natuurwetenschappen is een instelling die door de Amerikaanse[7] filosoof Rorty bepleit wordt. De filosoof moet weer een uomo universale worden: iemand die kennis neemt van een veelheid van disciplines zonder zich in één ervan te verdiepen of er een bijdrage aan te willen leveren, zo vindt Rorty.

De werkelijkheid is dat de filosofie zelf al lang is uiteengevallen in een veelheid van subdisciplines. Oké, één van die subdisciplines dan, de filosofische antropologie? Michael Landmann schrijft in zijn standaardwerk Philosophische antropologie (Berlijn, 1964): “De duiding die [de mensheid] van zichzelf geeft, haar voorstelling van zichzelf, van haar wezen en haar bestemming, blijft niet zonder invloed op hetgeen zij daarna ook feitelijk is”. En: “Iedereen voelt vaag dat de vraag naar de mens onze beslissende vraag is.”

Het lijkt dat het fenomenologische getheoretiseer in het voetspoor van Husserl, Heidegger, Gadamer of Ricoeur , wat ik nooit anders heb kunnen zien als betaald hobbyisme van filosofen naar wier talenten maatschappelijk relevanter onderzoek kon fluiten, eindelijk wordt beëindigd. Aan de Universiteit van Amsterdam, het bolwerk ervan, worden de laatste beoefenaars ondergebracht bij de letterenfaculteit, zo las ik in De Groene van 23-9-2000.

Hopelijk gaat de wens van Landmann en Rorty nu in vervulling en gaat er nu door echte vaklui gewerkt worden aan het antwoord op uw vraag: “Waartoe zijn wij op aarde?”

Maar ik betwijfel of hun antwoorden het zullen halen bij wat ik u te bieden heb. Want het blijven filosofen, die vooralsnog geen kaas gegeten hebben van de menselijke natuur.

Hoofstuk I

Over het verhaalloos worden van onze samenleving

de vrije markt en haar televisie

Hoezo ‘verhaalloos’?

Mensen hebben vanaf de vroegste tijden van hun mens-zijn – daarbij moet je denken aan zo’n beetje twee miljoen jaar! – hun leven en wereld altijd beleefd als deel uitmakend van hun scheppingsverhaal. Dat doe ik in hoofdstuk II uit de doeken, dus hier moet u dat nog even gewoon aannemen. Toen de mensen vijfduizend jaar geleden in klassenmaatschappijen kwamen te leven, was het de elite die haar positie legitimeerde met het heersende Verhaal, al dan niet bij monde van een met haar solidaire priesterklasse. Vroeger functioneerde hier het christendom als het heersende Verhaal. Vandaag is driekwart van de mensen buitenkerkelijk en functioneert het niet meer.

Geen heersend systeem zonder een heersend verhaal. Mensen kunnen niet goed samenleven zonder dat er in hun samenleving een verhaal heerst dat de zin geeft aan hun samenleven. Deze tekst draait zo’n beetje om de uitleg over deze menselijke conditie, dus het gaat allemaal heel helder worden. Ik volsta hier even met de constatering dat we een heersend Verhaal nodig hebben om goed te kunnen samenleven, en dat de problemen van ons samenleven vandaag voor een groot deel zijn terug te voeren op het ontbreken ervan. Waarom, of waardoor zijn bij ons de kerken leeg gaan lopen?

Eind vorige eeuw was ik, onderweg naar een werkplek, oorgetuige van een radiodiscussie met een viertal P.I.’s (‘Publieke Intellectuelen’). De vraag was wat er nou in de aflopende eeuw als belangrijkste fenomeen moest worden aangetekend in het boek der geschiedenis. Er werd van alles geopperd, maar niet de televisie. En toch heeft die de wereld van die eeuw en eigenlijk onze hele geschiedenis veranderd. Het laatste wat een vis zal ontdekken is het water waarin hij zwemt, moet je maar denken.

Een terloopse uitvinding. En de goedwillende individuen die het medium televisie binnen ieders bereik brachten, hadden daarbij echt niet de gedacht dat het zulke maatschappelijke veranderingen teweeg zou brengen. Het was weer net zoiets als met onze P.I.’s: individueel vinden ze zichzelf niets voorstellen, maar gezamenlijk bepalen ze elkaars en ons aller denken. De gevolgen van de ‘hobby’ van die goedwillende individuen hebben de hele mensheid in een historisch nieuwe situatie gebracht. Ze zijn ook de oorzaak van uw hamvraag: waartoe zijn wij op aarde? Vóór het televisietijdperk kon u het antwoord nog dromen, geïndoctrineerd als u toen nog werd.

Televisie is met haar bewegende beelden en superbe schijn van werkelijkheid een ongemeen indringend medium. Je kunt er je ogen bijna niet van af houden (– nou ja, dat zeg ik, die zijn televisie op de logeerkamer heeft staan en niet eens meer weet hoe die te bedienen!). Hiermee nu drong de markt vanaf de jaren zestig door tot in alle huis- en bovenkamers, zelfs (of juist) in de nederigste. Het medium was sterker dan het klokgelui en de jaarvullende rituelen van de kerken. Het was er namelijk elke dag en in iéders vrije tijd. Het was er in alle Westerse landen, overal waar de vrije markt heerste.

Ze (‘markt’=vr.) presenteert in haar reclames en shows een mensbeeld ter identificatie. Maar wel: háár mensbeeld.

Dat was tot op dat moment in de geschiedenis het privilege van de kérken geweest, om de mensen hun mensbeeld aan te reiken … Waarom heeft de vrije markt in haar reclames niet gewoon het christelijke mensbeeld overgenomen?

Dat beeld van die zondige en van Gods genade afhankelijke mens? Daar kan de vrije markt echt niets mee. Ze kan om te beginnen niets met godsdienstige of politieke of regionale scheidslijnen tussen de mensen. Wanneer ze die ‘meeneemt‘ in haar reclames, verkleinen die de markt immers. Dus onthoudt de vrije markt-televisie zich angstvallig van iedere godsdienstige of politieke of regionale of andere scheidslijnveronderstellende verwijzing.

Vervolgens kan ze ook niets met dat godvrezende mensbeeld. De mensen moeten juist in volle vrijheid verlangen naar alle genotsmiddelen die de vrije markt in de aanbieding heeft.

Ze kan niets met verschillen, niet tussen man en vrouw, niet tussen rijk en arm, niet tussen volwassene en kind, niet tussen intelligent en dom, niet tussen adel en plebs, niet tussen stad en platteland, zelfs niet tussen landen of culturen. De vrije markt schakelt alles en iedereen gelijk. En ze kan vooral niets met scheidslijnen tussen geloven of politieke partijen.

Ze presenteert derhalve consequent een gelijkgeschakelde a-religieuze, a-politieke, vrouw- en kindvriendelijke, aardige, op spullen azende consument ter identificatie. En dat doet ze niet weloverwogen of ideologisch, dat doet ze domweg. Ze doet het massaal, want ze is niet iemand, ze is ook geen groep of klasse, ze is een mechanisme.

Dat heeft op een door niemand bedoelde of voorziene manier gewerkt. (Ook niet door de sociologen; maar wel al heel gauw door de dominees, die hadden de mentaliteitsbeïnvloedende macht van de televisie in de smiezen – het is tenslotte hun broodwinning – en verboden hun gemeenteleden om zo’n ‘duivels’ ding in huis te halen!) De kerken begonnen aan een onstuitbare leegloop; de zondige van Gods genade afhankelijke mens verdween door de achterdeur. Ook andere oude verbanden zoals politieke partijen, vakbonden, verenigingen liepen leeg, de mensen werden vrij en individualistisch.

Vrij ook in politieke zin: de gelijkschakelende werking die uitging van deze massa-beïnvloeding -waarop je niemand kunt aanspreken[8] – deed de oude regentenklasse verdwijnen. De kerken verloren hun aloude sponsors en boetten zo ook nog aan maatschappelijke status in. Persoonlijk heb ik dat, als atheïstisch geworden ex-priesterstudent, toch wel schrijnend gevonden. Ik genoot van het proces, maar identificeerde me met de bekleders van de geestelijke ambten, de toogafleggers, de uittreders: mijn soort mensen. (Maar u bent ook mijn soort mensen, hoor lezer(-es).)

Ook met standsverschillen kan de vrije markt niets. Vroeger keek de burger Jan met de Pet met de nek aan. Dat is nog steeds wel een beetje zo. Geen standsverschil maar nog wel verschil in opleiding en achtergrond; de burger (ik dus) zal zijn werkster en klusjesman, hoezeer hij voor zijn welbevinden ook van hen afhankelijk is, niet op zijn feestjes vragen want daar zouden zij ‘detoneren’. Maar de handel wil massaconsumptie en kan niets met de beperking tot de burger. Dus is Jan Modaal geworden en verburgerlijkt. En zo moet het ook gaan. De burger (ik dus) moet verdwijnen. It’s the economy, stupid.[9]

Een historisch nieuwe situatie zei ik. En dat is niet overdreven. Een vijfduizend jaar lange geschiedenis van godsdienstgestuurde en politioneel bewaakte klassenmaatschappijen met een kleine elite en een kansloze massa kwam in het Westen door de vrije markt aan zijn einde. Een heersende klasse kenmerkt zich immers altijd en overal door geheime politie, persbreidel en goelags. Dat kent de Westerse samenleving, als eerste in die vijfduizend jaar oude geschiedenis der mensheid (van geschiedenis spreken de geleerden vanaf de uitvinding van het schrift; de tijden daarvoor heten pre-historie), niet meer.

Wel een machtige economische elite, maar die wordt door een voldoende sterke democratie in bedwang gehouden. Dat aan die democratie, net als aan een huwelijk, voortdurend gewerkt moet worden en dat dat vandaag weer hard nodig is, is een andere zaak en daar gaan we ook wat aan doen. Het gaat nu om de vaststelling dat onze consumentenmaatschappij de eerste sinds vijfduizend jaar is die geen klassenmaatschappij meer is.

Leve de vrije markt dus, laat die maar lekker globaliserend[10] doorwerken, de moskeeën, synagogen en tempels leeg laten lopen en ook daar de mensen bevrijden uit hun keurslijf van ‘oude vormen en gedachten’. Ze worden er, net als wij, echt gelukkiger van. (Zie het geluksonderzoek van Ruut Veenhoven, Erasmus Univ.) En zeker als we nu het gat dat de vrije markt in onze gemeenschapsbeleving en zelfbeeldvorming slaat, gaan opvullen. Het marktmechanisme is een dom mechanisme, dus we zullen ons mensbeeld zelf moeten vormgeven.

de Grote Verhalen

De kerken begonnen aan een niet te stuiten leegloop. En niet alleen de kerken, ook de vakbonden en de politieke partijen. Alle verbanden werden losser, de mensen werden individualistisch. Einde van de Grote Verhalen waarbinnen de mensen eeuwenlang hun mens- en wereldbeeld hadden aangereikt, veelal zelfs voorgeschreven, hadden gekregen.

De postmoderne filosofen onder aanvoering van François Lyotard bejubelden terecht het einde van de ‘Grote Verhalen’, waarmee ze de onderdrukkende systemen van fascisme en communisme, en impliciet ook het Grote Verhaal van de westerse samenlevingen: het onderdrukkende Christendom, aanduidden. Nogmaals: terecht, want bedoelde Grote Verhalen waren – en wat het Christendom betreft, zíjn – collectivistisch.

Collectivistisch betekent: uitgaand van de opvatting dat het individu het beste af is als het zich willoos onderwerpt aan het collectief, de gemeenschap. Wat goed is voor het collectief is ook goed voor elk individu van dat collectief. De hoogste zin voor het leven van het individu is gelegen in het zich opofferen voor het collectief.

Wat goed is voor het collectief, wordt echter uitgemaakt door De Grote Leider en daar zit de makke. Een collectivistisch systeem is per definitie dictatoriaal. Collectivisme staat lijnrecht tegenover individualisme, zoals dictatuur staat tegenover democratie.

De monotheïstische godsdiensten, jodendom, christendom en islam, zijn inherent collectivistisch. Ze projecteren het doel van het leven buiten het individu, op een hoger doel: de eenwording met God in het hiernamaals. Het individu is volgens de patriarchale monotheïstische zegslieden een nietswaardige worm, zondig en van Gods genade afhankelijk. Kortom, monotheïsme is inherent ondemocratisch en inherent patriarchaal, zou je moeten concluderen. Maar verderop in de tekst toon ik aan dat dat niet per se hoeft.

Het langzaam aan macht winnen, in het Westen, van de markt die wezenlijk democratisch is, en van de aan haar verbonden koopliedenklasse, heeft dit achterlijke collectivistische denken doorbroken en Verlichte ideeën bij de Westerse geleerden en intellectuelen van de 18e eeuw doen post vatten. Het is inherent aan de vrije markt dat zij ‘oude vormen en gedachten’ doet verdwijnen: ze is niet alleen wezenlijk democratisch maar ook wezenlijk vernieuwend, progressief.

Vooralsnog echter bracht zij, in die 18e eeuw, armoede op het platteland en grove uitbuiting en kinderarbeid in overbevolkte steden. Dat deed de behoudende geesten (terecht) pijn, maakte hen nostalgisch, deed hen verlangen naar de ‘onbedorven natuur’. Gaf hen restauratieve ideeën in.

Een van die geesten was Rousseau. Via de Franse missionarissen[11] had hij kennis gekregen van primitieve indianengemeenschappen die nog geen ongelijkheid en armoede kenden. Dus wat hadden de vooruitgang en de Verlichting dan helemaal opgeleverd aan menselijk geluk? “De mens werd vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen geboeid!” hoonde hij. Hoe kunnen wij onze samenleving weer vrij maken? Het romantische idee was: er zou een ‘sterke man’ moeten zijn die zich in dienst zou stellen van het belang van de samenleving. Jean-Jacques (1712–1778) dacht dit uit in zijn boek Du Contrat Social (1762). Daarin beschrijft hij de staat als een collectief ‘lichaam’, als een ‘zedelijke persoonlijkheid’, waar wij burgers een ‘onscheidbaar deel’ van uitmaken. Dat staatslichaam behartigt de ‘collectieve wil’ en dient een absolute macht te krijgen over zijn leden. Individuen zijn niet in staat om zelf te bepalen wat goed voor hen is, dat moet de Staat doen. En wel bij monde van een ‘mythische’ wetgever (een ‘sterke man’ dus), aan wiens bevelen de burger blindelings dient te gehoorzamen.

De eerste die de aanbeveling van deze denker ter harte nam was de voorman van de Jacobijnen, Robespierre, de eerste ideologisch geïnspireerde massamoordenaar van de moderne tijd (Parijs, april-juli 1794). Rousseau was toen 16 jaar dood.

In de daaropvolgende eeuw vatte Rousseau’s collectivistische denkbeeld niettemin post bij de Duitse ‘Dichter und Denker’ van Pruisen. Fichte was hoogleraar filosofie van de beroemde universiteit van Berlijn. Die gaf aan Rousseau’s denkbeeld van de staat als collectief lichaam waarvan het individu zich een ondergeschikt deel dient te achten (“Het individuele leven bestaat niet echt, aangezien het van zichzelf geen waarde heeft.”…), een racistische draai: “Alleen het Ras bestaat, en vertegenwoordigt het werkelijke leven.” Alle leven buiten het Ras was minderwaardig en ongelukkig. En het beste Ras was toevallig het zijne: de Duitsers waren namelijk het “Oervolk”, zo orakelde Fichte. De Leider van dit Volk (de ‘sterke man’) was de verpersoonlijking van de Duitse natie en kon oordelen voor en over het volk.

Met deze theorie werden generaties Berlijnse studenten begeesterd. Temeer omdat Fichte’s opvolger, de beroemde Hegel, hierop voortfilosofeerde. Hegel ontwikkelde een mystieke variant van het collectivisme. Volgens hem is er in de geschiedenis een Wereldgeest actief. De staat die op dat moment de Wereldgeest het best belichaamt, is dan de Wereldhistorische Natie en heeft het recht en zelfs de plicht om de zwakkere naties aan zich te onderwerpen, desnoods met militaire middelen. (Nog maar een geluk dat Bush niets leest.) Vroeger in de geschiedenis was dat het Romeinse Rijk, en ook de Grote Napoleon was even de Grote Leider, maar nu was (dat verzín je toch niet) zijn land, Pruisen, de Wereldhistorische Natie. De Berlijnse studenten waren niet meer te houden.

Deze blauwdruk van de ideale samenleving verbreidde zich niet alleen over Pruisen maar over de hele intellectuele wereld van de 19e eeuw. Marx en Engels waren doordrongen van de collectivistische idee. Hitler schreef in Mein Kampf (1923): “Het is noodzakelijk dat het individu leert beseffen dat zijn eigen ik van geen enkel belang is in vergelijking tot het bestaan van zijn natie.” “Het individu moet zich opofferen aan het collectief”. Een bekende Nazi-slogan luidde: “Du bist nichts, dein Volk ist alles”. Mussolini’s motto was: “Alles binnen de Staat, niets buiten de Staat, niets tegen de Staat”. Als we ooit over de ‘geest van de tijd’ kunnen spreken dan was het toen wel. Die geest was het collectivisme. Toen Hitler, als een soort Pim Fortuyn-avant-le-dâte[12], kwam spreken op de universiteit van Berlijn, zat de zaal niet alleen afgeladen vol maar er zat ook een groot aantal professoren prominent vooraan.

De Dichter und Denker hadden er de geesten rijp voor gemaakt. Die van Hitler (6 miljoen doden), die van Lenin en Stalin (60 miljoen doden), die van Mao (35 miljoen doden) en Pol Pot (ruim 2 miljoen doden) en van de keizer van Japan (zes miljoen doden). Van geesten van de Turkse ideologen die de moord op 1.8 miljoen Armeniërs lieten plegen, en die van nationalistisch China (tien miljoen doden).

Kortom, dit zijn de Grote Verhalen waar Lyotard het over heeft. Heersende denkstromingen.Terwijl in de 18e eeuw het individualisme nog hoogtij vierde en de Amerikaanse Founding Fathers er van uit gingen dat het de functie is van de staat om de rechten van het individu te beschermen, raakten in de 19e eeuw de intellectuelen in de ban van het collectivisme, hingen het geloof aan dat het voortbestaan van het collectief (in de vorm van de Staat, de Natie of het Ras) het hoogste doel is van het leven op aarde en dat het de taak of plicht is van het individu om dat hogere doel te dienen. Het collectivisme was in de eerste helft van de twintigste eeuw het universele politieke geloof, ook in landen als Groot-Brittanië en de Verenigde Staten. Het is dit geloof dat in de eerste helft van de 20e eeuw de wereld veroverde en uitmondde in de holocaust en al die andere genociden die Lyotard tot zijn afschuw voor Grote Verhalen hebben gebracht.

Ze waren allemaal gebaseerd op het denkwerk van Rousseau, Hegel, Fichte en hun geestverwanten. Allemaal filosofen, dus met niet meer kennis van de menselijke natuur dan Plato of Aristoteles hadden. Of die Hobbes (1588-1679) had. Kinderen van hun tijd, nog niet beschikkend over menswetenschappen zoals vandaag, levend in tijden van burgeroorlogen, godsdienstoorlogen, monotheïsme en slavernij.

Ik herhaal het: die filosofen valt het niet kwalijk te nemen. Onze filosofen daarentegen zouden nu beter moeten weten. We kunnen de postmodernen alleen maar bijvallen in hun afwijzen van die oude Grote Verhalen. Maar wat hen aan te wrijven valt is, dat het hen ontbreekt aan wetenschappelijk inzicht in onze menselijke natuur. Hun niet-weerspreken van Kinneging’s (ongetwijfeld provocerend bedoelde, maar wel herhaalde want in zijn rechtse kraam te pas komende) stellingname is veelzeggend: ze hebben niet echt argumenten in huis.

Hoog tijd dat ik een visie neerleg over

de menselijke natuur

Dat is een ‘drietrapsraket’.

Eerste trap: we zijn een vorm van leven. Drie en een half miljard jaar geleden ontstaan met de eerste levensvormen. Daarin draait het om zoveel mogelijk energie aan te onttrekken aan je omgeving voor je eigen instandhouding en om het produceren van zoveel mogelijk nakomelingen. Dit in concurrentie met wat er van dezelfde bron leeft, ook al zijn het je soortgenoten.

Darwin noemde dat the struggle for life , een gevecht dat door the fittest steeds wordt gewonnen: door de het best aan de gegeven omstandigheden aangepasten – hoeven lang niet altijd de sterksten te zijn. Het ‘najagen van geld en goed’ is een vorm van dit eigenbelang. In principe, als levensvorm, zijn we egoïstisch en als heel kleine kindjes zijn we dat nog steeds. Het is het ikke-ikke-facet van onze driedelige menselijke natuur.

Mensen zijn in de tweede trap, als groepsdieren, ontstegen aan dat primaire ikke-ikke-gedrag. Wij behoren als groepsdieren tot een hogere vorm van leven: dieren die op een ingewikkeldere manier effectiever voorzien in het onttrekken van energie aan de omgeving ter instandhouding van hun organisme en voor hun voortplanting. Namelijk door als groep te opereren. De groep verschaft veiligheid aan jongen en biedt ze de kans om van de ouderen te leren. Elk groepsdier-individu heeft naast ikke-ikke-belang ook belang bij het overleven van de groep waar het van afhankelijk is. Het heeft belang bij de gebundelde kracht ervan, dus bij de harmonie binnen de groep en de leefbaarheid ervan. (Naarmate het zich er onafhankelijker van acht, door rijkdom en macht, heeft het minder boodschap aan de groep….)

Groepsdieren hebben dus een tweede been ontwikkeld om op te staan in het leven . Hebben twee zielen in hun borst, twee tegenstrijdige impulsen: egoïsme – altruïsme. Voor het reguleren van deze tegenstrijdige neigingen kent elke groep zijn heersende omgangsvormen, zijn ‘normen en waarden’, zijn cultuur.[13] Zelfs bij de naaste van onze ‘familieleden’ onder de groepsdieren, de chimpansees, werken deze ‘normen en waarden’ in onze menselijke ogen niet bepaald feilloos.

Mensen zijn namelijk, door hun specifieke evolutie, in een derde trap ook nog aan dat primitieve chimpansee-gedrag ontstegen, zijn supersociale groepsdieren geworden. De langste tijd van ons bestaan als aparte soort hebben we – dat gaan we zodadelijk zien – hypersociaal samengeleefd en dat heeft het hypersociale aspect van onze driedelige menselijke natuur gevormd. Als we volgens dat hypersociale kunnen leven, voelen wij ons op ons gelukkigst. Wanneer dat eenmaal gesneden koek is geworden voor onze filosofen, zullen ze veel wijzer uit de hoek komen. En dan zullen ze hun maatschappelijke functie waar ze voor doorgeleerd hebben en voor betaald worden, stukken beter kunnen vervullen.

Maar … (die gedachte komt nu onmiddellijk bij u op nu) vanwaar dan Holocaust, Rwanda en Kosovo en Bagdad? Gaat allemaal nog aan de orde komen, maar voor een onmiddellijk antwoord op uw gedachte alvast dit.

Na de laatste ijstijd, en vooral de laatste vijfduizend jaar, is onze supersociale soort in situaties komen te leven die frustrerend zijn voor haar supersociale natuur. Eerst de overpopulatie, met als gevolg oorlog: struggle for life maar dan tussen mensengroepen. Als direct gevolg van oorlog[14]: het machisme, de machtsovername door de mannen. Mannen kunnen niet goed (met automatisch duurzaamheidsperspectief zoals de vrouwen) met macht omgaan. Omdat de vrouwen bij onze soort altijd de gezaghebbende sekse is geweest, concentreren de onzekere mannen zich vooral op het marginaliseren van de vrouwen: machisme. Na de overgang op landbouw en veeteelt komen daar ook nog privé-bezit en slavernij bij als corrumperende factoren. Vanaf vijfduizend jaar geleden, het begin van de klassensamenlevingen, is het najagen van ‘geld en goed’ en van het directe eigenbelang het menselijk geluk gaan aantasten. Het geluk van iedereen, ook dat van de onderdrukkers zelf. De uitvinding van het monotheïsme (tussen 600 vóór en 600 ná C. geconsolideerd[15]) heeft van de grootste menselijke samenlevingen definitief mannenmaatschappijen gemaakt.

Maar het is allemaal niet in staat om onze menselijke natuur aan te tasten. Deze is in de loop van vijf miljoen jaar overerfelijk geworden. Vijfduizend jaar frustratie van die natuur is daar echt te kort voor. De hypersociale menselijke natuur blijft als een kurk tegen de onderdrukking in trachten boven te komen. Hoe zijn we aan dat hypersociale gekomen?

VJ’s (Verzamelaars/jagers)

De langste tijd dat onze soort bestaat, hebben ze geleefd als Verzamelaars/jagers.

Oei, dat moet ik even bij u inleiden. Mensen hebben een wel acht miljoen jaar lang verleden en vóór die tijd waren ze nog normale dieren. Mensapen. In Deel II ga ik schetsen hoe ze van mensapen tot mensen geworden zijn.

Bij christelijken hoef ik daar niet mee aan te komen want dat gegeven strijdt met hun geloof in ons door God geschapen-zijn. Maar u bent niet voor niks ex-katholiek en u leest (of kijkt) bovendien nog wel eens wat.

Dat we ‘familie’ van de chimpansees zijn kent u waarschijnlijk al vanwege het biologische feit dat we meer dan 98% van onze genen gemeenschappelijk hebben. Maar je kunt het ook zien aan onze luizen en vlooien, wist u dat? Heel gespecialiseerde beestjes, wier klauwtjes op speciaal haar zijn ingesteld en wier darmstelsel maar één soort bloed kan verteren. Nou, die maakt het niet uit of ze hun leven doorbrengen op een chimpansee of op u. En wist u, lieve lezeres, dat u een chimpansee-baby kunt ‘aanleggen’ of voor uw baby een chimpansee-vrouw zou kunnen inhuren als min? Heel gespecialiseerd spulletje, hoor, moedermelk.

Na ja, waar het hier even om gaat is, dat ook chimpansees van overnachtingsplek naar overnachtingsplek rondtrekken in een heel groot voedselgebied, en dat onze vroegste voorouders nooit een andere leefwijze gekend hebben … tot na de laatste ijstijd.

Deze manier om aan voedsel te komen is ongeveer het enige waar ze geen speciale aanpassing voor hebben hoeven te ontwikkelen. Als australopithecinen (aapmensen) leefden ze zo en als Homo (mensen), dus sinds twee miljoen jaar geleden, leefden ze zo. Tot … na de laatste ijstijd dus, tot 10,000 jaar geleden. Hoe lang is dat, gerekend vanaf 2 miljoen jaar geleden? 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben onze voorouders geleefd als Verzamelaars/Jagers (VJ’s). Dat noem ik hier onze VJ-tijd. Vanaf die laatste 10.000 jaar geleden werden ze boeren, en dat noem ik AGR’s.

Er bestaan nog steeds VJ-groepjes ‘in het wild’. Althans, tot voor kort in elk geval en er zijn onderzoekers die kortere of langere tijd bij hen hebben doorgebracht en die hun mens-zijn beschreven hebben. Ik denk hierbij aan Inuit-volkjes in Alaska en Noord-Canada en aan de San in de Kalahari-woestijn. Maar er zijn meer onherbergzame plekken, zoals oerwouden, waar nog van die volkjes overleven. Juist vanwege de onherbergzaamheid van die plekken: die zijn voor boeren niet interessant en worden dus met rust gelaten. Dat ‘overleven’ klinkt wat dun, maar ze komen er niets te kort en zijn meestal weldoorvoeder en gezonder en zeker gelukkiger dan de boeren.

Laat ik u eerst wat mogen citeren uit het boek The other side of Eden (London 2001) van de Engelse antropoloog Hugh Brody.

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte, die van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Al mag ze dat zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want ze is geboren kort na het overlijden van haar oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft er ook de naam van geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.

Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt[16]. Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen.

Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn opvallend gezond en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want – voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is hard en kent geen mededogen. Want ze is, net als de vrije markt, slechts een dom mechanisme. Zíj blijven er blijmoedig onder. Ze weten niet beter: dat is het leven.

‘Edele wilden’ dus! Let wel: ik heb het over VJ’s. Nog geen 5 % van de primitieve stammen die door de antropologen beschreven worden. En ze maken geen onderscheid tussen VJ’s en AGR’s. Verreweg de meeste primitieve stammen zijn AGR’s: kennen al enigerlei vorm van Tuinbouw; dus (meestal) ook oorlogvoering en vrouwenonderdrukking. Gruwelijke voorbeelden zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. Deze voorbeelden zijn het die het van Rousseau stammende begrip ‘edele wilden’ tot een lachertje hebben gemaakt. Hugh Brody is de eerst die er op wijst dat ze écht bestaan hébben en nóg bestaan.

Die Tuinbouw-volkjes laten heel goed de overgang van VJ naar AGR zien. Die laten zien wat er met de mensheid gebeurd is na de laatste ijstijd, dus zeg maar tienduizend jaar geleden. Toen overkwam de mensen wat de chimpansees 2,5 mjg overkomen is: overpopulatie. Met alle gevolgen voor hun manier van samenleven: overlevingsgevechten, machisme (mannen-overheersing), macht van de ene mens over de andere, ongelijkheid. Maar nu loop ik weer vooruit op hoofdstuk II.

Heb ik nu voldoende materiaal aangedragen om mijn idee voor het goede in de menselijke natuur te hebben aangetoond? Want in dat kader moest ik het over VJ’s hebben: over de manier waarop ons voorgeslacht 99,5 % van de tijd dat ze mensen zijn, hun wereld beleefd hebben. Zodat het een overerfelijke neiging in ons geworden is, waar we nog steeds mee ter wereld komen. Naar dat gelukkige VJ-bestaan verlangen we nog steeds intuïtief terug en aan dat gevoel appelleren alle utopieën.

Maar nu terug naar de Grote Verhalen. Ze zijn verdwenen of, wat de monotheïstische of anderszins godsdienstige aangaat, ze smelten weg onder de warme wind van de globaliserend gelijkschakelende vrije markt. Natuurlijk, dat aangetast worden van de heiligste overtuigingen van de godsdienstfanaten maakt de heftigste gevoelens los en dus beleven we een barre overgangstijd. Maar de vrije markt is een dom mechanisme en gaat onverstoorbaar door. Het weekt de individuen los uit hun geloofsbeklemming en de vrijheid lokt altijd en iedereen. Vrijheid maakt gelukkiger. Inzicht in onze menselijke natuur maakt nóg gelukkiger.

de vrije markt en het geweten

Mensen kunnen niet goed samenleven zonder een Heersend Verhaal. Je geweten, het stemmetje in je binnenste dat antwoord geeft wanneer je je afvraagt of je iets zou doen dan wel nalaten, heeft een Heersend Verhaal nodig om naar te verwijzen.

“Een samenleving kan niet functioneren, als de bodem ontvalt aan het gevoel dat je je aan regels moet houden”, riep burgemeester IJssels van Gorinchem na de zinloos-gewelddadige dood van die twee discomeisjes. Ons geweten heeft een bodem nodig, in de vorm van een Heersend Verhaal. Het Verhaal dat vertelt “waartoe wij op aarde” zijn: waarvoor we het allemaal doen, dat samenleven. Maar ons geweten heeft nu Nix meer om naar te verwijzen.

Ieder mag nu zijn eigen Verhaal maken, zeggen de postmoderne filosofen. Alsof het een gunst, een gelukkige serendipiteit van de vrije markt is. Maar het is een verarming van ons menszijn en van ons samenleven. Een leegte die we nog moeten opvullen.

Het maken van een eigen Verhaal, een consistent wereldbeeld, is maar weinigen gegeven. Bovendien wordt een eigen Verhaal – want bij gebreke van een heersend Verhaal doet iedereen dat inderdaad: je kunt niet zónder – ingekleurd door eigenbelang en dan versterkt het de verloedering. Dát is het nu juist – dat ieder zijn eigen naad naait, en met name de rijken en de machtigen – wat de samenleving fragmenteert tot los zand. Om goed samen te kunnen leven is een heersend Verhaal onontbeerlijk.

mensbeeld, zelfbeeld

Hoe wij ons voelen en hoe we tegen onze medemensen aankijken wordt enorm bepaald door hoe we tegen onszelf aankijken. Onze hersenen werken de hele dag door. De meeste uren op halve kracht en in de slaap zelfs ongecoördineerd, maar het is toch een voortdurende stroom van denkbeelden en veel ervan zijn ‘zelfbeelden’ temidden van onze leefwereldbeelden. Ze bepalen onze gemoedstoestand, ons al dan niet welbevinden. Voor het vórmen van onze denkbeelden, ook voor dat van ons zelfbeeld, zijn we afhankelijk van wat onze omgeving ons aanreikt. Voor het kind zijn dat de ouders en hun omgeving. Daar komen weldra de straat en het onderwijs bij. Maar vooral bepalend is het Verhaal dat in je samenleving heerst. Dat zet je de bril op waardoor je de dingen en mensen beziet. Heel duidelijk wordt dat ook aangetoond in Zineconomie (Ter Borg).

Als je ter wereld komt, heb je niets te kiezen gehad. Niet eens de zoogdiersoort van je ouders. Niet of je een meisje dan wel een jongetje bent geworden. Niet in welke cultuur je ouders leven, niet eens in welk tijdperk van de geschiedenis.

Heel bepalende factoren voor je levensgeluk allemaal. Wanneer je bijvoorbeeld vandaag nog als meisje in een door monotheïsme[17] beheerste cultuur ter wereld komt, staat je een leven van slavernij te wachten. Heel bepalend voor je zelfbeeld is ook of je in een individualistische cultuur als de Amerikaanse of een collectivistische cultuur als de Japanse ter wereld komt[18].

Voor een bevredigend zelfbeeld moet je weten waar je vandaan komt, wat je plaats is in het grote geheel der dingen en waar het allemaal, inclusief jezelf, toe leidt. Sinds historische tijden waren het de godsdiensten[19] die het Heersende Verhaal hadden mogen brengen, die vorm hadden mogen geven aan het zelfbeeld van de mensen en die de bril hadden opgezet waardoor de mensen naar de dingen en de mens keken. Volgens het christelijke Verhaal ligt onze herkomst in de schepping door God, onze toekomst in de eeuwige zaligheid. Deze zou je deelachtig worden onder voorwaarde van braafheid, van het afzien van genot tijdens je leven. Het kerkelijke materiaal voor je zelfbeeld is een ontmoedigend mensbeeld: dat werkt voor het in ’t gareel houden van de mensen het best. Volgens dat beeld is de mens geneigd tot alle kwaad en het hangt van Gods genade af of het toch nog wat zal worden met die eeuwige zaligheid waartoe hij immers op aarde is.

Het christelijke Verhaal was niet veel soeps, maar het grote goed was dat het er wás en dat het je er voor behoedde om als een freischwebender Intelligenz door het leven te moeten. Een lot waartoe de vrije markt, doordat onze filosofen alleen maar dom staan te juichen bij het verdwijnen van het oude Heersende Verhaal, onze jongeren rückzichtlos veroordeelt.

Voor een leefbare samenleving moeten we weten welk mens- en wereldbeeld er in andermans kop zit. Zodat we voor elkaar ergens op aanspreekbaar zijn.

Zonder zo’n Heersend Verhaal hebben mensen niet het gevoel dat ze wat met elkaar te maken hebben. Zonder Heersend Verhaal gaat ieder dan maar zijn eigen doelen nastreven, z’n eigen naad naaien, zijn eigen verhaal maken. En dat eigen verhaal komt toevallig prachtig overeen met het eigenbelang. Democratie ten eigen bate. Maar zo werkt democratie niet. Democratie is bedoeld om op z’n rechtvaardigst en leefbaarst samen te kunnen leven. Democratie houdt in: (op)offeren, werken en inleveren[20]. De levenshouding van een volwassene: genieten als hopelijke en dus uitgestelde beloning, niet als een direct te verzilveren doel-op-zich. “Ik wil het nú “ is een kinderachtigheid van de vrije markt– reclame.

Het zelfbeeld dat onze meisjes en vrouwen altijd hebben meegekregen in de oude christelijke en de moslimse mannenmaatschappij (“God schiep de vrouw uit een rib van de man”!) en wat ze vandaag nóg elke dag meekrijgen in de reclame, actualiteiten-programma’s, videoclips en films van de mannenmaatschappij van de vrije westerse wereld (flirtende, halfnaakte seksobjecten, slank, zorg en arbeid soepel combinerend in een ondergeschikte rol) behoeft onderhand ook behoorlijk bijstelling, zodat de wereld ook voor hen leefbaarder wordt. En wat de islam-jongeren vandaag van de islamisten (islam-fundamentalisten die de islam als politiek instrument hanteren) meekrijgen, daarvoor moet je het boek De tol van de eer van Jan Goodwin (Witte Beertjes, 2002) lezen. Heel deprimerend, maar wel verplichte literatuur. De islam is op zichzelf jonger en progressiever dan het christendom. Maar het gaat er natuurlijk om wat er sinds Mohammed door mannen van gemaakt is en hoe het jouw leven vorm geeft. De boodschap van Jezus was ook in orde; wat de kerkvaders ervan gemaakt hebben bepaald niet. Je leeft maar zo’n 75 jaar, dus het is nogal van belang of dat een gelukkige en creatieve tijd is of niet.

Waarom het mens- en zelfbeeld voor mensen zo belangrijk is, zullen we dadelijk gaan zien en ik schets ook de contouren van een Nieuw Heersend Verhaal. Waarover zal dat moeten gaan? Natuurlijk moet het antwoord geven op de ultieme vragen van elk individu: wie en wat ben ik, waar kom ik vandaan en waar moet het met mij naar toe. Antwoord ook op de ultieme samenlevings-vragen: waarom en waarvoor leven we samen (geluk), waartoe zijn wij op aarde (geluk) en hoe kunnen we ons samenleven het beste inrichten om dat doel (geluk) te bereiken. Maar … eerst nog even over hoe wij in het Westen van ons onderdrukkende Oude Verhaal zijn verlost en nu zonder IETS zijn komen te zitten. Want dat is iets wat we van onze postmoderne filosofen ook niet kunnen vernemen.

een nieuw universeel en gedeeld Verhaal

Hoe moet zo’n heersend Verhaal er uit gaan zien?

Om te beginnen moet je dat ‘heersen’ zien als het ‘heersen’ van de mode, of een rage, een gebruik of gewoonte, of desnoods de griep. Het is geen opgelegd Verhaal. Afgezien dat de consument zich echt niet meer iets laat gezeggen (“Bekijk jij dat es ff, eikel. Maak ik zelf wel uit, ja?!”) is er ook geen heersende klasse meer, steunend op een leger en een geheime dienst, die dat zou kúnnen opleggen. We leven gelukkig in een democratie.

Vervolgens moet je het niet zien als een afgerond IETS, maar als een project waaraan permanent gewerkt en gesleuteld wordt en zal blijven worden zolang de mensheid nog bestaat. Mijn droom is dat het een UNESCO-project wordt. Tenslotte is het een universeel-menselijk Verhaal (we zijn maar op één manier van apen tot mensen geworden) en een globaliserende mensheid vraagt daar om.

Het Verhaal moet de menselijke natuur in kaart brengen. Het is het Verhaal van het onafzienbare en onherbergzame heelal waarin op één enkel planeetje, door een toevallig samenvallen van een groot aantal ideale omstandigheden, de heelalmaterie tot een ongekende complexiteit is geraakt. Het Verhaal vertelt de ontwikkeling van die complexiteit, van zichzelf reproducerende moleculen tot cellen, tot meercelligheid van plantaardig en dierlijk leven, via vissen, amfibieën en reptielen tot zoogdieren, tot apen. Kortom, het moet de wortels van ieders denken over zijn bestaan zo diep mogelijk laten reiken, zodat ieder als een stevige boom in het leven komt te staan.

En vooral natuurlijk ons eigen Verhaal: hoe we van apen tot mensen, van gewone dieren tot talige wezens geworden zijn, tot complexiteits-hoogtepunten van die verder in het heelal zo eenvoudige heelalmaterie. Mensen: wezens die 99,5 % van de tijd dat ze als soort bestaan, hypersociaal hebben geleefd. Die sinds ‘kort’ (sinds 10.000 jaar) uit het paradijs van hun bestaan als ‘edele wilden’ zijn verdreven door overpopulatie. Maar die ten diepste nog steeds verlangen naar die voorouderlijke harmonie, met welk verlangen ze nog steeds geboren worden.

Alle puzzelstukken van ons menselijk bestaan die de filosofen en de PI’s (publieke intellectuelen, zoals columnisten) tot op de dag van vandaag bezighouden, kunnen met behulp van de menswetenschappen van vandaag tot een verhelderend plaatje van de menselijke natuur worden samengevoegd.

Het laat het menszijn van iedere mens zien waarop de Universele Verklaring gebaseerd is. Als Heersend Verhaal geknipt voor een mondialiserende samenleving: herkenbaar voor iedere geïnteresseerde, van welke cultuur of denominatie ook. Een uiterst betrouwbaar plaatje: er wordt elke dag, overal ter wereld, op alle universiteiten en laboratoria en observatoria, aan gewerkt. Het verschaft onze jongeren het broodnodige gevoel van geworteld te zijn in het leven. Het biedt de islamjongeren een beter bij hun vrije markt-wereld passend mens- en wereldbeeld. En zo zijn er nog veel meer nuttige aspecten aan te noemen. Nadelige aspecten heb ik tot nu toe niet weten te bedenken.

 

HOOFDSTUK II

Ons Verhaal, kort geschetst

het begint in het regenwoud

Ons Verhaal begint 8 miljoen jaar geleden. Doordat het klimaat koeler en droger was geworden verdween op de plek waar onze vroegste voorouders leefden (Hoorn van Afrika) het voorouderlijke regenwoud waar ze als soort op waren toegesneden. We zijn afkomstig van een populatie chimpansee-achtigen die zich heeft weten aan te passen aan de savannen-omgeving die voor het verdwijnende regenwoud in de plaats kwam.

De open bossen waar ze hun slaapnesten bleven vlechten, bevatten niet meer de vruchtbomen waarvan ze vanouds geleefd hadden. Ze moesten voor hun eten de open grasgebieden van de savanne op.
Voor hen levensgevaarlijk terrein, niet vanwege de kuddes graseters, zoals zebra’s, gnoe’s, giraffen, olifanten (althans de vooroudersoorten daarvan), maar vanwege de leeuwen, sabeltandtijgers, reuzenhyena’s en ander gespuis dat daar van leefde en dat ook heel graag zo’n trage mensaap te grazen nam. Maar mensapen zoals chimpansees verdedigen zich tegen een luipaard door het van alles naar de kop te smijten. Onze vooroudermensapen hebben dit aangeboren verdedigingsmechanisme (gooien met iets), gedwongen door de nieuwe omgeving waarin ze geleidelijk terechtkwamen, geleidelijk   ‘geprofessionaliseerd’. Zoals ze heel wat meer voorouderlijke vermogens en cultuuruitingen hebben ‘geprofessionaliseerd’, ze hebben maar weinig nieuw hoeven uit te vinden.

De ‘professionalisering’ van het gooien bestond er allereerst uit dat ze zich met stenen bewapenden: die doen zeer en je kunt er een voorraadje van bij je hebben. Aapmensgroepen die dat het bekwaamst deden, floreerden en zo selecteerde dit gedrag zich uit. Vervolgens: het dwong hen om de handen vrij te hebben voor het meedragen ervan. Dus om permanent tweebenig te worden. Heel uniek voor een zoogdier. De paleo’s (de wetenschappers van alle disciplines die onderzoek doen naar onze vroegste geschiedenis) spreken van hominiden, en hun fossielen (veelal slechts tanden of kaakfragmenten) worden ondergebracht in soorten australopitheci. Je kunt ze ook ‘aapmensen’ noemen: op twee benen lopende mensapen. Ik gebruik hier verder de afkorting AP’s, met uw welnemen. Let wel, de verandering van regenwoud naar savanne nam wel een miljoen jaar in beslag, en dus de aanpassingen daaraan kregen alle tijd. Onze vooroudermensapen hebben nooit beseft dat hun wereld, of zijzelf, er anders uitzagen dan ze zich herinnerden.

Onze voorouder-AP’s ontwikkelden meer unieke dingen. Hun nieuwe leefwijze dwong hen tot taakverdeling tussen de seksen. Vrouwen droegen baby’s en moesten eten verzamelen voor de kinderen en iedereen, dus konden ze niet ook nog eens stenen meedragen en gooien. Vrouwen en kinderen verzamelden het eten, de volwassen mannen deden niets anders dan met hun stenen paraat zorgen dat dit in veiligheid kon geschieden. Groepen die daar goed in waren deden het beter dan groepen die er weinig van bakten en zo selecteerden de vereiste gedragingen zich uit.

De hete middaguren en de nachten brachten ze door in de relatief veilige bossen waar het voedsel verdeeld werd en waar ze hun slaapplatforms vlochten in de boomkruinen. Hetgeen betekent dat hun lichaamsbouw en hun handen en voeten nog steeds voor het klimmen geschikt moesten blijven. De paleo’s onderscheiden een heleboel AP-soorten waar ze vanaf 7 mjg de fossiele resten van opgraven. Daar hangt helaas geen labeltje aan. Of er ook maar één voorouder-AP bij die fossiele resten zit is moeilijk te zeggen. Maar die moeten er toen tussen gelopen hebben. Dus ik noem hen hier VOAP’s : voorouder-AP’s.

namen voor de dingen

Eten genoeg op die savanne. Maar je moest wel weten wáár, wannéér, wát verkrijgbaar was. De AP-vrouwen moesten heel wat meer weten en meer aan kennis kunnen doorgeven aan hun dochters dan hun voormoeders in het regenwoud waar het eten gewoon aan de bomen groeide en waar de normale mensapencommunicatie (kreten, gebaren, gelaatsuitdrukkingen en andere lichaamstaal) volkomen toereikend is. Maar voor de AP’s was het foerageren(voedselscharrelen) veel gecompliceerder.

Het kon niet uitblijven dat in één van die AP-groepjes één AP-vrouw haar handen, met die tien vingers, ook is gaan gebruiken om er iets waar ze het met haar medevrouwen over wilde hebben [een bepaalde plant], [een bepaald dier], [een bepaalde plek], [een bepaalde handeling], verzin het maar, mee uit te beelden. Haar medevrouwen snapten wat ze bedoelde, vonden het grappig, en ze gingen het ook doen. En geleidelijk voor steeds meer dingen.

Dit terloops ontstane groepscultuurtje bleef niet tot dat ene groepje beperkt, want als de jonge meiden naar een andere groep verkasten voor hun partner, namen ze het aanwensel mee en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich over de hele stam. Onze VOAP’s!

Want de stam floreerde. De verbeterde communicatie verbeterde hun samenwerking en voedselscharrelen. Ze hielden iets meer kinderen in leven vergeleken bij de AP-groepen die dit ‘cultuurtje’ niet of gebrekkiger ontwikkelden.

Maar met dit terloops ontstane ‘cultuurtje’ was er iets geheel nieuws ontstaan in de natuur, in de geschiedenis van het leven op ons blauwe planeetje. Misschien wel in de geschiedenis van het heelal[21].

Want zo’n gebaar-aanduiding van iets is een naam. Onze VOAP’s konden het met elkaar hebben over alle dingen waar ze een naam voor hadden – en dat werden steeds meer dingen. Ze konden het met die naam ook hebben over een ding dat op dat moment en op die plek niet waarneembaar was. Dus over een bepaalde plant of een dier dat zich zou bevinden op de plek waar ze morgen naar toe zouden gaan.

Iets geheel nieuws in de natuur. Alle groepsdieren hebben hun soorteigen manier van communiceren, van walvissen tot olifanten, van wolven tot vervet-aapjes en noem maar op: je kunt niet eens groepsdier zijn zonder een middel tot onderlinge communicatie. Maar geen van de overige groepsdieren kent namen voor de dingen, alleen wij. Geen enkel ander groepsdier kan het met zijn soortgenoot hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is. Als de koeien in de wei plotseling over dit vermogen zouden komen te beschikken, zou de boer het heel bedreigend vinden!

Namen voor de dingen doét iets met een dier.

Het schept (een gevoel van) afstand tussen de benoemer en het benoemde. Tussen subject en object. Onze VOAP’s waren de eerste dieren in de natuur die de dingen konden objectiveren. Ze kwamen een beetje los van hun omgeving, gevoelsmatig dan, waar andere dieren machteloos deel van uit blijven maken. Want het schept ook een gevoel van macht over de dingen.

Het is ook een gevoelsmatige aantasting: bij veel stammen mag je iemand niet zomaar bij z’n naam noemen: aantasting van diens integriteit. Als je bij de Yoruba de naam van de tijger hardop uitspreekt, neemt hij je diezelfde avond nog te grazen. De Joden mogen hun god niet bij zijn naam noemen: om diens almacht zo onaantastbaar (onbetwijfelbaar) mogelijk te maken plaatsen ze hem eindeloos ver van de mens vandaan. Over afstand gesproken.

Met hun namen voor de dingen kon de oudere generatie haar ervaring overdragen op de jongere. De jongeren konden voortbouwen op de ouderen en zo ontwikkelden de ervaring en de kennis van de VOAP’s zich veel sneller dan dat bij hun chimpansee-achtige voorouders het geval was geweest en zoals het bij de chimpansees en overige soorten nog steeds is: de jongeren leren vaardigheden van de ouderen, maar er komen bijna nooit nieuwe vaardigheden bij. En over kennisoverdracht hoef je het al helemaal niet te hebben bij chimpansees of bavianen of welke andere soort dan ook.

De macht van onze VOAP’s werd enorm vergroot doordat ze het met elkaar over de dingen konden hebben. Ze konden nu overleggen met elkaar. Twee weten meer dan één, en een hele groep kan heel wat problemen aan. Eén hooligan is maar een bang knaapje. Maar voor een hele meute doe je het als ME-er in je broek. Onze VOAP’s werden de ‘hooligans’ van de savanne.

 vuur

Namen voor de dingen. Het begon met niets. Het begon terloops, als een ‘cultuurtje’ binnen één groepje. Maar ik denk dat het al heel vroeg begon. Want de behoefte aan meer communicatie was er al vanaf het begin van de savanne-foeragering, en het mensapenlijke imitatievermogen en het gebaren waren er ook vanaf het begin. Misschien begon het dus al wel zes miljoen jaar geleden. OK, voor mijn part vier miljoen jaar geleden, maar dat wordt mijn uiterste bod.

2.6 mjg zijn ze er blijk van gaan geven!

kada gona utiles

Want deze stenen messen en schrapers dateren al van 2.6 mjg ! Gevonden in Kada Gona in de Ethiopische woestijn. De paleo’s denken dat ze dienden om er de voor grote katten en hyena’s niet te behappen huiden van de pachyderms (dikhuidigen) mee door te snijden. Daarmee hebben onze VOAP’s een vleesbron weten aan te boren die voor hun concurrenten onbereikbaar was: die moesten geduldig wachten tot zo’n nijlpaardkadaver door ontbindings-gassen openbarstte. Onze VOAP’s konden meteen al aan de maaltijd! De betreffende paleo’s kunnen zich niet voorstellen dat deze werktuigen zonder enigerlei vorm van talige communicatie tot stand zou kunnen zijn gekomen. bovendien veronderstellen zij deze werktuigvervaardiging getuigt van een lange voortijd. Dan zitten we al op 3 mjg. Omdat geen enkele andere soort ooit tot zo’n werktuigvervaardiging gekomen is, en er dus iets bijzonders moet zijn gebeurd met deze vervaardigers, ga ik op 4 mjg zitten. Want de ontwikkelingen gingen uiterst langzaam, zoals we al zagen met de overgang van regenwoud op savanne.

Vanaf 2.6 mjg noemen de paleo’s onze vroege voorouders Homo (mensen). Ze hebben het dan over AP garhi of Homo habilis of  Homo ergaster. Het is allemaal nog onduidelijk welke fossiele vondsten tot onze voorouders gerekend mogen worden. Kada Gona, 2.6 mjg Onthoud dat asjeblieft. Want hier en toen verschenen de harde bewijzen van bijzonder gedrag. Onze VOAP’s. Hun fossielen zijn onzeker, maar hun werktuigen niet. Kada Gona is niet één opgravingsplek bij die ene rivier in Ethiopië, maar sindsdien zijn er 15 plekken meer gevonden, allemaal in die streek, en ook snijsporen op fossiele paarden- en runderbotten, allemaal vanaf 2.6 mjg.

Maar waarom zíj, en niet andere dieren? Daar geeft alleen dit Verhaal antwoord op.  Want dat is waar het om gaat als je je afvraagt: waartoe zijn wij op aarde. Volgens mij – maar hierin zal geen paleo mij voorlopig volgen – was er iets nog belangrijkers aan vooraf gegaan: het gaan gebruiken van het vuur. Het gevoel van afstand, van macht, dat hen 2,6 mjg tot professionele slagers heeft gemaakt waarbij machtige andere roofdieren het nakijken hadden, had hen rond drie miljoen jaar geleden al de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Beweer ik. Maar de oudste sporen in de vorm van ‘vuurschalen’ (een kampvuur ‘bakt’ de ondergrond en wanneer dat ongestoord blijft zitten, kunnen paleo’s er nog op stuiten) dateren van 1.6 mjg, maar omdat de meeste paleo’s dat nog te ongelooflijk vinden, wordt er niet echt naar gezocht – lijkt me ook nogal moeilijk.

Waarom wil ik dat toch zo vroeg plaatsen? Omdat na het vuurgebruik hun menselijke gedrag pas echt met sprongen vooruit ging. Dat moet ik uitleggen, aan iemand die wil weten waartoe wij op aarde zijn.

Dat ‘cultuurtje’ van namen voor de dingen was met niets begonnen en stelde heel lang weinig meer voor dan de ‘proto’-taal die mensapen in gevangenschap die aan gebarentaal-experimenten worden blootgesteld, leren hanteren: het communiceren van een ding of handeling waar ze op dat moment aan denken. De communicatie van onze VOAP’s beperkte zich tot het overdagse voedselscharrelen en het verdelen van het verzamelde na aankomst in het overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen  heel kort duurt, moest ieder zijn nest maken in de kruin van een boom en dan was het afgelopen met het communiceren.
Maar toen ze eenmaal het vuur waren gaan gebruiken, konden ze op de grond blijven overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren werden hierdoor aan hun dagen toegevoegd. Uren bovendien die zich voor niets anders leenden dan voor het communiceren.

Wat communiceerden ze dan? Iets wat er die dag tijdens het voedselscharrelen was voorgevallen. De onverwachte confrontatie met een vervaarlijke buffelstier bijvoorbeeld. De mannen hadden met hun stenen in de aanslag terstond een ‘muurtje’ gevormd. De buffel had geaarzeld, schrapend met een hoef: die apen met hun stenen waren intussen berucht bij de savannedieren. Na enkele doodstille ogenblikken had de buffel zich omgedraaid en was weggegaan.
Deze beangstigende confrontatie speelde een vrouw, nu rustig bij het kampvuur, door het hoofd. e sprong op en imiteerde haar angst voor de buffel. De overige vrouwen en kinderen zetten het op een krijsen. Een man sprong op en imiteerde de buffel. Nog harder gekrijs, en de andere mannen vormden een ‘muurtje’. de ‘buffel’-man imiteerde angst en droop af. Opgelucht gekrijs van de overigen.
De rust keerde weer. Maar de adrenaline-spiegel was nog zo hoog dat de vrouw opnieuw opsprong en het spel nog een keer werd gespeeld. En nog eens, toe ieder zich in zijn slaapvel had gerold en was gaan meuren. Maar hun scherpe oren waakten.

Prachtig verhaal, niet? Maar ik ken een paleo, Steven Mithen, die ook meent dat ons taalvermogen met dit soort performances begonnen moet zijn (in zijn boek After the Ice. Harvard UP 2003) Alleen denkt hij aan gesproken taal, niet aan gebarentaal. Zonder er rekening mee te houden dat mensapen geen neurologische controle hebben over hun stem. Natuurlijk begeleidden de VOAP’s hun communicatie met emotionele kreten, maar voor hun namen voor de dingen waren ze aangewezen op hun gebaren. Nu zijn er wel begeleidende geluiden te maken met lippen [P!!] en [PFF!!] en met huig [K!!} en [CHH!!] te meken die je als mensaap wél bewust kunt produceren. Daarmee hebben ze hun gebaren vanaf het begin al gauw mee aangevuld. Want met je handen vol valt er niet veel te gebaren, en je wilt toch wat communiceren onderweg.

Avond aan avond deden ze de [buffel]-performance, tot er zich een nieuw voorval had aangediend en ze weer een nieuw onderwerp hadden. Van generatie op generatie werden deze performances rond het kampvuur meer gestandaardiseerd. Ook de gebaren werden gestandaardiseerd. Wanneer het begin van een gebaar al begrepen wordt, maak je het niet helemaal af: je houd het zo kort mogelijk. Dat doen we nog steeds. In de MMS-communicatie worden de woordjes ook ff afgekort. In een babbel wil je in je communicatiemoment zoveel mogelijk mededeling proppen.
Gebarentaal is lichaamstaal: niet alleen je hele gezichtsmimiek maar ook je lichaamshouding doen er aan mee. Bij emotionele performances lijkt dat op dansen, op ballet. Vooral als de hele groep iets uitbeeldt. De VOAP’s werden ‘dansende apen’.

De VOAP’s zijn het vuur gaan gebruiken. Ze kregen er een veel uitgebreider en voedzamer voedselpakket door. Ze werden groter van gestalte. Dat laten de fossiele resten ook zien. Wat die ook laten zien is dat de gebitten en het hele kauw-apparaat ‘gracieler’ werden: door het koken en roosteren werd het voedsel niet alleen voedzamer, maar ook zachter. Die gracielere gebitten en grotere gestalten zijn voor mij harde bewijzen van vroeg vuurgebruik. 
Ze zijn nu niet langer VOAP’s maar Homo erectus. Kort ik hier af tot HE’s.

De HE’s konden met toortsen dieren in een gewenste hoek drijven, ze werden jagers. Ze verbreidden zich buiten tropisch Afrika naar koelere streken. Via het Midden-Oosten naar het Verre Oosten. Het vuur heeft gemaakt dat wij, begonnen als een volstrekt onbespeurbaar ondersoortje chimpansee-achtigen, nu dé dominante zoogdiersoort zijn van de Aarde. Alle dieren, hoe vreeswekkend ook, zitten bij ons, talige wezens, in de dierentuin en nergens is het andersom.

Het noodgedwongen in hechte groepen foerageren vanwege die roofdieren heeft hen ook gedwongen, de sociale vermogens die ze als mensapen al ontwikkeld hadden – daar laten de onderzoekingen aan de chimpansees verrassende staaltjes van zien – te ‘professionaliseren’ door nóg socialer te worden. Groepen met de meeste onderlinge harmonie deden het beter dan aso-groepen en zo selecteerde de tijd ons tot de aardigste dieren die de natuur kent. De groepen waren klein, hooguit een mens of 25. Volstrekt op elkaar aangewezen. Zo’n HE-groep kon ook niet leven zonder contacten met andere HE-groepen, al was het maar om partners uit te ruilen. Maar ook om er te logeren in slechte tijden. De wereld was nog eindeloos groot. Oorlog was een ondenkbaar verschijnsel, dat hoort bij overpopulatie, bij teveel groepen in een beperkt leefgebied. Maar daar was pas enkele tienduizenden jaren geleden sprake van. De Vroege Mensen, vanaf de HE’s tot en met de Neanderthalers (NT’s) waren nog ‘edele wilden’: leefde in volstrekte harmonie, binnen de groep en tussen de groepen onderling. 

talige wezens

Er gebeurt iets met een diersoort die meer en meer zijn hele leefomgeving benoemt: die komt in een benoemde wereld te leven. Een wereld waarvan de soort los komt te staan, gevoelsmatig dan, mentaal, cognitief of hoe je het noemen wilt. Onze voorouders werden talige wezens.

Omdat mensen tot talige wezens geworden zijn, hadden ze en hebben ze nog steeds een Ontstaansverhaal, een Heersend Verhaal nodig. Dat is het waar deze tekst om draait; dus dat moet ik goed proberen uit te leggen.

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je daar geen samenhang in hebt. Een logisch en consistent verhaal dat het begin van de dingen vertelt en waarin je eigen stam, dus je eigen persoon, zijn plaats heeft. Dat is het enige procédé dat greep geeft op je benoemde wereld, dat er samenhang in schept en dat je vaste grond onder je denkvoeten geeft. Dat hebben mensen dan ook altijd gehad: elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal. Vandaar dat die primitieve stammensen vaak zo’n evenwichtige indruk maken.

Onze voorouders verbreidden zich over Eurazië. Dat verbreiden ging heel langzaam. Als een stam te groot werd, kreeg je spanningen en dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Niet al te ver weg, want je bleef elkaar nodig hebben. Maar dat groepje eerste ‘kolonisten’ was wel de eerste groep mensen die in dat nieuwe stamgebied (nog ‘woest en ledig’, want nog onbenoemd) de dingen hun namen gaven. Voor talige wezens zijn de dingen er pas als en in zoverre ze er een naam voor hebben. Door de dingen aldaar te benoemen ‘riepen’ ze de dingen ‘in het bestaan’, schiepen ze de dingen. (“In den beginne was het Woord.”)

Voor hun nakomelingen waren zij, in het spraakgebruik als groep tot één figuur samengetrokken: de Grote Voorouder. (Hebben wij nog steeds een handje van, we spreken rustig over ‘de Mof’ of ‘de Jap’ of ‘de Amerikaan’, ‘de Fransman’ en primitieven zoals de aboriginals hebben het nog sterker)

Het scheppingsverhaal vertelt hoe de Grote Voorouder in de Droomtijd het stamgebied was binnengekomen en op zijn weg alle belangrijke dingen (de vruchtbomen, de bergen en rivieren, de vissen en de moerassen, de kloven en de noem maar op) geschapen had. Veel van die belangrijke dingen werden ook belangrijke Figuren in het scheppingsverhaal. Dit Verhaal dansten/zongen ze bij elke gelegenheid. Ze hadden ook het gevoel dat ze al dansend/zingend hun stamwereld telkens opnieuw in leven riepen, schiepen, en dat die zou ophouden te bestaan als ze die niet langer zouden dansen/zingen. Alle plekken waar de Grote Voorouder (nooit een man of een vrouw en dat klopt, het was een groep) zijn sporen had achtergelaten: bergen, bronnen, kloven, wouden etc., waren heilige plaatsen, mochten niet dan met de vereiste gebeden en schroom betreden worden.

Je begrijpt dat we met de figuur van de Grote Voorouder te maken hebben met het prototype van God. En dat we die geschapen hebben omdat we talige wezens geworden waren.

Belangrijke ‘scheppingen’ in het Scheppingsverhaal, belangrijke planten of dieren bijvoorbeeld, werden ook belangrijke Figuren in het Verhaal. Zoveel stammen, zoveel Grote Voorouderfiguren en andere Figuren. Daarbij maakten de mensen voor hun gevoel nog steeds deel uit van de dierenwereld waar ze van afhankelijk waren. Ze beschouwden zichzelf nog als afstammend van een bepaald dier. Ze kregen hun totemdier ook bij de initiatierituelen mee; dat werd hen even eigen als hun naam. Nog steeds zijn wij onze naam.

Vanaf de tijd dat steeds meer stammen overgingen van voedsel ‘scharrelen’ op voedsel telen, pasten hun scheppingsverhalen zich daaraan aan en de Grote Voorouder werd – doordat het zwaartepunt van de economie op de landbouw kwam te liggen, wat aanvankelijk vrouwenwerk was – De Grote Moeder. Hun stamtotems werden stamgoden. Ze vestigden zich in dorpen, en hun rituelen zowel als hun voedseloverschotten werden beheerd door de tempel. Gewijd aan hun (dierlijke) stamgod, als speciale bemiddelaar bij de Grote Moeder.

Sinds vijfduizend jaar geleden zijn we meer en meer in klassenmaatschappijen komen te leven. De scheppingsverhalen van de afzonderlijke stammen moesten daarin plaats maken voor een eenheidsgodsdienst, een ‘Groot Verhaal’. Het proces van beschaving ging gepaard met oorlogen, slavernij en andere onmenselijkheden. Het houdt in: het onder dwang leren om leden van andere stammen die een andere taal spreken dan jij, toch als mensen net als jij te zien. De mythe van de Toren van Babel is er nog een overblijfsel van. Een smartelijk proces, maar het leverde wel een uitbreiding van het menselijk bewustzijn op: schrift, vormen van natuuronderzoek, uitwisseling en verbetering van technieken, verhoging van de landbouwopbrengsten, onderwijs en wetenschap, kortom, vooruitgang. Zo bezien zou de Bush-kliek met zijn imperialistische bezetting van het olieparadijs Irak toch nog de handen in historie kunnen schoonwassen.

Maar ondanks een opeenvolging van wrede culturen is onze menselijke natuur onveranderd gebleven.

De vrije markt heeft ons, als eerste cultuur, van ons teneerdrukkende godsdienstige Grote Verhaal bevrijd. We leven voorlopig op een seculier eiland in een verder nog geheel religieuze wereld.

Maar ook consumenten blijven mensen. Dus we zijn nog steeds ‘ongeneeslijk religieus’, zoals Dorothee Sölle stelde (zonder het te kunnen uitleggen natuurlijk). Tienduizenden generaties lang je wereld dansend/zingend beleven laat zijn sporen na in onze wereldbeleving. Onze kindjes komen nog steeds ter wereld in de verwachting dat hun moeder een verhaal danst/zingt. Ze houden even op met huilen als mama neuriënd met ze rond deint: dan luisteren ze oplettend want dat ‘kennen’ ze ergens van. Onze wereld beleven in een gemeenschappelijk gedanst/gezongen scheppingsverhaal, dat zit de mensen als het religieuze gevoel in het bloed, net als de neiging om op twee benen te gaan lopen en om talig te gaan communiceren.

Er is geen klassensamenleving geweest die het zonder Heersend Verhaal heeft kunnen stellen. Het kon een godsdienstig Verhaal zijn, zoals het Christendom of de Islam. Het kon een collectivistisch, dus nationalistisch of fascistisch of etnisch of economistisch Groot Verhaal zijn. Maar geen heersende klasse heeft ooit zónder gekund, zelfs de Argentijnse dictatuur waarin papa Zorregieta tot de trawanten behoorde, had zijn Groot Verhaal “Het Proces van de Nationale Reorganisatie”. Ook de mannenmaatschappij kon niet zonder dat verhaal dat God de vrouw schiep uit de rib van de man. Alle foute dingen moet je voor jezelf goedpraten met een ‘verhaal’ (je dronkenschap bijvoorbeeld: “op één been kun je niet staan”). Als ieder zijn eigen verhaal mag maken, levert dat al te vaak eigenbelang-versies op.

conclusie

Mensen zijn talige wezens. Hun samenleving heeft voor hen alleen in een Verhaal samenhang en zin, hun bestaan alleen in een Verhaal grond en sociale bedding. Dat is de menselijke natuur en dus is het ‘beetje dom’ dat de filosofen zo juichen om het einde der Grote Verhalen. Ja, de bevrijding van het onderdrukt worden door een heersende klasse middels een vrijheidsbeperkend collectivistisch communistisch of fascistisch Verhaal of een gelukbeperkend godsdienstig Verhaal is een zegen en die wensen we onze islamitische medemensen natuurlijk ook toe. Maar zónder Verhaal kunnen we niet goed samenleven. Dat wordt ook steeds duidelijker. Als in je samenleving geen Verhaal heerst (zoals een mode heerst bedoel ik), dat doel en richting van dat samenleven aangeeft, heb je ook niet het gevoel dat je buiten je familie- en vriendenkring wat met elkaar te maken hebt. Dan gaat ieder maar zijn eigen doelen nastreven.

Ook voor onze jongeren is het geen pretje, hun identiteit en hun bestaansworteling te moeten vinden zonder dat hun samenleving daar een Verhaal voor heeft, een Verhaal waarin alles past en zij zelf ook. Wij ouderen hebben nog wel een Verhaal meegekregen, het christelijke. Maar dat onderdrukkende, vrouw- en kindonvriendelijke Verhaal hebben we niet aan onze kinderen willen doorgeven. Niet wetend dat we hen daarmee ook vaste grond onder de voeten onthielden en ze veroordeelden om de ‘verloren generatie’ te worden. Trouwens, wie waren wij? In onze samenleving moet een Verhaal heersen. In je eentje heb je Nix te bieden, en dat boden we dan ook.

Als je niet weet hoe je geworden bent, heb je ook geen idee hoe je zelf bent en waar het met je naar toe moet. Het schrijnendst om te zien vond ik de Punks: hun wanhopig proberen zichzelf gestalte te geven. Schrijnend is ook hun motto: No Future. De hedendaagse literatuur laat die vergeefse worsteling om vaste grond en worteling in het leven te vinden, veelvormig zien.

Wie zijn herkomst niet kent, kan ook zijn heden niet begrijpen en geen toekomst zien. Dat geldt voor elke mens, maar ook voor een samenleving.

Het hoéft helemaal niet, dat samenleven zonder Verhaal. Ik heb nu nog maar een paar dingen in vogelvlucht laten zien, maar er is veel meer te vertellen en begrijpelijk te maken. Onze geneigdheid tot het goede; waarom we desalniettemin oorlog voeren en belachelijk omgaan met onze vrouwen en kinderen; en zo voort. Een clubje wetenschapsschrijvers zou, tenminste wanneer ik daar ook deel van zou mogen uitmaken, binnen een jaar een Verhaal voor elkaar kunnen hebben dat in de bestaande behoefte voorziet. Het hoeft namelijk niet perfect te zijn: dat heeft geen enkel Scheppingsverhaal ooit hoeven zijn om toch zijn bindende werk te kunnen doen. Bovendien steunt het op de enige echte waarheid die er voor mensen is weggelegd: één waar voortdurend aan gewerkt blijft worden. Het Verhaal komt immers nooit af, omdat de wetenschappelijke onderzoekers over de hele wereld maar door blijven gaan. De echte waarheid blijft altijd onderweg, dus het gaat een nimmer eindigend project worden. Elk jaar een supplement met de meest recente inzichten, elke vijf jaar een bijgewerkte hoofdtekst. Zoiets als het postcodeboek.

Een Nieuw Scheppingsverhaal. Maar nu één dat geldt voor elke mens die er bestaat, van welk ras of welke cultuur of gezindte dan ook. Of iemand dat zelf zo wil zien is een tweede, daar is zij/hij uiteraard vrij in. Het gaat om de mensen met Nix, die een IETS willen voor hun leven. Het gaat om een samenleving met een IETS dat ons bindt.

Een universeel Scheppingsverhaal is ook de globaliserende vrije markt waardig. Het haakt aan bij het eerste universele document dat de mensheid tot stand heeft weten te brengen: de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Ook dat is gebaseerd op het menszijn van iedere mens. Een enorme prestatie voor 1948, om God er buiten te laten: de macht van de kerken was nog onaangetast. Het bleef bij een uiterst summiere aanduiding, de nadere invulling van het begrip ‘menszijn’ was politiek maar ook wetenschappelijk nog niet haalbaar toen. Dat is het vandaag wel.

Het moet er vooral zijn voor onze overheden, dat ze weer doel en richting kunnen uitzetten, en duurzaamheidsmaatregelen en eerlijk-delen-beleid kunnen legitimeren. En voor de burger, dat hij zijn overheid weer ergens op kan aanspreken. Voor het onderwijs, dat het de kinderen weer IETS mee te geven heeft. Voor de programmamakers, dat ze over zinnige inhoud beschikken. Voor de jongeren, dat ze grond onder hun denkvoeten krijgen: het stelt ze in staat hun wortels tot in de oerknal door te denken! Voor de allochtone jongeren, dat ze een alternatief krijgen voor het niet bij de vrije markt passende islamverhaal. En als alternatief voor het creationistische verhaal van het opdringende christenfundamentalisme. Voor ons samenleven dat niet zonder IETS kan. Voor Europa, dat ook geen gemeenschap kan worden zonder Verhaal. Voor de filosofen, dat ze niet meer van die domme dingen zeggen over ‘de mens’.

Voor de ex-gelovigen, dat ze gemakkelijker afstand kunnen doen van hun achterliggende gedachte dat ‘er toch iets moet zijn’ en ze rijp te maken voor de vruchtbaardere gedachte dat wij, mensen, het samen moeten zien op te lossen op dit paradijsje in het onherbergzame heelal.

info@mens2000.nl

Een uitgebreidere (maar ook nog steeds een te korte) uiteenzetting van ons Verhaal vindt u in de tekst “De Geboorte van God” (50 blz)


[1] wat mijzelf betreft waren het de jaren veertig, en luidde het antwoord nog: “Om God te dienen en daardoor in de hemel te komen”. In 1948 is een nieuwe versie ingevoerd waarin je ook tijdens je leven al gelukkig kon wezen als je God diende.

[2] het hebben van een ‘naturalistic worldview’ is de (enige) voorwaarde om deel uit te mogen maken van THE-BRIGHTS, de begin 2003 van de grond gekomen beweging van Amerikaanse intellectuelen die de grondwettelijke scheiding van kerk en staat in het nauw gedreven achtten door het christenfundamentalisme dat met de Bush-regering wind in de zeilen kreeg; geleerden van faam zoals Richard Dawkins en Daniel Dennett schaarden zich onmiddellijk achter het initiatief, dat nu al wereldwijde instemming en aanhang geniet. The BRIGHTS Movement. P.O.Box 163418, Sacramento, CA 95816 www..the-brights.net

[3] voor de mogelijkheid van ETI (Extra-Terrestrial Intelligence) of UFO’s moge ik verwijzen naar de Toeval-tekst op deze site

[4] filosoof en psycholoog Jaap van Heerden Wees blij dat het leven geen zin heeft (Amst.1991) is bekend o.m. van zijn deelname aan het programma “God bestaat niet” van de RVU, 12 juli 2005, en bovendien heeft/had hij een internetsite waarin hij publieksvragen beantwoordt!

[5] niet dat dit zo moeilijk is; zie mijn tekst “De menselijke natuur” elders op deze site

[6] ja, ziet u, deze tekst schreef ik al drie jaar geleden, ik heb hem nu pas opnieuw op de werkbank gelegd

[7] ik meen echt dat we van de continentale filosofen á la Sloterdijk niets leren; dat is deze overigens in een debat in Felix Meritis in febr.’06 ook onomwonden verweten, door burger Bolkestein. Vrijwel al het bruikbare op de gebieden waarin ik mij als amateur begeef, is van Amerikaanse auteurs

[8] het kapitalisme is niemands uitvinding, het is een mechanisme; zelfs de CEO’s hebben er niets over te vertellen, ze draaien er in mee, net als u en ik; alleen hebben ze meer macht over ‘geld en goed’, en macht corrumpeert

[9] dit prikte de campagneleider van Bill Clinton als memory op voor diens redevoering; en voor iemand die wil weten waartoe wij op aarde zijn, moeten het evenzeer duidelijk zijn: ons denken wordt bepaald door de heersende economie, en dat is al vanaf de allervroegste tijden zo

[10] van Bart Tromp (of was het Van Doorn?) moet ik eigenlijk zeggen mondialiserend

[11] zoals Jean de Léry Reisverslag Brazilië , over de ideale Tupinambe-gemeenschap (1578)

[12] Pim was een aarts-egomaan, maar hij was in ’t geheel geen foute man, geen fascist; dus deze vergelijking slaat alleen op beider populistische welbespraaktheid; sorry Pim (ik hoorde hem zich omdraaien in zijn graf)

[13] daar gaat het boek De aap en de sushimeester van Frans de Waal (Contact, 2001) over

[14][ overpopulatie is: teveel leefgroepen binnen een te klein foerageergebied; dan is elke aanleiding tot een overlevingsgevecht goed genoeg; de overleving van je groep is dan afhankelijk van het aantal vechtbekwame mannen; dus gaan de vrouwen gewelddadigheid van hun jongens en mannen als een goede eigenschap zien en dus aanmoedigen; dan stijgen de mannen als sekse in status en gaan, na miljoenen jaren ‘tweederangs-burgers’ te zijn geweest, zichzelf ineens superbelangrijk voelen

[15] Rosalind Miles The Women’s History of the World (London, 1988)

[16] onderstreping van mij

[17] Rosalind Miles Stiefdochters van de tijd (Bruna, 1989)

[18] www.nrc.nl/W2/Nieuws/2000/03/25/Vp/wo.html

[19] ‘historische tijden’: t.o. de pre-historische tijden, de tijden waarin onze menselijke natuur gevormd is en waarin onze religieuze geneigdheid gevormd is; ik maak dus duidelijk onderscheid tussen religie: de neiging om onze wereld en ons samenleven te beleven binnen een gedanst/gezongen Scheppingsverhaal – en godsdienst: de eenheidsvorm waarin de religies gegoten zijn onder de dictatuur van een heersende klasse

[20] héé, komt hier niet een collectivistische gedachte om de hoek? Jazeker. Maar … ik zie als de stuwende kracht achter alle menselijke vooruitgang (in denken zowel als in welvaart) de vrije markt. It’s the economy, stupid!

Laat een échte denker maar gauw een ‘derde weg’ tussen deze twee uitersten bedenken. Ik heb al wel een idee voor haar/hem: alle macht aan de vrouwen (als sekse) en weg met het patriarchaat

[21] voor deze veronderstelling verwijs ik weer naar mijn tekst “Toeval.doc” op mijn site

Over het ontstaan van ons taalvermogen en ons bewustzijn (versie 2012)

Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image002.jpg

versie 11 april 2012

WOORD VOORAF

lieve lezer(-es),

Een humanosoof is een humanist/filosoof die het mens-zijn beziet vanuit de ontstaans-geschiedenis van onze soort. Omdat noch het humanisme, noch de filosofie, een verhaal in de aanbieding heeft over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn en dat niet eens beoogt, en een humanosoof dat wél beoogt en aanbiedt, noem ik mij humanosoof.
Nu moet ik bekennen dat ik de enige humanosoof ter wereld ben. Dan ben je wel makkelijk te vinden op het internet, het is ook wel een beetje zielig. Maar op een zwak pitje gloeit mijn hoop dat u, na kennisneming van wat ik u hier ga bieden, uzelf ook als humanosoof zult zien.

Een humanosoof beschouwt de menselijke natuur als gevormd in de menselijke prehistorie, in de VJ-fase (zie onder). In die lange-lange fase leefden onze voorouders in kleine, uiterst vreedzame groepjes met vrouwelijke dominantie. Van nature goed. Edele wilden.
In de AGR-fase (zie ook onder), en vooral in de historische tijden, is die natuur geweld aangedaan en gefrustreerd. Maar het verlangen naar het goede komt als een ondergeduwde kurk steeds weer bovendrijven waar het de kans krijgt.
Kennis van de menselijke prehistorie, dat is waar het in de humanosofie om draait. Daar komt vooral kennisname van wat de menswetenschappen aandragen aan te pas: kennis waarin filosofische opleidingen zwaar tekortschieten en waaraan ook op de universiteit voor humanistiek geen aandacht wordt besteed.
Zeker wat mijzelf betreft komt er ook eigen-wijsheid aan te pas: bij het opvullen van de weinige ‘witte plekken’ die ons menselijke kaart nog vertoont.
Eigengereidheid ook wel, voornamelijk tot uiting komend in mijn afkortingen. Ik leg ze in de tekst telkens uit, maar ik presenteer hier alvast een naslaglijstje.

VJ’s : verzamelaars/jagers (het stadium van 2 mjg tot 10.000 jg)
AGR’s : boeren (het stadium van 10.000 jg tot nu)
jg : jaar geleden
mjg : miljoen jaar geleden
vC : vóór het begin van onze jaartelling
AD : ná het begin van onze jaartelling
paleo : wetenschapper inzake onze ontstaansgeschiedenis: archeoloog, paleoantropoloog, antropoloog, etholoog, taxonoom, geoloog, noem maar op
vobo’s : voorouder-bonobo’s (voorouder-hominiden, voorouder-australopitheken)
AP’s : (australopitheken)
HERG’s : H. ergaster-mensen
HE’s : H. erectus-mensen
HEID’s : H. heidelbergensis-mensen
NT’s : H. neandertalensis-mensen
MSA’s : Afrikaanse NT’s (Middle Stone Age-mensen)
AMM’s : Anatomisch Moderne Mensen (H. sapiens-mensen)
EWG : Enig Ware God
mbt, oa, jg, ea : (puntjes voegen toch niets toe aan de leesbaarheid? Vooruit dan, bij o.m. wel)

INHOUD

4 Inleiding
8 literatuurlijst
11 ons verhaal
11 het begin
13 vellen
14 voap’s: hypersociale dieren
17 we werden talige wezens
18 gebarenwoorden
20 niet begonnen met praten!
21 symbolentaal
27 namen voor de dingen, en die in een woordenschat
30 de cheremen-doorbraak
33 het ontstaan van ons talige bewustzijn
34 het vuur
37 de grote sprong voorwaart als gevolg van de vuurbeheersing
40 talig bewustzijn
42 een overstap met dramatische gevolgen
47 het scheppingsverhaal
48 het bastion van heiligverklaring
50 conclusie

OVER HET ONTSTAAN VAN ONS TAALVERMOGEN EN ONS BEWUSTZIJN

“Over het bewustzijn tasten we nog steeds in het duister. Op dit moment is het bewustzijn een nogal geïsoleerd onderwerp, waarover zelfs de scherpste denkers maar liever zwijgen. Net als bij al die eerdere raadsels zijn er veel mensen die beweren – en hopen – dat het bewustzijn nooit zal worden gedemystificeerd. “ ( Daniel C. Dennett) [1]
Geen frustrerender onderwerp dan het bewustzijn… We kennen het bewustzijn allemaal, we zijn bewustzijn. Maar leg maar eens uit wat het is. (Bart Voorzanger)[2]
Wat is er nu zo ‘talig’ aan bewustzijn? (Wim van de Grind)[3]

inleiding

Ons menselijk bewustzijn is in de natuur ontstaan en die doet niet aan ingewikkelde dingen. De evolutie werkt met oude spullen, ruimt die pas op als ze in de weg zitten en ontwikkelt iets nieuws waar het van overlevingswaarde is voor een soort.
De continenten blijven niet op hun plek liggen. Ze hebben niet eens een plek, ze drijven. Door magmaconvecties in het binnenste van Aarde worden ze bijeengedreven of juist uit elkaar. Door die verplaatsingen krijg je nieuwe golfstromen. Door opduwingen tot gebergten van wat eerst kustgebieden waren of andersom krijg je andere luchtstromingen, dus andere verdeling van de zonnewarmte. Eenzelfde wispelturigheid en invloed hebben de stand van de aardas en de baan van Aarde om Zon. Het kan allemaal behoorlijke veranderingen teweeg brengen in het klimaat, en dan is het uitsterven geblazen voor soorten die op een bepaald klimaat zijn afgestemd. Randpopulaties van een soort kunnen al eerder met de omslag te maken gekregen en aanpassingen ontwikkeld hebben. Die groeien uit tot nieuwe hoofdpopulaties maar wel van een nieuwe soort.
Ons bewustzijn moet ook zo’n aanpassing zijn aan veranderde omstandigheden. Vergelijkbaar met het vliegvermogen van vogels of de sonar van de vleermuizen. Voor het ontstaan van dat vliegvermogen ga je toch niet zoeken in het vogelbrein en het vleermuizenbrein ga je toch niet afspeuren naar sonar? Nee, je loopt de evolutionaire ontwikkelingsgang van die soorten na, en je zoekt vergelijkbare soorten in vergelijkbare omstandigheden. Tenminste, dat is wat een humanosoof geneigd is te doen. Een humanosoof is iemand die menselijke fenomenen terugvoert op de ontstaansgeschiedenis van onze soort en die beschikt over een coherent verhaal daarvan[4]. Tien miljoen jaar geleden waren onze voorouders nog mensapen, nu zijn we mensen. Die weg gaan we nalopen.
Waarom doen geleerden als de hierboven geciteerde Dennet dat niet en blijft deze, terwijl hij nota bene zelf zegt dat het hopeloos is, ons brein aftasten? Volgens deze humanosoof komt dat door het denken vanuit een paradigma. Paradigma’s zijn, zo legde Klukhuhn het uit in Sterf, oude wereld : vooronderstellingen, wetten, methoden, schoolvoorbeelden, die niet meer ter discussie staan. Ze worden tijdens de opleiding aangeleerd en vormen het ‘denkraam’ waarbinnen wetenschappelijke problemen worden bezien.
Dat geldt met name voor onze filosofen; hun opleiding voorziet uitsluitend in kennisname van het denken over de wereld en de mens van de oude Griekse filosofen, van die van de Verlichting en van de Duitse metafysici. Maar die oude filosofen hadden nog geen wetenschappen tot hun beschikking, hun denken was voornamelijk ‘natte-vinger-werk’. Van de opbloei van de menswetenschappen na de zestiger jaren hebben onze filosofen in hun opleiding niets meegekregen; dus berust hun denken over wereld en mens op ‘oude koek’. Het schadelijke van deze toestand is dat de wetenschappers zich in hun denken richten op de heersende filosofie.
Zo is voor de meeste wetenschappers de vanzelfsprekendheid van het onoverbrugbaar zijn van de kloof tussen ‘de mens’ enerzijds en alle overige vormen van leven anderzijds de vrucht van het filosofische paradigma. De denkers uit de klassieke oudheid schetsten die kloof, latere geleerden als Thomas Hobbes zagen het niet anders, zo hebben onze wetenschappers het altijd leren zien in hun opleidingen en met die bril op staan ze in hun onderzoeksgebieden.
Maar er begint zich een (overbrugbare) kloof af te tekenen tussen filosofen, linguïsten en cultureel antropologen enerzijds en veldantropologen, ethologen en neurologen en ontwikkelingspsychologen anderzijds. Het woord ‘veld’ is hier veelbetekenend. Onderzoekers die daar met beide benen in staan of gestaan hebben, bezien de dingen anders. En die beginnen nu steeds luider hun boekengeleerde collega’s te verzoeken die oude bril af te zetten en gevolg te geven aan een niet minder klassieke aansporing: KEN UZELF. Om te weten hoe ‘de mens’ is moet je nu eenmaal weten hoe hij van ‘de aap’ tot mens geworden is. Dus moet je ons pad vanaf tien miljoen jaar geleden tot nu nalopen. Kom je UZELF vanzelf tegen.

Eeuwen geleden kon dat nog niet, dat pad aflopen. De klassieke denkers moesten er maar een slag naar slaan hoe mensen van apen mensen geworden zijn. Wat? Het besef dat we als apen begonnen zijn en dat we er nog heel wat eigenaardigheden van in ons meedragen, is tamelijk nieuw. Tot ruim een eeuw geleden heeft zelfs in de wetenschappen als vaststaand gegolden dat we kant en klaar door een Hoger Wezen op de aarde getoverd waren. Hoewel onze westerse wereld al wel grotendeels ‘onttoverd’ was, bleef wat de mens’ betreft het woord van de bijbel nog als wet gelden en Darwin is nog heel lang verketterd met zijn afwijkende visie. Tot op de dag van vandaag is de kloof tussen ‘de mens’ en zijn mededieren voor veel wetenschappers nog steeds onoverbrugbaar. Met name voor filosofen, cultureel antropologen en linguïsten. Omdat ze dus nog steeds voortbouwen op de inzichten der klassieke wijsgerigheid en geen kennis genomen hebben van de groeiende inzichten uit de antropologische disciplines. Die kloof is een onnodige én onvruchtbare barrière.
Ook de antropologische disciplines, aan de andere zijde van de kloof, weten deze nog niet te overbruggen. Frans de Waal ziet als primatoloog zoveel gedragsovereenkomsten tussen ons en de chimpansees dat hij de kloof verwaarloosbaar acht. De kloof negeren is ook geen overbruggen ervan.

Denken binnen een star paradigma is één blokkade.  Het niet helder zijn van wat onder het woord ‘bewustzijn’ verstaan kan en moet worden is een tweede struikelblok.
Het woord ‘bewustzijn’ komt uit de gereedschapskist van de Zijnsfilosofen, zoals Fichte, Schelling en vooral Hegel. Het woord ‘bewust’ is volgens het etymologisch wb uit het Hoogduits afkomstig. In elk geval is het denken over ons bewustzijn zeker tot in de jaren ‘70 van de 20ste eeuw aan de filosofen overgelaten. Sinds de wetenschap kwam te beschikken over krachtige nieuwe technieken zijn ook de neurobiologen zich met ons brein en vervolgens ook met ons bewustzijn bezig gaan houden, zoals ook mijn aanvangscitaat laat zien. Het betere werk vergeleken met het ‘natte vinger’-werk van de filosofen. Maar met als nadeel dat die link met ons brein de wetenschappers ook weer gevangen houdt. Die houdt hen af van het zoeken waar de oorsprong van ons talige bewustzijn echt te vinden is: op het pad van mensaap naar mens.
Ook de meeste paleoantropologen zijn in de val van het brein gelopen en meten de mate van hogere menselijkheid bij hun fossiele vondsten af aan de cc-inhoud van de schedels. Zodat een befaamd paleoantropoloog als Alan Walker, in zijn boek Wisdom of the Bones (1996), naar aanleiding van een pas gevonden Homo erectusskelet, mijmert: “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een vreemdeling, maar de dodelijke onwetendheid in de starende ogen van een leeuw.” Walker heeft dus nimmer oog in oog met een chimpansee of gorilla gestaan – vermoedelijk wel met een leeuw! Sommigen gaan zelfs zover dat ze die groei naar hogere menselijkheid toeschrijven aan de aanwas van de hersenmassa. Terwijl het toch duidelijk moge zijn dat er eerst het gedrag ontstaat en dan pas het aan dat gedrag aangepaste brein.

Laten we eerst inventariseren wat we allemaal onder ‘bewustzijn’ kunnen verstaan.
In medische zin betekent het: besef van jezelf en je omgeving. Je kunt buiten bewustzijn raken en weer bij (bewustzijn) komen. Maar dat kunnen dieren ook, buiten westen raken of gemaakt worden, en weer ‘bij’ komen. Eigenlijk zou het handiger zijn als we voor dát bewustzijn (‘westen’) het woord “attentieniveau” zouden kunnen vaststellen.
Daar heeft Dennet het natuurlijk niet over, hij bedoelt het ik-gevoel. Zelfbewustzijn. Het besef dat jij jij bent en niemand anders. Maar dat hebben hogere dieren ook al. Dat hadden we dus al toen we nog een soort chimpansees waren. Chimpansees in gevangenschap leren al doende de spiegel te gebruiken om hun (fraaie) gebit te inspecteren of zo en voelen zich diep beledigd wanneer een ander hen in de maling genomen heeft. (Zelf-)bewustzijn is in primatenleefgroepen bijzonder belangrijk. Dat heb je nodig om je in de gedachtegang en de gevoelens van de ander te kunnen verplaatsen, om diens reactie en gedrag te kunnen voorzien. Dus om je eigen kansen op eten, het vermijden van vijanden en je eigen voortplanting zo groot mogelijk te maken.

Het begrip ‘bewustzijn’ is ook nog gekaapt door de New Age-auteurs en andere aanbieders van ‘bewustzijn’; waarmee dezen vooral ‘hoger (of ‘dieper’ of ‘meta-’) bewustzijn’ bedoelen. Maar aan ‘hoger bewustzijn’ komt alleen geloof, geen wetenschap, te pas. New Age-auteurs moeten niet veel hebben van wetenschap. Ze doen deze af als reductionistisch. Nu is de reductionistische methode (complexe verschijnselen uiteenrafelen om de afzonderlijke en gemakkelijker te verklaren onderdelen één voor één onder de loep te leggen, teneinde zodoende het geheel te kunnen verklaren), uiterst succesvol gebleken. Qui bene distinguit, bene discit, nietwaar?  Het heeft de westerse wereld tot hoge welvaart gebracht. Ook tot geestelijke leegte: de kerken zijn leeg geraakt en er kwam geen nieuw zingevend Verhaal voor in de plaats. New Age zingevers zijn de wetenschap de schuld gaan geven van de leegte. Hun devies is ‘heelheid’ (holisme), en dan is de wetenschappelijke methode van reduceren, en daarmee de wetenschap zelf, de natuurlijke vijand van New Age.
Het is een misvatting om te denken dat denken typisch menselijk is. Hogere dieren zouden niet aan hun eten kunnen komen als ze niet konden denken. Denken is het binnen je hersennetwerkjes afspelen van mogelijke scenario’s om daaruit op je gevoel af de beste keuze te maken. Daar laten de chimpansees al supermenselijke staaltjes van zien, maar ook gewone apen zoals kapucijnapen leggen, blijkens het recent gepubliceerde experiment van Frans de Waal (sept.’03) gevoel voor eerlijkheid in de omgang aan de dag. Alle hogere dieren, hoger dan bijvoorbeeld een zeester, denken en lijken echt niet op bijvoorbeeld een grasmaaiende robot. Hét voorbeeld van het dierlijke denken is voor mij het volgende verhaal:
Een onderzoeker volgt met zijn kijker drie leeuwinnen die op jacht zijn. Ze duiken plotseling neer: ze hebben in de verte een troep grazende impala’s gezien. De wind komt naar ze toe dus de impala’s hebben nog niets van hen bespeurd. Terwijl de twee andere blijven liggen sluipt één leeuwin behoedzaam om de troep heen en jaagt de impala’s op: in de richting van de andere leeuwinnen. De onderzoeker ziet de tactiek beloond worden.
Zelfs mijn kipjes maken zich gedachten als ze mij ’s morgens naar mijn busje zien lopen. Stapt die tweebenige die hun graankorrels strooit meteen in en rijdt weg? Dan blijven ze waar ze zijn: scharrelend op de composthoop van de buren. Of loopt hij door naar zijn atelier waar de blikken bus met de graankorrels staat? Dan zijn ze er als de kippen bij! Bepaald geen robots.

Ons menselijke bewustzijn moeten we zoeken in de culturele evolutie die ons zulke speciale dieren heeft laten worden dat we er kippen op na houden – om eens wat te noemen. Wij doen een heleboel dingen die een normaal dier niet doet. Op twee benen lopen, vuur gebruiken, met symbolen communiceren. Allemaal heel uniek voor zoogdieren die begonnen zijn als een onaanzienlijk en bang troepje mensapen dat gedwongen werd op de savannen voedsel te zoeken dat zijn bossen niet langer boden. Hoe, waarom, waardoor heeft dat hen toen, acht miljoen jaar geleden, zo’n afwijkend pad in doen slaan?
Dat pad gaan we nu nalopen en dan komen we ons rare bewustzijn vanzelf tegen.
Dat zullen we voortaan niet meer aanduiden als ‘bewustzijn’, omdat we dat we dat delen met alle hogere groepsdieren. We zullen dan nog uitsluitend spreken over talig bewustzijn want daarin zijn wij als soort uniek.
Daar gaat deze tekst dus voornamelijk over: over de oorsprong van ons menselijke taalvermogen. Ook daarover heeft de humanosoof een nieuwe kijk op te bieden. Mijn literatuurlijst vermeldt de belangrijkste actuele auteurs in deze: Richard Byrne The Thinking Ape (1995), Terrence Deacon The Symbolic Species (1998), Steven Mithen The Prehistory of the Mind (1996), en vooral Steven Pinker Het Taalinstinct (1994). Geen van deze auteurs weet de oorsprong van ons taalvermogen coherent binnen de ontwikkelingsgang van aap naar mens, dus als een Verhaal, te schetsen. Met Verhaal bedoel ik: een vloeiende serie oorzaken en gevolgen. Nee, daar beginnen wetenschappers niet graag aan. Het dichtst bij de formulering van wat de humanosoof als menselijk taalvermogen ziet, is van Pinker: “taal, waarin symbolen zijn omgezet in een oneindig apparaat van combinaties, elk met een vast omschreven betekenis”. Maar ook Pinker constateert slechts, hij speculeert niet over waarom het onze soort is die daarmee begon (oorzaak), noch wat daarvan onze soort zo speciaal maakte in de dierenwereld (gevolg).  Hij loopt het pad van aap tot mens niet na.

De humanosoof laat, gebruik makend van wat voor het Verhaal relevante wetenschappers aandragen aan bouwstenen ervoor, het pad zien. Op duizenden plekken op de aarde zijn wetenschappers aan het onderzoeken. In laboratoria en aan universiteiten, in oerwouden maar ook in dierentuinen, waar de ze gedragingen en het denken van apen bestuderen; en in afgelegen gebieden waar ze mensenpopulaties die nog op een vroegere manier leven, bestuderen. Ze wisselen hun bevindingen uit in boeken en tijdschriften, veelal in het Engels als wetenschappelijke taal, en via internet. En omdat de humanosoof door levenslange interesse, goede opleiding en met meer vrije tijd dan iemand met een ander beroep, er de gelegenheid toe heeft, kan hij nu dit verhaal te berde brengen over waarom en hoe onze vroegste voorouders namen voor de dingen zijn gaan ontwikkelen. Kan hij begrijpelijk maken dat er daardoor afstand ontstond tussen hen en de dingen, dat ze erdoor hun wereld zijn gaan begrijpen, en dat dit (een gevoel van) macht geeft over de dingen.
Daardoor, en alleen daardoor, zijn ze, begonnen als een uiterst onaanzienlijk en bang ondersoortje chimpansee-achtigen, niet beschikkend over horens of scherpe hoeven of slagtanden en klauwen of over grote snelheid of afmeting, ergens op de Oost-Afrikaanse savanne van zes miljoen jaar geleden, na ettelijke miljoenen jaren er toe gekomen om het vuur gaan gebruiken; vanaf toen ze dermate bijzondere dieren geworden dat vandaag al die grote en machtige mededieren nu bij ons in de dierentuin zitten en dat het nergens andersom is.
Macht is één ding. Een ander ding is, dat namen voor de dingen denkbeelden zijn. Onze soort is in een benoemde wereld komen te leven, in een denkbeeldenwereld, een woordenwereld, een alleen in ons talige bewustzijn spelende wereld. Voor ons bestaan de dingen er pas en in zoverre wij er een woord voor hebben.
Onze voorouders schiepen met hun woorden de dingen, riepen ze in ons bewustzijn, dus menselijkerwijs gesproken in het bestaan. Het groepje vrouwen, kinderen en mannen dat als eerste mensen een bepaald gebied als hun jachtgebied in gebruik nam, was voor hun nakomelingen de scheppende groep. Dat groepje gaf er de dingen hun naam, en voor hun nakomelingen leefde de vooroudergroep in het gedanst/gezongen scheppingsverhaal voort als De Grote Voorouder die alle dingen in hun stamgebied geschapen had. Menselijkerwijs gesproken was het stamgebied voordien nog ‘woest en ledig’: was het nog onbenoemd.
Die proto-godsfiguur is dus in wezen de groep eerste ‘kolonisten’, samengebald tot één Scheppende Figuur – die dan ook onveranderlijk noch man was noch vrouw.
Met het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal gaven onze voorouders hun stamgebied telkens weer opnieuw gestalte. Het was een hachelijk ‘papieren zoldertje’ waarop zij mentaal waren komen te leven, die woordenwereld moest vooral aanvankelijk door herhalingen op herhalingen telkens weer opnieuw bevestigd worden. Ze hadden het gevoel dat hun (woorden)wereld zou ophouden te bestaan wanneer ze hun Scheppingsverhaal niet langer zouden dansen/zingen. Ze werden er religieuze wezens door en dat zijn we nog[5].

Dat houdt taligheid dus voor mensen in: we leven in een benoemde wereld, een denkbeeldenwereld, een woordenwereld. Vandaar dat ons bewustzijn talig is.
Het is een pad waarop wetenschappers zich nauwelijks durven begeven. Omdat het glibberig is en zij er hun wetenschappelijke reputatie – en dus hun inkomen – op riskeren . Maar de humanosoof is portrettekenaar. Zijn inkomen loopt geen gevaar, hij heeft nul wetenschappelijke reputatie en begeeft zich dus onbekommerd op het pad. “Fools jump in where angels fear to tread”, zei Alexander Pope. Maar eer u nu geen zin meer heeft om u verder bezig te houden met hetgeen een leek onbekommerd en vrijblijvend te berde meent te mogen brengen, moet u nu twee dingen overdenken.
Natuurlijk bent u als wetenschapper vele malen geleerder dan deze portrettekenaar. Echter … alleen op uw eigen (onderdeeltje van uw) vakgebiedje. Op dat gebiedje hebt u al moeite genoeg om de ontwikkelingen bij te benen, terwijl u ook nog eens moeten lesgeven en publiceren en uw relaties en uw ouderschap goed moet zien te houden. Op alle overige gebieden bent u een even grote leek als deze portrettekenaar. Voor het reconstrueren van ons mensenverhaal nu moet je grasduinen op een veelheid van gebieden (‘grasduinen op’, niet ‘je verdiepen in ’!) Wie kan dat? Dat kan alleen een begeesterde oude en alleenwonende portrettekenaar met universitaire ondergrond. Voilá!
Toch zal de humanosoof meer moeten doen om enige geloofwaardigheid bij u te verwerven, want – en dat is wellicht zijn grootste makke – hij beschikt ook nog eens niet over het bij dit prestigieuze onderwerp passende geserreerde taalgebruik. Het manco van een artistieke inslag, die echter soms ook creatief denken bevordert.
En … hij haat onechtheid en duisterheid. De humanosoof kan zijn verhaal aan elke geïnteresseerde scholier uitleggen, en dat doet hij dan ook vaak, als was het maar om ze ‘bij de les’ te houden bij het geportretteerd worden.

Wat (vooral continentale) geleerden van Alan Socal & Jean Bricmont – Impostures intellectuelles (1997) in hun zak kunnen steken is dat een geserreerde betoogtrant niet per se diepzinnig hoeft te zijn; dat het er om gaat dat je weet waar je over praat en dat je zowel autoriteitsargumenten als ingewikkelde woorden of duister taalgebruik hebt te schuwen. Als je niet simpel uit kunt leggen wat je bedoelt, snap je het zelf niet goed genoeg.

Misschien dat mijn literatuurlijst u enig vertrouwen kan geven. Om aan te geven aan welke auteurs ik bij het schrijven van mijn teksten het vaakst terugdenk, maak ik de betreffende achternaam vet.

 

ons verhaal

“Dit is natuurlijk een post hoc-verhaal, maar dat zijn alle reconstructies. Je kunt het nooit bewijzen. Maar het is een goed verhaal wanneer het strookt met alle bekende feiten en als we er wat mee kunnen.” (Primatoloog Carel van Schaik in interview NRC4 mrt ’06)

het begin

Ons verhaal begint zo’n acht miljoen jaar geleden in de regenwouden van Afrika, het woongebied van de gemeenschappelijke vooroudermensapen[6] van de huidige chimpansees, bonobo’s en mensen.
Bonobo’s delen met de chimpansees en met ons dezelfde vooroudersoort. Ze lijken nog zoveel op de gewone chimpansees (of andersom) dat ze, doordat ze veel zeldzamer zijn, nog niet zo lang geleden ‘ontdekt’ zijn – in een Belgische dierentuin nota bene – als aparte soort met een eigen soortnaam.
Hun leefgebied is het oerwoud binnen de noordwaartse lus van de Congorivier. Dat oerwoud heeft nooit wezenlijk te lijden gehad onder de klimaatwisselingen van de IJstijden, en dus hebben de bonobo’s zich nooit aan veranderde omstandigheden hoeven aanpassen, zoals ónze voorouders en later ook die van de chimpansees wél hebben gemoeten. Vandaar dat primatoloog Frans de Waal stelt dat, willen wij ons een betrouwbare voorstelling van onze vroegste voorouders maken, we naar de bonobo’s kunnen kijken. Vandaar ook dat ik die gemeenschappelijke vooroudersoort als ‘ voorouder-bonobo’s’ aanduid. Kort ik gemakshalve af tot vobo’s.
De vobo’s zijn dus niet alleen ónze primatenvooroudersoort maar ook die van onze ‘neven’, de chimpansees. Beiden zijn we door omstandigheden anders geworden, de bonobo’s zijn gewoon gebleven wat ze als vobo’s al waren.
Acht miljoen jaar geleden waren ónze vobo’s definitief van hun familieleden gescheiden door de Afrikaanse Grote Slenk, het breukdal dat zich toentertijd tot een binnenzee verdiept had. In het deel dat nu als de ‘hoorn’ van Afrika wordt aangeduid, verdween door een geleidelijke klimaatverandering het regenwoud. De vobo’s aldaar moesten zich aanpassen aan wat ervoor in de plaats kwam: savannen[7].
Dus is een heel andere biotoop dan waar die oorspronkelijke regenwoudbewoners op gebouwd waren: geen voorouderlijke vruchtbomen meer maar een gebied met open bossen, uitgestrekte graslanden en struikgewassen. Een biotoop die ook nog eens onderhevig was aan seizoenswisseling: een korte moessonperiode en dan lange maanden van droogte.

Dat aanpassen kreeg alle tijd en verliep volkomen ongemerkt. Ook mensapen struinen rond in hun territorium, foerageerroutes volgend die door seizoenmatige afwisseling worden gedicteerd. Daar heeft voor onze vobo’s geen enkele onderbreking in plaatsgevonden: ze moesten immers elke dag eten. Het enige wat gebeurde was dat hún foerageergebied in de loop der generaties steeds grotere open grasvlakten ging beslaan en dat het bestand aan vruchtbomen in hun bossen achteruitging. Het achteruitgaan van hun regenwoud en het tot savanne worden ging zo geleidelijk dat ze er nooit erg in gehad hebben. Zo geleidelijk verliep ook hun fysieke aanpassing aan de nieuwe condities.
Zo geleidelijk veranderde ook het menu van onze vobo’s, toen hun foerageerroutes steeds vaker en verder over die open grasgebieden liepen: graszaden[8], uit te graven knollen[9], larven, insecten en hagedissen, vogeleieren, kleine gronddieren. En vooral: de vellen van door sabeltandtijgers aangeleverd aas. Leeuwen, hyena’s en gieren hadden zich al tegoedgedaan aan het vlees en zelfs de botten. Maar in de harige vellen hadden die geen trek. Voor onze vobo’s waren de vellen erg aantrekkelijk, zoals we nog zullen zien.

Eten genoeg te vinden op de open graslanden. Maar het was voor mensapen levensgevaarlijk terrein. Vanwege de grote katten die daar leefden van olifantachtigen, neushoorns, gnoes, zebra’s, antilopen en gazellen en andere planteneters. Behalve drie soorten sabeltandtijgers, waren de leeuwen en de hyena’s bovendien reusachtiger dan de hedendaagse soorten. En ze lustten bepaald graag mensaap, want die hebben geen horens of gevaarlijke hoeven of scherpe klauwen; en vooral: ze zijn traag, vergeleken bij de graseters en hun predators die een evolutionaire ‘wapenwedloop’ in snelheid hadden doorgemaakt. [10]

Dat de toenmalige graslanden vanwege de reuzenkatten en reuzenhyena’s vele malen gevaarlijker waren dan de huidige Serengeti is een belangrijk gegeven, waar nochtans weinig acht op wordt geslagen door de paleo’s[11], vind ik. Gelukkig – tenminste als je blij bent dat je er bent – kunnen mensapen iets waar roofdieren een hekel aan hebben: ze gooien met van alles als je in hun buurt komt.

Jane Goodall, die de chimpansees in het wild bestudeerd heeft, noemt het voorbeeld van Heer Worzle (zij gaf de individuen namen om ze uit elkaar te kunnen houden). De bananen die zij in het woud neerlegde om hen naar haar tent te lokken, daar kwamen ook bavianen op af. Die zijn bijna even groot als chimps en ook voor geen kleintje vervaard, en vrouwen en kinderen lieten zich dan imponeren. Heer Worzle liet zich niet van zijn stuk brengen, hij week geen centimeter, raapte op wat voor zijn handen lag en wierp dat naar hun kop. Soms waren het bladeren, een keer – tot groot genoegen van de bavianen – een tros bananen. Maar langzaam kwam Heer Worzle tot de ontdekking dat stenen het beste waren en na een tijdje ging hij ook steeds grotere gebruiken.
Onze vobo’s zijn dit mensapenkunstje noodgedwongen gaan ‘professionaliseren’, zoals ze meer vermogens waar ze vanuit hun mensaap-zijn al over beschikten, zijn gaan ‘professionaliseren’. Wat het gooien betreft hield dat in dat hun projectielen stenen werden, zoals Heer Worzle al liet zien. Die doen niet alleen pijn maar je kunt er ook een voorraadje van meenemen. Want je moet die wapens natuurlijk bij je hebben als je je op zulk gevaarlijk terrein begeeft. Aan één steen heb je niet genoeg, daar laat een troep hongerige reuzenhyena’s zich niet mee verjagen. Maar een troep schreeuwende mensapen en een hagelbui van stenen, daar heeft zelfs een sabeltandtijger niet van terug.
Hoe moet een mensaap in godsnaam een hoop stenen meedragen? Met hun handen natuurlijk. Hetgeen meteen de vraag beantwoordt waarom wij als enige zoogdiersoort tweebenigen zijn geworden. Ook een ‘professionalisering’ van wat chimpansees en bonobo’s al doen: wanneer ze iets zwaars moeten meedragen doen ze dat met hun handen en waggelen ze op hun benen. De meeste dieren, beren, honden, paarden, noem maar op, kunnen het – met hetzelfde (on)gemak als waarmee wij op één been hinken.

vellen

Dat onze voorouders bij dat meedragen van een stapel stenen (en andere mee te dragen dingen en baby’s) vanaf het begin dierenvellen zijn gaan gebruiken, is een speculatie die voor de hand ligt als je weet dat die vellen daar overal lagen te slingeren. Sabeltanders waren gespecialiseerd in het veroveren van een neushoorn[12], nijlpaard of andere dikhuid. Maar hun sabeltanden leenden zich niet voor afknagen. Zodra ze de buik vol hadden, van de ingewanden maar ook van het getreiter van de ongeduldig wachtende aaseters, hielden ze de resten van hun buit voor gezien. De toenmalige hyena’s hadden niet voor niets ook reuzen-uitvoeringen!
Gieren en hyena’s verslinden alles, zelfs de botten, maar die harige vellen zijn echt niet te vreten. Dat onze vobo’s ze gebruikt zullen hebben als draagtas vermoeden ook echte wetenschappers[13]. Maar volgens mij waren de vellen voor hen ook belangrijk als extra bron van proteïnen!

Chimpansees en ook savannebavianen zijn tuk op vlees en beide soorten hebben daartoe hun ‘jachtmethoden’ ontwikkeld[14]. Onze vobo’s konden jacht op die snelle grazers vergeten; maar ze hebben vermoedelijk al heel gauw de door aaseters achtergelaten vellen, waar nog genoeg vet en ander weefsel aan zat, als nieuwe niche (voedselbron) ontdekt. Want met die handige vingers waarmee ze ook luizen uit elkaars haren konden ‘vlooien’, konden ze ook de restanten vlees en vet aan de vellen die buiten het bereik van tanden en snavels waren gebleven, afpulken en opeten. En al gauw zullen ze er ook scherpe schelpen en steenscherven bij zijn gaan gebruiken, om het achtergebleven weefsel er van af te schrapen.

Wanneer een vel helemaal schoon gepeuzeld en geschraapt was, hielden ze er een prima ‘draagtas’ aan over, annex windscherm of zonne- dan wel regenscherm op hun rustplaatsen, annex ‘deken’ voor de koude nachten – want in de tropen daalt de temperatuur ’s nachts soms behoorlijk. Kortom, de vellen zijn voor onze vobo’s vanaf het begin heel gewild geweest, hebben hun ‘rijkdom’ gevormd en hun overleving ten zeerste bevorderd. Ze zijn bovendien uiterst belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de steenbewerkingstechniek. Aanvankelijk zochten de vobo’s naar steenscherven. Maar al heel gauw maakten ze die zelf door een steen kapot te smijten op een grotere steen of met een grotere steen aan scherven te slaan.
Rondcirkelende gieren gaven de plek aan waar vers aas aan te treffen zou zijn. Zeker aanvankelijk zullen ze de plek met uiterste omzichtigheid benaderd hebben, maar in de loop der miljoenen (!) jaren zullen ze steeds brutaler en haastiger de concurrenten van het aas hebben weggejaagd met hun stenen.

Vrouwen kunnen niet gooien, want die moeten hun baby meedragen en eten verzamelen. Mannen kunnen geen knollen gaan zitten uitgraven: leeuwen en andere roofdieren liggen altijd op de loer, ze moesten voortdurend op hun hoede zijn en hun wapens paraat houden. Taakverdeling dus, vanaf het begin. Vrouwen en kinderen verzamelen het voedsel en de volwassen mannen doen niets anders dan zorgen dat dit in veiligheid kan gebeuren. Die taakverdeling komt de gedragsonderzoekers van chimpansees bekend voor: ook bij de chimps zijn het de mannen die voor het vlees zorgen – het ook verdelen, zij het niet met vrouwen en kinderen. Overigens foerageert bij hen ieder voor zich; mensapen verorberen het gevonden eten meteen en delen het niet. Onze vobo’s werden verzamelaars/aaseters, droegen het voedsel mee naar een veilig overnachtingsbos en deelden het daar.
Het was de nieuwe leefomgeving die ónze vobo’s dwong tot deze nieuwe leefwijze. Bewapening (vooral stenen) meedragen hoort daar bij, dus ook rechtop lopen. Daar zijn zoogdieren niet op gebouwd: op het op de achterpoten lopen. Voor de vereiste aanpassingen aan bil- en buikspieren en zelfs aan hun aderen[15] hebben ze wel een miljoen jaar de tijd gehad, zo geleidelijk voltrokken zich de veranderingen van hun omgeving. Het is best mogelijk dat er een overgangsfase in zoutwater-mangrovebossen, zoals bij de neusapen in Borneo, tussen zit, maar nodig is een aquatic ape-theorie[16] niet (al heeft die qua zouthuishouding en zweetkliertjes wel wat).
Bij al die culturele verworvenheden moet je voortdurend bedenken dat de groepen waarin deze gewoonten het best tot ontwikkeling kwamen, beter floreerden dan de groepen die er weinig van bakten. Want onze vobo’s waren bepaald niet de enige hominiden die de noodgedwongen overstap van het regenwoud naar de savanne-omgeving hebben gemaakt.
Zeker is dat onze vobo’s zes miljoen jaar geleden al volleerde tweevoeters waren: dat bewijzen de fossiele botten[17]. Tweebenige mensapen worden door de paleo’s (paleoantropologen, archeologen en andere relevante –logen) hominiden genoemd. Of vaker nog: australopithecinen. Dit tongbrekende woord wordt door mij hier verder afgekort tot AP’s. De paleo’s vinden vanaf de zestiger jaren het ene AP-fossiel na het andere maar of er ook maar één bij is dat op onze rechtstreeks voorouderlijke lijn te plaatsen valt, blijft twijfelachtig. Boiseï, robustus, africanus, afarensis, habilis, garhi, noem ze maar op, je weet nooit of je een voorouder dan wel de prooi van een voorouder in handen hebt[18]. Maar ons Verhaal gaat over ónze voorouders, en om die reële maar moeilijk te traceren variant aan te duiden, noem ik ze, ter onderscheiding van al die overige AP-soorten, voap’s (inderdaad: voorouder-AP’s).

voap’s, hypersociale dieren

De voap’s zagen er nog hetzelfde uit als hun naaste bloedverwanten in het regenwoud en op de savannen. Ze ‘woonden’ ook nog steeds in de bossen langs de oevers van meren en rivieren, waar ze voor hun overnachting hun slaapplatforms maakten hoog in de bomen. Al waren die bomen nu niet langer de reusachtige vruchtbomen van het regenwoud, maar het lagere geboomte van de open bossen die daar voor in de plaats gekomen waren. Ook hun handen en voeten bleven op klimmen berekend, ze moesten nog steeds bliksemsnel de bomen in kunnen als het hun te link werd. Hun voeten waren al wel een tussenvorm tussen mensapen- en mensenvoeten[19] door hun manier van voortbewegen.
Als groepsdieren en chimpansees waren onze vobo’s al heel sociaal, maar vanwege de nieuwe levensomstandigheden die hen dwongen voortdurend heel dicht bij elkaar te blijven hebben ze ook deze mensapeneigenschap ‘geprofessionaliseerd’: als voap’s zijn ze supersociaal geworden, de meest sociale zoogdieren die de natuur kent.
Cultuurpessimisten schamperen als ze mij de menselijke natuur als hypersociaal horen kwalificeren. Zij dienen echter onze natuur te zien als een ‘drietrapsraket’:
Fase 1. delen we met alle, dus ook de meest primitieve, levensvormen; dat is dus: blindelings graaien wat je pakken kunt ter instandhouding en voortplanting van je eigen organisme. Is ook bij ons nog volop werkzaam in al dan niet vermeende panieksituaties.
Fase 2, de groepsdierfase, voegt al een sociale neiging in; groepsdieren als olifanten, walvissen en chimpansee-achtigen slagen er als groep beter in om voedsel te graaien en de eigen soort voort te planten; om de eigen groep zo sterk mogelijk te houden in concurrentie met andere groepen, dienen de individuen hun primitieve zelfzucht in te tomen en medeleven en zorgzaamheid aan de dag te leggen; het is de natuurlijke selectie op groepsniveau die hier gewerkt heeft: groepen met de beste samenwerking deden het ‘t beste. Bij de in een totaal nieuwe leefomgeving terechtgekomen chimpansee-achtige voap’s heeft de natuurlijke selectie Fase 3, het hypersociale, veroorzaakt; in hun hachelijke omgeving was strikte harmonie van overlevingsbelang; daarover dadelijk meer.
Een groepsdier kan niet buiten zijn leefgroep. Dan mist het de bescherming ervan maar ook de in de cultuur van de groep opgeslagen kennis die voor het overleven onmisbaar is; kennis die niet aangeboren is maar die het in zijn jeugd meekrijgt. Het welzijn en de leefbaarheid van de groep zijn voor elk individu van zo groot belang dat het bereid is om daar aan individueel eigenbelang[20] voor in te leveren. Groepsdieren zoals chimpansees, onze naaste verwanten in het dierenrijk, kennen dan ook een heel repertoire aan sociale vaardigheden zoals medeleven en troosten, conflictverzoening, betrokkenheid, goed leiderschap, wederkerig altruïsme, gehechtheid en vriendschap, verdriet en gemeenschapszin, waar vooral de boeken van Frans de Waal[21] over gaan.
Chimpansees kunnen, al hun sociale vaardigheden ten spijt en hoe vreedzaam ze doorgaans zijn, tamelijk gewelddadig uit de hoek komen. Ze kennen moord en doodslag, verkrachting en kindermoord, en moorddadige overvallen op hun buren. Als ‘derde chimpanseesoort’[22] dragen wij dus een gewelddadige erfenis in onze genen mee, vooral onze mannen. Althans, dat is de boodschap van het boek Demonic Males van de Amerikaanse paleoantropoloog Richard Wrangham. Maar wat hierin evenals bij De Waal duidelijk wordt is, dat elk conflict, hoe ernstig ook, zo snel mogelijk wordt bijgelegd en verzoend. En dat de vrouwen een belangrijke rol spelen bij de conflictbeheersing (zijzelf en de kinderen zijn meestal de dupe) en dat die rol groter wordt als de groep als geheel bij elkaar is bij de voldoende voedselaanbod, of … in gevangenschap! Dan kunnen de vrouwen elkaar bijspringen tegen mannelijk geweld.
Wrangham gaat er van uit dat de chimpansees onze vooroudervoorbeelden zijn. Maar hij heeft het mis. De chimpansees zijn pas zo gewelddadig en machistisch gaan worden vanaf 2,5 mjg, toen de IJstijden begonnen. Om de 20.000 jaar krompen hun leefgebieden in, met alle overlevingsgevechten van de groepen van dien. En oorlog maakt mannen belangrijk.
Bonobo’s nu, binnen de grote lus van de Congorivier, hebben een paradijselijk leefgebied dat ook in de ergste ijstijden paradijselijk bleef en dat ze bovendien niet hoeven te delen met gorilla’s (mensapen kunnen niet zwemmen), Ze hebben de luxe om vrijwel permanent in grote leefgroepen met elkaar op te trekken. Doordat hun vrouwen elkaar in bescherming nemen tegen mannelijke gewelddadigheid hebben de bonobo’s de gewelddadigheid verregaand uit hun samenleven gebannen. Een belangrijke ‘strategie’ hierbij is de grotere paringsbereidheid van de vrouwen, waardoor concurrentiegevechten hun zin verliezen.
Dé bron van onenigheid bij chimpansees zijn de statusgevechten tussen de mannen om de voorrang bij de paringsbereide vrouwen. Bij bonobo’s maken de dames de dienst uit en worden bijna alle conflicten opgelost met seks: de make love, not war-strategie. Ten behoeve van hun statusgevechten hebben de chimpansees grote hoektanden. Groter dan die van de bonobo’s. Welnu, kenmerkend voor de voap’s is dat hun fossiele gebitten vrije ‘graciele’ slagtandjes vertonen, bijna even klein als de onze vandaag zijn. Bij de hominiden waren de statusgevechten uitgebannen.
Fase 3, de mensenfase. De voap’s  moesten noodgedwongen in zeer hechte groepen leven, anders werden ze ook een prooi van de loerende roofdieren. Onderlinge statusgevechten zouden een directe bedreiging voor hun voortbestaan hebben betekend. Ze ‘professionaliseerden’ dus hun voorouderlijke sociale vaardigheden. Hoe?
Onze vooroudervrouwen hebben de bonobo-strategie kennelijk nog verder doorgevoerd. Mensenvrouwen kennen helemaal geen oestrus (loopsheid) meer. Ze evenaren de mannen in paringsbereidheid en ze hebben ook de voor chimpanseemannen zo intrigerende vaginale zwelling geheel ‘afgeschaft’[23]. Ter compensatie ontwikkelden ze aantrekkelijke borsten en billen waar mannen hun ogen ook niet van kunnen afhouden. De mannen op hun beurt ontwikkelden de grootste penissen van alle mensapen. Seks werd hun belangrijkste middel om conflicten in de kiem te smoren en speelde gezien de overdadige seksuele uitrusting van ons, mensen, vergeleken bij de overige mensapen, een nog belangrijkere rol dan bij de vreedzame bonobo’s.
Zeer waarschijnlijk hebben, net als bij de bonobo’s, ook bij de voap’s de vrouwen de dienst uitgemaakt en kenmerkten hun leefgroepen zich door grote onderlinge harmonie en vreedzaamheid. Leefbaarheid, daar draaide alles om en daar draait het in de grond voor ons nog steeds om.

Wrangham/Peterson trekken, zoals eerder opgemerkt, een directe lijn tussen ons en de chimpansees, omdat wij net als die oude familieleden nogal wat oorlogszucht en mannelijk seksisme aan de dag leggen. Maar ik volg de redenering van Frans de Waal, en trek een lijn tussen ons en de bonobo’s. Die laatsten zijn, als gezegd, nog steeds zoals de gemeenschappelijke voorouders acht miljoen jaar geleden (8 mjg) waren. Waar de chimpansees 2.5 mjg van die lijn zijn gaan afwijken onder invloed van de voortdurende inkrimpingen (en dan weer uitbreidingen) van hun leefgebieden gedurende de IJstijden, met alle overlevingsgevechten en mannelijke gewelddadigheid van dien, zijn  mensen pas zo’n 20.000 jaar geleden heel geleidelijk van die lijn van make love not war en vrouwelijke dominantie gaan afwijken, eveneens door overpopulatie. Voor de meeste hedendaagse culturen is dat zelfs pas enkele duizenden jaren geleden.
Misschien heeft de verbetering van de jachttechniek door pijlenboog en de domesticatie van de wolf tot jachthond de eerste overpopulatie-situaties geschapen. Maar de overstap op de Tuinbouw (horticultuur) na afloop van de laatste ijstijd was noodgedwongen, en wel door overpopulatie en bijbehorende overlevingsgevechten. Tuinbouwers als de Yanomamö en vooral de Bergpapoea ’s zijn extreem oorlogszuchtig en derhalve extreem machistisch. Voor Chagnon, de bekende onderzoeker van de Yanomamo, zijn deze horticulturalisten voorbeelden van onze prehistorische voorouders, dus van onze menselijke natuur. Mar ook hij heeft het net zo mis als Wrangham met zijn chimpansees: onze voorouders zijn 99 procent van hun tijd uiterst vredelievend en ‘aardig’ geweest. Precies zoals we dat vandaag nog het liefst zijn.
Als je de gezichten van de bonobo’s en de chimpansees met de onze vergelijkt, dan zie je dat de chimps veel grimmiger van uiterlijk zijn dan de bonobo’s, die meer op ons lijken. De chimpansees kwamen 2,5 miljoen jaar geleden (mjg) in de situatie van oorlog en machisme. Die paar duizend jaar van oorlogen, machisme[24], slavernij en andere ellende is voor onze soort  te kort om het lieve uiterlijk van de vobo’s in te ruilen voor dat van die gemelijke chimpansees.
The third chimpanzee (Jared Diamond, NY 1992) zou, kortom, moeten luiden: ”The second bonobo”.  En dan zie ik de chimps daarbij graag als “the third bonobo”.

Hiermee heb ik de situatie geschetst waarin onze voorouders, nog steeds mensapen, zij het op twee benen lopend en in vreedzame groepen foeragerend, zich op het pad begeven hebben dat tot ons leidt. Het enige bijzondere in mijn versie van ons verhaal is de belangrijke rol die ik toeken aan de gevaarlijkheid van de toenmalige savanne; met alle gevolgen voor de grote groepsgehechtheid en taakverdeling. En de belangrijkheid van de gevonden vellen.
Vijf ‘professionaliseringen’ heb ik laten zien. Maar wat nu komt, ons speciale taalvermogen, is niet echt een ‘professionalisering’. Natuurlijk, die begon met gebarentaal en gebaren doen de chimpansees al volop. Maar die blijven daarmee tot in der eeuwigheid (nou ja, ze sterven vandaag bij bosjes uit) tot de dierenwereld behoren … omdat ze er geen namen voor de dingen mee ontwikkelen. Omdat ze dat in hun leefwereld niet nodig hebben. Onze voorouders hebben die wél ontwikkeld, maar als puur toevallig uitvloeisel, niet als ‘professionalisering’. De AP’s deden het prima zonder taligheid. Wij zouden er niet geweest zijn – of hooguit als een stelletje aapmensen in Afrika – wanneer er zo’n vier mjg niet heel terloops in één groepje aapmensen het eigenaardige ‘cultuurtje’ was ontstaan waar de volgende paragraaf over gaat. Ik ben tot deze mening gekomen door twee recente onderzoeken, door twee vrouwen, aan boslandchimpansees.
Recentelijk is in het Ugallagebied van Tanzania, waar het regenwoud plaats heeft gemaakt voor savanne, ontdekt dat de chimpansees aldaar zich ook hebben aangepast aan de nieuwe omgeving! In de regentijd, wanneer er toch ook ander voedsel in overvloed is, gaan vrouwtjeschimpansees de open grasgebieden op om maniok en andere knollen op te graven. Met graafstokken!
Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image003.jpgDeze ontdekking is te danken aan het volhardende veldonderzoek van Adriana Hernandez-Aguilar: het heeft haar vier jaar gekost om de schuwe dieren zo aan haar aanwezigheid te laten wennen dat ze hen met haar kijker kon volgen. Een heldin. Ze zit voortdurend onder de bulten en ze heeft al vier keer malaria gehad; ze leeft ver van de beschaafde wereld in een armoedig dorpje waar ze bij arme mensen een slaapplekje huurt en mee-eet van hun schamele kost. Maar ze houdt vol, want ze weet dat ze bijzondere informatie toevoegt aan wat we kunnen weten over onze vroegste voorouders. Ze heeft de boslandchimpvrouwen niet zién graven, laat staan dat ze hun gegraaf kon filmen of fotograferen. Maar ze heeft elf graafplekken vers gevonden, met sporen van hun knokkels, van feces en van uitgekauwde knolresten. En op vier plekken hadden de vrouwtjes-chimps hun graafstokken laten liggen: stokken met duidelijke sporen van het graafwerk.
Bosland-chimpansees leven vanwege hun voedselarmere leefomgeving in kleinere groepen dan hun verwanten in het regenwoud.
Een tweede al even volhardende veldwerkster is Jill Pruetz. Ze bestudeert de bosland-chimpansees van Fongoli (Oost-Senegal). Die ontdoen met hun tanden een tak van zijtakken en knagen er een punt aan. Met deze ‘speer’ doden ze bush baby’s: een kleine apensoort die zich overdag schuilhoudt in boomholten, en zich kenmerken door hun babyachtige kreetjes. Veilig voor aanvallers, maar niet voor een (vrouwtjes)chimp met een speer. Ook Pruetz heeft vier jaar nodig gehad om zo dicht bij ze te kunnen komen dat ze de bosland-chimpansees heeft kunnen bespieden bij hun jacht. Voor mij maakt haar waarneming het hoogst aannemelijk  dat de voap’s niet alleen een voorraadje stenen maar ook gepunte stokken voor graafwerk én verdediging bij zich hadden.
Genoemde veldwerksters, maar ook hun professoren, gaan er van uit dat de bosland-chimpansees een beeld geven van de aanpassingen van onze vroegste voorouders aan hun nieuwe omgeving. Althans wat hun nieuwe voedselbronnen en de methoden om die te verwerven betreft. De bosland-chimpansees maken nog geen aanstalten om tweebenig te worden. Ze wagen zich ook nog niet zo ver van hun woonbossen, foerageren niet in groepjes met taakverdeling, en ze eten niet van graszaden.

Belangrijke vraag: wanneer de bosland-chimpansees tijd van leven zouden krijgen om, bij verdergaande achteruitgang van hun vruchtbomenbestand en uitbreiding van de graslanden in hun leefgebied, ook voedseltochten te gaan maken, zouden ze dan wél genoemde gedragspatronen ontwikkelen en  na een paar miljoen jaar vanzelf talige wezens (mensen) worden?
Dat laatste vermoedelijk  niet. De boslandchimps zouden, hoewel de hedendaagse roofdieren niet meer zo enorm zijn als in het Mioceen, evengoed genoodzaakt zijn om effectieve bewapening tegen leeuwen, luipaarden en hyena’s (stenen dus) mee te dragen en dus tweebenig te worden. Misschien zouden er ook dan (de sabeltanders zijn uitgestorven!)  genoeg vellen te vinden of kleine dieren te vangen en te slachten om a. in hun behoefte aan vlees te voorzien en b. om oefenmateriaal te bieden voor het ontwikkelen van stenen werktuigen. Maar vervolgens zijn deze verworvenheden voldoende om tot in het einde der tijden een bevredigend hominiden-leven te leiden. Als je ziet hoe perfect de savannebavianen (gewone apen, maar aangepast aan de savannen) weten te overleven, dan besef je dat er geen enkele aanleiding is om dat vreemde pad op te gaan dat onze voorouders zijn gaan bewandelen.
Nou ja, één aanleiding zou ik kunnen bedenken: behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid dan de kreten en overige lichaamstaal waar de regenwoudmensapen meer toe kunnen. De voedselvoorziening op de savanne is heel wat gecompliceerder dan in het regenwoud, waar je alleen hoeft te weten waar de volgende vruchtboom staat wanneer die waarin je de dag hebt doorgebracht, leeg is gegeten. Op de graslanden moet je weten wáár wát te vinden is. Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. En in welk seizoen: op de savannen wisselen natte en droge seizoenen elkaar af. Vandaag is het in de streek waar de oudste resten van onze vroegste voorouders gevonden worden: het stroomgebied van de Awash-rivier (Ethiopië), in de maanden februari en maart moessontijd, terwijl het in de rest van het jaar droog blijft. Tegen het einde van de natte tijd is er voedsel in overvloed. Maar naarmate de droogte langer duurt, worden de savannebavianen en werden de hominiden voor een groot deel aangewezen op graszaden en uit de grond te graven knollen, wortels en bloembollen. Omdat in het Mioceen de savanne-omgeving veel gevaarlijker was, waren de hominidengroepen met een effectieve taakverdeling tussen de seksen (vrouwen en kinderen verzamelen het eten, de volwassen mannen zorgen met hun stenen voor de veiligheid) in het voordeel en ik veronderstel dat onze voap’s zo leefden.
Behoefte aan meer communicatiemogelijkheid dan waar je in een regenwoud-omgeving mee toe kunt, dat zou dus een denkbare aanleiding kunnen zijn!
Maar toch… de savannebavianen doen het uitstekend zonder taligheid. De andere hominiden dan onze voap’s deden het indertijd eveneens voortreffelijk en het is meer dan aannemelijk dat hun verdere voortbestaan vooral door toedoen van onze voap’s onmogelijk gemaakt is. Bovendien,  onze baby’s en kleuters weten ook nog steeds prima kenbaar te maken wat er in ze omgaat zonder over taal te beschikken.
Dus, anders dan ik tot voor kort (vóór de informatie over de boslandchimps) dacht: er was voor onze vobo’s geen enkele omgevingsnoodzaak om zich buiten de dierlijke paden te gaan begeven.
Het feit blijft … onze taligheid (ik leg verderop uit wat dat voor mij inhoudt) moét ooit begonnen zijn.
Dus moet ik iets nieuws verzinnen. Wel, dan blijft er volgens mij geen ander scenario over dan dat het begonnen is als een meidenspelletje!

Ik denk dat het begonnen is in één groep. Met één jong vrouwtje (bij apen en mensapen begint nieuw gedrag meestal bij jonge vrouwtjes).
Op zekere ochtend is een jonge meid zo blij dat de oudere vrouwen besloten hebben om naar een bepaald bekend gebied te gaan dat ze, in haar behoefte om aan haar vriendinnen duidelijk te maken wat er in haar omgaat, ze met haar handen imiteert waar ze aan denkt: een bepaalde plant waar ze dol op is! De vriendinnen snappen wat ze bedoelt, en ze lachen zich dubbel. Ze maken het imitatiegebaar ook en ze komen niet meer bij. Tien keer, twintig keer, en ze blijven maar lol hebben. De Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image005.jpgvolgende dag heeft een ander een imitatiegebaar bedacht voor iets wat zíj lekker vindt. En weer liggen ze in een deuk. Zoiets, bedenk ik.

Ik heb een schilderij gemaakt van het moment waarop ik mij voorstel dat een jong vrouwtje (rechtsonder) de eerste stap zet op het pad dat uiteindelijk tot ons zou leiden. De wijzende vriendin snapt niet wat haar bezielt. De zittende peinst, en zal dadelijk opspringen en het gebaar nadoen …

Het is natuurlijk een just-so-story, een verhaaltje van ‘zo moet het gegaan zijn’. Je kunt er zo een ander voor bedenken. Maar dan moet het wel een beter , of minsten even goed verhaaltje zijn, vind ik. Je moet bijvoorbeeld bedenken dat nieuwe dingen bij apen en mensapen meestal meiden-initiatieven zijn.

Omdat het wel handig is, zo’n imitatie van iets (zo kun je het met de anderen over dat ‘iets’ hebben  terwijl het zich niet in de omgeving bevindt maar alleen in je eigen gedachten), lokt dat al gauw meer imitaties uit. Het werd een speciaal ‘cultuurtje’ binnen die groep. Onder de jonge vrouwen: mannen doen daar aanvankelijk niet aan mee.
De jonge meiden die voor hun partner verkasten naar een bevriende groep (bij mensapen verlaten de pubermeiden de groep terwijl de jongens bij hun moeder blijven) namen het handige aanwensel mee, en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich onder de hele stam. De gewoonte hield stand, en breidde zich zelfs redelijk snel uit. Want het verbeterde de communicatie, en dus de samenwerking, zowel binnen de groepen als tussen de groepen. De stam die over deze handige uitbreiding van hun onderlinge communicatie beschikte, floreerde (hield gemiddeld iets meer kinderen in leven) en overtalligde op den duur de overige aapmenspopulaties die het zónder deze communicatieverbetering moesten stellen.
Ónze voap’s! Ze waren onze vroegste voorouders.

we werden gebarentalige wezens

Chimpansees en bonobo’s staan erg open voor gebarentaal. “Toen Nim (een chimp) werd geconfronteerd met mensen die vloeiend gebarentaal spraken, stond hij perplex. Hij staarde hen wel vijftien minuten (en dat is lang voor een jonge chimpansee) aan toen hij ze met elkaar zag communiceren. Gesproken taal kon hem daarentegen maar enkele seconden boeien. “
Er zijn vanaf de zestiger jaren experimenten gaande om chimpansees en bonobo’s taal te leren. Spraakklankentaal haalt niets uit maar met symbolen voor dingen leren ze aardig werken en ook gebarentaal leren ze, als ze jong beginnen, best aardig . Maar opvallend minder snel en goed dan mensenkleuters. Jonge chimps hebben dan ook geen ‘taalprogrammaatje’ in hun hersenschors geërfd zoals de mensenkleuters.
Washoe is de eerste chimpansee die aan een gebarentaaltraining werd onderworpen, en inmiddels leeft ze haar verdere leven in een heel groepje chimpansees die dezelfde training gevolgd hebben[25]. Binnen dat groepje nu wisselen de individuen veelvuldig gebarentaal-woorden met elkaar zonder tussenkomst van de onderzoekers. Wat nog opmerkelijker is: ze ‘praten’ ook in gebarentaal in zichzelf. Washoe is bijvoorbeeld eens hoog in een boom zittend, waar ze zich voor menselijk gezelschap probeerde te verbergen, gefilmd en ze maakte toen voor zichzelf het gebaar voor ‘stil’. Een ander maakte het gebaar [ik] [omhoog] en klom vervolgens op een muurtje. En zo zijn er tientallen waarnemingen gedaan. Dat is het begin van het een talig wezen worden.
Washoe heeft, nadat ze door toedoen van een bazige psycholoog haar eigen baby verloren had, een vier maanden oude chimpansee, Loulis geheten, als zoon ‘geadopteerd’ en daar communiceerde ze (ze is in 2007 overleden), zonder bemoeienis van de verzorgers, mee in haar gebarentaal. Loulis gebruikt inmiddels zo’n vijftig gebarenwoorden.[26] Maar … minder dan Washoe zelf die er zo’n honderdzestig gebruikte. Men neemt daarom aan dat deze gebarencommunicatie wanneer het groepje eenmaal zou zijn teruggekeerd in hun regenwoud[27], binnen enkele generaties verdwenen zou zijn. Waarom? Mensapen staan er wel voor open, maar nódig hebben ze het niet. Het is de druk vanuit hun gevaarlijke nieuwe leefomgeving geweest die de voap’s genoopt heeft, gebarentaal te ontwikkelen.
In een regenwoud is het voor de op dat leven toegesneden mensapen een peulenschil om aan eten te komen. Het hangt in de vruchtboom om ze heen, en wanneer die leeg is, hoeven ze alleen maar te weten waar de volgende boom staat waarvan de vruchten nu rijp zijn. Ze wandelen er over de grond naar toe, en onderweg kijken ze voortdurend omhoog om de stand van hun vruchtbomen in de gaten te houden. Want ze moeten wel zorgen er op tijd bij te zijn: er zijn genoeg andere vruchteneters die daar ook van leven.
De nieuwe foerageeromgeving waarin het regenwoud van de voap’s was veranderd, was vele malen gecompliceerder. Eten genoeg, maar je moest bij het rondstruinen een boel meer kunnen en een boel meer weten. Ook de kinderen moesten een boel meer leren en dat vele kon niet allemaal simpel worden afgekeken van de ouderen; er was ook heel wat kennis die gecommuniceerd moest kunnen worden. Kortom, de voap’s konden niet meer uit de voeten met de simpele regenwoudcommunicatie. Vooral de vrouwen niet.

gebarenwoorden

Een puur terloops ontstaan ’cultuurtje’: uitbeeldingen van wat ze bedoelden in hun dagelijkse ‘huishouding’: water, een steen, een bepaalde plant, een handeling, een bepaald insect, een bepaald roofdier. Of een bepaalde plek, regen, onweer, een dierenvel, verzin het maar. Met hun handen, met die tien handige vingers. Daarbij speelden hun waarnemingsvermogen (scherper dan het onze-nu) en hun imitatievermogen (chimpansees zijn ál en natuurmensen zijn nóg steeds meesterlijke imitators) een rol. Dat terloops, tussen een paar voap-vrouwen uit de nood geboren ‘cultuurtje’ zou dus uiteindelijk een zoogdier op Maan brengen!
Wat is daar dan zo bijzonder aan? Die uitbeeldingen waren namen voor de dingen, waren symbolen voor dingen, codes voor dingen, hoe je het maar noemen wil.
De nakomelingen van onze voap-voorouders verwierven een uitgebreid repertoire aan gebarencodes voor alle planten, dieren, insecten, omgevings-elementen, natuurverschijnselen, gebruiksvoorwerpen, handelingen en gevoelens welke in hun groepsleven een rol speelden[28].
Namen voor de dingen! Dat heeft geen enkele andere soort. Alle groepsdieren beschikken over hun specifieke communicatie zonder welke ze überhaupt geen groepsdieren zouden kunnen zijn. Ze communiceren, in enigerlei soorteigen vorm, met lichaamstaal, gebaren en vooral keelgeluiden. Vooral bonobo’s kwekken wat af, de hele lieve dag. Maar … ze kunnen het niet met elkaar hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is[29]. Ze hebben geen namen voor de dingen. En áls je een bepaalde kreet al als een naam zou willen zien: ze kunnen die kreet niet bewust slaken, slechts als emotionele reactie op wat ze waarnemen. Emotionele reacties komen namelijk vanuit het limbische systeem, een primitiever hersengedeelte bovenop de hersenstam. Bewuste acties daarentegen worden aangedreven vanuit de hersenschors die bovenop het limbische systeem zit en waar zich onze taalgebieden bevinden. Hoe de namen voor de dingen daar beland zijn, dus hoe wij een talig bewustzijn gekregen hebben, gaat verderop nog allemaal duidelijk worden.

Namen voor de dingen, dat dóet iets met een dier. Het schept afstand tussen de noemer en het benoemde. Onze voorouders kwamen steeds meer los te staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving doordat ze die onder woorden gingen brengen. Ze gingen de dingen van hun omgeving als objecten zien, als losstaand van het zelf. Een psychische equivalent van het fysieke ‘gooien met iets’: verdediging op afstand. Ze gingen hun omgeving objectiveren. Nieuw fenomeen in de natuur: subject versus object.
Het kunnen noemen van iets geeft, vanwege dat gevoel van afstand, ook het gevoel van onafhankelijkheid en macht over het benoemde. Dat merken we vandaag nog steeds: iets onbestemds als je je niet goed voelt, wordt stukken minder benauwend wanneer de dokter constateert dat je dit-of-dat hebt. Als het een naam heeft heb je het gevoel dat je het ‘te pakken’ hebt, dat je het kunt ‘grijpen’, er ‘grip’ op hebt.
Je kunt de naam voor het ding ook zien als een handgreepje gekoppeld aan het denkbeeld (voorstelling in het brein) van het ding. Met de naam ‘grijp’ je het ding en met de naam roep je ook het ding op in het brein van je medevrouw. Of het ding nu op dat moment aanwezig of waarneembaar is of niet. ‘Begrijpen’ kun je dan ook heel letterlijk opvatten. Onze voorouders zijn de dingen uit hun omgeving meer en meer gaan begrijpen.
Kleine kinderen zullen hun naam niet zo gauw prijsgeven aan een vreemde. Bij veel primitieve stammen mag je een volwassene nooit openlijk bij zijn naam noemen: is een aantasting van iemands integriteit. De Joden mochten hun god immers ook niet bij zijn naam noemen? Door iemand (of iets) te noemen tast je het ook aan. Ik laat hier Jane Goodall, de eerste echte veld-ethologe, aan het woord, over een insect dat op haar arm geland was toen ze ergens in het oerwoud op een favoriet plekje zat te mijmeren.
Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Ik wist zeker dat het nog nooit beschreven is. Als chimpansees naar zo’n vlieg kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord <vlieg>. Ze kennen zonder twijfel het concept <vlieg>, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te vragen wát het is. Ik kreeg het gevoel dat het besef <dit is een vlieg> iets afdeed aan de schoonheid ervan en ik stelde me voor hoe het zou zijn, als ik het woord <vlieg> losmaakte van het insect op mijn arm. Ik keek nu naar het wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde zonder er een benaming aan te verbinden. Toen was er alleen een gevoel van ontzag en verwondering over de evolutie van het leven waar we beiden deel van uitmaakten. (met Wim Kayzer in gesprek in Over de Schoonheid en de Troost).

Belangrijker misschien nog dan de macht die het kunnen noemen van de dingen aan de voap’s schonk was dat het ‘met elkaar kunnen hebben over iets’ hBeschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image007.jpgen de mogelijkheid schonk om kennis over te dragen. De door de ene generatie verworven kennis kon met de namen voor de dingen worden overgedragen op de volgende. Opstapeling van kennis, in plaats van dat elke generatie opnieuw hetzelfde wiel moest uitvinden.
Nee, nóg belangrijker misschien was het kunnen overleggen met elkaar. Twee weten meer dan één, en met een hele groep brainstormend kun je heel wat problemen aan. Eén hooligan is maar een bang knaapje, maar voor een hele meute doe je het als ME-er in je broek. Onze voap’s werden de hooligans van de savanne.
En vooral de overige AP’s waren de pineut. De voap’s waren kannibalen. Andere aapmenssoorten waren gewilde prooidieren voor hen. Trouwens, de voap’s aten ook hun overleden dierbaren op. Liever dan ze over te laten aan hun concurrenten-aaseters, de hyena’s. Een heel zinnige manier van recyclen. Het gaf hen ook het gevoel dat de overledenen in hen voortleefden: je bent wat je eet. Dis is volgens mij de belangrijkste reden dat de paleo’s wel leuk wat fossielen van AP’s vinden maar dat die van de voap’s heel zeldzaam zullen blijven: die aten hun overledenen op en lieten weinig ervan ten prooi worden van hun gehate concurrenten, de hyena’s[30]. Wellicht hebben ze wat ze niet op konden, begraven: de eerste vorm van wat wij nu nog steeds doen met onze overledenen.

niet begonnen met praten!

Dit scenario gaat er dus niet van uit dat ons taalvermogen zich ontwikkeld heeft uit het steeds beter gaan praten, zoals de meeste paleo’s en taalonderzoekers zoals Steven Pinker[31] nog steeds veronderstellen.
Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image008.gifDe mensapenkreten worden, zoals ik hierboven al aanstipte, neurologisch aangestuurd vanuit het limbische systeem. Dat is een primitief hersengedeelte binnenin onze hersenen, waar we geen bewuste controle over hebben. Als we schrikken, of boos schreeuwen, of krijsen van angst, of op onze fikken slaan bij het timmeren, dan komen onze kreten vanuit de amygdala (het limbische systeem omvat een aantal belangrijke centra van ons gevoelsleven). Dat gevoel blijft zijn rol meespelen bij onze communicatie, en maar goed ook: het zorgt voor de emoties in onze stem. Zonder meespelen van de amygdala zouden onze stemmen robot-achtig klinken. Het lijkt me een onmogelijke opgave voor de robotbouwers om een amygdala aan hun stemcomputers toe te voegen, maar onderschat ze niet, ze zullen er best wel aan gaan werken.
Bij het praten hebben wij, Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s), bewuste controle over onze stemgeluiden [32]. Mensapen hebben dat niet en de voap’s hadden het evenmin. Als een in een mensengezin opgroeiend chimpkindje stiekem een koekje wil jatten, verraadt het zich als het de deksel open doet en de koekjes ziet: het kan de voedselkreet niet inhouden. Onderzoekers haalden het gemene experiment uit met de jonge chimp die ze stiekem, als de volwassen mannen even niet opletten, een banaan toestopten. Die kwamen echter onmiddellijk aansnellen op aapjes voedselkreet en confisqueerden de banaan prompt. Tot vijf keer toe. De zesde keer wist het arme aapje zijn voedselkreet binnensmonds te houden, maar hij kokhalsde en stikte er zowat in. Probeer maar eens een hoestprikkel binnen te houden!
Ondanks intense inspanningen om een chimpkind te leren praten[33] is dat nooit gelukt. Maar fijne hand- en vingerbewegingen, en dus ook gebarentaal, worden aangestuurd vanuit de hersenschors, de neocortex. Daar zetelt ook ons talige bewustzijn[34]. De neocortexgebieden die actief zijn bij het spreken, zijn dezelfde als die bij gebarentaal en bij fijne hand- en vingerbewegingen. De gebarentaal is een ‘professionalisering’ van het mensapenlijke gebruiken van gebaren bij hun communicatie.
Wat we wél mogen veronderstellen is, dat onze aapmens-voorouders (ik bedoel de voap’s) hun gebarencommunicatie al heel vroeg verrijkt hebben met klik!- en plof!- en blaas!-geluiden, gevormd met tong, lippen en wang, waar ze wél neocorticaal controle over hadden.

En nu moet ik het recente onderzoek van Thore Bergman  aan de lipsmakkende gelada-bavianen van de graslanden in de berggebieden van Ethiopië (gepubliceerd in Current Biology van april 2013) zeker niet onvermeld laten. Heel interessant: apen die communicatiegeluiden maken door met hun lippen te smakken. Geluiden dus waar ze wél bewuste controle over hebben, terwijl ze dat zoals normale dieren over hun stem niet hebben. Bergman (en velen met hem) speculeert dat dit dus een vorm van menselijke taal zou kunnen zijn. Zou kunnen zijn: verandering van hun normale dierlijke gedrag bespeurt hij niet. Natuurlijk niet, denk ik dan. Het zou gedragsverandering met zich meebrengen als ze met dit bewuste lipgesmak namen voor de dingen zouden communiceren. Alleen het beschikken over namen voor de dingen doét wat met een dier. Maar voor het vormen van een woordenschat is lipgesmak toch echt niet toereikend. Maar, als wijkt het gedrag van deze gelada’s verder niet af van de overige soorten in de dierenwereld (dolfijnen en ettelijke walvissoorten hebben intrigerende klik!-communicatie waaraan ze elkaar als individu onderscheiden), ik vind het onderzoek toch het vermelden waard.

Pas het meest recente menstype, de Anatomisch Moderne Mens (AMM)[35] , waartoe alle nu levende mensen waar ook ter wereld vandaag behoren en die pas zo’n 150.000 jaar bestaat, beschikt over een ingedaald strottenhoofd en over een daardoor grotere keelholte, hetgeen erop wijst dat pas dié variant met spraakklanken begon te praten.
Taal, ook gebarentaal, is een cultureel fenomeen, en dus aan verandering en ontwikkeling onderhevig. Gebarentaalgroepen die al eeuwenlang geen contact met elkaar gehad hadden, konden elkaar dus niet meer ‘verstaan’ en dat kunnen de gebarentaligen van de verschillende landen evenmin.

symbolentaal

De gebarentaalcodes (symbolen, woorden) zijn niet alleen een uiterlijk gebaar, maar ook een beeld in je kop, een ‘representatie’ in de hersenen[36]. Dat is al waar te nemen bij Washoe en haar ‘gezinsleden’: als ze iets zien of aan iets denken, maken ze automatisch het gebaar erbij.
Het zijn begrippen: de voap-vrouw hoefde geen steen meer op te pakken of er naar te kijken of te wijzen als ze een steen bedoelde: ze greep de steen met de in haar leefgroep gebruikelijke gebarencode voor ‘steen’. Haar mentale voorstelling van ‘steen’ (haar denken aan een steen: haar beeld van een steen, gekoppeld aan de gebarencode ervoor) uitte ze met die gemeenschappelijke gebarencode. Ze kon de steen ‘steen’ noemen met dat gemeenschappelijke gebarencode-woord. En zo kon ze honderden planten, dieren, dingen en handelingen noemen en er over van gedachten wisselen: die codes zaten allemaal in haar neocorticale netwerk, niet alleen als voorstelling maar gekoppeld aan de serieel geschakelde spieraansturingscommando’s die haar er de juiste gemeenschappelijke gebarencodes voor lieten maken.
In haar linker hersenhelft[37]. Mensapen communiceren niet alleen via gezichtsuitdrukkingen en door te roepen, maar vaak ook door middel van gebaren. Bonobo’s gebaren meestal met de rechterhand (wenken, bedelen, e.a.) wat wijst op een begin van specialisatie en lateralisatie van de hersenen die de basis vormt van het menselijk taalvermogen. De Waal, Bonobo 1997). Ook chimps leggen bij gebaren al een voorkeur voor hun rechterhand aan de dag. En u weet immers dat uw linker-hemisfeer de rechterkant van uw lichaam-plus-uitsteeksels aanstuurt en uw rechter-hemisfeer de linkerkant? Welnu, bewuste uitingen en gebaren worden voornamelijk vanuit de l-helft aangestuurd.
Zelf denk ik aan nog een ander mechanisme. Voor een boomdier heeft een grotere ‘handigheid’ van één van beide handen geen overlevingsvoordeel omdat takken en vruchten zich overal om het individu heen bevinden. Maar voor tweebeners op de grond wel. Vrouwen dragen hun baby links, omdat het kindje daar nog moeders hartenklop waarmee het zo vertrouwd is, waarneemt en zich dus het rustigst voelt; dan hebben de moeders de rechterhand vrij voor hun verzamelarbeid en hun communicatie[38]. Op de lange duur werkt dit door in de erfelijkheid. Gebarentaligen gebaren ook het meest met hun rechterhand, de linker is meer ondersteunend. Bij linkshandigen is het ook bij hen omgekeerd.
Vandaar dat de ‘taalcentra’ ook bij ons vooral in de linker hersenhelft zitten. Die zijn bij vrouwen relatief iets groter dan bij mannen, wat er op zou kunnen wijzen dat de gebarentaal in eerste instantie vooral een vrouwenhebbelijkheid geweest is.
Voor mannen gold die hartenklopbeperking uiteraard niet en vandaar misschien het nog betrekkelijk grote aantal (18%) linkshandigen.

Kun je onze voorouders in die AP-fase als mensen beschouwen? Ze zijn dan immers al talig aan het worden?
Wanneer we als hét grote verschil tussen ons en de overige dieren, chimpansees en bonobo’s incluis, ons talige bewustzijn aanwijzen, dan zou ik ons in de voap-fase nog steeds als dieren beschouwen. Ik denk dat hun handelen nog steeds voornamelijk door overgeërfde instincten werden aangestuurd. Hun communicatie zal de simpele aanduidingen van dingen en handelingen als [water] voor “haal water” of [geef] [noot], communicatie zonder verbindingswoordjes of complexere zinnen, nog niet overstegen hebben. Maar we hebben het alsmaar over miljoenen jaren, hoeveel generaties zijn dat niet? vijf per eeuw, reken zelf maar uit. Elke generatie bracht deze ontwikkeling een bijna onmerkbaar stapje vooruit. Ons taalvermogen heeft er zo onvoorstelbaar lange tijd voor gehad om te ontstaan en te groeien, met die niet aflatende communicatiebehoefte als drijfveer, dat we daar niet moeilijk over hoeven te denken. Onze dreumesen spelen ons de ontwikkeling van kretologie naar symboolgebruik nog steeds ‘life’ voor. Zodra ze rond kunnen drentelen, gaan ze hun eerste monosyllabische aanduidingen produceren: Uit! Mee! Auto! Joepie! (gooi me de lucht in, opa!) en hun overige lichaamstaal laat aan hun bedoelingen niets te raden over. Doofstomme kindjes maken in een gebarentalige omgeving exact dezelfde ontwikkeling in dezelfde periode en hetzelfde tempo door, en ook die beginnen met ‘brabbel’-gebaren.

Laura-Ann Petitto

Dit is de bevinding van Laura-Ann Petitto. Ze verricht baanbrekend onderzoek naar de overerfelijke taalprogrammaatjes waarmee onze kindjes zo makkelijk mensentaal, of het nu gebarentaal is of gesproken taal, leren gebruiken, terwijl chimpanseekindjes dat heel moeizaam en gebrekkig leren omdat ze niet over zo’n taalprogrammaatje beschikken. Ze is tot dat onderzoek gekomen doordat ze in 1974 als 19-jarige studente uit een aantal andere gegadigden gekozen werd tot begeleidster van eerdergenoemde Nim die als jong chimpanseekind gebarentaal moest leren.
Het Project Nim Chimpsky stond onder leiding van Herbert Terrace, een behaviorist. In de gedragspsychologie van de jaren vijftig in Amerika heerste de opvatting dat het gedrag bij dieren uitsluitend gevormd wordt door het straffen/belonen vanuit de omgeving van het individu. Mensen hebben verstand dus die kunnen iets leren; maar ook kinderen leren door bestraffen/belonen, menen de behavioristen.
Terrace had uit voorgaande experimenten van anderen begrepen dat je chimpansees niet kunt leren praten omdat die a. het juiste stemapparaat missen (een te dunne tong en te korte keelholte) en b. ze hebben geen controle over hun kreten (die worden neurologisch aangestuurd door het limbische systeem). Tot zover had hij het allemaal goed, en ook zijn besluit om de training te richten op het aanleren van gebarentaal was oké. Maar zijn uitgangspunt als behaviorist (dieren leren uitsluitend door straffen/belonen, als een soort machines, dus ongeacht de sociale omgeving) was fout. Nim werd in een kaal bakstenen vertrek (kon hij door niets worden afgeleid) door telkens andere medewerkers (kon hij niet gevoelsmatig afgeleid worden) drie jaar lang tweemaal daags als volgt onderwezen. Er werd een snoepje of een speeltje getoond dat hij graag wilde hebben. Dan werd het gebaar ervoor gemaakt. Pas wanneer hij dat gebaar imiteerde, kreeg hij het. Welnu, zo leerde hij in vier jaar tijd 120 gebaren. Hij begreep 166 gebaren en kon er 100 gebruiken zegt Petitto, die gedurende die jaren zijn vaste verzorgster was.
Het verschil met mensenkinderen is duidelijk genoeg. Nim gebaarde alleen spontaan als hij iets wilde eten, drinken of spelen. Kleine kinderen kletsen honderduit uit zichzelf. Hoe slim Nim ook was in het overbrengen van zijn gevoelens en wensen, en hoe goed hij ook kon imiteren, hij miste iets wat mensenkinderen wel hebben en waar die blijkbaar mee geboren worden.

Nu was het behavioristische experiment met Nim gewoon dom en daardoor leerde hij zo gebrekkig gebarentaal. Leren in een sociale omgeving zoals het chimpanseekind Washoe onderging en zoals mensenkinderen dat normaal ondergaan werkt veel beter.[39] Washoe leerde, als een mensenkind, spelenderwijs en doordat er voor gezorgd was dat haar (mensen)omgeving uitsluitend gebarentalig was. Ze leerde niet alleen sneller meer gebarenwoorden te gebruiken, ze gebaarde ook uit zichzelf tegen haar pop als ze zich onbespied waande; als ze zag dat er iemand keek, hield ze er mee op, net als een mensenkind en als ze dacht dat die persoon vertrokken was, ging ze door met ‘praten’ tegen haar pop. Later heeft ze haar zoontje Loulis zonder enige inmenging van mensen (dat was een afzonderlijk experiment) 52 gecontroleerde gebaren leren gebruiken in de alledaagse omgang met zijn ‘familie’.[40] Maar evengoed blijft de kloof bestaan tussen het taalgebruik en het taalleren van mensapen en mensenkinderen. Dat er dingen in taal zitten die een aap blijkbaar met de beste wil van de wereld niet zijn bij te brengen, terwijl elk normaal kind ze probleemloos oppikt, dat vraagstuk zette Petitto op het spoor van haar onderzoekscarrière.
Ze is gaan bestuderen, met alle mogelijke slimme experimenten, hoe kinderen taal verwerven en hoe mensaap-kinderen zoals Nim dat doen. Ze had zich in het kader van het verzorgen van Nim al bekwaamd in het ASL, de Amerikaanse gebarentaal waarin Nim werd onderwezen, en ze verbaasde zich nogal dat in de literatuur over kindertaalonderzoek uitsluitend van spreektaal werd uitgegaan. Apen kunnen niet praten en daarom kun je ze geen taal leren zo was de redenering. Kinderen hóren praten, beschikken neurofysiologisch over het vermogen om die geluiden in stukjes te ontleden en gaan tenslotte met die stukjes zelf woordjes produceren, zo gold de baanbrekende theorie van Chomsky. Maar … Petitto had toch in de bloeiende dovencultuur van New York met eigen ogen gezien dat de kindjes zonder enig taalgeluid die doventaal oppikken?
Ze volgde dove kinderen en horende kinderen, keek in twee landen (USA en Canada) naar twee verschillende gesproken talen (Engels en Frans) en twee verschillende gebarentalen (ASL en QUEBECS). En wat bleek? Zowel de horende als de dove kindjes begonnen met zes maanden te brabbelen met mondje of handjes, en kwamen met twaalf maanden met hun eerste woordjes of gebaren. Ze praten over dezelfde dingen en hebben met dezelfde dingen moeite. Ze bouwen ongeveer dezelfde woordenschat op en verwarren rond dezelfde periode ‘ik’ en ‘jij’.
Petitto was de eerste die constateerde dat dove baby’s die in gebarentaal worden toegesproken, systematisch andere handbewegingen maken dan horende baby’s waartegen gepraat wordt, en ze kon niet anders dan concluderen dat dit brabbelen in gebarentaal moest zijn.

Brabbelen in gebarentaal? Dat vonden veel collega-taalkundigen ál te dol. Dat kinderen hun praten beginnen met het uitbrengen van willekeurige reeksen klanken (bababa, tatata, papapa[41]) was bekend. Geleidelijk beginnen dan de klankpatronen van hun omgevingstaal door te klinken. Spraak en het oefenen van de mondspieren moest de basis van alle taalverwerving zijn, was hun stellige overtuiging. Ze rieden Petitto klemmend aan, haar carrière niet op het spel te zetten met zo’n gewaagde veronderstelling als brabbelen in gebarentaal. Dus ging Petitto braaf alles weer checken en nog eens checken, met weer andere kinderen, enzovoort. Tot ze zich zo zeker van haar zaak wist dat ze de sprong waagde met een artikel in Science. En wereldwijde achting was haar deel.
Maar ook hierna bleef ze experimenteren. Nu met lichtdiodes op de handjes geplakt om heel precies de handbewegingen op film te kunnen registreren. Met drie verschillende groepen: dove baby’s tegen wie gebaard werd, horende baby’s tegen wie gepraat werd en horende baby’s tegen wie gebaard werd. De resultaten kwamen in grafieken. Die grafieken lieten twee soorten frequentiepatronen zien. Het ene patroon kwam bij alle baby’s voor, het andere alleen bij de baby’s die gebarentaal aan het leren waren! De afwijkende bewegingspatronen hadden een frequentie van één á anderhalf hertz (hertz is de maat waarmee je bewegingen meet), en ze bleken allemaal brabbelen te betreffen! Terwijl de gewone bewegingen grijpen of zwaaien of zo betroffen. Exact dié frequentie, wist ze, zit ook in het brabbelen van pratende baby’s, dus de streepjes tussen ta-ta-ta. Alle baby’s, of ze nu doof of horend geboren worden, blijken een gevoeligheid voor een tijdvenster van rond één hertz te hebben. De hersenprogrammaatjes voor die hertz-gevoeligheid blijken aangeboren, ze blijken in ons genoom te zitten!
Dus nu ging Petitto op jacht, met hersenscans, naar de hersengebiedjes welke hierbij een rol spelen. Ze wist al dat zowel gesproken als gebaren-talen vooral in de linkerhersenhelft verwerkt en geproduceerd worden. Ze wist dat de eerste verwerking van spraakgeluid plaatsvindt in het planum temporale, een gebiedje dat grenst aan het gehoorcentrum; het licht op als je een horende baby brabbels (ta-ta-ta, ba-ba-ba) laat hóren. En zie je wel, het licht ook op als je een dove baby gebarenbrabbels laat zien! Wat? het licht ook op als je die aan een horende baby laat zien!
Nou, daar gingen de haren van de spraakfanaten pas goed overend. Maar ja, scans liegen niet.

Gemiddeld gebruikt een taal zo’n vijfenveertig verschillende klanken (fonemen) om woorden mee te vormen. In gebarentaal hebben handconfiguraties (cheremen) dezelfde functie: sommige komen wel voor in een bepaalde gebarentaal, andere niet, maar ook dat zijn de ‘bouwstenen’ voor het vormen van gebarenwoorden en het zijn er, opvallend genoeg, ook zo’n vijfenveertig verschillende. Maar de meeste taalkundigen zijn totaal onkundig van hoe gebarentaal in elkaar zit en ze blijken moeilijk te bewegen om er kennis van te willen nemen.
Taalvermogen draait dus om de kunst een taalstroom, of het nu een stroom klanken of een stroom gebaren betreft, te kunnen opdelen in stukjes en die ‘bouwstenen’ snel te kunnen herkennen: categoriseren, in de juiste hokjes van dit hoort bij dit en dat hoort bij dat, te plaatsen.

Over dat vermogen beschik je als je geboren bent met het hersenprogrammaatje ervoor. Daar worden alleen mensenkindjes mee geboren. De chimpanseebaby’s als Washoe of Nim hebben het niet. Ze kunnen dingen snappen, onthouden, associëren; ze worden geboren met sociale vermogens; ze kunnen losse woorden leren begrijpen en losse gebarenwoorden leren gebruiken, met wat moeite. Maar ze kunnen ze niet tot ‘bouwstenen’ reduceren en die tot nieuwe woorden combineren. Ze kunnen hooguit zelf nieuwe combinaties verzinnen (WATER VOGEL = eend, BES PIJN = radijs[42]), maar veel verder kunnen ze nooit ofte nimmer komen. En moet je dan zien hoe vlot en moeiteloos de mensenkinderen duizenden woorden leren nog voor ze een voet op school gezet hebben. Hoe ze de woorden kunnen verbuigen en vervoegen al maken ze daar nog fouten mee … maar juist doordat ze dingen zeggen als ‘geslaapt’, zie je dat ze niet na-apen maar al weten hoe hun moedertaal wérkt.
Taal, woorden bouwen en zinnen bouwen verloopt steeds op dezelfde manier, volgens dezelfde basisprincipes. Die frequentie van ongeveer een hertz waarmee de mensenbaby’s spraakgeluiden of gebarenbewegingen in hun hersennetwerkjes in stukjes (lettergrepen, syllaben) verdelen, dát is wezenlijk voor ons taalvermogen en dat valt niet na te ‘apen’.

Een lange uitweiding, naar aanleiding van het werk van Petitto[43], over het wezenlijke van taal, over het kleine maar wezenlijke verschil tussen onze hersenen en die der mensapen: het ‘programmaatje’ in het planum temporale. De voap’s begonnen met de aanmaak ervan.
Het begon ongetwijfeld met één voap-vrouw in één voap-groep – want dat is aannemelijker dan dat het in meerdere groepen begon. En wel héél vroeg. Zodra de omstandigheden onze voap’s dwongen om over te gaan op tweebenigheid en om AP’s te worden, oefenden die ook druk uit op de vrouwen om hun communicatie te verfijnen. Zodat het niet raar was dat in die ene AP-groep die ene AP-meid haar handen ook ging gebruiken om een gebaar-imitatie te maken van iets wat ze bedoelde. Het uiterst simpele begin van een ‘cultuurtje’ in één populatie. Maar het maakte die populatie wel heel anders dan alle overige AP-populaties. De voap’s kwamen anders in het leven te staan.
Het ging wel allemaal heel langzaam. Hun ‘taal’ bestond nog heel lang uit losse ‘woorden’, zoals de mensapen die ook kunnen leren gebruiken. Maar toch konden ze het met elkaar al over de dingen hebben, in plaats van er een deel van te zijn. De familie Washoe in Ellensburg communiceert met elkaar over dingen die ze zien uit het raam van hun binnenverblijf, over dingen die ze hun verzorgers zien doen, over dingen die ze in hun tijdschriften zien (plaatjes). Zij zijn daarmee de enige wezens naast ons, mensen, in het geheel der natuur, die het met elkaar kunnen hebben – al is het nog zo primitief – over iets wat niet direct waarneembaar is en wat alleen speelt in de gedachte van een individu.
Ik denk dat we daar in Ellensburg een beeld kunnen zien[44] van hoe onze vroegste AP-voorouders communiceerden met hun nieuwe verworvenheid van namen voor de dingen. Maar dan niet in een ‘verzorgingstehuis’ zoals daar, maar in hun stikgevaarlijke savanneomgeving en een heel wat moeizamere overlevingssituatie. En dat ‘verzorgingstehuis’-taalexperiment is ook tot uitsterven gedoemd: de chimpvrouwen daar zijn gesteriliseerd. Over tien jaar leeft er geen een meer van, schat ik.

Het begon dus als gebarentaal, met de stemgeluiden in een aandachttrekkende en ondersteunende rol, en met veel mimiek en overige vormen van lichaamstaal. De AMM’s, zo’n 200.000 jg ontstaan in Soedan-Afrika, zijn de eerste mensen bij wie die rollen zijn omgekeerd. De AMM’s zijn voortgekomen uit de ‘Nilotische’ tijdgenoten van de Neanderthalers[45]. Ze zijn een aan de tropische warmte aangepaste variant van de laatste erectus-populaties van Afrika. Lang en slank, met langere nekken.
Natuurlijk is er vanaf het begin een druk geweest op het steeds betekenisdragender maken van spraakklanken bij de gebarentaal: die is tenslotte niet erg praktisch in het donker of als je je handen vol hebt[46]. En als voap’s gebruikten we onze stem al volop, te oordelen naar de huidige chimpansees en vooral bonobo’s. Dus hebben ook de voap-dames hun stem al volop gebruikt ter begeleiding van hun gebarencommunicatie.[47]
Maar nogmaals, de mensapen beschikken niet over de benodigde ‘software’ in hun hersenen en bleken niet te kunnen leren praten. Gebarentaal ging wel. Misschien is een nog grotere hinderpaal dat de mensapen geen controle hebben over hun stemgeluiden.
De Homo erectus-mensen (HE’s), tot en met de Neanderthalers (NT’s), hadden nog steeds de mensaapachtige bouw van hun stemapparaat. Mijn idee is – ik had het er al even over – dat de HE’s, vanwege eerdergenoemde ongemakken (handen vol, communiceren in het donker of om een hoekje), hun gebarencommunicatie vergezeld deden gaan van stemloze klik!-geluiden, waar je neurologisch wél controle over hebt, net als over je gebaren. Dat daar heel wat fonemen mee te maken zijn, laten de Khoisan-talen van Zuid-Afrika zien.
Hoewel klik-fonemen hun oorsprong vinden in de Khoisan talen heeft isiXhosa een ruim aantal overgenomen. Er zijn drie basis-kliks: c (dentale klik, zoals in ‘tsk,tsk, nee hoor dat mag niet, hoor!’) x (laterale klik: een zijdelingse klak die men wel gebruikt om paarden mee aan te sporen) q (palatale klik, die klinkt als het ontkurken van een champagnefles). Iedere klik komt voor in zes vormen: x (de klik zelf), xh (geaspireerd), gx (stemhebbend), nx (genasaleerd), ngx (combinatie van drie der voorgaande), nkx (voorafgegaan door nasaal). Een woord kan meerdere kliks bevatten, maar dat zijn in de regel vormen van dezelfde basisklik: iqhoqhoqho (luchtpijp), uqongqothwane (klopkever (‘tokkie’)). In plaatsnamen zijn er soms twee verschillende kliks, zoals iQonce (Koning Willemstad). (van: Wikipedia, zoekterm ‘klik-talen’)
Waarmee ik maar wil laten zien dat de mogelijkheden voor de begeleidende geluiden bij de gebarentalen van de Vroege Mensen legio waren.

Daarnaast vermoed ik dat de druk om de stille gebaren begeleid te laten worden door betekenisdragende geluiden er voor gezorgd heeft dat de HE’s hun gebaren al volop hebben aangevuld met echte stemgeluiden. En dat daar het zingen bij hun dansen/zingen een belangrijke rol heeft gespeeld. Maar daar krijgen we het verderop pas over.
Die begeleidende stemgeluiden zijn bij de nilotische AMM’s, vanwege de geschiktere bouw van hun stemapparaat, zo betekenisdragend geworden dat ze er hun gebaren steeds minder bij nodig hadden en dat die steeds meer een bijrol te vervullen kregen.
Dat de gebarentaal echter onze oorspronkelijke manier van symbolisch communiceren moet zijn geweest, blijkt wel uit het feit dat we nog steeds moeilijk zonder gesticulatie kunnen; terwijl die eigenlijk nergens meer op slaat. Zelfs onze telefoongesprekken begeleiden we met gebaren! Des te meer naarmate het gesprek met emotie geladen is. Recent onderzoek van de universiteit van Manchester (Trouw, 14 mrt ’03) wijst uit dat mededelingen die met handgebaren ondersteund worden, ook beter begrepen en onthouden worden. En sterker nog: blindgeborenen (!) gesticuleren volop, ook tegen elkaar, en maken blijkens een onderzoek dezelfde soort handbewegingen bij opgegeven spreektaken als zienden.[48] Het recent gepubliceerde onderzoek van Laura-Ann Petitto levert een aanwijzing temeer: die wezenlijke hersenprogrammaatjes waarmee onze kindjes ter wereld komen, kunnen onmogelijk het resultaat zijn van slechts honderdduizend jaar evolutie: een veel te korte tijd.

Onze baby’s komen nog steeds als een soort neanderthalertjes ter wereld. Ze hebben nog van die korte, aapachtige nekkies, en hun strottenhoofdjes zijn nog niet permanent ingedaald zoals bij ons, AMM’s. Baby’s kunnen nog tegelijk ademhalen en slikken. Ik denk dus dat de NT’s dat ook nog steeds konden. Ik denk dus ook dat de NT’s nog steeds voornamelijk gebarentalig waren. Behalve die opvallend aapachtige bouw van hun nekken is er nóg iets dat wijst op hun gebarentalig zijn. In P. Moerman Op het spoor van de Neanderthal-mens (Baarn, 1977) stuitte ik op het volgende. Het fossiele skelet van de ‘oude man van La Chapelle-aux-Saints’ is zo volledig dat er zelfs veel polsbeentjes van bewaard gebleven zijn. Deze zijn door een specialist bestudeerd en die bevond dat de NT’s wel grote en oersterke handen hadden, maar dat “die gezien de polsgewrichten veel beweeglijker naar alle richtingen moeten zijn geweest dan de handen van de tegenwoordige mens”. Dus Jane Auel had waarschijnlijk gelijk dat ze haar NT’s gebarentalig heeft laten zijn.
Nu moet ik alleen nog van een specialist te horen krijgen of de handen van een levenslange gebarentaalspreker inderdaad veel beweeglijker zijn dan die van een levenslange spraakklankentaalspreker.

Een andere aanwijzing voor de oorspronkelijkheid van gebarentaal komt uit de antropologische literatuur. Wilhelm Schmidt[49] komt in zijn verhandeling over de oudste culturen der mensheid te spreken over het bidden: het zich geestelijk tot de Grote Voorouder wenden dat primitieve jagers doen voorafgaand aan jacht of visvangst. “Moeilijk als zodanig te herkennen is het in gebaren uitgedrukte gebed, in Zuidoost-Australië bijvoorbeeld en in zijn meest intensieve vorm bij de Selisj-indianen in Noordwest-Amerika.” Ik denk inderdaad dat de al met spraakklanken communicerende AMM-jagers zich voor hun jachtgeluk nog lang verlaten hebben op hun oeroude en dus sacrale gebarentaal. Ook de hedendaagse kerkelijke rituelen kennen nog veel sacrale gebaren. Al deze feiten wijzen er op dat gebarentaal heel diep in ons wezen verankerd ligt en dat de spraakklankentaal een betrekkelijk recent verschijnsel is.

namen voor de dingen, en die in een woordenschat

Alle groepsdieren communiceren met elkaar en beschikken dus over een of andere vorm van communicatie. Olifanten, walvissen en dolfijnen, wolven, paarden, honden, ze hebben allemaal een verfijnd repertoire om hun soorteigen gevoelens en kennis met elkaar uit te ruilen. Onze naaste familieleden, de chimpansees en de bonobo’s, spannen hierin de kroon. De chimpansees, die veel langer en uitgebreider voorwerp van onderzoek zijn geweest dan de zeldzamere en moeilijker bereikbare bonobo’s, kennen 13 verschillende stemgeluiden waarmee 13 verschillende dingen bedoeld worden. Het repertoire wordt uitgebreid met gelaatsuitdrukkingen en lichaamshoudingen of –bewegingen.
Het bonobo-repertoire is zeker zo groot, omdat ze veel socialer zijn dan de chimpansees. Chimpansees maken lagere grom- en blafgeluiden en zijn wat zwijgzamer vergeleken bij de bonobo’s, voor wie alles aanleiding is om er uitgebreid en opgewonden over te communiceren met hun hoge kefgeluiden.

Toch is dit allemaal niet wat ik onder taal versta. Taal is voor mij namen voor de dingen. Dat hebben alleen mensen ontwikkeld. Hoe dat hen zo machtig heeft gemaakt in de natuur en hen heeft doen uitgroeien van een nauwelijks traceerbaar ondersoortje ergens in Oost-Afrika tot een de gehele aarde koloniserende en dominante soort, daarover krijgen we het verderop.
Maar wacht eens. Chimpansees kennen 13 verschillende stemgeluiden. Waarmee ze 13 afzonderlijke dingen communiceren. Chimps beschikken over 13 ‘woorden’ dus! In hun voedselkreten is bijvoorbeeld verschil tussen die voor vegetarisch voedsel en die voor vlees!
Ja zeg: daarmee kun je niet echt van een woordenschat spreken! Laat staan dat ze daar hun ‘wereld’ mee onder woorden kunnen brengen of dat ze het daarmee met elkaar kunnen hebben over wat niet waarneembaar is op dat moment. Nog afgezien van het feit dat ze die voedselkreten niet bewust kunnen produceren.
Niettemin: ik doe uw opmerking recht en wijzig mijn definitie van het wezenlijke van het uniek-menselijke fenomeen taal : het kunnen beschikken over een woordenschat aan namen voor de dingen.
Eenmaal bezig met het ontwikkelen van die woordenschat – hetgeen geen individuele bezigheid is maar een groepsgebeuren – is het vormen van zinnen, het volgen van regels daarbij en andere verfijningen een onvermijdelijk bijverschijnsel. Voor onze taalkundigen echter is het wezenlijke van ons bijzondere taalvermogen gelegen in het kunnen rangschikken van onze woorden – en daarmee onze gedachten – door middel van grammatica en syntaxis.

Taalonderzoeker Noam Chomsky bedacht dat mensen geboren worden met een Universele Generatieve Grammatica (1957), een aangeboren taalvaardigheid waardoor kinderen in staat zijn spelenderwijs de taal van hun omgeving op te pikken en uit te bouwen. Dat was weliswaar een heel wat juistere opvatting dan de tot dan toe heersende behavioristische opvatting dat kinderen taal leren van hun omgeving door straffen/belonen. Dat om te beginnen. Verder was hij de eerste die het ontstaan van de taal weer op de wetenschappelijke agenda plaatste, waar dat onderwerp in 1866 door het Parijse Taalgenootschap voor taboe was verklaard – waardoor aartsvader Darwin en zijn nazaten er zich ook verre van gehouden hadden. Chomsky had zich afgevraagd hoe het mogelijk was dat kinderen zoiets ingewikkelds als taal zich met even groot gemak leken eigen te maken als pianospelen of fietsen. Ze moesten er een aangeboren ‘taalorgaan’ voor in hun hersentjes hebben. Door neurologen werd dat lacherig afgedaan: niks van te vinden, hoor, in onze hersenen! Nee, oké, maar wel hersengebieden als het centrum van Broca en van Wernicke, toch? dus zo dom was Chomsky’s ‘taalorgaan’ toch niet, voor een niet-neuroloog?
Chomsky kwam tot zijn inzicht door het bestuderen van de taalregels van het Amerikaanse Engels. Dus niet door het nalopen van hoe mensen van apen tot mensen zijn geworden. Dus wat ik als humanosoof wel raar vind van Chomsky, én van de taalkundigen in zijn voetspoor zoals Steven Pinker, dat ze aan grammatica en syntaxis zoveel gewicht toekennen dat ze deze eigenschap(pen) nota bene zien als de essentie van ons taalvermogen.
Taal is voor talige wezens hét ultieme sociale gebeuren, en ‘werkt’ alleen als je je aan regels houdt. Derhalve zijn grammatica en syntaxis onvermijdelijke en dus bijkomstige eigenschappen, en maken ze niet het wézen uit van het talig-zijn van de taalgebruiker. Laat staan dat daarmee de voor een mensaap opmerkelijke gedragingen als het gaan gebruiken van het vuur en het ontwikkelen van religie verklaard zouden kunnen worden.
Toen aanwijzingen zich opstapelden dat sommige dieren ook woorden kunnen maken (zoals ik hierboven liet zien) en daarbij neiging tot grammaticale ordening vertoonden, en dat sommigen zoals Washoe zelfs woorden kunnen combineren ([bes]/[pijn]=radijs) viel er een bouwsteen uit het uniek-menselijke taalbouwwerk weg.
Maar in 2002 publiceerde Chomsky samen met Marc Hauser en T. Fitch een Science-artikel met een nieuwe hypothese: recursie[50] zou het unieke-menselijke aspect van taal zijn. Ook daar is commentaar op gekomen: de taal van de Piranha-indianen in het Amazone-regenwoud kent geen recursie. Ze uiten zich alleen in hoofdzinnen[51]. Ook in sommige andere talen, in Nieuw Guinea en Australië bijv., komt recursie hooguit sporadisch voor. De Leidse taalkundige Arie Verhagen ziet recursie dan ook als een cultureel product, zoals ook ons getalsysteem: ontstaan in talen die al lang een geschreven traditie hebben.

Nou ja. Ik weet niet hoe u er over denkt, maar deze humanosoof vindt het hoogst opmerkelijk dat de taalkundigen geen oog lijken te hebben voor wat wél wezenlijk is voor ons uniek-menselijke taalvermogen: het hebben van namen voor de dingen. We leven in een benoemde wereld, een woordenwereld. Geen enkele andere soort, hoe communicatief ook, beschikt over namen voor de dingen en kan het met zijn mededier hebben over wat niet direct waarneembaar is; of kan overleggen, brainstormen, plannen smeden.
Ik ga het hier verderop uitgebreid over hebben, waar ik de dramatische gevolgen van de overstap van het normale dierlijke bewustzijn op het menselijke talige bewustzijn behandel.

fonemen/cheremen

We vervolgen het taalbetoog. Hoe hebben onze voorouders wél een woordenschat kunnen maken en de chimpansees niet?
Wat de chimps betreft: die zijn altijd regenwoudbewoners gebleven en hebben dus nooit de behoefte gehad, meer te maken van hun communicatie. Zelfs de boslandchimps van Adriana Hernandez-Aguilar maken geen soort van aanstalten hiertoe. Eén populatie van de voap’s is daar wél toe overgegaan. Ik bedoel: anders waren wij nu nog steeds voap’s geweest, ergens in tropisch Afrika, geen probleem. Maar we zijn nu mensen, dus het moet daar ooit met één voap-populatie begonnen zijn. Dus: hoe hebben ze een woordenschat kunnen maken?
Hoe vormen wij vandaag onze woorden? Dat doen we met fonemen. Fonemen – bijvoorbeeld de letters van ons alfabet – zijn de bouwstenen van de taal. Een f betekent niets, evenmin als dat een o of een n of een ee of een m iets betekenen. Samen echter betekenen ze foneem, en je kunt er ook nog andere woorden mee maken, zoals of neem of om neef of een mof. Met de vijftig of meer geluiden die een mens kan maken kunnen we honderdduizend of meer woorden maken en een oneindig aantal zinnen. Zo maken wij onze woordenschat.
Chimpansees kunnen nauwelijks fonemen maken: daar leent, zoals gezegd, hun stemapparaat zich niet voor. Klinkers sowieso niet, althans niet opzettelijk. Medeklinkers als [p!] en [k!] met veel moeite. Van 1947 tot 1954 bracht het psychologen-echtpaar Hayes de chimpansee-baby Viki groot in een poging haar te leren praten alsof het een mensenkind was. Na zes jaar intensieve en creatieve vocale training kon Viki vier woordjes zeggen: ‘mama’, ‘ papa, ‘cup’, en ‘up’, waarvan de klinkers nagenoeg stemloos bleven.
Wij beschikken, behalve over lippen en huig, ook over een relatief grote keelholte en een brede tongwortel . Niet alleen medeklinkers kunnen we in soorten en maten vormen, maar we hebben ook bewuste (neocorticale) controle over onze klinkers. Dat alles mist een chimpansee en daardoor mislukten de pogingen om een in ’n menselijk gezin mee opgroeiende chimpanseebaby te leren praten. Pogingen om in eenzelfde situatie jonge chimpansees gebarentaal te leren, lukten wél. Dat wil zeggen, die verwierven een (gebarentaal)woordenschat van een paar honderd (gebarentaal)woorden[52], zeg maar het niveau van een driejarig mensje. Je kunt zeggen: bar weinig. Maar let wel: in één leven. Dat driejarige mensje wordt geboren met een adequaat hersenprogrammaatje; onze voorouders hebben er vier miljoen(!) jaar de tijd voor genomen om dat aan te maken.

Maar … die voap’s waren toch apen? Dus ze beschikten én niet over het stemapparaat van de moderne mens om fonemen te maken, én niet over de bewuste controle over hun stem-uitingen!
Inderdaad. En over het tweede beschikken doofstomme gebarentaalsprekers nog steeds niet.  Toch staat hun (gebaren)taal op een even hoog niveau als onze spreektaal.
Dat komt:  gebarentaal kent het gebarentaal-alternatief voor de spreektaal-fonemen: de cheremen. Dat zijn betekenisloze handconfiguraties, handplaatsingen en handbewegingen die de ‘bouwstenen’ zijn voor een oneindig aantal gebarenwoorden.
Er zijn vijfenvijftig cheremen: negentien handconfiguraties (bijvoorbeeld de wijzende hand), twaalf handplaatsingen (bijvoorbeeld de wang) en vierentwintig handbewegingen (bijvoorbeeld op en neer). De wijzende hand betekent één gebaar (woord) wanneer deze bij de wang gehouden wordt, een ander gebaar (woord)  wanneer hij bij het voorhoofd wordt gehouden en weer een ander gebaar (woord) wanneer hij bij de kin gehouden wordt[53].

Het van niets tot iets laten worden van het taalvermogen waar onze voorouders vier miljoen jaar voor uitgetrokken hebben, kwam dus vooral neer op het ontwikkelen van steeds meer cheremen.
Van niets? Afgaande op het gebarengebruik van de chimpansees in het wild was er, toen onze voorouders er mee begonnen, al wel degelijk iets. In 1967 al verscheen het baanbrekend onderzoek van de Nederlandse etholoog Adriaan Kortlandt The Use of the Hands in Chimpanzees in the Wild. “Het is nauwelijks mogelijk het belang van de hand in het sociale leven van de chimpansees te overschatten”, schrijft hij. “Chimpansees gebaren om om voedsel te smeken, geruststelling te zoeken en aanmoediging te geven”. Hij beschrijft bovendien dat deze gebaren variëren naargelang het woongebied: ze hebben allemaal hun eigen ‘dialect’! Kortlandts bevindingen gaven voor het echtpaar Gardner de doorslag om met hun experiment te beginnen en zo kwam Washoe in 1967 in het leven van Roger Fouts, waarvan ze tot haar overlijden in okt. 2008 nog steeds deel uitmaakte.[54]
Toen Jane Goodall een bezoek bracht aan het Nim-project van Terrace en Petitto en de zogenaamde gebaren van Nim had waargenomen, zei ze dat deze gebaren haar heel bekend voorkwamen van haar chimpansees in het wild! Veel van de handbewegingen van ASL-gebaren herkende ze van het natuurlijke gebarenrepertoire van chimps.
Ook het ontwikkelen van hun gebarentaal door onze vroegste voorouders zou je dus kunnen zien als een uitbouwen – ‘professionaliseren’ – van een vermogen dat ze al in zich droegen als mensaap.
Het ontwikkelen mag dan als ‘professionalisering’ gezien worden. Maar wat er uit voortvloeide: dat ze er namen voor de dingen mee zijn gaan vormen, dat was een serendipiteit[55]. Ze ontwikkelden in het verloop der erg lange tijden en heel geleidelijk steeds meer cheremen in hun communicatie, als een soort smeerolie om de communicatie soepeler te laten lopen. Die cheremen nu stelden hen in staat tot het vormen van een onbeperkt aantal gebarenwoorden: tot een woordenschat. En zo werden ze mensen. Niet bedoeld maar mooi meegenomen. Er zit veel toeval in het ontstaan van ons menszijn.

de cheremen-doorbraak

Om ons hier een voorstelling van te maken kunnen we kijken naar het begin van het schrift. Zo’n zesduizend jaar geleden leefden in het Midden Oosten steeds meer mensen in boerendorpsamenlevingen. Van de opbrengsten van hun velden, hun vee en hun nijverheid stond elke familie een deel af aan de tempel, ten behoeve van de jaarlijkse feesten, de ruilhandel met andere dorpen en de noodgevallen. De tempelbeambten moesten, om ‘uitvreterij’ en scheve ogen te voorkomen, bij kunnen houden wat welke familie precies had bijgedragen aan de tempel. De notities werden in de klei van de opslag-urnen gegrift. Later werden dat klei-envelopjes met bepaalde ‘fiches’ er in, met op de buitenkant tekentjes die de inhoud weergaven. Nog later werden dat de bekende klei-tabletten, die bij honderdduizenden teruggevonden zijn en, na de ontcijfering van het spijkerschrift, ons een schat aan inzicht over de oude wereld hebben verschaft. Die eerste notities waren pure nabootsingen, tekeningetjes. Maar … geen kunstwerkjes, hooguit ‘minimal art’: de weergave was ontdaan van al het niet strikt noodzakelijke voor de herkenbaarheid, en dan nog alleen voor de gebruikers. Het werden steeds meer gestileerde symbolen.
Een bevestiging van deze origine van het schrift leveren de onlangs in China (Jiahu, een dorp uit de begintijd van de Chinese landbouw) gevonden 8500 jaar oude schildpadschilden met elf ingekraste tekens die lijken op de latere Chinese karakters. De tekens vertegenwoordigen waarschijnlijk symbolen uit waarzeggerij-praktijken, gezien de ‘dragers’ (schildpadschilden) die ook later in die context zijn gebruikt. De onderzoekers nemen aan dat dergelijke symbolen al eerder gangbaar waren in het economisch verkeer van de landbouwpopulatie. Zoals de symbolen op de klei-envelopjes in het Sumerië van ca. 3000 vC waarop schulden en rekeningen in de landbouwgemeenschappen aldaar werden bijgehouden en die aan de kleitabletten en het spijkerschrift voorafgingen.[56]

Welnu, zo ging het ook met de gebaren-nabootsingen: niet uitgewerkter dan het voor de goede verstaanster nodig was. Immers, hoe minder uitgebreid elke gebaar-nabootsing, des te meer kun je er binnen een communicatiemoment maken en des te effectiever het communicatiemoment. In zo’n groepje kwebbelende dames wil iedere voap-dame haar duit in het zakje doen en dan moet je ze snel mogelijk je punt kunnen maken. Ook nu nog hebben we bij ons spreken de hebbelijkheid om overtollige woorden of woorddelen weg te laten vallen. De SMS-taal van onze mobieltjes spreekt boekdelen.
De eerste door de voap-dames handgebaarde codes waren nog pure nabootsingen van wat bedoeld werd, zoals ook het Sumerische schrift (oudste van de mensheid) bestond uit ‘pictogrammen’: simpele voorstellingen van het bedoelde. Zo betekende een eenvoudige tekening van een hoofd gewoon <hoofd> en twee kronkelende lijnen <water>. Maar weldra ging men deze symbolen combineren om iets moeilijkers (althans in schrift!) te bedoelen: <drinken>. De simpele pictogrammen werden steeds schematischer, maar de grootste verandering in het Sumerische schrift voltrok zich toen bepaalde woordtekens in toenemende mate een klankwaarde kregen – meestal de eerste klank van het begrip dat het teken aanvankelijk had gesymboliseerd[57]. ‘Fonemen’ dus, maar dan voor het vormen van een geschreven woordenschat. Vanaf dat moment leende het schrift zich voor vastlegging van elke gewenste communicatie. Dus betrof de functie van het schrift aanvankelijk alleen het optekenen van standaardproducten, nu kon voortaan alles worden vastgelegd: persoonlijke boodschappen, decreten en wetten, onderwijs-inhouden, literaire werken, orale overlevering, de heldendaden van de opeenvolgende koningen. En daarmee begint de geschiedenis, althans voor historici.
Dienovereenkomstig denk ik dat het ingang vinden van cheremen de grote doorbraak in de gebarentalige communicatie van onze vroege voorouders heeft betekend en dat dit hen tot talige wezens heeft doen worden. Vier miljoen jaar ‘pictogrammen’-gebaren, en dan, twee miljoen jaar geleden, de cheremen-doorbraak, met als resultaat het durven gaan gebruiken van het vuur. Of was het andersom: dat het voortaan het avondenlang kunnen blijven communiceren is geweest dat voor versnelde verfijning van de gebarencommunicatie heeft gezorgd? Gaan we het nog over hebben.

Vier miljoen jaar. Het natuurlijke verloop van alle leven: een uiterst traag begin maar als het eenmaal op gang is, steeds sneller. Het volgde het onzichtbare maar voorwaardelijke proces van steeds complexere atomencombinaties tot er zich een molecule vormde die zichzelf kon reproduceren. Toen het proces dat leidde tot de vorming van een cel. De vorming van meercelligheid. Van plantaardig en dierlijk leven. En pas 900 mjg wordt dit tot met het blote oog waarneembare levensvormen. Bijna drie miljard jaar van ‘grondwerk’. Daar moet je die vier miljoen jaar ‘grondwerk’ voor het menselijk taalvermogen mee vergelijken.
Over mijn voorplaat, met die drie VOAP-meiden en het verschijnen van het eerste woordgebaar, hoeft dus niet al te lacherig gedaan te worden: ook dat eerste zichzelf reproducerende molecuul is ook nog steeds een biologenbedenksel. Toch is daarop een hele evolutietheorie gebouwd waar je moeilijk meer aan kunt twijfelen zonder de grond onder je denkvoeten weg te halen. Waar iets kán, gebeurt het ook, vroeg of laat.
Die vier miljoen jaar waren hard nodig voor de ontwikkeling van het door Laura-Ann Petitto blootgelegde vermogen om gebarenstromen en later spraakgeluidstromen in stukjes te ontleden, te categoriseren en te gaan herkennen en gebruiken als bouwstenen voor taal. Die bouwstenen zijn de lettergrepen. Ta-ta-ta, ma-ma-ma, enzovoort. Maar hoe maakt de baby ta en ma? Dat heeft Laura-Ann nog niet uitgelegd. Dat doet de baby met fonemen, en de gebarentalige baby met cheremen. Het is het ingang vinden van de cheremen dus, die de onbeperkte woordenschat heeft gebracht. En het talig worden van onze soort. Het bijzonder worden van onze soort, en het afscheid nemen van het normale dier-zijn. Het durven gaan gebruiken van het vuur.

Het hier beschreven scenario voor de ontwikkeling van ons taalvermogen, gesteund door o.m. Fouts, Corballis en Stokoe, gaat dus uit van gebarentaal en niet van het steeds beter gaan praten. Pas het meest recente menstype, de anatomisch moderne mens (AMM), waartoe alle nu levende mensen waar ook ter wereld behoren en die pas 200.000 jg in Afrika zich uit een aldaar levende slankere erectuspopulatie (die van ´Zwarte Eva”!) is gaan ontwikkelen, beschikt over een ingedaald strottenhoofd en over een daardoor grotere keelholte, hetgeen erop wijst dat pas dié variant met spraakklanken is beginnen te praten. Maar … binnen een reeds bestaande en volledig ontwikkelde taal: nergens ter wereld kun je bij mensen zoiets als een ‘proto-taal’ ontdekken.

Natuurlijk moeten we als aapmensen onze stem al volop gebruikt hebben, te oordelen naar de huidige chimpansees en vooral bonobo’s. Van de laatste soort moet hier nog iets bijzonders verteld worden: hun ‘koorzang’. Het geluid van een troep chimpansees en dat van een troep bonobo’s verschilt behoorlijk. Van de chimpansees zijn het hu-hu-geluiden, áls je ze al hoort, en die kennen ook een lange-afstands-roep zoals de orang oetans: een aanzwellend geloei. Het geluid van de bonobo’s lijkt meer op een roedel keffende hondjes. Dat opvallende verschil is veelzeggend. Het duidt er op dat ‘taal’-uitingen culturele trekjes zijn, meer niet.
Bonobo’s raken veel sneller opgewonden door op zich onbelangrijke gebeurtenissen en leveren daar ‘commentaar’ op door middel van schelle piep- en blafgeluiden. Maar het opmerkelijke is dat ze hun geroep soms sterk synchroniseren. Dan ‘echoën’ ze elkaar na. Bij agressieve confrontaties wordt dat geëcho (chimpansees slaan er dan gewoon op los) zelfs een soort beurtzang, waarbij de kreten elkaar als een pingpongballetje afwisselen. Het schijnt informatie uit te wisselen over emoties en bedoelingen [58]. Misschien hebben we hier te maken met een bestaand vobo-vermogen dat het onze voorouders gemakkelijker maakte om gebaren in stukje te ontleden. Zal ik Petitto eens voorleggen. De kreten variëren ook: soms bedreigend, dan weer angstig en dan weer verzoenend. De kreten overlappen elkaar niet, het is echt een reageren op elkaar en een geleidelijk het met elkaar eens worden. Claudia Jordan[59] spreekt in dit verband van Quieckduelle (krijsduels), een vocaal uitvechten van een conflict dat chimpansees niet kennen.

Je komt dan in de verleiding om te denken: zie je wel, ons taalgebruik is gewoon een uitbreiding van de vocale communicatie van die bonobo’s waar we immers zoveel van weg hebben! Maar we zagen al dat de ‘kretologie’ van de bonobo’s neurologisch wordt aangestuurd door het limbische systeem [60], terwijl onze spraak neurologisch wordt aangestuurd door de prefrontale schors, een totaal ander hersengedeelte, dat ook de verfijnde handmotoriek aanstuurt. Om van de onmogelijkheid tot het vormen van fonemen met zo’n apenstemapparaat nog maar te zwijgen.
Verderop zullen we het over het dansen/zingen van ons Scheppingsverhaal gaan krijgen. Dan wordt meteen duidelijk hoe ons aangeboren zangvermogen door het dansen/zingen aan onze gebarentaal gekoppeld werd en zo vanuit het lymbische systeem onder medecontrole van de cortex is gekomen. Darwin had ook al zoiets geopperd: dat onze stemcontrole niet in eerste instantie door het spreken maar door het zingen is geëvolueerd. Gezang, zo zegt hij, verschijnt in de context van emoties: liefde, devotie, haat, trots, nationalisme, droefheid; maar ook in de context van verbale uitdrukking ervan. “In de context van emoties”… dus van het limbische systeem! Darwin was echt een genie. Niets van wat ik hier allemaal te berde kan brengen, was in zijn tijd nog bekend.
Darwin zag niets in gebarentaal als oorspronkelijke vorm van onze taligheid. Niet omdat hij onkundig was van de aard ervan[61]. Hij wees op een toentertijd beroemde doofstomme vrouw, Laura Bridgman, die er met haar gebarentaal duidelijk blijk van gaf dat ze een zeer intelligente dame was, en concludeerde daar terecht uit dat taal niet gebonden was aan zijn vocale vorm maar dat er een onderliggend cognitief vermogen moest zijn[62]. Nee, het was omdat hij zich verre hield van elke speculatie over de oorsprong van ons taalvermogen. Dat kwam doordat het speculeren vóór zijn tijd erg ‘in’ was geweest en dat het tot zulke belachelijke theorieën en tot niets leidende discussies had geleid dat het Taalkundig Genootschap van Parijs in 1866 in meerderheid van stemmen de maatregel had aangenomen om geen enkele speculatie hierover meer toe te staan! Hoe begrijpelijk ook, een autoritair en ook nog eens volstrekt onwetenschappelijk besluit. Het is verbluffend dat elke taalgeleerde er zich tot op de dag van vandaag angstvallig aan houdt! Tekenend voor het prestige van Darwin. Terwijl die niet eens een argument aangevoerd heeft voor zijn afwijzen van gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen. Van zijn positie uit gezien wel begrijpelijk: zijn theorie voor het ontstaan van mensen was al zo’n waagstuk in een door God geschapen wereld dat hij die niet aanvechtbaar wilde maken met een ondergeschikt standpunt: het ontstaan van ons taalvermogen. Het is Chomsky’s verdienste dat hij als eerste dit onwetenschappelijke taboe doorbroken heeft.
Dat de gebarentaal echt onze oorspronkelijke manier van symbolisch communiceren moet zijn geweest, blijkt behalve uit het feit dat mensapen geen neocorticale controle hebben over hun stem uit het feit dat we bij enigszins emotionele communicatie nog steeds moeilijk zonder gesticulatie kunnen[63]. Maar we kennen allemaal de beelden van lui die begeesterd gesticuleren tegen degene met wie ze via hun mobieltje in gesprek zijn. Onderzoeken hebben aangetoond dat de gesticulatie een fractie sneller is dan het gesproken woord, en dat de gesproken woorden ook makkelijker ‘loskomen’ wanneer er bij gegesticuleerd kan worden.

het ontstaan van ons talige bewustzijn

Door de ontwikkeling van gebarentaal zijn we ‘talige’ wezens geworden[64]. Niet van de ene dag op de andere uiteraard. De eerste miljoen jaren zal er nog niet veel bijzonders aan onze vooroudermensapen te merken zijn geweest, behalve dat hun vrouwen veelvuldig met hun handen aan het communiceren waren. Op die manier waren ze ook tegen zichzelf aan het ‘praten’: hun gebarentaal-codes gingen ook in hun koppen om en beheersten hun denken over de dingen, hun gedachtenscenario’s.
Maar het is de veelheid van benoemde dingen geweest, alsmede het zich ontwikkelen van de cheremen in hun gebarentaal, die maakten dat ze tenslotte in een geheel benoemde wereld zijn komen te leven.
Het noemen van iets schept een gevoelsmatige afstand tussen de benoemer en het benoemde. De voap-vrouw greep met haar gebarencode voor ‘leeuw’ een leeuw die op dat moment in geen velden of wegen te bekennen was. Het verschafte haar vat op het fenomeen ‘leeuw’. Misschien neem ik een verkeerd voorbeeld en durfde ze aanvankelijk een angstwekkend dier als een leeuw nog niet te noemen[65]. Maar hetzelfde gold natuurlijk voor een steen of een bepaalde in dat seizoen niet verkrijgbare plant: ze greep de afwezige steen of plant met het in haar leefgroep gebruikelijke gebarenwoord ervoor.
Afstand. Misschien is dit ook een ‘professionalisering’ voor iets mensapenlijks. Het gooien met van alles naar een roofdier en het op die manier op een afstand houden, wat chimpansees en bonobo’s doen bedoel ik. Als wij iets niet kunnen ‘vatten’, gooien we er ook met de pet naar of slaan we er een slag naar.
Doordat ze geleidelijk alle dingen die hun leefwereld uitmaakten, onder (gebaren)woorden gingen brengen, ontstond er een gevoelsmatige afstand, een gevoel van onafhankelijkheid, van beheersing van hun wereld.
J.Hughlings Jackson[66] merkte op: “We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.” Die gebarenwoorden waren, als gezegd, niet alleen uiterlijke codes, ze waren gekoppeld aan beelden in hun koppen, aan denkbeelden. Die denkbeelden beheersten ook voor een deel hun denken, hun bewustzijn. Ze kwamen in een ‘denkbeeldige’ wereld te leven, met bijbehorend gevoel van afstandelijkheid. Ze konden de dingen objectiveren. Ze werden talige wezens, met een talig bewustzijn.
Er moet een moment geweest zijn waarop hun handelingen niet langer voornamelijk door hun overgeërfde instincten werden aangestuurd, hun keuzen niet langer uitsluitend door instinct ingegeven werden, maar waarop deze meer en meer het resultaat werden van hun onderling overleg en van het individuele innerlijke ‘algebra’ met begrippencodes. Immers, de ontwikkeling in deze richting ging maar door en je kunt geen twee aansturingen van je handelen tegelijk gebruiken, geen twee kapiteins op het schip van je gedachten. De ontwikkeling naar het benoemen van steeds meer dingen ging onstuitbaar door en dat ging ten koste van hun instincten: die moesten ze onderdrukken. Ze waren een hachelijk pad ingeslagen vanwaar geen weg terug is, toen niet, nu niet en nooit meer.

het vuur

Talig worden is een geestelijk iets en kan niet aan een fossiele schedel worden afgelezen. Maar hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt, gebarentaal wel! Namelijk door het iets vergrote hersendeel dat het gebied van Broca genoemd wordt. Deze lichte vergroting is aan de binnenkant van een schedel waar te nemen, en volgens Ralph Holloway van de Columbia Universiteit waren deze taalgebiedjes al in de AP’schedels bespeurbaar[67]! In elk geval zijn ze duidelijk aanwijsbaar in de schedels van de erectus-mensen die we dadelijk op ons pad zien verschijnen. Die taalgebiedjes sturen niet alleen de tong aan maar ook fijne hand- en vingerbewegingen. Dat was Darwin al opgevallen: dat wanneer we precisiewerk doen met onze vingers, tegelijk ook onze tong in beweging zetten (bij het pielen van een draad door het oog van een naald bijvoorbeeld).
Bewijs voor gebarentaal, zul je dan toegeven, maar nog niet voor het talig geworden zijn, in de betekenis van onafhankelijk in de natuur zijn komen te staan. Ook daar is echter een hard bewijs van een datering voor beschikbaar: het gaan gebruiken van het vuur!
Een normaal dier gaat blindelings voor vuur op de loop. Redde wie zich redden kan! Leeuwen en antilopen, hazen en vossen, wolven en lammeren, alles neemt de benen zonder aandacht voor elkaar. Maar er zijn harde bewijzen dat onze voorouders rond twee miljoen jaar geleden (door mij afgekort tot pm 2mjg) hun instinctieve reactie hebben weten te overwinnen, en u begrijpt al waardoor.
Natuurlijk kenden ze de prettige kanten van dat beangstigende gebeuren al veel langer, en zij niet alleen. Aaseters van allerlei slag worden door een brand aangetrokken vanwege het heerlijke aas dat er te vinden valt wanneer de brand over is, en herten komen likken aan de zoutige as. En de voap’s waren ook aaseters. Aaseters?

Dus even een zijwegje.
Onze voorouders luisterden naar het gebrul van de leeuwen in de nacht. Als de leeuwen op een bepaalde manier brulden, dan wisten onze voorouders dat ze er de volgende ochtend op af konden gaan om dankbaar het hoofd te buigen en vervolgens de resten vlees die de leeuwen van hun slachtpartij hadden overgelaten mee te nemen. Als wilde dieren een mens doodmaken dan accepteren we dat en zeggen tegen onszelf: niets aan te doen, het is nu eenmaal ons dier. Het heeft een glanzende huid omdat het een ander dier heeft opgegeten. Ik ben ook gezond omdat ik een ander dier heb opgegeten.
(Baba Mhlanga in Hoeders van de aarde.)
Als mensapen hadden ze al vlees op het menu, hoewel bonobo’s wat minder fanatieke jagers zijn dan de chimpansees. Bonobo’s spelen vooral met een door hen gevangen aapje, in plaats van het op te eten. Overigens legt het daarbij evengoed het loodje, want ook bonobo’s zijn oersterk en dus te ruw voor die tere beestjes. Maar op de savanne zijn de prooidieren geselecteerd op de snelle vlucht, en ook hun roofdieren zijn op snelheid berekend. Dat waren de voap’s bepaald niet. Ze hadden hun voorouderlijke vierbenige snelheid ingeruild voor de voordelen die de tweebenigheid biedt, maar daarin waren ze vooral aanvankelijk nog geen virtuozen en nog steeds haalt een viervoetige chimpansee ons nog met gemak in. Tenminste in de sprint, niet in een lange-afstandsloop.
Savannebavianen zijn ook van boomapen tot savannebewoners moeten worden; die hebben geen tweebenigheid ontwikkeld, in tegendeel, dat zijn echte viervoeters geworden, ze draven als honden. Met behoorlijke snelheid. Echter niet genoeg om een antilope bij te kunnen houden, maar daarvoor hebben ze een estafette-jachttechniek ontwikkeld. Eén drijft zo’n van de troep afgeweken antilopenjong in de richting van een in het gras ineengedoken medejager, en die doet hetzelfde naar een volgende, tot het antiloopje van uitputting moet blijven staan[68].
Weinig kans dat die trage voap’s zoiets hebben kunnen praktiseren. Dat waren aaseters en dat zijn hun erectus- en volgende nakomelingen nog grotendeels gebleven. Aas is gewoon vlees, alleen van een prooi die je niet zelf hebt gevangen. Zelfs de huidige jagers zijn gelegenheids-aaseters zoals het citaat hierboven laat zien, en de trotse leeuwen zijn ook liever lui dan moe, die pakken bij voorkeur de prooi van de hyena’s af. Hyena’s, dat zijn de echte jagers! Daarom hebben die zo de schurft aan leeuwen.

Maar we hadden het over het vuur, en dat de voap-vrouwen al lang de prettige eigenschappen ervan hadden ontdekt. Het geroosterde vlees is behalve lekkerder en voedzamer ook langer houdbaar. Planten die je rauw niet kunt eten, zoals aardappelen, worden eetbaar door ze te koken. Het kon niet uitblijven dat … er hoeft er maar weer één geweest te zijn, één oude vrouw die vanwege haar taligheid de instinctieve angst voor het vuur een beetje was kwijtgeraakt (ze hadden er een naam voor, een begrip, ze konden het vatten!) en die, al haar moed bijeenrapend en bevend, een nog na-smeulende tal beetpakte en meesleepte naar een gedoofde plek en de tak met dor spul voedde en brandend hield[69].
Het kunnen koken en braden van voedsel betekent een forse uitbreiding van het menu. Vlees drogen, in stukken gesneden en aan een pees of touw geregen in de zon tussen twee paaltjes, kenden ze al lang, maar met een vuurtje er onder gaat het sneller en beter, met langere houdbaarheid. Veel planten en knolgewassen zijn alleen gekookt eetbaar en verrijkten nu de dagelijkse pot. Een gat in de grond, stenen er in en daar een vuur in gestookt tot de stenen gloeien; dan vlees en groenten en in, afdekken met een huid met aarde er overheen en wachten tot alles gestoofd is, die kooktechniek heeft zeker niet lang op zich laten wachten. Laat dat maar aan de vrouwen over. En laat het maar aan de mannen over om ontdekt te hebben dat je met de huid waarin je je stenen meedraagt, je een steen veel verder kunt wegslingeren als je hem erin weg zwiept en op tijd één uiteinde loslaat. Het is allemaal speculatie, maar ik durf er de rand van mijn hoed voor op te eten dat de voap’s al lang slingers gebruikten – makkelijk praten als je niet eens een hoed hebt.
Ik had fundamentele kritiek op Richard Wrangham met zijn Demonic Males (1996) waarin hij een link legde tussen de gewelddadigheid van mensen en die van de chimpansees zonder de omstandigheid (overpopulatie) te benadrukken waaronder de chimpansees vanaf 2,5 mjg gewelddadig werden, terwijl mensen pas vanaf hooguit 65.000 jaar in overpopulatie zijn komen te leven.  Maar met zijn Catching Fire: How Cooking Made Us Human (2009) heeft hij weer helemaal mijn hart gestolen. Daarin legt hij uit dat door het kunnen koken en braden van plantaardig en dierlijk voedsel onze voorouders minder heftig en lang hoefden te kauwen, hun voedsel voedingsrijker werd en langer houdbaar, én hun menu uitgebreider doordat rauw oneetbare knollen door het koken eetbaar werden. Dus een enorme vooruitgang. Hij heeft vooral mijn sympathie gewekt door te proberen, een week lang op een chimpansee-dieet te leven en op wilde vijgen en rauw vlees te kauwen! Een held.

Waar blijven nou de harde bewijzen? Komen ze. Een rijker en voedzamer menu betekent een groei van de gestalten, van generatie op generatie. En dat zien we aan de gevonden fossielen: steenharde bewijzen dus. Eén belangrijke fossiel gevonden gestalte is die van Nariokotome boy. Een jongen van een jaar of twaalf, waarschijnlijk door een overstroomde beek meegesleurd en verdronken en op een plek terechtgekomen en snel bedolven zodat zijn lijk niet door aaseters vernield is kunnen worden. Vrijwel gaaf is zijn skelet in 1984 in Koobi Fora gevonden door de Keniase paleontoloog Kimoya Kimeu[70]. Als volwassene zou hij lang en slank geworden zijn, wel 1.7 m lang. Terwijl de AP’s altijd de vobo-afmetingen behouden hadden. Dat valt maar op één manier te verklaren, toch? ……… Nog niet hard genoeg, dat bewijs?
Dan nu dat van de paleo’s Randy Bellomo, Ralph Rowlett en anderen. Die hebben een speciale studie gemaakt van wat een lang aangehouden kampvuur doet met de onderliggende bodem (in tegenstelling met wat een natuurlijke brand doet), namelijk een schaalvormige, geoxideerde en gemagnetiseerde laag grond achterlaten. In Koobi Fora, bij diezelfde HE-site, waren in de jaren ‘80 van die ‘vuurschalen’ gevonden en net als Nariokotome boy gedateerd op 1.6 mjg[71]. Enigen hunner hadden toen al geopperd dat dit ‘fossiele’ resten van kampvuren waren, maar voor de leider van het team, de gezaghebbende paleo Alan Walker, was dit uitgesloten. Die had namelijk een bijzonder lage dunk van onze vroege voorouders. Van Nariokotome boy schrijft hij, in het samen met zijn vrouw, de paleo Pat Shipman[72], geschreven boek The Wisdom of the Bones (1997): “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een mens die een vreemdeling ontmoet, maar de dodelijk onwetende blik die ik gezien heb in de starende ogen van een leeuw”. Walker ziet in de HE dus geen mens maar een roofdier. Betekent dus dat Walker nog nooit een chimpansee of gorilla aangekeken heeft, of zo’n mensapenblik op een foto heeft bestudeerd. Het blikveld van een wetenschapper reikt soms echt niet verder dan zijn vakgebiedje. Evengoed worden zulke autoriteiten (op hun vakgebied) ook in zulke bar-en-boze uitspraken serieus genomen door andere vakidioten! Maar niet door een etholoog als Frans de Waal.
“Veel primatologen hebben verklaard dat hun houding ten opzichte van mensapen volledig veranderde nadat zij voor het eerst oog in oog hadden gestaan met een mensaap. Ze zijn nooit vergeten hoe er, ondanks de barrière tussen de soorten een gevoel van medemenselijkheid oversprong.” (Bonobo)
Dus wanneer Walker een AP, van welke soort dan ook, zou zijn tegengekomen, zou hij in haar/zijn ogen echt geen “dodelijke onwetendheid” hebben ontwaard. Laat staan dus in de ogen van een voorouder als Homo erectus, die professionele vuistbijlen[73] maakte, eilanden koloniseerde[74] en vuur gebruikte.
Opmerkelijk is dat Alan Walker eerder,  in 1982 (samen met Zimmerman en Leakey), een artikel in Nature publiceerde waarin hij aan de hand van een HE-bot dat sporen van vitamine A-vergiftiging vertoont, concludeerde dat de HE’s menselijk mededogen en zorgzaamheid aan de dag gelegd moeten hebben. Misschien dat hij daar kritiek op heeft gekregen? dat hij de HE’s een te menselijk gedrag toedichtte? wie weet.

Kada Gona

Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image009.jpgDe oudst gevonden stenen werktuigen tot nu toe zijn van de Kada Gona site in Ethiopië. Ze dateren van 2.6 mjg. De paleo onder wiens leiding de opgraving plaatsvindt, Dr. Semaw, vertelt dat die plek indertijd aan een rivieroever lag, met steenmateriaal in overvloed, en schaduwrijke en veilige overnachting biedende bomen in de nabijheid.
afb bij zijn publicatie in Journal of Archaeological Science 2000-7

De messcherpe afslagen dienden volgens hem om karkassen te slachten en graafstokken aan te scherpen waarmee de vrouwen voedzame en waterrijke knollen konden opgraven.
Voor Dr. Semaw is het een uitgemaakte zaak dat de mensachtigen die deze werktuigen maakten en gebruikten om grote karkassen te slachten, over enigerlei vorm van talige communicatie moeten hebben beschikt: hij acht het ondenkbaar dat dergelijke technologie tot stand gekomen is met puur mensapenlijke lichaamstaal. Ik voeg daar aan toe dat het anders onverklaarbaar is waarom deze aapmensen tot dit gedrag zijn gekomen en geen enkele andere soort. Ze moeten over namen voor de dingen hebben beschikt, dus over het daardoor gegenereerde gevoel van ‘afstandelijkheid’ tegenover de dingen en het gevoel van macht over de dingen.
Geen hominide-fossielen bij de perfect gemaakte Oldowan-werktuigen op de Kada Gona sites van 2.6 mjg (vind ik dus niet meer dan normaal). Als de makers ervan wordt door de onderzoekers Ap. garhi [75] genoemd, vermoedelijk een afstammeling van ap africanus.
Homo habilis lijkt zijn eervolle plaats te moeten afstaan aan ap garhi , en niet langer beschouwd te worden als de maker van de Oldowan-werktuigen (de ‘industrie’ waartoe ook de werktuigen van Gona gerekend worden) die Louis Leakey in 1962 in de Olduvaikloof had gevonden. Men wijst op het primitieve (aapachtige) van H. habilis : lange armen en korte benen, dus nog erg aangewezen op de bomen voor veilige overnachting en de twijfel werd versterkt toen er in 1975 een onderkaak met tanden was gevonden die veel menselijker eigenschappen had dan die van habilis.

Ik heb nog een ander argument. Bij de Gona-werktuigen vind je geen fossielen van de makers ervan. Natuurlijk niet: die werktuigen dienden om hun prooidieren te slachten en ander voedsel te bereiden. Daar ging je toch je eigen mensen niet slachten en opeten? Hoogst onwaarschijnlijk dus dat de hominide-fossielen die bij die werktuigen in de Olduvaikloof gevonden waren door de Leakeys, van de makers ervan zouden zijn[76] – waar Louis Leakey toen voetstoots van uit ging. Waarschijnlijker is dat ze van de maaltijdrest van de makers ervan zijn! H. habilis prooidier van onze voorouders. Maar hoe heten die? Ap garhi?
2.6 mjg oud zijn deze stenen werktuigen. Denk je eens in! Dus van nog gewone aapmensen. De eerste bekende mensachtige populatie is die van Turkana Boy, en dat is een volle miljoen (!) jaar later. En die werd door Alan Walker nog elke vorm van menselijkheid ontzegd.[77]
Silashi Semaw, de aan de Rutgers Univ. opgeleide Ethiopiër die de leiding heeft in Kada Gona, werpt[78]de belangrijke vraag op: is aan deze steenbewerkings-techniek een gedurende miljoenen jaren toenemende vaardigheid voorafgegaan of is het een ‘plotseling’ verschijnen ervan rond 2.6 mjg? Tot nu toe zijn er geen voorstadia voor aangetroffen. Niemand twijfelt er echter aan[79] of de door garhi aan de dag gelegde vaardigheid veronderstelt een al heel veel oudere werktuigvervaardiging.
Maar de werktuigen van primitievere makelij dan de afgebeelde hebben zoveel weg van een toevallig-kapotte kei dat die niet gemakkelijk als werktuig kunnen worden aangezien. Om maar niet te spreken van alternatieve werktuigen van vergankelijk materiaal als hout of bot.

de grote sprong voorwaarts als gevolg van de vuurbeheersing

Wanneer zal ik het terloopse ‘cultuurtje’ van namen voor de dingen (het met elkaar over iets kunnen hebben) laten beginnen? Wanneer zal ik dat terloopse ‘stuntwerkje’ van dat ene meisje in die ene groep: het met haar handen na-apen waar ze op dat moment vol van was, en dat van zo vér strekkende invloed zou worden op het verdere verloop van de dingen in de wereld, laten plaats vinden?
Daarvoor wijs ik even terug op die ‘mijlpaal’ van de oudste door de mens vervaardigde werktuigen, gevonden in Kada Gona. Gedateerd op 2.6 mjg. Vervaardigd met een technologie waarvan het ondenkbaar is dat die zonder talige communicatie tot stand gekomen zou kunnen zijn. Daar moeten nogal wat generaties van talig communicerende vobo’s aan vooraf zijn gegaan. Dus gok ik voorlopig op de datering van 3 mjg.
Maar misschien moeten we voor het ‘meidenspelletje’, voor de geboorte van de proto-gebarentaal, nog verder terug. De proto-gebarentaal begon bij het nulpunt, en de meeste dingen in de natuur komen uiterst traag op gang, vertonen de bekende ‘exponentiële groei’- curve: een heel lange aanloop en dan woeps! de hoogte in.
Het is zeker dat de taligheid door het gaan beheersen van het vuur een forse sprong voorwaarts heeft gemaakt. Ga maar na.
Vóór dat de vobo’s over kampvuren beschikten, was hun communicatie beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen van het voedsel na aankomst in het overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen maar heel kort duurt, was het afgelopen met de communicatie. Dan moest ieder de boom in om, ieder voor zich, zijn slaapplatform in elkaar te vlechten boven in de kruin. De vrouwen en kinderen bovenin, de volwassen mannen met hun zak stenen een etage lager, omdat de voorouders van de luipaarden hen ook ’s nachts konden besluipen.
Hoe anders werd deze situatie toen ze voortaan op de grond konden blijven overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren op afstand hield. Uren en uren werden aan elke dag toegevoegd, en alleen voor het communiceren: in het donker kun je weinig anders doen.

Wát zouden ze gecommuniceerd hebben? Natuurlijk wat er in ze om ging. Bijvoorbeeld iets beangstigends wat ze die dag beleefd hadden.
De plotselinge confrontatie met een buffelstier! De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, hun stenen in de aanslag, en de vrouwen waren naar een boom gevlucht en klommen er met de kinderen in. De buffel had geaarzeld: die vobo’s met hun stenen waren inmiddels berucht. Na enige ijzige seconden had de buffel zich omgedraaid en was weggelopen. Die avond bij het kampvuur was een der vrouwen opgestaan en imiteerde de dreigende buffel. Luid krijsend vielen de vrouwen haar bij. Een man stond op en deed of hij de buffel was. De andere mannen boden hun vastberaden weerstand en de ‘buffel’ week. Als eindelijk iedereen weer zat en de kreten verstomd waren, bleven de gevoelens en beelden nog doorspoken in hun hoofden en sprong een andere man op en deed de buffel opnieuw, en weer werd hij door de andere mannen verjaagd. Herhaling op herhaling, tot de een na de ander zich in zijn dierenvel draaide en ging slapen. Maar hun oren waakten: bij het geringste geritsel was iedereen weer klaarwakker en paraat[80].
Beschrijving: http://www.mens2000.nl/teksten/stuk_bestanden/image011.jpgDe prachtige performance werd nog vele avonden met veel emoties opgevoerd. Tot hij plaats maakte voor een nieuwe emotionele belevenis.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces, ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaander heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Je maakt een gebaar dan niet helemaal af wanneer de aanzet ervan al begrepen wordt binnen de context. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.

Na het uiterst trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij], ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de vobo’s zich nu zeer snel tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen. En onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de vobo’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de vobo-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al heel vroeg deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik.

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam. De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging.
[Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaalhypothese.]
Sommige ouderen waren, denk ik, ook gewoon stilletjes bezig, met het schoonschrapen van vellen[81]. Of er op te kauwen met die enorme kaken van ze. Lekker omdat er altijd nog wat organisch spul achterbleef, maar ook gewoon functioneel: het vel werd er soepel van. Dierenvellen waren hun enige ‘rijkdom’.
Ik beweer dus dat de vellen vanaf het allereerste begin een hoofdrol hebben vervuld in onze menswording. In de loop van de voorafgaande vier miljoen (!) jaar waren ze natuurlijk steeds bedrevener geworden in het maken van de benodigde steenscherven. Het is vooral het bewerken van de vellen geweest dat de ontwikkeling van hun werktuigtechniek het meest in de hand gewerkt heeft.
Het eerste vuurgebruik dicht ik de makers van de Kada Gona-werktuigen toe.
De nakomelingen van de  voap-stam die deze werktuigen maakte, AP garhi wellicht, zou weldra als H. habilis of H. rudolfensis zich ook buiten de tropen gaan verbreiden. Ze heeft vermoedelijk ook de overige AP-populaties uitgeroeid waar ze er maar op stuitten[82].

En niet doordat ze grotere hersenen kregen. Grotere hersenen betekenen niet automatisch meer intelligentie of meer menselijkheid. Recente fossiele schedelvondsten van vroege mensen, zoals Dmanisie in Georgië en de Liang Bua-grot op Flores, laten schedels zien die minder of nauwelijks meer dan het mensapenvolume hebben, maar toch in een context van bekwaam gemaakte stenen werktuigen. Anderzijds kunnen mensen met hersenen van normale grootte en vorm uitzichtloos geestelijk gehandicapt zijn.
De ontwikkeling van de hersenen is een gevolg het doen en laten, het is er niet de oorzaak van.[83]
Hersenen zijn wel enorme energievreters, en de veel rijkere voeding die de beheersing van het vuur[84] verschafte, heeft onze voorouders niet alleen van gestalte flink doen groeien maar heeft ook hun hersenen van veel meer energie voorzien. Het vuurgebruik echter, hun groeiende macht over de wereld van hun prooidieren en de roofdieren – en niet de groei van hun brein – heeft hen in staat gesteld om als homo erectus de tropen te verlaten en te verruilen voor gezondere en wildrijkere streken, vol nieuwe uitdagingen voor hun groepsvindingrijkheid en hun talige bewustzijn.

de tobbende aap

De almaar groeiende afstandelijkheid door de namen voor de dingen heeft de vobo’s uit hun normale en onbekommerde dierlijke bestaan verdreven.
Ook voor onze mededieren is de natuur wreed en kent ze geen mededogen. Het is eten en gegeten worden. Het is groot en sterk worden om vervolgens af te takelen. Tijden van overvloed wissen af met hongersnood. Maar onze mededieren ondergaan dit zoals wij doorgaans de jaargetijden beleven: zonder erover te tobben. Ze blijven eten zoeken tot ze er bij neervallen of door een roofdier gepakt worden, maar ze tobben niet en hun roofdieren doen dat evenmin.
Doordat de vobo’s hun wereld onder namen gingen brengen, kregen ze een talig bewustzijn. Dat is een ‘bordkartonnen zolder’ bovenop hun normale groepsdierlijke zelfbewustzijn, waarop ze voortaan en in groeiende mate gevoelsmatig meenden te leven. Binnen dat bewustzijn ‘weet’ je dat leuke maar ook kwalijke dingen die in het verleden gebeurd zijn, weer kunnen gebeuren. Bij normale dieren zijn die dingen in hun geheugen gekoppeld aan bepaalde tekenen; bij afwezigheid van die gewaarwordingen denken ze niet aan die dingen. Mensen kunnen ze naar believen voor hun geest halen, of lijden onder de dwanggedachten er aan. We hebben namen voor de dingen, en zoals J. Huglins Jackson[85] al rond 1900 zei: We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.” We zijn ‘tobbende apen’ geworden.

Normale dieren kennen doorgaans geen onzekerheid. Wanneer de dingen gaan volgens de ordening waarop hun instinct is afgesteld, kennen ze geen twijfel. De echte ezel tussen twee hooibergen twijfelt niet maar begint meteen te eten. Maar onze voorouders zijn hun instinctmatig handelen steeds meer ondergeschikt gaan maken aan het overleggen met elkaar. Of met zichzelf: reflectie heet dat. Het jezelf kunnen verplaatsen in een ander. Hogere groepsdieren zoals mensapen kennen dat ook al wel een beetje[86], reflectie. Onze voorouders zijn dat enorm gaan uitbouwen, met hun namen voor de dingen.
Hun instinctzekerheid verloren ze hierdoor meer en meer. Hun handelen werd steeds meer het resultaat van onderling overleg en steeds minder instinctmatig ingegeven. Het instinctieve gedrag werd meer en meer weggedrukt, je kunt geen twee kapiteins hebben op het schip van je handelen. Maar dat eiste wel zijn tol.
De overstap op gaan benoemen, het begrijpen van de dingen was een hachelijk gebeuren voor de dieren die onze voorouders werden.
Het begon namelijk met niets. Hun begrijpen van de dingen schoot vooral aanvankelijk schromelijk tekort. Ze begrepen de dingen niet of maar half.
Alles wat je niet kunt begrijpen, beangstigt je. Angst en twijfel werken verlammend, daar kun je niet mee leven. Onze voorouders zijn het verlies aan instinctzekerheid dan ook van stond af aan gaan compenseren met twee zekerheidverschaffende mechanismen: herhalingen en geloven.

Herhalingen: Het elke dag opnieuw bevestigen van hun woordenwereld door deze elke avond rond het kampvuur te dansen/zingen in het scheppingsverhaal ervan. De repeterende bewegingen en geluiden daarbij, het ritme, gaandeweg versterkt met trommelen op geluid makende dingen.
Maar vooral ook: de dingen doen zoals ze altijd al gedaan werden, dus tradities, gewoonten, gebruiken. De paleo’s verbazen zich over het inderdaad opmerkelijke feit dat de HE’s zeker anderhalf miljoen (!) jaar lang hetzelfde type vuistbijl hebben gemaakt. De verklaring is simpel. Tradities geven een gevoel van zekerheid, broodnodig, zeker zo kort na het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid. Verandering en vooruitgang, voor ons-nu vanzelfsprekend deel uitmakend van ons samenleven, was voor onze vroege voorouders ondenkbaar. Doen zoals de voorouders het altijd gedaan hadden, dat was het devies tot en met de Neanderthalers (NT’s). Ik was eens met een gezelschap op de opgravingssite Veldwezelt-Hezewater in België, waar twee kampplekken van NT’s zijn blootgelegd, één van 130.000 jg en één van 34.500 jg. Op onze vraag of er verschil was te constateren in steentechnologie was het antwoord: geen enkel verschil!  Dat is voor ons best wel schokkend.
De grondbetekenis van het woord religie is: herlezen (telkens opnieuw verzamelen). Voor kleine kinderen kunnen verhaaltjes en liedjes en spelletjes niet vaak genoeg herhaald worden. Herhaalde bewegingen met het lichaam, zoals bij het lopen door het clangebied, of bij het joggen, maken rustgevende endorfines vrij[87]; daarom zijn we dol op ritmes en dansen.

– Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag zou willen dat ze zijn of zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloof in magie, in magische (invloedrijke) handelingen en rituelen. Geloven dat de dingen-buiten-je net zo zijn als je zelf bent (antropomorfisme[88]) en dat je zelf net zo bent als de overige levende wezens (totemisme); dat de dingen denken, net als wij, dus een geest hebben (animisme). We kunnen onszelf werkelijk van alles wijs maken, of láten maken. Niets mis mee overigens, zo lang er maar geen misbruik wordt gemaakt van onze lichtgelovigheid. Maar later zijn we in situaties terechtgekomen dat de ene mens macht kon uitoefenen over de ander, en omdat macht altijd en iedereen corrumpeert, lag dit misbruik voor het grijpen.
Onze voorouders zijn door het gaan benoemen van de dingen in een denkbeeldenwereld, een woordenwereld, komen te leven en kwamen daardoor heel anders in het leven te staan dan ze als normale dieren altijd gestaan hadden. Het denkbeeld dat de dingen er alleen maar zijn omdat wij denken dat ze er zijn, of de vraag of er ook dingen buiten onze benoemde werkelijkheid bestaan heeft filosofen al vanaf Plato geboeid. Voor Immanuel Kant, de aartsvader van de westerse filosofie, bestond er naast de werend zoals wij die kennen een ‘wereld-buiten-ons’, de noumenale werkelijkheid.
“Door een bewuste voorstelling van de wereld te maken, plaatsen we de wereld tegenover onszelf en daarmee onszelf tegenover de wereld. Deze bijzondere eigenschap, voor zover we weten zelfs een unicum in de geschiedenis van het heelal, heeft vele filosofen , wetenschappers en kunstenaars bezig gehouden.” Zo begint André Klukhuhn zijn boek Sterf oude wereld (Amst. 1995), en behandelt vervolgens een lange reeks schrijvers en denkers die geworsteld hebben met het gevoel dat je, hoe je jezelf ook observeert, je toch nooit in jezelf kunt binnendringen[90]: Marcel Proust, Robert Musil, de wijsgeren Oldewelt, Schopenhauer, Berson en natuurlijk Heidegger. Een door hem aangehaald citaat van Oldewelt maakt deze navelstaarderij misschien duidelijk:
Ik héb een bewustzijn, héb een karakter, héb een onderbewuste en ik weet bij voorbaat, dat wát ik ook in mezelf moge ontdekken, dit opnieuw het mijne zal zijn, maar niet ik-zelf. (H. Oldewelt De plaats van de mens in de totaliteit van het leven. Kruseman, 1962)
De humanosoof koestert de gedachte  opgehelderd te hebben hoe het gekomen is dat “we de wereld tegenover onszelf en daarmee onszelf tegenover de wereld” hebben geplaatst: door het terloops ontstane en toevallige ‘cultuurtje’ in die ene voap-groep. Namen voor de dingen! Dat heeft geen enkele andere soort. Namen voor de dingen, dat dóet iets met een dier. Het schept afstand tussen de noemer en het benoemde. Onze voorouders kwamen steeds meer los te staan, gevoelsmatig dan, van hun omgeving doordat ze die onder woorden gingen brengen. Ze gingen de dingen van hun omgeving, de noumenale werkelijkheid,  als objecten zien, als losstaand van het zelf. Ze gingen hun omgeving objectiveren. Nieuw fenomeen in de natuur: subject versus object. Er kwam ‘licht’ tussen de benoemende aap en zijn leefomgeving, hij kwam er een beetje ‘los’ van. Hij kwam in een ‘woordenwereld’ te leven: een wereld van benoemde dingen. Hij werd een talig schepsel, en dat zijn we nog steeds.

De afstand die het benoemen schept, tast ook de dingen voor ons gevoel aan. Bij veel nog in stamverband levende mensen mag je iemand niet zomaar bij z’n naam noemen: daarmee schendt je iemands integriteit.  Bij ons op het dorp hadden alle populaire lui een bijnaam. Iemands echte naam diende voor de post en het stadhuis. Klein kinderen geven hun naam ook niet gemakkelijk prijs. Hoe heet je? … maar dan zeggen ze niks. Toe dan, dringt de moeder aan, zeg dan hoe je heet. En dan durven ze het pas. De Joden mochten hun God ook niet bij Zijn naam noemen. Geliefden bezigen ook vaak ‘koosnamen’ en gebruiken iemands echte naam pas als ze er boos op zijn. En wat Jane Goodall over het schitterend mooie insect zei, maakte het ook duidelijk.
Het had ook gevolg ook voor ons levensgevoel. De overstap op talig bewustzijn heeft ons bepaald niet gelukkiger gemaakt dan we als gewone dieren waren.
Hoewel … dieren zijn niet gelukkig of ongelukkig, ze zijn eenvoudigweg. Natuurlijk, ze kunnen zich prettig voelen, wanneer hun organisme optimaal werkt. Euforie is niet uniek-menselijk. Jonge dieren vooral kunnen duidelijk plezier vertonen in het rennen en andere kunsten vertonen waartoe hun organisme sinds kort in staat is; denk aan kalveren of veulens. Maar ook de dameskoeien hebben lol als ze in ‘t voorjaar weer de wei in mogen. En kijk eens naar het plezier van een kindje dat pas kan lopen en ineens beseft dat het dat kan. Chimpansees kunnen lol maken, en ze kunnen in een diepe depressie raken, bijvoorbeeld wanneer ze een baby verliezen, of in eenzame opsluiting geraken in een aidsonderzoeks-laboratorium. Ze kunnen wegkwijnen en zelfs doodgaan, maar ze zijn er zich niet van bewust. Dieren leven onbekommerd; zelfs wanneer ze niet te eten hebben, tobben ze niet maar blijven zoeken tot ze er bij neervallen.[91]
Alleen wij mensen leven in een wereld van denkbeelden die ons (on-)gelukkig kunnen maken. Bewustzijn is namelijk vooral: het je bewust zijn van de altijd dreigende honger, ziekten, dood, vijandelijkheden en andere problemen. Daar hadden we toen we nog gewoon dieren waren, geen weet van. Wij zijn tobbende apen[92]geworden.
Pogingen om aan het kwellende bewustzijn te ontsnappen zijn al zo oud als het bewustzijn zelf. Natuurvolken, hun sjamanen vooral, zoeken hiertoe de trance, bereikt door langdurig vasten, door eindeloos te dansen of rond te draaien en/of veelsoortige drugs uit planten. Daarmee willen ze weer even vertoeven in de Droomtijd, de tijd van het begin der dingen (de tijd van het begin van de namen voor de dingen, kortom de tijd dat de mensen nog niet-tobbende dieren waren), en om daarin te kunnen communiceren met de Grote Voorouder. En vandaag zoeken nog steeds tallozen vergetelheid in de roes.
Nog een gevolg: we kwamen in een denkbeeldige wereld te leven, zoals ik al zei. Als we nadenken over de dingen, halen we die voor onze geest. Dingen die ons ongelukkige gevoelens kunnen bezorgen. Gedachten die we dan weer kunnen ‘verdringen’, door onze gedachten te concentreren op andere, liefst leukere, dingen. Maar het kunnen ook onzinnige dingen zijn: niet bestaande dingen, die we ons voor de geest kunnen halen louter omdat we er woorden voor hebben. “Waarom is er iets, en niet veeleer niets?”: dat soort woordgegoochel, waarmee vooral Duitse filosofen ontelbare nutteloze uren zelf mee hebben verdaan en ook talloze anderen hebben laten verdoen.
Ik denk hierbij vooral aan Heidegger[93]. Ik heb lang nagedacht wat ik er nou zo fout aan vind, aan deze filosoof. En dan bedoel ik niet zijn geflirt met Hitler (hij had dé Nazi-ideoloog willen worden – maar Hitler wou natuurlijk geen idealistische filosoof voor z’n voeten hebben lopen!) maar zijn gedachtespinsels. En ik denk dat de fout hierin zit.
Mensen zijn zo bijzonder geworden doordat ze namen voor de dingen zijn gaan ontwikkelen. Onder dingen versta ik de concrete, waarneembare zaken. Ik versta er ook abstracties onder, voor zover die waarneembaar zijn of voor zover je ze gewaar kunt worden. Dus: handelingen, eigenschappen van dingen (kleur, hardheid, zeldzaamheid, gevaarlijkheid, enz.)  Maar abstracties die je niet gewaar kunt worden, eigenschappen zoals het al dan niet bestaan van een ding, behoren tot het domein van de namen ervoor, en behoren niet tot de dingen. Je kunt een ding gewaar worden en daaruit concluderen dat het ‘bestaat’. Maar zodra je dan gaat nadenken over het ‘bestaan’ van het ding en dat ‘bestaan’ als een fenomeen, als een ding, gaat zien, ben je verkeerd bezig. Omdat je het begrip ‘bestaan’, behorend tot het domein van de namen voor de dingen, ten onrechte binnenhaalt in het domein van de concrete of gewaar te worden dingen. De Eleatische filosoof Parmenides (540-470 vC) deed dat als eerste. “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet!” poneerde hij parmantig. Hiermee een eigenschap van de dingen, namelijk dat ze ‘zijn’ (bestaan), latende optreden als een handelend ding: hij laat het ‘zijn’ bestaan! Ja, dan kun je verder een enorm eind weg filosoferen. Maar niemand schiet er wat mee op, met die aldus verkregen ‘inzichten’. Door namen als dingen te gaan zien maak je er een potje, een warboel van. Kán hoor. Maar dan ben je fout bezig. Zullen we dat afspreken?[94]
En zo kunnen we ons de vraag naar de zin (bedoeling) van het leven in de kop halen. Dan gaan de woorden er met onze gedachten aan de haal: dat suggereert namelijk een Bedoeler. Fout. Er is geen Bedoeler, geen Hogere Macht. we zijn alleen, op dit leefbare planeetje in een verder onleefbare heelal.

Ah, je bedoelt: de zin van jouw leven? Maar dan heb je last van het feit dat er geen Verhaal meer heerst in ons samenleven dat daar betekenis aan geeft. Maar daar gaan we wat aan doen. Zie bijvoorbeeld mijn tekst “Een nieuw Groot Verhaal”. In mijn jeugd heerste er nog wél een Verhaal in ons samenleven: het christelijke. Het was wel een stupide Adam-en-Evaverhaal, maar het wás er wél. Het dóórbreken van de vrije markt door het medium televisie deed het ‘verdampen’: de kerken liepen leeg. En sindsdien heerst er NIX meer. Maar – en dat is wat ik ga duidelijk maken – mensen zijn talige wezens en die kunnen niet goed samenleven zónder een Verhaal. Dan heeft hun geweten namelijk NIX meer om op terug te vallen. Dan hebben de mensen NIX meer met elkaar te maken, en gaat ieder voor zich en de overheid voor ons allen; die moet de regels stellen en dan weten de bobo’s wel de mazen in het net te vinden dat de regels niet voor hén hoeven te tellen. Dan is verloedering ons deel.
Wat ik ook aantoon is hoe simpel het is om ons weer van een nieuw Verhaal te gaan voorzien. Ditmaal graag een universeel en op wetenschap gebaseerd Verhaal, één dat met de voortschrijdende wetenschappen meegroeit. En dan graag ook zonder dat het aan ook maar iemand hoeft te worden opgelegd. Gaan we allemaal regelen. Zie “Een nieuw Groot Verhaal”.

Een vijfde zeer dramatisch gevolg van het komen leven in een denkbeeldenwereld heeft met moslims en vrouwen te maken. Actueel, niet? Ga er even voor zitten.
20 Procent van ons dagelijks bestaan draait om denkbeelden.
– Om het beeld dat we van ons zelf hebben.
– Om het beeld dat we van de ander(en) hebben.
– Om het beeld dat de ander(en) van ons heeft/hebben.
Geen van die beelden hebben we voor het kiezen.
Je hebt sowieso weinig te kiezen in het leven. Niet eens óf je geboren wordt of niet. En als je dan wél geboren wordt, heb je niet voor het kiezen van wat voor zoogdiersoort je ouders zijn. En als je als mensje geboren wordt, heb je niet kunnen kiezen of je een jongen bent of een meisje. Je hebt je ouders niet voor het kiezen gehad, noch de sociale omgeving waarin die leven of de maatschappelijke klasse waar die toe behoren. Je hebt niet kunnen kiezen in welk land of in welke cultuur je geboren wordt. Niet eens in welke tijd van de menselijke geschiedenis.
Je zelfbeeld vorm je / wordt gevormd door wat je moeder en je verdere sociale omgeving blijkbaar van je vindt. Vooral vanaf de tijd dat je je ook buiten de gezinssfeer beweegt, gaat de samenleving en de cultuur waarin je geboren bent, mede vorm geven aan je zelfbeeld. Is dat een godsdienstige dus vrouwvijandige cultuur, dan krijg je het als meisje heel moeilijk. Is het een cultuur waarin een geschrift als wat je nu leest, denkbaar is, dan krijg je het ook als jongen moeilijk door enerzijds de moeilijk te vervullen verwachtingen welke de (televisie-) voorbeelden van je eisen en anderzijds doordat er geen Verhaal heerst dat duidelijk maakt waar het allemaal toe dient. Maar vergeleken bij de situatie waarin de meisjes uit vroeger eeuwen en de moslimmeisjes van vandaag moeten opgroeien, is het nog best wel uit te houden.
De eer[95] waaronder de moslimgemeenschappen vandaag nog steeds gebukt gaan, heeft ook alles met zelfbeelden te maken. In een onderdrukkende samenleving als de moslimwereld culmineert de onderdrukking in de onderdrukking van de vrouwen en de onderdrukking van de seksualiteit.
Een mannen-uitvinding, die onderdrukking. Vrouwen zijn in onze specifiek menselijke evolutie altijd de baas geweest[96] maar hebben nooit in hun hoofd gehaald om hun mannen te onderdrukken. Enkele tienduizenden jaren geleden hebben de mannen de macht gegrepen terwijl ze daar evolutionair eigenlijk niet voor geschikt zijn. Hun onmacht moeten ze compenseren met het onderdrukken van de vrouwen waar ze maar kunnen.
Heel contraproductief (vrouwen hebben altijd het meeste en belangrijkste werk verzet en doen dat nog steeds) en heel asociaal, dus onmenselijk. Dat onderdrukken doen de mannen door de vrouwen te weren uit alle posities waaruit macht en aanzien te halen valt. Met als belangrijkste wapen hun patriarchale (op mannenmacht gerichte) monotheïstische godsdienst. En door het onderdrukken van hetgeen de mannen zelf zwak maakt: seks. Met het gevolg dat het een obsessie wordt. Allemaal de schuld van die vrouwen. Wie maken immers dat die arme mannen zo lijden onder hun seksuele obsessie: de vrouwen! Sla ze, neuk ze waar je maar kunt. Maar zorg dat je eigen zusters of dochters maagd blijven! En wanneer die door je vrienden gepakt zijn, dood ze met jachtgeweer of hakbijl. Nee, niet die vrienden, oen! – je zusters of dochters natuurlijk. Want die hebben jouw eer en de eer van jouw familie tot schande gemaakt. Die vrienden waren immers slachtoffer van hun obsessie? Chottegod, wat een ellende. Hebben alleen mensen. Talige wezens.

talige wezens, talig bewustzijn

De jonge meid rechtsonder op de voorplaat heeft wat op haar geweten, zou je kunnen denken. Want met haar zijn deze dramatische toestanden in die onbekommerd dierlijk levende op twee benen lopende en zich met stenen verwerende mensapen in die soortnieuwe omgeving begonnen: door haar speelse ideetje zijn de nakomelingen van haar populatie talige dus tobbende apen geworden. Zal ik haar Eva noemen? Nee, serieus. Wat houdt dat precies in, die taligheid?
Steeds meer namen voor steeds meer dingen. Er komt een moment dat er zoveel dingen in onze omgeving door het onder-woorden-gebracht-zijn binnen de wereld van benoemde dingen zijn gebracht dat we gevoelsmatig in een ‘benoemde wereld’, een ‘woordenwereld’ zijn komen te leven. Dat we (onze voorouders) het gevoel kregen dat de dingen pas bestaan als en in zoverre we er een woord voor hebben. En dat iets waar we geen woord voor hebben, voor ons ook onbegrijpelijk is. Zoals in het carnavalsliedje
Dat is het einde/ dat doet de deur dicht/ daar zijn geen woorden voor/ja, dat is la-laláá-lalalala / ja dat is la-la-la-la-la !
We (onze voorouders) zijn dan talige wezens geworden. Hun bewustzijn is talig geworden. En dat is ons bewustzijn nog steeds. Pas hiermee is Het bewustzijn verklaard, hooggeleerde vriend Dennett![97]
Je zou kunnen gaan denken dat wij ons met het ons talig bewust worden van de dingen op een onnatuurlijk of zelfs tegennatuurlijk pad hebben begeven. Dat zou best zo kunnen zijn maar er is geen weg terug. Het is het pad van het steeds beter begrijpen van de dingen, het pad dat ons steeds verder verwijdert van het dier-zijn en van het primitieve begrijpen, verder wég van het geloven en het spirituele. Het pad naar steeds meer ratio. Begrijpen en beheersen.
Zodat we tenslotte onszelf en ons samenleven begrijpen en beheersen.

het scheppingsverhaal

Duizenden namen voor duizenden dingen, dat wordt een chaos in je kop als je die begrippen niet ordent, niet in een logische samenhang brengt, niet in een verhaal hangt.
De beelden (gedachten) in je kop blijven ongrijpbaar en onbeheersbaar als je ze niet verwoordt (uitspreekt, aan een ander of aan jezelf, door ze op te schrijven bijvoorbeeld) meedeelt. Autisten kunnen dat niet uiten: blijven in zichzelf opgesloten. Lichtelijk-autisten, zoals Asperger-types, hebben er moeite mee, maar die kunnen met enige hulp wat doen aan hun uitingsprobleem. Vrouwen babbelen wat af, daar zul je weinig Asperger-types onder aan treffen (hoewel, het is wel erfelijk … humanosoof, blijf bij je leest).
Maar alle mensen hebben alleen echt grip op hun wereld wanneer de dingen daarin in hun geest met elkaar samenhangen in een Verhaal.

Dat begrijpen door middel van een Verhaal hebben onze voorouders, talig geworden wezens, dan ook vanaf het begin, hoe onbeholpen ook aanvankelijk, nagestreefd. Het Verhaal van hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief de mensen, tot hoe ze nu zijn. Door middel van het scheppingsverhaal van hun wereld. Dat Verhaal werd bij elke gelegenheid gedanst/gezongen. Als ze zouden ophouden met het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal, zou hun wereld ten onder gaan, was hun gevoel. En daar zat wat in: het was immers een woordenwereld. Hun taligheid was een nog zo recente verworvenheid dat die keer op keer bevestigd diende te worden om hun vertrouwen erin te schragen. Herhaling, herhaling. Aan het slot van elke dag, van generatie op generatie.
De belangrijkste figuur er in is de Grote Voorouder. Hoe kwamen onze vroege voorouders dáár dan aan?
De erectusmensen (HE’s) verbreidden zich immers met hun vuur ook buiten de tropen van Afrika, naar Eurazië.  Wanneer een leefgroep te groot werd, vertrok een ondernemende groep vrouwen, kinderen en mannen en ging een nieuw gebied ‘koloniseren’[98]. Dat gebied was nog onbetreden, nog zonder mensen, dus ‘woest en ledig’: nog onbenoemd. Want voor ons, talige wezens, zijn de dingen er pas (zijn we ons er pas echt van bewust) wanneer en in zoverre we ze onder woorden kunnen brengen. “In den beginne was het Woord … “ Die koloniserende groep was de eerste die heuvels en rotspartijen, rivieren en moerassen, bergen en ravijnen, bomen en planten en dieren van het nieuwe gebied hun namen gegeven hadden. Hetgeen voor talige wezens betekent dat ze die dingen daarmee het aanzijn gaven, schiepen[99].
Voor hun nakomelingen nu  leefde deze groep eerste kolonisten (tot één Scheppende Figuur samengetrokken[100]) voort als de Grote Voorouder, wiens scheppingsverhaal ze elke avond dansten/zongen rond het kampvuur.
Het Verhaal vertelt hoe de Grote Voorouder het stamgebied binnen kwam en waar Hij/Zij/Het[101] ging, overal de voor de stam waardevolle dingen en dieren en planten schiep. Al die belangrijke dingen kwamen ook in het Verhaal als belangrijke Figuren voor. Dat Scheppingsverhaal (oorsprongsmythe) werd bij alle belangrijke gelegenheden door de stam gedanst/gezongen; geen gebeurtenis (ziekte of dood, eerste menstruatie of huwelijk) of het Verhaal kwam er aan te pas, met inkorting van dan niet ter zake doende delen en uitbreiding van het onderdeel dat dan juist wel ter zake deed. De gebeurtenis bij uitstek was natuurlijk de initiatie van de jongeren bij hun intrede in de volwassenenwereld. Het Scheppingsverhaal gaf niet alleen de dingen hun plaats in de ons omringende wereld, maar ook onszelf, het was de drager van onze identiteit. Dat Verhaal wás hun wereld, die door hun dansen/zingen telkens opnieuw door hen geschapen en zodoende in stand gehouden werd.
Het best gestalte gegeven vind ik het hierboven geschetste terug in De clan van de Wilde Honing van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom ( Becht, 1996) Dat gaat over een aboriginal-clan in het Australische Arnhemland, door wie hij als westerling is geadopteerd.

Pas nadat in recentere tijden stammen door wrede overheersers gedwongen werden hun scheppingsverhaal te verwerpen en dat van de heerser aan te nemen – ‘beschaafd’ werden – , kregen hun nakomelingen het besef dat de wereld bleef voortbestaan ook wanneer ze die niet meer dansten/zongen[102]. Die oeroude Scheppingsverhalen, die telkens en bij iedere gelegenheid gedanst/gezongen werden, misschien al wel twee miljoen jaar lang, die manier van beleven van de (woorden)wereld, is de basis van onze religieuze[103] gevoelens. Samen met veel andere neigingen die we als erfenis uit ons voorouderlijk verleden in ons meedragen is de religieuze neiging evident. Ook al zijn de westerse mensen vandaag in een Nix-wereld komen te leven, dan nog blijven die consumenten ‘ongeneeslijk religieus’ en zoeken en scheppen ze surrogaat-rituelen om hun religieuze gevoel te bevredigen.

het bastion van de heiligverklaring

Onze voorouders hebben de onzekerheid waartoe ze veroordeeld waren door hun overstap op talig bewustzijn (ratio, het weten van de dingen), leefbaar proberen te houden met geloof en magische rituelen. Deze zekerheden waren echter bedenksels, waren pseudoverklaringen van de werkelijkheid waar het echte weten van de dingen nog tekortschoot. Voor Westerse mensen die beschikken over een al vier eeuwen bestaande traditie van het natuurwetenschappelijk bekijken van de dingen, met steeds betere kijk- en meetinstrumenten, en wier denkwereld ‘onttoverd’ is, is het moeilijk meer voor te stellen dat hun wereld een eiland is in een oceaan van mensen die in een heel andere wereld leven. Een wereld waarin de mensen nog geen andere middelen hebben om hun bestaans-onzekerheid te bezweren dan het geloof en de tradities.
Omdat men in diepste bewustzijn altijd wel voelt dat dit bedenksels zijn, moet men deze diepere twijfel onschadelijk maken met heiligverklaring van deze zekerheden. Heilig is: onaantastbaar, mag je niet aankomen, mag niet worden betwijfeld of ter discussie gesteld. In de Islam-wereld, waarin engelen, duivels en andere geesten nog volop rondwaren, vigeert de heiligverklaring virulent. De enkeling die kennis heeft genomen van het westerse denken durft daar vaak niet voor te kiezen omdat hij dan de denkwereld van zijn ouders en overige familie verlaat; behalve dat dit smartelijk is, is het, vooral voor vrouwen, niet zonder lijfsgevaar.
Maar … dat staat haaks op de onstuitbaar voortgaande groei van ons bewustzijn, ons weten, onze ratio, het enige dat ons werkelijk van onzekerheid kan bevrijden! Als dat niet dramatisch is ….
Onze vroegere voorouders zijn daar altijd tamelijk soepel mee omgesprongen. Hun clan-samenlevingen waren egalitair, kenden geen ander gezag dan het beraad van de oudsten; en dit kon geen macht uitoefenen en dacht daar ook niet over. Vooral toen de vrouwen het nog voor ‘t zeggen hadden waren deze samenlevingen tamelijk vredig. Maar dat zijn ze niet gebleven.

de AMM’s

Ik heb het al even over ze gehad, in verband met de gebarentaal als de oorspronkelijke communicatievorm van onze soort. De Anatomisch Moderne Mens-populatie is omstreeks 200.000 jg in Afrika ontstaan. Wederom in het noordoostelijke deel van het continent, naar de paleo’s vermoeden, en wederom op grond van het feit dat daar hun oudste fossielen worden gevonden. Ik zei dat de AMM’s nilotischer van gestalte waren dan de Vroege Mensen elders in Eurazië. Dat heeft met het klimaat daar te maken: ook vandaag zijn daar de mensen over het algemeen lang en dun. Dat betekent ook: langere nekken. De tweede factor noemde ik ook al: de drang om zoveel mogelijk betekenis te leggen in de bij het communiceren gebruikte klanken, en die betekenis niet te beperken tot de klik!- en plop!-klanken waar geen limbisch systeem aan te pas komt. Dus om ook betekenislading te brengen in de stemhebbende klanken. Ik zei bovendien al dat dit vermoedelijk in het kader van het dansen/zingen van het scheppingsverhaal en de bijbehorende performances is gebeurd.
Die drang speelde vooral bij de zangroutes. De Vroege Mensen trokken voor hun voedselgaring seizoenmatig rond in een heel groot gebied, waarbij ze vaste routes volgden. Elke bijzondere plek daarin (heuvel, bos, kloof, rivier-arm, rots, noem het maar, was heiligen moest met gepast gezang worden begroet. Op bepaalde punten kruiste de foerageerroute die van een andere clan. Op zo’n punt wachtten ze op elkaar: was gelegenheid voor een dagenlang feestelijk samenzijn, en uitwisseling van kennis goederen en huwelijkspartners. Het leven was hachelijk, in slechte tijden moesten de groepen op elkaar kunnen terugvallen voor de overleving. Zangroutes: zo’n foerageroute was een aaneengeschakelde serie gezangen. Maar de mensen hadden hun handen nodig om wapens en spullen mee te dragen. De vrouwen droegen hun zware draagtassen met veelal ook een baby daar bovenin, aan een band rond hun voorhoofd, maar hadden hun graafstok bij de hand. Dan is het maken van betekenis-dragende woordgebaren moeilijk en ben je erg op je stem aangewezen.
Ik heb het gehad over het vormen van fonemen, de bouwstenen van onze woorden, en over het belang van de grotere keelholte hierbij, dus de langere nilotische nekken vergeleken bij de korte nekken van de Vroege Mensen zoals de NT’s (en onze baby’s). Ergens in de regio van het huidige Soedan of zo, in de populatie van de nilotische Vroege Mensen aldaar, ergens rond 200.000 jg, slaagden de vrouwen er in om hun woorden bij het dansen/zingen van het scheppingsverhaal zo compleet met alleen hun stem te ‘chanten’ dat hun gebaren steeds meer tot een begeleidende functie werden gereduceerd. Daar en toen nu werden onze naaste voorouders, de AMM’s, geboren!
Op mijn literatuurlijst prijkt ook The Evolution of Modern Humans van de Amerikaanse antropologe Prof. Pamela Willoughby. Ik schaf zo’n boek aan en zwoeg er door om ondersteuning te vinden voor mijn theorie over het ontstaan van onze soort en waardoor die zo anders is geworden dan alle overige Vroege Mensen. Maar nergens in het dikke standaardwerk van Prof. Willoughby zul je een poging vinden om een theorie als zojuist geëtaleerd, op te stellen. Als een echte wetenschapper beperkt ze zich tot constateren:  dat de AMM’s op zeker moment in onze culturele evolutie verschijnen. Vervolgens documenteert ze uitvoerig de archeologische sporen die deze hebben achtergelaten, in duizend (ik gok maar wat) opgravingssites in Afrika. That’s it. Keiharde bewijzen, humanosoof!
Mijn erkentelijke dank, hooggeleerde Professor Willoughby, maar daarmee heeft de samenleving die uw gewaardeerde onderzoeken betaalt, nog steeds geen Verhaal. En daar zitten we nu steeds meer om verlegen, ten behoeve van ons gevoel van saamhorigheid.
Het samenstellen van dat Verhaal is dan ook geen werk voor wetenschappers. Laat die maar goed bezig blijven in hun eigen onderzoeksgebiedje en de bouwstenen aanleveren. Het is filosofenwerk. En zolang de filosofen-opleiding daar nog niet op wordt ingericht, zal onze samenleving het met een humanosoof moeten stellen. Wel armoeiig maar voorlopig moet u het er mee doen!

overpopulatie

De AMM’s waren de eerste mensen die overgingen van (vooral) gebarentaal naar (vooral) gesproken taal. Dit dóet iets met een mens. Met gebarentaal is het onmogelijk om te liegen. Gebarentaal is qua ‘mechaniek’ een uitbreiding van de dierlijke lichaamstaal, en niet alleen je handgebaren maar je mimiek en je lichaamshoudingen spelen er volop in mee. Vooral bij emotie-geladen religieuze performances heeft de taal iets van dansen, van ballet. Hier ligt de oorsprong van het voor mensen zo kenmerkende dansen. We werden ‘de dansende aap’.
Gebarentaalsprekers kunnen dus niet liegen: teveel spieren en spiertjes onder bewuste controle zien te houden: je begint er niet eens aan. Bovendien zijn gebarentaalsprekers specialisten in het waarnemen van de geringste spierbewegingen. Bekend is de verontwaardiging van de Amerikaanse doven bij de redes van hun president: ze zagen dat hij loog.
Maar met gesproken taal kun je, met een ‘stalen’ gezicht en je handen in je broekzakken, wél liegen. Nou neem ik niet aan dat de AMM’s daar een potje van maakten, van elkaar voor ’t lapje houden, maar het gevoel dat je het kúnt als je het zou willen is al genoeg om je een gevoel van persoonlijke macht te geven, van individueel zelfbewustzijn. Dat is mijn verklaring van het ‘harde’ feit dat de AMM’s een beetje los kwamen van het starre conservatisme dat hun Vroege Mens-voorouders altijd had weerhouden om ook andere materialen voor hun werktuigen te gebruiken dan het traditionele steen. Ze zijn ook hoorn en been als materiaal gaan bezigen. Daarvan kun je geweerhaakte speerpunten maken, voor het spiezen van forellen en andere waterdieren. Terwijl de Vroege Mensen bleven jagen op landdieren werden de AMM’s oever- en kustbewoners en voegden een nieuwe en proteïne-rijke voedselbon toe aan hun dieet: de waterflora- en fauna. De AMM-vindplaatsen kenmerken zich door de enorme afvalhopen van schelpen.
Dat had ver strekkende gevolgen voor de mensheid.
Eén gevolg was dat de nieuwe voedselbron grotere groepen mogelijk maakte. Overschreed het groepsaantal bij de Vroege Mensen de 25 nauwelijks (drie hutten), de gemiddelde groepsgrootte bij de AMM’s werd 100-150 mensen (twaalf tot wel vijftien ‘vuren’). De groepen splitsten zich ook veel sneller, met het gevolg: een snel groeiend aantal AMM-leefgroepen. Afrika begon weldra ‘vol’ te raken met AMM-groepen en de Vroege mensen verdwenen er van het toneel.
Een tweede gevolg is dat het starre conservatisme dat de Vroege Mensen altijd gekenmerkt had, bij de AMM’s afzwakte. We zagen het al bij het gaan maken van hoornen en benen werktuigen. De paleo’s zien het ook aan de microlieten: de veel verfijndere steen-afslagen, minuscule splinters die in handvatten werden gelijmd. Was een eventueel nieuw idee bij de Vroege Mensen gedoemd om bij gebrek aan medestanders in schoonheid te sterven: in de veel grotere AMM-groepen vond een nieuwe uitvinding makkelijk een paar navolgers. Bovendien verbreidde de uitvinding zich door de veelvuldige contacten snel over de overige AMM-groepen. Het verschijnsel ‘verandering en vooruitgang’, dat voor ons-nu zo gewoon is, begon bij de AMM’s te dagen.
Een derde gevolg is: Afrika begin ‘vol’ te raken. Op bepaalde aantrekkelijke plekken werd het dringen: konden de groepen niet langer vrij rondtrekken zonder op het leefgebied van een andere groep te stuiten. In slechte tijden werd het dringen en vechten voor ‘Lebensraum’: overpopulatie en dus oorlog deed zijn intredein het mens-zijn.

VJ’s versus AGR’s

Alvorens verder te gaan met de gevolgen van overpopulatie, moet ik eerst nog even vaststellen dat wij van nature hypersociaal, dus ‘edele wilden’ zijn. Ai! Weer zo’n humanosofen-stelling die conservatieve stekels overeind doet gaan. Maar intussen bent u hopelijk gewend geraakt dat er onderbouwing op volgt.
De Vroege Mensen leefden als Verzamelaars/Jagers (VJ’s). Als scharrelaars dus, zoals hun HE-voorouders, zoals hun vobo-voorouders en zelfs als hun mensapen-voorouders. Het is een continuüm. Alleen de omgeving veranderde, de aanpassingen daaraan maakten dat ook de scharrelaars in technologie en uiterlijk mee-veranderden. De  savanne-omgeving, gevaarlijker dan de regenwoud-omgeving,  noopte hen tot hypersociaal, harmonisch groepsleven. En dat is zo gebleven tot het moment dat ze hun voedsel gingen telen, en dus AGR’s werden. De aanduiding ‘AGR’ combineert ‘agrarisch’ en ‘agressief’.

De VJ’s hebben hun vrije scharrelaarsbestaan niet vrijwillig en juichend voor het AGR-bestaan ingeruild. De vrije zigeuners doen ook niet graag afstand van hun scharrelaarsbestaan, het valt alleen niet meer in te passen in een ‘burgerlijke’ en globaliserende consumentensamenleving. De VJ’s hebben hun vrije scharrelaarsbestaan moéten prijsgeven omdat ook hun wereld te ‘vol  werd. Ze konden niet langer vrij rondzwerven omdat ze steeds nauwer werden ingeperkt door andere vrij rondzwervende clans. Gevechten op leven en dood (er kan maar één clan leven van één jachtgebied) ga je niet graag aan, zeker niet als een nederlaag voorspelbaar is. Het ‘agressie’-element speelt dan al; het ‘agrarische’ element dient zich als aanpassing aan.

De Vroege Mensen (90 % van onze voortijd) waren ‘edele wilden’. Ik benadruk dat dit niks moreels had maar dat het een vorm van overlevings-aanpassing was. De groepen met de meeste onderlinge harmonie hielden de meeste kinderen in leven; de groepen bij wie het altijd hommeles was, floreerden minder en stierven weldra uit (trokken in bij wél florerende groepen). Goed is wat goed is voor de overleving. Soms is dus ook agressief gedrag goed. Daar ga ik nog een voorbeeld van geven. Maar de speltheorie laat overtuigend zien dat gedrag dat wij als moreel ‘goed’ aanvoelen, inderdaad op den duur succesvol is voor de overleving. Mijn indeling in VJ’s en AGR’s heb ik wel zelf verzonnen maar het boek van de antropoloog Hugh Brody The Other Side of Eden (London, 2001) bevestigde mij er in. Brody leunt vooral op zijn ervaringen met de Inuit. Vandaar het citaat dat ik hier ter illustratie van VJ-mentaliteit weergeef:
In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte. Vooral de vertrouwde stem van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Dat mag ze zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden. Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[42] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen[43]. Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.
Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn, ondanks de woestijn- of pool-achtigheid van hun leefgebieden, opvallend gezond[44] en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om[45]. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want – voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is hard en kent geen mededogen. Want ze is, meer nog dan de vrije markt, een dom mechanisme. Maar onze voorouders hadden vanaf hun dier-zijn nooit anders gekend.
Op deze VJ-manier hebben onze voorouders 99,5% van de tijd dat we ze mensen (Homo) noemen, dus vanaf 2 mjg, geleefd. Zo te zijn en zo de wereld en het samenzijn te beleven, dat zit overerfelijk in ons wezen. Dat is – ik kan het niet vaak genoeg herhalen – onze menselijke natuur. We zijn ten diepste nog steeds ‘edele wilden’. Wanneer we van nature agressief zouden zijn, zoals sommige rechtse filosofen beweren om er hun conservatieve standpunten mee te onderbouwen, zouden we genieten van ‘zinloos geweld’. Maar het tegendeel is waar: we raken erdoor ontregeld en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes, speelgoedbeertjes en stille tochten.
Pas in die laatste 0.5% zijn de mensen door overpopulatie met elkaar in gevecht geraakt en zijn de mannen macht gaan uitoefenen over de vrouwen. In die laatste 0,5 % ook zijn de vrouwen op het telen van voedsel overgegaan, zijn de mensen in steeds definitievere behuizingen gaan leven en hebben hun vrije VJ-bestaan vaarwel moeten zeggen. Zijn ze boeren (AGR’s[46]) geworden. U en ik zijn AGR’s.

Om vooral de verdenking van naïef-romantiseren van onze menselijke natuur te ontkrachten geef ik meteen mijn gruwelverhaal weer van een VJ-groep die in genoemde overgangssituatie verkeert: dat hun vrije scharrelbestaan in het nauw komt doordat er teveel van die vrije scharrelgroepen verschijnen:
Het gaat om een onderzoeker? of missionaris? toevallige gast? Ik moet het al 35 jaar geleden ‘meegekregen’ hebben, ik weet echt niet meer waarvan. Hij vertoeft  bij een indianenclan (misschien de Montaignais-Nascapi, die in het noordoosten van het huidige Quebec wonen?).
Zulke aardige mensen, je houdt het als westerling niet voor mogelijk. Zo respectvol voor iedereen en voor hun kinderen. De bezoeker kwam er niet over uitverbaasd: veel ‘beter’ dan wij met onze westerse beschaving.
Op zekere dag meldden de mannen dat er vreemden in het noorden van hun gebied gesignaleerd waren en dat ze er dus even heen moesten. Of de bezoeker zin had om mee te gaan. Nou, zeker, graag, hij was er altijd tuk op om wat te leren.
Toen ze het kamp van de vreemden naderden, werd het beslopen. Het bleek dat de mannen ervan op jacht waren. Nu werd het kamp overvallen en alle aanwezigen, vrouwen kinderen ouden, meedogenloos afgeslacht. Een meisje kroop in radeloosheid op de versteend toekijkende bezoeker toe, om hulp. “Ach, wil je haar nog even neuken, witte?” vroeg een behulpzame clangenoot. “Wacht, ik zal ze even voor je vastzetten.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

Vanaf toen begreep ik dat wij heel sociaal zijn, maar alleen ten opzichte van mensen die wij als medemensen zien. De ‘indringers’ waren voor die leefgroep geen medemensen. Niet eens mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild dat je heel nodig moest uitroeien. Ik begreep ook dat dit afschuwelijke gedrag hen niet minder sociaal maakte maar dat het van overlevingswaarde was: er kan maar één clan leven van een jachtgebied. Er is voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden. Het is een panieksituatie, waarin de aangeboren ikke-ikke-natuur de voorrang neemt, maar dan als collectief. Het verhaal is ook leerzaam als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat in een collectivistische (godsdienstige of nationalistische) oorlog sociale jongens tot nietsontziende mensendoders gemaakt kunnen worden en tot de grofste mensenrechtenschendingen kunnen worden aangezet: dan wordt bij heb de sociale natuur uitgeschakeld en wordt alleen op de primitieve delen een beroep gedaan. Uiteraard lukt dat bij de één beter dan bij de ander: we hebben ook allemaal nog ons eigen ‘pakket’.

Ik heb mijn gruwelverhaal nergens meer terug kunnen vinden. Vandaag zou ik precies willen weten hoe die aardige mensen aan de kost kwamen (ik Beschrijving: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/thumb/4/4f/Jhum.jpg/220px-Jhum.jpgonderstreep het woord ‘aardig’ graag omdat het onze aard, onze menselijke natuur, goed weergeeft) maar ik ben er vrij zeker van  dat ze Tuinbouwers waren. Tuinbouwers zijn deeltijd-AGR’s . Het grootste deel van het jaar telen ze hun voedsel in tuinen, aangelegd door het platbranden van een stuk natuur. Zo’n stuk grond gaat hooguit drie jaar mee, dan is het uitgeput en wordt een nieuw stuk natuur platgebrand. Slash and burn heet die productiewijze. Ze wonen meestal in één groot gebouw waarin elke familie zijn eigen haardvuur heeft. Een paar maanden laten ze hun bedoening in de steek en trekken blij scharrelend rond. Dan keren ze terug, de trekmieren hebben de boel schoon gevreten en de mensen pakken hun AGR-leven weer op. Maar ze leven vaak in vete met naburige clans, en zijn veel van hun oude religie en rituelen kwijtgeraakt vanwege de oorlogssituatie. Mijn voorbeelden zijn de Yanomamö, The Fierce People, van hun onderzoeker Napoleon Chagnon. Nog erger zijn de Bergpapoea’s van Borneo, die kunnen zelfs niet meer in deeltijd rondscharrelen en mishandelen hun vrouwen gruwelijk.

Machisme

De AMM’s waren door hun minder star-conservatieve vindingrijkheid uitgegroeid tot een soort die heel Eurazië plus een groot aantal eilanden had weten te bevolken. In sommige leefgebieden was er een hoge bevolkingsdruk. In periodes van droogte of inkrimping door klimatologische oorzaken leidde dit – we zagen het al bij de chimpansees – tot vechten tussen de leefgroepen om te overleven. Leefgroepen met de meeste gewelddadige mannen hebben dan de beste kansen.  Dus gaan de vrouwen gewelddadigheid bij hun jongetjes en mannen aanmoedigen als goed gedrag[104].
Dat ze hier zelf de dupe van werden, namen de vrouwen maar op de koop toe. De mannen gingen zich als de superieure sekse beschouwen, hun rituelen als superieur aan die van de vrouwen zien, het Scheppingsverhaal aan de mannelijke superioriteit ( hier als ‘machisme’ aangeduid) aanpassen; de Grote Voorouder werd een man, etc.
Zo is het machisme [105] ontstaan, de eerste aantasting van de tot het goede (= sociale) geneigde menselijke natuur. Waar en wanneer zal zich dit voor het eerst hebben voorgedaan? Te oordelen naar de Pygmeeën van het Ituri-regenwoud (voortreffelijk beschreven door Colin Turnbull), met de San behorend tot de oorspronkelijke AMM-bevolking van Afrika, heeft deze omslag al plaatsgevonden vóór dat de AMM’s Out of Africa migreerden. Want bij de Pygmeeën hebben de mannen zich al meester gemaakt van de ‘heilige fluiten’.
Dat de mannen het nodig hebben om de superioriteit van hun sekse te bevestigen door het onderdrukken van de vrouwen is al een bewijs dat deze rollen in onze lange voorgeschiedenis omgekeerd lagen. Maar de vrouwen hebben het nooit nodig gehad om hun superioriteit te bevestigen: die bleek duidelijk genoeg uit hun vermogen tot kinderen baren en voeden, en door hun betrouwbare inbreng in de voedselvoorziening – waarbij mannen oorspronkelijk zelfs alleen voor de veiligheid zorgden en pas later voor de vleesvoorziening.  Mannen zijn bovendien 15% sterker dan vrouwen, én mannen dragen de wapens; dus reden temeer voor vrouwen om er niet eens aan te denken om hun mannen te onderdrukken. Onderdrukken van de andere sekse gaat ten koste van de productiviteit van de groep, dus daarvoor was de overleving de langste tijd nog te hachelijk: als VJ’s konden ze zich dat nauwelijks permitteren.
Maar oorlog maakt mannen belangrijk, en dan gaan ze zich in de kop halen dat hun sekse de belangrijkste is. Omdat het leven bij hen nog steeds draait om het scheppingsverhaal, zijn het de heilige voorwerpen zoals de ‘heilige fluiten’ en de ‘bromhouten’, zijn het de Grote Voorouder-symbolen, zijn het de initiatierituelen waarin  de vrouwen altijd de hoofdrol speelden, het terrein waarop de mannen hun ‘coupe’ pleegden. In ettelijke antropologische verslagen lezen we dat de vrouwen de mannen beschuldigen dat die de ‘heilige fluiten’ van hen gestolen hebben.
In het boek van Turnbull over de Pygmeeën lees ik voor het eerst waarom deze ‘heilige fluiten’ nou zo belangrijk waren. Ze waren gemaakt van lange uitgeholde rechte stammetjes van een vlier-achtige heester, dus met zachte kern. Ervaren ‘trompetters’ konden daarmee veelsoortige klanken voortbrengen, en vanuit de duisternis konden daarmee de ‘stemmen’ van de Grote Voorouder en van de overige Figuren van het scheppingsverhaal levensecht worden voortgebracht. Het geloof van de primitieve mensen is nog zo sterk dat ze vast geloven in deze dingen. Ze raken gemakkelijk in een trance, zodat ook de voortbrengers van de geluiden zelf geloven dat hier de Grote Voorouder aanwezig is. De Grote Voorouder zelf kon moeilijk worden afgebeeld aangezien het van oorsprong een groep is: het groepje eerste kolonisten van het stamgebied.
Na de ‘coupe’ werden de vrouwen steeds meer uit de heilige rituelen geweerd. Bij de Pygmeeën mogen de vrouwen al niet meer als toeschouwers meedoen, ze moeten tijdens de nachtelijke rituelen in hun hutten blijven. De vrouwen spelen het spelletje gedwee mee. Niet alleen in Afrika maar ook bij de Amazone-indianen zien we dit patroon. Kortom, ik ga er van uit dat dit beginnende machisme al van 65.000 jg dateert en dat de out of Afrika-migranten er al mee waren behept.

Out of Africa

Hoewel er nog enkele paleo’s zijn die de oude opvatting dat de AMM’s overal ter wereld nakomelingen zijn van de plaatselijke Vroege Mensen-populaties: de multi-regionale theorie, zijn verreweg de meest paleo’s overgestapt op de Out of Africa-theorie: dat Europanen, Aziaten en Amerikanen  afstammen van een paar emigrantengroepen uit Afrika.

Beschrijving: File:Map-of-human-migrations.jpg

Dit plaatje geeft de Out of Africa- migratie weer zoals het bloedgroepenonderzoek het laat zien. Linksboven is Afrika. In dat continent zijn alleen de drie L-groepen aangeven maar op een detailkaart zie je daar wel tien andere bloedgroepen. Alleen de L-groep migreerde en bevolkte de rest van de wereld; het continent onder Afrika is Eurazië, met links-onder het Verre Oosten en Australië; midden-rechts en uiterst rechts de Amerika’s.

De emigratie van de L-groep (althans van sommige clans ervan) voltrok zich in enkele ‘golven’, waarvan de eerste al rond 130.000 jg moet hebben plaatsgevonden, gezien de recente vondst van AMM-vuistbijlen van 125,000 jg, gevonden in Jebel Faya in Arabische Emiraten.  Dan zijn er ook nog de 11 AMM-skeletten gevonden bij de berg Karmel in Palestina, in de grotten van Skhul en Qafzeh, gedateerd op rond 95.000 jg. Sommige paleo’s beschouwen het als een doodgelopen ‘golf’, omdat ze daar weer verdwenen zijn om zelfs plaats te maken voor NT’s, waarvan resten in diezelfde regio en grotten zijn gevonden, gedateerd van rond 70.000 jg.
Ik denk echter dat deze vroege ‘golf’ ook  richting het Verre Oosten is getrokken, om uiteindelijk rond 55.000 jg de eerste kolonisators te worden van Australië. Ik noem deze vroege ‘golf’ OoAII-a (OoAI is de aanduiding van de vroege migratie van erectus-mensen die de voorouders waren van de Java-mens en de Peking-mens). Want er kwam een kink in de kabel van opkomst van de mensheid.
Vanaf 85.000 jg begon de laatste ijstijd, het Weichselien geheten; maar 74.000 jg explodeerde op Sumatra de supervulkaan Toba en dat verdiepte de afkoeling en uitdroging die, ondanks af en toe wat verbeteringen, 24.000 jg zijn dieptepunt zou bereiken. De waarna het klimaat weer opwarmde en het Holoceen begon, waarin we nu leven.
De Toba-explosie was een catastrofe zoals de Aarde er gelukkig maar weinig in petto heeft. Gedurende een week vloog 2,800 km3 as de lucht in (bij de op één na ergste uit de geschiedenis, de Tambora, was dat 100 km3, dus kun je nagaan) en regende in een hete en giftige pluim in noordwestelijke richting, midden-India met een metersdikke laag tefra (vulkaan-as) bedekkend. De fijnere asdelen verbreidden zich hoog in de atmosfeer, de zon verduisterend en een zes jaar durende ‘nucleaire winter’ veroorzakend. Voor al wat leeft was het een bottle-neck: door de duisternis en de kou groeiden er nog nauwelijks planten, met als gevolg een massale sterfte onder de planteneters en de roofdieren die op de planteneters aangewezen waren. Waaronder de Vroege Mensen en de AMM’s. Der laatsten waren, vooral die aan de zuidkusten van Afrika waar de gevolgen het minst erg waren en het herstel het vroegst intrad, het beste af. Geholpen ook door hun maritieme voedselbron. Het getuigt van de taaiheid van de NT’s dat die het ook overleefd hebben, in elk geval in Palestina waar ze verbleven in de gebieden waar de AMM’s toen al weggetrokken waren.
Na de zes kritieke jaren (sommige paleo’s stellen dat de AMM-vrouwen in reproductieve leeftijd  gereduceerd waren tot 10.000) leefde de plantenwereld weer op en dus ook de dierenwereld. In de paragraaf over “machisme” heb ik gewezen op de gevolgen die het gevecht om toegang tot de beste overlevingsgebieden heeft op de verhouding tussen de seksen: ‘oorlog maakt mannen belangrijk’. Ik speculeerde daar dat dit zich het eerst in de mensheid zou hebben voorgedaan 65.000 jg, zijnde het begin van OoAII-b. Misschien moeten we het terugschroeven naar de gevolgen van het Toba-gebeuren (in paleo-taal YTT-event) van 74.000 jg. De worsteling om te overleven zal ook een behoorlijke stimulans zijn geweest voor hun inventiviteit, de vrouwen zullen nog koesterender zijn omgegaan met de vindplaatsen van hun planten en zullen hun kennis omtrent de beste overlevingskansen ervan hebben vergroot.
In elk geval zijn de AMM- populaties  ‘explosief’ gaan toenemen. De wereld was door het uitsterven van de meeste Vroege Mensen weer eindeloos groot, de AMM-groepen vulden opnieuw alle hoeken en gaten van het Afrikaanse continent. Rond 60.000 jg verschijnt er opnieuw een ‘golf’ AMM’s in Israël. Maar nu wél met benen en hoornen werktuigen en sieraden van schelpen en been (hun voorgangers daar onderscheidden zich in technologie nog niet van de vroege Mensen, zie de vuistbijlen van Jebel Faya).
Het is deze ‘golf’ waar bovenstaand wereldkaart betrekking op heeft. De exodus van OoAII-b schijn ditmaal niet via Palestina gegaan te zijn (het klimaat was nu koeler en droger, dus de Sahara bleef woestijn) maar via de zuidelijke vernauwing van de Rode Zee (Bab el Mandeb). En nu niet alleen richting India en het Verre Oosten, maar ook noordwaarts: de leefgebieden van de NT’s.

De AMM’s moeten voor de NT’s een nachtmerrie geweest zijn. Niet alleen hun uiterlijk: een soort aliens, met van die vreemd-hoge voorhoofden, kleine neuzen en uit-stekende kinnen. Maar ook hun luidruchtigheid: je hoorde ze al van ver aankomen. En ze reageerden totaal niet op je gebaren. En ze hadden enge werpspiesjes, die ze vanaf grote afstand dwars door je heen konden werpen, met een soort verlengstok. En ze hadden afgerichte wolven bij zich, die je konden achtervolgen en insluiten. Nee, het beste was om weg te trekken naar gebieden waar ze zich niet vertoonden.

Voor de AMM’s waren de NT’s een soort apen, al liepen ze net als mensen op twee benen en droegen ze kleding. Maar toch dieren, want ze konden niet praten. Ze waren wel oersterk, ze konden je oppakken en meters ver weg gooien. Je kon ze maar beter meteen spiezen als je ze zag. Althans, zo luidden de verhalen, want je zag er nooit een. Maar je kon wel grotten tegenkomen waar ze gewoond hadden. Met vuurplaatsen en al.

Afgelegen berggebieden in Spanje, de Balkan en de Krim zagen de laatste NT’s, uitstervend door gedwongen inteelt en uitzichtloosheid, rond 28,000 jg.

De “Grote Sprong Voorwaarts”

Zo worden de grotschilderingen in Zuid-Europa van tussen 30 en 20.000 jg gezien: totaal nieuw gedrag van de prehistorische mens. Hoe kwamen die Cromagnon-mensen daar zo Beschrijving: http://members.home.nl/keesdebrouwer/images/prehistorie/Steentijd%20-%20grotschildering-handen%2001.jpgBeschrijving: Rotstekeningplotseling toe? Speculeren kunnen ook wetenschappers als de besten. Zo postuleert de Amerikaanse Professor Richard Klein in The Human Career (2009) zelfs een gen-mutatie in de hersenen, waardoor deze mensen plotseling tot taal (!) en nieuw gedrag kwam. Andere paleo’s wijzen op de vroege voorouders van de grottenschilders in Afrika, die ook al nieuw gedrag (vergeleken bij de Vroege Mensen) aan de dag legden. De naaste voorzaten van de Cromagnons, de AMM’s van OoAII-b die in de Balkan arriveerden, lieten in Roemenië al grotschilderingen achter, gedateerd 35.000 jg. En indien de op 43.000 jg gedateerde geschilderde voorstellingen van zeehonden in een grot in het Spaanse Malaga inderdaad door plaatselijke NT’s zijn gemaakt, zoals de Spaanse onderzoeker Sanchidrian (Un. Cordoba) recentelijk postuleert – ik geloof er geen barst van – dan is dat gedrag niet echt nieuw.
Uw humanosoof heeft zijn eigen idee  (het zou eens niet!) over die grotschilderingen en andere nieuwigheden. De Cromagnons arriveerden in West-Europa in een relatief wat minder koude periode. Maar het werd weldra weer kouder. De lange winters brachten ze door in degelijk verwarmde winterverblijven. In Oost-Europa bouwden ze die van mammoetschedels en botten en slagtanden, overdekt met mammoetvellen. In de Dordogne waren het grot-overhangen, met palissaden en mammoetvellen afgedicht. Voor de vrouwen ging het dagelijkse werk van voor de kinderen en het eten zorgen en kleren naaien gewoon door, maar de mannen hadden, na ’s morgens de vleesopslagplaatsen (onder steenhopen) gecontroleerd te hebben, de godganselijke dag niks te doen dan aan hun jachtwapens werken,  worstelwedstrijden en pijl en boogwedstrijden  houden, sieraden maken, en natuurlijk de scheppingsverhalen zingen. Maar ook … slimme uitvindingen in elkaar pielen zoals  zelf rijdende karretjes voor de kinderen. Vuurbogen, om gemakkelijk zelf vuur te maken. De kinderen speelden met hun jonge wolfjes en andere jonge dieren. Draadfiguren maken was ook erg populair. En ook afbeeldingen uitkrassen op zandsteenplaten, die eerst met okerverf werden ingesmeerd, zodat de tekening mooi uitkwam. Als je een nieuwe tekening wou maken, ging je er gewoon met de kwast (een stukje huid) met oker overheen. Als kind schreven wij in de oorlog nog op een lei, met een griffel. Zoiets deden de Cromagnons ook, die hadden ook geen papier.
Ergens in de zomer was de initiatiemaand voor de jongens. Die moesten zware beproevingen ondergaan om man te worden. De inwijding in de mannenwereld vond plaats diep in een beangstigend-donkere grot, in een met fakkels verlichte zaal. De mannen hadden namelijk hun eigen rituelen, verboden voor de vrouwen. Bepaalde druipsteenformaties of rots-uitstulpingen leken bij het schijnsel van de fakkels op Voorouderfiguren, en in de loop der tijden hadden de mannen die steeds meer met verf scherper doen uitkomen, totdat ze voortaan hele totemdieren gingen afbeelden. Dat werd steeds meer het werk van bepaalde kunstenaars. Ze leidden talentvolle jongens op in de winterverblijven.
En de vrouwen? Waar de mannen hun op de jacht afgestemde religie hadden, hadden de vrouwen hun eigen op de plantenwereld afgestemde religie. Moeder Aarde, de Maan, de vruchtbaarheid van hun buik. Al in Oost-Europa maakten ze hun vrouwenbeeldjes, van hout, van ivoor, zelfs van aardewerk. In onze consumptiemaatschappij is dik zijn een probleem, maar in die VJ-tijd was het een teken van voorspoed. Vrouwen gingen over het eten, dus hun Beschrijving: https://encrypted-tbn1.google.com/images?q=tbn:ANd9GcT9vw2Ap2WAQYexyEU0-cBu--gjWeRR0qWSAoxIKCfEUABPZ4D-Ewvrouwenbeeldjes zagen er overdadig voluptueus uit. Wij maken onze goden en godinnen naar onze wensdromen. Ook al is er archeologisch maar een fractie van overgebleven, de vrouwen maakten hun Moeder Aarde-beeldjes massaal en overal en zolang als ze nog vrij waren om hun vrouwenreligies uit te oefenen. Een veelbetekenende afbeelding is de “Venus van Laussel”.
De vrouwenbeeldjes hebben nooit een gelaat. Moeder Aarde heeft geen gelaat, ze heeft heuvels, en een beboste hoogte. Het gaat niet om een bepaalde vrouw, maar om ‘het vrouwschap’. Het gaat om vruchtbaarheid, dus om seks, om zwangerschap. De in Laussel gevonden kalkstenen afbeelding houdt een hoorn omhoog. De vrouwen droegen vanaf onheuglijke tijden altijd een smeulend kooltje mee van kampplaats naar kampplaats. In de noordelijke streken was een runderhoorn een geschikt ding daarvoor. Op deze hoorn staan streepjes: de vrouwen gaven op hun hoorn aan over hoeveel ‘manen’ ze waren uitgeteld. Deze afbeelding is volgens mij niet helemaal afgekomen:  rechts van het kopje moet nog wat zandsteen worden weggebeiteld. Let ook op de hangtieten. Vandaag zijn de vrouwen daar niet blij mee, maar toen was het een teken van vruchtbaarheid.

“Grote sprong voorwaarts”? Ja, net als de Inuit vanwege hun lange wintermaanden  verbazingwekkend technisch zijn, waren de AMM’s dat in de ijstijd ook. Maar niet zodra die afgelopen was, trokken de nazaten van de Cromagnons (de Magdaleniens) de rendieren achterna richting het hoge Noorden, en is er van hun culturele ‘sprong voorwaarts’ niets meer over, ze zijn weer gewoon vrije VJ’s. Hun hedendaagse nakomelingen zijn de Lappen. Voor het vervolg van ‘verandering en vooruitgang’ moeten we de blik naar het Midden-Oosten richten.

De overgang naar de landbouw

In Guns, Germs, and Steel (NY 1997) heeft Jared Diamond uitgelegd waarom landbouw, en daarmee ‘beschavingen’,  alleen dáár kon ontstaan waar granen van nature voorkomen. Graszaden zijn niet alleen voedzaam, je kunt ze ook heel lang bewaren. Als je genoeg voorraad hebt, kom je ook in slechte tijden niet om van de honger. Waar in het opwarmende klimaat wilde tarwe en gerst, wilde schapen en geiten, zwijnen, runderen en paarden in één streek voorkwamen, was het leven goed, en dat was in veel gebieden van de Levant: de ‘groene sikkel’ vanaf Palestina omhoog over het Noorden van Syrië en Irak: de voet van het Zagrosgebergte. De vrouwen verzamelden in het seizoen de graankorrels door met hun graafstok tegen de halmen te tikken en de korrels in een mandje op te vangen. De mannen hadden genoeg te jagen. De korrels stampten de vrouwen fijn in vijzels en van het meel bakten ze voedzame koeken. Ze hielden veel kinderen in leven en de populatie groeide er als kool. Het werd daar overbevolkt. De clans konden niet langer vrij rondtrekken zonder in conflict te komen met andere clans. De vrouwen bleven in de buurt van ‘hun’ graan-voorkomens. Ze bouwden er steeds duurzamere hutten, half in de grond gegraven: koel in de zomerhitte en beschut tegen de koude winterwind. De lage wanden besmeerden ze met leem. Voor de opslag van hun graanvoorraden deden ze hetzelfde: ingraven, wandjes met leem besmeren, die je ook nog eens steenhard kon maken door er een vuurtje in te stoken, en afdekken met een platte steen: kan er geen muis meer bij.
Rond 13.000 jg keerde de ijstijd nog een millennium lang terug. De paleo’s noemen deze koude en droge tijd Het Jonge Dryas, naar een plantje waarvan de fossiele pollen deze klimaatfase goed laten zien. Hongersnood dwong de overlevenden tijdelijk terug te keren naar het nomadische bestaan.
Vanaf 9600 vC werd het klimaat definitief warm: brak het Holoceen aan, dat tot in onze dagen voortduurt. De vrouwen hadden intussen geleerd hoe ze door uitgelezen mooie korrels terug te schenken aan Moeder Aarde, het seizoen daarop nog veel meer van deze mooie korrels konden terug verwachten. Ze hadden ook geleerd om hun veldjes te omheinen met doornhagen, tegen de wilde schapen en geiten. Ze waren ook op het idee gekomen om drachtige dieren binnen omheiningen te drijven en ze van voedsel te voorzien: zo voorzagen ze zichzelf van een permanente vleesvoorraad. Hetzelfde dezen ze met wilde zwijnen.
De mannen hadden steeds minder te jagen gekregen en zagen in dat het productiever was om hun vrouwen te helpen. Zo werden de ook de mannen boeren. De mensen leefden er voortaan in dorpen en waren definitief boeren (AGR’s) geworden.

nog even over de Tuinbouwers

Op de meeste andere plekke op de wereld kende de overgang van Verzamelen/Jagen naar Landbouw een duidelijker tussenstadium: de Tuinbouw. Ik heb daar al even over verteld in de paragraaf voap’s, hypersociale dieren en in de paragraaf VJ’s versus AGR’s. De fase dat clans door overpopulatie, soms verergerd door oorlogvoering, gedwongen zijn om hun plantaardige hoofdvoedsel te telen in tuinen, aangelegd door het omhakken en platbranden van een stuk bos. Ze wonen dan in grote bouwsels waarin elke familie haar eigen haardvuur heeft. In enkele maanden van het jaar laten ze de bedoening in de steek en trekken dan nog even vrij rond. Van de Levant zijn mij die grote bouwsels eigenlijk niet bekend. Maar de slash-and-burn-landbouw moet er ook geweest zijn. Jericho, uit de Bijbel bekend om zijn muren, blijkt archeologisch wel de oudste en dikste muur te hebben gehad, maar dat was een beschermingswal tegen de modder-lawine na een slagregen: door het omhakken van de bossen voor zowel bouwgrond als bouwhout  was de aarde geërodeerd en er had al een paar keer een catastrofe plaatsgevonden. Jericho was een stad geworden doordat er een gulle waterbron was, waar handelskaravanen hun dieren konden laven: het was een handelsknooppunt. De inwoners konden een dikke muur met toren optrekken om zich definitief te beschermen … tegen de modder. Het was dus geen muur rond de stad, al hebben de Bijbelschrijvers van die spectaculaire eerste door mensen opgetrokken muur die een mythisch beroemdheid was geworden, een bruikbaar verhaal gemaakt.
Zodra vanaf 7000 jaar geleden landbouwproductie voedseloverschotten mogelijk maakt, kunnen mannelijke elites zich die overschotten toe-eigenen, zich eigenaars van land verklaren, handelsoorlogen voeren en zich de overwonnen bevolking toe-eigenen als slaven.

Mensen, ook de huidige consumentenmaatschappij-mensen, zijn nog steeds van nature goed. Zeker in hun eigen ogen, in hun zelfbeeld. Zoals een crimineel zei: “Ik ben een goede jongen. Ik doe alleen slechte dingen.” Mensen zijn van nature goed … zolang er geen geld of bezit in het spel is. Maar dit zijn betrekkelijk recente fenomenen. In onze kapitalistische samenleving spelen die dingen nu een hoofdrol …
De vrouwen hebben hun voorouderlijke machtspositie bepaald niet van de ene dag op de andere prijsgegeven, dat is allemaal heel geleidelijk gegaan. Rosalind Miles beschrijft dat in haar boek The Women’s History of the World (London: Joseph, 1988) heel overtuigend. De definitieve overwinning op de voorouderlijke verering van de Grote Moeder hebben de mannen behaald met de invoering van de grote monotheïstische godsdiensten. En het zijn niet zozeer de stichters[109] ervan geweest die de vernederende en noodlottige anti-vrouw-propaganda hebben uitgekraamd, maar de schiftuitleggers ervan, de kerkvaders en oelema.
Ook Marvin Harris heeft de ontwikkelingsgang van egalitaire gemeenschappen naar klassensamenlevingen goed beschreven in Our Kind (1989)[110]. Al deze boeken heb ik gebruikt in mijn tekst “Bestaat God?”, waarin ik ook het begin van het Judaïsme, het begin van het Christendom en het begin van de Islam beschrijf. Vooral die beginfasen is voor de meeste mensen nieuwe informatie. Toch belangrijk: als je het begin weet, snap je de rest pas goed.

In klassensamenlevingen worden de pseudoverklaringen en -zekerheden bolwerken van prive-belangen der heersende elite en dan gaat het je de kop kosten als je ze ter discussie wilt stellen. Dan is het bastion van de heiligverklaring een gevangenis voor de ratio geworden. Daar is het islamisme, de huidige politieke islam, een voorbeeld van.
Maar vandaag hebben we de beschikking over zoveel verklaringen voor de dingen en we krijgen er elke dag meer. De bestaansonzekerheid waarmee ons te kort schietende bewustzijn ons had opgezadeld, is vandaag door de groei ervan danig afgenomen. Onweer, ziekten, droogte en hongersnoden zijn voor de consument tot herkenbare problemen gereduceerd. Maar nog steeds heeft ons talige bewustzijn behoefte aan een (nu graag wetenschappelijk verantwoord) kader om de chaos der dingen en hun begrippen in te vatten en om er de zin van te kunnen zien[111].

conclusie

Hiermee besluit ik mijn uiteenzetting over taal en bewustzijn. Het eigenwijze er in is de stelligheid waarmee ik deze met gebarentaal laat beginnen, de taligheid (en de bijzondere manier waarop onze voorouders daardoor in het leven kwamen te staan, de macht die ze erdoor kregen over de dingen, over het vuur maar ook over hun mededieren) en de betekenis van het gedeelde scheppingsverhaal voor het menselijke samenleven.

Wanneer u er op wilt reageren: welkom.

fcouwenb@mens2000.nl

 


 

[1] Daniel C.Dennett Het Bewustzijn Verklaard, Contact 1993
[2] Bart Voorzanger, in Tussen mens en stoel (artikel in Wetenschap, Cultuur&Samenleving, sept.’97)
[3] Wim van de Grind Natuurlijke intelligentie (Amst. 1997)
[4] zie www.humanosofie.nl
[5] treffend is de etymologie van religie volgens Van Dale’s Etymologisch Woordenboek: van relegere [weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen], van re-(wederom)+ legere(lezen).
[6] deze al veel oudere aanname wordt sinds de DNA-onderzoeken rond 1950 nu door niemand meer betwijfeld; maar ik vond een leuk bewijs dat ik u niet wil onthouden: onze luizen en vlooien. Deze parasieten, insecten die de haren en veren van de meeste levende wezens bevolken, hebben zich net als hun gastheren aangepast aan hun leefomgeving en wel zodanig dat ze niet meer in een andere kunnen leven. Niet alleen wat de vorm van hun klauwen betreft maar ook wat betreft hun spijsverteringsstelsel: geheel afgestemd op het bloed van hun gastheersoort. Welnu, wij kunnen onze luizen ruilen met die van de chimpansees en bonobo’s, maar met geen enkel ander dier, zelfs niet met onze neven, de gorilla’s.
Nog een bewijs voor onze nauwe verwantschap: chimpansee-baby’s doen het goed op mensenmoedermelk en andersom: dat is ook met geen enkele andere soort het geval, omdat moedermelk een heel gespecialiseerd goedje is
[7] maar ook westelijkere gebieden zoals de huidige Sahel werden savannen, zoals gebleken is uit de onderzoekingen van de Franse paleontoloog Michel Brunet en de zijnen, die in Tsjaad het oudste hominidenfossiel Tourmaï hebben opgedolven, dat op bijna 7 miljoen jaar oud wordt geschat
[8] die noem ik als eerste vanwege een heel belangrijk empirisch gegeven: de tanden van de gevonden australopithecinenfossielen; hun vorm, hun zeer kleine slagtanden en hun glazuur wijzen op een hoofddieet van het vermalen van zaden
[9] daar legt de gezaghebbende Amerikaanse paleoantropoloog Richard Wrangham erg de nadruk op
[10] het indianenverhaal wil dat één van die tijgersoorten, dinofelis, zich zelfs speciaal op hominiden toegelegd heeft! Maar onder de opsomming van diens prooien worden geen hominiden vermeld. Dat zijn trouwens geen dikhuiden: sabeltanders waren op de grote dikhuiden gespecialiseerd. En dinofelis was, wel behorend tot het geslacht felines, geen tijger en zijn tanden waren meer dolken. Het gevaarlijkst voor de vobo’s waren, denk ik, de (voorouders van) de boomklimmende luipaarden en de arenden.
[11] ach ja, zo duid ik alle geleerden en onderzoekers aan die van belang zijn voor ons verhaal
[12] “the seize of a Volkswagenbus” zoals een Amerikaanse paleontoloog de fossielen ervan omschreef; en als je Naturalis bezoekt, kom je er een tegen in de gang naar de zalen, er zijn bezoekers die er niet in hun eentje langs durven, zo echt lijkt die. Dat ‘veroveren’ deden ze niet door er bovenop te springen maar door de buik open te rijten … ze voedden zich kennelijk met de ingewanden
[13] Margaret Ehrenburg Women in prehistory; Nancy Tanner in On becoming human; Adrienne Zihlman in Women as shapers of human adaptation en Tim Taylor in Prehistory of the Sak
[14] chimpansees sluiten met een paar man een colobus-aapje in, zodat alle vluchtwegen voor het slachtoffer zijn afgesloten; dan klimt één hunnen naar boven en grijpt het diertje, rukt er terwijl het schreeuw van pijn en angst, een vooreen de ledematen af en verdeelt de buit onder de helpers; savannebavianen sluiten een van de kudde afgedwaald antiloopje in en jagen het in een wijde kring estafettegewijs op tot het van uitputting blijft staan
[15]
wordt goed uitgelegd in Sporen van de evolutie van Elaine Morgan (Ambo 1996)
[16] daar pleit Elaine Morgan vooral zeer overtuigend voor, wijzend op onze afwijkende zouthuishouding en zweetgedrag; dus moeten in ons verhaalbegin wellicht meer zoutwatermangrovebossen worden ingebouwd; maar ze krijgt zo weinig support omdat haar verhaal meer vragen oproept dan bevredigend beantwoordt
[17] en dan denk ik vooral aan de in 2001 gevonden fossiele restanten van orrorin tugunensis, gedateerd op 6 mjg en van een tweebener die er ‘menselijker’ uitzag dan de beroemde ap afarensis ‘Lucy’ van 3.6 mjg, tot dan toe als vooroudertype beschouwd
[18] het beroemde in 1960 door de Leakey’s in de Olduvay-kloof gevonden fossiel werd aangetroffen in de onmiddellijke nabijheid van primitieve stenen werktuigen, als de maker ervan beschouwd en derhalve tot Homo habilis (‘de handige mens’) gedoopt; in diezelfde kloof zijn ook twee slachtplaatsen van primitieve olifanten gevonden, met primitieve stenen werktuigen, maar daarvan werden terecht niet de olifanten als de makers aangezien …
[19] hun handen en voeten verloren hun klimfaciliteit pas toen onze voorouders twee miljoen jaar geleden het vuur leerden beheersen, voltijds grondbewoners werden en tot erectus evolueerden
[20] in de strijd om voedsel en voortplantingskansen zijn soortgenoten de grootste concurrenten voor het individu
[21] Frans de Waal Chimpansee Politiek (1982), Van nature goed (Contact, 1996), Bonobo (1997)
[22] Jared Diamond The Third Cimpanzee. Het evolution and future of the human animal. New York 1992.
[23] die zou bij het op twee benen lopen alleen maar in de weg zitten; aan het feit dat onze vooroudervrouwen de oestrus tot een ook voor henzelf onmerkbaar lichamelijk gebeuren hebben weten te maken, wordt denk ik te weinig aandacht besteed; het is verdwenen omdat de spanningen tussen de mannen die de geuren van de oestrus opriepen, een te grote bedreiging van de groepshechtheid vormden en dus zeer ongewenst waren; maar hoe krijg je die onderdrukt? daar ga je je al gauw een Lamarckistisch proces bij voorstellen …
[24] in de literatuur noemt men de overheersende positie van de mannen patriarchaat, maar ik vind dat woord iets eerbiedwaardigs hebben. Onderdrukking van de vrouwen en kinderen hoort bij slavernij en apartheid en die vind ik allesbehalve eerbiedwaardig; dus gewoon ‘machisme’!
[25] www.cwu.edu/~cwuchci/ en lees vooral het uiterst leerzame en onderhoudende boek van Roger Fouts
Van mens tot mens (Bruna, 1997); Washoe is op 30 okt.’07 op 42-jarige leeftijd overleden
[26] Fouts p.224: “Loulis was een autodidact. Negentig procent van zijn gebaren waren spontaan en kwamen niet voort uit aanwijzingen van Washoe. Dit leidde tot creatieve doorbraken. Zo gaf ik op een dag nadat hij de gebaren voor SNEL en GEEF ME van Washoe had geleerd Loulis iets te drinken. Per ongeluk haalde ik het kopje even van zijn mond weg. Loulis keek me aan en gebaarde SNEL GEEF ME! Een onmiddellijk bedachte combinatie van die twee gebaren.”
[27] overigens geen realistische optie voor chimpansees die in een mensenomgeving zijn opgegroeid. Ze hebben nooit kunnen leren hoe ze in het regenwoud moeten leven dus daarin zouden ze even ‘onthand’ zijn als wij
[28] Nicholas Humphrey, Consciousness Regained, Oxford Univ.Press 1984: niet het gebruiken van gereedschap maar de sociale interactie is de belangrijkste factor bij de evolutie van de hominiden (Hst.2)
En daar vind ik de druk van de nieuwe hachelijke leefomgeving weer de belangrijkste factor bij. Want waarom hebben de toch veel en gemakkelijk op hun achterpoten lopende bonobo’s geen gebarentaal en geen gereedschapsgebruik ontwikkeld? omdat deze soort haar regenwoud in geen enkel tijdperk heeft hoeven te missen (Frans de Waal Bonobo, p.25). Dus ze hebben nooit de veel grotere behoefte aan complexere communicatie die het savanne-overleven van de vobo’s vergde, gekend. Nog een factor is de volgende: In het dichte regenwoud vormt roepen dikwijls het enige communicatiemiddel; visuele signalen zijn alleen op korte afstand bruikbaar. Bepaalde roepen dienen om individuen te verzamelen of juist te verspreiden. Hoogstwaarschijnlijk herkent de bonobo de stem van ieder individu in zijn groep. (Id. p.144)
De savannebavianen, toch ook van oorsprong regenwouddieren, hebben ook geen gebarentaal ontwikkeld. Ze gooien niet, zijn dus nooit tweebenig geworden, in tegendeel, ze zijn echte viervoeters geworden en draven als honden. Voor hun verdediging blijven ze in de buurt van de bomen, en hun slagtanden zijn groter dan die van een leeuw. Maar belangrijker: ze zijn veel minder sociaal. De mannen zijn zowat tweemaal zo groot als de vrouwen en spelen zonder meer de baas. Wordt nooit wat.
[29] het verst hierin gaat een bonobo die, als hij wil dat de groep verkast naar een vruchtboom waarvan hij weet dat die nu rijpe vruchten draagt en dat die door andere vruchteneters half leeg gegeten is wanneer ze daar niet nu en onmiddellijk heen gaan, met een grote tak gaat lopen slepen in de richting van die boom; de andere groepsleden begrijpen wat dat stuk ongeduld bedoelt en maken weldra – veel te traag naar zijn zin natuurlijk, aanstalten. Evengoed is hij hiermee wel over iets aan het communiceren dat hij weet maar dat niet waarneembaar is! Maar bedenk wel, dat het iets is waarvan hij weet dat de anderen het ook weten en dat hij alleen hun besluit wil verhaasten
[30] waarom vinden wij een hyena zo’n afstotelijk dier? Het is, objectief gezien, toch een prachtig dier? wij kunnen intuïtief niet onbevooroordeeld naar een hyena kijken omdat het de gevreesde en gehate voedselconcurrenten van onze soort waren
[31] Pinker wil niet aan een gebarentaal-voorfase omdat, zo zegt hij, gebarentaal “even complex is als spraak” (Taalintinct p. 382) en oppert dat ‘verwijzings-kreten’ zoals die van de groene meerkatten “ spontaan onder controle van de hersenschors” gekomen zullen zijn! Waarin Pinker mijn verhaal ondersteunt is zijn stellige overtuiging van het vroege begin van de ‘aanmaak’ van ons taalvermogen – alleen zonder bijbehorende argumentatie
[32] daar krijg ik het verderop nog over
[33] in 1931-32 door het echtpaar Kellogg, met chimpmeisje Gua, en begin jaren ‘50 door het echtpaar Hayes met chimpmeisje Viki – die na zes jaar intensieve training slechts vier woorden kon zeggen”’mama’, ‘papa’, ‘cup’ en ‘up’, moeizaam en nagenoeg stemloos uitgebracht. Hierna heeft men spreektaalexperimenten voor gezien gehouden ; het echtpaar Gardner is toen met het ‘Washoe’-project begonnen: een chimp-baby opvoeden met ASL-gebarentaal; Roger Fouts is daar als student bij ingehuurd en die is daar verder ‘levenslang’ aan vast blijven zitten
[34] toen de interviewer in het programma “God bestaat niet” aan Dick Schwaab vroeg: wat zijn wij?
antwoordde deze: “Wij zijn onze hersenen. De rest van ons lichaam dient slechts om onze hersenen voort te bewegen, ze te voeden en ze voort te planten!”.
[35] de soortnaam Homo sapiens, te danken aan Linnaeus (1758), en nog steeds officieel in gebruik in de paleo-wereld, krijg ik niet meer uit m’n bek
[36] William H.Calvin, De Speurtocht naar Intelligentie, Contact 1996
[37] William H.Calvin, De rivier die tegen de berg op stroomt, Amsterdam 1990. p.456: “De linkerhersenhelft bij mensen wordt algemeen geassocieerd met tijdgebonden reeksen. De taal is daarvan slechts een onderdeel: snelle bewegingen van hand en arm, ongeacht of ze nu links of rechts worden uitgevoerd, worden beheerst door de linkerhersenhelft. Hetzelfde gaat op voor de bewegingsreeksen van mond- en gezichtsspieren: de linkerher-senhelft beheerst beide gezichtshelften.”
De vage afdruk van de hersenen in enkele fossiele H.Habilis-schedels duiden er misschien op dat de grote hersenen al ruimte vrijgemaakt hebben voor wat nu bij de huidige mens bekend is als ‘Broca’s gebied’, een hersenstreek in de linkerhersenhelft die verbonden is met het spraakvermogen. (Stephen Jay Gould e.a., Verslag van het leven. Schuyt 1993)
[38] had ik echt zelf bedacht. Maar laat ik nou in Taalinstinct van Steven Pinker (p.395) lezen dat juistgenoemde William Calvin in (het niet door mij gelezen boek) The Throwing Madonna precies hetzelfde oppert als verklaring voor de linksbreinigheid van de taalcentra! Alleen begaat Calvin de stommiteit om zijn ‘Madonna” haar vrije hand te laten gebruiken voor het stenen gooien in plaats van voor het communiceren; de dames babbelden, de heren zwegen en zorgden met hun stenen voor de veiligheid
[39] in plaats van achteraf toe te geven dat zijn behavioristische aanpak onjuist geweest was, kritiseerde Terrace de beter slagende experimenten die in een menselijke en sociale omgeving plaatsvonden als ‘onwetenschappelijk’! Dat argument werd door een bezuinigende overheid aangegrepen om de subsidies ervoor in te trekken. Ze raakten daardoor in ernstige overlevingsmoeilijkheden: je kunt die chimpansees niet laten verhongeren en in de steek laten. O.a. Jane Goodall heeft er zich toen zeer voor ingezet.
[40] helaas is mijn enthousiasme voor het Washoe-project, althans voor wat de gebarentaalverwerving betreft, door terechte kritiek wat gedempt; het Washoe-team interpreteerde, in haar ijver om zoveel mogelijk ASL-gebaren te ‘scoren’, te gemakkelijk gewone communicatieve of imitatieve gebaren als ASL-gebaren; met scherpere criteria komt de omvang van de Washoe-woordenschat dichter bij de vijfentwintig dan bij de geclaimde 240 (!) te liggen
[41] vinden wij heel gewoon, niet? ta-ta-ta bij die kindjes. Maar waarom geen tááááá? Juist! ze maken onderbrekingen
[42] smaakt een beetje ‘heet’
[43] ik heb het uit een bespreking van Liesbeth Koenen in het Magazine van NRC mrt ‘03
[44] ja, als ik daar een foto zou kunnen uitzoeken van zo’n moment, zou ik een beter voorfrontschilderij kunnen maken dan ik nu heb gewrocht
[45] wetenschappelijke aanduiding: MSA (Middle Stone Age) –mensen
[46] nee, dit is geen Lamarckistische gedachte, ik denk wel degelijk in termen van populaties die het beter doen dan andere doordat een bepaalde half-culturele, half-fysieke verworvenheid daar dominanter voorkomt dan bij de andere
[47] sterker nog, de VOAP-dames zijn waarschijnlijk behoorlijk luidruchtig geweest; bij het verzamelen kun je maar het beste veel lawaai maken, zodat de slangen en ander ongedierte dat gevaarlijk is als je het overloopt, zich tijdig uit de ‘voeten’ maken
[49] Wilhem Schmidt (1868-1954), Oostenrijks taalkundige, antropoloog en etnoloog, boek Der Ursprung der Gottesidee
[50] dat is het kunnen invlechten van bijzinnen in je hoofdzin [Jan riep dat Piet had gezegd dat ‘ie zelf ook wel weet dat het morgen gaat dooien]
[51] antropoloog Daniël Everest verblijft al dertig jaar regelmatig bij hen; ze zijn ook wel een beetje apart: ze slaan geen voedsel op, kijken nooit verder vooruit dan één dag, praten nooit over iets uit het verre verleden of in de verre toekomst, ze leven echt in het ‘hier en nu’ en concentreren zich op de directe ervaring
[52] Washoe beheerst er 240 (volgens www.cwu.edu/~cwuchci/ )
[53] Fouts p.76
[54] www.cwu.edu/~cwuchci/
[55] serendipiditeit, het vinden van dingen die je niet zocht. Zoals in het oude Indiase sprookje de drie prinsen van Serendip telkens overkwam ( zie: http://livingheritage.org/three_princes-2.htm )
[56] Henk Spiering, 16 apr.’03 NRC)
[57] bekend is het tekeningetje dat stond voor [stier]: apis; dat werd het tekentje voor A; als je een A omdraait, zie je nog steeds het driehoekje dat voor de kop staat met de twee horens er boven uit stekend
[58] Bonobo, p.32
[59] C. Jordan Das Verhalten zoolebender Zwergchimpanzen, Frankfurt 1977
[60] Donald haalt Skinner Verbal Behaviour (1957) en Meyers aan bij het er op wijzen dat mensapen weinig controle hebben over hun stemgeluiden en dat de patronen ervan erg stereotiep zijn
[61] onbekendheid met de macht van de gebarentaal speelt de meeste taalkundigen nog steeds parten, blijkens het boek van Jean Aitchisson The Seeds of Speech Language Origin and Evolution (Vert. Het Spectrum, 1997 als De Sprekende Aap). Ze behandelt wel de optie van de gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen, maar wijst deze af als “niet waarschijnlijk” (p.89), en met als enige argument “ondoelmatig” : handenbindend en in het donker niet te zien
[62] Donald, 1995 p.42
[63] onze woorden komen beter ‘los’ wanneer we onze handen en ons overige lichaam mogen laten meedoen; de gesticulatie is ook een fractie sneller dan de articulatie
[64] Dat ik het begin van onze taligheid al in de australopithecinen-fase laat beginnen, zal voor menig deskundige moeilijk aanvaardbaar zijn, wanneer ze weten dat autoriteiten als Randall White, Richard Klein en Lewis Binford zelfs aan de Neanderthaler nog ieder vermogen tot talige communicatie ontzeggen. Tegenover dezen staan dan andere deskundigen als de paleo-neurologen Raph Holloway, Dean Falk en Terrence Deacon die de ontwikkeling van gesproken taal al op een vroeg moment in de menselijke historie plaatsen. Zoals ik doe, maar dan niet als gesproken taal maar als gebarentaal. En daar beginnen ook steeds meer onderzoekers van uit te gaan: Hewes, Corballis, Stokoe, Fouts, Wrangham e.a.
[65] als de Merapi onrustig is, durven de bewoners van de kampong aan de voet van de berg nauwelijks hardop te praten en al helemaal niet over de berg: dat zou getuigen van weinig respect voor ‘de oude heer’ (zoals ze de vulkaan aanduiden)
[66] John Hughlings Jackson (1835-1911), Engels neuroloog, en vernieuwend denker met brede interesse; belangrijke inspiratiebron voor de bekende Britse neuroloog Olivier Sacks (oa De man die zijn vrouw voor een hoed hield)
[67] Boyd % Silk How Humans Evolved (NY/London 2000) p.509
[68] beschreven door biologisch-antropologe Shirley C. Strump Moving The Pumphouse Gang” International Wildlife,1998
[69] nóg een mogelijkheid: vrouwen wisten dat je na een brand ook stokken met vuurgeharde punten kon verzamelen, als graafstok; en dat er een op het idee kwam om een vuurtje van een smeulende tak aan te houden om zelf een stok van een vuurgeharde punt te voorzien … ach, verzin zelf ook eens iets! [70] Boyd&Silk p.411
[71] Boyd&Silk p.429 Maar in een gesprek van Hendrik Spiering met primatoloog Jan van Hooff in VN 31 okt.’03 noemt Van Hooff 1.8 mjg als hij het heeft over Nariokotome Boy. Daar citeert deze ook nog de befaamde paleoantropoloog Alan Walker, leider van het team dat Nariokotome Boy gevonden had: Walker mijmert daarbij: “In zijn ogen zie ik niet de afwachtende blik van een mens die een vreemdeling ontmoet, maar de dodelijk onwetende blik die ik gezien heb in de starende ogen van een leeuw.” Walker ziet in de HE dus geen mens maar een gewoon wild dier. Betekent dus dat Walker nog nooit een chimpansee of gorilla aangekeken heeft of zo’n mensapenblik op een foto gezien heeft!
[72] ik heb haar eens gemaild hierover, en ze zei dat ze nog steeds van mening zijn dat de HE’s nog geen mensen zoals wij waren … (jah, daar ging het natuurlijk niet over, maar een portrettekenaar gaat niet lopen kissebissen met een topwetenschapster)
[73] het multifunctionele stenen snij- en hakmes dat onze deskundigen slechts met lange ervaring en moeite kunnen maken
[74] Flores is altijd door een zeestraat van vasteland gescheiden geweest, ook gedurende de koudste momenten van de ijstijden … desondanks al 840.000 jg door HE-mensen gekoloniseerd, getuige de door Michael Morwood in 1998 in het Soa Basin van Centraal Flores opgedolven en gedateerde stenen HE-werktuigen
[75] zelf denk ik dat H. habilis nog een keer zijn H moet afstaan aan garhi en diens ap moet aannemen.
[76] net zo min als men aanneemt dat op de ‘nijlpaard’-vindplaats FLK-Noord in Oldowai het geslachte nijlpaard de maker van de drie kernen en de 150 afslagen is; of dat de reuzenbavianen waarvan resten op de bekende vindplaats Olorgesailie samen met heel veel stenen werktuigen te zien zijn, als de makers ervan worden beschouwd
[77] in het boek THE WISDOM OF THE BONES (1984), samen met zijn vrouw Patty Shipman. Overigens, haar heb ik hierover een mail gestuurd en ze antwoordt:” If you are asking do we still think the Nariokotome individual was not a human (not “us”), we both still believe that is true. “ Ja, dat beweer ik ook niet, dat NB een mens was zoals wij-nu. Maar het gaat om hún bewering dat hij een dier was zoals een leeuw dat is. Maar kom, een portrettekenaar gaat niet lopen kissebissen met een topdame zoals Pat Shipman!
[78] in zijn Science-artikel mei 2000
[79] Kathy Schick & Nick Toth Making Silent Stones Speak (N.Y.1993) en Ian Tattersall The Fossil Trail (Oxford U.P.,1995)
[80] zoals de Yanomamö, in The Fierce People van N. Chagnon (N.Y. 1983)
[81] De vellen waren niet alleen onmisbaar om er stenen of verzameld voedsel in mee te dragen, maar ook BABY’S!
Dat ze tweebeners geworden waren, had de nodige aanpassingen gevergd in de loop van een paar miljoen jaar (tussen 8 en 6 mjg), waaronder een heel ander bekken. Met een nauwer geboortekanaal! Dus onvolgroeidere, afhankelijkere baby’s! Langer van moederlijke zorg afhankelijk dan chimpansee-baby’s. Met als gevolg een langere jeugd- en leerperiode, een grotere onderlinge (sociale) afhankelijkheid en samenwerking binnen de groep en … het verschijnen van de oma (kennen mensapen niet).
[82] nou ja, uitroeien … het waren voedselconcurrenten en bovendien zijn apen voor apen het lekkerst, voor mensen trouwens ook. De erectusmensen waren veel groter, en beter bewapend. Misschien zijn de australopithecinen verdrongen door de groeiende erectuspopulaties, naar steeds voedsel-armere en geïsoleerde gebieden, en zodoende gewoon uitgestorven. Maar als je ‘t mij vraagt … gewoon opgevreten, en onlangs stuitte ik, in Boyd&Silk p.429, op een bewijs! In de Swartkransgrot (Transvaal) zijn in lagen met ercetuscontext (erectusfossielen en – werktuigen) geroosterde botten gevonden van hun prooidieren, waaronder van AP.boisei! (dat was een gorilla-achtige plantenetende AP)
[83] ik schrijf de fascinatie door de hersengrootte bij onze paleontologen vooral toe aan het feit dat die schedel-inhouden zo prachtig in cc’s te meten vallen. Taalonderzoeker Steven Pinker merkt hierbij snedig op dat dit eenzelfde soort reactie is als van de dronkelap die z’n sleutel verloren heeft en deze bij de lantarenpaal gaat zoeken: daar valt immers licht! En hij zegt ook nog: “Selectie op uitsluitend hersengrootte zou zeker punthoofden hebben opgeleverd, vanwege de vlottere bevallingen.”
[84] ik schrijf dat telkens vetgedrukt, omdat ik het gaan beheersen van het vuur zo betekenisvol vind terwijl er door de echte geleerden weinig of geen acht op wordt geslagen; de meesten houden vast aan een heel recente datum van het gaan gebruiken ervan, omdat tekenen van een vroeg gebruik pas kort geleden zijn gevonden
[85] de Britse neuroloog John Huglins Jackson (1835-1911), de ‘vader van de Britse neurologie’, bewonderd door Freud
[86] chimpansees zijn er beter in dan bavianen, bijvoorbeeld
[87] je ziet het in de dierentuinen veel: opgesloten dieren die urenlang heen en weer lopen langs de tralies; ‘ijsberen’; de olifant die urenlang op dezelfde plek staand ritmisch kop en slurf heen en weer zwaait, daarbij telkens de voorpoten kruisend
[88] ik vermoed dat die eerste vuurgebruikende VOAP-vrouwen het vuur nog als een levend wezen zagen dat je moest ‘voeden’ om het in leven te houden en dat doodging als je dat niet langer deed, of door een stortbui; ze hebben er tegen gebaard en het beweend als een dierbare overledene, fantaseer er maar op los. Maar in het droge seizoen hadden ze zo weer een nieuw vuur om te koesteren.
[89] twee jaar geleden nam ik met kameraad Ruud deel aan de Neanderthal Convention in Tongeren. Na afloop waren er een paar bezoeken aan naburige opgravingssites, met bussen. In Veldwezelt werden we gewezen op twee lagen waarin de restanten van een NT-kamp waren aangetroffen (vuurplaatsen, stenen werktuigen en prooidierbotten, o.a.); de diepste laag dateerde uit de warme Eemien-tijd (130.000 jg) en de bovenste was van 40.000 jg. Dus Ruud (en niet ik) stelde de voor de hand liggende vraag: is er verschil in werktuigtechniek te zien na die bijna 100.000 jaar! Geen enkel verschil! was het antwoord
[90] Klukhuhn vergelijkt dit gevoel met jet jezelf opbellen: doe je het met je huistelefoon dan krijg je een in-gesprek-toon en doe je het vanuit de telefooncel dan neemt er niemand op (Klukhuhn had toen nog geen mobieltje!)
[91] Fouts vertelt het schrijnende verhaal van de vrolijke Ally, de favoriete vriend van Washoe. Puur omdat de behavioristische psycholoog William Lemmon officieel zijn eigenaar was werd Ally uit de ‘familie Washoe’ weggehaald en verkocht aan een aidsonderzoekslaboratorium, waar hij zijn verdere dagen in eenzame opsluiting in een nauwe kooi moest slijten. Na twee jaar bezocht Fouts, in gezelschap van Jane Goodall, de gevangene. Deze herkende hem onmiddellijk en ontwaakte uit zijn lethargie. Maar na een half uur gebaren uitwisselen moest Fouts weer weg. Ally heeft er nog drie jaar geleefd alvorens vroegtijdig te overlijden.
[92] titel van een van mijn teksten; variant van het door Morris aangereikte thema de naakte aap, overgenomen door M.Corballis The lobsided ape. Oxford Univ.Press 1991 (erg goed boek) en Jean Aitchison De sprekende aap. Spectrum 1997 (minder).
[93] het beste referaat over hem wat ik gelezen heb, is van Ciano Aydin (Aramees van geboorte) en Pieter Lemmens en het heet: “Nietzsche’s en Heideggers offensief tegen het humanisme”. Beide filosofen zijn medewerker aan de Universiteit Nijmegen.
[94] je ziet de fenomenologen al in hun schulp kruipen voor deze strenge portrettekenaar!
[95] ‘eer’ is een denkbeeld uit de machistische stammenwereld; de moslimcultuur hangt daar nog zwaar in; de westerse cultuur is al voor een groot deel bevrijd van de stam-mentaliteit; omdat niemand het voor ’t kiezen heeft gehad in welke cultuur hij geboren is, is stam-mentaliteit dus niemand kwalijk te nemen; maar lastig is het wel; alleen het ook in die wereld dóórbreken van de vrije markt en de democratie kan hen er van bevrijden
[96] Niet dat ze macht over de mannen hadden. Natuurlijk niet: een man is 15 % sterker dan een vrouw (puur als gevolg van de taakverdeling) en heeft altijd over de wapens beschikt. Maar ueberhaupt hebben de mensen nooit macht uitgeoefend over elkaar, zelfs niet over hun kinderen. In 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, hebben onze voorouders geleefd als Verzamelaars/Jagers (VJ’s), en in al die lange-lange VJ-tijd die onze menselijke natuur bepaalt – maar daarover gaat mijn tekst “De menselijke natuur”—waren onze voorouders gezond en gelukkig en hadden volledig respect voor elkaar, voor hun kinderen, voor de dieren en de hele natuur. We verlangen er nog steeds ten diepste naar terug, naar dat ‘verloren paradijs’.
[97] Daniel Dennett Consciousness Explained (Back Bay Books 1992), vertaald als Het bewustzijn verklaard
[98] De nieuwe groep bleef contact houden met de stamgroep, ze bleven van elkaar afhankelijk vanwege huwelijkspartners, grondstoffenruil, gezamenlijke jachten, feesten en stamrituelen. De verspreiding ging met een ‘snelheid’ van 16 km per jaar.
[99] dichters zijn ook scheppende kunstenaars, en zo voelen ze zich ook vaak. Willem Kloos dichtte: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten …”
[100] hebben we nog steeds een handje van, in de oorlog hadden we het over ‘de mof’ (de Duitsers); en ‘de Amerikaan’ denkt hier anders over dan ‘de Engelsman’
[101] de Grote Voorouder is onveranderlijk noch man noch vrouw, en dat klopt: het is een groep! Vaak is Hij/Zij half dier half mens
[102] de meeste aboriginals hebben hu n levensmoed verloren nu hun stamgebied, hun Verhaal, hun wereld door oppermachtige bezetters in beslag genomen is
[103] Van Dale: religie (van lat. relegere: weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen). Godsdienst en religie worden door gelovige schrijvers consequent door elkaar gehaald. Samuel IJsseling is de eerste die ik in Trouw het onderscheid wel zag maken (heb ik helaas niet uitgeknipt, zo belangwekkend was de rest nou ook weer niet, en nu regent het dus ik loop nou niet naar de schuur, je kunt me wat!)
[104] hebben we nu nog steeds een handje van! “Moet je die ondeugende grijns zien!” jubelen de moeders zogenaamd afkeurend over hun jongetjes. Doen ze nooit bij hun meisjes. En “‘t Is toch zo’n kleine boef!” roemt papa goedkeurend.
[105] hier stond eerst ‘patriarchaat’, maar ik vind dat woord iets eerbiedwaardigs hebben, terwijl de onderdrukking van vrouwen door de mannen niets eerbiedwaardigs heeft; dus gewoon: machisme
[106] waarom? omdat zich dan die merkwaardige Grote Sprong Voorwaarts in steentechniek, jachtbewapening (speerwerper, pijl en boog), sieraden en grottenschilderingen begint af te tekenen, die door mij als een afscheid van het vrouwelijke cyclische denken en de overgang op het mannelijke lineaire vooruitgangsdenken wordt geïnterpreteerd
[107] Richard Wrangham and Dale Peterson Demonic Males. London 1996
[108] Matt Ridley, The Origins of Virtue (Oxford, 1996). Vert. De oorsprong van de moraal. Contact 1997
[109] Mohammed was voor zijn tijd van een ‘revolutionaire’ vrouwvriendelijkheid, en in de laatste toespraak die hij, kort voor zijn overlijden hield, drukte hij de mannen op het hart om aardig te zijn voor hun vrouwen. En “Het paradijs ligt onder de voeten van uw moeder.”
[110] vert. Onze Soort. De Kern, Baarn 1990
[111] vandaar dat ik in mijn schets Een nieuw Groot Verhaal (70 pag.) er voor pleit om aan dit IDEE een serieuze discussie te wijden

LITERATUURLIJST

Ik heb veel teksten en bij ettelijke ervan figureert deze ‘uniforme’ en telkens aangevulde literatuurlijst. Hij is bij geen enkele tekst adequaat in de zin van: enkel de auteurs weergevend die in de tekst worden aangehaald. Hij dient meer als algemene weerspiegeling van mijn geestelijke bagage. Heel onwetenschappelijk. Mijn teksten zijn evenmin wetenschappelijk. Mijn hele project: het nieuwe Grote Verhaal, is geen wetenschappelijk project maar meer een sociaal-religieus project. Maar de er bij gebruikte informatie is dat wel, en er wordt ook uit geen enkele andere bron dat uit die der wetenschappen geput.
De namen van de auteurs die het meest bepalend voor mijn theorievorming zijn, geef ik vet weer. Het zijn er ruim twintig, tot nu toe. Mijn top-vijf uit het hoofd? Frans de Waal, Roger Fouts, Ad Borsboom, John Gowlett en Hugh Brody.
Wat hier niet bij kan staan maar wat een even belangrijke bron is, is wat ik allemaal download van het internet. Dat gaat grotendeels over archeologie. Ik bind de uitgeprinte teksten in, op een handige manier die ik van plan ben op mijn website weer te geven (de foto’s liggen er al lang voor klaar maar het is veel werk en de teksten zelf zijn al zo’n klus).  De boeken tellen meest 150 – 200 A4’s. De boeken worden van een harde kaft voorzien, genummerd, krijgen elk een titel, ook op de rug. En paginanummering. Omdat de inhoud een willekeurig samenraapsel is van dl’s, worden de titels ervan op de voorzijde geschreven, hetgeen het terugvinden makkelijk maakt. Ik ben nu bezig met dl 359, hetgeen neerkomt op ruim 4 meter dl’s. Dat wordt helaas alleen maar meer en ik ben kleinbehuisd.
Even belangrijk zijn de knipsels uit de vier kranten die ik bijhoud: Trouw, De Volkskrant, NRC en De Gelderlander. De knipsels zitten (de kolommen losgeknipt, tot één strook gelijmd, opgemeten en gedeeld door (meestal) 5, ingeplakt in plakboeken, gemaakt van tabloidformaat spul wat in de brievenbus van een portrettekenaar belandt en toch niet gelezen wordt. Elk plakboek telt ruim 200 pagina’s. Elk plakboek is genummerd en gepagineerd (nu is pb 39 onderhanden), zodat elk knipsel terug te vinden is via ettelijke kaartsystemen, op onderwerp.
Dan hebben we nog de weekbladen en periodieken Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, Filosofie Magazine, National Geographic Magazine, De Vrijdenker, Kunst & Cultuur, en zo nog een en ander. Wordt allemaal uitgespeld.
Houdt je wel van de straat, zo’n project.

Abu Zaid, Nasr H. – Mijn leven met de islam (Haarlem, 2002)
Adovado J.M., Olga Soffer & Jake Page – The invisible sex (NY 2007)
Aitchisson, Jean – De sprekende aap (Spectrum, 1997)
Angier, Nathalie – De Vrouw. De waarheid over het vrouwelijke lichaam. (Amst. 1999)
Armstrong, Karen – Een geschiedenis van God (Baarn, 1993)
Armstrong, Stokoe & Wilcox – Gesture and the nature of language (Cambr. 1997)
Azawa, Takeru e.a. – Neandertals and Modern Humans in West Asia (New York, 1998)
Beck, Ulrich – De wereld als risicomaatschappij (De Balie, 1997)
Besten, G.J. den – Mens en Medemens (Gron. 1995)
Beus, Jos de – Economische gelijkheid & het goede leven (Contact, 1993)
Blokland, Hans – Publiek gezocht (Boom, 1997)
Borsboom, Ad – De clan van de Wilde Honing (Becht, 1997)
Boyd & Silk – How Humans Evolved (New York/London, 2000)
Brown, Donald E. – Human Universals (McGraw-Hill Inc., 1991)
Bruemmer, Fred – Leven met de Inuit (Atrium, 1993)
Burling, Robbins – The Talking Ape (Oxford Univ. Press, 2005)
Buskes, Chris – Evolutionair denken (Amsterdam, 2006)
Byrne, Richard – The Thinking Ape (Oxford UP 1995)
Calvin, William – De rivier die tegen de berg op stroomt (Amst. 1994)
– De opkomst van het intellect (Amst. 1994)
– De speurtocht naar intelligentie (Contact, 1996)
Cambridge Encyclopedia of Human Evolution (CUP 1992)
Cavalli-Sforza, L. en F. – Wie zijn wij? (Amst. 1994)
Chagnon, Nap. – Yanomamö, The fierce people (New York, 1983)
Chaisson, Eric – Cosmic Evolution: The Rise and Complexity in Nature (HUP 2001)
Claessen, e.a. – Inleiding tot de culturele antropologie (Den Bosch, 1989)
Clarke, Robert – Naissance de l’Homme E. du Seuil, 2001)
Collins, Desmond – The Human Revolution (Oxford, 1976)
Condé, Maryse – Ségou (Amst. 1993)
Corballis, Michael – The Lopsided Ape (New York, 1991)
Damasio, Antonio – De vergissing van Descartes (Werld. 1996)
– Ik voel dus ik ben (Wereldb. 1999)
Darwin, Charles – De autobiografie van (Uitg. Nieuwezijds, 2000)
– Over het ontstaan der soorten (vert. Uitg. Nieuwezijds, 2000)
Deacon, Terrence W. – The Symbolic Species (New York, 1998)
Debat over de moraal. Uitg. Trouw, 1996
Delfgaauw, Bernard – De Mens en zijn Rechten ( Kampen, 1993)
Dennett, Daniel C. – Het Bewustzijn Verklaard (Contact, 1993)
Diamond, Jared – The third chimpanzee (Harper P. 1993)
– Guns, Germs and Steel (New York, 1997)
– Why Is Sex Fun? (Science Masters, 1998)
Dobzhansky – De biologische en culturele evolutie van de mens (Aula, 1962)
Doeve, prof.dr J.W. – Het Palestijnse Jodendom Tussen 500 vóór en 70 na Chr. (Utrecht 1975)
Donald, Merlin – Origins of the Modern Mind (Harvard UP, 1991)
Donner, Florinda – Shabono (Baarn, 1982)
Draulans, Dirk – De mens van morgen (Atlas, 1998)
Droste, Flip G. ( red.) – Het neefje van de aap (Leuven, 2003)
Dunbar, Robin – Grooming, Gossip and the Evolution of Language (London, 1996)
Dijksterhuis, Ap – Het slimme onderbewuste (Amst. 2007)
Ehrenberg, Margaret – Women in Prehistory (London, 1995)
Ellwood, Wayne – De feiten over globalisering (Novib, Lemniscaat, 2003)
Evolutie van de Mens. 21 auteurs onder red. Natuur&Techn. ( Maastr./Brussel, 1981)
Fasani, Leone – Archeologia (Helmond, 1981)
Finkelstein, I. en Silberman, N.A. – David and Solomon (FreePress 2006)
Fouts, Roger – Next of Kin (Living Planet Press, 1997)
Freke, Timothy & Gandy, Peter – The Jesus Mysteries (NY, 1999)
French, Marilyn – Een vrouwelijke geschiedenis van de wereld (Amst. 1996)
Galdikas, Biruté – De spiegel van het paradijs (Atlas, 1997)
Gellner, Ernest – Rede en Cultuur (Wereldb. 1995)
Giel, R. – De Vreemdeling. Relaas van een arts ver van huis (Utrecht, 1999)
Gilmore, David – De man als mythe (Yale Univ. 1990, Amst. ’93)
Gimbutas, Marija – The Language of the Goddess (London, 1998)
Glasenapp, Helmuth von – Die nichtchristichen Religionen (Fischer B., 1957)
Good, Kenneth – Into the heart (New York, 1991)
Goodwin, Jan – De tol van de eer (Bruna, 2002)
Goudsblom, J. – Vuur en beschaving (Amst. 1992)
– Het regime van de tijd (Amst. 1997)
– Mappae Mundi (met B. de Vries e.a.), (AUP 2002)
Gould, S.J. e.a. – Verslag van het Leven (Schuyt, 1993)
– The Panda’s Thumb (New York, 1980)
Greenspan, Stanley I. – De ontwikkeling van intelligentie (Contact, 1998)
Grind, Wim van de – Natuurlijke intelligentie ((Amst. 1997)
Harris, Marvin – Culture, People, Nature (New York, 1988)
– Our Kind (vert. Onze Soort, De Kern, 1989)
Hemleben, Johannes – Darwin (RoRoRo, 1968)
Hoogerwerf, A. – Elites in de Democratie (Tjeenk W., 1997)
Hooff, Jan van – Aspecten van het sociale gedrag etc. (Rott. 1971)
Hove, Chenjerai e.a. – Hoeders van de Aarde (Schuyt&Co, 1997)
Hulspas, Marcel – En de zee spleet in tweeën (Fontaine Uitg. 2006)
Jackendoff, Ray – Taal en de menselijke natuur (vert. Spectrum, 1996)
Jones, Martin – Feast. Why Humans Share Food (Oxford UP, 2007)
Julien, Paul – Kampvuren langs de evenaar (1951)
Kerkhof, Bas van – Een hekel aan geraniums (Afasie Vereniging Ned., 2003)
King, Barbara – De Spirituele Aap (Ten Have, 2007)
Klinkenberg, Gerard van – De mens als natuurverschijnsel (De Beuk, 1997)
Klukhuhn, André – Sterf oude wereld (Amst. 1995)
– De geschiedenis van het denken (Amst. 2003)
Koenis, Sjaak – Het verlangen naar gemeenschap (Amst. 1997)
Kramer, Samuel Noah – Mesopotamien. Frühe Staaten an Euphrat uns Tigris (RoRoRo, 1971)
Kunneman, Harry – Van theemutscultuur naar walkman-ego (Boom, 1996)
Kurlansky, Mark – Zout. Een wereldgeschiedenis (Anthos, 2002)
Landes, Davis S. – Arm en Rijk (Het Spectrum, 1998)
Landmann, M. – Filosofische Antropologie ((Utrecht, 1971)
Lange, Frits de – Gevoel voor verhoudingen (Kampen, 1997)
Lanpo, Jia – Early Man in China (Foreign Lang.Press, Beijing, 1980)
Leakey, Richard E. – De Oorsprong van de Mens (Natuur&Techn. 1982)
Lemaire, Ton – De indiaan in ons bewustzijn (Ambo, 1986)
– Twijfel aan Europa (Baarn, 1990)
Lévi-Strauss, Claude – Het trieste der tropen (Editie SUN, 1985)
Lewin, Roger – The Origin of Modern Humans (New York, 1993)
Lewin, Roger & Foley, Robert A. – Principles of Human Evolution (Blackwell, 2004)
Lindijer, Koert – Een kraal in Nairobi (Amst. 1995)
Mayr, Ernst – Toward a new philosophy of biology (Harvard UP, 1988)
Meijer, Fik – Paulus’ zeereis naar Roma. Een reconstructie. Amst. 2000
Middel, Bert – Politiek handwerk (Amst. 2003)
Maybury-Lewis, David – Millennium (New York, 1992)
Miles, Jack – God. Een biografie (New York, 1996)
Miles, Rosalind – The Women’s History of the World (1989)
Mithen, Steven – The Prehistory of the Mind (London, 1996)
– After the Ice (Harvard UP, 2003)
Moerman, P. – Op het spoor van de Neanderthal-men (Baarn, 1977)
Monbiot, Geaorge – Niemandsland. Een speurtocht door Kenia en Tanzania (Atlas, 1994)
Morgan, Elaine – Sporen van de evolutie (Ambo, 1996)
– The Descent of the Child (Penguin Books, 1994)
Moussaieff Masson, Jeffrey & Susan McCarthy – Wanneer olifanten huilen (Amst. 1995)
Mulder, Eildert & Milo, Thomas – De omstreden bronnen van de islam (Zoetermeer 2009)
Oxford Linguistics – Language Origins. Perspectives on evolution. Ed. by Maggie
Tallerman. (Oxford Univ. Press, 2005)
Paling, Kees M. – Het Fin de siècle als Uitdaging (Ambo, 1996)
Peyrony, E. & L. Casalis – Notions de Préhistoire (Perigeux, 1975)
Pinker, Steven – Het Taalinstinct (Contact, 1994)
Roele, Marcel – De eeuwige lokroep (Contact, 1997)
Rudgley, Richard – Het Stenen Tijdperk (Baarn, 1999)
Rijk, L.M. de – Religie, Normen en Waarden. 2e dr. 2008 Bert Bakker
Sapolsky, Robert M. – Herinneringen van een mensaap (Contact, 2001)
Schilder, Marian & Max Lebouille(red.) – De evolutie de baas (AUP 1998)
Schilling, Govert – Tweeling Aarde (Wereldb. 1997)
– De jacht op superexplosies (Wereldb. 2000)
– De kosmos in een notendop (Amst. 2001)
– Wat was er voor de oerknal? Haarlem, 1995)
Schlegel, Stuart A. – Wijsheid uit het regenwoud (BZZTôH, 1999)
Schuster/Smits/Ullal – De Denkers van de jungle (Tandem Verlag GmbH, 2008)
Sierat, Joop – Rapádaba. Mensen aan de Wisselmeren van Irian Jaya (Bergen, 1999)
Slurink, Pouwel – Why some apes became humans (proefschr. 2003)
Spier, Fred – The Structure of Big History (Amst.Univ.Press 1996)
Stanford, Craig – Significant Others (New York, 2001)
Stanley, Steven S. – Children of the Ice Age (New York, 1996)
Stokkom, Bas van – Emotionele democratie (Amst. 1997)
Stone, Merlin – Eens was God als vrouw belichaamd (Servire, 1979)
Störig, H. – Geschiedenis van de filosofie 1 en 2. (Aula, 1959)
Swaan, Abram de – De mensenmaatschappij (Bakker, 1996)
Swierstra, Tsjalling – De sofocratische verleiding (Kampen, 1998)
Tas, Filip – Volken en Stammen (Amst.Boek, 1976)
Tattersall & Schwartz – Extinct Humans (new York, 2000)
Taylor, Charles – Wat betekent religie vandaag? (Klement, 2003)
Thomas, Herbert – Human Origin (1995)
– L’Homme avant l’Homme. Le scenario des origins (Galimard, 1994)
Tokarev, S.A. – Die Religion in der Geschichte der Völker (Köln, 1968)
Turnbull, Colin M. – The Forest People (NY, 1962)
Veer, Peter van der – Islam en het ‘beschaafde’ Westen (Amst. 1993)
Verhoeven, Paul – Jezus van Nazaret (Amst. 2008)
Verlinden, Peter – Hutu en Tutsi. Eeuwige strijd (Leuven, 1995)
Vroon, Piet – Intelligentie (Sesam, 1980)
– De Wolfsklem ( Ambo, 1992)
– De mens als metafoor (met Douwe Draaisma) (Baarn, 1985)
Waal, Frans de – Chimpansee Politiek ((Amst. 1982)
– Van nature goed (Contact, 1996)
– Bonobo (Kosmos, 1997
– De aap en de sushimeester (Contact, 2001)
Walter, Ulrich – Buitenaards leven. Zijn wij alleen in het heelal? (Natuur & Techn. 2002)
Watson, Peter – The modern mind (Harper/Collins, 2001)
Watson, Lyall – De Regenmaker (Karnak, 1982)
Westerman, Frank – De graanrepubliek (Atlas, 2001)
Wilson, Edward O. – On Human Nature (New York, 1978)
– The Biophilia Hypothesis (Island Press, 1993)
– Het Fundament. Over de eenheid van kennis en Cultuur (Contact, 1998)
Willoughby, Pamela R. – The evolution of Modern Humans in Africa (Altamira Press, 2007)
Wilson, Hilary – Het volk der farao’s (Bosch&Keunig, 1998)
Wrangham & Peterson – Demonic Males (London, 1997)

De Menselijke Natuur

MENS

– HET VERHAAL OVER HOE MENSEN MENSEN GEWORDEN ZIJN

– OVER DE MENSELIJKE NATUUR

– OVER GOD

– OVER ONS NIEUWE BASISVERHAAL

Ons voorgeslacht heeft twee miljoen jaar geleefd met een VJ-(Verzamelen/Jagen)economie. Hoewel de inbreng van de mannen (vlees) door iedereen zeer gewaardeerd werd, was een jacht lang niet altijd succesvol; intussen moest er weldoor iedereen gegeten worden.
Het verzamelen van plantaardig en klein-dierlijk voedsel, vrouwenwerk, bracht wel elke dag voldoende op.
Vandaar dat ik de voorouderlijke economie niet ‘jagen/verzamelen’ noem zoals doorgaans gebeurt, maar ‘verzamelen/jagen’, en deze foto van Aboriginalvrouwen (nog steeds VJ’s) gekozen heb als titelplaat: eigenlijk zijn we zo.

versie 6 okt.’09

door Frans Couwenbergh, humanosoof (www.humanosofie.nl)

lieve lezer(-es),

Een humanosoof is een humanist/filosoof die het menszijn beziet vanuit de ontstaans-geschiedenis van onze soort. Omdat noch het humanisme, noch de filosofie, een verhaal in de aanbieding heeft over hoe mensen van apen tot mensen geworden zijn, en een humanosoof dat wél heeft, noem ik mij humanosoof.
Nu moet ik bekennen dat ik de enige humanosoof ter wereld ben. Dan ben je wel makkelijk te vinden op het internet, het is ook wel een beetje zielig. Maar op een zwak pitje gloeit mijn hoop dat u, na kennisneming van wat ik u hier ga bieden, uzelf ook als humanosoof zult zien.
Een humanosoof beschouwt de menselijke natuur als gevormd in de menselijke prehistorie, in de VJ-fase (zie onder). In die lange-lange fase leefden onze voorouders in kleine, uiterst vreedzame groepjes met vrouwelijke dominantie. Van nature goed. Edele wilden.
In de AGR-fase (zie ook onder), en vooral in de historische tijden, is die natuur geweld aangedaan en gefrustreerd. Maar het verlangen naar het goede komt als een ondergeduwde kurk steeds weer bovendrijven waar het de kans krijgt.
Kennis van de menselijke prehistorie, dat is waar het in de humanosofie om draait. Daar komt vooral kennisname van wat de menswetenschappen aandragen aan te pas: kennis waarin filosofische opleidingen zwaar tekortschieten.
Zeker wat mijzelf betreft komt er ook eigen-wijsheid aan te pas: bij het opvullen van de ‘witte plekken’ die ons menselijke kaart nog vertoont.

Eigengereidheid ook wel, voornamelijk tot uiting komend in mijn afkortingen. Ik leg ze in de tekst telkens uit, maar ik presenteer hier alvast een naslaglijstje.
VJ’s : verzamelaars/jagers (het stadium van 2 mjg tot 10.000 jg)
AGR’s : boeren (het stadium van 10.000 jg tot nu)
jg : jaar geleden
mjg : miljoen jaar geleden
vC : vóór het begin van onze jaartelling
AD : ná het begin van onze jaartelling
paleo : wetenschapper inzake onze ontstaansgeschiedenis: archeoloog, paleoantropoloog, antropoloog, etholoog, taxonoom, geoloog, noem maar op
vobo’s : voorouder-bonobo’s (voorouder-hominiden, voorouder-australopitheken)
AP’s : (australopitheken)
HERG’s : H. ergaster-mensen
HE’s : H. erectus-mensen
HEID’s : H. heidelbergensis-mensen
NT’s : H. neandertalensis-mensen
MSA’s : Afrikaanse NT’s (Middle Stone Age-mensen)
AMM’s : Anatomisch Moderne Mensen (H. sapiens-mensen)
EWG : Enig Ware God
mbt, oa, jg, ea : (puntjes voegen toch niets toe aan de leesbaarheid? Vooruit dan, bij o.m. wel)

 

INLEIDING

waar is inzicht in de menselijke natuur voor nodig?

Iedere mens vraagt zich op verstilde momenten wel eens af: wie/wat ben ik? wat zijn mensen voor wezens? hoe zijn we zo geworden? waar moet het met ons naar toe? Grote vragen. Vooral bij jonge mensen, die nog op zoek zijn naar de invulling van hun identiteit. Bij mensen die vaste grond zoeken onder hun denkvoeten; die zich geworteld willen voelen in het bestaan. En wie wil dat niet? Het aantal themadagen (“De Dag van dit of dat”) overtreft al het aantal dagen dat een jaar telt. De behoefte om ergens bij te horen en om de eigen identiteit aan te scherpen lijkt steeds groter te worden. Ik wijt dat aan het ontbreken van een gedeeld basis-verhaal over hoe de mens is. Het aanleveren van dat verhaal, met het bijbehorende mensbeeld, was vanouds het alleenrecht van de kerken. Maar vanaf de zestigerjaren presenteerde de vrije markt-televisie in haar reclames en shows een heel wat aantrekkelijker mensbeeld ter identificatie: dat van de vrije, hedonistische, vrouw- en kindvriendelijke, atheïstische en apolitieke consument. En de kerken begonnen leeg te lopen.

De belangrijkste component van ieders ‘vaste grond’ is: weten hoe een mens van nature is, dus: weten hoe mensen tot mensen geworden zijn. Maar een nieuw basisverhaal had de vrije markt niet in de aanbieding: natuurlijk niet, het is niet een ‘iemand’, het is niet meer dan een economisch mechanisme, een situatie. We zullen het zelf moeten maken. Het mooie van de vrije markt is dat ze er alle gelegenheid toe schept én ook de middelen er toe creëert.

is er dan niet al een algemeen geaccepteerd verhaal over hoe mensen in elkaar zitten?

Niet echt. De gangbare antwoorden over de menselijke natuur waren heel lang afkomstig van de kerken, de godsdiensten. Hun teneerdrukkende en op geen enkele wetenschap steunende voorstelling van de mens is voor steeds minder mensen bevredigend voor hun levensgevoel. Maar – en dat zal u verbazen – ook de wetenschappelijke wereld heeft nog geen verhaal over de menselijke natuur in de aanbieding.

Het samenstellen hiervan zou de kerntaak van de filosofie dienen te zijn. Tenminste wanneer ik gelijk heb als ik stel dat de kerntaak van de filosofie is: het genereren van de antwoorden op de Grote Vragen van de mensen. 
Eeuwenlang was dat een moeilijke taak voor de filosofen. Niet alleen omdat ze nog niet konden putten uit wetenschappelijke bronnen, maar ook omdat het best gevaarlijk was: in een klassenmaatschappij druisen de antwoorden al gauw in tegen de heersende godsdienstige leer en tegen de belangen van de elites. Aan deze onvrijheid vooral wijt ik het dat de filosofie zich eeuwenlang in maatschappelijk weinig relevante problemen heeft verdiept.
Toen sinds de zestiger jaren het dóórbreken van de vrije markt-economie de Westerse mens bevrijdde uit de kluisters van het kerkelijke denken en de bronnen der menswetenschappen volop begonnen te spuien, doolde de filosofiebeoefening helaas juist in de woestijn van het postmodernisme. De postmoderne opvatting is dat ieder mens als een ‘onbeschreven blad’ ter wereld komt en dat zijn gedrag geheel bepaald wordt door zijn omgeving (cultureel relativisme). Pas sinds enkele decennia is er kritiek gekomen op dit eenzijdige standpunt door met name sociobiologen, die betogen dat ieder mens wel degelijk ook door aangeboren impulsen wordt beïnvloed (het nurture-nature-debat).

Tot nu toe heeft dit echter nog geen nieuw verhaal over de menselijke natuur opgeleverd. De meest filosofen blijven voor de onderbouwing van hun betogen inzake de menselijke natuur nog bij voorkeur teruggrijpen op de opvattingen van vroegere filosofen als Plato of Hobbes. Deze oude filosofen hadden geen menswetenschappen tot hun beschikking en stoelden hun opvattingen over de mens op wat ze om zich heen zagen. Wat ze zagen was vooral oorlogen, onrecht en slavernij. Dus hun opvattingen over de mens waren pessimistisch.

ja maar, al die boeken over het ontstaan der mensheid, die leveren toch een wetenschappelijk onderbouwd verhaal over de menselijke natuur ?

Nee dus. Hoe waardevol de onderzoeken van de paleo’s[1] en de zich op hun werk baserende wetenschapsschrijvers voor het verhaal van de mensheid ook zijn, ze zijn wetenschappers en geven alleen de vondsten weer. Ze gaan niet dieper in op het gedrag dat achter het ontwikkelen van nieuwe stenen werktuigen of het gaan gebruiken van het vuur zit. Ze houden zich uitsluitend bezig met het constateren: dan en dan ‘verschijnen’ de stenen werktuigen, en dan ‘verschijnt’ de Homo erectus, enzovoort. Maar hoe komt die voormalige mensaap er toe om die werktuigen te gaan maken, en waarom hij en de andere mensapen niet? Als antwoord op uw vraag hoe onze vroegste voorouders van mensapen tot mensen geworden zijn laten ze u alleen een reeks fossiele schedels, botten en tanden zien. De paleo’s houden zich bij hun beperkte vakgebied, het filosoferen over wat er in die schedels moet zijn omgegaan laten ze over aan filosofen. Maar die hebben geen paleontologie in hun pakket.

maar dat is toch pure speculatie: gaan invullen wat er in die schedels omging?

We kunnen een boel afleiden aan onze gedragingen vandaag: mensen zijn wandelende archieven. Vooral baby’s en hun moeders. Maar ook typisch mannengedrag of vrouwengedrag, bepaalde neigingen en reacties, alleen verklaarbaar uit ons prehistorische verleden. Een tweede bron zijn de allerprimitiefste volkjes en voor zover ze uitgestorven zijn: wat er nog van door antropologen opgetekend is. De derde bron zijn onze naaste verwanten in het dierenrijk: de bonobo’s en de chimpansees.

Filosofen horen trouwens geen paleontologie in hun pakket te hebben: ze moeten grasduinen in álle relevante wetenschapsgebieden, zonder zich in één ervan te verdiepen. Zodra een filosoof van dat grasduinen haar/zijn hoofdbezigheid maakt, en dat ook nog doet om het hedendaagse westerse alternatief te construeren voor het achterlijke Adam-en-Evaverhaal dat nog steeds geldt zolang dat alternatief er niet is, is zhij een humanosoof.

De weinige ‘witte plekken’ in het plaatje vul je inderdaad speculerend op; met speculeren is niets mis zolang je maar geen enkel vaststaand feit over het hoofd ziet, je speculatieve invulling consistent is met wat vaststaat en deze open blijft staan voor kritiek en bijstelling.

heeft onze samenleving wel behoefte aan een algemeen geaccepteerd verhaal over hoe mensen in elkaar zitten?

Zoals ik eerder zei heeft ieder mens voor de vormgeving van zijn identiteit en levensperspectief behoefte aan inzicht in hoe mensen van nature zijn. Daarnaast heeft ook een samenleving behoefte aan een gedeeld basisverhaal dat doel en perspectief van het samenleven schetst en dat het samenleven zin geeft. Het ontbreken van een basisverhaal als richtsnoer voor ons handelen geeft de mensen de indruk dat ze niets met elkaar te maken hebben en werkt zelfzuchtig nastreven van eigen doelen in de hand. Het laat overheden zonder grondslag van hun legitimatie. Het biedt de opgroeiende mens geen houvast bij het samenstellen van zijn identiteit, geen grond onder zijn denkvoeten.

Het oude mensbeeld van de kerken spreekt de Westerse mensen, levend in een vrije markt-economie, niet meer aan. De vrije markt- economie globaliseert langzaam maar zeker en zal als we tijd van leven hebben ook elders de mensen vervreemden van hun oude religieuze of politieke basisverhaal. Ze zal ook daar de behoefte aan een nieuw en meer universeel mensbeeld en ontstaansverhaal scheppen. Dat het samenstellen van een nieuw en wetenschappelijk verantwoord basisverhaal typisch filosofenwerk is, blijkt wel uit de onbevredigende pogingen die door wetenschapsschrijvers (die houden zich strikt aan wat de onderzoekers te melden hebben en maken dat bevattelijk voor het publiek) in deze ondernomen worden. Ik noem wat recente: Boyd&Silk How humans evolved (2000), Lewin&Foley Principles of Human Evolution (2004), Carl Zimmer Waar komen wij vandaan? (2005), Thames&Hudson The human past (2005). In geen ervan vindt u een verhaal over hoe onze vroegste voorouders talige wezens werden en hoe hen dat zo anders heeft doen worden dan alle overige diersoorten; hoe dat hen er toe gebracht heeft om het vuur te gaan gebruiken. Alleen Boyd&Silk besteden enige aandacht aan het vuurgebruik, de overigen hébben het er niet eens over!

Dat het niet zo moeilijk is om een goed verhaal over de menselijke natuur te berde te brengen, hoop ik in Deel I te laten zien. In DEEL II gaat het over het heersende Godsgeloof. In Deel III presenteer ik een handzaam scenario om een nieuw, namelijk op de wetenschappen gebaseerd en universeel-menselijk, basisverhaal aan te bieden als alternatief voor het achterlijke en vrouwvijandige maar nog steeds niet uitgedaagde Adam-en-Eva-basisverhaal.

 

DEEL I

HOE MENSEN VAN APEN TOT MENSEN GEWORDEN ZIJN
eerst een omschrijving van ‘de menselijke natuur’

Wanneer we spreken over ‘de natuur’ van een schepsel dan hebben we het over de aandriften van het gedrag ervan, de aangeboren neigingen. Die kunnen uiterst primitief zijn (bij bacteriën), sociaal (bij groepsdieren) of supersociaal (bij mensen).

Alle aandriften bij alle soorten komen voort uit hun specifieke aanpassingen aan de verschillende biotopen en niches[2] . Wij, mensen, zijn gewend morele maatstaven aan te leggen bij gedragingen en deze in te delen onder ‘goed’ of ‘slecht’ of ‘indifferent’. Maar de natuur kent geen moraal, de verschillende aanpassingen zijn zo geëvolueerd omdat ze ‘werken’.

Zo gezien kunnen we gedrag ‘goed’ noemen als het bevorderlijk is voor de overleving van de soort. Het supersociale gedrag dat mensen aan de dag kunnen leggen, is in naturalistisch opzicht ‘goed’ te noemen omdat het in onze soort geëvolueerd als het best ‘werkende’ voor de overleving van onze soort.

In de oude filosofie zag men, te beginnen met Aristoteles’ Scala Naturae en later met Descartes, Spinoza en Leibniz, de orde in de dierenwereld als een opklimmende ontwikkeling met de mens bovenaan de trap. Daar namen de anti-hiërarchische postmoderne filosofen afstand van en daar is in naturalistisch opzicht (dus van het geheel der natuur uit gezien) veel voor te zeggen. Het is immers nog maar de vraag of we het op de lange termijn gaan redden, als soort.

De ‘trapbestijging’ is, sprekend over de menselijke natuur, alleen in zoverre een kloppende metafoor als we het zien als overeenkomend met de algehele trend in de evolutie van het leven: van het simpele naar het steeds complexere. Én wanneer we voor ogen houden dat onze supersociale soort zowel het primitieve als het sociale in zijn bagage meetorst naar de bovenste tree.
We dragen eigenschappen in ons mee
1. als vorm van leven,
2. als groepsdier, en
3. als mens.
Ze spelen alle drie in ieder mens in individuele nuancering hun rol.

Laten we die eigenschappen een voor een bezien.
De eerste vorm is het egoïstische in je. De eigenschap van het primitieve leven, zoals dat van het allerprimitiefste dierlijke leven: bacteriën, schimmels en zo. Het zelfzuchtige zit in de genen van elk organisme gebakken: het zoveel mogelijk energie te onttrekken aan de omgeving om zich in stand te houden en zich voort te planten, in concurrentie met andere levensvormen die uit dezelfde bron putten, inclusief die van de eigen soort.

Het ‘zelfzuchtige’ gen van een bacterie zit voor een verrassend groot deel ook nog in óns genoom ingebakken. Maar dat ‘zelfzuchtig’ te noemen is wel goed voor de verkoop van Dawkins[3] boek maar moraal hoort bij mensen, niet bij bacteriën. Wanneer de primitieve bacteriën zich toen altruïstisch gedragen zouden hebben, waren we nog steeds bacteriën.

Onze bacteriële oorsprongsvorm heeft ons met een diepgeworteld, het vege lijf reddend, blindelings reageren behept; het maakt zich van ons meester in (al dan niet vermeende) panieksituaties. Dat is onze ikke-ikke-natuur. Werkt bij kinderachtigen (‘kort lontje!) actiever dan bij mensen die over zichzelf hebben leren nadenken (zelfreflectie). Want bij leven hoort ook agressie. Althans bij levensvormen die al over zintuigen en hersenen, hoe primitief ook, beschikken. Het is een adaptatie (aanpassing), via natuurlijke selectie ontstaan. Levensvormen die zich in de concurrentie strijd teweer konden stellen, hadden voordeel.   

Het tweede facet van de menselijke natuur is onze groepsdier-natuur. Groepsdieren zijn organismen die in het onttrekken van zoveel mogelijk energie aan de omgeving (ten behoeve van de eigen instandhouding en voortplanting) beter slagen als lid van een groep, van een collectief dus, dan wanneer ze dat in hun eentje zouden moeten doen. Dat betekent dat het individu alle belang heeft bij het zo krachtig mogelijk zijn van de groep (het collectief) waar het deel van uitmaakt, in concurrentie met andere groepen die van dezelfde energiebron leven. Hetgeen voor het individu inhoudt dat het zijn eigenbelang min of meer ondergeschikt moet maken aan het groepsbelang.
Dat ‘meer telt vooral wanneer de eigen groep (collectief) op leven en dood moet concurreren met een andere groep. Vooral dan (want zonder oorlogsdreiging kan ieder makkelijker zijn eigen naad naaien) moet het individu aan eigenbelang ‘inleveren’ ten behoeve van het zo sterk mogelijk zijn van het collectief.

Twee zielen strijden in de borst van het groepsdier: eigenbelang contra groepsbelang. Deze tegenstrijdige gevoelens kanaliseert het groepsdier met cultuur, met ‘normen en waarden’. Het zijn de chimpansees die, levend in permanente oorlogsdreiging, de sprekendste voorbeelden hiervan leveren.[4] Wij kennen dit als de strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, als sociaal contra aso. Het monotheïsme symboliseert dit gevoel als God contra duivel.

Nu het derde facet. Als groepsdier erfden wij naast de ikke-ikke-natuur (1) de sociale natuur (2). Maar we hebben er een derde laag bovenop gebouwd! Wij zijn zulke aparte groepsdieren geworden doordat onze mensapelijke vroegste voorouders hun regenwoud kwijtraakten en moesten zien te overleven in een open savanne-omgeving waar ze eigenlijk niet op gebouwd waren. Dat gaan we dadelijk zien. Omdat de verandering zich heel geleidelijk en dus ongemerkt voltrok, hebben ze zich er even ongemerkt aan aangepast.
Het zijn die gedwongen aanpassingen geweest die onze vroegste voorouders (en dus ook ons, als soort) zulke aparte dieren hebben laten worden. De hachelijke soortvreemde omgeving dwong hen tot het opereren in hechte groepen. De leefgroepen met de grootste onderlinge harmonie deden het beter dan de groepen met onderlinge hommeles, en zo selecteerde het hypersociale zich uit. Gedrag dat wij ‘goed’ noemen, en ‘aardig’.

In dat laatste woord zit ‘aard’: natuur; dus in ons spraakgebruik zijn wij al ‘van nature goed’. Wij zijn zoals onze verre voorouders twee miljoen jaar lang geweest zijn: edele wilden. Dat dit aan onze filosofen moeilijk te ‘verkopen’ is, en aan u, lezer(-es), al evenzeer, komt doordat de mensheid de laatste vijfduizend jaar in klassenmaatschappijen is komen te leven, met oorlogen, slavernij en godsdiensten. Vijfduizend jaar onrecht heeft onze ‘goede’ natuur wel behoorlijk gefrustreerd. Maar het is een veel te korte tijd om ons overgeërfde ‘goed’-zijn te veranderen. Wij blijven nog steeds verlangen naar ‘het goede’.

en nu dan ons verhaal

Tien miljoen jaar geleden (mjg) was er nog geen mensachtige te bekennen. Er waren wel mensapen, de voorouders van de hominiden (mensachtigen). Mensapen zijn regenwouddieren. Regenwouden bevinden zich waar het heet en nat is op de aardbol. Dat is in een gordel rond de evenaar.

Gedurende het Mioceen (22-5 mjg) was het klimaat veel warmer dan nu, en reikte de regenwoudgordel wat het noordelijke halfrond betreft tot aan de 47ste breedtegraad. De mensapensoorten waren toen talrijker dan die der gewone apen.

Maar vanaf toen werd het klimaat koeler en droger, en de regenwoudgordel begon zich terug te trekken richting evenaar. Acht mjg was het regenwoud waar ónze vooroudermensapen leefden, aan de beurt om te gaan verdwijnen.

Waar leefden die? Te oordelen naar waar hun oudste fossielen en stenen werktuigen gevonden worden: waar nu Ethiopië/Eritrea ligt (op de afbeelding: de plek Hadar). Het gebied wordt ook wel de ‘hoorn’ van Afrika genoemd: het is die úitstekende punt van Noord-Oost-Afrika. Het wordt van de rest van het continent gescheiden door de Rift-vallei, en de bergrug zal voor extra droogte hebben gezorgd. Vandaag is het allemaal woestijn.

Wat komt er dan voor regenwoud in de plaats? Savanne. Dat is een afwisselende biotoop. Gewone bossen, langs wateroevers. Stukken met ondoordringbaar struikgewas. En vooral open graslanden, waar grote kuddes gnoes, zebra’s, antilopen en andere graseters grazen.

Het proces voltrok zich onmerkbaar geleidelijk: tussen 8 en 6 mjg. Zoveel tijd hebben onze voorouder-mensapen gehad om tot hominiden (op twee benen lopende mensapen, oftewel aapmensen) te evolueren.

Mensapen trekken voor hun eten rond in een uitgestrekt territorium dat ze op hun duimpje kennen. Ze weten welke vruchtbomen rijp zijn wanneer ze de woudreus waar ze de dag in hebben doorgebracht, leeggegeten hebben. Ze klimmen omlaag en gaan over de bodem naar de volgende plek. Hun sociale leven, van elkaar vlooien en onderlinge schermutselingen, speelt zich ook op de grond af. Alleen om te eten en om te slapen (tegen de avond vlecht ieder zijn slaapplatform van ineengestrengelde takken) vertoeven ze in de hoge boomkruinen.

Het enige wat onze voorouders van de overgang zouden hebben kunnen merken was dat hun voedselroutes steeds meer en steeds grotere open plekken met gras gingen beslaan. En dat het areaal aan vruchtbomen achteruit ging, zowel qua aantallen als aan opbrengst.

Op die open plekken was zeker ook voedsel te vinden. Maar het was er gevaarlijk. Niet vanwege de graseters: daar liepen ze gewoon tussendoor. Maar vanwege de roofdieren die van die graseters leefden: grote katten (leeuwen, luipaarden, sabeltandtijgers) en hyena’s. In het Mioceen hadden de graseters zowel als hun predatoren ook nog veel grotere afmetingen dan vandaag.

Sabeltanders zijn gespecialiseerd in het overvallen van dikhuiden (olifant-achtigen, nijlpaarden, rhinocerossen). Ze besluipen zo’n voor andere katten onaantastbaar vleesfort, en spurten er dan ónderdoor, met hun sabeltanden de buik openrijtend (de afbeelding laat zien dat de sabeltanders hun muil bijzonder ver konden opensperren.) Om van een afstand toe te kijken hoe de reddeloze dikhuid de geest geeft. Dan kunnen ze aan de maaltijd, met hun jongen. Ze voeden zich alleen met de ingewanden: voor het spiervlees zijn hun sabels te kwetsbaar. De rest blijft over voor de aaseters. De gieren hebben de komende maaltijd het eerst in de gaten. Maar die moeten tot het laatst wachten. De leeuwen zijn eerst. Dan zijn de hyena’s aan de beurt. En dan mogen de gieren.

Vooral toen hun regenwoud steeds meer achteruit ging en de grasgebieden groter en groter werden, moesten de hominiden voor hun dagelijkse kost steeds langere tochten over die gevaarlijke open terreinen maken. In hun regenwouden hadden ze ook altijd wel roofdieren van het lijf moeten houden. Mensapen stellen zich teweer door met van alles te gooien: takken, kluiten, stenen, zelfs hun eigen stront. Maar op de open terreinen moest dat ‘professioneler’ worden aangepakt.

Wat boden de graslanden voor aanlokkelijke voedsel-alternatieven? Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. Maar ook vellen.

Van de slachtoffers van de grote katten lieten de aaseters weinig over. Alleen de vellen bleven liggen. De hominiden waren er tuk op. Vlees en vet zijn bij mensapen zeer in trek, maar zelf jagen was er voor de hominiden nog lang niet bij. Mensapen zijn sowieso niet op snelheid gebouwd, en op twee benen ging het alleen maar trager. Maar aan die op de open grasgebieden gevonden vellen zat voor handige pulkers die zelfs luizen uit elkaars pels kunnen vlooien, nog genoeg lekker weefsel en vet om dat met iets scherps (een schelp, een steenscherf) er van af te schrapen. En wanneer een vel helemaal leeg gesnoept was, hielden ze er een handige draagtas aan over! Met de vellen begon het stenen tijdperk, begon de weg naar ons menszijn.

Elke ochtend (het verhaal zit intussen rond 4 mjg) begon met een bezoek aan de wateroever, van rivier of meer waar hun bos aan grensde. Om te drinken, maar ook om zich te voorzien van stenen. Want die werken voor een ‘professionele’ verdediging het beste. Om die mee te dragen gebruikten ze vellen. Maar hoe draag je als mensaap een zware zak stenen mee? Met je handen natuurlijk. Veel van het gedrag van onze vroegste voorouders kunnen de paleo’s (zo noem ik alle wetenschappers van alle disciplines die voor ons verhaal van belang zijn) heel veel afleiden van wat hun veldonderzoeken aan de huidige mensapen opleveren. Chimpansees dragen zware dingen met hun handen en dan lopen ze onhandig op hun twee benen. Bonobo’s lopen makkelijker en vaker op twee benen dan chimps, zoals het bonobo-moedertje hierboven (in een dierentuin) laat zien. Een dikke miljoen jaar van geleidelijke aanpassing is tijd genoeg om onze mensaap-voorouders ook van de nodige lichamelijke vernieuwingen (langere benen, bilspieren, middenrif , klepjes in de aderen, etc.) te voorzien.

Ik had het over het door de sabeltanders geproduceerde aasvlees: de leeuwen het eerst aan tafel, dan de hyena’s en dan de gieren. Onze hominide voorouders sloten achteraan: voor de overgebleven vellen. Maar al gauw schoven ze met hun stenen bewapend plaats voor plaats naar voren om zich van steeds aantrekkelijker stukken van de dis te voorzien. Miljoenen jaren zijn ze wat hun vlees betreft vooral aaseters gebleven. Ook hun dierbare overledenen aten ze op en lieten die niet ten prooi aan hun gehate concurrenten, de hyena’s. Waarom dacht je dat wij hyena’s zulke afstotelijke beesten vinden? Objectief gezien zijn het prachtige dieren, hoor.

De chimpansees en de bonobo’s zijn onze naaste familieleden. Onze luizen en vlooien, heel gespecialiseerde parasieten, zijn uitwisselbaar. De moedermelk, heel speciaal van samenstelling, is uitwisselbaar. Ons DNA komt nagenoeg overeen en maakt ons nauwer verwant dan de Indiase olifant verwant is aan de Afrikaanse, of dan de hond verwant is aan de wolf.

links bonobo, rechts chimpansee

De bonobo’s, waar we qua gelaatstrekken meer op lijken dan op chimpansees, zijn daar een nevensoort van. Ze leven in gebied dat omsloten wordt door de Kongo, zodat er al heel lang geen uitwisseling is geweest (mensapen kunnen niet zwemmen). Het ligt pal op de evenaar: zelfs in de ijstijd-maxima is hun leefgebied vrijwel onaangetast gebleven. De meeste leefgebieden van de chimpansees daarentegen zijn gedurende de ijstijd-maxima (vanaf 2,5 mjg) ernstig ingekrompen, om gedurende de warme tussenperioden weer ten volle uit te breiden. En dat zo’n twintig keer op en neer. Met alle overlevingsgevechten tussen hun leefgroepen telkens van dien. Dat heeft de chimpansees tot grimmige vechtersbazen gemaakt. Bonobo’s zijn veel vredelievender, en voorkomen de meeste interne spanningen met seks. Ze hoeven hun leefgebied niet te delen met de veel sterkere gorilla’s, zoals de chimps. Al het eten is voor hen, en hun groepen zijn dan ook groter. De vrouwen delen bij hen de lakens uit.

Frans de Waal, een belangrijke paleo en bonobo-kenner, zegt dat onze gemeenschappelijke vooroudersoort het meest heeft geleken op de huidige bonobo’s: juist omdat hun leefgebied onveranderd gebleven is. Een soort verandert pas als de leefomgeving ervan verandert.

Het leefgebied van ónze voorouderbonobo’s veranderde totaal; daardoor werden ze hominiden. Het leefgebied van de voorouderbonobo’s van de chimps bleef regenwoud, maar raakte twintig keer in de moeilijkheden. Zodat de chimps ‘moeilijke bonobo’s’ werden.

Dus noem ik onze voorouder-hominidenónze vobo’s’. Mijn theorie geef ik weer in het schetsje hiernaast. Het wijkt af van hoe de paleo’s het schetsen, maar ik draag er argumenten bij aan.

Behalve de vobo’s zijn ook de gorilla-achtigen door het inkrimpen van de regenwoudgordel tot aanpassing aan de nieuwe biotoop gedwongen om hominiden te worden. Dat levert een boel hominiden-fossielen op. En nergens is de natuur zo vriendelijk om ze van een labeltje te voorzien. Hoe uit te maken tot welke soort een fossiel behoort?

Dat kan niet eens met zekerheid worden uitgemaakt wanneer een hominide fossiel wordt gevonden in een context met door voorouders gemaakte werktuigen. Want is het fossiel dan afkomstig van een maker ervan of van een prooi van de makers?

Hiernaast de afbeelding van de oudst gevonden messen en schrapers die met zekerheid aan onze voorouders moeten worden toegeschreven. Immers, geen enkele andere soort dan de onze heeft ooit dergelijke werktuigen vervaardigd en dan zeker niet met de vooropgezette bedoeling om er een mededier mee te slachten. Deze werktuigen zijn tot nu toe al op vijftien slachtplaatsen in de Kada Gona-regio van Ethiopië gevonden[5] en zijn gedateerd op 2,6 mjg. Ze lagen in grote aantallen tussen de botten van grote grazers als olifant en paard; op veel botten zijn snijsporen van de werktuigen te zien. Geen fossielen van de makers uiteraard: je gaat daar niet je medemensen slachten. Wanneer zich tussen die botten hominidenbotten zouden bevinden, zou dat alleen betekenen dat ook aapmensen als prooidieren zouden zijn gezien.

http://www.jogos-jornais-links.com/2009_06_01_archive.htmlKortom, we kunnen aan een hominidenfossiel niet zien of dat afkomstig is van een voorouder; zelfs van het beroemde ‘Lucy’ skelet (zie hiernaast) valt dit niet met zekerheid te zeggen, ook al vindt de vinder ervan, Donald Johanson, van wel (maar veel andere paleo’s van niet).

Waar we wel zeker van kunnen zijn is dat onze voorouders er vanaf het allereerste begin tussen gelopen moeten hebben: anders wáren we er eenvoudigweg niet. Ik noemde ze, zoals gezegd, ónze vobo’s.

Maar we zijn met die ‘professionele’ stenen werktuigen al ruim drie miljoen jaar verder dan 6 mjg toen onze vobo’s de werktuigen alleen nog gebruikten om vellen mee schoon te schrapen en om hun graafstokken mee aan te punten. Ruim drie miljoen jaar! Tijd genoeg om hun vaardigheid om met vellen om te gaan gestadig te laten groeien. Ze zochten al lang niet meer naar steenscherven maar maakten die zelf door keien kapot te smijten tegen een rots of te verbrijzelen met een zwaardere steen[6]. Tijd genoeg om tot een geheel nieuwe vorm van communicatie te komen die het tot nimmer in de natuur vertoond gedrag bracht. De werktuigen van Kada Gona, nogmaals: gedateerd op 2,6 mjg, werden vervaardigd om mee te slachten. Sileshi Semaw, de leider van het opgravingsteam, denkt dat de makers op het idee gekomen waren om met de scherpste steenscherven de taaie huid van een olifantenkadaver open te snijden. Omdat de scherven dan gauw bot worden (een olifantenvel is zo taai als een autoband!) kwamen de vobo’s er al snel toe om hun messen ter plekke te vervaardigen van meegebrachte geschikte keien en ze bij te werken als ze bot werden.

De andere aaseters (leeuwen, hyena’s, gieren) moesten geduld oefenen tot de huid van een gestorven dikhuid door de ontbindingsgassen vanzelf openbarstte. Onze vobo’s konden met hun ‘messen’ meteen aan de slag en zich meester maken van de beste stukken vlees. Hiermee hadden ze zich een unieke niche (voedselgelegenheid) geopend. Een welkome nieuwe niche, omdat er moeilijke tijden aanbraken. Een nog verdere klimaat-uitdroging, welke alle overige aapmenssoorten niet zouden overleven en onze vobo’s wel.

Menig paleo acht het ondenkbaar dat deze steentechnologie door de makers ontwikkeld zou zijn zonder onderlinge communicatie.

talige wezens

Maar nu wordt het de hoogste tijd dat ik mijn bewering (in de inleiding) dat het niet moeilijk is om een goed verhaal over de menselijke natuur te berde te brengen, waar ga maken. Onze vobo’s zijn zulk een (voor een hominide) bijzonder gedrag gaan vertonen doordat ze als enige populatie hominiden het met elkaar over dingen konden hebben. Ze konden met elkaar overleggen, ze konden hun individuele vindingrijkheid ‘in de groep gooien’, zoals we dat tegenwoordig graag zeggen. Ze waren ‘talige wezens’ geworden.

Hoe zijn ze dat volgens mij geworden?

Ik keer weer even terug naar 4 mjg, naar de taakverdeling tussen de seksen: de vrouwen verzamelden met de kinderen het eten terwijl de mannen met hun stenen zorgden dat de groep zich veilig door de open grasgebieden konden begeven.

Bijgaand plaatje (ik heb het uit Bert’s Geschiedenis p. 790[7]) geeft een aardig beeld van een open plek met gras zoals onze vroegste voorouders die moeten hebben aangetroffen op hun foerageerroute door hun territorium. Ik zou er dan een kudde grote grazers ergens op de achtergrond bij hebben geschilderd. Ik zou vooral vrouwen en kinderen hebben laten zien, met draagzakken en baby’s. De mannen zou ik voorzien hebben van een draagzak vol stenen, en rond loerend naar roofdieren. Wat wel goed is dat de maker iemand van graszaden laat eten: een belangrijke voedselbron van de grasgebieden. Een andere man eet vlees van een kleine prooi … maar ze déélden alle voedsel, ’s savanna woodlandavonds in het overnachtingsbos, en de volwassen mannen konden hun waakzaamheid geen moment laten verslappen door te gaan zitten eten. De staande man (zijn lichaam ziet er te modern uit) dreigt met een steen naar een paar primitievere plantenetende hominiden, terwijl ik denk dat de vobo’s die onverschillig genegeerd hebben: die planteneters (Paranthropus) leefden van andere spul en zullen toch ook stenen als wapens moeten hebben gehad in die ook voor hen gevaarlijke biotoop.

Ugalla (Tanzania)

Op de grasgebieden was ook eten genoeg te vinden. Recentelijk is in het Ugallagebied van Tanzania, waar het regenwoud plaats heeft gemaakt voor savanne, ontdekt dat de chimpansees aldaar zich ook hebben aangepast aan de nieuwe omgeving! In de regentijd, wanneer er toch ook ander voedsel in overvloed is (maar in het droge seizoen lijkt me de grond te hard), gaan vrouwtjeschimpansees de open grasgebieden op om maniok en andere knollen op te graven. Met zelfvervaardigde graafstokken (takken die met de tanden van zijtakjes ontdaan zijn)!

Deze ontdekking is te danken aan het volhardende veldonderzoek van Adriana Hernandez-Aguilar (zie hiernaast): het heeft haar vier jaar gekost om de schuwe dieren zo aan haar aanwezigheid te laten wennen dat ze hen met haar kijker kon volgen. Een heldin. Ze zit voortdurend onder de bulten en ze heeft al vier keer malaria gehad; ze leeft ver van de beschaafde wereld in een armoedig dorpje waar ze bij arme mensen een slaapplekje huurt en mee-eet van hun schamele kost. Maar ze houdt vol, want ze weet dat ze bijzondere informatie toevoegt aan wat we kunnen weten over onze vroegste voorouders. Ze heeft de boslandchimpvrouwen niet zién graven, laat staan dat ze hun gegraaf kon filmen of fotograferen. Maar ze heeft elf graafplekken vers gevonden, met sporen van hun knokkels, van feces en van uitgekauwde knolresten. En op vier plekken hadden de vrouwtjes-chimps hun graafstokken laten liggen: stokken met duidelijke sporen van het graafwerk.

Bosland-chimpansees leven vanwege hun voedselarmere leefomgeving in kleinere groepen dan hun verwanten in het regenwoud.

Een tweede al even volhardende veldwerkster is Jill Pruetz. Ze bestudeert de bosland-chimpansees van Fongoli (Oost-Senegal). Die ontdoen met hun tanden een tak van zijtakken en knagen er een punt aan. Met deze ‘speer’ doden ze bush babies: een kleine apensoort die zich overdag schuilhoudt in boomholten. Veilig voor aanvallers, maar niet voor een (vrouwtjes)chimp met een speer. Ook Pruetz heeft vier jaar nodig gehad om zo dicht bij ze te kunnen komen dat ze hen heeft kunnen bespieden bij hun jacht.

Zij, maar ook hun professoren, gaan er van uit dat de bosland-chimpansees een beeld geven van de aanpassingen van onze vroegste voorouders aan hun nieuwe omgeving. Althans wat hun nieuwe voedselbronnen en de methoden om die te verwerven betreft. De bosland-chimpansees maken nog geen aanstalten om tweebenig te worden. Ze wagen zich ook nog niet zo ver van hun woonbossen, en ze eten niet van graszaden. Dat onze vobo’s dat wél deden bewijst hun veranderde gebit: dikker email en vooral: verdwenen slagtanden die bij het vermalen van hard voedsel in de weg zitten. Wacht, ik zoek onder Google Afbeeldingen (zoekwoord ‘australopithicus dentition’) even een plaatje ervan. Onze vobo’s heten in de paleo-literatuur natuurlijk Australopithecus.

De paleo’s herkennen de hominide gebitten vooral aan de canines. Die bewijzen door hun afgenomen grootte de aanpassing aan het malen, maar … ook de vredigheid van de leefgroepen van de hominiden: de slagtanden dienen bij de mensapen vooral als wapen in de onderlinge statusgevechten.

Het gedrag van de bosland-chimpansee-vrouwtjes laat, net als het gebruik maken van stenen om harde noten te kraken door vrouwtjes-chimpansees (zoals op bijgaande wel heel bijzondere opname van Clive Bromhall/Oxford Scientific Films) , zien dat werktuiggebruik bij onze naaste familieleden niets bijzonders is. Wat heeft onze voorouders dan zo bijzonder doen worden?

Niet het rechtop lopen. Want dat zijn alle hominiden gaan doen. De bosland-chimps en de chimps van het Tai-regenwoud van Ivoorkust hoeven dat niet omdat hun hoofdvoedsel nog steeds aan de bomen groeit. De hominiden moesten voor hun hoofdvoedsel steeds verdere tochten maken over de gevaarlijke open grasgebieden. Ze moesten stenen meedragen voor hun veiligheid en hadden hun handen nodig voor het meedragen van wapens en het verzamelde voedsel[8].

Belangrijke vraag: wanneer de bosland-chimpansees tijd van leven zouden krijgen om, bij verdergaande achteruitgang van hun vruchtbomenbestand en uitbreiding van de graslanden in hun leefgebied, ook voedseltochten te gaan maken, worden ze dan na een paar miljoen jaar vanzelf talige wezens (mensen)?

Ik denk van niet. Hoewel de hedendaagse roofdieren niet meer zo enorm zijn als in het Mioceen, zouden ze vermoedelijk nog wel genoodzaakt zijn om voor het meedragen van effectieve bewapening tegen leeuwen en hyena’s (stenen dus) tweebenig te worden. Misschien zijn er dan ook nog genoeg vellen te vinden of kleine dieren te vangen en te slachten om a. in hun behoefte aan vlees te voorzien en b. om oefenmateriaal te bieden voor het ontwikkelen van stenen werktuigen. Maar vervolgens is deze ontwikkeling voldoende om tot in het einde der tijden een bevredigend hominiden-leven te leiden. Als je ziet hoe perfect de savannebavianen (gewone apen, maar aangepast aan de savannen) weten te overleven, dan besef je dat er geen enkele aanleiding is om dat vreemde pad op te gaan dat onze voorouders zijn gaan bewandelen.

Nou ja, één aanleiding zou ik kunnen bedenken: behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid dan de kreten en overige lichaamstaal waar de regenwoudmensapen meer toe kunnen. De voedselvoorziening op de savanne is heel wat gecompliceerder dan in het regenwoud, waar je alleen hoeft te weten waar de volgende vruchtboom staat wanneer die waarin je de dag hebt doorgebracht, leeg is gegeten. Op de graslanden moet je weten wáár wát te vinden is. Graszaden, uit te graven knollen, larven, eieren, klein gedierte. En in welk seizoen: op de savannen wisselen natte en droge seizoenen elkaar af. In de streek waar de oudste resten van onze vroegste voorouders gevonden worden: het stroomgebied van de Awash-rivier (Ethiopië), is het in de maanden februari en maart moessontijd, terwijl het in de rest van het jaar droog blijft. Tegen het einde van de natte tijd is er voedsel in overvloed. Maar naarmate de droogte langer duurt, worden de savannebavianen en werden de hominiden voor een groot deel aangewezen op graszaden en uit de grond te graven knollen, wortels en bloembollen. Omdat in het Mioceen de savanne-omgeving veel gevaarlijker was, waren de hominidengroepen met een effectieve taakverdeling tussen de seksen (vrouwen en kinderen verzamelen het eten, de volwassen mannen zorgen met hun stenen voor de veiligheid) in het voordeel en ik veronderstel dat onze vobo’s zo leefden.

Behoefte aan meer communicatie-mogelijkheid dan waar je in een regenwoud-omgeving mee toe kunt, dat zou dus een denkbare aanleiding kunnen zijn!

Helaas. Nogmaals… de savannebavianen doen het uitstekend zonder taligheid. De andere hominiden dan onze vobo’s deden het eveneens voortreffelijk en het is meer dan aannemelijk dat hun verdere voortbestaan slechts door toedoen van onze vobo’s onmogelijk gemaakt is. Onze baby’s en kleuters weten nog steeds prima kenbaar te maken wat er in ze omgaat zonder over taal te beschikken …

Dus, anders dan ik tot voor kort (vóór de informatie over de boslandchimps) dacht: er was voor onze vobo’s geen enkele overlevingsnoodzaak om zich buiten de dierlijke paden te gaan begeven.

Maar … onze taligheid moét ooit begonnen zijn.

Dus moet ik iets nieuws verzinnen. Wel, dan blijft er volgens mij geen ander scenario over dan dat het begonnen is als een spelletje!

Ik denk dat het begonnen is in één groep. Met één jong vrouwtje (bij apen en mensapen begint nieuw gedrag meestal bij jonge vrouwtjes).

Op zekere ochtend is een jonge meid zo blij dat de oudere vrouwen besloten hebben om naar een bepaald bekend gebied te gaan dat ze, in haar behoefte om aan haar vriendinnen duidelijk te maken wat er in haar omgaat, ze met haar handen imiteert waar ze aan denkt: een bepaalde plant waar ze dol op is! De vriendinnen snappen wat ze bedoelt, en ze lachen zich dubbel. Ze maken het imitatiegebaar ook en ze komen niet meer bij. Tien keer, twintig keer, en ze blijven maar lol hebben. De volgende dag heeft een ander een imitatiegebaar bedacht voor iets wat zíj lekker vindt. En weer liggen ze in een deuk. Zoiets, bedenk ik.

Maar het kan natuurlijk ook begonnen zijn met een emotioneel geladen waarschuwende imitatie van een gevaarlijke buffel die ergens op die plek waar ze naar toe gaan, gesignaleerd is. Bedenk het maar. Het moet ooit met zoiets begonnen zijn. Als een terloopse inval van iemand. In één groep.

Maar omdat het wel handig is, zo’n imitatie van iets (zo kun je het met de anderen over dat ‘iets’ hebben), lokt dat al gauw meer imitaties uit. Het werd een speciaal ‘cultuurtje’ binnen die groep. Onder de jonge vrouwen: mannen doen daar aanvankelijk niet aan mee.

De jonge meiden die voor hun partner verkasten naar een bevriende groep (bij mensapen verlaten de pubermeiden de groep terwijl de jongens bij hun moeder blijven) namen het handige aanwensel mee en zo verbreidde het ‘cultuurtje’ zich onder de hele stam. De gewoonte hield stand, breidde zich zelfs redelijk snel uit. Want het verbeterde de communicatie, en dus de samenwerking, zowel binnen de groepen als tussen de groepen. De stam floreerde (hield gemiddeld iets meer kinderen in leven) en overtalligde op den duur de overige aapmenspopulaties die het zónder deze handige communicatie moesten stellen.

Ónze vobo’s! Ze waren onze vroegste voorouders.

iets geheel nieuws

Met dit terloopse ‘cultuurtje’ was namelijk iets geheel nieuws ontstaan in de geschiedenis van het leven, en het zou op den duur een spectaculair gevolg krijgen: ons!

Alle groepsdieren hebben hun eigen specifieke manier om met elkaar te communiceren: dat maakt het groepsdierenbestaan mogelijk en maakt groepsdieren verschillend van kuddedieren. Walvissen, wolven, olifanten, mensapen: allemaal communicerende groepsdieren. Maar … geen enkel van hun individuen kan het met zijn mededier hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is. Chimps hebben een aparte voedselkreet bij het zien van vlees, die verschilt van hun voedselkreet bij het zien van een vrucht. Maar ze kunnen de ‘vleeskreet’ niet produceren om aan hun verzorgers kenbaar te maken dat ze zin hebben in een biefstukje.

Wanneer een groepsdier een gevaar of iets lekkers bespeurt, uit het de geëigende waarschuwings- of voedselkreet. Maar andersom gaat niet, omdat dieren geen bewuste controle hebben over hun stemgeluid[9]. Hun kreten worden hersenkundig ‘aangestuurd’ vanuit het limbische systeem, een primitiever hersengedeelte, waar dieren geen bewuste controle over hebben. Het gevaar of het voedsel maken een emotie los in het limbische systeem waar de emoties zetelen – en de bijbehorende kreet is niet binnen te houden. Bij ons werkt het trouwens nog steeds zo wanneer we plotseling schrikken of pijn voelen.

Dieren en mensapen hebben weliswaar geen bewuste controle over hun stem maar ze hebben wel bewuste controle over hun handen en andere spieren: die worden aangestuurd vanuit de hersenschors. Chimpansees leren praten is in de vijftiger jaren van de vorige eeuw verwoed geprobeerd in Amerika, maar het haalde niets uit. Vervolgens probeerde men het met gebarentaal en dat lukte heel aardig: de chimps brachten het tot kleuterniveau. Je kunt zeggen: bar weinig. Maar bedenk: dat niveau bereiken ze dan in één generatie; terwijl onze kindjes geboren worden met een in honderdduizend generaties voorgevormde ‘taalprogrammaatje’ in hun hersen-netwerkjes.

Dus u begrijpt dat ik de oorsprong van ons taalvermogen laat beginnen met proto-gebarentaal: iets wat aan taalkundigen verbazend moeilijk valt te verkopen[10]. Voor zover de boeken welke ik in de inleiding opsomde, aandacht besteden aan taal, wat toch het wezenlijke is van ons menszijn, hebben die het uitsluitend over gesproken taal. Ik laat de gesproken taal pas beginnen bij de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s), en geef de gesproken taal zelfs een sleutelrol bij het ontstáán van de AMM’s. Maar dan hebben we het over 200.000 jg, terwijl we ons nu met de vobo’s nog in het Plioceen (5,2-2,6 mjg) bevinden.

Proto-gebarentaal. Want die imitatiegebaren voor [bes] of voor [buffel] zijn woorden. Het zijn gebarensymbolen voor dingen. Het zijn namen voor dingen .

Dat heeft geen enkel ander dier. Dat is geheel nieuw in de natuur. In de hele geschiedenis van het leven op onze aarde is er geen enkele levensvorm geweest die dit kende. Geen enkel zoogdier kan het met een soortgenoot hebben over iets wat niet ter plekke waarneembaar is. De bijentaal lijkt er op, maar dat is instinctgedrag, de bijen doen hun ‘dansjes’ niet bewust.

Namen voor de dingen. Het is niet alleen nieuw, het dóet ook iets met een dier. Het schept een (gevoel van) afstand tussen de benoemer en het benoemde ding. Tussen subject en object.

In die zin lijkt het een beetje op het bijzondere vermogen van de chimpansees, dat ze kunnen gooien met iets. Dat is ook een verdedigen op afstand. Het kunnen benoemen van een ding geeft ook (een gevoel van) macht over het ding. Die gevoelsmatige afstandelijkheid maakte onze vobo’s een beetje ‘los’ van hun omgeving. Andere dieren zijn een onderdeel van hun biotoop. Onze vobo’s kregen een groeiende macht over hun biotoop.

Die macht werd in niet geringe mate vergroot doordat ze wat er aan gedachten in hen omging, met elkaar konden uitwisselen. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je behoorlijk wat problemen oplossen.

Kennis, vergaard door de ene generatie, kon nu aan de volgende generatie worden overgedragen. Binnen de vobo-populatie kon kennis zich gaan opstapelen van de ene generatie op de andere. Bij normale dieren zoals chimpansees kan een bepaald nieuw gedrag door de anderen en door jongeren geïmiteerd worden en zo kan het deel gaan uitmaken van de cultuur van die populatie; maar er komt zelden iets nieuws bij.

De vobo’s konden van gedachten wisselen, konden met elkaar overleggen, konden individuele intelligentie (vindingrijkheid) op intelligentie stapelen. Ze konden plannen beramen. Een enkele hooligan is maar een bang knaapje; maar voor een hele meute hooligans loopt het de dappere ME-er dun door de broek. Onze vobo’s werden de hooligans van de savanne.

vuur

Wanneer zal ik dit (namen voor de dingen, het met elkaar over iets kunnen hebben) laten beginnen? Wanneer zal ik dat terloopse spelletje van dat ene meisje in die ene groep, dat ze met haar handen imiteerde waar ze op dat moment vol van was, en dat van zo vér strekkende invloed zou worden op het verdere verloop van de dingen in de wereld, laten plaats vinden?

Daarvoor wijs ik even terug op die ‘mijlpaal’ van p 11, de afbeelding van de oudste door de mens vervaardigde werktuigen, gevonden in Kada Gona. Gedateerd op 2.6 mjg. Vervaardigd met een technologie waarvan het ondenkbaar is dat die zonder talige communicatie tot stand gekomen zou kunnen zijn. Daar moeten nogal wat generaties van talig communicerende vobo’s aan vooraf zijn gegaan. Dus gok ik voorlopig op de datering van 3 mjg.

Maar misschien moeten we voor het ‘meisjesspelletje’, voor de geboorte van de proto-gebarentaal, nog verder terug. De proto-gebarentaal begon bij het nulpunt, en de meeste dingen in de natuur komen uiterst traag op gang, vertonen de bekende ‘exponentiële groei’- curve: een heel lange aanloop en dan woeps! de hoogte in.

Het is zeker dat de taligheid door het gaan beheersen van het vuur een forse sprong voorwaarts heeft gemaakt. Ga maar na.

Vóór dat de vobo’s over kampvuren beschikten, was hun communicatie beperkt tot het voedsel verzamelen overdag en het verdelen van het voedsel na aankomst in het overnachtingsbos. Maar tegen het vallen van de schemering, die in de tropen maar heel kort duurt, was het afgelopen met de communicatie. Dan moest ieder de boom in om, ieder voor zich, zijn slaapplatform in elkaar te vlechten boven in de kruin. De vrouwen en kinderen bovenin, de volwassen mannen met hun zak stenen een etage lager, omdat de voorouders van de luipaarden hen ook ’s nachts konden besluipen.

Hoe anders werd deze situatie toen ze voortaan op de grond konden blijven overnachten, rond het kampvuur dat de roofdieren op afstand hield. Uren en uren werden aan elke dag toegevoegd, en alleen voor het communiceren: in het donker kun je weinig anders doen.

Wát zouden ze gecommuniceerd hebben? Natuurlijk wat er in ze om ging. Bijvoorbeeld iets beangstigends wat ze die dag beleefd hadden.

De plotselinge confrontatie met een buffelstier! De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, hun stenen in de aanslag, en de vrouwen waren naar een boom gevlucht en klommen er met de kinderen in. De buffel had geaarzeld: die vobo’s met hun stenen waren inmiddels berucht. Na enige ijzige seconden had de buffel zich omgedraaid en was weggelopen. Die avond bij het kampvuur was een der vrouwen opgestaan en imiteerde de dreigende buffel. Luid krijsend vielen de vrouwen haar bij. Een man stond op en deed of hij de buffel was. De andere mannen boden hun vastberaden weerstand en de ‘buffel’ week. Als eindelijk iedereen weer zat en de kreten verstomd waren, bleven de gevoelens en beelden nog doorspoken in hun hoofden en sprong een andere man op en deed de buffel opnieuw, en weer werd hij door de andere mannen verjaagd. Herhaling op herhaling, tot de een na de ander zich in zijn dierenvel draaide en ging slapen. Maar hun oren waakten: bij het geringste geritsel was iedereen weer klaarwakken en paraat[11].

De prachtige voorstelling werd nog vele avonden met veel emoties opgevoerd. Tot hij plaats maakte voor een nieuwe emotionele belevenis.

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces, ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaander heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Een gebaar waarvan alleen de aanzet al begrepen wordt binnen de context, wordt dan niet helemaal af gemaakt. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan standaardafkortingen.

Na het uiterst trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij], ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de vobo’s zich nu zeer snel tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen. En onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de vobo’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? O zeker, de vobo-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al heel vroeg deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik. Hét waarmerk van menselijke taal is: namen voor de dingen. Die hebben ons tot mensen gemaakt, niet de grammatica.

Er valt over de ontwikkeling hiervan nog veel meer te zeggen, maar dat reserveer ik voor mijn tekst die hier speciaal over gaat[12].

De versnelde ontwikkeling van hun talige communicatie hield in dat ook hun overleg en hun plannenmakerij ten zeerste werden vergemakkelijkt. Dat kwam goed uit …

Een soort verandert pas als zijn omgeving verandert. Welnu, al die vier miljoen jaar van aapmens-zijn was de leefomgeving weinig veranderd. Eenmaal van regenwoud tot een biotoop van open bossen en grasgebieden ertussen geworden, bleef dat heel lang zo[13]. Maar rond 2,8 mjg begon de Noordpool te verijzen (door het ontstaan van de Golfstroom) en dat resulteerde vanaf 2,7 mjg in het nog koeler en droger worden van het klimaat. Terug te vinden in Member[14] G van de Shungura Formatie (een archeologie-site in het stroomgebied van de Omo-rivier in ZW-Ethiopië die uitmondt in de noordoever van het Turkana meer). Member G is gedateerd op 2.3 mjg.

De savannen werden woestijnen. De woonbossen verdwenen. Dan moet je wat, als aapmens, die gewoon is, tegen het vallen van de avond zijn nest in een boomtop te kunnen maken. Bomen weg!

2.6 mjg (Shungura Member F dated at 2.8 mya) moet daar evenwel nog niet veel van te merken zijn geweest. Semaw zegt over de toenmalige omgeving van de Gona-werktuigen (nu inderdaad woestijn), dat die een lustoord was, aan het water gelegen en met de bossen voor veilige overnachting in de directe nabijheid.

Ai! Dus nog geen behoefte aan een kampvuur? Dus nog geen ‘sprong voorwaarts’ in hun talige ontwikkeling?

Van de andere kant: veel geleerden zien een link tussen de geavanceerde werktuigen en de mentale vermogens van de ap garhi-populatie. Kon dat herkenbare repertoire van hakmessen, snijmesjes en schrapers, kon die technologie (en dan hebben we het alleen over datgene wat na miljoenen jaren nog gevonden kan worden) alleen door van de ouderen af te kijken worden doorgegeven? “Al onze huidige ervaringen met deze techniek wijzen er op dat daar taal voor nodig is”, zegt prof. John Gowlett, archeoloog Univ. Oxford in Ascent to civilisation (1984).

Gebarentaal dus.

Maar … ook al vuurgebruik? Op de Kada Gona-site van ap garhi (van 2,6 mjg) zijn (nog) geen sporen van vuurgebruik gevonden. Voor de oudste sporen van vuurgebruik moeten we maar liefst een miljoen (!) jaar wachten: Koobi Fora in Kenia (1,6 mjg), Swartkrans in Zuid Afrika (1,5 mjg), Gadeb, in Ethiopië (1,5 mjg) en Chesowanja, ook weer Kenia (1,4 mjg). En ook die worden door conservatieve paleo’s halsstarrig aangevochten.

Nu is het zo dat, wanneer er niet gericht naar gezocht wordt en wanneer het vinden ervan totaal niet verwacht wordt, je de sporen van een kampvuur niet zo gauw zult herkennen. Dat er 2,6 mjg bomen stonden in Kada Gona wil niet zeggen dat de garhi’s daar voor hun overnachting gebruik van hebben gemaakt. De Kada Gona-werktuigen getuigen echt van een ‘sprong voorwaarts’ in de talige ontwikkeling der vobo’s. Dus ik houd het vroege vuurgebruik door de vobo’s voor aannemelijk tot evidenties mij in het ongelijk stellen. Ik ga voor 2,7 mjg. Een evidentie die deze keus rechtvaardigt is te zien in het OIS-staatje op p 60: daar zie je rond deze ‘datum’ een korte maar scherpe temperatuurdaling.

Door de toenemende droogte en de zich uitbreidende graslanden kwamen natuurlijke branden in de droge maanden veel voor. Veel savannebewoners kennen de aantrekkelijke gevolgen van een brand: geroosterd gedierte dat niet tijdig heeft weten weg te komen, vluchtende dieren die in hun paniek gemakkelijk te overvallen zijn. Ook onze vobo’s trachtten altijd zo snel mogelijk bij de uitdovende brand te komen, ook omdat ze hadden geleerd dat sommige soorten maniokknollen die rauw niet eetbaar zijn vanwege het blauwzuur, dat in geroosterde toestand wél zijn. De vobo’s hadden door hun gevoel van afstandelijkheid en macht al niet meer die blinde angst voor het vuur zoals de overige dieren hebben: ze hadden er een naam voor. Jongeren zullen al gespeeld hebben met nog na smeulende en rokende takken. Maar het moet een oma geweest zijn die als eerste zo’n tak naar een veilige plek gesleurd heeft en die is gaan voeden met droog materiaal: het eerste vuurtje! We schrijven 2,7 mjg.

Ze had een nog giftige maniokknol aan haar graafstok gestoken en hield die nu boven de vlammen. De anderen stonden van een afstandje schreeuwend van angst toe te kijken wat die oma deed. Haar handen trilden maar ze was vastberaden: ze had er lang genoeg over nagedacht. Toen ze vond dat de knol gaar genoeg was, liet ze hem wat afkoelen en beet er een stuk af. Ze proefde dat hij nu goed smaakte. Ze stond op en liep er mee naar haar kleinkind. Die at van de knol en zou dit nooit meer vergeten.

Te mooi, dit verhaal? Dan een ander scenario. Het is ettelijke malen van gorilla’s en chimpansees waargenomen dat die zich in de koude nacht graag koesteren bij de restwarmte van een gedoofde brand! Dus daar hebben de vobo’s zeker ook veelvuldig gebruik van gemaakt. Van gorilla’s en chimps is echter nooit waargenomen dat die iets gingen doén met een na-smeulende tak of zo: voeden met droog materiaal om er langer van te kunnen genieten.

Maar u begrijpt: het heeft niet kunnen uitblijven dat 2,7 mjg …

Met het vuur en met het maken van professionele werktuigen zijn onze vobo’s definitief mensen geworden. Het wordt tijd ze nu van een wetenschappelijk verantwoorde naam te voorzien. Maar de paleo’s onderscheiden er wel vier kandidaat-hominiden voor:

ap garhi

H. habilis

H. rudolfensis

H. ergaster

Alle vier rond 2.5 mjg! Wil de ware vooroudersoort van de Homo erectus (HE), en dus van ons, nu opstaan? De paleo’s zelf blijven er rustig onder. Die zeggen: het veldwerk gaat nu zo hard, we wachten rustig af tot we genoeg vondsten hebben om het plaatje helder te krijgen. Maar zoveel geduld brengt een humanosoof natuurlijk niet op. We kunnen toch een zo gefundeerd mogelijke gok doen? Áls we maar bereid zijn om ons Verhaal bij te stellen waar we het blijken mis gehad te hebben. Ik kies voor ap garhi.

Maar als de garhi’s, de vermoede makers van de Kada Gona-werktuigen, al een kampvuurcultuur gehad hebben, ze hebben het vuur blijkbaar niet gebruikt om vlees te bráden want ze hadden enorme tanden. Als zij inderdaad de makers zijn geweest zijn, zijn ze voor mij geen AP’s meer maar Homo, en wel: H. ergaster.

de HERG’s

(H. ERGaster-mensen, nog steeds van mensaap-afmeting, ook qua hersenpan)

Wat een namen, en vooral, wat een verwarrend aantal afkortingen! Laat ik eerst hier mijn naslaglijstje van onze voorouderlijn vanaf de vobo’s geven:

HERG’s (H. ergaster) 2 mjg – 1.60 mjg

de HE’s (H. erectus) 1.60 mjg – 500.000 jg

de HEID’s (Middle Stone Age-people) 500.000 jg – 250.000 jg

de NT’s (Neanderthalers) 250.000 jg – 30.000 jg

de AMM’s (Anatomisch Moderne Mensen) 200.000 jg – nu

De HERG-mensen van 2.6 mjg (de door mij met een slag om de arm tot Homo gepromoveerde ap.garhi-mensen) waren nog steeds aapmensen van uiterlijk, dus qua gestalte en schedelomvang. Maar volgens mij volledig ‘talige’ en vuur gebruikende wezens.

Dat vuurgebruik was aanvankelijk nog incidenteel: afhankelijk van de (weliswaar talrijk voorkomende) natuurlijke branden in de droge tijd. Ze zullen nog heel lang de bomen nodig gehad hebben om zich snel in veiligheid te kunnen brengen bij plotselinge dreiging, en dus klein en aapachtig van gestalte gebleven zijn.

De verwerving van de techniek om kooltjes (van de juiste houtsoort bijvoorbeeld) vuur mee te nemen (in een laagje as in een runderhoorn, bijvoorbeeld, want de Pygmee-vrouwen dragen hun gloeiend kooltje mee in een vuurbestendig blad gewikkeld)  daar zijn vermoedelijk honderden generaties vrouwen overheen gegaan zijn. Vrouwen, ja. Het omgaan met het vuur is tot in onze dagen vrouwenwerk.

De HERG’s verbreidden zich rond 2 mjg buiten de tropen. Zoals de paleo’s denken, hun aasleveranciers, de sabeltandtijgers, achterna, die op hun beurt hun grasetende prooidieren achterna gingen. Toen het klimaat weer nóg koeler en nóg droger geworden en de savannen tot woestijnen werden, verkasten de graseters en onze voorouders gingen mee.

… Sorry. Fout! (Maar wel een fout die door heel wat paleo’s gemaakte wordt.) Ónze voorouder-HERG’s bleven juist in Afrika! De voorouder-HERG’s van de Javamens en Homo erectus en de Neanderthaler en zo, dié verkasten. Onze voorouders zijn de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s). Maar zij zijn nakomelingen van de MSA-mensen die in Afrika evolueerden uit de Afrikaanse HERG’s.

Het verhaalgedeelte dat nu volgt, schrijf ik even zo vrolijk toch ook aan onze voorouders toe.

De Euraziatische HERG’s waren begonnen aan OoA I: het wordt door geen paleo betwijfeld dat Afrika de bakermat is van onze soort, en dat die op dit tijdstip zich ook vanuit Afrika naar Eurazië is gaan verbreiden. Dit gebeuren wordt algemeen als Out of Africa aangeduid, (niet alleen door mij) afgekort tot OoA. Omdat twee miljoen jaar later ook de AMM’s, eveneens in Afrika ontstaan, die bakermat richting Eurazië hebben verlaten, wordt dát OoA II genoemd.

De migratie richting Verre Oosten ging langs de zuidkust van het toenmalige Eurazië. Daar zijn ze, overigens als Homo erectus (HE), aangetroffen met een datering waar maar liefst 1.8 mjg voor wordt gepostuleerd. De Chinese geleerden – en hun opvatting wint terrein – stellen dat de populatie van Turkana Boy (1.6 mjg gedateerd) vanuit het Oosten naar Afrika terúg gemigreerd is!

Van onze met de graseters en de sabeltandtijgers mee verkassende HERG-voorouders zijn de oudste resten in Europa aangetroffen in Dmanisi (Georgië). De Dmanisi-schedels zijn met zekerheid gedateerd op 1.75 mjg.

Foto van reconstructie van één der Dmanisi-schedels, gepikt uit Nat. Geogr. Special 2003. Lijkt wat op het gereconstrueerde gezicht van H. habilis (2,4 – 1,6 mjg). Maar die was, met die lange armen en korte benen, nog erg voor het boombewonen toegerust, en niet voor het achtervolgen van kuddes graseters. Men denkt dat de schedel van een tiener is, en te oordelen naar de nogal lange hoektanden een jongen. Men gaat er van uit dat hij ook nog vrij harig was. De reconstructies laten graag de tanden zien: vaak het enige wat over is … De Dmanisi-populatie kende nog geen vuistbijl-industrie en was veel kleiner en primitiever van gestalte dan de HE’s. HERG’s dus.

The combination of the features of the Dmanisi hominids appear[sic] more similar to H. ergaster than to H. erectus sensu stricto (or to any of the habilines). This conclusion is consistent with our studies of the Dmanisi mandible . We thus assign the Dmanisi hominids to Homo ex gr. ergaster. (tekst van de Dmanisi-onderzoekers)

De plaats Riwat ligt in Noord-Pakistan. Daar zijn enige stenen werktuigen van de soort van Kada Gona gevonden, en te dateren op 2 mjg

Op deze afbeelding kun je zien hoe Chinese paleo’s denken dat de HERG’s hun geboortegrond Afrika hebben verlaten. Hun kaart vertoont lussen: die zijn er van overtuigd dat onze voorouders als HERG’s uit Afrika gemigreerd zijn naar het Verre Oosten, dat ze daar tot HE’s zijn geëvolueerd en dat daar populaties van zijn terug gemigreerd richting Europa en Afrika. Het vasteland (blauwe omlijning) is uitgebreider dan het huidige (bruine lijnen) door de daling van de zeespiegel vanwege de grotere ijsmassa’s.

 

 

 

 

 

 

grotere hersenen?

De HE’s roeiden vermoedelijk de overige AP-soorten uit waar ze er maar op stuitten. [15]

Maar niet doordat ze grotere hersenen kregen. Dat stokoude argument begint vandaag goed af te takelen. Vanwege de kleine mensjes van Dmanisi, waar zich onlangs ook nog de pas gevonden H. floresiensis bij gevoegd heeft. De laatste heeft hersentjes die nog kleiner zijn dat die van de AP’s. Maar toch vervaardigden ze daar stenen werktuigen mee waar zelfs de vuistbijlvervaardigende HE’s goedkeurend naar zouden hebben gekeken. En ze gebruikten vuur. Bovendien hebben hun voorouders over zee Flores gekoloniseerd.

Het moge duidelijk zijn dat het argument van de ‘grotere hersenen’ als verklaring van bepaald gedrag nu echt achterhaald is. Papegaai Alex van de Amerikaanse Brandels Universiteit kan met zijn hersentjes ter grootte van een walnoot voorwerpen sorteren, blokjes op kleur bij elkaar zetten, aantallen tot zes tellen en wanneer hij iets moet zoeken wat er niet tussen zit, zegt hij “none!” Dus : noppes, nul. Toch een vorm van abstraheren, niet?

Grotere hersenen betekenen niet automatisch meer intelligentie, want het aantal neuronen is bij een gewone aap al zo groot dat dat volkomen toereikend zou zijn voor menselijk handelen. De ontwikkeling van de hersenen volgen het doen en laten, niet andersom. En toch lees je dat nog al te vaak: de H. erectus vervaardigde fraaie vuistbijlen doordat hij over grotere hersenen beschikte[16]. Of zoiets. Nou, dan roep ik: Aaarchh!! Eerst gedrag, dan pas de zich aan dat gedrag aanpassende hersenen. Eerst training, dan pas grotere spierballen.
De spectaculaire hersengroei kwam inderdaad pas later.
Is die fascinatie door de hersengrootte bij onze paleo’s niet gewoon toe te schrijven aan het toevallige feit dat schedels relatief vaak fossiel worden gevonden en dat die schedel-inhouden zo prachtig in cc’s te meten vallen? Dan zijn de paleo’s toch een beetje ‘neofrenologen’!
U zult er mij zelden over horen, over breingrootten of zo.

Hersenen zijn wel enorme energievreters, en de veel rijkere voeding die de beheersing van het vuur[17] verschafte, heeft onze voorouders niet alleen van gestalte flink doen groeien maar heeft ook hun hersenen van veel meer energie kunnen voorzien. Hun taligheid echter, de verruimde communicatiegelegenheid en de tot ervaringen-uitwisselingen en –verwerking en tot plannenmakerij uitnodigende nazit bij het kampvuur, hun daardoor gegroeide macht over de wereld van hun prooidieren en de roofdieren, dát alles heeft de HERG-mensen in staat gesteld de tropen te verlaten en te verruilen voor gezondere en wildrijkere streken, vol nieuwe uitdagingen voor hun groepsvindingrijkheid en hun talige bewustzijn. Allemaal met aapachtigkleine schedeltjes.

de geboorte van de oma

Ergens rond deze tijd moet ze verschenen zijn: de oma. Ik heb haar al het eerste vuur laten aanleggen.

Met olifanten en walvissen behoren de mensen tot de zeldzame soorten die oma’s kennen. Dat wil zeggen: vrouwen die niet blijven zwanger worden tot ze er bij neervallen, zoals de chimpansee-vrouwen, maar die een menopauze kennen: stoppen met vruchtbaar zijn en daarna nog vaak tientallen jaren doorgaan met het verzorgen van hun kleinkinderen. De levenskansen van die kleinkinderen worden door de inspanningen van oma niet weinig vergroot. Dat wil zeggen dat zij op hun beurt meer kinderen krijgen dan de kinderen die het zónder deze bekwame extra verzorgster hadden moeten stellen. Op den duur overtalligen de oma-kinderen de oma-lozen, welke laatsten tenslotte uitsterven. Zo werkt de evolutie. Het moet begonnen zijn in families waarin de vrouwen toevallig heel oud werden: daar hadden kleinkinderen meer kansen om te overleven en konden die ook talrijker zijn. Er moet echter ook een speciale noodzaak zijn geweest, anders hadden meer diersoorten oma’s. Bij ons was die noodzaak duidelijk: de kinderen bleven heel lang afhankelijk van verzorgers omdat ze ’prematuur’ ter wereld kwamen. Als foetus, kun je zeggen. Dat is gekomen door het rechtop gaan lopen. Daarvoor moet je een smal bekken hebben, anders waggel je, zoals chimpansees doen bij het op twee benen lopen. Maar een smal bekken betekent een vernauwde geboortedoorgang. Oplossing: voortijdig ter wereld laten komen (gebeurde vanzelf, hoor). Gevolg: langdurigere afhankelijkheid van het kinderdom. Dat is vragen om een oma.

Nog iets tussendoor, maar zo gewaagd dat ik het in kleine lettertjes doe.
Een portrettekenaar kan het niet ontgaan: die enorm gespierde wangetjes van onze baby’s; het enige dat echt gespierd aan ze is (nou ja, met die vingertjes kunnen ze ook al heel vasthoudend zijn). Zou dat alleen maar ten dienste van het onttrekken van de melk aan mama’s melkklier zijn?
En die ‘pathologische’ behoefte om iets in het mondje te hebben dan? Als het geen speentje is dan maar een knuistje, maar iets móet er in.
Oké, dat is één. Twee zijn de hangtieten van onze dames. Dat heeft volgens mij niks met degeneratie of verval te maken: de supergezond levende pygmee- of San-dames hebben ze nog veel overtuigender. Ze zijn uniek voor mensen: geen enkele andere apensoort kent ze. Dat moet ergens toe dienen. Dus bedacht ik het volgende.
Hoe konden de AP-dames zich roetsj!! in veiligheid brengen, de hoogste boom in voor een naderende leeuw of een woedende buffel, met een baby die zich niet meer aan hun moeder kunnen vastklampen bij gebrek aan beharing bij haar? De hangtieten, met de baby er aan bungelend, hield hun handen vrij om te klimmen! Voor de erectus-dames was er minder boomklim-noodzaak meer misschien. Maar voor de baby op hun rug bleef de rekbare tiet de speen.

van HE’s (H. erectus-mensen) naar HEID’s

Schöningen

In Europa hebben de HE’s zich lange tijd niet laten zien. Op enkele plekken na, in Italië en in Spanje. Europa was lange tijd gewoon een ijsvlakte, op het diepe zuiden ervan na.

Maar rond 500.000 jg, een relatief warme periode die liep van 592,000 jg – 542.000 jg (OIS13, zie p 60) zwierven ze er wel rond en hadden ze zich tot echte jagers ontwikkeld. Want de in Schöningen in een bruinkoolmijn gevonden jachtspiezen van 400.000 jg verraden een al oeroud technisch kunnen. ‘Schöningen’ was gedurende de opwarmingtijd die liep van 440.000 jg – 367.000 jg (OIS 11)[18] een paradijselijk jachtgebied. Die mensen noem ik geen HE’s meer maar HEID’s (van H. heidelbergensis[19]). Niet ver daar vandaan en uit dezelfde warme OIS-periode dateren de vondsten van Bilzingsleben, een travertijn-groeve[20]. Daar is een HEID-kampement gevonden, een plek aan een toentertijdse meeroever met drie hutten rond een geplaveide dansplaats.
Althans, zo interpreteer ik dat ‘pleintje’ van 9 m doorsnee. Ze waren toch talige wezens, die met elkaar van gedachten wisselden in gedanst/gezongen gedachten? Levend in een talige wereld, een wereld van benoemde dingen? In elk geval gebruikten ze vuur: er zijn ook sporen van haardplaatsen gevonden.

Wat dansten/zongen ze? Hun woordenwereld!

Het dansen/zingen gaat om de fourageroute van de stamgroep, het ‘zangspoor’. Het is de route die de Grote Voorouder door hun stamgebied heeft afgelegd, tijdens welke Hij/Zij de dingen schiep. Ze leggen deze route al zingend af, in dier voege dat bij elk belangrijk punt (heuvel, bron, bossage, kreek, rots, kloof) een bepaald lied hoort. Het herinneren van de route staat gelijk aan de precieze opeenvolging van die gezangen.

Bruce Chatwin ging eens mee met een westerse explorateur die in opdracht van de regering de ‘heilige plaatsen’ van de Aborigi­nals in kaart moest brengen alvorens in dat gebied een spoor­weg gepland zou worden (nu ze nagenoeg uitgeroeid zijn, begin­nen de Aboriginals de status van beschermde diersoort te krijgen!). Met een paar oude Aboriginals reden ze het Zang­spoor na, in een jeep. Een der Abo’s zat op een rare manier te piepen. Het werd Chatwin pas na enige tijd duidelijk: een auto gaat stukken sneller dan te voet en de Abo moest het Zangspoor nu versneld afraffe­len; net als bij een grammofoonplaat leidde dat tot gepiep! Bruce Chatwin The Songlines 1987

De Abo’s zeggen dat hun Voorouders (in de Droom­tijd, dus een hagedis, kangoeroe of ander totemdier in mensen­gestalte), toen ze uit de Aarde kropen, door het land wandel­den en het al zingend tot leven, tot bestaan brachten. Het ‘chanten’ van die gezangen, die al oeroud zijn overigens, houdt het land in stand. Het Zangspoor, of Droompad van een Voorouder, de fourageroute van de betreffende stam, is dus door de Voorouder (de groep eerste kolonisten) tot bestaan gezongen. Het intense verdriet van de huidige Aboriginals is dat door het verloren gaan van de gezangen ook het land, hun bestaansgrond, verloren is. Zij voelen zich dusdanig één met hun land dat met het verlies ervan elke bestaansgrond voor henzelf verdwenen is. Bij elke stap die de Westerse kolonisten op dat in hun ogen nog lege[21] (want nog zonder boeren) continent zetten, traden zij heilige grond met voeten. Bij sommige missionarissen en zendelingen drong dit besef al snel door, maar pas nu de Aboriginals een ‘bedreigde diersoort’ worden, krijgen oa in Arnhemland ettelijke clans hun voorouderlijke land terug.

Voor antropologen was Australië gelukkig al langer een schatkamer van oorspronkelijk menszijn. Toen het gedurende de laatste ijstijd nog deel uitmaakte, samen met Nieuw Guinea en Tasmanië, van het grotere continent Sahul, was het al door een zeestraat afgescheiden van Sunda, dat met Borneo, Java, Sumatra en Maleisië het zuidwestelijke schiereiland van Eurazië was. Men neemt aan dat het continent op zijn vroegst zo’n 65.000 jg door de AMM’s gekoloniseerd werd. Op grond van uiterlijke kenmerken vermoedt men dat er drie ‘golven’ immigranten geweest zijn. De Abo’s zijn verwant aan Zuid-Indiase negrito’s, aan de Vedda’s van Sri Lanka en aan de Sakai van Maleisië.

Afb uit R.Leakey – De Oorsprong van de Mens, (Natuur&Techn. 1982) Leefgroep van !Kung San (VJ’s) op weg naar hun volgende seizoens-kampplaats . Helaas vermeldt het boek niet of ze er bij zingen.

de geboorte van onze religieuze gevoelens (‘spiritualiteit’)

De beleving van de wereld door onze HEID-voorouders draaide om het dansen/zingen ervan, waardoor die wereld voor hen bleef leven. Wanneer ze zouden ophouden om die te dansen/zingen, zou hun woordenwereld ophouden te bestaan! En dat is helemaal niet zo’n raar denkbeeld.

Een woordenwereld is maar een vlierinkje, gebouwd bovenop ons normale dierlijke bestaan. Vooral aanvankelijk was de woordenwereld een hachelijke constructie die door herhaaldelijk dansen/zingen ervan in stand gehouden moest worden.[22]

In de HEID-fase (500,000 – 250,000 jg) plot ik de geboorte van onze religieuze gevoelens, omdat er uit die fase enkele kampplekken met twee of drie hutten rond een ‘geplaveid pleintje’ zijn opgegraven, zoals de foto van Bilzingsleben hiernaast laat zien. Die kampplek dateert van 370,000 jg, uit het Rheinsdorf Interglacial.

Vanwege de noodzaak van het in stand houden van hun woordenwereld: hun benoemde denkbeeldenwereld, werd elke lieve dag van voedselverzamelen besloten met het dansen/zingen ervan rond het kampvuur. Over de inhoud krijg ik het zo meteen.

Deze afbeelding is ontleend aan het artikel “We believe” van Robin Dunbar in de Special Beyond belief (New Scientist jan.’06). Voor mij een impressie van de dansende HEID’s in Bilsingsleben!

De !Kung-San zijn nog VJ’s. Zie je dat de kinderen door de volwassenen als volwaardige deelnemers aan hun ‘wereld’ worden gerespecteerd?

Ik wil hier graag even wijzen op de betekenis van het woord religie volgens Van Dale Etymologisch Wb: religie (van lat. relegere: weer bijeenlezen, opnieuw doorlopen, telkens overwegen). In deze betekenis komt dat herhalen goed tot uitdrukking. Maar de gewone ‘dikke’ Van Dale geeft ‘godsdienst’ en ‘geloofsleer’ als betekenissen. Hier zie je de verwarring al. Godsdienst en religie worden door gelovige maar ook wetenschappelijkere schrijvers door elkaar gehaald. Dan krijg je dus nooit duidelijkheid.

Terwijl het toch zo duidelijk is als wat: we worden religieus geboren, maar niet godsdienstig. De godsdiensten zijn van zeer recente datum en ze parasiteren op onze religieuze gevoelens. We kunnen het, wanneer patriarchale gijzelnemers het ons niet beletten, met of zonder willekeurig welke godsdienst stellen maar blijven wel religieuze neigingen vertonen. Al is het maar met ‘hymnes’ en andere samenzang in stadions. Of met massale toestroom van jongeren naar Keulen om de paus te zien. Of met de danslust van onze dames. Duidelijkheid is vooral voor de vrouwen van belang: ze zijn immers religieuzer dan mannen. Op alle foto’s van religieuze of spirituele seances zie je voornamelijk vrouwen bezig.

We laten de Bilzingsleben-HEID’s maar dansen, we gaan nu het spotlight richten op het fenomeen van het Scheppingsverhaal, het ‘thema’ van al dat gedans. Nee, ik moet eerst uitleggen hoe wij tot dansende apen geworden zijn.

de dansende aap

Gebarentaal is lichaamstaal: niet alleen je handen met die tien vingers, maar ook je lichaamshouding en je mimiek en je stemgeluiden spelen er hun rol bij. Vooral bij de emotionele ‘performances’ rond het kampvuur maakten de Vroege Mensen (alle vooroudervarianten tot aan de AMM’s) bij het uiten van wat er in hen omging bewegingen die wij nu als ‘ballet’, dus als dansen zouden zien. Alleen al het feit dat mensen dansen zou voor de taalkundigen voldoende aanwijzing moeten zijn dat ons taalvermogen als gebarentaal begonnen is!

Het dansen ging onverbrekelijk gepaard met zingen. Vandaar mijn gecombineerde aanduiding ‘dansen/zingen’.

Hoezo zingen? Mensapen kunnen toch niet zingen? Nou, gibbons kunnen aardig zingen. Maar ik geef toe: hun gemeenschappelijke vooroudersoort met die van ons ligt wel heel ver in het verleden terug. Maar ook de vobo’s zullen, net als de communicatieve bonobo’s[23] hun stem voortdurend gebruikt hebben bij hun bijeenzijn, en hun communicatieve gebaren zullen zeker ook met stemgeluiden gepaard gegaan zijn. Bij de emotievolle ‘performances’ rond het kampvuur zullen de stemgeluiden een groeiende rol zijn gaan spelen: de emotionele kreten zullen steeds langer en melodieuzer zijn aangehouden.

Wij, Westerse mensen, zijn het nagenoeg kwijtgeraakt; maar Afrikaanse mensen dansen/zingen nog steeds bij alles wat ze doen. Niet alleen bij religieuze bijeenkomsten maar ook bij huishoudelijk werk of veldwerk[24].

de tobbende aap

De almaar groeiende afstandelijkheid door de namen voor de dingen heeft de vobo’s uit hun normale en onbekommerde dierlijke bestaan verdreven.

Ook voor onze mededieren is de natuur wreed en kent ze geen mededogen. Het is eten en gegeten worden. Het is groot en sterk worden om vervolgens af te takelen. Tijden van overvloed wisselen af met hongersnood. Maar onze mededieren ondergaan dit zoals wij doorgaans de jaargetijden beleven: zonder erover te tobben. Ze blijven eten zoeken tot ze er bij neervallen of door een roofdier gepakt worden, maar ze tobben niet en hun roofdieren doen dat evenmin.

Doordat de vobo’s hun wereld onder namen gingen brengen, kregen ze een talig bewustzijn. Dat is een ‘bordkartonnen zolder’ bovenop hun normale groepsdierlijke zelfbewustzijn, waarop ze voortaan en in groeiende mate gevoelsmatig meenden te leven. Binnen dat bewustzijn ‘weet’ je dat leuke maar ook kwalijke dingen die in het verleden gebeurd zijn, weer kunnen gebeuren. Bij normale dieren zijn die dingen in hun geheugen gekoppeld aan bepaalde tekenen; bij afwezigheid van die gewaarwordingen denken ze niet aan die dingen. Mensen kunnen ze naar believen voor hun geest halen, of lijden onder de dwanggedachten er aan. We hebben namen voor de dingen, en zoals J. Huglins Jackson[25] al rond 1900 zei: We speak, not only to tell others what we think, but to tell ourselves what we think.” We zijn ‘tobbende apen’ geworden.

Normale dieren kennen doorgaans geen onzekerheid. Wanneer de dingen gaan volgens de ordening waarop hun instinct is afgesteld, kennen ze geen twijfel. De echte ezel tussen twee hooibergen twijfelt niet maar begint meteen te eten. Maar onze voorouders zijn hun instinctmatig handelen steeds meer ondergeschikt gaan maken aan het overleggen met elkaar. Of met zichzelf: reflectie heet dat. Het jezelf kunnen verplaatsen in een ander. Hogere groepsdieren zoals mensapen kennen dat ook al wel een beetje[26], reflectie. Onze voorouders zijn dat enorm gaan uitbouwen, met hun namen voor de dingen.

Hun instinctzekerheid verloren ze hierdoor meer en meer. Hun handelen werd steeds meer het resultaat van onderling overleg en steeds minder instinctmatig ingegeven. Het instinctieve gedrag werd meer en meer weggedrukt, je kunt geen twee kapiteins hebben op het schip van je besluitneming. Maar dat eiste wel zijn tol.

Alles wat je niet kunt begrijpen, beangstigt je. Angst en twijfel werken verlammend, daar kun je niet mee leven. Onze voorouders zijn het verlies aan instinctzekerheid dan ook van stond af aan gaan compenseren met twee zekerheidsverschaffende mechanismen: herhalingen en geloven.

Herhalingen: Het elke dag opnieuw bevestigen van hun woordenwereld door deze elke avond rond het kampvuur te dansen/zingen in het scheppingsverhaal ervan. De repeterende bewegingen en geluiden daarbij, het ritme, gaandeweg versterkt met trommelen op geluidmakende dingen.

Maar vooral ook: de dingen doen zoals ze altijd al gedaan werden, dus tradities, gewoonten, gebruiken. De paleo’s verbazen zich over het inderdaad opmerkelijke feit dat de HE’s zeker anderhalf miljoen (!) jaar lang hetzelfde type vuistbijl hebben gemaakt. De verklaring is simpel. Tradities geven een gevoel van zekerheid, broodnodig, zeker zo kort na het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid. Maar ook vandaag nog kunnen we primitieven of oude boerenmensen nog betrappen dat ze de opmerking van iemand een paar keer ter bevestiging herhalen. Het handjeklap van de veeboeren is ook zoiets. Voor onze kleuters kunnen bepaalde spelletjes niet vaak genoeg herhaald worden; het stopt pas als opa ‘de handdoek in de ring gooit’.

Herhaalde bewegingen met het lichaam, zoals bij het lopen door het clangebied, maken rustgevende endorfines vrij[27]; daarom zijn we dol op ritmes en dansen.

– Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag zou willen dat ze zijn of zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloof in magie, in magische (invloedrijke) handelingen en rituelen. Geloven dat de dingen-buiten-je net zo zijn als je zelf bent (antropomorfisme[28]) en dat je zelf net zo bent als de overige levende wezens (totemisme); dat de dingen denken, net als wij, dus een geest hebben (animisme). We kunnen onszelf werkelijk van alles wijs maken, of láten maken. Niets mis mee overigens, zo lang er maar geen misbruik wordt gemaakt van onze lichtgelovigheid. Maar later zijn we in situaties terechtgekomen dat de ene mens macht kon uitoefenen over de ander, en omdat macht altijd en iedereen corrumpeert, lag dit misbruik voor het grijpen.

het bastion van heiligverklaring

Onze voorouders hebben de onzekerheid waartoe ze veroordeeld waren door hun overstap op talig bewustzijn (ratio, het begrijpen van de dingen), leefbaar proberen te houden met geloof en magische rituelen. Deze zekerheden waren echter bedenksels, waren pseudoverklaringen van de werkelijkheid waar het echte weten van de dingen nog tekortschoot. Voor westerse mensen die beschikken over een al vier eeuwen bestaande traditie van het natuurwetenschappelijk bekijken van de dingen, met steeds betere kijk- en meetinstrumenten, en wier denkwereld ‘onttoverd’ is, is het moeilijk meer voor te stellen dat hun wereld een eiland is in een oceaan van mensen die in een heel andere wereld leven[29]. Een wereld waarin de mensen nog geen andere middelen hebben om hun bestaans-onzekerheid te bezweren dan het geloof en de tradities.

Omdat ook deze mensen ten diepste altijd wel voelen dat dit bedenksels zijn, moeten ze (en moesten onze voorouders) deze diepere twijfel onschadelijk maken met heiligverklaring van deze zekerheden – en het kalt stellen van vrij-denkers natuurlijk.

Heilig is: onaantastbaar, mag je niet aankomen, mag niet worden betwijfeld of ter discussie gesteld. In de Islam-wereld, waarin engelen, duivels[30] en andere geesten nog volop rondwaren, vigeert de heiligverklaring virulent. De enkeling die kennis heeft genomen van het westerse denken durft daar vaak niet voor te kiezen omdat hij (vaker is het een ‘zij’!) dan de denkwereld van zijn ouders en overige familie verlaat; behalve dat dit smartelijk is, is het, vooral voor vrouwen, niet zonder lijfsgevaar.

Maar … dat staat haaks op de onstuitbaar voortgaande groei van ons bewustzijn, ons weten, onze ratio, het enige dat ons werkelijk van onzekerheid kan bevrijden! Tamelijk dramatisch, toch? … Maar ook hún kinderen worden geboren in een andere tijd.

en nu het scheppingsverhaal

Duizenden namen voor duizenden dingen, dat wordt een chaos in je kop als je die begrippen niet ordent, niet in een logische samenhang brengt, niet in een verhaal hangt. Dat hebben die talig geworden wezens vanaf het begin, hoe stuntelig aanvankelijk ook, gedaan. En ook voor ons vandaag begrijpen we gebeurtenissen en processen pas goed als we ‘het hele verhaal’ ervan kennen.

Het meest voor de hand liggend was natuurlijk de van a tot z vorm. Het Verhaal, dat vertelde hoe de wereld begon. Hoe de dieren tot en met de mensen (en dat waren zij zelf, niet andere stammen[31]) ontstaan waren. Dat Verhaal werd bij elke gelegenheid gedanst/gezongen.

De belangrijkste figuur er in is de Grote Voorouder. Dat is de samentrekking tot één Figuur van de groep vrouwen, kinderen en mannen die het stamgebied in vervlogen tijden voor het eerst in gebruik genomen hebben. Hoe kwamen de HEID’s op dat idee?

De HERG’s en hun nakomelingen, de HE’s, verspreidden zich over heel Eurazië. Wanneer een leefgroep te groot werd, ontstonden er spanningen en dan besloot een groepje jonge vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen, te gaan ‘koloniseren’[32].

Dat gebied was nog niet door mensen betreden. Dus de bergen en rivieren, de moerassen en de kloven hadden er nog geen naam. Voor talige wezens zijn de dingen er pas (zijn ze er zich pas echt van bewust) wanneer en in zoverre ze onder woorden gebracht zijn. Zo’n nog onbetreden gebied was dus ‘woest en ledig’[33]: nog onbenoemd.

“In den beginne was het Woord [34]… “ : die groep vrouwen, kinderen en mannen waren de eersten die daar de dingen (heuvels en rotspartijen, rivieren en moerassen, bergen en ravijnen, bomen en planten en dieren) hun namen gaven. Hetgeen voor talige wezens betekent dat ze die dingen daarmee het aanzijn gaven, in het bestaan riepen, schiepen[35].

Voor hun nakomelingen was die groep eerste ‘kolonisten’ dus de Schepper van het stamgebied: de tot één Figuur samengetrokken groep[36]: de Grote Voorouder[37].

In de loop der duizenden generaties bleef er soms weinig van het oorspronkelijke kolonisatieverhaal over, maar bij de Aboriginals is het nog verrassend herkenbaar.

Bijvoorbeeld het Scheppingsverhaal van de aboriginalstam van de Wilde Honing. Voor de onderzoeker ervan, Ad Borsboom[38], herkenbaar omdat hij weet van de eerste ‘kolonisatie’ van Australië, zo’n vijftigduizend jaar geleden. Daar draagt hun Scheppingsverhaal nog steeds de sporen van.

Wie het lied kent van een bepaald stuk route (gebied), mag leven van dat gebied: dat is de enige vorm van privé-bezit die ze kennen; iemand erft het lied, dus een stukje van de zangroute, van zijn clan. Hij/zij kan het lied uitlenen, hij/zij kan ook een lied van iemand anders lenen; het enige wat niet kan, is het lied weggeven of verkopen: het land ben je namelijk zelf! Een routegezang in de verkeerde volgorde zingen is het allerergste wat iemand zou kunnen overkomen: een catastrofale vernieling van het land en zijn eigen bestaan! Maar dat overkomt ze niet want hun geheugen is nog onaangetast door het schrift. Zij hoeven een zang maar één keer te horen[39]

Maar van het kennen van alleen je eigen routegezang kun je niet leven.

“Natuurlijk,” legde Charlie uit, “we kennen niet alleen onze eigen dreamings (zo noemen de Aboriginals hun zang/dansen), maar ook die van de clans van onze vrouwen en schoonzonen. Het grondgebied van hun clans ligt naast het onze. Dat land moeten we ook kennen, anders kunnen we niet leven. Het clangebied van onze vrouwen is zeer waterrijk, dat van ons voor het grootste deel tamelijk droog. Stel je voor dat we alleen van ons gebied moesten leven, dan zouden we aan het einde van de droge tijd van dorst omkomen. Als we hun liederen en dansen kennen, kennen we ook hun land. En andersom hetzelfde. Onze schoonzonen moeten onze dreamings kennen, anders kunnen ze niet goed voor onze dochters en kleindochters zorgen.”

(uit De clan van de Wilde Honing van Ad Borsboom, Haarlem, 1996)

De scheppingsverhalen van de weinige nog oorspronkelijk levende VJ-clans over de hele wereld vertellen hoe de Grote Voorouder (in elk verhaal een eigen naam, half dier half mens maar onveranderlijk noch man noch vrouw en dat klopt want het was een groep!) het clangebied binnen kwam en op zijn tocht – Hij/ZijHet kon zich door de lucht maar ook onder de grond door verplaatsen – liet Hij/Zij/Het overal de belangrijke dingen achter. Op één plek ook de zielen, die bij een vrouw konden binnendringen en daar een nieuw leven beginnen; naar die plek keerde de ziel na iemand overlijden terug om een nieuwe kans af te wachten. Op het einde van de tocht verdween Hij/Zij/Het onder de grond. Alle geschapen dingen werden ook belangrijke dreamings (zo noemen de Abo’s zowel de scheppingsverhalen van de afzonderlijke clans als de Figuren in die verhalen). Elke dreaming is zowel een dans als een lied als een afbeelding (op iemands lichaam geschilderd, of als zandfiguur op de grond, of op een heilig voorwerp), als iets (boom, honing, bij, rots, moeras, vis, regen) in de werkelijkheid. Een dreaming bestaat dus altijd in vijf verschijningsvormen.

Je kunt wel denken dat onze voorouders primitief waren, maar het is voor de antropologen, toch niet de domsten uit de klas, razend moeilijk om zowel hun taal, hun clanverhoudingen en hun familieverhoudingen als hun religieuze wereld enigszins door te krijgen. Ad Borsboom geeft het ronduit toe dat de diepere ‘theologische’ discussies van de ouderen hem ver boven de pet gaan. De Abo’s hadden geen beschaving en geen kleren en machinegeweren, maar ze moeten de oppervlakkige, onspirituele westerlingen die hun heilige land en daarmee de Abo’s zelf onder de voet liepen zonder ook maar het geringste besef van wat ze aanrichtten, toch wel intens diep hebben geminacht.

Het Scheppingsverhaal (oorsprongsmythe), dat uit heel veel dans/zangen bestond, werd bij alle belangrijke gelegenheden door de clan gedanst/gezongen; geen gebeurtenis (ziekte of dood, eerste menstruatie of huwelijk) of het Verhaal kwam er aan te pas, met inkorting van dan niet ter zake doende delen en uitbreiding van het onderdeel dat dan juist wel ter zake deed. De gebeurtenis bij uitstek was natuurlijk de initiatie van de jongeren bij hun intrede in de volwassenenwereld. In die dagen werd het hele Scheppingsverhaal gedanst/gezongen.

Voor onze voorouders vormde het dansen/zingen van hun Scheppingsverhaal, elke avond rond het kampvuur, het heilige punt van de dag waar ze naar toe leefden. De Yanomamö maken zich nog elke avond mooi, met beschildering van hun lichaam, met veren om hun arm en stokjes door hun wang. Elke avond, en dat al duizenden generaties lang. Het Scheppingsverhaal ís hun wereld en hun leven. Wij hebben vandaag nog steeds het gevoel dat de avond gevierd mag worden met een muziekje en een drankje, een ‘ritueel’ waar we overdag al werkend naar toe leven. De televisie heeft er zich in genesteld, een verrijking die toch eigenlijk wel een verarming is omdat die onze eigen activiteit en inbreng uit handen neemt.

Wanneer je nagaat dat ons voorgeslacht zijn (woorden)wereld al zo’n twee miljoen jaar op deze wijze beleefd heeft, dan weet je dus dat dit bij ons, mensen, een overerfelijke neiging moet zijn geworden. Dat dit het religieuze gevoel is waarmee we nog steeds ter wereld komen. Als baby huilt, neemt mama het op en gaat er zachtjes zingend mee rond deinen. Baby wordt stil en lacht: ‘kent’ dit ergens van! Dan moet het toch duidelijk zijn waar het gevoel van “er moet IETS zijn” vandaan komt ook al zie je nooit meer een kerk van binnen.

We hebben heel wat neigingen uit onze VJ-prehistorie overgehouden. Een heel lastige neiging is om ons vol te vreten als er overvloed is. In onze consumptiemaatschappij waarin de overvloed structureel is, leidt dit tot het ernstige obesitas-probleem. Onze religieuze neiging is er ook zo een. Net als aan de vreetneiging hóeven we er niet aan toe te geven. Maar het is niet terecht als ik beide neigingen op één hoop gooi. De vreetneiging raken we liever kwijt. Maar de religieuze draagt ons verlangen naar eenheid, en dat hebben we nodig om als mensheid de opdoemende problemen het hoofd te bieden. Daar ga ik nu niet verder op in, dat doe ik in Deel III.

Ik kan dat niet genoeg benadrukken: onze vroege voorouders waren talige wezens geworden, en beleefden hun wereld als een woordenwereld, die alleen door hem elke dag opnieuw dansend/zingend te herscheppen, in stand bleef. Voor ons-nu is het allemaal zo vanzelfsprekend dat de dingen blijven ook al noem je ze niet voortdurend. Maar we mogen op geen enkel moment vergeten dat onze voorouders als gewone dieren begonnen zijn en dat hun ‘woordenwereld’ nog elke dag opnieuw bevestiging behoefde.

zangroutes, songlines

Het scheppingsverhaal wás hun wereld. Ik heb het wel telkens over ‘hun stamgebied’ maar ze kenden heel lang geen territoria. Aan elke plek (bos, kloof, moeras, heuvel, grote steen) van hun leefgebied was een mythe verbonden, een dreaming (tegelijk een verhaal, een zang/dans en een afbeelding). Een fourageroute bestond uit een opeenvolging van zulke heilige plekken, en was derhalve een gezongen route, een songline. Deze songlines gingen kriskras door een heel groot gebied, en kruisten de songlines van andere groepen.

Hun leefgroepen waren klein, in elk geval niet groter dan het voedselaanbod van het leefgebied toeliet. De aantallen van hun leefgroepen waren ook beperkt[40], hun wereld was nog eindeloos. Ze trokken van de ene bekende kampplaats naar de volgende vaste kampplaats en dat hing volledig samen met wat er daar op dat moment van het jaargetijde verkrijgbaar was aan planten en dieren. Hun aantallen, zowel van één leefgroep als van hun leefgroepen tezamen, zijn twee miljoen jaar lang zeer beperkt gebleven, met een trage uitbreiding maar soms ook akelig dicht bij de rand van uitsterving[41]. Lieden die beweren dat onze vroege voorouders elkaar de hersens insloegen, weten echt van niets. Onze vroege voorouders waren blij als ze elkaar tegen kwamen op hun voedseltochten: gelegenheid tot feest en tot uitruil van jonge partners en ervaringen. Ze hadden elkaar veel te hard nodig om te overleven. Oorlogen zijn van jonge datum, we zullen het nog gaan zien.

Hun stamgebied was een route, met vaste pleisterplaatsen waar de vrouwen voor kortere of langere tijd hun hutjes in elkaar flansten. ‘Bilzingsleben’ was zo’n vaste kampplek. Waarschijnlijk verbleven ze daar wel een maand of zo, want het was een ideale plek; misschien was het zelfs hun hoofdkamp.

Zo stel ik mij het basiskamp van de Bilsingsleben-HEID’s voor. Maar dan zonder honden natuurlijk. En de HEID’s hadden niet van die grote koppen. Maar die hutjes? Precies!

Dit zijn Efe-pygmeeën , die in het oerwoud van Congo-Brazzaville leven. Ze arriveren op een bepaald moment in het seizoen op deze plek, de vrouwen bouwen er hun hutjes en dan verblijven ze er een aantal weken. Tot ze het tijd vinden om weer op pad te gaan. Ze zijn VJ’s. Ten tijde van de Bilzingsleben-mensen waren er nog lang geen AGR’s. Hun bestaan was nog onbedreigd. (VJ’s zijn verzamelaars/jagers, AGR’s zijn boeren.)

De route was een langwerpige lus, vanuit het hoofdkamp via een aantal tussenkampen naar het verste kamp en dan langs een andere weg via weer andere tussenkampen terug naar het kamp waar ze het langst toefden, hun hoofdkamp dus. Waarmee ook het jaar rond was; helemaal seizoensgebonden.

Die route wás hun

wereld, en die legden

ze zingend af. Ze

kenden hun wereld

door die te zingen en

hun scheppingsVerhaal

was misschien wel de

route in ’t kort.

De wereld van de

weinige pure VJ-(verzamelaar/jager-)groepen die er nog bestaan, er nog steeds zo uitziet.

(Kaart uit Het Spoor der Beschaving van John A.J. Gowlett, Elsevier, 1984)

Heel belangrijk ook: hun zangroutes kruisten op vaste momenten van het jaar die van andere groepen. Wanneer die ‘anderen’ nog niet gearriveerd waren, wachtten ze gewoon tot ze verschenen. Belangrijke momenten van feesten en uitwisselingen van kennis, producten en partners.

Met nadruk zij hier ook vastgesteld dat, hoewel wij onze voorouders al twee miljoen jaar lang als mensen (Homo) zien, zij zichzelf altijd als dieren hebben beschouwd, zich in niets gescheiden voelend van mededieren. Hun mededieren communiceerden weliswaar niet met taal maar gaven blijk van het bezit van meer kennis (instinct!) dan onze talig geworden (dus niet langer instinct-gedreven levende) voorouders zichzelf toedichtten. Hoewel hun zintuigen (gehoor, reuk en gezicht) net als hun lichaamskracht, oriëntatievermogen en visuele geheugen nog steeds veel sterker waren dan de onze vandaag, waren die toch al flink aan het achterblijven op die van hun mededieren. Daarom letten ze scherp op het gedrag van die dieren. Dat die nalieten om hen op de hoogte te houden interpreteerden ze als slimheid: de bavianen of de kraaien zwijgen als wij in hun buurt zijn omdat ze ons te dom vinden!

De wereld van onze VJ-voorouders was een dierenwereld; ze zagen zichzelf als dieren en als afkomstig van dieren. Ieder clanlid kreeg bij haar/zijn geboorte een diersoort als totem.

Kijk eens hoe mooi ik daar zwem! fluistert de indiaan tegen de antropoloog. Ach, gekkie, dat is een otter! lacht de westerling. Nee, dat ben ik!! sist de indiaan woedend, en denkt: die witten zijn echt stom, ze kunnen niks en ze weten niks.

Het totemisme hield ook het taboe in op het eten van en jagen op je totemdier. Dit droeg bij aan het voorkomen van overbejaging van een prooisoort.

De !Kung San leven in het gedeelte van de Kalahariwoestijn dat in Namibië en Botswana ligt. Hun taal bevat veel klikgeluiden die als !k of dergelijke tekens moet worden weergegeven.

Op precies deze manier maakten de Bizingsleben-dames hun hutjes, en lieten die ook weer in de steek na gebruik. Sommige onderzoekers brengen juist die verlaten kampen van de !Kung San en andere VJ’s minutieus in kaart, met alle achter-gelaten afval. Om die plattegronden te kunnen vergelijken met die van oude vindplaatsen in Olduvai en bij het Turkanameer. Ze blijken qua achtergelaten dierenbotten en kapotte werktuigen verrassend eender! Het vergankelijke materiaal als graafstokken of dierenvellen moet je er dan wel bij denken. (Uit: De Oorsprong van de Mens van Richard Leakey. (Uitg. Nat.&Techn. 1982)

De Kalahariwoestijn is ongelooflijk vlak, met hier en daar dor gras, kale struiken en wat bladerloze bomen, als in een snikhete winter. Toch verzamelen de vrouwen daar het dagelijkse voedsel en verzorgen de kinderen terwijl de mannen op jacht zijn. En als het te verzamelen voedsel schaars wordt, gaan ze met de hele groep, van een mens of twintig, op pad naar een volgende kampplek. En … ze voelen zich de koning te rijk. En zijn gezond. En gelukkig!

VJ’s (verzamelaars/jagers)

99,5 % van de tijd dat we mensen zijn leefden we als VJ’s. Dat is onze menselijke natuur.

Het volgende citaat, ontleend het aan het boek The other side of Eden van de Engelse antropoloog Hugh Brody (vert. De andere kant van het paradijs, Atlas 2001), vind ik een goede indruk geven van hoe onze voorouders 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geweest zijn.

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte. Vooral de vertrouwde stem van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Dat mag ze zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.

Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[42] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen[43].

Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn, ondanks de woestijn- of pool-achtigheid van hun leefgebieden, opvallend gezond[44] en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om[45]. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken. Want – voordat je misschien aan het romantiseren slaat – het VJ-bestaan is, zoals dat van hun mededieren, hachelijk. Je weet bij het wakker worden nooit wat en óf je die dag zult eten. De natuur is hard en kent geen mededogen. Want ze is, meer nog dan de vrije markt, een dom mechanisme. Maar onze voorouders hadden vanaf hun dier-zijn nooit anders gekend.

Op deze VJ-manier hebben onze voorouders 99,5% van de tijd dat we ze mensen (Homo) noemen, dus vanaf 2 mjg, geleefd. Zo te zijn en zo de wereld en het samenzijn te beleven, dat zit overerfelijk in ons wezen. Dat is – ik kan het niet vaak genoeg herhalen – onze menselijke natuur. Wanneer we van nature agressief zouden zijn, zoals sommige rechtse filosofen beweren om er hun conservatieve standpunten mee te kunnen onderbouwen, zouden we genieten van zinloos geweld. Maar het tegendeel is waar: we raken erdoor ontregeld en gaan radeloos in de weer met waxinelichtjes, speelgoedbeertjes en stille tochten.

Pas in die laatste 0.5% zijn de mensen door overpopulatie met elkaar in gevecht geraakt en zijn de mannen macht gaan uitoefenen over de vrouwen. In die laatste 0,5 % ook zijn de vrouwen op het telen van voedsel overgegaan, zijn de mensen in steeds definitievere behuizingen gaan leven en hebben hun vrije VJ-bestaan vaarwel moeten zeggen. Zijn ze boeren (AGR’s[46]) geworden. U en ik zijn AGR’s.

We zijn vanaf toen weldra in klassenmaatschappijen komen te leven, met despoten en in slavernij. Het dieptepunt van het gefrustreerd worden van onze goede VJ-natuur. Zodat we ons nu die voorouderlijke VJ-harmonie nauwelijks meer kunnen voorstellen en u in eerste instantie geneigd zult zijn deze voorstelling van Hugh Brody als romantisering af te doen. Brody is nog pas één van de weinige antropologen die dit feit beseffen. Want ook de antropologen – en ook Brody – hebben nog geen idee over hoe mensen van apen mensen geworden zijn en wat ons zulke ‘aparte’ dieren heeft doen worden.

stam-mentaliteit

Mocht bij het lezen van het stukje over die aardige VJ’s de gedachte bij u zijn opgekomen dat die VJ’s toch wel veel beschaafder zijn dan wij, AGR’s, dan was dat een foutieve gedachte. Beschaving is gewelddadige disciplinering van stammen, na onderworpen en ingelijfd te zijn in het rijk van een geweldenaar en diens troepen. VJ’s zijn aardig, hetgeen wil zeggen dat ze zijn en zich gedragen overeenkomstig onze aangeboren menselijke natuur (‘aard’). We dienen de menselijke natuur steeds in die onheilige drievuldigheid zien. De stam-mentaliteit (of clanmentaliteit) is daarin een vorm van egoïsme maar dan op het niveau van de stam of de clan.

Stam-mentaliteit is de mentaliteit (wijze van denken en voelen) van het individu in een stammengroep. Daarin ervaart het individu zich niet als een apart en uniek persoon, maar ziet het zichzelf uitsluitend als lid van zijn clan en van de stam waar zijn clan toe behoort. Het is een mentaliteit die voor ons, beschaafde[47] West-Europeanen nauwelijks meer invoelbaar is. Je bént je clan, je persoonlijke identiteit vals samen met die van je clan. Dat is waar ik op doelde toen ik zei dat de stammentaliteit een vorm van egoïsme is maar dan op het niveau van de stam of de clan. Het is de mentaliteit van ‘één voor allen, allen voor één’. Mooi als kreet maar niet meer naleefbaar als het de dimensie van je eigen puberclubje overstijgt.

Een stam-individu ziet een medemens óf als een lid van de eigen stam (principieel vriend) óf als een lid van een vreemde stam (principieel vijand).

Doordat een stamlid zichzelf niet als individu ervaart, voelt het alleen verantwoordelijkheid voor en ten opzichte van de stam. Vandaar dat tribalen het niet als een inbreuk op hun persoonlijke keuzevrijheid ervaren wanneer hun huwelijkspartners door hun ouders worden uitgekozen. Het huwelijk is een zaak tussen clans en niet tussen individuen. Vanouds moesten clans over elkaars grondgebied kunnen beschikken en op elkaar aankunnen in tijden van nood. De belangen van twee clans stonden op het spel, dus kon de keuze van partners niet aan zoiets grilligs als verliefdheid worden overgelaten. Stam-mensen vinden het niet meer dan normaal als ze hun partner aangewezen krijgen. Ze beleven hun huwelijk niet als individuen

maar als stamleden: haar familieclan is door de verbintenis geparenteerd aan de jouwe; liefde? een familieclan is toch niet verliefd op de andere? Moeilijk invoelbaar voor ons. Bij onze allochtone medelanders is het een teken van geïntegreerd-raken wanneer jongeren voortaan zelf hun partner willen tegenkomen.

Alle leden van de stam zijn verantwoordelijk voor de daden van alle stamleden. Als een lid van een bepaalde stam iemand van een andere stam vermoordt, dan is de stam van de dader (deze laatste wordt niet als ‘moordenaar’ gezien!) in zijn geheel schuldig. Dan draagt de stam een bloedschuld aan de stam van de vermoorde.

De stam van de vermoorde heeft dan de collectieve plicht tot het wreken van die moord: de plicht tot eerwraak. Elk lid ervan voelt de ereplicht om iemand van de schuldige stam om het leven te brengen. Het hoeft dus niet de dader te zijn die moet worden omgebracht: elk ander lid van diens stam is even geschikt om er de eerwraak aan te voltrekken.[48]

Wanneer de stam van de dader de moord op een eigen lid als terecht en in evenwicht beschouwt, is de zaak afgedaan. Helaas is dat zelden het geval en voelt de stam zich door die wedermoord in haar eer aangetast. Vaak ook doordat de vermoorde als hoog in status was gezien en diens dood dus met meerdere doden diende gewroken te worden. En zo kan er tussen twee stammen licht een bloedvete ontstaan die zich over vele generaties kan uitstrekken. Wraak op wraak kan zelfs leiden tot het uitroeien van een hele stam. In de Bijbel speelt dit gedoe een hoofdrol. Althans in het judaïstische deel. Het christelijke deel, met name in de brieven van Paulus, ademt een minder tribale dus beschaafdere geest: de auteurs daarvan waren producten van de Griekse (Hellenistische) beschaving en waren geen tribalen meer.

de AMM’s (Anatomisch-Moderne Mensen)

Ik heb de Europese HEID-mensen van Bilzingsleben, levend in OIS-fase 11 (440-367.000 jg), op die geplaveide plek tussen hun drie hutten hun Scheppingsverhaal en andere dingen, 33.000 jaar lang[49] laten dansen/zingen. Intussen is de tijd doorgegaan, het klimaat is weer kouder en kouder geworden en gedurende OIS-fase 10 (367-347.000 jg) was de bewuste dansplek voor vele duizenden jaren bedekt met een dikke ijslaag. De Europese HEID’s zijn intussen tot NT’s (Neanderthalers) geëvolueerd. Onze rechtstreekse voorouders zwerven dan nog steeds rond in het warme Afrika – dus gitzwart van kleur.

Ook de NT’s bleven in hun levenswijze VJ’s (verzamelaars/jagers). Daar veranderde heel weinig in. Star vasthouden aan de tradities, dat is de meest opvallende karaktertrek van onze HEID-voorouders en ook nog van de NT’s[50]. En waardoor dat kwam, heb ik op p 29 bevredigend verklaard, dacht ik. Vanwege de noodzaak tot het ‘bijspijkeren’ van hun existentiële onzekerheid van het verlies van hun dierlijke instinctzekerheid, door de overstap op talig bewustzijn, weet u nog?

Er komt pas wat beweging in de starheid van het vasthouden aan de tradities bij wat onze naaste vooroudersoort zouden worden: de Anatomisch Moderne Mensen (vroeger door de paleo’s als H sapiens sapiens aangeduid, hier verder als AMM’s) in Afrika.

Ik heb het al even over ze gehad. Het had te maken met het feit dat de mensapenpopulatie waar wij van af stammen, zo apart geworden is doordat die dieren waren gaan communiceren met gebaren – met de keelgeluiden in een voornamelijk ondersteunende rol. Terwijl het voor ons-nu andersom is: wij communiceren nu met keelgeluiden en laten die opvallend vaak, vooral als emoties meespelen, vergezeld gaan van betekenisloze (evengoed nog steeds functionele!) gebaren.

Die spraakklankencommunicatie is zo’n 150.000 jg begonnen in een Afrikaanse HEID-populatie, waarschijnlijk levend in de streek waar nu Soedan en Kenia liggen. Waar de mensen lang en dun zijn, zoals de hiernaast afgebeelde Dinka-vrouwen (© Neil Cooper 2009 – All rights reserved). In een heet klimaat kun je dat maar beter zijn want dan raak je makkelijker je overtollige lichaamswarmte kwijt en kun je beter functioneren. Zoals je in een ijstijd-klimaat maar beter kort en gedrongen kunt zijn, zoals de Inuit.

Natuurlijk is er altijd een drang geweest om de keelgeluiden zo betekenisdragend mogelijk te laten zijn. Vanwege de ‘onhandigheid’ van de gebarentaal in het donker of om een hoekje of met je handen vol hebben onze vroege voorouders van meet af aan klanken geproduceerd waar ze wél bewuste controle over hadden: [klik!] en [pff!] en [krr!]-geluiden. Het emotiegeladen dansen/zingen van het Scheppingsverhaal, waar hun hele bestaan om draaide, heeft een fundamentele rol gespeeld in het onder neocorticale controle brengen van de zanggeluiden. De vrouwen hebben daar altijd de leidende rol in gehad, zijnde de draagsters van hun samenleven, in alle betekenissen van het woord.[51]

Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is, hoe wij onze spraakklanken vormen. Met ons ‘moderne’ spraakapparaat: een verdiepte keelholte (voor het vormen van klinkers) en een dikke gespierde tongwortel (voor het vormen van medeklinkers). Mensapen beschikken daar niet over en ook onze vroege voorouders niet. De HE’s en de NT’s zullen, nogmaals, evengoed al heel wat betekenisdragende keelgeluiden hebben ontwikkeld in die miljoenen jaren, en hun communicatie hebben verrijkt met een keur van klik!- en blaas- en fluitkklanken.

Welnu, die ‘nilotische’ lange dunne Noord-Afrikaanse MSA’s kregen, vanwege hun langere nekken, steeds meer keelholte. De luchtpijp, die bij paarden en honden en mensapen en vroege mensen normaal eindigt in de neusholte (zodat die tegelijk kunnen ademhalen en slikken en een hele emmer water zonder het benauwd te krijgen leeg kunnen drinken), bleef bij hen steeds permanenter ingedaald in hun mondholte. Zij waren de eersten die zich wel eens verslikten!

Het heeft er alles van dat het vrouwen waren die als eersten ook buiten de rituele voordrachten van het Scheppingsverhaal gingen communiceren met spraakklanken.

Voor de mannen, die sowieso vanuit hun ‘beroep’ al communicatie-armer waren, was die spraakklankentaal aanvankelijk ‘vrouwenwerk’ waar zij, bij hun belangrijke maar hachelijke jachttaken, geen vertrouwen in stelden. Bij hun voorbereidende rituelen bleven ze zich tot de Grote Voorouder richten in gebarentaal (iets wat de hedendaagse Semai-jagers nog steeds doen). Want denk er om, onze voorouders waren nog bijgeloviger dan voetballers en overal zagen ze tekens in. Hun wereld was een dierenwereld en een andere wereld kenden ze niet en bestond dus niet. Nog steeds spelen in de religieuze rituelen, zoals de Roomse Mis, ‘heilige’ gebaren een opvallende rol.

Maar … communiceren met spraakklanken doét iets met mensen.

Met gebarentaal communiceer je met je hele lichaam en gelaatsexpressie. Het waarnemings-vermogen van de Vroege Mensen was onvergelijkelijk veel scherper[52] dan het onze-nu

en het was voor hen onmogelijk om te liegen – zo ze dat al ooit zouden hebben willen doen.

Maar met een stalen gezicht en je handen achter je rug kun je liegen dat het gedrukt staat. Niet dat de AMM’s daar nou een sport van maakten, maar het feit dat ze het kónden maakte al dat ze een ietsje onafhankelijker en individualistischer in het leven kwamen te staan. Iets losser van de starre traditie van de dingen doen zoals ze altijd gedaan waren of zoals de Grote Voorouder het geleerd had. Ze zijn op andere grondmaterialen dan alleen maar steen voor hun werktuigen overgegaan en hebben ook andere voedselbronnen aangeboord. Maar dat die starre traditie ook bij de AMM’s in afgezwakte vorm nog steeds hoofdzaak bleef, moge het volgende fragment illustreren.

Adrian Boshier naderde een klein dorp en hoorde het geluid van een maalsteen. Achter het windscherm bij een der hutten was een vrouw bezig het graan voor de maaltijd fijn te malen, waarbij ze een lied zong. Met een bezempje veegde ze het meel in een schaal en keek met een kritische blik naar haar lwala (de ondersteen), waar een diepe gladde holte uitgesleten was. Ze stond op, ging de hut binnen en kwam terug met in haar hand een donkere ronde steen ter grootte van een sinasappel.

Boshier naderde en begroette haar. De vrouw nodigde hem uit te gaan zitten op een lage kruk in de schaduw van haar marulaboom en bracht hem een kalebas met maswi (zure melk), zoals het gebruik gebiedt. En vervolgde haar werk. Met de kleine donkere steen hamerde ze op de lwala dat de splinters in het rond vlogen. Hij had dit nog nooit zien doen en vroeg haar waarvoor dat was.

‘Dit heet patolo.’ Ze hield de hamersteen omhoog. ‘Mijn lwala is zo glad geworden dat het graan wegglijdt. Hiermee leer ik hem weer de les. Ik geef hem handen.’

Boshier zag dat het een gespikkelde groene granaatsteen was, totaal verschillend van al het andere gesteente uit de streek. Zo te zien ook een oude steen.

‘Hij was van mijn moeder.’ zei ze trots. ‘Dit soort stenen werden vroeger door handelaren hierheen gebracht en we betaalden ervoor met graan of geiten. Maar nu komen de handelaren niet meer. Dit is mijn laatste en als hij op is, zal mijn lwala te dom zijn om nog te werken.’

‘Waarom gebruik je geen beitel om hem ruw te maken?’

De vrouw was geschokt. ‘Nee! Dat is onmogelijk. Alleen steen. Alleen deze speciale steen.’

Uit: LyallWatson De Regenmaker.

De AMM’s werden wat het volharden in starre tradities betreft een ietsjepietsje vrijer dan de Vroege Mensen en gingen ook andere materialen dan steen aanwenden om werktuigen te maken: hoorn en ivoor, en been. Daar konden ze geweerhaakte speerpunten mee vervaardigen. Vissperen en harpoenen! Een heel nieuwe en onuitputtelijke bron van proteïnen opende zich hiermee: de waterdieren. Een behoorlijke verrijking van het menu, die blijkbaar ook een snelle toename van de AMM-leefgroepen mogelijk maakte.

De oudste tot nu toe gevonden afvalhopen van schelpdieren dateren van 164.000 jg. en daar moet je de naam ‘Pinacle Point’ bij onthouden. Dat is een grot aan de zuidkust van Zuid-Afrika. Dat het AMM’s waren en geen MSA’s, daarop wijst ook het gebruik van de typische AMM-stenen werktuigen (‘micro-blades’) en het gebruik van rode oker. Hoewel, ook de NT’s gebruikten al volop rode oker[53] en mangaan. Maar in Swasiland zijn okermijnen van rond 90.000 jg gevonden! Niet zomaar wat gaten in de grond, maar echte mijngangenstelsels, en wel een half miljoen stenen graafwerktuigen. (ScienceOnLine, 3 Oct.2007). Daar moet echt grootscheeps gedolven zijn. Stukken oker: een heel belangrijk ruilmiddel.

Een tot nu toe weinig belichte veroorzaker van nieuw gedrag is de ijstijd die wij hier kennen als de Riss/Saale ijstijd. In onze streken deed die de Noordelijke gletschers oprukken tot waar ik dit nu zit te schrijven: tot aan de stuwwal van Nijmegen. Gedurende die ijstijd (OIS-fase 6, 195-128.000 jg) zat er zo gigantisch veel water in ijsmassa’s opgesloten dat ook Afrika in een woestijn-achtig continent veranderde. Met alleen op de evenaar nog een paar regenwoud-enclaves waar de voorouders van de huidige mensapen overleefden – een moeilijke tijd die grotendeels aan de voorouders van de bonobo’s voorbij ging.

De Afrikaanse familieleden van de Europese NT’s, de MSA’s (Middle-Stone-Age’s), die nog ouderwets leefden van de jacht op groot wild, moeten in die millennia net als hun prooidieren gedecimeerd zijn geweest of misschien wel geheel uitgestorven. Maar de wat flexibelere AMM’s, die zich vooral op waterdieren en watergroente waren gaan toeleggen, overleefden in de kustgebieden. Met name de kusten van Zuid-Afrika[54].

De nieuwe ‘economie’ van de AMM’s maakte dat hun leefgroepen veel groter konden zijn dan die van de MSA’s. In plaats van de ca 25 zielen van de MSA’s telden de AMM’groepen wel 150 individuen. In een kleine groep valt er minder te ‘brainstormen’ en zo er al een nieuw idee ontstaat vindt het weinig gehoor en bloedt dood. Maar in een grote groep vindt een nieuw idee makkelijk een paar aanhangers en dan is het hek van de dam. Behalve dat hun groepen meer individuen telden, groeide ook het aantal AMM-leefgroepen sterk. Wat de uitwisseling van nieuwe ideeën en van nieuw gedrag en nieuwe technieken ten goede kwam.

herramientaHet is een artikel in Nature (okt.’07) dat de tot nu toe oudste vondst van het succesvolle AMM-overlevingsgedrag weet te melden. De recente opgravingen van een team olv de Amerikaanse paleo Curtis Marean in een grot bij Pinacle Point aan de Zuidkust van Afrika heeft de resten van schelpdier-maaltijden, haarden, stenen werktuigen van typische AMM-techniek (kleine maar lange en smalle afslagen, ‘bladelets’ geheten in paleo-termen) en symbolisch gebruik van oker gevonden, te dateren op 164.000 jg. Terwijl de oudste tot dan toe gevonden soortgelijke woonplekken die van de Blombos Cave zijn, daar niet ver vandaan maar van veel jongere datering.

‘bladelets’ oftewel ‘microblades’ uit de grot van Pinacle Point

Rond 125.000 jg was de Riss-ijstijd voorbij en beleefde de wereld OIS 5: 128-75.000 jg, de warme periode van wat hier het Eemien heet. Er leefden nijlpaarden in de Theems en Afrika was weer het grotendeels met regenwoud bedekte continent, nog groener dan zoals wij het vandaag kennen. De voorouders van de chimpansees beleefden gouden tijden, hun leefgebieden breidden zich weer ongekend uit.

Die zeer warme periode was 116.000 jg al koeler geworden maar zou 74.000 jg een abrupt dieptepunt beleven door de explosie van de Toba, waar ik al op gezinspeeld heb en die dadelijk voorbij komt. Maar het is nu nog even Eemien.

De oudste harpoenpunt is van 90.000 jg, gevonden in Congo (zie afb hierboven). Op de Semliki-site, in de KT9-laag. Behalve zeven goedgemaakte benen visspeerpunten, met eenzijdige inkepingen als weerhaken, werden er ook de resten van vis gevonden. En helemaal bijzonder: de sporen van twee hutten. En het meest bijzonder: de onderzoekers maken melding van een pavement, dus een ‘geplaveid’ pleintje. Net als in Bilzingsleben is gevonden.

Veel meer benen gereedschap is in een grot in Zuid Afrika (Stilbaai) opgegraven, van 70.000 jg. Voorlijke, met vissperen foeragerende, AMM-populaties breidden zich snel uit en verdrongen primitievere, nog uitsluitend stenen gereedschap kennende en star-traditionele, HEID-stammen naar randgebieden. Bijvoorbeeld naar het huidige Israël, waar in de grotten van Qafzeh en Skhul onmiskenbare AMM-schedels van 90.000 jg zijn gevonden maar nog zonder benen of hoornen werktuigen. Afrika was gedurende de droge ijstijdmaxima door ondoorkomelijke woestijnen afgesloten van Eurazië, maar gedurende een warme tussenperiode veranderden de woestijnen in grasrijke vlakten en konden kuddes graseters, gevolgd door de hen bejagende AMM’s, door het Nijldal noordwaarts trekken naar (het latere) Palestina, de corridor naar Eurazië. Dat was rond 90.000 jg het geval geweest.

OoA (Out of Africa) – IIa

Onze bakermat ligt in Afrika, daar zijn de meeste paleo’s het over eens. Maar niet alle: er is nog een ‘multiregionale’ groep paleo’s die stelt dat wij, AMM’s, ons uit drie verschillende populaties Vroege Mensen, onafhankelijk van elkaar, hebben ontwikkeld. In Afrika uit de MSA-mensen, in het Verre Oosten uit de late HE’s aldaar en in Europa uit de NT’s.

Maar het DNA van alle nu levende mensen is verrassend uniform en verschilt nogal van het DNA dat men uit NT-botten heeft weten te trekken. De ‘multi’s’ raken echt in de hoek, en de OoA-paleo’s vieren het ene na het andere feestje.

Alweer: de rare continent-vormen geven de toestand gedurende de ijstijd-maxima weer

Waarom die ‘II’ bij Out of Africa staat heb ik al laten weten: de vroegste Vroege Mensen, de HERG’s, waren omstreeks 1.8 mjg met hun kampvuren de eersten die zich buiten de tropen konden wagen en zijn uitgezwermd buiten Afrika. Dat was OoA-I.

De AMM’s zijn in Afrika ontstaan uit de MSA’s aldaar (ik geloof ook niet meer in de multiregionale optie). Door vrijere levenshouding, grotere groepen en grotere aantallen van hun groepen raakte Afrika op den duur ‘vol’ en rond 90.000 jg trok een groep via de Nijldelta noordwaarts, om hun sporen in de grotten van Qafzeh en Skhul achter te laten. Deze eerste ‘golf’, door mij als OoAIIa aangeduid, van die primitieve AMM’s heeft zich vermoedelijk wel verder oostwaarts verbreid maar heeft zich niet vertoond in de NT-gebieden van Europa.

De latere OoA IIb-‘golf’van rond 60.000 jg was van een moderner allooi. Maar tussen die twee uitzwermingen geschiedde een ramp die bijna ons hele Verhaal beëindigde.

Dat is de explosie van de Toba, 74.000 jg. Een wereldramp.

De Toba was tot op dat moment een supervulkaan op Sumatra. Die hele berg is 74.000 jg de lucht in gegaan, een enorme krater achterlatend die zich met water vulde: het Tobameer; een van de grootste en zeker het diepste meer van de wereld. Kijk, tot zoveel geweld is ons planeetje in staat. We zijn echt maar een randverschijnsel, hoor, al zijn we leuk bezig met ons leefmilieu.

Toba Ash Deposit Excavated at Jwalapuram in Southern India

© Science, 9 juni 2009

2,800 kubieke kilometer (!) as ging de lucht in en regende in een langgerekte pluim neer in noordwestelijke richting, midden-India onder een zes meter dikke laag bedelvend. De aarde verduisterde en een zes jaar durende ‘nucleaire’ winter trad in. Door de duisternis en de kou groeiden er nog nauwelijks planten: een massale sterfte tot gevolg hebbend onder de grote planteneters, én onder de roofdieren die op die grote planteneters waren aangewezen. Dus onder de Vroege Mensen! Dat de NT’s, hoe gedecimeerd ook, het blijkbaar hebben weten te overleven, is tekenend voor de taaiheid van dat ras[55]. Ze overleefden in elk geval in Israël, waar ze gewoond hebben in de gebieden waar de primitieve AMM’s toen uit weggetrokken waren.

Voor de Afrikaanse AMM’s en die in het Verre Oosten moet de ramp het minst erg zijn geweest. Niet alleen leefden ze op het zuidelijke en warmste halfrond, ze hadden bovendien voedseltechnisch toegang tot de planten en de dieren van de waterwereld, die iets minder leed onder de ‘nucleaire winter’ dan het land.

Na die zes kritieke jaren leefde de plantenwereld weer op, en dus ook de dierenwereld. Dus ook de roofdieren, waar onder de AMM’s. Ik vermoed dat de kritieke jaren een behoorlijke stimulans hebben betekend voor hun technische vindingrijkheid. In elk geval zijn hun aantallen vanaf toen, en dus ook de aantallen van hun leefgroepen, ‘explosief’ gaan toenemen. De wereld was door het uitsterven van de meeste Vroege Mensen weer eindeloos groot geworden en de AMM-groepen vulden opnieuw[56] alle hoeken en gaten van het Afrikaanse continent. Rond 60.000 jg verschijnt er weer een golf AMM’s[57] in Israël. Maar nu wél met benen en hoornen werktuigen en sieraden van schelpen en been.

OoA (Out of Africa) – IIb

Eén tak van de AMM’s van OoAIIb buigt af naar het noorden, naar het leefgebied van de NT’s. Ze trokken via de Balkan naar de toendra’s van Duitsland, België en Frankrijk: het werden rendierjager-stammen. Het zijn deze mensen die als de Cro-Magnon-mens in Frankrijk zijn aangetroffen en die later de bekende grotschilderingen zullen maken.

Ze hebben de NT’s tot uitsterven gebracht.

Dat is waarschijnlijk met weinig bloedvergieten gepaard gegaan. De NT’s ontweken hen. Voor de NT’s waren die luidruchtige en vreemd uitziende indringers (met hun belachelijk hoge voorhoofd en die úitstekende kin) een nachtmerrie. Ze zagen je gebaren niet eens! En ze wierpen spiezen van grote afstand dwars door je heen (met speerwerpers namelijk). En ze waren met zo velen. Dus je trok met je groep maar weg, naar gebieden waar die indringers zich niet vertoonden.

De oerconservatieve NT’s bleven economisch ook aangewezen op grote prooidieren: zoals oerossen en zelfs mammoets. Terwijl de AMM’s voornamelijk op rendieren jaagden maar ook op kleiner wild, en zeker de helft van hun proteïne haalden uit vis, zeevruchten en gevogelte. Dat maakte dat hun groepen in de loop van de millennia groeiden en groeiden als konijnen, en de NT-groepjes naar steeds onherbergzamere enclaves werden verdrongen. De laatste NT-groepjes hielden stand in Spanje, waar de laatsten 28.000 jg uitstierven.

Links een afbeelding van hoe men denkt dat de Europese AMM’s (de zg Cromagnonmens) er uit zagen. Natuurlijk weer een man afgebeeld!Maar wel geloofwaardig: hij vertoont nog duidelijk de trekken van zijn Afrikaanse herkomst.

De NT (hiernaast, ook weer een man) moet hem maar een griezel gevonden hebben, met dat rare hoge voorhoofd en dat kleine neusje en die lange nek. Maar vooral dat ze met zo velen waren, en dat ze kakelden en dat je er niet mee kon communiceren: ze reageerden totaal niet op je gebaren maar gooiden meteen met spiezen

Het beeld van een minder menselijke NT is waarschijnlijk onterecht. Tenminste wanneer je ‘menselijk’ ziet als: zoals onze soort twee miljoen jaar lang geweest is. Dan zijn de NT’s daar een zuivere voortzetting van en wijken de AMM’s af van dat normale patroon.

Ik ben er ten stelligste van overtuigd dat de NT’s nog perfecte en onaangetaste ’edele wilden’ waren. Onaangetast door overpopulatie. Overpopulatie betekent: teveel leefgroepen in een beperkt voedselgebied. Dat leidt tot overlevingsgevechten tussen de leefgroepen, en oorlog maakt mannen belangrijk. Het is door overpopulatie dat de chimpansees vanaf 2,5 mjg tot oorlogszuchtige macho’s zijn geworden. En het is opnieuw door overpopulatie dat de AMM’s eerst heel Afrika ‘overbevolkt’ hebben en vervolgens, al enigszins tot macho’s en krijgers geworden, onze naaste voorouders zijn geworden. Maar: hun voorouderlijke VJ-natuur in zich meedragend. Doen wij trouwens ook nog steeds, in onze diepste verlangens.

Voor de NT’s was de wereld nog eindeloos groot. Vandaar dat zij zich zonder strijd terugtrokken naar streken waar geen AMM’s waren. Individueel waren ze een AMM zeker de baas. Maar de AMM’s waren met velen (hun leefgroepen telden drie tot vijf keer zoveel individuen als een NT-leefgroep telde. Bovendien waren de AMM’s superieur bewapend: met speerwerpers. Daarmee kon je een werpspies met meer kracht en over een veel grotere afstand en loepzuiver lanceren.

Vergeleken bij de zachtmoedige NT’s waren de AMM’s ook brutaler en agressiever. Ze waren luidruchtig, schreeuwerig, en ze zagen er in NT-ogen eng uit: een soort aliens, lang en dun, hun hoofden met van die hoge voorhoofden, kleine neuzen en naar voren uitstekende kinnen op een lange nek.

Voor de AMM’s waren de NT’s daarentegen niet meer dan aapachtige roodharige monsters. Er viel geen woord mee te wisselen, hoe hard je er ook tegen riep. Áls je er al een te zien kreeg: ze waren nog schuwer dan een antilope.

Al zullen maar weinig AMM’s oog in oog met een NT gestaan hebben, de verhalen over hen deden aan alle vuren de ronde. Het ene verhaal al demoniserender dan het andere. Onder de huidige AMM’s leven de NT’s voort als holbewoners, als kobolden, trollen en kabouters.

Roodharig? De meeste paleo’s waren er al van overtuigd dat de NT’s, immers levend ver van de evenaar, dus in een gebied waar het zonlicht maar half zo sterk is en veelal door bewolking wordt tegengehouden, beter af waren met een bleke huid die ontvankelijker is voor de verminderde ultraviolette straling en de vitamine D-productie voor de botten vergemakkelijkt. Laat daar nu ook genetische aanwijzing voor gevonden zijn! In een Science-artikel van oktober 2007 wordt het onderzoek aan het genoom dat uit bot van twee NT-individuen is geëxtraheerd, beschreven. En wel aan het mc1r-gen, dat de huidpigmentatie regelt. De variant ervan in beide NT-genomen staat voor een lichtgevoelige huid en rood haar.

Maar in de gereconstrueerde afbeeldingen krijgen de NT’s nog steeds zwart haar, blijkbaar. Niet alleen de NT-dame hiernaast, maar ook de NT-heer hierboven die de AMM een griezel vindt.

De dame hiernaast heeft bovendien een te slanke nek gekregen: ik denk dat de NT’s nog een nek hadden zoals mensapen hebben en onze baby’s nog steeds hebben: nauwelijks nek dus. AMM’s hadden lange nekken en wij hebben die nog steeds, zodat we met onze stem kunnen communiceren maar ons ook kunnen verslikken.

Kaart van de AMM-migratie over de wereld, volgens de populatie-genetica (het mtDNA). Alle mensen op de wereld kunnen worden ingedeeld, op basis van overeenkomst in hun mtDNA, in zg haplo-groepen. De letters bij de pijlen geven groepen mensen aan die tot dezelfde haplogroep behoren.

Linksonder is Afrika, onze bakermat. Afrika bevat de haplogroepen L, L1, L2 en L3. Je ziet dat alle Out of Africa-pijlen vertrekken vanuit L3. De bevolking van Afrika kent grote genetische diversiteit, die van de rest van de wereld kent weinig genetische diversiteit. Zo zit het.

Wat dit kaartje niet laat zien is, dat de AMM’s die naar het Verre Oosten zijn getrokken (de onderste kronkelende lijn), dat in twee ‘golven’ hebben gedaan. De eersten waren de nakomelingen van OoAIIa. Voorlopig neem ik aan dat de huidige negrito’s (Andaman eilanden, Noord-Maleisië, Cambodja, Vietnam, Zuid-China, Japan, Filippijnen, Papoea, Australië) nakomelingen van die OoAIIa zijn. Ze waren al voorbij India en in Maleisië aangeland toen de Toba-ramp zich voltrok. De mensen van beide golven leefden van schelpdieren, vis, zeeleeuwen, knaagdieren, maar ook runderen en antilopen.

De huidige Vedda’s (Senoi en Orang Malayu Asli) zijn dan, neem ik aan, de nakomelingen van OoAIIb, van na de Toba-ramp. Maar ik geef onmiddellijk toe dat ik dit denk omdat het dan zo’n fraai kloppend scenario oplevert. Het zou bijvoorbeeld kunnen verklaren waarom de Aboriginals nooit pijl en boog hebben gekend. Ze stammen af van de primitievere OoAIIa-‘golf’.

De negrito’s.

Dit is een foto van de prachtige site van George Weber The Andaman Negrito. Vandaag zijn ze door latere en modernere populaties verdrongen naar de oerwouden en moeilijk bereikbare eilanden als de Andamanen. Die vallen vandaag onder India. De negrito’s zijn kleiner dan de Indiër, die toch ook geen reus is als je er een Nederlander naast denkt. De AMM’s van OoAIIa in beeld!

Waarom zijn ze klein? Omdat ze eilandbewoners zijn. Wanneer je voor je duurzaam voortbestaan geen voordeel hebt van een lange gestalte, verdwijnt die op den duur: een kleine gestalte vergt minder voedsel en dus inspanning om die te onderhouden. Zo zijn de Pygmeeën, regenwoudbewoners, ook klein geworden.

Agta-vrouw, van de oerbewoners van de Filippijnen

De Negrito’s zijn donker en hebben kroeshaar. Samen met de Vedda’s zijn de negrito’s de oorspronkelijke AMM-bewoners van het Verre Oosten. De Papoea’s, de Australische aboriginals, de Tasmaniërs en de Melanesiërs zijn afkomstig van de negrito’s. Deze AMM’s drongen binnen in de leefgebieden van de Homo erectus-mensen aldaar, althans de modernste nakomelingen daarvan, en voor zover ze de Toba-ramp hadden weten te overleven. Net als de NT’s in Europa werden de HE’s door de AMM’s verdrongen naar steeds afgelegener en onherbergzamer gebieden, om daar ook kort na 30.000 jg uit te sterven. Hoewel … de kleine Homo floresiensis-mensen lijken het nog tot 12.000 jg te hebben uitgehouden. Ik heb nog niets gelezen over archeologische bewijzen van HE-nakomelingen in het Verre Oosten uit de NT-tijd.

De vedda’s.

een Vedda van Sri Lanka

De Vedda’s zijn lichter van huidskleur en hebben sluiker haar. Ze leven nog op het Arabische schiereiland en in Sri Lanka. In Sri Lanka zijn ze naar de marge verdreven door de Tamils en die op hun beurt door de Singalezen. Maar ook de Vedda’s zijn niet de eerste ‘kolonisten’ van het eiland. De echte eersten waren de nu uitgestorven Nittevo. Dat waren, op te maken uit de oudste mythen en zangen van de Vedda’s, negrito’s, zoals hun waarschijnlijke verwanten op de Andamanen. Dus nakomelingen van de oorspronkelijke OoAIIa-golf richting Verre Oosten. Ze waren nog echte VJ’s, volgens die verhalen leefden ze van kleine prooidieren als hazen en schildpadden en woonden in rotsspleten of boomhutten. De Vedda’s waren volgens hun oudste verhalen al Tuinbouwers. Een van hun legenden vertelt de ondergang van de Nittevo. Na een verloren gevecht waren hun overlevenden een grot binnengevlucht. De Vedda hadden takkebossen opgestapeld in de ingang, hadden er de brand in gestoken en het vuur drie dagen lang laten branden.

De bevolking van Maleisië is een mengelmoes van rassen (niets mis met dat woord zolang er geen mensen mee worden gediscrimineerd). Behalve de moderne drie grote Aziatische bevolkingsgroepen: de Maleiers (50 %), de Chinezen (30 %) en de Indiërs (10 %) herbergt het schiereiland ook nog een kleine minderheid (zo’n 60.000 mensen bij elkaar) van de zg Orang Asli, de ‘oorspronkelijke bewoners’. Die zijn ook nog onderverdeeld in drie rassen: de negrito’s (kleine zwarte kroesharige junglebewoners), de senoi (met een lichtere huid en sluiker haar, net als de vedda’s van Sri Lanka) en de malayu (primitieve Maleiers). Deze drie hoofdgroepen, elk verdeeld over een tiental stammen, zijn als de oorspronkelijke bewoners door de modernere AGR-kolonisten naar de jungle en andere randgebieden verdrongen.

Toen de Spanjaarden rond 1550 de eilandengroep der Filippijnen in bezit namen (en naar hun koning, Philips II vernoemden), troffen ze het land aan als bewoond, behalve door de agrarische Tagalogs (AGR’s), ook door zich krachtdadig teweer stellende kleine zwarte VJ’s uit de jungle’s die ze ‘negritos’ noemden en waarvan ze terecht vermoedden dat die de meest oorspronkelijke bewoners van de eilanden waren. De Agta[58], waarvan bovenstaande foto een vrouw laat zien, is één van de negrito-volkjes van de Filippijnen. Maar alle landen in het Verre Oosten, tot Japan toe, kent de negrito’s als aller-oeroudste bewoners, al dan niet in mythen.

De AMM’s hebben als eerste mensensoort met overpopulatie-toestanden te maken gekregen. Daarvan getuigt hun genetische diversiteit in Afrika die daar veel hoger is dan elders in de wereld [59](de haplogroepen L, L1, L2 en L3) . Hetgeen er op wijst dat de AMM’s zich eerst over heel het Afrikaanse continent hebben verbreid, tot in alle uithoeken ervan, om daarna pas buiten het continent uit te zwermen op een moment dat daar gelegenheid toe was: gedurende een van de betrekkelijk korte opwarmingsperioden dat de Sahara groen was en de prooidierkudden onbelemmerd tussen de twee continenten heen en weer konden zwerven, met hun predatoren, waaronder de AM’s, in hun spoor.

Overpopulatie betekent overlevingsgevechten, betekent oorlog. Oorlog maakt mannen belangrijk. Ik denk dat bij de vobo’s, bij wie de vrouwen het meeste en vooral het meest constante voedsel inbrachten, er een licht overwicht in status was aan de vrouwenkant. Bij de HEID’s, de Vroege Mensen, werd de jacht op grote prooidieren steeds belangrijker, vooral in de koude gebieden. Dus worden mannen economisch belangrijk en winnen aan status. Bij de NT’s leefden de mannen al gescheiden van de vrouwen, zoals een onderzoek deed vermoeden. Door de overpopulatie, die zich voor het eerst bij de AMM’s heeft voorgedaan, is het overwicht definitief bij de mannen komen te liggen. Ik neig tot deze stelling omdat het mannenoverwicht vandaag overal in de wereld ook bij de meest primitieve en egalitaire stammen zoals bij de San en de Inuit, het geval is. Maar echt machisme[60], dus de onderdrukking van de vrouwen door de mannen, of zelfs regelrechte vrouwvijandigheid, dat komt alleen voor waar stammen met elkaar in permanente oorlog zijn. De ergste voorbeelden daarvan zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. Beide zijn Tuinbouwers (beginnende AGR’s).

kleine leefgroepen vs grote leefgroepen

Ik stelde dat de leefgroepen van de NT’s nog klein waren (net groot genoeg om te kunnen voortbestaan in gezamenlijke inspanning bij verzamelen en jagen maar altijd op de rand van het bestaansminimum) en dat die van de AMM’s groter tot veel groter waren. Dat dit zo was, bewijst de snelle verbreiding van de laatsten over heel Eurazië.

Dat hun groepen groter waren speelt ook een rol in de brutaliteit van optreden en hun vooruitgang in technologische ontwikkeling. Kijk wat dit betreft eens naar de hooligans: hun gewelddadigheid correleert met hun aantallen. Twee weten meer dan één en met een hele groep kun je grote problemen aan. De opeenstapeling van veel individuele intelligenties levert gemiddeld meer op dan wat uit een kleine groep opborrelt. In een kleine groep krijgt een afwijkend standpunt of afwijkend gedrag weinig kans, maar in een grote groep vindt een origineel iemand licht medestander en navolging. Vooral inzake originele en vernieuwende technologische vondsten maakt groepsgrootte nogal wat uit. Dus het pure feit van hun grotere groepen maakte de AMM’s al rijp voor technologische vooruitgang. Wat niet wegneemt dat de vraag naar het begin van hun ontstaan, een kleine 200,000 jg in NO-Afrika, overeind blijft; een vraag waarvoor ik als antwoord heb: hun overgang op gesproken taal.

Het omgekeerde: trage ontwikkeling, stilstand of zelfs achteruitgang in technisch kunnen, vindt ook plaats. De negrito’s die de Andaman eilanden koloniseerden[61], arriveerden daar met een kleine groep. Afgescheiden van de hoofdpopulatie, die verder trok. Het was de technologie waar de handvol individuen in die paar zeewaardige kano’s (met uitleggers en een gevlochten zeil), waar de Andamanezen het verder mee moesten doen. Die behelsde maar een deel van het technologisch vermogen dat in de hoofdpopulatie omging. De Andamanezen hadden wel vuur meegebracht in hun bootjes, maar er was niemand bij die de techniek van het vuurmáken beheerste. Zodat latere blanke onderzoekers tot de ontdekking kwamen dat de Andamanezen, hoe belangrijk het vuur ook voor hen was, niet in staat waren om zelf vuur te maken! Ze moesten het bij de buren gaan lenen als het hunne was uitgegaan, of wachten op een volgende bliksembrand.

Een ander voorbeeld waar ik in deze vaak aan denk is het feit dat de Aboriginals geen pijl en boog kennen. Door het stijgen van de zeespiegel na afloop van de laatste ijstijd raakte hun continent geïsoleerd van de normale culturele uitwisselingen.

de westelijke AMM’s, de Cromagnons

Bij de zgn Grote Sprong Voorwaarts die de latere AMM-populaties in het West-Europa van de laatste ijstijd hebben laten zien, met hun grottenschilderingen en Venusbeeldjes, hun pijl en boog en hun domesticatie van de wolf, heeft naast het groepsgrootte- effect hun opgesloten zitten in hun winterverblijven gedurende de eindeloze wintermaanden een grote rol gespeeld. Op dit soort toch voor de hand liggende oorzaken lijken de grote paleo’s maar moeilijk te komen. Een paleo als Richard Klein ziet maar één oorzaak: een (overigens onaantoonbare) genmutatie, die de Cromagnons plotseling deed praten – dat wil zeggen: taal bezorgde! Daar mag ik toch wel om lachen, dacht ik.

Voor hoe de Cromagnons, de Europese rendierjagers van rond 40.000 jg, geleefd hebben kunnen we veel leren van de Inuit, de hedendaagse ijstijdmensen.

Goeie afbeelding van een Cromagnon-mens? Nou, als er een hedendaagse gemiddeld-grote man naast had gestaan en de Cromagnonner minstens een kop groter zou zijn … De kleren lijken me oké, maar ik mis de amuletten en versieringen. En wat moet ‘ie met die aangepunte paal in zijn handen? En waar zijn z’n wapens?

Terwijl de NT’s op grote zoogdieren als muskus-ossen en zelfs mammoeten bleven jagen en vrijwel uitsluitend van vlees leefden, hadden de Cromagnons een uiterst breed menu. De jacht op rendieren en paarden was belangrijk, maar hun vrouwen verzamelden veel plantaardig voedsel, zetten strikken en vallen voor hazen en konijnen en ze vingen forellen.

Hierboven een NT en een AMM. Het was ijstijd dus je moet ze wel kleren (van rendiervel) aantrekken. De dame hierboven ving de forellen zelf of hielp op z’n minst mee. De NT zonder z’n wapens afbeelden mag eigenlijk niet; geef de NT de speer van de AMM, want het is een typische NT-stootspeer.

De AMM’s hadden verfijndere wapens: speerwerpers en misschien zelfs al een pijlenboog.

Deze NT-afbeelding vertoont wel de korte nek, maar de NT dient een stuk forser te ogen dan de AMM.

Waar de Cromagnons (de Europese AMM’s) vooral beroemd door zijn, zijn hun grottenschilderingen. Er zijn al heel wat theorieën over bedacht. Ik heb natuurlijk weer een eigen-wijze, zie maar wat je er van vindt.

Naast deze grottenschilderingen moet je er altijd de vrouwenbeeldjes uit diezelfde periode bij denken, zoals de Venus van Willendorf (van ca 24.000 jg), die ik verderop laat zien. Dat wijst op gescheiden rituelen van mannen en vrouwen, en dat weer op twee verschillende bronnen van voedsel: die uit de dierenwereld en die uit de plantenwereld.

De grottenschilderingen zijn mannenwerk. Bij de AMM’s zijn de mannen voor het eerst hun eigen rituelen gaan houden. Voordien was het dansen/zingen van het Scheppingsverhaal heel lang een gezamenlijk beleefd ritueel geweest. Maar geleidelijk waren daarin de (vrouwelijke en mannelijke) sjamanen een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Sjamanen zijn individuen die zich gespecialiseerd hebben in het contact leggen met de geestenwereld, de wereld van de dreamings, de wereld van de schepping en de Grote Voorouder. Door intense meditatie en trance, meestal geholpen door drugs, keerden ze terug naar het begin van de dierenwereld, naar de Droomtijd. Daar trachtten ze de antwoorden te vinden op de vragen waar hun mensen mee zaten, of waar zij zelf mee zaten. De sjamanen waren de denkers van die mensheid.

Ook de Inuit hadden (nu zijn ze gekerstend) hun sjamanen. Fred Bruemmer[62] heeft nog het ‘staartje’ van het oude Eskimo-bestaan mee mogen maken, zichzelf als onderzoeker en fotograaf opdringend aan hun leefgroepjes in de ijzige wereld van Noord-Canada en Alaska. Door de opdringende westerse beschaving zijn niet alleen hun aantallen gedecimeerd (door mazelen, tyfus en pokken) en zijn hun oude jachttechnieken versimpeld (import van ijzer, jachtgeweren, sneeuwscooters en buitenboordmotoren), maar ook is hun sjamanistische religie gekerstend. Bruemmer heeft de beroemde oude sjamaan van Little Diomede (eilandje in de Beringstraat) zelf niet meer meegemaakt, maar weet veel van hem uit de verhalen van anderen en ook van diens stiefzoon.

Op een dag kwam de sjamaan bij ons om iets te lenen. Mijn vader, een goede katholiek, zei: Ja, jij kunt je mooie kunsten uithalen in de donkere kasge (de gemeenschappelijke ruimte) maar hier kun je zoiets niet!” De sjamaan keek hem alleen aan, deed zijn parka uit, pakte het grote vilmes waarmee wij walrussen slachten, nam het heft in beide handen en stak dat lange mes in zijn buik. Hij draaide het rond, er vloeide een beetje bloed, wij stonden er allemaal om heen, doodstil. Hij trok het mes er uit, de wond sloot zich en het bloeden hield op. Hij legde het mes op tafel, deed zijn parka aan en ging weg. Niemand zei iets. Mijn vader pakte het mes, er zat bloed aan.” (Verhaal van een andere Inuit)

Assikassak , de oude sjamaan, wist dat zijn oeroude religie met zoveel oeroude kennis en kunde had afgedaan. Bruemmer sprak nog wel diens stiefzoon, die hem vertelde over de geesten die zijn vader geleid hadden, en over de mystieke krachten die hij bezat. Over diens verdwaasde ontwaken uit de trance-achtige reizen naar de Droomwereld. Over diens spreken in oude talen die niemand meer verstond en diens oude kennis.

Wat de kleding betreft: een vrouw kon zo de maat van haar man of kind schatten en sneed de benodigde patronen uit de huiden met haar ulu, het halvemaanvormige vrouwenmes van geslepen leisteen. Ze naaide met nauwe overhandse steken. Als draad gebruikte ze gedroogde rendierpees, de naald was gemaakt van het harde vleugelbot van een meeuw of gans, of van de beensplinter van het rendier. Haar vingerhoed was gemaakt van muskusoshoorn.

Een complete winteruitrusting bestond uit een onderparka die met het bont naar binnen werd gedragen, en een overparka met het bont aan de buitenkant. Een onderbroek en een overbroek volgens hetzelfde principe. Verder bontsokken, laarzen en handschoenen. Bont van de veelvraat of de wolf werd gebruikt voor de rand van de capuchon omdat de rijp van de adem er gemakkelijk van af te vegen was. Een laag gedroogd gras, elke ochtend nieuw, werd onderin de laars gelegd voor extra isolatie en droge voeten. In deze kleding had je het bij –50°C’ in een snijdende wind nog aangenaam warm.

Alle gereedschap, de tenten, de kano’s en ook voor een belangrijk deel het voedsel kwam van de rendieren en andere dieren. Hun materiële wereld was een dierenwereld, en ook hun geestelijke wereld was een dierenwereld.

Het leven werd bepaald door de seizoenen.

De wintermaanden werden doorgebracht in de winterverblijven, waar het werk van de vrouwen (voor het eten zorgen en voor de kinderen en het maken van kleren) gewoon door ging maar gedurende welke de mannen weinig anders om handen hadden dan ’s morgens de vleesopslagplaatsen (onder stapels stenen) controleren en de andere tenten te bezoeken. “We dansten en we zongen en vertelden verhalen”, zei Eskalun. Ze werkten aan hun jachtgerei, aan sieraden van ivoor, been of schelpen, ze maakten ingenieus speelgoed dat zelf kon bewegen. In het voorjaar wachtten ze op de trek van de rendieren, in de zomer op de paarden, in het najaar op de zalmforel. “Als je geluk had, had je genoeg te eten. Als je pech had , had je honger. We hadden dikwijls honger. Maar dan kwamen er weer goede tijden. En de mensen waren blij en dansten.”

Voor de Inuit, aan wier bestaan ik veel van wat ik hier geschetst heb ontleen, was de belangrijkste godin Sedna, de godin van de zee en van de zeedieren. Tot haar werd gebeden voor een goede jacht, en de buitgemaakte walrus of walvis werd met een gebed bedankt dat hij zich door hen had laten vangen en hen in leven wilde houden met zijn dood. Omdat hun poolomgeving weinig aan plantaardig voedsel of vruchten biedt (toch nog meer dan je zou verwachten) kwam hun voornaamste groente (wier) ook uit zee. De belangrijkste leverancier van vitamine C is overigens de muktut, walvishuid, rijker aan vitamine C dan sinaasappels, en robbenlever bevat veel vitamine A en D.

De ‘venus’ van Willendorf (ca 23.000 jg)

Maar voor de Cromagnons was de wereld niet alleen een dierenwereld maar ook een plantenwereld. In de zomer oogstten de vrouwen peulen, bonen, knollen en de aren van wilde eenkoorn en emmerkoorn. Voor hen was ook de plantenwereld een belangrijke bron van voedsel en daarvoor betoonden zij dankbaarheid aan Moeder Aarde, welke ze afbeeldde in de religieuze vrouwenbeeldjes, gesneden uit ivoor of gekneed uit leem vermengd met beendermeel (tegen het barsten) en gebakken in de oventjes van leem en beendermeel.

We zijn met dit alles getuige van een heel nieuw gedrag van de nakomelingen van onze allervroegste vobo’s, van dat doodgewone bosland-mensapengroepje waarin één jong vrouwtje de eerste gebaren-imitatie van wat dan ook maakte tegen haar vriendinnen. Na enkele miljoenen jaren van zeer trage ontwikkeling van gebaren-namen voor steeds meer dingen gingen de nakomelingen het vuur gebruiken en werden talige wezens. In OoA I verbreidden ze zich ook buiten de tropische streken van Afrika, werden HE’s, werden HEID’s en MSA’s (in Afrika) en NT’s (in Europa). 200.000 jg kwam uit een MSA-populatie de AMM’s tot ontwikkeling, die tot nieuw gedrag overging en nieuwe voedselbronnen gingen exploiteren waarmee ze grotere en talrijkere groepen konden voeden. De AMM’s verbreidden zich over heel Afrika en 100.000 jg trok een groep via Palestina (Qafzeh en Skhul) naar het Verre Oosten: OoAIIa. Het groepsgrootte-effect bevorderde vindingrijkheid en vernieuwingen, ze overleefden de Toba-uitsterving succesvol en 65.000 jg volgde een tweede ‘golf’ AMM’s (OoAIIb) die zich behalve naar het Verre Oosten ook naar de NT-gebieden ging verbreiden. Dat werden de Europese ijstijdmensen zoals de Cromagnons. Het barre leefklimaat maar ook de langdurige wintermaanden in de winterverblijven vormden uitdagingen die tot verbazingwekkende staaltjes van vernuft leidden.

Na afloop van de laatste ijstijd volgden veel nakomelingen van de Cromagnons, rendierjagers, de naar de Poolcirkel migrerende rendieren en zouden de Indianen en de eerste Eskimo’s worden. De achterblijvers in Midden-Europa bleven VJ’s, maar in het Midden-Oosten gingen de Natufians over tot Tuinbouw: de eerste AGR’s. Ze waren nog part-time boerinnen, hun mesopotamiemannen bleven nog gewoon jagen. Maar ze bouwden de eerste vaste woninkjes, bewerkten de eerste veldjes en domesticeerden de eerste geiten en schapen. De voedselteelt maakte nog grotere groepen mogelijk. In de Levant en Mesopotamië verrezen de eerste boerendorpen, weldra ook in Egypte.

Het groepsgrootte-effect is vanaf toen zijn rol blijven spelen in de mensheid. Tot op de dag van vandaag. Toen stammen, die vanaf hun vroegste tijden in afzondering hadden geleefd, door krijgsheren in één rijk werden bijeengedreven (beschaafd werden), ging niet alleen de krijgstechnieken maar ook de landbouw- en nijverheidstechnieken met sprongen vooruit en ontwikkelden zich wetenschappen en filosofie.

En vandaag mondialiseert de mensheid en is de technische vooruitgang bijna niet meer bij te benen.

van VJ naar AGR

Het verschil tussen de VJ’s (verzamelaars/jagers) en de AGR’s (de tuinbouwers en boeren) is een belangrijk element in mijn tekst. Nog maar weinig bekend in de antropologische literatuur. Ik heb er al een paar keer op gezinspeeld. In de inleiding al.

Edele wilden. Zo noemde Rousseau de indianen waar men in zijn tijd via de Franse missionarissen in Noord-Amerika kennis van had gekregen. In tegenstelling tot de elkaar in godsdienstoorlogen uitmoordende en koloniale oorlogen voerende ‘beschaafde’ Christenen, bleken die primitieve en nog goddeloze ‘wilden’ uiterst vredelievend en aardig voor elkaar! Dat gaf Rousseau een pessimistische kijk op zijn eigen beschaving – welk pessimisme hem op het heilloze idee van het collectivisme zou brengen maar dat komt verderop ter sprake.

Later kwam er kritiek op de veronderstelde vredelievendheid van de ‘edele wilden’: die bleken elkaar ook uit te moorden! (Dat bedoelde stammen geen VJ’s meer waren maar Tuinbouwers dus AGR’s waren geworden, dat beseften de eerste antropologen nog niet.) Deze ontdekking was koren op de molen van de aloude opvatting dat de mens nu eenmaal van nature agressief is en alleen door beschaving en wetgeving in ’t gareel gehouden kan worden. Deze ‘wetenschappelijk ondersteunde’ (maar niet heus) opvatting wordt nog steeds door conservatieve filosofen gehuldigd.

Natuurlijk zijn mensen van nature agressief: de menselijke natuur is een ‘drieptrapsraket’ en dat agressieve maakt deel uit van ‘trap’1. Het is de primitieve reactie van het zich in het nauw gedreven voelende individu. Een onmisbare eigenschap van elk levend wezen.

Ik hoop dat u onthouden hebt wat ik aan het begin over de menselijke natuur heb uiteengezet. Mensen zijn van nature aardig (anders zouden wij toch juist genieten van oorlog en geweld?) maar we zijn onaardig gewórden door overpopulatie (teveel groepen in een regio) en beschaving (gewelddadige onderschikking van stammensen in een eenheidsstaat).

De menselijke natuur is gedrag zoals dat in miljoenen en miljoenen jaren lang als het meest leefbare uitgeselecteerd is: van nature goed, oftewel aardig. Al die miljoenen jaren leefden de mensen als pure verzamelaar/jagers (VJ’s), en was de wereld nog eindeloos groot. Ze waren aardig: er was nog geen enkele aanleiding om de leefbaarheid van je groep te verpesten door on-aardig te zijn. Het citaat uit het boek van Hugh Brody The Other Side of Eden over het geboren worden als meisje in een VJ-omgeving geeft er een indruk van.

Onze voorouders bleven aardig tot ze in een overpopulatie-situatie belandden. Dat begon al in Afrika, maar nog in lichte mate: de verhoudingen bleven egalitair. Maar zo’n tienduizend jaar geleden werden ettelijke populaties Tuinbouwers (AGR’s), en veel van die Tuinbouwers-gemeenschappen, vooral op eilanden waar je al gauw geen kant meer op kunt, raakten in een permanente oorlogstoestand, met alle gevolgen van machisme van dien. Die populaties werden uiterst onaardig.

Daarbij moeten we wel altijd en voortdurend bedenken dat het aardig zijn voor VJ’s alleen binnen de eigen leefgroep speelt. Ten opzichte van verwante andere groepen wordt het al moeilijker, en ten opzichte van vreemde indringers is de aardigheid volkomen afwezig. Van één gebied kan maar één groep leven – en dat is altijd hachelijk, met goede tijden en slechte tijden. Een binnengedrongen vreemde leefgroep betekent acuut overlevingsgevaar, dus is vechten voor de overleving geboden.

Hieraangaande draag ik al heel lang binnen mijn mensbeschouwing een ‘gruwelverhaal’ met me mee.

Het gaat om een onderzoeker (of missionaris? toevallige gast? ik moet het al 35 jaar geleden ‘meegekregen’ hebben, ik weet echt niet meer waarvan) bij een indianenclan (misschien de Montaignais-Nascapi, die in het noordoosten van het huidige Quebec wonen?). Zulke aardige mensen, je houdt het als westerling niet voor mogelijk. Zo respectvol voor iedereen en voor hun kinderen. De bezoeker kwam er niet over uitverbaasd: veel ‘beter’ dan wij met onze westerse beschaving.

Op zekere dag meldden de mannen dat er vreemden in het noorden van hun gebied gesignaleerd waren en dat ze er dus even heen moesten. Of de bezoeker zin had om mee te gaan. Nou, zeker, graag, hij was er altijd tuk op om wat te leren.

Toen ze het kamp van de vreemden naderden werd het beslopen. Het bleek dat de mannen ervan op jacht waren. Nu werd het kamp overvallen en alle aanwezigen, vrouwen kinderen ouden, meedogenloos afgeslacht. Een meisje kroop in radeloosheid op de versteend toekijkende bezoeker toe, om hulp. “Ach, wil je haar nog even neuken, witte?” vroeg een behulpzame clangenoot. “Wacht, ik zal ze even voor je vastzetten.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

Vanaf toen begreep ik dat wij heel sociaal zijn, maar alleen ten opzichte van mensen die wij als medemensen zien. De ‘indringers’ waren voor die leefgroep geen medemensen. Niet eens mensen. Voor hen was het gewoon schadelijk wild dat je heel nodig moest uitroeien. Ik begreep ook dat dit afschuwelijke gedrag hen niet minder sociaal maakte maar dat het van overlevingswaarde was: er kan maar één clan leven van een jachtgebied. Er is voor hen nog geen overheid om dingen in banen te leiden. Het is een panieksituatie, waarin de aangeboren ikke-ikke-natuur de voorrang neemt, maar dan als collectief. Het verhaal is ook leerzaam als wij ons afvragen hoe het mogelijk is dat in een collectivistische (godsdienstige of nationalistische) oorlog sociale jongens tot nietsontziende mensendoders gemaakt kunnen worden en tot de grofste mensenrechtenschendingen kunnen worden aangezet: dan wordt bij heb de sociale natuur uitgeschakeld en wordt alleen op de primitieve delen een beroep gedaan. Uiteraard lukt dat bij de één beter dan bij de ander: we hebben ook allemaal nog ons eigen ‘pakket’.

Maar tienduizend jaar is te kort om onze overerfelijke neigingen wezenlijk te veranderen.[63]

Wij zijn wandelende archieven. Onze kindjes gaan vanzelf op twee benen lopen en talig worden omdat onze soort al miljoenen jaren op twee benen loopt en talig is. Vrouwen dansen liever dan mannen en zijn religieuzer omdat ze zeker twee miljoen jaar dansend/zingend het telkens opnieuw scheppen van hun woordenwereld (religie) geleid hebben. Er worden bij mensen iets meer jongetjes geboren dan meisjes, omdat er in de vroege mensengemeenschappen meer mannen sneuvelden bij de verdediging tegen roofdieren en in het gevecht met de prooidieren dan er vrouwen stierven bij het verzamelen van het voedsel. Mensen balen van zinloos geweld omdat hun voorgeslacht miljoenen jaren aardig geweest is.

Brody weet als antropoloog dat overal de VJ’s door de AGR’s naar de voor de landbouw nutteloze gebieden van de wereld verdrongen zijn, veelal met grof geweld en genocides. En constateert nochtans tot zijn verbazing dat de VJ’s overal zeggen dat ze ‘in de beste aller werelden‘ wonen ! En dat dit niet eens grootspraak is. Hoe oninteressant (voor boeren dan) en hoe bar van klimaat ook, voor VJ’s is er in hun leefgebied, door de manier waarop ze er mee hebben leren omgaan, voedsel en water genoeg. VJ’s hebben minder tijd nodig dan de boeren om aan de kost te komen en zijn gezonder dan de boeren. Evengoed bejegenen deze AGR’s de VJ’s overal met verachting en zelfs haat. Als sedentaire zwoegende boeren wantrouwen ze die vrolijke vrije vogels die nog steeds denken dat de wereld voor iedereen is. AGR’s bezitten (hun stukje van) de wereld.

Edele wilden. Maar dat waren de AMM’s zelfs in Afrika al gauw niet meer in pure vorm zoals dat de Vroege Mensen, de erflaters van onze menselijke natuur, altijd geweest waren. Door hun veel grotere en veel talrijkere groepen was Afrika al een beetje ‘vol’ geraakt en waren er groepen uit gaan ‘emigreren’ naar Eurazië. Maar voor de beschaafde en gekerstende Europeanen waren de Indianen nog wonderen van primitieve goedaardigheid.

De Europese AMM’s (veelal Cromagnon-mensen genoemd) zijn bijzonder innovatief gedrag aan de dag gaan leggen. Terwijl zij in de Würm-ijstijd leefden!

Het is juist deze omstandigheid die hen tot technologische vernieuwingen gebracht heeft. Dat begreep ik toen ik boeken las over de Inuit, die zo verbazingwekkend technisch zijn.

Ik heb het er al over gehad. Gedurende de lange winters van de laatste ijstijd hadden de mannen in de winterverblijven weinig om handen. Ze doodden de tijd met dansen/zingen van het scheppingsverhaal, het vertellen van jachtverhalen, allerlei damspellen, maar ook met het doen van allerlei uitvindingen. Speeltjes voor de kinderen, naainaalden voor de vrouwen, kralen om op de kleren te naaien, mooie hangers maken. De gaten boorden ze met eenzelfde boor als waarmee ze vuur maakten: een boog waarvan de pees om een spil gedraaid was en die door het heen en weer halen van de boog razendsnel draaide. De spil was voorzien van een scherpe stenen punt en werd van boven met een holle steen omlaag gedrukt gehouden. Het te bewerken object houd je dan met je voeten vast.

De boog was aanvankelijk kinderspel, zoals ook het wolvenpuppy troeteldier voor de kinderen was. De jacht was een te sacrale aangelegenheid voor de mannen om daar kinderspeelgoed bij te halen. Maar één keer gebeurt het toch dat in één groep een erg bekwame jonge schutter zijn vaardigheid ook bij de jacht gaat inzetten, en dan wel mooi elke keer met buit terugkomt! Dan duurt het niet lang of andere jonge mannen van de grot gaan dat ook proberen. En dan wordt de pijlenboog al na een paar generaties door de andere grotten overgenomen. Zo ging het natuurlijk ook met dat die wolvenpuppy die zo tam was geworden dat ze later mee ging op jacht. Nou ja, de fantasie kan ook hier weer volop aan het werk[64].

Heel typisch is, dat toen de ijstijd afgelopen was, de inventiviteit en kunstzinnigheid ook meteen kelderde.

Zeker is dat de pijlenboog en de jachthond enorme verbeteringen zijn van de jachttechniek. Zeker is ook dat rond 12.000 jg in duizend jaar tijd alle grote prooidieren waren uitgestorven.

Archeologische opgravingssites[65] uit het zg Gravettien (30.000 – 22.000 vC) leveren de eerste bewijzen op van touwslagerij en weefsels. Dat houdt in: vissnoeren en visnetten! Al zijn op die sites alleen resten van grote prooidieren gevonden en lijken het vnl mammoetjagers geweest te zijn. Voor het bouwen van het winterverblijf en het overleven van een lange winter heb je mammoetbotten, mammoetvellen en een mammoetvoorraad gedroogd of gefermenteerd vlees nodig.

Overpopulatie. Immers: de overvloedige jachtopbrengsten konden meer monden voeden, en wanneer je ‘grot’ (thuisbasis) te groot werd, migreerde een groepje jongelui toch gewoon naar een maagdelijk nieuw gebied? U begrijpt dat er dan al gauw niet meer te migreren valt. De jagers beginnen te stuiten op vreemde jagers. De vrouwen arriveren op hun voorouderlijke foerageerplek van dat seizoen en vinden die al leeg geoogst door de vrouwen van een vreemde groep. Of ze treffen die daar foeragerend aan …

Overpopulatie. Hoe kan dat, wanneer onze voorouders hun aantallen al miljoenen jaren constant gehouden hadden? Niet helemáál constant: anders had onze soort zich niet over de hele aarde kunnen verbreiden en waren er geen duizenden verschillende Scheppingsverhalen. De groepsgrootte had altijd afgehangen van het evenwicht tussen het aantal mensen dat vereist was om voldoende voedsel bijeen te verzamelen/jagen en het aantal dat er mee in leven gehouden kon worden; elke mond meer die overbodig was, werd meteen na geboorte gedood (en opgegeten, denk ik dan: zoals ze dat ook met de nageboorte deden). Alles in gezamenlijk overleg. Maar op plaatsen waar voedsel in overvloed was, waren de groepen ook navenant groter. In een slecht jaar scheidde zich dan een groepje jonge vrouwen, kinderen de mannen af en gingen een nieuw gebied op een aantal dagreizen afstand in gebruik nemen. De geboorte van een nieuw scheppingsverhaal, met nog veel elementen van hun voorouderlijke ongetwijfeld.

Vanaf 65.000 jg groeiden de leefgroepen van de AMM’s, die zich vooral op de waterdierenwereld waren gaan toeleggen – een rijkere en constantere voedselbron – explosief, zowel afzonderlijk als in aantal. Hetgeen hun verbreiding over Afrika en vervolgens over Eurazië afdoende verklaart.

Na afloop van de laatste ijstijd, vanaf 12.000 jg, was de jachtproductiviteit intussen enorm toegenomen en het aantal leefgroepen had daarmee gelijke tred gehouden. De aantallen prooidieren natuurlijk niet, in tegendeel. Want mannen zijn wat minder goed in duurzaamheidsdenken dan vrouwen, van nature. Binnen duizend jaar waren alle grote prooidieren uitgestorven. Meer monden te voeden met minder voedsel, dat wordt oorlog.

En dan weet je hoe het gaat. Elke ziekte of elk overlijden, hoe onvermijdelijk ook in onze ogen, wordt door primitieven geweten aan betovering door de sjamaan van de buren en is voldoende om dit te wreken. En elke dode moet op zijn beurt gewroken worden.

Oorlog maakt mannen belangrijk. Groepen met de meeste vechtersbazen overleven. De vrouwen moedigen dus gewelddadigheid bij hun mannen en jongetjes aan. Oei! Dat hadden ze niet moeten doen! De mannen hadden altijd de tweede viool gespeeld. Nu kwamen ze plotseling tot de ontdekking dat ze toch wel verdomd belangrijk waren. Dat hún initiatierituelen toch eigenlijk wel véél belangrijker waren dan die belachelijke vrouwenrituelen. Ze gingen zich de heren der schepping voelen en namen de macht over de beslissingen over.

Maar mannen kunnen niet met macht omgaan. Omdat ze geen hogere prioriteiten kennen; met name de toekomst van de kinderen. Mannen vinden kinderen wel leuk, maar er voor zorgen is vrouwenwerk. Mannen denken eendimensionaal, vrouwen holistisch.

De mannen grepen de macht. Maar omdat ze er evolutionair niet voor waren toegerust, kwamen ze onzeker in het leven te staan en dat staan ze nog steeds. Dat moet ik uitleggen.

Macht. Vrouwen hebben bij mensen zes miljoen jaar de eerste viool gespeeld, maar ze hebben nooit macht over de mannen uitgeoefend. Mannen zijn 15 % sterker dan vrouwen en hebben altijd de wapens gedragen, ter verdediging van de groep. Vrouwen hebben het altijd uit hun hoofden gelaten om die pubers op stang te jagen: dan werden die alleen maar gevaarlijk. Bovendien hebben de vrouwen altijd een man de leiding gegeven over hun leefgroepen. Dat komt omdat vrouwen opkomen voor hun kinderen en kinderen maken nou eenmaal ruzie[66]. Moeders vechten als leeuwinnen voor hun kinderen, dat hou je toch. Vliegen dan mekaar in de haren. Vrouwen hebben meer moeite dan mannen om een ruzie te beëindigen[67]. En dan is het fijn als een algemeen geachte oudere man kordaat tussenbeide komt. Daarom hebben de vrouwen altijd gezorgd dat zo’n man er was. Maar hij moest wel doen wat zij voorkookten, anders was hij zijn gezag zo kwijt.

Waarom ik dat denk, dat onze voorouders vanaf het vroegste begin, dus zes mjg al, een hoofdman kenden, is omdat de bonobo’s die ook kennen. Het is de alfa-man die bij de bonobo’s de groep constant bewaakt en als eerste een indringer (luipaard, onderzoeker) met takken of stront begint te bestoken. Het is de alfa-man die de foerage-route aangeeft – maar als die niet naar de zin is van de alfa-vrouw, blijft die gewoon zitten en de rest volgt haar voorbeeld; dan heeft de alfa-man geen andere keus dan voorop te gaan lopen in de richting die de (oudere en wijzere) alfa-vrouw met haar blik aangaf.

Een ander ding is, dat vrouwen altijd alles op orde hebben. Dat krijgen ze hormonaal mee zodra ze moeder worden; een erfenis niet zomaar uit ons VJ-verleden maar uit een nog veel ouder zoogdierlijk verleden, denk ik. Als meisjes/jongens lopen beide geslachten nog tamelijk gelijk op. Hoewel, meisjes zijn al vroeg ook bezig met het zich prepareren op hun moederrol, terwijl jongens zich hooguit prepareren op hun krijgersrol. In de inleiding heb ik het al aangestipt: de chimpanseemeisjes observeren leergierig hoe de moederaap dat doet: termieten uit een termietenheuvel vissen of tussen hamersteen en aambeeld een harde noot kraken; maar de jongetjes verliezen al gauw de belangstelling en gaan met elkaar ravotten.

Bij het moeder worden treedt er bij de meisjes een pakket hormonen in werking, waar je u tegen zegt. (Tuurlijk, bij sommige vrouwen werken ze niet naar behoren of schoppen jeugdtrauma’s de boel in de war.) Tegen de geboorte zorgen die voor de ‘nestdrang’ : poetsen en boenen en alles klaarmaken voor de komst van de baby. Na de geboorte zorgen ze voor een engelachtig geduld bij de nukken en grillen van de baby. Vervolgens worden de moeders perfecte managers en regelaars. Daardoor hebben jonge vrouwen doorgaans alles op orde en daar hoeft een jonge knaap alleen maar in te stappen om zíjn zaakjes op orde te krijgen. I love you – I need you! Gelukkig voor de knapen horen de jonge vrouwen dat graag.

Niet alleen hormonen: ook reflectie speelt er een rol in. Een vrouw weet vanaf het moment dat ze moeder wordt, dat dat NOOIT meer overgaat. (Maar ook dat dit het is wat ze wil, haar levensvervulling.) Zelfs als ze oma is, zal ze zich zorgen blijven maken over haar volwassen kinderen en hun kinderen blijven mee verzorgen. Tot haar laatste snik.

Je ziet puberale meiden dan ook ‘op slag’ veranderen als ze moeder worden. Worden ze in één keer volwassen. Hormonen doen hun werk, én reflectie. (Alweer: dat geldt natuurlijk niet voor de in hun jeugd te zeer gefrustreerde meiden.)

Die omslag maken mannen hormonaal niet mee. Ze blijven (sorry dat ik het zeg, maar ik ben ervaringsdeskundige) pubers. Alleen reflectie kan hen volwassen gedrag bijbrengen, en daar komen de meeste mannen pas op oudere leeftijd toe. Ze (de jonge reflectie-mannen niet te na gesproken) doen alleen de leuke dingen met de kinderen – overigens héél belangrijk voor de kinderen! – maar de zorg is voor de moeder. En als opa /oma geldt meestal nog steeds dezelfde rolverdeling, moet ik deemoedig bekennen.

Jongemannen sloven zich uit om een vrouw aan de haak te slaan. Poeslief janken dat zo’n knaap dan doet! Allemaal omdat hij voelt dat hij alleen met háár orde in zijn puberbedoening krijgt. De vrouw krijgt met hem een kind erbij (de weinige door reflectie volwassen geworden mannen niet te na gesproken en de weinige door jeugd-omgevingen en –ervaringen ‘mislukte’ vrouwen niet te voor gesproken). Maar rond zijn veertigste gaat hij toch weer wild om zich heen slaan, puber als hij blijft. Voelt zich gekooid, wil weer opnieuw dat jonge verliefdheidsgevoel en maakt zijn bedoening kapot. Schade en verdriet. Ik ben nog steeds uw ervaringsdeskundige. Als ik met mijn achteraf-wijsheid ook maar één puber tot reflectie kan brengen, heb ik al eer van mijn ontboezeming.

Macht. Mannen kunnen niet met macht omgaan. Geen mens kan met macht omgaan. Macht corrumpeert alles en iedereen. Despotie brengt altijd achterstand en ongeluk. Democratie is, hoe moeizaam ook, het enige systeem dat leefbaarheid en welvaart schept.

Dat macht corrumpeert heeft met de menselijke natuur te maken. Die is, ik herhaal, driedelig:

1 (leven) = pakken wat je pakken kunt

2 (groepsdier-zijn) = samen kun je meer pakken maar dan moet je wat inleveren

3 (mens-zijn) = noodgedwongen professionalisering van 2, met als gevolg: je alleen gelukkig kunnen voelen bij samen ‘pakken’.

Macht (het in de positie verkeren dat je een medemens kunt dwingen te doen wat jij wilt) betekent dat je onwillekeurig terugvalt in 1: The winner takes it all.

Dat is ongroepsdierlijk(2) en het toppunt van onmenselijkheid en ongeluk (3)

Macht maakt bovendien dom, omdat je je isoleert van de opeenstapeling van de individuele intelligenties van de rest. Macht stompt je verantwoordelijkheidsgevoel voor de duurzaamheid van je samenleving af: van de samenleving waar je toch van afhankelijk blijft (op je eentje op een onbewoond eiland kun je geen macht uitoefenen, en moet je alles zelf doen en verzinnen).

Macht in de vorm van despotie maakt dat de onderworpenen niet meer zelf mogen denken en ondernemen en dan staat de samenleving stil en verachterlijkt.

Mannen kunnen niet met macht omgaan, zei ik. Vrouwen wel dan? Evenmin natuurlijk, maar vrouwen hebben nooit macht kunnen uitoefenen omdat mannen gemiddeld 15% sterker en groter zijn en altijd de wapens gedragen hebben – en omdat ze de mannen nodig hadden. Overheerste mannen functioneren niet goed. Overheerste vrouwen evenmin trouwens.

Veroorloof mij, in aansluiting bij deze uitweiding oven macht, nog een uitweiding over

GELUK.

Onder ‘geluk’ versta ik hier niet de kortstondige euforie bij een gelukstreffer (loterij, doelpunt, noem maar op) maar de toestand van welbehagen en tevredenheid met je leven. Het gevoel dat de dingen in je leven lopen zoals ze horen te lopen.

Geluk heeft ook alles met de menselijke natuur van doen. Het menselijk geluk was er in elke fase van het mensdom, en in de VJ-tijd was (en is voor hedendaagse VJ’s nog steeds) heel gewoon. Misschien is het dát aspect van het menszijn dat in de AGR-tijd het spectaculairst verslechterd is. Maar laten we het hier hebben over het alledaagse geluk van vandaag.

Helemaal in de hand hebben doe je het nooit, omdat je je lichamelijke of geestelijke of financiële toestand niet voor het kiezen hebt. Laten we uitgaan van een gemiddelde invulling van die toestanden. René Froger aan het woord.

een eigen huis
een plek onder de zon
en altijd iemand en de buurt die van me houden kon
toch wou ik dat ik net iets vaker
iets vaker simpelweg gelukkig was

Dan helpt het wel degelijk als je inzicht hebt waar geluk in gelegen is. Dat inzicht krijg je van de heersende economie bepaald niet aangereikt. Er heerst nu een ‘ideologische leegte’, sinds de ideologische invulling van het christendom niet langer ‘in’ is. Nu was de christelijke invulling slechts op het geluk in je hiernamaals gericht, dus daar had je niet veel aan; maar het was in elk geval een invulling. Nu is er NIX, en heeft de vrije markt vrij spel in het bespelen der geesten. Dat spel geeft de mensen het verlangen naar ‘meer’, naar ‘anders’ en naar ‘nieuw’ in, en bouwt hiermee een potentiële toestand van ontevredenheid in. De markt verpakt in haar reclames de producten in geluk, maar daar komt natuurlijk geen greintje geestelijke diepgang (reflectie) aan te pas.

Het goede van de vrije markt is dat het ons nu vrij staat om zelf, zonder indoctrinatie van ‘bovenaf’, uit te vinden waar geluk dan echt in gelegen is. Voor de humanosoof, die de menselijke natuur beziet vanuit de prehistorische vorming ervan, is het duidelijk genoeg: ons welbevinden wordt gegenereerd en gevoed door het gelukkig maken van anderen. Door het gevoel dat je er mag zijn, het gevoel dat je van betekenis bent.

Macht uitoefenen, anderen uitbuiten, profiteren van een ander, zoiets streelt wel even je gevoel van onmacht of verzoet wraakgevoelens, maar maakt je niet gelukkig; in tegendeel, het snijdt je weg naar de ander af.

Individueel is iemand goed bezig met haar/zijn leven wanneer er een duurzaamheidselement in zit. Je zou eigenlijk bij alles wat je eet, drinkt of wat dan ook doet, moeten afwegen of je hiermee je leven lang gezond kunt blijven.

Deze boodschap valt aan jongeren, bij wie de oude dag nog eindeloos ver in het verschiet ligt en die zich daar totaal niet verantwoordelijk voor voelen, moeilijk te verkopen. Maar daar is die waarheid niet minder keihard door. Het maakt voor het welzijn van je onontkoombare oude dag wel degelijk uit hoe je in je jonge jaren met je gezondheid en met anderen hebt omgesprongen.

Genieten. In een door het monotheïsme overheerste samenleving is dat een verboden en gedemoniseerd gevoel, dat daar slechts stiekem (maar daarom niet minder) wordt nagestreefd. In de consumentensamenleving is het een gebod.

Genotmiddelen. De vrije markteconomie draait er voor een deel op en driekwart van de reclame gaat er over. Maar het is gevaarlijk goedje. Genotmiddelen hebben met medicijnen gemeen dat ze bijwerkingen hebben. En dat je je er afhankelijk van maakt. Hoe meer gebruik je er van maakt, des te minder kun je genieten zónder die middelen. Ze maken meer (gezondheid en relaties) kapot dan je lief is.

Laten we even aannemen dat ieder bij geboorte een emmer genotmiddelen heeft meegekregen. Een grote emmer, ik doe niet zuinig. Maar je moet er wel je hele leven mee doen: er komt geen druppel meer bij en op = op.

Drugs nemen nu is je emmer met pollepels tegelijk leegscheppen. Dat voert al heel gauw naar ongeluk en ondergang.

Met roken en alcoholgebruik doe je het met eetlepels. Takelt ook nog te snel af.

Genotmiddelen neem je met een theelepeltje. Dan kun je des te meer genieten van gratis genot: van de natuur, van mooie muziek, van dansen en van elkaar. Hoe minder genotmiddelen, des te meer écht genot.

Geluk is voor een behoorlijk deel maakbaar.

Nu snel terug naar de VJ’s. Die weten nog van niks, maar ze gedragen zich volgens onze menselijke natuur, die bij hen nog niet is gefrustreerd door een overpopulatie-situatie.

Ze zijn nog aardig, nog edele wilden. De NT’s waren de laatste ‘volbloed’-VJ’s. Maar de AMM’s zijn niet zonder enige overpopulatie gaan uitzwermen. De Aboriginals zijn nog steeds VJ’s, maar ze kennen al een lichte mannelijke dominantie en beslechten onderlinge ruzies, binnen de eigen groep dus, met een zwaar knuppelgevecht.

De ‘edele wilden’ waar de missionarissen in Rousseau’s tijd over berichtten, waren AMM’s, maar uit die bron stamt het gruwelverhaal dat ik u hiervoor heb verteld. De ‘edele wilden’ van Rousseau waren ‘aangeslagen’ VJ’s, bij wie het lichte status-overwicht van de vrouwen al was omgeslagen naar een status-overwicht van de mannen. Ongeveer zoals de huidige San laten zien, de Aboriginals en de Inuit. VJ’s, kortom, die op de grenzen van hun wereld waren gestuit: te maken hadden gekregen met overpopulatie. Aardige VJ’s, over wie niettemin gruwelverhalen te vertellen zijn.

geschiedenis is een AGR-verhaal

Met ‘geschiedenis’ bedoel ik de periode na de ‘prehistorie’; men spreekt van ‘geschiedenis’ vanaf de tijd dat er ánnalen’ zijn. Daaronder versta ik opschriften, kleitabletten, munten, potscherven, documenten en (met veel ‘caveats’) heilige boeken.

Vooral op het einde van de laatste ijstijd groeide, door de uitvinding van de pijlenboog en de domesticatie van de wolf tot jachtkameraad, het aantal VJ-leefgroepen onstuitbaar. Op enkele plekken van de aarde slibden de leefgebieden dicht: geen jachtgebied meer of het behoorde al tot een clan. Daar was het afgelopen met het wegtrekken naar een ‘woest en ledig’ gebied wanneer door welke klimaatomstandigheid dan ook de prooidieren en het te verzamelen plantaardiger voedsel te schraal was geworden. Je kon geen kant meer op of je stuitte op het leefgebied van je buren. Dan wordt het dus oorlog, en oorlog maakt de mannen belangrijk. De jonge mannen worden krijgers. Hoe erger de stammenvetes, hoe misdadiger de mannen tegen hun vrouwen, de spiegels van hun zwakheid, te keer gingen. De Yanomamö en vooral de Bergpapoea’s zijn daar voor mij de gruwelijke voorbeelden van.

Toen en waar er overpopulatie (teveel leefgroepen in een overbejaagd jachtgebied) ontstaat en de groepen niet langer vrij kunnen rondtrekken op hun zangroutes, gaan de vrouwen extra zorgvuldig om met het plantaardige voedsel. Ze gaan de plekken waar hun favoriete planten groeien, speciaal koesteren en ontdekken dat je zo’n plant kunt helpen bij het groeien, door de groeiplek vrij te maken van groeisel waar je niks aan hebt, zoals gras en struikgewas. En je kunt de plant helpen door jonge plantjes en stekken een eigen plekje te geven. En door ze water te geven als ze dorst lijken te hebben. Ze verzorgden die plekken en gaven de mooiste bonen en graankorrels terug aan Moeder Aarde. Het denkbeeld van Moeder Aarde begint bij de vrouwen de oeroude Grote Voorouder-figuur naar het tweede plan te verdringen. Mensen denken ingevolge hun heersende economie, en de VJ-economie maakte plaats voor de Tuinbouw-economie.

Het is het begin van het fenomeen offers in de religies. Want Moeder Aarde beloonde hun dankbare gedrag met nog meer mooie bonen, peulen en graankorrels in het volgende seizoen. Zo begon de domesticatie van de gewassen. Ik denk dat dit al heel vroeg begon, namelijk waar de eerste zg Venusbeeldjes verschijnen. En dat is al in het Gravettien (30.000-22.000 jg), in de wat minder koude OIS3-tijd, gevolgd door de zeer koude OIS2-tijd (32.000-13.000 jg). Vanaf 13.000 jg begon de warme tijd OIS1 waar we nu nog steeds in leven, en begon de Tuinbouwfase pas goed.

File:Five Myr Climate Change.svgTussendoor iets over de OIS (oxygen-isotope stages), waaraan de paleo’s de klimaten in de tijd van ons verhaal kunnen meten. Rechts zie de lange tijd van de bosland-savannnen van de vobo-tijd. De heftige op-en-neerbewegingen zijn de ijstijden. De paleo’s hebben de verschillende warme en koude perioden genummerd in OIS-perioden. Hiernaast de nummering

Bestand:Specmap-800ka.svgvan de afgelopen duizend jaar.

De vrouwen koesterden de plekken, haalden ongewenste planten weg, lieten de mannen bomen omhakken, met die stenen bijlen van ze, en de tuinen afbranden waardoor die twee jaar vruchtbaar waren en dan minder werden zodat er een nieuw stuk bos moest worden omgehakt. Slash and burn heet deze manier van landbouw[68].

De vrouwen omheinden de plekken waar hun gekoesterde gewassen groeiden: tegen schapen en geiten en zo. Tot ze op de gedachte kwamen om die dieren zelf te omheinen en jongen te laten krijgen: een extra vleesvoorraad. En zo begon de domesticatie van kleinvee.

Maar voorlopig komt het vlees in hun menu vooral van de jacht van de mannen, en gaan de leefgroepen nog enkele maanden per jaar in hun gebied rondtrekken, op de oude VJ-manier. En dan zijn ze blij. Als ze terugkomen is de plek rondom hun langhuis of shabono (het gemeenschappelijke onderkomen waar ieder ‘gezin’ zijn eigen haard heeft) weer een beetje schoon gevreten door ratten en muizen en andere opruimers en gaan ze weer opgewekt in hun tuinen werken. Om elke avond te besluiten rond het vuur op het centrale plein om daar hun Scheppingsverhalen te dansen/zingen en de verhalen van de sjamaan aan te horen. Want daar draaien hun dagen nog steeds om.

Van landbouw spreken we pas wanneer en waar de vrouwen permanent bij hun velden blijven wonen om die in de gaten te kunnen houden en te verzorgen. En dat was waar granen (ook rijst dus, en maïs) voorkwamen. De eerste met name bekende ‘boeren’ waren de Natufians. Een koude-terugval in de opwarming na de ijstijd , het zg Jonge Dryas (10.700 – 9.560 vC) versnelde deze ontwikkeling alleen maar. Met de definitieve dorpsbewoning werden er definitieve huizen van leembesmeerd vlechtwerk (‘een-gezinswoningen’, al hoorden daar grootouders en ongetrouwde ooms en tantes en wezen bij) gebouwd. Doordat de landbouw vooral vrouwenwerk was, waren de vrouwen in status gestegen bij de mannen en bovendien waren hun vruchtbaarheidsrituelen voor het gewas en het vee en hun erediensten voor de vruchtbaarheidsgodinnen van overlevingsbelang.

Het vroege dorpsleven was daardoor een toonbeeld van aardigheid. De mannen gingen steeds minder op jacht – er viel steeds minder te jagen en hielpen steeds meer mee. Met het uitvinden van de ploeg bijvoorbeeld. Die ze door hun vrouw en kinderen lieten voorttrekken: ging sneller dat het werken met de hak (van hertengewei). Ja, het worden steeds meer gezinnen, ook een nieuw verschijnsel in de mensheid.

Maar de tweede aanslag op de menselijke aardigheid komt er dan weldra aan.

van offeren naar eredienst

Anders dan de vrij rondtrekkende VJ’s werden de AGR’s afhankelijk van de grillen van de natuur. Als VJ’s hadden ze altijd kunnen wegtrekken en een nieuw gebied in gebruik kunnen nemen wanneer het oude leefgebied niet langer aan hun eisen voldeed. Maar nu waren ze aan één plek gebonden: aan hun dorp met omringende velden. Hun landbouwmethoden waren nog primitief, de voordelen van bemesting met dierlijker en menselijke uitwerpselen en van irrigatie door middel van greppels en dijken en kanalen moesten nog ontdekt worden.

De vrouwen hadden de grillen van de natuur altijd gepersonifieerd als wilsbeschikkingen van Moeder Aarde en van de lagere landbouwgoden en geesten uit Haar gevolg. Smeekbeden en zelfkwellingen zetten ze in om de geesten gunstig te stemmen. Sommige oudere vrouwen kregen speciaal vertrouwen en dat werden de sjamanen. Dat kon vele generaties in de familie blijven. Als de oogst door welke natuurlijke oorzaak dan ook tegenviel, was dat omdat er misschien te weinig aan Moeder Aarde was teruggegeven en Ze ontstemd was. De sjamaan ging in diepe trance, raadde dit of dat offer aan, en sloofde zich uit in magische rituelen met veel vuur, rook en gedans.

Toen de mannen ook boeren waren geworden en het oerrund hadden gedomesticeerd, de ploeg hadden verbeterd en ossen er voor hadden gespannen, gingen ze zich ook steeds meer met de rituelen bemoeien. Hun goden kregen altaren om de offers op te brengen, de altaren kregen tempels, de goden kregen beelden, de beelden kregen priesters. De tempels werden ook de opslagruimten voor de buffervoorraden van de gemeenschap waaraan elke familie zijn bijdrage leverde elk jaar. De priester beheerde die voorraden, samen met zijn dienaren. Enfin, zo kwam de administratie op en werd de omgang met de wisselvalligheden van de natuur, gepersonifieerd in de geesten/goden, steeds meer geritualiseerd. En laat het maar aan de mannen over om de spelregels vast te leggen: mannen en jongens zijn echte regelneven. De regels en de rituelen worden nooit minder, ze worden alleen maar meer. Van (priester)generatie op generatie. En bij mannen gaat het offeren dan ook doorslaan natuurlijk: tot kinder- en mensenoffers toe.

van Grote Man naar koning

Vroeg of laat mislukt de oogst. Je bent als boeren overgeleverd aan de natuur, en die is wreed en kent geen mededogen. Of de velden breiden zich uit en je komt in de clinch met een buurdorp over grond of waterrechten. Boem! Oorlog. En oorlog maakt mannen belangrijk.

Ze zijn dan intussen met veel meer, meer monden om te voeden maar ook meer mannen om te vechten. Een succesvolle aanvoerder van de krijgers (ik moet nu een beetje opschieten, anders wordt het verhaal te lang) gaat zich al gauw onmisbaar voelen. De Grote Man doet zijn intrede in het menselijk gebeuren. Die wordt later koning, let maar eens op. Bovendien zijn er de lofzangers.

Dat zijn de mannen die net niet goed genoeg zijn om Grote Man te worden maar welbespraakt zijn en zijn daden roemen en aanmoedigen. Want geen Grote Man zonder trawanten die van hem profiteren. Het zijn de lofredenaars die de Grote Man doen denken dat hij alles kan maken. Veilig achter de brede rug van de Grote Man en zelf geen verantwoordelijkheid dragend, praten die alle misdaden goed en verkopen die als heldendaden. (Helden kennen we van de oude Grieken en de Germaanse Edda’s, zie je, we komen al dichterbij.) De lofzangers zijn de eerste ideologen. Geen Grote Man zonder trawanten en zonder lofredenaars. Heel andere lui dan de denkers, waarover ik het verderop over zal hebben. Denkers reflecteren. Denkers spiegelen het gedrag van zichzelf en hun medemensen aan wat ze aanvoelen als menselijke natuur, aan ‘het goede’. Hun bevindingen vallen bij trawanten en lofzangers bepaald niet in goede aarde en wanneer de denkers hun bevindingen niet voor zich houden, leven ze niet lang.

Een overwonnen dorp wordt uitgemoord en platgebrand, op wat jonge vrouwen na. Maar weldra komen de trawanten op het idee om die ook op hun velden te laten werken. Jongetjes worden ook gespaard. Alles wat kan werken wordt gespaard, je kunt ze immers altijd nog ombrengen.

De slavernij doet zijn intrede. Mogelijk gemaakt door onze aangeboren vreemdelingenangst: vreemden zijn geen medemensen voor ons maar onkruid. Kun je mee doen wat je wilt.

Slavernij is het dieptepunt van het VJ-respect voor de ander. Heeft vele eeuwen lang de economie bepaald. Vind je het gek dat de filosofen van Plato tot Hobbes zo’n pessimistische kijk hebben op de menselijke natuur?

Wanneer overpopulatiestammen over snelle vervoermiddelen komen te beschikken: kano’s dan wel paarden, worden die gebruikt om er weerloze dorpen mee te overvallen. Op de Zuidzee-eilanden kwam het veel voor maar ook de Vikingen zijn er onze streken om berucht geworden. De hele geschiedenis lang zijn de ruitervolken van Centraal-Azië een bron van angst en leed geweest en hebben hele beschavingen ineen doen storten.

De trawanten profiteren van de oorlogsbuit en beginnen te morren als de volgende rooftocht te lang uitblijft. Het plunderen en slaven maken is weldra doel op zich geworden, naar een aanleiding wordt niet eens meer gezocht. Steeds meer dorpen onder één Grote Man, dan heet deze voortaan koning. En zijn trawanten worden adel. Het hele gebied, met dorpen en onderhorigen en slaven en al, is een koninkrijk. De lofredenaars loven zich het leplazarus: hoe groter zij hun Grote Man maken, des te hoger zij mee stijgen in zijn aanzien. Zo werkt dat.

U merkt het al: ik ben hier ‘grote-stappen-snel-thuis’ aan het doen: ik moet wat opschieten want deze tekst mag niet langer worden dan honderd bladzijden en ik ben al aan p 63, zie ik tot mijn schrik. En ik moet het ook nog over God hebben!

Het dorp van de Grote Man groeide uit tot stad. Intussen was de handel flink op gang aan het komen. Handel genereert welvaart. Denk aan de stadstaten van Sumerië. Daar werd het spijkerschrift ontwikkeld, verrezen tempelpaleizen, schrijfscholen, ‘tablettotheken’ en wetenschapsbeoefening.

Bezit was ook iets wat niet bestond in de VJ-tijd. In de VJ-tijd is elk lid van de gemeenschap niet meer dan dat en wil ook niet meer zijn. VJ-gemeenschappen kennen geen privé of privé-bezit.[69]

In de primitieve landbouwdorpen was er ook nog geen privébezit, maar kwam er wel familiebezit. Elke familie bezat zijn eigen velden en oogsten, waarvan een deel werd afgestaan aan de tempel die het gemeenschapsbezit beheerde, voor de slechte tijden.

Het begin van de administratie: de tempelpriesters moesten kunnen bijhouden wat en hoeveel elke familie had bijgedragen aan de gemeenschap, om uitvreterij en scheve ogen te voorkomen. Het begin van het schrift. Het begin van overheid ook. Van administrateurs, dus van uit de gemeenschapspot betaalde ambtenaren. Dat waren tempeldienaren, en dat zouden ze nog heel lang blijven. In de tijd van de Assyriërs en de Farao’s bleven de tempels vooral administratieve centra die de offers in natura en later in geld inden en afdroegen aan de heerser van het moment.

Alles draaide om de arbeid van de boeren en om de afdracht van de tienden van de opbrengst van die arbeid. De tienden werden door de tempels geïnd. Maar de koningen hadden ook geld nodig, voor hun bouwwerken en hun leger. Krijgstochten, plunderingen en brandschattingen waren geen duurzame inkomstenbronnen. Er is dan ook altijd gevecht geweest tussen kerk en koning om de inkomsten van de arbeid van de boeren. De koning heeft de wapens maar de kerk de macht over het denken van de massa. Menig keizer heeft een Canossa-gang moeten maken[70].

Intussen werden de oorlogen alleen maar grootschaliger, met een staand leger. De steden ommuurd en de koningsgraven tot piramides gegroeid. Dat alles moest een koning voornamelijk bekostigen met de onderwerping en schatplichtigheid van steeds grotere gebieden. De Sumerische stadstaten werden rond 2300 vC een voor een veroverd door de Grote Man (krijgsheer) van Akkad, Sargon. Die heerste nu over een Rijk, een imperium. Weer een nieuw fenomeen in de menselijkheid.

Ook de wreedheden werden grootschaliger en onmenselijker. Assurnasipal II van Assyrië liet (tekst en melodie van de opperlofzanger) op een gedenkzuil griffen:

“Ik liet alle aanvoerders villen en behing een muur met hun vellen … enkelen liet ik in de muur inmetselen , anderen liet ik palen, of ik ontdeed hen van armen en benen … Veel gevangenen liet ik verbranden, of handen afhakken, of de oren afsnijden … velen werden de ogen uitgestoken … Hun jonge mannen en meisjes liet ik verbranden…” (Mesopotamien von Samuel Noah Kramer. Rohwohlt, 1971)

Dat alles ging ten koste van de oeroude scheppingsverhalen van de afzonderlijke onderworpen stammen. Die mensen werden door de wrede overheersing gedwongen hun scheppingsverhaal en hun oeroude rituelen in te ruilen voor die van de heersende elite. Ze werden gedwongen ‘beschaafd’ te worden. De ouderen bleven hardnekkig aan hun identiteit vast houden. Hun kinderen hadden er al wat minder moeite mee, integreerden en leerden de nieuwe taal. De kleinkinderen, geboren in de ‘nieuwe orde’, kenden niet anders en vonden hun grootouders ‘ouderwets’. Voor de kleinkinderen was het al vanzelfsprekend dat de wereld bleef voortbestaan ook wanneer ze die niet meer dansten/zongen[71].

Maar wat een leed en geestelijke ontreddering moet dit niet betekend hebben voor de ouderen. Beschaving gaat van au!! In het spraakgebruik geldt ‘beschaving’ als iets goeds en moois. Natuurlijk heeft die ellende ook vooruitgang opgeleverd. Overheersing maakt bestuur en ambtenarij noodzakelijk, en de administratie kan niet zonder het schrift. De ontwikkeling van het schrift kan niet zonder onderwijs. Beide leveren wetenschap op. Almaar nieuwe fenomenen in de geschiedenis van het leven en zijn levensvormen op deze planeet.

De ontwikkeling van het schrift begon in Soemerië. Klei en leem genoeg daar. Ze vormden er hun aan de zon gedroogde tichelstenen mee. Maar ook, vanaf zo’n 3000 vC , hun handpalmgrote schrijftabletten. Met een rietpen (met v-vormig stomp uiteinde) drukten ze hun schrijftekens in de nog zachte klei. Als de tablet vol was, werd die in de zon te drogen gelegd. Na een paar uur was de klei hard en kon je de tablet meenemen of opbergen. Belangrijke tabletten werden gebakken, voor de eeuwigheid.

Hier volgt een ‘schoolopstel’, van een scholier van 4000 jaar geleden.

“Toen ik ’s ochtends op school kwam, zei ik mijn tablet op, at, en maakte mijn nieuwe tablet klaar. Ik schreef er de les op en daarna volgde ik de mondelinge lessen …

Na schooltijd ging ik naar huis, trad binnen en zag daar mijn vader zitten. Ik vertelde hem over mijn schriftelijke werk, zei mijn tablet voor hem op en hij was erg tevreden.

Leuk, hè?

Hoe groter het Rijk, hoe belangrijker bestuur en administratie werden en hoe meer mensen er bij werden ingeschakeld. Vooruitgang. Ben ik al aan God toe? Bijna.

Belangrijk is te beseffen dat vooruitgang nooit iets wenselijks geweest is bij onze voorouders. Verandering was taboe. Doen zoals de voorouders het altijd gedaan hadden, dat was de norm.

Beschaving doet pijn. Gaat gepaard met massamoorden en verwoestingen.

heilige Boeken

Toen het schrift, ontstaan als middel om afdrachten en handelswaar te noteren, zo’n 2500 vC gebruikt ging worden om handelsovereenkomsten, wetten en gebeurtenissen te noteren, kreeg het meer en meer een magische lading. Wanneer iets eenmaal op schrift gesteld was, was het ‘vereeuwigd’ en onomstotelijk vaststaand geworden. “Het staat geschreven … “

Op zich zo gek nog niet, als je weet dat de eerste literatuur en wetenschap die op (spijker)schrift werd gesteld in de stadstaten van Soemerië rond 2500 vC, als een kostbare verworvenheid bewaard bleef in de ‘tablettotheek’[72]. Ook toen de Soemerische stadstaten werden veroverd door de heerser Sargon en in een groot Rijk werden samengevoegd, en dit later op zijn beurt werd onderworpen door de Babyloniërs en de Assyriërs, namen die allemaal de Soemerische literatuur en wetenschap over in hun (kleitabletten)bibliotheken, er hun dingen aan toevoegend.

Latere volken, zoals het Joodse, deden er hun voordeel mee. Hun patriarchale kringen vulden er hun Bijbelverhalen voor een substantieel deel mee. Veel van dit literaire erfgoed is ook overgegaan op de Grieken en de Romeinen, en via hen op de hele islamitische en westerse wereld. Wie wat bewaart heeft wat.

Nadeel is dat de magie die aan het geschrevene gehecht wordt, verlammend kan werken. In die diep-religieuze tijden werden de schriften, vooral waar het de religie betrof, gemakkelijk heilig verklaard. De Egyptenaren, die in dezelfde tijd als de Soemeriërs hun eigen schrift ontwikkelden – heel anders, en niet op kleitabletten maar op papyrus en wasplankjes -beschouwden hun beeldschrift als heilig omdat het vooral in hun religieuze beleving een rol speelde. Hun hiërogliefen (heilige tekens) waren als beeldschrift ook minder geschikt voor de handel dan het spijkerschrift, dat op die kleitabletten ook makkelijker kon worden uitgewisseld. Vandaar dat het literaire erfgoed van de Egyptenaren, hoe schitterend en machtig en duurzaam hun cultuur ook geweest is, mager is.

De magie van het heilig verklaarde Boek heeft in de hele verdere geschiedenis de mensen parten gespeeld overal waar de patriarchale kringen macht hadden over handel en bedrijvigheid: in theocratieën. Overal waar kerk en staat niet degelijk gescheiden zijn.

Geloven is een mooi ding. Maar overal waar er misbruik van gemaakt kán worden, wórdt er misbruik van gemaakt. Overal waar er van macht misbruik kan worden gemaakt, wórdt er misbruik van gemaakt. Leve de democratie.

Al die ellende van heiligverklaring en mannen-eer kenden onze vroegere voorouders niet. Hun VJ-samenlevingen waren egalitair, kenden geen ander gezag dan het beraad van de oudsten; en dit kon geen macht uitoefenen en dacht daar ook niet over. Vooral toen de vrouwen het nog voor ‘t zeggen hadden waren deze samenlevingen vredig. En dat is 99,5 % van de tijd van ons bestaan als soort het geval geweest. Dus het is geheel in de lijn van de menselijke natuur dat bij mensen de vrouwen de baas zijn. Maar God stelde de man boven de vrouw. Hij schiep deze superman als eerste en knutselde uit diens rib een privé-slavinnetje voor hem. Dus nu gaan we deze Mannenbegunstiger dan eindelijk eens goed bekijken.

DEEL II. GOD

de ijzertijd

We hebben Hem in proto-vorm zien geboren worden als product van ons talig worden, als het groepje eerste kolonisten van een nieuwbetreden stamgebied. In wezen zijn we het dus zelf, en toe die conclusie komen de diepste denkers dan ook vaak – als ze er mee voor de dag durven komen tenminste.

Monotheïsme is de eredienst aan De Ene Ware God. Die figuur noem ik hier verder EWG. Omdat hij een heel andere Figuur is dan de Grote Voorouder en de overige dreamings die voortgesproten zijn uit onze menselijke taligheid. De EWG is de hoofdfiguur van een collectivistische politieke ideologie. Hij is een patriarchale creatie, een politiek-sociale uitvinding uit de late IJzertijd, van de priesterij van de Tempel van Jeruzalem. Vervolgens is Hij in de Babylonisch-Perzische periode door hen aangekleed, shoppend uit wat er aan bruikbare ideeën in het toenmalige Midden-Oosten voorhanden was.

de IJzertijd in perspectief

Oude steentijd (de VJ-tijd) 2.6 mjg –17.000 jg

Midden Steentijd 17.000 – 8500 vC

Nieuwe Steentijd Neolithicum 8500 – 4500 vC

PPN A (Pre-Pottery Neolithic A) 8500 – 7000 vC

PPN B (Pre-Pottery Neolithic B) 7000 – 6000 vC

PN (Pottery Neolithic) 6000 – 4500 vC

Kopertijd (Chalcolithic) 4500 – 3500 vC

Bronstijd 3500 – 1200 vC

EB (Early Bronze)

EB IA 3500 – 3300 vC

EB IB 3300 – 3050 vC

EB II 3050 – 2700 vC

EB III 2700 – 2350 vC

MB (Middle Bronze)

MB IIA 2000 – 1800 vC

MB IIB 1800 – 1550 vC

LB (Late Bronze)

LB I 1550 – 1400 vC

LB II (Amarna-tijd) 1400 – 1300 vC (‘slavernij in Egypte’)*

LB III 1300 – 1200 vC (de ‘Exodus’) *

IJzertijd (Iron Age) 1200 – 586 vC

Iron IA 1200 – 1150 vC (‘veroveringstocht Jozua’) *

Iron IB 1150 – 1000 vC (‘periode van de Rechters’)*

Iron IIA 1000 – 900 vC (‘Rijk van David en Salomon’)*

Iron IIB 900 – 700 vC (‘tweedeling Israël-Juda’)*

Iron IIC 700 – 586 vC (‘Juda’, tot ‘ballingschap’)

Babylonisch-Perzische Periode 586 – 332 vC

Vroeg-Hellenestische tijd 332 – 167 vC

Laat-Hellenistische tijd 167 – 37 vC

Vroeg-Romeinse tijd 37 vC – 135 nC

Laat-Romeinse tijd 135 – 325 nC

* aannames van ‘maximalisten’: mensen die aannemen dat de Bijbel een historisch juiste voorstelling van zaken geeft; de met een * aangeduide aannames worden niet door de ‘annalen’ (het geheel van archeologie, ontcijferde inscripties en geschreven teksten op papyrussen, kleitabletten en urnen) bevestigd; in feite dateert het judaïsme van de Babylonisch-Perzische periodeen waren de Joden vóór die tijd normale veelgodengelovigen; voor de bijbelverhalen is de Bijbel zelf de enige bron

De IJzertijd is een tijd van oorlogen en wapengeweld – en oorlog maakt mannen belangrijk. De vrouwen, die gedurende het vredige Neolithicum zo hoog in aanzien hadden gestaan, kregen nu te maken met agressieve mannen die de baas wilden spelen. Hogepriesteressen die met agressieve huwelijks-aanzoeken werden belaagd, de tijd van het Gilgamesj-epos.

Het is de tijd van goden en helden (mannen). Het is de tijd van de heldenmythen en van de magische zwaarden. De tijd van een wapenwedloop: om het sterkste metaal, voor de strijdwagens, de speren en de schilden, en vooral voor de zwaarden. Eerst van koper en brons, maar weldra van staal.

Maar toen gebeurde er iets opmerkelijks. Iets dat vergelijkbaar is met de televisie in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Wat daar de gevolgen van waren had ook helemaal niemand voorzien: de leegloop van de kerken en de massale mentaliteitsverandering van bange gelovige naar assertieve consument.

Om ijzer te kunnen raffineren zijn hoge temperaturen vereist, dus enorme hoeveelheden houtskool. Steeds meer bos werd omgehakt en werd landbouwgebied. Steeds minder jachtgebied voor de mannelijke elite. Status kon steeds minder ontleend worden aan jacht en rabauwerigheid; hoffelijkheid en goede manieren stegen in aanzien. Status werd voortaan meer ontleend aan geestelijke en andere culturele kwaliteiten. Onderlegde klerken stegen in aanzien bij de vorsten en werden aan hun hoven verbonden. Onderwijs werd een groeiend belangrijk onderdeel van de opvoeding van de elite. Kortom: beschaving, in de voor u wat vertrouwdere betekenis van het woord.

Een niet bedoeld maar mooi meegenomen gevolg van het krijgsgeweld. Deze historische ‘omwenteling’, rond 800 vC, was de Duitse filosoof Karl Jaspers[73] als eerste opgevallen en het boek van Karen Armstrong De Grote Transformatie (2005) draait er ook om.

In dit IJzertijdperk dus, toen de mensen de dingen nog uitsluitend religieus konden beleven en hun versnippering ook van uitsluitend religieuze aard was – in de vorm van het offeren aan een veelheid van oeroude stamgoden – drong de economische ontwikkelingskracht bij de denkers het verlangen op naar een Eenheidsgod. Natuurlijk het sterkst in regio’s waar uitzichtloze stammenvetes alle handel en economische ontwikkeling blokkeerden – in andere regio’s bestond het bronzen of zelfs het stenen tijdperk nog heel lang voort.

Met de IJzertijd verdween voor de ‘beschaafde’ mensheid de harmonische 99,5 % VJ-tijd voorgoed uit het zicht (totdat missionarissen en later antropologen er opnieuw mee kennis zouden maken), en leefde het verlangen naar geluk waar we qua geboorte recht op hebben, nog slechts voort in nostalgische mythen: van het paradijs van Adam en Eva. In sprookjes: … en ze leefden nog lang en gelukkig. Of in utopieën.

Het ‘loon’ van al die angst en onbeschrijfelijke ellende en onrecht waarmee ‘beschaving’ (het losgerukt worden uit je voorouderlijke stamverband en het deel worden van een rijksverband) gepaard is gegaan, is dat het bestuurskunst en schrift en wetenschap en filosofie en andere vooruitgang heeft opgeleverd. ‘Beschaving’ klinkt super, maar in feite is het de pure frustratie van de VJ-natuur in ons. Ik kan echt niet aan ‘beschaving’ denken zonder ook te denken aan de hel van verschrikkingen en verwoesting van het oude vertrouwde die het voor miljoenen mensenlevens heeft betekend.

Voor de ouderen, opgegroeid in het scheppingsverhaal van hun stam, was de vernietiging ervan onverteerbaar. Hun kinderen beschikten over de soepelheid om zich in de nieuwe situatie te kunnen schikken. Voor de kleinkinderen die nooit een andere situatie hadden gekend, behalve dan uit verhalen, was dit hun wereld en die was nou eenmaal zo. Het zijn de kinderen die de mensheid zo ijzersterk maken en ons vertrouwen in de kracht van het menszijn des te meer wettigen.

de denkers

Ik moet u hier even terug laten denken aan de sjamanen, aan de oudere Aboriginals in hun diepzinnige ‘theologische’ gesprekken, en met name aan de oude sjamaan van Little Diomede, over de mystieke krachten die hij bezat. Over diens verdwaasde ontwaken uit de trance-achtige reizen naar de Droomwereld. Over diens spreken in oude talen die niemand meer verstond en diens oude kennis. Wij zijn heel veel oude vermogens kwijtgeraakt waar onze VJ-voorouders nog wel beschikten. De voodoo– en winti-praktijken[74] zijn niet helemaal onzin. Ze horen bij een voorbije tijd maar ze zijn wel uitvloeisels geweest van die nu verloren oude vermogens. De grote veranderingen van de IJzertijd en de klassenmaatschappijen die er een gevolg van waren hebben de sjamanen gemarginaliseerd, maar hun geestelijke verdiepingsmethoden leefden in de marge voort. Er is een continuüm van de sjamanen naar Zarathustra, naar Pythagoras, naar Plato: geen hunner vond het denkwiel helemaal zelf uit. Ze waren kinderen van hun tijd maar zetten wel onafhankelijk van de heersende machten een denken voort dat ouder was dan zijzelf.

De sjamanen onderhielden het contact met de geestenwereld – die natuurlijk een menselijke gedachtenwereld is. De sjamanen waren gedurende vele jaren opgeleid door oudere sjamanen die hun leerlingen met zorg uitkozen om hen in die lange opleidingstijd door te geven wat ze zelf als leerling hadden meegekregen. Die diepere kennis en de trancemethoden gingen dus onvoorstelbaar ver terug in de tijd, terug in tijden waarin verloren oude vermogens nog levend waren: tot in de Droomtijd. Het is de christelijke indoctrinatie in onze beschaving die ons er hiervoor de neus doet optrekken, maar het hoort wel degelijk bij ons, zijnde een deel van de menselijke natuur.

De sjamanen waren niet alleen religieuze experts, onderhielden hun contact met de goden niet alleen om hen te vereren maar ook om kwalen en ziekten – die immers als straffen van die goden werden gezien – te genezen. Ze waren ook de artsen van hun tijd. Je had onder hen beginnelingen maar ook befaamde oude en ervaren sjamanen wier hulp van heinde en verre werd ingeroepen. De geneeskunst is trouwens altijd vooral vrouwenkundigheid[75] geweest.

In de IJzertijd, en vooral nadat er geld in omloop was geraakt, werd ook hun beroepsgroep gecorrumpeerd door handige en goedgebekte oplichters die zich met toverspreuken en magische handelingen en kwakzalverij trachtten te verrijken. Daar lijdt de beroepsgroep tot op de dag van vandaag aan. Toen de massa-godsdiensten zoals het christendom aan de macht kwamen werden sjamanen bovendien ook nog gedemoniseerd als tovenaars en uitgerangeerd.

Zarathustra

Ergens in de Vroege Bronstijd (zie staatje p 66), dus rond 3500 vC, hadden de Botai, een der nomadische stammen op de eindeloze steppen van Centraal Azië, het paard gedomesticeerd. Vanouds leefden deze bewoners van het huidige Kazakstan van tarpans, zoals de rendierjagers van rendieren leven. Hun kleding en tenten waren van tarpanhuiden, hun werktuigen en gebruiksvoorwerpen van tarpanbotten, hun menu bestond grotendeeld uit tarpanvlees en tarpanmelk. Ze gebruikten tarpans voor het vervoer van hun huisraad en zo werden de Botai de eerste ruiters.

“Nooit zou de wereld meer hetzelfde zijn”, schrijft Ben van Raay[76], “voortaan kon de mens zich snel verplaatsen over veel grotere afstanden, voor handeldrijven of oorlogvoeren.” Vijfhonderd jaar later waren alle nomaden in die streken ruiters en paardenfokkers, en begonnen de eerste overvallen op weerloze boerendorpen van de Levant.

Hier begon een beroerde tijd voor de boerensamenlevingen. Bij de rovende horden zelf brachten de rooftochten een verandering in hun godenwereld. De krijgers en hun aanvoerders offerden niet langer aan hun vruchtbaarheidsgodinnen maar aan hun krijgsgoden.

De krijgsgoden waren oorspronkelijk ondergoden. De godenwereld in de IJzertijd weerspiegelde de hofhouding van de krijgsheren/koningen. Bij de oude Joodse stammen zat aan de godentafel de hoofdgod El aan het hoofd en Jahweh was als stormgod slechts één van zijn zonen. Bij de oude Iraniërs was Mithra oorspronkelijk slechts krijgsgod.

Veel denkers (priesters,sjamaan, magiërs) zagen de verwording van de oude stammoraal door de oorlogvoering met leedwezen aan. Alle oude zeden en edele gevoelens gingen teloor, de tot krijgers en rovers verworden jonge garde dacht alleen nog maar aan zelfverrijking en slemppartijen. In Bactrië, in het zuiden van het huidige Iran, was Zarathustra één van die denkers. We kennen hem alleen uit de latere Avesta. Daarin komt hij tevoorschijn als iemand van goede familie, die als jongeling zijn vaderhuis verliet om, uit afkeer van de religieuze praktijken van zijn dagen: het offeren van dieren aan Mithra en het gebral, zwaar onder invloed van de haoma (bedwelmende drank), van woeste krijgsliederen, op geestelijke zoektocht te gaan. Tien jaar lang reisde hij rond, ik denk vooral in India, zijn licht opstekend bij denkers die hij opzocht.

Het is jammer dat wij niet weten wanneer dit was. Toen de Griekse krijgsheer Alexander in 330 vC het Achaemenidenrijk onderwierp liet hij, als wraak voor de plundering van Athene en de verwoesting van de tempel van Artemis door de Achaemidische koning Xerxes in 480 vC, nu alle Zoroastrische tempels neerhalen en de bibliotheken vernietigen. Hiermee is ook veel kennis over Zarathustra verloren gegaan.

Alexander voerde voor het eerst een officiële jaartelling in, en liet die beginnen met zijn eigen geboortejaar. Dit was voor de Zoroastrische priesters aanleiding om een Zoroastrische jaartelling in te voeren; die natuurlijk met Zarathustra’s geboorte moest beginnen. Hiertoe telden zij de generaties terug die hen van Zarathustra’s leven scheidde, en kwamen tot de slotsom dat die 258 jaar voor Alexander geleefd moest hebben. Deze datum: de zesde eeuw vC, is breed geaccepteerd geweest tot enkele geleerden er op wezen dat de taal van de Avesta wel erg overeenkwam met het Sanskriet van de Rig Veda. Bovendien weerspiegelen de sociale gewoonten zoals die uit de Gatha’s (de zangen van Zarathustra) oprijzen, een primitievere samenlevingsvorm dan zoals die rond 600 vC was. Ze postuleren voor Zarathustra’s zangen de datum van de tiende of zelfs de elfde eeuw vC. Andere geleerden vinden dit te gortig en zeggen dat Zarathustra’s wereld op het Iraanse plateau wat achter liep bij de stedelijke samenleving en dat religieuze zangen en rituelen zo onveranderd mogelijk worden doorgegeven, dus ze komen uit op een gemiddelde: de achtste eeuw vC.

In India hadden vanaf 1500 vC de Ariërs, ruitervolk uit Centraal Azië, de Dravidische cultuur onder hun strijdwagens gerold maar hadden de Dravidische godenwereld in hun eigen Vedische religie opgenomen. Voor de denkers was het sindsdien een belangrijk punt van overweging geworden hoe de vele goden, die tezamen de natuurlijke orde der dingen handhaven en hun activiteiten op de verschillende terreinen ontplooien, dan aan elkaar verwant zijn. Al vroeg in de Vedische periode vatte in India de opvatting post dat men de goden het beste kan zien als manifestaties van die Ene die geldt als Bron van alle verschijning[77].

‘Bij uw geboorte, Agni, bent u Varuna; indien u brandt bent u Mitra; voor hen die vereren bent u Indra; in u, zoon van kracht, vinden alle goden hun kern.’

Net als wij vandaag waren ook de mensen uit die tijd nakomelingen van de VJ’s die hun woordenwereld elke dag dansten/zongen in het Scheppingsverhaal rond het kampvuur; ook zij werden geboren met het overerfelijke gevoel dat de wereld geschapen was door een allerfundamenteelste, eerste en dus belangrijkste Scheppergod. Natuurlijk hadden zij geen idee van de atavistische herkomst van dat gevoel; net zo min als de ‘ietsisten’ van onze tijd dat hebben. Maar voor hun diepste denkers, die in hun trance-meditaties konden terugreizen naar de dreamtime, moest er die Ene zijn die al het zijnde geschapen had en die dus ook al die 33 goden[78] geschapen had.

Zoals ik zei zijn door toedoen van Alexander, de Helleense veroveraar, alle historische bronnen omtrent Zarathustra verloren gegaan en zijn het alleen aanwijzingen uit de Avesta die gewag maken van een tienjarige zwerftocht van de jonge Zarathustra. Maar ik houd het er op dat hij die in aan de voeten van Indiase denkers heeft doorgebracht. En hij zou de laatste niet zijn die met geestelijke verdieping terugkeerde naar het Westen: niet lang na hem was het Pythagoras die opschudding teweeg zou brengen in de Griekse godenwereld.

Teruggekeerd vormde Zarathustra zijn eigen denkbeeld van die Ene, de Bron van alle verschijning, en gaf Hem de naam Ahura Mazda (ahura=’heer’ en mazda= ‘wijs’).

“O Mazda,

toen ik u zocht in mijn bespiegelingen en mijn goede denken,

begreep ik dat Gij zijt

het begin en het einde van alles” (Gathas 4, hymne 31, vers 8)

Faravahar is een bekend symbool van het zoroastrisme

Faravahar, het bekende symbool van het zoroastrisme

Zarathustra propageerde dus een opvatting van de Ene, de Bron van alle verschijning welke diepzinniger en weidser was dan de Indiase of Chinese denkers tot dan toe bedachten. In India bleef Hij één der 33 goden, een soort primus inter pares, die in wisseldienst de functie van de Ene op zich mocht nemen. Hun Ene verlangde ook gewoon offers van Zijn gelovigen. Het offer speelt immers een fundamentele rol in de Arische (Vedische) religie: het verbindt de mensen met de goden. De dood is een noodzakelijke voorwaarde voor het leven: slechts door het doden van andere levende wezens, of het nu dieren zijn of planten, kunnen wij leven, terwijl ook degene die eet, voedsel kan worden voor een ander. In een van de upanishads[79] staat: “Deze hele wereld is slechts voedsel en eters van voedsel. Soma is voedsel en Agni is de eter van voedsel”. Soma is (de god van) de Ephedra-plant, die het stimulerende middel efedrine bevat. Niet alleen de mensen maar ook de goden kunnen niet zonder soma (meende men) en ook de Heer van alle goden verlangde dat men Hem soma offerde in Zijn vuur. De goden bewaren de orde in het universum, en door aan hun goden te offeren konden ook de mensen hun rol spelen in het handhaven van de rita (harmonie en orde) in het universum.

Maar voor Zarathustra was Ahura Mazda, de Heer van het heelal, veel te groots om zo afhankelijk te zijn van zijn schepselen. Veel te groots om zich door offers van welke aard dan ook te laten beïnvloeden. Hij was ook te groots om afgebeeld te kunnen worden. Ook te groots om Zich door één volk te laten toe-eigenen (zoals de latere monotheïsten zouden doen door ieder zichzelf als Gods uitverkoren volk te achten). Men kon Ahura Mazda (ook wel Ohrmuzd geheten) alleen vereren door een goed schepsel van Hem te zijn. Een goed mens was je alleen als je je hield aan drie regels: heb goede gedachten, spreek goede woorden, doe goede daden.

Geniaal. Revolutionair ook, in een tijd dat je status als mens vooral afhing van grote bek en rabauwerigheid, en dat religie allerwegen uitsluitend bestond uit het offeren aan die goden waarvan je geluk of vruchtbaarheid of rijkdom van verhoopte.

Te revolutionair. De priesters van de gewone heiligdommen van zijn stam voelden zich bedreigd in hun inkomsten toen daar iemand begon te propageren dat hun goden niets voorstelden en dat offers onzinnig waren. Veel stamleden zagen ook niets in zijn kritiek op hun lucratieve rooftochten. Zarathustra werd tenslotte zo serieus bedreigd dat hij met zijn gezin uitweek naar het stamgebied van koning Vishtaspa, die via zijn dochter aangetrouwde familie van hem was en die blijk had gegeven van instemming met Zarathustra’s leringen en zangen. Maar ook daar was hij niet veilig. Toen zijn leer, door de steun van het hof, wijdverbreide aanhang kreeg, werd hij vermoord door een fanatieke aanhanger van de oude religie. De reden voor die haat is niet moeilijk te bedenken: Zarathustra wees dierenoffers af; maar die waren voor heel wat lieden hun inkomstenbron.

Zijn leer, die een beroep deed op het aangeboren ‘goede’ in de mens, bleef niet alleen behouden maar werd door zijn volgelingen uitgebouwd tot een volledig geëquipeerde eredienst. Zarathustra’s drie regels: denk goede gedachten, spreek goede woorden, doe goede daden, bleven de ‘zuilen’ ervan. Maar de mensen willen concrete alternatieven voor het aloude offeren op altaren, willen zich uiterlijk kunnen onderscheiden van andersgelovigen, willen vaste rituelen. Daar heeft Zarathustra zelf waarschijnlijk al wel een begin mee gemaakt, al zegt Mobed Dr A.A. J’afari in An Introduction to Holy Avesta (op internet gevonden tekst), besprekend het vijfde boek van de huidige Avesta, dat de inhoud ervan doet vermoeden dat die nog stamt uit een vroege periode dat Zarathustra’s zangen nog de enige ‘canon’ waren, dat de rituelen nog niet volledig geïnstitutionaliseerd waren en dat het priesterschap nog geen voltijd-baan was en zeker nog geen erfelijk ambt.

Ik had het over ‘leringen’, maar ik denk dat zijn gatha’s (zangen) door hem en zijn volgelingen gedanst/gezongen zijn geweest, in geestvervoering als een echte sjamaan betaamt, geholpen met haoma, de rituele drank, bestaande uit een plantenextract van de haomaplant vermengd met melk, water, boter en granaatappelsap, die een ‘geestverruimende’, hallucinogene werking had.

Die gatha’s, vijf in getal en elk een aantal hymnen bevattend, bestaande uit een aantal afzonderlijke verzen, zijn de kern van het zoroastrisme: de leer van Zarathustra (in ’t Grieks Zoroaster, in het Iraans Zardosht). Ze zijn, evenals de uitleggingen en andere toevoegingen van de latere priesters, heel lang slechts mondeling overgeleverd. De Avesta, het heilige Boek van het zoroastrisme, is pas in de zevende eeuw AD op schrift gesteld, althans van wat er nog van over was na diverse vervolgingen van de eredienst en zijn priesters. De huidige Avesta, die zes boeken beslaat, omvat hooguit 1/3 van de ‘canon’ van de Sassanidentijd. Maar de Gatha’s staan ongedeerd overgeleverd in de Yasna, het eerste boek van de zes.

In Zarathustra’s wereldbeeld, zoals dat uit de gatha’s oprijst, bestaat niet alleen het oneindig goede, belichaamd in Ahura Mazda, de ‘Heilige Geest’, maar ook het kwade, belichaamd in de figuur Angra Mainyu, de ‘Boze Geest’, in voortdurende actie om het goede te ondermijnen. De mens is vrij om te kiezen tussen het kwade en het goede, maar in de Eindtijd verschijnt Ahura Mazda en oordeelt welke zielen eeuwig mogen blijven voortbestaan en welke vernietigd moeten worden in een hellevuur. Ahura Mazda laat zich in zijn strijd voor het goede bijstaan door een zevental min of meer gepersonifieerde ‘eigenschappen’, de Amesha Spentas, bijvoorbeeld ‘goed denken’, ‘waarheid en gerechtigheid’, ‘vrome toewijding’, ‘creativiteit’.

De gatha’s werden overgeleverd in een heilige taal, het avestisch. Omdat het verwant is aan het sanskrit van de veda’s, die dateren van tussen 1500 en 1000 vC, menen veel geleerden dat Zarathustra ook ergens in die tijd geleefd moet hebben. Doordat de geheugens van die mensen toen nog zo goed waren (álles werd mondeling overgeleverd en ze hoefden de dingen maar een paar keer gehoord te hebben en ze vergaten het nooit meer), en doordat de gatha’s de kern van Zarathustra’s leer bevatten en goed van buiten te leren waren, hadden deze religieuze zangen een taai leven. Met bijbehorende taal: Zarathustra bracht zijn zangen natuurlijk in de geëigende, in zijn tijd al eeuwen oude ‘heilige’ taal.

Zarathustra heeft vermoedelijk veel nadruk gelegd op reinheid. In het na hem ontwikkelde zoroastrisme speelt reinheid (wassingen, het schoon houden van lucht, water en aarde) een hoofdrol. In de door het priesterdom na hem ontwikkelde eredienst werden deze gehouden in vuurtempels, waarin een vuur in een gouden test met sandelhout[80] en wierook ‘eeuwig’ brandend gehouden werd. Omdat dierenoffers een vette rook meebrengen die de lucht verontreinigt, waren die uit den boze, ook al omdat ook van de dieren het leven beschermwaardig is. Een lijk in de grond stoppen verontreinigt de aarde. Het verbranden is om voorgaande reden geen optie. Blijft over het door de gieren te laten ‘recyclen’ en daartoe bouwden ze ‘stiltetorens’. De latere priesters, die langs een achterdeur ook het veelgodendom weer hadden binnengesmokkeld door de zes eigenschappen van Ahura Mazda als Amesha Spenta’s te vergoddelijken, schonden ook het aloude ‘van de doden niets dan goeds’ door in de gaten te houden welk oog de gieren het eerst uitpikten; was het ’t rechter dan had de overledene een goed leven geleid maar was het ’t linker dan niet.

Zarathustra’s leer was echt goedaardig. Zeker, de menselijke ziel zou door God worden gewogen. Wie overwegend goed was geweest in zijn leven, stond ‘het best denkbare bestaan’ te wachten, oftewel de hemel. Wie overwegend slecht was geweest stond het slechtst denkbare bestaan, oftewel de hel, te wachten. Maar Zarathustra geloofde ook in het einde der tijden, wanneer de collectieve goede daden van de mensheid de onvolmaakte materiële wereld zouden hebben gezuiverd tot de frasho kereti: de ‘vernieuwing’, waarbij God alles nieuw zou hebben gemaakt. Dan zouden ook de zielen in de hel gezuiverd zijn en tot het ‘best denkbare bestaan’ worden toegelaten. Het is geen wraakzuchtige God.

Zarathustra geloofde niet in reïncarnatie of in karma. Misschien moet ik die Indiase guru’s die ik hem in zijn tien vormende jaren van omzwerving had toegedacht, toch maar vergeten.

Ik denk dat in de tijd van Cyrus de Grote, de tijd dat de judaïsten bij de zoroastristen shopten voor de samenstelling van hun nieuwe geloof – waarbij ze overigens alleen de trivia overnamen – Zarathustra’s leer nog tamelijk zuiver was. Maar toen het zoroastrisme veertig jaar later, tijdens Darius’ regering, tot staatsgodsdienst werd geïnstitutionaliseerd, werden er steeds meer elementen uit de vigerende andere godsdiensten in overgenomen.

het judaïsme

Het jodendom is eigenlijk niet echt een IJzerentijdperk-product, tenminste wanneer je het monotheïsme ziet als een religieus middel om eenheid te scheppen in de heilloze onder religieuze vlag gevoerde stammenoorlogen. Het jodendom is begonnen als een middel om de inkomsten van de talloze offerplaatsen naar één punt te doen samenvloeien: de Tempel van Jeruzalem.

De twee Joodse koninkrijkjes, het grotere Israël en het kleine bergstaatje Juda, gewoonlijk met elkaar overhoop liggend, waren altijd als vazalrijkjes uitgebuit geweest door óf Egypte óf Assyrië. Op momenten dat de grote rijken moeite hadden om zelf overeind te blijven, waren de kleintjes even vrij van de wurgende belastingen en konden hun ‘nationaal product’ zelf besteden. Dit was het geval na de invallen van de Zeevolken (1189-1180 vC). De beide grootmachten, voor een groot deel drijvend op de kurk van de Middellandse Zeehandel, raakten in moeilijkheden en de greep op hun vazalstaten werd losser en losser.

De koninkrijkjes van de Levant[81] leefden op.

Het koninkrijk Israël werd onder koning Omri een regionale grootmacht! Omri veroverde de steden als Dan, Megiddo en Hasor[82] en breidde zijn gebied uit van de Middellandse Zee-kust tot over de Jordaan, en van Dan in het noorden, via Gezer en Lachis, tot in de Negev-woestijn, waar Omri’s beambten de karavaanhandel controleerden, vanuit het garnizoen Kuntillet-al-Agrud waar een opberg-urn is gevonden met de naam van Omri’s god Jahwe en Jahwe’s vrouw Asjera.

Omri’s Groot-Israël, waar Juda een onderworpen deel van was, is door de archeologie en de annalen klip en klaar vastgesteld. Van een rijk van David en Salomon daarentegen geen spoor. Vandaag denken veel archeologen[83] dat de verworvenheden van de Israëliër Omri en diens zoon Achaz later door de bijbelschrijvers aan de Judese roverhoofdman/held David zijn toeschreven, wellicht omdat de namen Omri en Achaz ‘belast’ waren: te zeer herinnerden aan de Israëlische bezetting van de Judese gebieden. Een bezetting die toen, na twee eeuwen, nog niet vergeten was. In primitievere samenlevingen blijken herinneringen langer relevant en dus levend; denk aan ‘Kosovo’ bij de Serviërs. Misschien moeten we zeggen: in klassenmaat-schappijen blijven herinneringen langer bruikbaar voor een heersende elite en dus in leven gehouden. Als iets manipuleerbaar is, dan wel het geschiedenisverhaal, het Grote Verhaal. Het eerste slachtoffer van een oorlog is de waarheid.

Omri bouwde een nieuwe hoofdstad, Samaria, omstreeks 880 vC. Hij versterkte ook zijn overige steden met muren en trotse stadspoorten. En met een onderaardse gang die bij belegering toegang tot de meest nabije waterbron garandeerde. Versterkte steden waren niet alleen noodzakelijk vanwege buren als het koninkrijk Aram (hoofdstad Damascus), maar vooral vanwege de dreiging van het weer opkrabbelende Assyrië.

Assyrië had zich namelijk, na bijna een eeuw van economische machteloosheid, hersteld, mede door de handel met de Feniciërs (Tyrus). Koning Salmanessar III achtte het weer tijd voor expansie en ondernam in 853 vC een veldtocht om de westelijke koninkrijkjes als Aram en Israël in te lijven. Maar Omri’s zoon en opvolger Achaz had tijdig de onderlinge vijandschappen weten te bezweren en een gezamenlijke strijdmacht van duizenden strijdwagens, ruiters en infanteristen bijeen weten te brengen. Salmanessar moest afdruipen. We kennen de precieze aantallen van de vijandelijke legeronderdelen van Salmanessar’s ‘overwinnings’[84]-stele, de beroemde Kurkh-monoliet. Aram had de meeste infanteristen geleverd, maar Israël de meeste strijdwagens.

Voorlopig hielden de Assyriërs zich koest. Dus vlamde de rivaliteit tussen Aram en Israël weer in volle hevigheid op. Zo vocht Achab’s zoon Joram samen met koning Achazja ‘van het Huis van David’ tegen koning Hazaël van Aram. Dat “tegen de koning” moet tamelijk letterlijk worden begrepen: in die tijd vochten de koningen zelf in de voorste linies (het waren nog steeds stammensamenlevingen).

Beide jonge koningen sneuvelden. Hoefde op zich niet zo’n ramp te zijn: er was altijd wel een popelende broer of neef of anders zwager om hem op te volgen. Maar nu betekende het ’t einde van het koninkrijk Israël. Op de overwinningsstele van koning Hazaël, teruggevonden in de ruïne van de stad Dan[85], lezen we, in de vertaling uit En de zee spleet in tweeën[86] van Marcel Hulspas waaraan ik dit relaas van de Joodse koninkrijkjes grotendeels ontleen: “Ik doodde Joram, zoon van Achab koning van Israël, en ik doodde Achazja, zoon van Joram koning van het huis van David. En ik veranderde hun steden in puinhopen en veranderde hun land in woestijn”. Echt lofzangerswerk!

Israël, dat met zijn krijgsgod Yahweh een eeuw lang een lokale macht van betekenis was geweest, werd nu schatplichtig aan de Aramese koning.

The stele as photographed circa 1891

Voor het eerst is hier in de ‘annalen’ melding gemaakt van Juda. Van het bergachtige zuidelijke koninkrijkje dat tot dan toe nergens noemenswaardig was geweest maar dat de bakermat zou worden van een geschiedenisbepalende EWG. Hoe is dat nietige bergstaatje vanuit het niets opgeklommen tot het kloppend hart van de Joodse landen?

Dat begon met de inlijving van Israël bij Assyrië in 720 vC.

De ‘annalen’ vermelden in deze tijd nog een andere figuur die vanaf nu geschiedenisbepalend zal gaan worden: Yahweh. Zijn naam komt nu een tweede keer voor als … wéér een inscriptie op een overwinningsstele, nu van koning Mesha van Moab.

Wat was het geval? Omri’s opvolger Achaz had de Moabieten, het koninkrijk oostelijk van de Jordaan, niet onder de duim weten te houden. Hun koning Mesha had Achaz’ leger in een krachtmeting weten te verslaan. Op Mesha’s overwinningsstele[87] lezen we:

Ik ben Mesha, zoon van Kemos, koning van Moab. Mijn vader heerste over Moab dertig jaar, en ik heerste na mijn vader. En ik maakte deze hoge plaats voor Kemos in Qarcho, omdat Hij mij behoed heeft onder alle koningen.

Omri was de koning van Israël, en hij onderdrukte Moab lange tijd, want Kemos was vertoornd op zijn land. En Omri’s zoon kwam in diens plaats en zei: Ook ik zal Moab onderdrukken.

Maar ik keek neer op hem en op zijn huis. En Israël is verslagen, verslagen voor altijd.

En Omri nam bezit van het hele land van Madaba [een noordelijke stam van Moab] en leefde daar in zijn dagen en in de helft van de dagen van zijn zoon: veertig jaar lang. En Kemos herstelde het in mijn dagen. En ik bouwde Baal Meon, en ik bouwde er een cisterne [waterreservoir] in. En ik bouwde Qiriaten. En de mannen van Gad [ook een noordelijke stam van Moab] leefden in het land van Atarot [vandaag de noordelijke wijk van Jeruzalem] vanaf oude tijden, en de koning van Israël bouwde Atarot voor zichzelf. En ik vocht tegen de stad en veroverde het. En ik doodde alle mensen van de stad als een offer voor Kemos en voor Moab. En ik bracht de haard[?] van zijn[?] oom mee terug en bracht die voor Kemos in Quarcho en liet de mannen van Sharon er in plaatsnemen, en ook de mannen van Maharit.

“(…) En Kemos [de Moabitische strijdgod] zei tegen mij: “’Ga en neem Nebo van Israel. En ik ging, in de nacht, en ik vocht van de ochtend tot de middag en ik nam haar en ik doodde de gehele bevolking. (…) Want ik had haar in de ban van Ashtar Kemos gedaan. En ik nam de vaten van Yahweh weg vandaar, en ik zette ze voor het aangezicht van Kemos (…)”’.

[en zo nog 15 regels door]

Nog steeds hét topstuk van de Bijbelse archeologie, deze Mesha-stele:

1. archeologische bewijs – de Bijbelboeken zijn immers achteraf geschreven EWG-propaganda en notoir onbetrouwbaar– van de God van Israël. En zijn naam is Yahweh!

2. Mesha noemt zichzelf “Zoon van God” (en zo deden alle koningen toentertijd)

3. hier zie je dat het toeschrijven van je eigen (mis-)daden aan de influisteringen of zelfs het bevel van je God: normaal taalgebruik in die dagen

4. het toeschrijven van rampen en nederlagen aan de toorn en straf van je God (“Omri … onderdrukte Moab lange tijd, want Kemos was vertoornd op zijn land.”)

5. Yahweh, hier nog als Israël’s krijgsgod en genoemd in verband met stammenoorlog, wordt niet als beeld meegevoerd als trofee, alleen zijn offervaten worden meegevoerd

6. het taalgebruik doet vertrouwd ‘bijbels’ aan, dus heel algemeen voor die cultuur

7. “Voor het aangezicht van Kemos”; ‘voor het aangezicht van Jaweh’ of ‘voor Mijn aangezicht’ is dus een onmiskenbaar polytheïstisch taalgebruik, want het slaat op het godenbeeld van je God! Hebben de bijbelauteurs geen afstand van weten te doen …

Yahweh als krijgsgod, dat klopt met zijn oorspronkelijke status in de literatuur over de Kanaänitische godenwereld. Daarin is El de hoofdgod, de voorzitter van een hemelse raad. Of liever een koninklijke hofhouding. Daarin was Yahweh als god van storm en ontij een der ondergoden. Klopt ook met het verschijnsel in de ijzertijd dat juist die stormgoden dan belangrijk worden – oorlog maakt mannen belangrijk. Een oppergod heeft dan vaak nog teveel weg van de Grote Voorouder, en die was noch man noch vrouw – want het was een groep.

Klopt ook met de oorlogssuccessen van Omri en Achab, die een groot deel van Kanaän (op de kuststeden van de ‘zeevolken’ na) hadden weten te onderwerpen. Offerend aan hun stormgod Yahweh. De god van Israël.

Hulspas wijst terecht op die ‘vaten van Yahweh’: niet op een bééld van Yahweh. Misschien stond ook in de Yahwehtempel van Samaria al geen beeld! Als het te massief zou zijn geweest om als oorlogstrofee mee te slepen, dan zouden de archeologen het immers gevonden hebben, zo redeneert Hulspas. Maar ja, ligt er aan waar het beeld van gemaakt was. Bij een overwinning van jouw oorlogsgod hoort dat je het heiligdom en het beeld van de vijandige god in de hens zet. Als het een houten beeld was, was het mee opgestookt.

De vaten zijn offervaten van goud. Tempelgerei is favoriete oorlogsbuit in die tijden.

Nogmaals: echt herkenbare ‘bijbeltaal’, niet? Weliswaar niet afkomstig van een papyrusrol maar van een ‘stenen tafel’!

De door de EWG met eigen hand beschreven stenen tafelen van Mozes zijn echter nooit gevonden. Zelfs de berg niet waarop God zich zou hebben laten zien. Geen spoor ook van Mozes zelf. Noch van Aäron, noch van Jozua. Noch van een verovering van een ‘beloofd land’. Allemaal EWG-verhalen van latere bijbelschrijvers. Achteraf-schrijverij: dan kun je de profeten verrassende dingen laten voorzeggen!

Yahweh de god van Israël. Maar hoe werd die nou nu EWG van het judaïsme?

Dat kwam door de vernietiging van het koninkrijk Israël.

Onder koning Jeroboam II was Israël, het noordelijke Joodse koninkrijk, een vazalstaat van Assyrië geworden maar het kwam toch tot grotere welvaart. Het profiteerde namelijk van de economische bloei van het hele Assyrische rijk en kon door zijn gunstige ligging een belangrijke rol spelen in de handel. Zelf produceerde het steeds meer olijfolie. Het areaal olijfgaarden en het aantal oliepersen vervijfvoudigde, volgens door de archeologen blootgelegde gegevens. Verder leverde het paarden, krijgswagens en de bemanningen ervan. De economische bloei bracht toename van geletterdheid mee (en daarmee het optreden van de eerste profeten).

Vanaf 744 vC werd het Assyrische politiek om alle welvarende vazalstaten gewoon in te lijven, tot provincie te maken: dat zou hun belastingopbrengst verveelvoudigen. Toen de koning van Israël het waagde om, in een poging eraan te ontsnappen, aan te pappen met Assyrië’s concurrent Egypte, nam Sargon II Samaria in, deporteerde de elite naar Assyrië en lijfde Israël in bij zijn rijk.

Een deel van de elite van Israël ontliep de deportatie door tijdig te emigreren. Het grootste deel daarvan week uit naar Egypte. Yahweh’s tempel werd in 722 vC mét de hele stad Samaria met de grond gelijk gemaakt. De elite werd gedeporteerd en vervangen door de elites van andere onderworpen volken: de gewone tactiek van de toenmalige overwinnaars. Israël was weg en bleef weg. Alleen zijn god, dat wil zeggen de Jahwe-priesterij, niet. Het grootste deel van de priesterij van de Yahweh-tempel in Samaria dat had weten te ontkomen was neergestreken in het nederige Jeruzalem en zette haar business voort in de nederige Tempel aldaar. De archeologen constateren dat Jeruzalen toen in korte tijd 15 keer zo groot geworden is.

Voor de latere bijbelschrijvers, meest van Israëlitische herkomst, had het geen enkel nut om het verschil tussen Juda en Israël aan te zetten; ze hebben beide koninkrijken, historisch aartsvijanden, als één Israël (zoals ten tijde van Omri) voorgesteld. Mogelijk heeft de Israëlische elite het berggebied Juda altijd al als eigenlijk behorend tot Israël beschouwd, zoals veel Duitsers ook de neiging hebben zo over de Lage Landen te denken.

In de priesterlijke bijbelboeken is het onderscheid zoveel mogelijk verdoezeld. Alleen ‘de annalen’: het geheel van archeologisch bewijsmateriaal, de opschriften van stèles en muurversieringen, de lettertekens op scherven en urnen, de teksten op de kleitabletten, én een kritisch gebruik van overgeleverde geschriften als de Bijbel, brengen de waarheid des geloofs aan het licht.

de Samaritanen als de eerste Jahweh-vereerders

De Israëlieten, de bewoners van het noordelijke Joodse koninkrijk dat onder Omri en Achab tot een kortstondige plaatselijke grootmacht was gegroeid en ook de zuidelijke Joodse stammen in zich had opgenomen, hadden dit gepresteerd onder hun krijgsgod Jahweh.

Maar de Moabieten waren onder hun koning Mesha tenslotte in de tegenaanval gegaan. De koning van Moab nam de vaten van Yahweh weg vandaar, en ik zette ze voor het aangezicht van Kemos. De vaten van de god van Israël. Zijn tempel werd in 744 vC door de troepen van Sargon II met heel Samaria met de grond gelijk gemaakt. De elite van Israël werd gedeporteerd. Gedeporteerden van andere door Sargon onderworpen volken werden er door diens opvolger Sanherib neergepoot.

Die nieuwelingen ondervonden op zeker moment grote overlast van bergleeuwen, en hun geraadpleegde priesters duidden dit als een wraak van de God van de verdreven vorige bewoners. Zo valt te lezen in 2 Kon, 17: 24-27 en ook in Ezra 4:2. Toen Sanherib in 668 vC werd opgevolgd door Esarhaddon, die een wat toleranter beleid voerde en het door zijn voorganger verwoeste Babel liet herbouwen, deden ook de nieuwe bewoners van Samaria een beroep op hem. Ze verzochten om hen Jahweh-priesters te sturen, die hen zouden konden onderrichten in de eredienst van de God van hun nieuwe land, zodat de plagen van de bergleeuwen zouden stoppen. En zo geschiedde. Althans, de priesters kwamen, en ook de nieuwe Samaritanen werden ijverige Jahwehvereerders. Of het geholpen heeft tegen de bergleeuwen vermeldt de beide bijbelboeken niet.

Volgens 2 Kon. 17:28 werd het Jahwehheiligdom in Bethel gevestigd. Maar vers 33:

33 Zij vereerden de HERE, maar bleven ook hun goden dienen naar de gewoonte van de volken, waaruit men hen had weggevoerd. 30 de mensen van Babel maakten (een beeld van) Sukkot-Benot, de mensen uit Kuta van Nergal, de mensen uit Hamat van Asima, 31 en de Awwieten van Nibchaz en Tartak. De Sefarwieten verbrandden hun kinderen voor Adrammelek en Anammmelek, de goden van Sefarwaïm. 32 Daarnaast vereerden zij de HERE en stelden uit alle kringen priesters voor de hoogten aan, die voor hen dienst deden in de tempels op de hoogten.

Bedenk dus: Esarhaddon regeerde van 681-669 vC. De ‘hervorming van Josia’ waar we het verderop over gaan krijgen en die het begin vormt van het judaïsme, zal pas in 622 vC in Jeruzalem gaan plaatsgrijpen. Op het moment dat de nieuwe Samaritanen de Jahweh-eredienst in volle glorie herstelden, naast de dienst aan de goden welke ze van thuis hadden meegebracht, offerden de Joden van Jeruzalem nog gewoon aan hun Baäl en Asjera, daar is 2 Kon. 23 “De hervorming van Josia” heel duidelijk in:

4 Toen geboood de koning de hogepriester Chilkia en de priesters van de tweede orde en de dorpelwachters om al het gerei dat voor de Baäl, de Asjera en het gehele heer des hemels gemaakt was, uit de tempel des HEREN naar buiten te brengen; en hij verbrandde die buiten Jeruzalem op de velden van de Kidron, en de as ervan bracht hij naar Betel. Ook schafte hij de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om offers te ontsteken op de hoogten, in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem. 6 Voorts bracht hij de gewijde paal uit het huis des HEREN weg, buiten Jeruzalem naar de beek Kidron en verpulverde hem tot stof; daarna wierp hij het stof ervan op de begraafplaats van het gewone volk, 7 Hij brak de verblijven af van de aan ontucht gewijde mannen, in het huis des HEREN, waar de vrouwen hoezen voor de Asjera weefden. 8 Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten, waar die priesters offers ontstoken hadden, van Geba tot Berseba. En hij slechtte de hoogten bij de poorten van de stadoverste Jehosua, en wel aan de linkerhand als men de stadspoort binnengaat. Enzovoort.

De Joden die in de Assyrische tijd naar Egypte waren uitgeweken en op het eiland Elefantine (in de bovenloop van de Nijl, bij Aswan) waren neergestreken en zich bezig hielden met de handel in ivoor uit Nubië, waren evenmin monotheïsten. Uit de Elefantinepapyri blijkt dat de Judeeërs daar naast Jahu (Jahweh?) ook Asjambethel, Anathbetel, Cherembethel en Anathjahu vereerden.

De opkomst van de Israëlische krijgsgod Yahweh[88] als judaïstische EWG moeten we dus laten beginnen met de val van het noordelijke koninkrijk Israël, in 722 vC.

Het waren de uit Samaria gevluchte en in Jeruzalem neergestreken Jahwehpriesters die in de decennia hierna de EWG zouden uitvinden. Vanaf toen groeide het bescheiden plaatsje van zo’n vierenhalve hectare, zoals de archeologie laat zien, uit tot een stad van zestig hectare dicht opeen staande huizen en openbare gebouwen. Met nieuwe buitenwijken om de vluchtelingen te huisvesten. De god van Israël, Jahweh, kreeg in de Tempel een hoofdaltaar, naast de heilige paal van Asjera.

De gevluchte Yahwehpriesterij bracht het nostalgische verlangen mee naar de bevrijding van hun land. Een verlangen naar het herstel van Groot Israël zoals het onder Omri en Achab geweest was. Het is mijn persoonlijke inschatting dat de Israëlische bijbelschrijvers dit het koninkrijk van David en Salomon hebben genoemd: omdat de namen van Omri en Achab nog te gevoelig lagen onder de Judeeërs en die ook duidelijk realistisch geweest waren en ook andere vereringen dan die aan Yahweh hadden toegestaan.

Dat er een koningshuis van David geweest moet zijn, weten we nu van genoemde overwinningsstèle van de Aramese koning Hazaël, maar hoogstwaarschijnlijk was David een krijgsheer, de aanvoerder van een roversbende. Wanneer die een rijk had gehad zoals het Groot-Israël van Omri en Achab, zou de archeologie daar zeker sporen van hebben gevonden. Er is hardnekkig genoeg naar gezocht. En zo moet ook Salomon met al zijn heerlijkheid en wijsheid uit de dikke duim van de bijbelschrijvers zijn ontsproten: hij komt, nogmaals, nergens tevoorschijn in de annalen: noch op een stele, noch op een potscherf, noch wordt zijn naam genoemd in de kleitabletten-briefwisseling.

Sargon werd in 705 vC opgevolgd door zijn onervaren zoon Sanherib. In Egypte was een sterk nieuw koningshuis aan de macht gekomen, het Nubische, dat Boven- en Beneden-Egypte weer had weten te verenigen. Met de hulp van Egypte zou Juda nu misschien de Assyrische krijgsheren van het lijf kunnen houden, en de torenhoge schattingen wellicht kunnen halveren. De Israëlische tempelpriesterij droomde zelfs van het Groot-Israël van weleer. Ze wisten de nu zittende koning, Hizkia – dit is een halve eeuw vóór de ‘hervormingen’ van Josia, houd dat voor ogen – over te halen om de Assyrische belasting-inners met lege handen naar huis te sturen of hen zelfs te laten ‘verongelukken’. Hun priester Jesaja deed een toepasselijke profetie dat de grootmachten ineen zouden storten en dat Juda en Israël tot één rijk en macht zouden komen. Hizkia bereidde zich op een confrontatie voor, behalve door een beroep om bijstand aan farao Shabaka, door Jeruzalem van een nieuwe stadsmuur te voorzien en een onderaardse tunnel naar de waterbron buiten de stad aan te leggen[89]. Ook – en dat is hier belangrijk! – concentreerde hij de cultus van Jahwe in de Tempel en brak daartoe de altaren buiten Jeruzalem af. Hier wordt de Israëlische krijgsgod Jahwe voor het eerst instrumentaal als EWG!

U begrijpt dat Hizkia als een brave koning te boek staat in II Koningen en in II Kronieken : “deed wat goed was in de ogen van de HERE” = priesterij.

Hizkia’s opstand werd een ramp. Sanherib bleek geen doetje. In 701 arriveerde hij aan het hoofd van een ontzagwekkend leger. Hij passeerde het inderdaad moeilijk in te nemen Jeruzalem en liet om te beginnen zijn leger onbeteugeld plunderen en verkrachten op het platteland van Juda. Lachis, de tweede stad, werd met de grond gelijk gemaakt en vijftienhonderd doden werden begraven in een massagraf. Ook in de rest van Juda werd gruwelijk huisgehouden. Tenslotte werd Jeruzalem omsingeld. Toen leverde Hizkia haastig alle goud en andere rijkdommen in en kocht de belegering af. De latere bijbelschrijvers schrijven de aftocht van Sanherib toe aan een ingreep van Jahwe en zijn engelen. Maar de annalen van Assyrië zijn realistisch genoeg.

Realistisch was ook Sanherib. Jeruzalem was een moeilijk in te nemen vesting, een belegering kon makkelijk twee jaar in beslag nemen. Zijn legerbendes waren al bepakt en bezakt van de plundertochten door heel Juda. Sanherib vond het wel goed zo en ging rijk met buit beladen naar huis, verzekerd van een voortaan brave belastingafdracht.

Manasse bleef een trouwe vazal van Assyrië en onder zijn lange heerschappij bloeide het land weer op. Net als eertijds Israël profiteerde Juda nu van de opbloeiende economie van Assyrië en van het handelsverkeer. Dat laatste betrof vooral de karavaanroute door het zuiden van Juda, die voor Omri indertijd al de belangrijkste reden was om het armelijke Juda in te lijven. Vooral tijdens de regering van Assurbanipal (668-631 vC) groeide Jeruzalem uit tot een echt stadje. De bevolking van heel Juda groeide van 10.000 tot 70.000 zielen; waarvan de helft woonachtig in Jeruzalem. Dat werd toen, zoals opgravingen bewijzen, opnieuw flink uitgelegd. Ook andere Judese steden groeiden in deze tijd uit en op het platteland verrezen veel nieuwe dorpen. In het hele Assyrische rijk, dus ook in Juda, nam de geletterdheid toe. Vooral toen het oude spijkerschriftsysteem was vervangen door het Semitische alfabet, wat veel makkelijker te leren was. De kleitabletten maakten plaats voor papyrusrollen, die tegen muisvraat werden bewaard in urnen. Het is de archeologie vooral die deze feiten aan het licht bracht. De Bijbel echter heeft weer geen goed woord over voor deze voortreffelijke koning … omdat die de oude religies weer alle ruimte gaf. Een karaktertrek van de EWG-ideologie: het gaat niet om het geluk en de welvaart van de mensen, maar om het dienen van hun ‘Allerhoogste’.

Ik vermoed dat toen ook het geld zijn intrede heeft gedaan. Hulspas noch Armstrong hebben het hier over. Maar het dadelijk aan de orde komende plan voor de invoering van de EWG (de ‘hervorming van Josia’ zoals die in de bijbel heet) zou zonder het geld zelfs onbedenkbaar zijn geweest.

Voorlopig echter lijken de tijden van verzet tegen Assyrië voorgoed voorbij. Assurbanipal heerst oppermachtig en verovert zelfs Egypte!

Maar ook dat duurde niet. Niets duurt, en vooral niet wanneer het om gewelddadige overheersing gaat. Assyrië kreeg te maken met aanvallen van de Meden, waar Assurbanipal de handen mee vol kreeg. Zeker toen ook de Babyloniërs, onder aanvoering van Nabopolasser, de kop weer opstaken en met de Meden gingen samenspannen. Overal werden de bezettingsgarnizoenen teruggetrokken. In Egypte kon farao Psamtek I van de 26ste dynastie de laatste Assyrische bezettingstroepen het land uitjagen.

de ‘hervorming van Josia’

Adempauze voor Juda. Assyrië nu serieus in de problemen en Egypte nog niet op krachten! Het was nu of nooit, zo was de overtuiging van de Israëlische priesterij van de Tempel. Er moest nu een legermacht worden opgebouwd van het niet langer afgedragen schattinggeld. Een staand leger, goed uitgerust, paraat en gedrild in kazernes. Als ze dat voor elkaar zouden weten te krijgen, dan was het afgelopen met de uitzuigerij door de grootmachten. Dan zouden ze misschien zelf aan het uitzuigen van andere landen kunnen slaan! Groot-Israël!

Zo’n krachtig leger kost nogal wat. Hizkia’s poging was indertijd mislukt omdat hij toen nog onvoldoende ‘maatschappelijk product’ van Juda had kunnen concentreren, doordat er toen nog geen geld in omloop was: hij had alleen de revenuen van de tempels in de naaste omgeving van Jeruzalem kunnen benutten.

Deze keer hadden ze alle mogelijkheden om het plan tot in de finesses uit te werken.

De revenuen van heel Juda, wat? van heel Israël ook graag, moesten naar één altaar gaan vloeien. In de vorm van geld was dat nu een haalbare kaart. Alles naar het altaar van Yahweh, die nu dus definitief moest worden opgewaardeerd tot de enige ware God-met-een-hoofdletter. De God van Israël, residerend in de Tempel in Jeruzalem. Want die van Samaria was verwoest en verlaten en de bevolking van Israël zelf was, door de bevolkingspolitiek van Assyrië, een mengelmoes van geloven en culturen geworden. Alleen Yahweh’s priesters waren nog over, en die zaten nu in Jeruzalem.[90]

Het was een stout plan. Het hield in dat alle andere heiligdommen, altaren, heilige hoogten en heilige palen in heel Juda, en daarna als het even kon ook in het te heroveren Israël, met de grond gelijk gemaakt moesten worden, en dat alle andere priesterijen dan die van de Tempel van Jeruzalem ontslagen en uitgerangeerd moesten worden.

Hetgeen ook inhield dat er een geheel nieuw soort godheid moest worden bedacht, één die geen andere goden en al helemaal geen heilige palen meer naast zich zou dulden. Een verschrikkelijk en wraakzuchtig Figuur, die niettemin álles wilde betekenen voor Zijn uitverkoren volk. Natuurlijk moest het de god van Israël worden: Yahweh. De god van Groot-Israël moest hij worden. De namen van Omri en Achaz moesten vergeten worden en vervangen door die van rasechte Judese helden.

Een geheel nieuwe ideologie, een nieuw Joods Verhaal! Uitgedokterd en op schrift gesteld. Het moest allemaal geloofwaardig aan het volk gepresenteerd kunnen worden. Je moest er zelf in kunnen geloven, zo goed moest het zijn.

En inderdaad. Het door de priesterij van de Tempel ontworpen verhaal werd bepaald geniaal.

Het maakte gebruik van de oeroude verhalen van de verhalenvertellers. Die trokken al sinds onheuglijke tijden van vader op zoon de hoeven langs, waar ze verwelkomd en gefêteerd werden in ruil voor hun spannende verhalen. De slavernij in Egypte waar alle boerenfamilies eeuwenlang zonen aan verloren hadden, gevoegd bij de vele heldenverhalen uit de stammenoorlogen van de Judese IJzertijd, vormde het uitgangspunt. Dat was allemaal orale ‘literatuur’, waarvan bruikbare elementen nu voor het eerst werden te boek gesteld – dus ‘vereeuwigd’. Heel wat elementen waren geknipt voor een relaas van Yahweh die – en dat was een ijzersterke vondst! – juist dát arme en gepijnigde volk speciaal had uitverkoren boven alle volken! De Ene Ware God, Yahweh, wilde Zijn uitverkoren volk bevrijden uit de slavernij van Egypte. Op slechts één voorwaarde: het volk moest alleen Hem aanbidden en geen andere goden!

Daartoe, zo luidt het verhaal van de bijbelschrijver(s), werd een Verbond gesloten[91], vastgelegd op schrift. Onder leiding van … nee, nog niet van Mozes: die is pas later in Babylon bedacht; in deze eerste versie doet Yahweh de klus nog zelf … werd het volk uit Egypte geleid en binnengevoerd in het ‘Beloofde Land’.

Echt een meesterlijk scenario. Maar nogmaals: het moést ook echt goed zijn, want er moest een hell of a job mee worden verricht.

De Judaïstische EWG-ideologie heeft pas in de eeuwen daarna, in talloze telkens aangepaste edities, de vorm gekregen waarin wij er nu kennis van kunnen nemen. Maar de bijbelkundigen weten vrij goed hoe die eerste rompvorm van wat later Deuteronomium zou heten, er uitgezien moet hebben: nog zonder Mozes bijvoorbeeld. Het is deze rompvorm die door Chilkia en zijn (Israëlische) priesterij op een boekrol op schrift is gesteld.

Het was nu of nooit. Want er deed zich juist ook een andere gunstige factor voor. Voor de uitvoering van het plan diende de Tempel ook over een meewerkende koning/legeraanvoerder te kunnen beschikken. Welnu, die kregen ze op een presenteerblaadje.

Toen koning Manasse eindelijk werd opgevolgd door zijn zoon Amon, kwam die al in zijn tweede regeringsjaar bij een paleiscoup om het leven en diens achtjarige zoontje Josia werd door de samenzweerders (waarover dadelijk meer) op de troon gezet.

Josia, opgevoed mede door ‘geleerden’ van de Tempel, werd door de priesterij voor het plan, waarin hij immers de rol van ‘de nieuwe David’ zou krijgen, van meet af aan enthousiast gemaakt. Terwijl Josia in de achttien (!) beginjaren van zijn koningschap alles in het werk stelde om een flinke en goed geïndoctrineerde[92] militie op de been te brengen, werd het bovenbeschreven nieuwe Joodse Verhaal door (of in opdracht van) hogepriester Chilkia in een boekrol uitgewerkt. Een Verhaal over een EWG die heel wat te stellen had met zijn ‘uitverkoren volk’. Een echt IJzeren Tijdperk-verhaal, vol moord en doodslag, verwoestingen en uitroeiingen. Met als beloning voor het afzweren van alle andere goden, dat ze zouden worden uitverkoren boven alle andere volkeren der aarde! En natuurlijk gruwelijke straffen voor als ze zouden hervallen in hun voorouderlijke erediensten.

De boekrol werd in een urn gedaan en verborgen onder het puin van een in gang zijnde Tempelrenovatie.

In 622 vC, in zijn achttiende regeringsjaar dus, was Josia er klaar voor. De bewuste urn werd ‘toevallig’ gevonden en met veel bombarie en vertoon aan de koning en ‘het volk’[93] voorgelezen. Vervolgens kwam de verwoesting van de altaren en heilige hoogten buiten Jeruzalem op gang zoals ik al citeerde uit II Koningen 22-23 (eveneens in Kronieken 33-34). Het is een nogal duidelijk in elkaar gestoken drama. Maar of het ook echt gebeurd is? Het blijft een bijbels verhaal, dus: achterafschrijverij van auteurs in Babylon of (ver) nadien. Niet met een historisch maar met een propagandistisch oogmerk.

Propaganda waarvoor eigenlijk? Propaganda was toch iets voor krijgsheren, als ideologische poot onder hun (op roof, plundering en afpersing gebaseerde) overheersingsmacht?

Ja, zo was de EWG-ideologie aanvankelijk ook bedoeld: om aan afpersing en plundering en roof te ontsnappen én om zelf, het Groot-Israël hersteld zijnde in zijn macht, plunderaar en afperser te kunnen worden. Maar toen het bij de val van Jeruzalem en de verwoesting van hun Tempel op niets was uitgelopen, bleef de EWG-ideologie alleen over. En die ging een eigen leven leiden. In hun priesterlijke hoofden, én in de hoofden van de EWG-gelovige vromen daar in Babylon: ‘uitverkoren volk’! Voor wie niks heeft, is zo’n idee iets om voor te gáán.

De EWG-propaganda was een geheel nieuw verschijnsel in de geschiedenis. De zoroastristen (daar krijgen we het verderop uitgebreid over) hebben nooit aan propaganda gedaan.

Het boek van Karen Armstrong De Grote Transformatie[94] legt weinig nadruk op de figuur van de Ene Ware God als een politieke uitvinding.

Armstrong heeft geen idee van hoe wij mensen geworden zijn en dus ook niet waarom wij van nature religieus zijn. Ze voelt wel dat er ‘IETS’ moet zijn en dus wil ze de EWG niet kwijt. Ze houdt dus toch maar vast aan de Bijbelse weergave van de werkelijkheid, compleet met Mozes als wetgever, en slikt de propagandistische verhalen dan maar voor zoete koek.

Maar ze zegt wel heel zinnige dingen – of ze dat zelf bedacht heeft of dat ze het van een ander heeft kan me even niet schelen – over het vernieuwende karakter van de EWG-ideologie:

– deze werd gepresenteerd in een geschreven tekst, waar de religieuze waarheid tot nu toe een zaak van gezangen en andere mondelinge overlevering was geweest[95]. Een Boek had voor de mensen iets magisch: het was niet meer vrijblijvend want ‘het stond geschreven’!

– van de andere kant werd de zeggenschap over de religieuze waarheid enigszins gedemocratiseerd. Mondelinge overlevering eiste, zoals in India en Perzië waar men terughoudender stond tegenover de Schriftuur, een lange leertijd bij een goeroe en een gedisciplineerde levensstijl. Zelfstandig het Boek bestuderen, los van een goeroe, maakt daarentegen eigen interpretatie mogelijk. Bovendien hoéfde men de religieuze waarheid niet meer van buiten te leren – al werd dat nog lang op prijs gesteld – : men kon de tekst immers altijd opnieuw ter hand nemen

– de concentratie van alle offers op één plek: de Tempel van Jeruzalem. De boeren moesten hun offers in geld leveren. “De deuteronomisten [de samenstellers van het boek in de urn] hadden hiermee een seculier domein geschapen” : tot nu toe was het – in de hele Oude Wereld was dat zo – alleen toegestaan vlees te eten dat ceremonieel geslacht en geofferd was op een gewijde plaats. Maar nu de plaatselijke offerhoogten en altaren waren afgeschaft, mochten de Joden voortaan hun dieren op hun eigen woonplek slachten. Alleen het bloed, dat de levenskracht bevatte, moesten ze in de grond laten lopen. Als tegenprestatie moesten ze voortaan met geslagen muntgeld betalen. Wat de vrouwen dus op de plaatselijke markt moesten zien te krijgen in ruil voor hun landbouw- en vleesproductie. Het was wel een achteruitgang voor de mensen: of het nou een goed jaar was geweest of een slecht jaar: de opgelegde schatting bleef gelijk

– vernieuwing ook op het gebied van de rechtspraak. Traditioneel was er rechtgesproken door stamoudsten bij de plaatselijke heiligdommen. De plaatselijke heiligdommen waren afgebroken en de plekken aan particulieren verkocht. Nu werden er staatsrechters in elke stad benoemd, met een hooggerechtshof in Jeruzalem

– een priesterlijke machtsgreep: de koning (staat) werd voortaan niet langer gezien als de zoon van God, maar moest net als iedereen gehoorzamen aan de Wet van Mozes (priesterij). Theocratie dus.

– een rationelere theologie: de deuteronomisten lieten veel oude mythen buiten beschouwing. God verscheen niet als beeld, was niet met vleesoffers manipuleerbaar, woonde niet in een tempel maar in ieders innerlijk (nou ja, in de achterafschrijverij dan – maar dat geldt voor al deze punten)

– eiste van de gelovige dat hij een deel van zijn inkomsten apart hield voor weduwen en wezen en andere armen; dat hij de rechten van vreemdelingen respecteerde en slaven na zes jaar vrijliet. Kortom: institutionalisering van sociale rechtvaardigheid

We moeten bij deze opsomming wel bedenken dat Armstrong de EWG-ideologie beschrijft zoals die pas later, in Babylonië en nog lang daarna, zijn definitieve vorm zou krijgen. En, nogmaals, zonder dat ze veel oog wenst te hebben voor het propagandistische oogmerk van de bijbelboeken.

einde Assyrië, Juda onder het Nieuw-Babylonische rijk

Het machtige Assyrische rijk, dat het aanzien van het hele Midden-Oosten in het algemeen en het eens zo onaanzienlijke Juda in het bijzonder zo veranderd had, met name onder Assurbanipal, liep na diens overlijden in 627 vC ten einde. De Scythen (nomadische veehouders van rond de Zwarte Zee, uit hun weidegronden verdreven door de sterkere Sarmaten, ook veehouders) en Cimmeriërs (paardenvolk vanuit de Oekraïne) waren het noorden van het rijk aan het binnendringen. De Meden, Iraanse stammen, verenigd onder Fraortes, bedreigden het rijk vanuit het oosten. Ze spanden samen met Babylon in het zuidoosten, dat al 200 jaar door de Assyriërs geregeerd werd maar dat nu onder de Chaldeeër[96] Nabopolassar de kans schoon zag om ook in opstand te komen.

De Meden versloegen onder Fraortes’ zoon Deiokes het Assyrische leger en verwoestten in 614 vC de hoofdstad Assur. Nabopolassar benaderde Deiokes en ze besloten om samen Niniveh te belegeren, dat in 612 viel. Dat was het begin van het einde voor het roemrijke Assyrië. Assur-uballit II, koning van de Assyriërs, wist de verstrooide troepen nog te verzamelen en vestigde een nieuwe machtsbasis in Harran. Deze stad werd in 609 vC door de Babyloniërs ingenomen en daarmee viel het doek voor Assyrië en begon het Nieuw-Babylonische rijk.

Voor de vazalstaten zoals Juda en Egypte was het enige tijd de vraag op welk paard ze moesten wedden: zouden de Assyriërs tenslotte toch zegevieren of zouden de Babyloniërs de nieuwe heersers worden?

De farao’s keken de kat uit de boom. Ze deden alsof ze de Assyriërs trouw bleven maar zagen met welbehagen toe hoe die het steeds moeilijker kregen. Josia van Juda wedde op de Babyloniërs[97].

Toen de Egyptenaren de tijd rijp achtten om de zieltogende Assyriërs zogenaamd te hulp te snellen, en de farao Necho II aan het hoofd van een legermacht optrok langs de Filistijnse kust noordwaarts naar Megiddo, vond Josia het slim om de Babyloniërs te laten zien dat hij aan hun kant stond. Achteraf gezien wel slim, maar nu kostte het hem zijn leven: bij de eerste confrontatie – we schrijven 609 vC – trof een Egyptische pijl hem dodelijk.

Necho II vervolgde monter zijn veldtocht maar moest zich al gauw achter de Eufraat terug trekken. Hij moest zich beperken tot een sterk garnizoen bij Karkemish (Syrië).

Josia van Juda werd opgevolgd door zijn oudste zoon Joachaz. Die herstelde meteen de oude goden in ere. Farao Necho verving Joachaz weldra door diens in Egypte opgeleide broer Joakim. Volgens de latere bijbelschrijver deugden Joachaz noch Joakim: ze deden “wat kwaad was in de ogen des HEREN, geheel zoals hun vaderen gedaan hadden” (II Koningen, 23:31-37). Wat wil zeggen: ze gaven de voorouderlijke religies weer alle ruimte[98]. Ik vind het veelzeggend dat ze er telkens weer bij schrijven: “in de ogen des HEREN[99]”. Het is een relativering: “de HERE” = de priesterij, dus je moet het lezen als “volgens ons”. Hetgeen het bijbelboek duidelijk als een priesterij-tekst kenmerkt.

Necho’s poging om Kanaän als zijn wingewest te behouden, mislukte. In 605 vC trok Nabopolassar op naar Karkemish teneinde de belastingmacht van Necho in de hele regio uit te schakelen. Nabopolassar werd echter ziek en moest zich laten terugvervoeren naar huis. Het commando te velde liet hij over aan zijn zoon Nebukadnessar II. Deze ontpopte zich als een waardige opvolger. Het kwam tot een beslissend treffen, waarbij Egypte een zware nederlaag leed. Necho had stom geluk dat Nebukadnessar plotseling bericht kreeg dat zijn vader overleden was en hij als de bliksem naar huis moest om zijn opvolging veilig te stellen. Zo ontsprong Necho – zijn strijdmacht zwaar gehavend maar toch – de dans.

De Babylonische generaals rukten verder op naar het zuiden. Ze lieten Juda met rust: Josia had zijn leven geofferd voor de Babylonische zaak en bovendien betoonde Jojakin meteen zijn onderdanigheid. De teruggekeerde Nebukadnessar richtte zich nu naar Tyrus en belegerde deze uiterst belangrijke havenstad in 604 vC vergeefs. Dan maar naar Egypte! Maar ook dat viel tegen. Necho II won deze thuiswedstrijd en Nebukadnessar moest zich terugtrekken.

We schrijven inmiddels 598 vC. Nebukadnessar’s nederlaag was voor Jojakin van Juda reden om in 597 vC de schatting-afdracht aan Babylon op te schorten en, rekenend op ruggesteun van Necho II, een opstand te beramen. Maar jammer dan: Necho’s steun bleef uit! Jojakin wist niet hoe snel hij zich, met veel verontschuldigingen en het overhandigen van alle hof- en tempelgoud, moest overgeven aan de genade van legerleiding van de Babyloniërs. Waarschijnlijk vanwege het krediet van zijn vader Josia werd zijn leven gespaard. Jojakin werd, samen met degenen die hem tot deze domme daad hadden aangezet, op transport gesteld naar Babylon. Zedekiah, jongere broer van Josia, werd door de Babyloniërs als regent aangesteld.

Maar in 588 vC kwam Jeruzalem, waarvan de muren door Zedekiah op topsterkte waren gebracht zodat hij de stad onneembaar achtte, weer in opstand! Deze keer kende Nebukadnessar geen genade. Hij leidde persoonlijk de belegering, die een vol jaar in beslag nam. Nadat eindelijk een bres geslagen was, ondernam Zedekiah met zijn gevolg een ontsnappingspoging. Maar hij werd gepakt. Hij moest toezien hoe zijn drie zonen werden afgemaakt. Vervolgens werden hem de ogen uitgestoken. De stad en de tempel werden door legeroverste Nebuzaradan grondig verwoest. Alle voornaamste burgers en priesters werden, inclusief de blinde Sedekiah, afgevoerd naar Babylon.

Babylon

Van oudsher was Babylon een rijke stad, zowel door handel en nijverheid als door landbouwproductie. Een wereldstad. Heel wat anders dan het dorpse Jeruzalem in het provinciale Juda. Een stad waarin de rijkdom van de overzeese handel, voornamelijk door Arabieren beheerst, werd overgeslagen via aangelegde wegen naar Bactrië, Medië, Perzië, India, Armenië, Voor-Azië en Arabië. De handelswaar bestond uit Arabische wierook, Indiase specerijen, ivoor, ebbenhout, edelstenen, purper, parels uit India en Perzië.

Een stad met een oeroude geschiedenis. Van oorsprong was het de hoofdstad van de Sumeriërs, die de grondslag hebben gelegd van de Babylonische cultuur. De oeroude priesterstad van die cultuur was Ur, de stad van een der belangrijkste stammen der Sumeriërs, de Chaldeeën. Ur was ook, volgens de bijbel dan, de stad waar Abraham van afkomstig is, de stamvader van de Joden. Inderdaad was er in die vroege tijd een instroom van semieten uit het zuiden, die behalve naar Ur ook naar Arku, Larsak (Senkereh), Nipur (Niffer) of Agani (Lippara) trokken. Ze integreerden in de cultuur (waren nog niet geïnfecteerd met de ‘uitverkoren-volk-bacil’ van het judaïsme) en namen het schrift en de religie over. Dat de integratie overigens niet altijd even harmonieus verliep, doet het ook weer wegtrekken van semieten, zoals van de mythische Abraham en de Hebreeën uit Ur Kassidim, veronderstellen.

De religie van de Babyloniërs was vanouds een natuurreligie, waarin de godheid als een gepersonifieerde natuurkracht werd gezien, in zowel een mannelijke als een vrouwelijke gestalte[100]. De oudste god is El.

Naast hem de koningin-moeder Billit (Baaltis), de ontvangende en barende, de godin van liefde, vruchtbaarheid en geboorte. De derde god is Bel (Baäl, Marduk), de scheppende maar ook verwoestende natuurkracht. De tegenhangster van Billit is Ishtar, de godin van oorlog en verderf maar ook van leven en zegen. De godin die zowel goede als slechte tijden brengt. De Egyptenaren vereerden haar als Isis; de Phoeniciërs en Palestijnen vereerden haar als Ashera, de Karthagers als Astarte.

schets Babylon naar de beschrijving van Herodotus:

“De muur is het pantser van de stad. Binnenin nog een tweede muur, nauwelijks minder sterk maar smaller.

… een machtig bouwwerk …de tempel die aan Belos[101] is gewijd. Het heiligdom is een vierkant van 4000 m lang en breed, met poorten van brons. Ik heb het zelf bezocht. In het midden is een massieve toren opgericht, 185 m lang en breed. Daar bovenop bevindt zich een andere toren, dan nog een en dat gaat wel tot acht torens door.[102] Via een wenteltrap aan de buitenkant kun je naar boven. Ongeveer halverwege is een rustplaats met banken.” uit: Het verslag van mijn onderzoek. Door Herodotos, vert. Hein L van Dolen (Boom, 1995)

Babylon kende een gesloten priesterkaste, die met offers en magie het noodlot trachtte te bezweren. De priesters bestudeerden de vlucht der vogels en de ligging van de ingewanden der offerdieren, om de weersomstandigheden en aardbevingen te kunnen voorspellen. Ze bestudeerden ook de stand der sterren, om zons- en maansverduisteringen te kunnen voorspellen. Aan de toren van Belos was een gespecialiseerde groep sterrenkundige priesters verbonden, wier berekeningen zeer nauwkeurig zijn gebleken. Vooral die over de maanstonden: die kloppen tot op de seconde met die van vandaag. Ook maten zij de tijd van de dag met zonnewijzers. Wikipedia: “Van de Babyloniërs is bekend dat ze een zevendaagse week hadden. Elke dag was gewijd aan een andere godheid. Het belang van het getal 7 komt uit de Babylonische astronomie. Er zijn 7 hemellichamen die waarneembaar zijn met het blote oog (de zon, de maan en vijf planeten). Deze lichamen worden elk met een godheid geïdentificeerd. Volgens een andere theorie denkt men dat de 7-daagse periode een vereenvoudiging is van een kwart van de maanmaand.” Ook in het zoroastrisme was 7 een heilig getal.

De latere bijbelschrijvers hebben de zevendaagse week als één van de vele Babylonische elementen overgenomen. Dat houdt automatisch een rustdag in, je moet dan immers een weekend markeren, toch? Maar ze maakten van de Sabbat een overdreven punt.

Een groot gedeelte van het land was in eigendom van de tempel. Dankzij renten, tienden, riviertol, belastingen en handelsmissies verzamelden de hogepriesters reusachtige schatten voor hun God Marduk. Die Tempel was machtig. Koning Nebukadnessar, een geweldenaar die 43 jaar geregeerd heeft; die één van de zeven wonderen van de oude wereld, de ‘hangende tuinen van Babylon’, heeft laten bouwen; die oorlogen voerde met Egypte, Tyrus, Edom en Judea en al deze oorlogen won; die het verwaarloosde kanaalsysteem heeft laten renoveren; die Babylon uitbreidde, het met een kolossale muur omringde (zie de schets) en alle religieuze ruïnes heeft laten renoveren; die machtige koning dus speelde het niet klaar om aan dat Mardoek-kapitaal te komen teneinde zijn oorlogskosten en zijn grootse bouwkosten te financieren. Met als gevolg een enorme inflatie en zelfs hongersnood. Hier zie je de macht van de geestelijken, die zich ook in het middeleeuwse pausdom en het huidige vaticaan weerspiegelt. Toen Nebukadnessar in 561 stierf, was Babylon zo verzwakt dat de Perzische veroveraar Cyrus II (Kyron) de stad in 540 vC met weinig moeite heeft kunnen innemen.

de ‘ballingschap’

In 586 vC, na de opstand van Zedekiah, had dus de definitieve deportatie van de elites plaatsgegrepen. Het is niet zo dat Juda nu totaal ontvolkt was. Bijbelse overdrijving: ‘de ballingschap van het Joodse volk’[103]. De economische en geestelijke elite werd gedeporteerd. En het machtscentrum Jeruzalem werd verwoest. De opgravingen laten zien dat het Jeruzalem van toen is platgebrand en ook niet meer is herbouwd. De Klaagliederen beschrijven de lege pleinen, afbrokkelende muren en geruïneerde poorten. Verder was Juda door de Babyloniërs herbevolkt met gedeporteerden uit andere onderworpen gebieden, zoals eerder ook met Israël gebeurd was.

Voor een deel was de Joodse elite uitgeweken naar Egypte. Egypte herbergde al veel langer een behoorlijke Joodse kolonie, en dat heeft ook bijgedragen aan het ‘kerstverhaal’ van de vlucht van Jozef en Maria met hun kind naar Egypte[104] uit Matteüs 2: 13-15, nadat de ‘magiërs uit het oosten’ (sterrenkundigen van Babylon) weer naar ‘hun land’ waren teruggekeerd.

Voor de Babylonische heersers was, net als hun Assyrische voorgangers, deportatie van de kopstukken van een onderworpen volk de gemakkelijkste manier om dat volk tot medewerking te dwingen. Op geloofsgebied waren de Babyloniërs als ‘heidenen’ verdraagzaam: ze gunden de gedeporteerden hun eigen geloofsbeleving. De Joden werden gehuisvest in dorpen in de omgeving van Babylon, aan de Euphraat, en vonden werk in Nabukadnessars grote project van de renovatie van Babylons kanalenstelsel. Omdat het een geletterde elite betrof, vonden velen ook werk in de administratieve sectoren en op den duur ook in het onderwijs. Maar natuurlijk was het voor de meesten een behoorlijk statusverlies vergeleken bij wat ze in Jeruzalem betekend hadden. Het boek Job is een typisch Babylonisch boek.

Niet alle Joden integreerden succesvol. Vooral de echte EWG-gelovigen onder hen weigerden zich te assimileren aan hun ‘heidense’ omgeving. Daar is de ‘uitverkiezingswaan’ debet aan.

Onder hen stond menig profeet op. Behalve Ezechiël was er ook Jesaia en vooral een derde profeet wiens naam onbekend is en daarom de tweede Jesaia genoemd wordt omdat zijn orakels in dezelfde rol als die van de eerste bewaard gebleven zijn. Welsprekende en gedreven predikers, die de Joden voorhielden dat ze tot Gods ‘uitverkoren volk’ behoorden. Dat ze zich dus aan de Joodse Wet te houden hadden. Zichzelf en hun zonen laten besnijden. Geen varkensvlees eten, zoals die heidenen deden. En de Sabbat[105] heiligen.

Jojakin kreeg van Nebukadnessars opvolger genade en genoot zelfs weldra, als zoon van Josia die immers zijn leven geofferd had voor de Babylonische zaak, een voorkeurs-behandeling. Hij kreeg een uitkering en een ‘residentie’, en bleef tot zijn dood als aanspreekpunt van de Joodse ‘import’ fungeren.

Toen Ewil-Merodak de troon besteeg als koning van Babel, verleende hij koning Jojakin van Juda gratie en ontsloeg hem uit de gevangenis. Dat was op de vijfentwintigste dag van de twaalfde maand in het zevenendertigste jaar van zijn ballingschap. Hij had met hem een vriendelijk onderhoud en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die in Babel gevangen zaten. Jojakin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en mocht voor de rest van zijn leven de maaltijd gebruiken met de koning van Babel. Jeremia[106] 52:30-34.

De Joden mochten er ook hun eigen geestelijke centrum bouwen. Het is jammer dat we daar niet meer van weten[107], want het is daar dat heel wat van de eerste versies van de bijbelboeken tot stand zijn gebracht. Maar ook de uitwerking van de eerste, door Chilkia en de zijnen samengestelde en in de urn ‘gevonden’ rompvorm van Deuteronomium is in Babylon duchtig omgewerkt. In de grondtekst van de EWG-ideologie is nog geen sprake van de zo belangrijke figuur van Mozes:

“De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we Yahweh, de god van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En Yahweh bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen”. (Deuteronomium, 26:6-8)

In het geestelijk centrum in Babylon – wellicht was dat de ‘residentie’ die Jojakim als gunsteling van het hof had toegewezen gekregen – werd de grondtekst herschreven en uitgewerkt “tot één lange redevoering van leider/wetgever Mozes, waarbij verschillende ‘profetieën’ over de ballingschap werden toegevoegd” (Hulspas p.274). En: “De introductie van de wetgever Mozes is ongetwijfeld het meest opmerkelijke aspect aan deze bewerking.” Het is een meesterlijke vondst. Anders hadden de wetten aan de EWG moeten worden toegeschreven, met telkens weer een antwoord verzinnen op de vraag: hoe dan?

Nieuw is volgens Hulspas ook dat de priesters zichzelf in hun geschriften de hoofdrol toekennen: als het volk een koning wilde, kon dat; maar deze moest aangewezen worden (gezalfd) door “de HERE” (lees: de priesters) en zich strikt houden aan de wetten van Mozes (lees: van de priesters). Ik weet niet of dit nieuw was. Er is al vanaf de vroegste tijden van patriarchale machtsuitoefening strijd geweest tussen de machthebbers over de geesten en de machthebbers over de wapens. Tussen hogepriester en koning, tussen paus en keizer, tussen kerk en staat. Waar de geestelijkheid de kans zag om de macht te grijpen en een sharia in te voeren, liet ze die niet passeren, en dus nu ook niet bij het opstellen van de ‘wetten van Mozes’.

Bijbelwetenschappers identificeren de redacties van deze auteurs als (P), waar de oudere versies als (JE[108]) worden aangemerkt. Ene Baruch[109] schijnt een groot aandeel gehad te hebben in de achteraf-schrijverij. Natuurlijk worden er geen auteursnamen in genoemd, noch een ontstaansplaats: het is immers “het Woord Gods”, van “alle eeuwigheid”. Wel worden aan bepaalde teksten graag namen van beroemde personen gehecht, om ze meer autoriteit te geven.

De voorkeursbehandeling bevorderde de vormgeving van hun eigen ideologie. Ze heeft op een noodlottige manier de uitverkiezingswaan bij de joden in de hand gewerkt. Het is die uitverkiezingswaan die onze verdere mensheidsgeschiedenis zoveel kwaad berokkend heeft – naast het kwaad dat het de Joden zelf berokkend heeft – en nog steeds berokkent.

Genesis

De belangrijkste bijdrage van de (P)-auteur(-s) van de Babylonië-tijd (586-538 vC) is, naast de ‘Mozes’-wetgeving, de psalmen (enkele zijn ‘omgebouwde’ oude Egyptische dan wel Mesopotamische mythen en gezangen) en de profetieën: het Genesis-verhaal. “Precies het scheppingsverhaal uit Genesis is een van de laatst geschreven teksten!” zegt oudtestamenticus Arie van der Kooij, Universiteit Leiden (NRC 25 okt.’04).

Het basisverhaal van welke ideologie dan ook is immers het ontstaansverhaal der mensheid. Een beetje ideologie (geheel van ideeën die heersen in een samenleving) kan zich alleen aannemelijk maken wanneer het zich kan baseren op een van a tot z- verhaal: van hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden tot wat ze nu zijn, en waarin de betreffende ideologie dan naadloos past. Een Groot Verhaal dus.

[Doordat de postmoderne filosofen van na de Tweede Wereldoorlog geen kennis hadden van de oorsprong en de overgeërfde natuur van ‘de mens’, dus ook onbekend waren met de rol die scheppingsverhalen vanaf de vroegste tijden in de mensheid hadden vervuld: het structuur geven aan de begrippenchaos van onze woordenwereld, gooiden ze met het badwater van de Grote Verhalen van fascisme en communisme ook het kind: het Grote Verhaal, weg. Vandaar dat ze zich ook weinig zorgen maken over de verhaalloosheid van ons samenleven en zich niet gedrongen voelen om wat aan de leegte te doen – gesteld dat ze al zouden kunnen verzinnen wát.] Het Grote Verhaal van het monotheïsme, een eveneens verwerpelijke collectivistische ideologie, werd dus het Genesisverhaal.

Voor de samenstelling daarvan hebben de bijbelschrijvers in Babylon veel ontleend aan de Enuma Elish. Ik citeer hier Wikipedia : “De Enuma Elish ("wanneer in het hoge") is een oude Babylonische mythe die ons vertelt hoe de wereld is geschapen. Het is tegelijk een verheerlijking van de god Marduk en de stad Babylon. De tekst is van groot belang omwille van zijn gelijkenis met het Bijbels scheppingsverhaal” .

Waarom ontleenden de bijbelschrijvers hun scheppingsverhaal aan andere culturen? De Joodse stammen waren toch niet van gister? Die hadden toch ook hun eigen oeroude scheppingsverhaal(-en)?

Zeer zeker, de god El was hun Grote Voorouderfiguur. Maar elke stam had zo z’n eigen versie. Onvermijdelijk zou het officiële verhaal naar het oordeel van sommige stamhoofden teveel het stempel dragen van één der concurrenten en ze zouden het niet als het hunne accepteren. Een nog belangrijkere reden: het zou teveel ‘heidense’ elementen bevatten: de weinige vermeldingen van hoofdgod El doen dat prompt.

Dus liever een geheel nieuw vervaardigd. De EWG-ideologie was immers in zijn geheel een revolutionaire afrekening met het verleden. Bovendien: bronnen voor ‘leentjebuur’ genoeg.

De (P)-auteurs maakten van de scheppende figuur echter een zachtaardiger God dan de krijgshaftige God Marduk. Uit dat zachtaardige blijkt invloed van de andere inspiratiebron voor het Genesis-verhaal: het, eveneens in Babylon populaire, zoroastrische scheppingsverhaal. Vooral het begin van Genesis: de scheiding tussen licht en duisternis; een God zonder begin of einde, zonder plaats of verleden; de schepping van de aarde in zes fasen, besloten met een rustdag, is geheel aan het zoroastrisch/Babylonische scheppingsverhaal ontleend. Maar ook hier merk je dat de verschillende auteurs verschillende opvattingen hebben vertegenwoordigd. Verschillende teksten, afkomstig uit verschillende scholen wellicht, daar hebben de latere overschrijvers en redacteurs een geheel van moeten maken, met waar mogelijk behoud van de originele, dus ‘heilige’ tekst. Hetgeen weer leuk is voor de bijbelvorsers.

De geloofsinhoud van de (P)-auteurs ademde een vredelievender, zoroastrischer geest dan die van de deuteronomische D-rompvorm. Dit vastgesteld hebbende is het optreden, tegen het einde van de ‘ballingschap’, van de zg ‘Tweede Jesaja’ (zo geheten omdat zijn orakels bewaard zijn gebleven in de dezelfde boekrol als die van Jesaja, die echter in Hizkia’s tijd heet geprofeteerd te hebben) opmerkelijk. De orakels van de ‘Tweede Jesaja” waren ineens weer opvallend triomfalistisch. Een Marduk-achtige Yahweh die al zijn vijanden verslaat. Opmerkelijk ook omdat er dan ineens vier gedichten tussen staan – van iemand die zich ‘dienaar van Yahweh’ noemde – die juist weer heel timide zijn en lijdzaam.

Maar juist de zangen van die ‘tweede Jesaja’ blijken heel populair geweest te zijn onder de Joden in Babylon.

het zondvloedverhaal

Een oude Babylonische sage vertelt van de stadscheppende Figuur Oannes, die half vis half mens was, en noch man noch vrouw was. Dat hij uit de zee was op komen duiken en aan de mensen taal en kennis, kunstvaardigheid en schrift, landbouw en bouwkunst had geschonken. Om daarna weer terug te keren in de zee. Een typische Grote Voorouderfiguur dus.

Tien koningen hadden er achtereenvolgens geheerst; de eerste heette Aloros en de laatste was Isuthros geweest.

Maar toen had Bel (Baäl) met een zondvloed alle mensen vernietigd. Alleen Isuthros had zich op een groot schip weten in te schepen, met paren van alle dieren bij zich. Het schip was afgedreven naar het hooggebergte van Armenië. Van daar uit was de mensheid opnieuw begonnen.

De mythen van een zondvloed hebben, zoals echte mythen betaamt, ook een waar-gebeurde kant. Na afloop van de laatste ijstijd vormden zich bij de afsmelting van de gletschers vaak enorme stuwmeren. Wanneer een in de weg liggende ijsdam het dan eindelijk begaf, kreeg je vaak verwoestende overstromingen. Enkele hebben wereldwijde effecten gehad. Ik denk hierbij met name aan de doorbraak van ‘Lake Agassiz’, de enorme zoetwaterbinnenzee (acht keer de oppervlakte van Nederland) die 8470 jaar geleden in één keer leeg liep en de zeespiegel wereldwijd een halve meter deed stijgen. De landtong van de Tigris en de Eufraat, tot dan toe wel 1000 km verder de Perzische Golf instekend, werd toen in korte tijd door de zee verzwolgen. Als je bedenkt dat juist de kustgebieden bij voorkeur door de mensen bewoond werden, kun je je indenken dat zo’n catastrofe vooral in die contreien lang deel van de oeroude verhalen heeft uitgemaakt.

Tiamat wordt bevochten door Marduk (Babylonische zegelafdruk)Een dergelijke catastrofe zou zich ook rond de Zwarte Zee hebben voorgedaan[110]; recentere onderzoeken[111] hebben deze theorie onderuitgehaald. Maar er hebben zich na afloop van de laatste ijstijd op tal van plekken overstromingen in kustgebieden voorgedaan en de meeste scheppingsverhalen van de meeste stammen kennen wel een zondvloedverhaal[112].

Voor het bijbelse zondvloedverhaal is creatief met elementen uit het Enuma Elisj-epos gewerkt. Dus hier eerst een stukje Babylonische mythologie.

Tiamat wordt bevochten door Marduk (Babylonische zegelafdruk)

Mardoek is de oppergod van het Babylonische pantheon.

Mardoek doodde Tiamat, de zoute zee en oermoeder van alle leven. Tiamat werd voorgesteld als een kosmische draak. Van haar lichaam maakte hij de wereld. Uit haar ogen ontstonden de Tigris en de Eufraat en uit haar staart alle sterren van de hemel. Mardoek doodde ook haar zoon en geliefde, de maan Kingu. Van diens bloed maakte Mardoek de eerste man.

Elk jaar werd deze geschiedenis in Babylon gevierd als mysteriefeest, maar het verhaal leefde in het hele Midden-Oosten. De Chaldeeërs noemden Mardoek El. Tiamat assimileerden ze met Isjtar. Haar beeld Tehama weende jaarlijks om de dood van haar geliefde Tammuz. En Kingu was voor hen Sin, de maangod van de berg Sinaï. Tiamat had Kingu (Sin) verheven tot de macht van Anu, de hemelgod. Ze gaf hem de wetten en daarmee de macht over de goden.

Een soortgelijk verhaal leefde er ook over Rhea, die tafels met de wetten schonk aan Minos, op de berg Dikte. Wellicht ligt hier de inspiratiebron voor de bijbelschrijver die de figuur van Mozes bedacht.

het zoroastrische bestanddeel van de Thora

Het Zoroastrisme is van bepalende invloed geweest voor de hele vormgeving van het judaïstische EWG-geloof – en daarmee voor de vormgeving van het mithraïsme, het christendom en van de nog latere islam.

Helaas zijn het vooral de trivia, de bijzaken van het zoriastrisme, die werden overgenomen. Het leidende beginsel: denk goede gedachten, zeg goede woorden, doe goede daden, en het intens goedaardige van zijn leer, die kwamen minder in de kraam van de judaïsten te pas. Het was hen niet om het goede in de mens te doen maar om het geld van de mens en daartoe moest die mens afzien van zijn oeroude offerreligies en de vruchten van zijn arbeid voortaan afdragen aan de EWG van Jeruzalem. Verder ging de betrokkenheid van de Judaïsten met het welzijn en het levensgeluk van de mensen niet.

Trivia. De strijd tussen het goede en het kwade. Ahura Mazda was de god van het goede, contra de god van het kwaad, Ahriman (de latere vorm van de naam Angra Manyu). Zarathustra had een Redder, een Messias, in het vooruitzicht gesteld om de mens te verlossen van het kwade. De latere aanhangers geloofden dat deze Verlosser in 272 vC[113] op aarde was gekomen. Dat was als volgt gegaan. Het zaad (!) van de profeet Zarathustra was op wonderbaarlijke wijze eeuwenlang bewaard gebleven in het Hamunmeer. Toen de maagd Anahita daar een bad nam, werd zij er door bevrucht. Zij baarde haar kind in een stal. Kort na de geboorte waren er drie koningen gekomen, naar de stal geleid door een ster. De koningen verzekerden de maagd Anahita dat haar kind de door Zarathustra aangekondigde verlosser Mithra was. Anahita werd dan ook ‘Moeder van God’ genoemd.

Er waren meer culten in Babylon populair om uit te shoppen, zoals de Zurvancultus en de Mithracultus. De naam ‘mithra’ is Perzisch voor ‘contract’, ‘verbond’, ‘convenant’. De latere zoroastristen noemen Mithra ‘de bemiddelaar’. Of ‘de boodschapper’, de ‘gezondene’. Mithra stond namelijk tussen Ahura Mazda en Ahriman in. Mithra moest de strijd aangaan tegen Ahriman, de god van de duisternis. Toen Mithra na 64 jaar gewonnen had, steeg hij ten hemel.

Ik vat de invloed van het zoroastrisme op het judaïsme hier nog even samen:

1. het geloven in één allerhoogste god, verheven boven alle overige goden, ook door hen

‘Ahura’ oftewel HERE genoemd; de Amesh Spenta werden door hen niet overgenomen

omdat die te licht tot bijgoden zouden kunnen verworden

2. het niet aanbidden van deze Allerhoogste in een fysieke godsbeeld (dit afzien van

fysieke beelden was heel ‘behulpzaam’ bij het bestrijden van de ‘heidense’ goden

die immers wel fysiek aanbeden werden en nu konden worden belachelijk gemaakt als

‘hol snijwerk vol zaagsel’

3. het geloven in een strijd tussen het goede en het kwade (God en Duivel)

4. het geloven in engelen en duivels

5. het geloven in een hemel en een hel

6. het geloven in ‘het einde der tijden’ en een ’laatste oordeel’, dus in een individuele eindbeoordeling

7. een stelsel van ge- en verboden voor individueel gedrag

8. het geloven in een Messias, een Verlosser

9. het geloven in een wederopstanding en een paradijs, in een hiernamaals dus

10. uitgebreide reinigingsvoorschriften voor de rituelen

Toetje: het woordje “Amen!” En als je je echt in het zoroastrisme verdiept, kom je nog wel meer elementen tegen.

Allemaal begrippen en geloofsvoorstellingen die de Joden voordien volslagen onbekend waren. Nou ja, het geloof in geesten is natuurlijk zo oud als het animisme. Maar om die als ‘engelen’ voor te stellen, als gevleugelde helpers (bijvoorbeeld boodschappers) van een EWG, in voortdurende strijd met de ‘duivels’, de geesten van het kwade, dat is typisch zoroastrisch.

Het tiende element, de reinigingsvoorschriften, komen vooral naar voren in de ‘wetten van Mozes’.

Materiaal te over voor de auteurs van de bijbelboeken. Niet alleen voor het verbond (mithra) dat Jahweh met zijn uitverkoren volk sloot, en voor de wetten van Mozes, maar ook voor de vormgeving van Mozes’ geboorteverhaal. Op een kleitablet van Sargon (Sjarroe-kin) van Akkad, de stichter van de dynastie van Akkad en eerste stichter van een groot Semitisch rijk in Mesopotamië, regerende van ca. 2334-2279 vC, lezen we: “Ik ben Sargon, de machtige koning van Akkad. Mijn vader ken ik niet. Mijn moeder ontving mij en bracht mij in het geheim ter wereld. Ze stopte me in een rieten mandje, maakte het waterdicht met teer. Daarna legde ze het in de rivier de Euphraat. Akki, een tuinier, vond mij en voedde mij op. Ook ik werkte als tuinier, tot ik werk kreeg als wijnschenker van Ur Zababa, de koning van Kisj. En Isjtar de godin hield van mij. Toen bestuurde ik het koninkrijk …”[114]

Zelfs wat betreft de Tien Geboden zoals Yahweh die aan Mozes zou hebben overhandigd, eigenhandig op kalksteentafels gegrift nog wel, is er een Sumerisch kleitabletgeschrift van rond 2000 vC waarop staat: “Ik ben Melchisedek, priester van El Elyon, de Meest Verhevene, de ene en enige God…”, waarna de volgende drie verklaringen:

· Ik geloof in El Elyon, de Allerhoogste God, de enige universele Vader en Schepper van alle dingen

· Ik aanvaard het verbond van Melchisedek met de Allerhoogste, waardoor ik Gods gunst verwerf door mijn geloof en niet door offeranden en brandoffers

· ik beloof de zeven geboden van Melchisedek te gehoorzamen en de blijde boodschap van dit verbond met de Allerhoogste aan alle mensen te brengen

Hierna volgden de zeven geboden :

1. Ge zult geen God dienen dan de Allerhoogste Schepper van hemel en aarde

2. Ge zult niet betwijfelen dat ge hierdoor eeuwig behouden zult worden

3. Ge zult geen valse getuigenis afleggen

4. Ge zult niet doden

5. Ge zult niet stelen

6. Ge zult geen overspel plegen

7. Ge zult uw ouders en de oudsten respect betonen.

Van rond 2000 vC! Dit doet vermoeden dat Zarathustra een voorganger heeft gehad: de Sumerische Melchisedek!

De conclusie is onontkoombaar dat de Jahwisten hun bijbelse Tien Geboden bijna letterlijk van Melchisedek hebben overgenomen. Ze hebben zelfs de persoon Melchisedek vernuftig ingepast in hun bijbelverhaal, als de hogepriester van Salem (wat dan later Jeruzalem zou worden) die aan Abraham na diens overwinning brood en wijn bracht (Genesis 14: 18). Latere rabbi’s hebben Melchisedek nog veel meer toegedicht, oa dat hij ‘besneden’ geboren zou zijn.

Ja, die rare, immers nergens op slaande preoccupatie met het amputeren van de voorhuid bij mannen. Kwam al bij sommige primitieve populaties voor, zoals bij enkele aboriginalstammen. Dient geen enkel overlevingsdoel – anders zou de voorhuid al lang in de evolutie gesneuveld zijn.

En zo cultiveerden de joden meer van die nergens op slaande typische mannen-preoccupaties. Spijswetten bijvoorbeeld. Ook teruggaand op primitieve voedseltaboes uit de totemistische tijden. Waaraan hebben de judaïsten de spijswetten (kashrut) ontleend?

– alleen herkauwende dieren met volledig gespleten hoeven zijn rein

– geen schelp- of schaaldieren

– vissen moeten op zijn minst een vin hebben die in het water te zien is

– vlees niet met zuivelproducten eten, er moet minstens 6 uur tussen zitten

Misschien dat die ook moeten worden teruggevoerd op het zoroastrisme, dat immers als eerste geloofssysteem uitgebreide reinigingsvoorschriften voor zijn bedienaren kende.

de judaïstische elementen van de Thora

De D-auteurs hebben in Babylon met de boven opgesomde zoroastrische elementen kennis gemaakt en daarmee de in hun land van herkomst ontwikkelde EWG-ideologie aangekleed. De Deuteronomische ideologie steunt op vijf pijlers:

1. het ‘demoniseren’ van de aloude Joodse stamgoden en vruchtbaarheidsgodinnen, en

het tegelijk daarmee verbannen van de vrouwen uit de bediening van de eredienst

2. de vijandigheid ten opzichte van alle andere religies

3. de voorstelling van de Joden als “het uitverkoren volk”

4. de pretentie dat hún EWG wereldwijd zal zegevieren.

5. het collectivistische, dus mensonvriendelijke karakter: het individu en zijn welbevinden zijn

onbelangrijk, alleen de EWG is belangrijk

De uitverkiezingswaan heeft de Joodse leiders er meestal (de Maccabeeën uitgezonderd) van weerhouden om dit laatste met geweld te doen. Christenen en moslims zouden hún EWG-ideologie echter te vuur en te zwaard opleggen aan andere volken.

Het door Zarathustra zo mensvriendelijk begonnen monotheïsme is met deze vier judaïstische elementen kwaadaardig en vrouw- en mensvijandig geworden. Want het is helaas de judaïstische versie van het monotheïsme die het christendom en de islam is gaan beheersen.

Het derde element: de uitverkiezings-idee, ligt aan de wortel van het latere ‘Jodenprobleem’. Het idee van tot een ‘uitverkoren volk’ te behoren zou de Joden in de diaspora later massaal verhinderen om te assimileren en op te gaan in de culturen waarvan zij deel gingen uitmaken. Het heeft, samen met het Messias-idee en de eindtijdgedachte, gemaakt dat zij – de onvolprezen seculiere Joden die de Europese cultuur veel van haar glans hebben gegeven, niet te na gesproken[115] – ‘buitenstaanders’ bleven, gemengde huwelijken meden en bij voorkeur in getto’s bleven samenhokken.

Overigens is dat toch ook misschien iets zoroastristisch: ook het latere zoroastrisme (en misschien in de Babylonische tijd al) beschouwde een vrouw die met een niet-zoroastrist trouwde niet meer als gelovige, en ook haar kinderen niet. Andersom: een zoroastrist die met een niet-gelovige trouwde, bleef zoroastrist en zo ook zijn kinderen. Ook al waren voor Zarathustra man en vrouw volledig gelijkwaardig, voor het latere zoroastrisme is een vrouw gedurende haar menstruatie onrein en mag de tempel niet in.

Het eerste element van de Deuteronomistische ideologie is optimaal machistisch: het legitimeert elke man, hoe arm, dom en kwaadaardig ook, om zijn vrouw als privé-slavin te behandelen. Het heeft de vrouw massaal buiten spel gezet. Het heeft hele volken een geschiedenis lang beroofd van de helft van het kapitaal aan vindingrijkheid, en nog wel de meest tot duurzaamheid geneigde helft. En tot op de dag van vandaag doemt het de moslimlanden tot achterlijkheid en armoede[116].

Het tweede element heeft al heel wat wrede en rampzalige godsdienstoorlogen gelegitimeerd.

Het vierde element is een bruikbaar instrument geweest bij het koloniseren van machteloze onontwikkelde landen door het christelijke Westen. Voor de islamisten rechtvaardigt het elk terrorisme, waarbij het vijfde element zelfmoordterrorisme in de hand werkt.

de psalmen

Vrijwel alle psalmen dateren van na 200 vC. Dus ook die welke de Bijbel toeschrijft aan David of Salomon. Een belangrijke bron in deze is voor mij Robert H. Pfeiffer (1892-1958), Am. theoloog, antropoloog en oriëntalist, Harvardprofessor en met name zijn Judaism from 200 BCE to 200 CE (NY 1949, revised by R.A.Kraft 2003[117]). Een prettig boek voor iemand als ik die gek is op dateringen: hij was dat kennelijk ook.

het einde van het Nieuw-Babylonische rijk

De Pers Cyrus II was in 559 zijn vader opgevolgd. Perzië was toen nog een vazalstaat van de Meden. Maar Cyrus voerde een succesvolle opstand tegen de Meden aan. In 550 vC versloeg hij Asyages van de Meden en was nu koning over Meden en Perzen. Hij begon aan een reeks veroveringen waarmee hij het grootste rijk tot dan toe zou scheppen. Palestina, Egypte, Bactrië, Klein-Azië, zelfs een deel van de Scythen moesten uiteindelijk zijn gezag erkennen. In 539 vC versloeg hij de laatste Nieuw-Babylonische koning en werd hij erkend als koning van Babylonië, dus van de culturele hoofdstad van de toenmalige wereld. Hij wordt terecht Cyrus de Grote genoemd, omdat hij een geheel nieuwe bestuursstijl hanteerde.

Cyrus was een overtuigd zoroastrist, hetgeen betekende dat hij de mensenrechten eerbiedigde en tolerant was ten opzichte van andere geloven. Maar hij zou niet ‘de Grote’ zijn geweest als zijn ‘moderne’ benadering niet ook zijn politiek doel gediend zou hebben.

Het zoroastrische geloof heeft van de Perzische heersers zoals de latere Darius en de nog latere Xerxes heel wat beschaafder en mensvriendelijker bestuurders gemaakt dan de bloeddorstige en wraakzuchtige Assyriërs altijd geweest waren. Cyrus schonk aan verschillende verslagen koningen genade, en één hunner is zelfs vijftien jaar Cyrus’ staatssecretaris geweest. Ook de meeste Perzische koningen na hem hanteerden een bestuursstijl die de onderdanen in hun waarde liet en die daardoor minstens zo effectief ‘werkte’ als de despotische.

Alexander de Grote zou in 333 vC niet alleen aan het Perzische rijk maar ook aan dat humanere imperialisme een einde maken: diens opmars door de oude wereld was gewelddadig en meedogenloos, waarbij hij elke stad die zich niet lijdzaam wenste te laten uitplunderen, liet uitmoorden en verwoesten. Hoezeer hij de Perzische hofhouding ook bewonderde en nabootste, met hun geloof, het zoroastrisme, hield hij zoals ik eerder vertelde, een afrekening voor wat koning Xerxes 150 jaar voordien aan het Griekse geloof had aangedaan. Xerxes had (althans zijn soldaten hadden) in 480 vC Athene geplunderd en daarbij was de tempel van Artemis in vlammen opgegaan. Als represaille liet Alexander nu de zoroastrische priesters ombrengen en de heilige ‘eeuwige vlam’ in hun vuurtempels doven. Het doden van de priesters was daarom zo’n ramp voor het zoroastrisme omdat hun heilige zangen alleen mondeling werden overgeleverd.

Voor onze religieuze verdere geschiedenis heeft Alexander ook een ramp betekend: doordat hij indirect de weg voor het mensvijandige judaïsme heeft vrijgemaakt.

Dat klinkt nogal heftig: ‘mensvijandig’. Toch kun je dat stellen als je kijkt naar de bedoelingen van de stichters.

Zarathustra was gegrepen door het normverval van zijn stamleden, die niet zelf welvaart produceerden maar met geweld de welvaart van anderen roofden en daarbij geen misdaden schuwden. Alles goedgekeurd door hun krijgsgod. Die God was dus een foute God, en geen ware God. Wie was dan wél de ware God. Zarathustra vond daartoe, al dan niet geïnspireerd door Indiase denkers, de Oergod uit die hij Ahura Mazda noemde. Die God was zó immens hoog verheven dat de mens hem alleen kon dienen door een goed schepsel van Hem te zijn. Door het koesteren van goede gedachten over elkaar, het zo aardig mogelijk met elkaar, met de dieren en met de aarde omgaan en dat aardige ook in je daden laten blijken. Voor Zarathustra waren mannen en vrouwen gelijkwaardig, en een goed schepsel was je ook door te woekeren met je talenten: door productie te leveren met landarbeid of veeteelt, met handenarbeid, of door het handeldrijven in de producten. Luiheid was voor hem een zonde; en dat is goed te begrijpen. Met luiheid, ledigheid, wordt bedoeld: het profiteren van andermans arbeid zonder zelf productie te leveren, door roofovervallen te plegen en te plunderen.

De stichters van de judaïstische EWG waren gegrepen door de mogelijkheid om de Joden voor altijd te verlossen van de uitbuiting door de hen omringende grootmachten, die op dat moment even op apegapen lagen. Het doel van hun Jahwisme was: geld bijeen te brengen voor een Joodse krijgsmacht.

Hierbij waren zowel hun Jahweh als de gelovige Joden slechts instrumenteel. De Joodse gelovigen moesten bewerkt worden om hun offers niet langer naar eigen believen te brengen op zelfgekozen altaren maar in de vorm van geld te betalen aan de Tempel van Jeruzalem. Hun opgetuigde Jahweh moest de gelovigen hiertoe motiveren, verder niets. De stichters waren in het geheel niet geïnteresseerd in de theologie van hun Jahweh, noch in het geluk of het goed zijn van de gelovigen. Alleen de bereidheid van de gelovigen om zoveel mogelijk van de vruchten van hun arbeid af te staan aan de Tempel was waar het hen om ging. Hun nieuwe eredienst diende gegoten worden in een vorm die deze bereidheid zou vergroten. Het inboezemen van angst was een belangrijk middel hierbij. De grote vijand was de vrouw, was de vrouwelijke toewijding aan de vruchtbaarheidsgodin Asjera aan wie op duizenden altaren geofferd werd. Het judaïsme was om die reden vrouwvijandig, en wegens zijn desinteresse in het geluk van de gelovigen mensvijandig.

Dat de poging van de stichters in eerste instantie schipbreuk leed; dat het nieuwe geloof in de jaren daarna werd verrijkt met zoroastristische trivia en verzacht door de aangeboren goedheid van de gelovigen, dat alles verandert niets aan de oorspronkelijke bedoeling van de stichters.

Met Cyrus II de Grote begint dus het Perzische rijk, dat voor de judaïstische EWG-ideologie helaas alleen maar gunstig zou blijken. Het mensvriendelijke zoroastrisme verplicht zijn gelovigen tot respect voor medemensen, ook als ze andersgelovigen zijn. Cyrus II de Grote legde zijn geloof niet op aan de overwonnen. Al snel na zijn aantreden als koning van Babylon stelde hij aan de vertegenwoordigers van de door de Assyriërs en Babyloniërs gedeporteerde volken voor dat zij zouden terugkeren naar hun land, om daar hun verwoeste tempels weer op te bouwen. Ze zouden dan de door de Babylonische koningen geroofde godenbeelden en offerschalen mee terug krijgen. De wederopgebouwde tempels konden, als even zovele Perzische bestuurscentra, een hoge mate van zelfstandigheid krijgen, met alleen een verplichting tot een redelijke jaarlijkse schatting.

De Joodse vertegenwoordigers meldden zich meteen als gegadigden. Het ontmoette ook bij gewone Joden geestdrift. De ophemeling van Jeruzalem door de ‘Tweede Jesaja’ was, hoe weinig realistisch ook, erg populair en er meldden zich heel wat Joden aan voor de ‘terugkeer’ naar Jeruzalem. Het feit dat Babylon in de laatste regeringsjaren van Nebukadnessar tot diepe armoede was vervallen, zal hier niet vreemd aan zijn.

Maar wanneer Cyrus niet zo zoroastristisch geweest was, zouden de judaïsten een onbetekenende sekte in Perzië gebleven zijn. Dan zou ons wellicht een hoop ellende bespaard zijn gebleven en had de geschiedenis er heel anders uitgezien.

het tempeldomein

Wat Cyrus aan de vertegenwoordigers in feite in het vooruitzicht stelde was een tempeldomein.

Dus eerst even iets over het fenomeen ‘tempel’.

Net als Egypte en alle andere landen in het toenmalige Midden Oosten kenden de landen van de Joden, de Kanaänieten, de Filistijnen, de Samaritanen, de Amorieten, Perizzieten en wat er nog meer wordt opgesomd in de Bijbel, tempels.

Wat we ons daarbij moeten voorstellen is ons goed bekend van de Egyptenaren. Het waren bedrijven. De grootste landbouw-, veeteelt- en industriebedrijven welke de toenmalige economieën kenden. Uitgestrekte complexen met een heleboel personeel en toeleveringsbedrijfjes. Althans de grootste. Want je had ook heel armetierige ‘schrijnen’, die nauwelijks konden rondkomen.

De Tempel van Amen in Karnak had 81.000 man personeel in dienst[118]: priesters, schrijvers, zangers en muzikanten, boeren, vissers, jagers, roeiers, tuinlieden, bouwlieden, timmerlieden, smeden, voormannen, afdelingshoofden. De meeste van deze beroepen gingen over van vader op zoon en de belangrijkste beroepen hoorden toe aan bepaalde families.

Dat alles werkte op zo’n 250 hectare akkerland, in 433 tuinen, in 46 constructiewerkplaatsen, op een vloot van 83 boten. De Tempel beheerde ook 65 marktplaatsen. Elke grote Tempel had zijn uitgestrekte tempeldomein en de opperpriesters staken in macht de koningen naar de kroon.

Een normale dag telde drie religieuze diensten, elk eindigend met een maaltijd.

Bij het aanbreken van de dag trok een lange processie naar de Tempel, met de Hogepriester voorop, gevolgd door priesters, zangers, zangeressen en muzikanten, en door dragers die de offerandes voor de Godheid droegen, op berries. Geslacht vee, broden, kruiken met wijn en water, allerhande groenten en vruchten. Klaargemaakt in de keukens van de Tempel, geslacht in het abattoir van de Tempel, gebakken in de bakkerij van de Tempel, gebrouwen in de brouwerij van de Tempel.

De God was gehuisvest in het binnenste heiligdom van de Tempel. Vaten met wierook werden ontstoken om de ruimte te zuiveren en de priesters hadden zich ritueel gereinigd. Aangekomen bij de altaarschrijn werd de God gewekt met de Ochtendhymne. Het beeld was niet altijd levensgroot, kon gemaakt zijn van steen, van verguld hout of zelfs van zuiver goud, ingelegd met halfedelstenen. Het beeld was niet zelf de God, maar huisvestte de ka, de geest van de godheid. Het beeld stond in een schrijn, waarvan de deuren de avond tevoren plechtig waren afgesloten en verzegeld. Het was de opperpriester die na het vergalmen van de Ochtendhymne de zegels verbrak, de grendels terugschoof en de deuren opende[119]. Nu werd het beeld gewassen en gekleed, geparfumeerd en met cosmetica opgefleurd.[120]

De berries met de offerandes werden op de aanwezige consoles geplaatst en omringd met de ruikers uit de bloemisterij van de Tempel. Zo werd de ‘maaltijd’ aan de Godheid aangeboden. Zijn ka werd geacht de essentie van de offerandes in zich op te nemen, waarbij Hij werd geamuseerd met muziek, zang en dans.

Nadat de hogepriester het teken had gegeven dat de Godheid voldaan was, werden de offerandes teruggebracht naar de verschillende eetzalen en ‘kantines’, waar ieder zijn of haar ochtendmaal kreeg uitgereikt, naargelang rang en stand en soort werk. Ook om mee naar huis te nemen of te geven aan wachtende familieleden, want ook de gezinnen moesten er van leven. Het goddelijk voedsel was tevens het loon van zijn bedienaren– althans in de tijden dat alles nog in natura ging. Voor zover niet op de eigen velden geteeld en door de eigen vissers en jagers gevangen, werd het afgestaan door al degenen die van de bemiddeling van de godheid haar/zijn voorspoed en welzijn of genezing verhoopte.

Zoals binnen het hedendaagse bedrijfsleven bestond er ook tussen de tempels concurrentie. Het ging om zoveel mogelijk aanhang voor hun god, dus om het binnenhalen van zoveel en zo groot mogelijke offers. Het ging ook om wie de meeste invloed had op de koning, en wie dus het meest kon profiteren van de gunsten (toelagen) van de koning die de landelijke belastingen inde. Politieke macht, daar ging het om. Dat brengt geld en aanzien, en andersom.

Cyrus II de Grote (regerend 559-530 vC), in de Bijbel (boek Ezra) Kores geheten, had dus op 62-jarige leeftijd de beroemde stad Babylon ingenomen en had er zich tot de nieuwe heerser laten kronen, in 539 vC. Het land was nu allemaal van hem, ook dat van de door hem verslagen Babylonische koning. Het was gewoon een machtswisseling, dus de bestuursstructuur van het Babylonische rijk waaronder Palestina viel, bleef gehandhaafd. Dat was trouwens de al door de Assyriërs ingezette bestuursstructuur: de indeling in provincies. De benaming onder de Perzen was ‘satrapie’, en Palestina maakte deel uit van de satrapie ‘Babylon’. Babylon was verdeeld in grote bestuursgebieden en Syrië vormde met Palestina het bestuursgebied Ebirnari, het ‘over-rivierse’: het gebied ten zuiden van de Eufraat. Dat was weer onderverdeeld in nog kleinere bestuursgebieden, en Juda viel onder bestuursgebied Samaria.

Al in 538 vC had hij de decreten uitgevaardigd waarin aan ettelijke door de Nebukadnessar gedeporteerde bevolkingsgroepen de vrijheid werd geschonken alsmede medewerking aan het herstellen van verwoeste heiligdommen in hun eigen land. Deze koninklijke gunst werd ook aan de vertegenwoordigers van de Joden verleend.

Door toezegging van een tempeldomein in Juda onttrok Cyrus dus in principe een deel van het bestuursgebied van de pecha (rijksambtenaar) van Samaria aan diens gezag. Dat kon die natuurlijk niet bijster waarderen; temeer omdat hierdoor een erfvijand terug in het bestaan geroepen werd. De onttrekking was des te serieuzer omdat de groep Joden die in 538 de reis naar Juda ondernam, onder leiding stond van Sjesbasar die de functie van pecha zou gaan bekleden. Waarmee de nieuwe schepping de schijn kreeg van de stichting van een afzonderlijk bestuursgebied.

de ‘terugkeer’

Zo wordt de stichting van de Tweede Tempel van Jeruzalem in de Bijbel aangeduid: alsof het hele volk der Joden in Babylonische ballingschap was geweest en nu juichend en God lovend terugkeerde. Zo’n deportatie betrof enkel de bovenlaag. Maar goed, ook het laten migreren van een paar duizend mensen is geen kattenpis.

Wat nu de reis naar Jeruzalem ondernam schat ik op een paar honderd mensen. Behalve Sjesbasar en een hogepriester met zijn ondergeschikten en tempeldienaren en vaklieden voor de bouw zullen er ook nog de nodige gegadigden hebben mee gewild, enthousiast gemaakt door de ophemelende gezangen van de ‘Tweede Jesaja’. Maar het was allemaal tweede en derde generatie: allemaal geboren in Babylon.

Is nog een hele stoet, met reiswagens vol leeftocht en voer voor de trek- en rijdieren, en met het religieuze vaatwerk dat door de Assyriërs was buitgemaakt en dat nu door Cyrus weer was teruggeschonken. Een lange reis: eerst langs de rivier de Eufraat omhoog, met oversteken van de er in uitmondende zijrivieren, tot aan Emar, vermoed ik, en vandaar zuidwaarts en via Damascus naar Samaria, waar ze zich dienden te melden bij de pecha. Door wie ze met hooguit gespeeld enthousiasme zullen zijn begroet maar voor wie het bevel des konings onontkoombaar was.

De aankomst in Jeruzalem moet een zware teleurstelling zijn geweest: uitsluitend overwoekerde ruïnes. Wat de bevolking betreft: behalve uit de niet-gedeporteerde Judese boeren bestond die uit de gedeporteerden uit andere onderworpen landen of gewone immigranten: Filistijnen, Moabieten, Ammonieten, Edomieten, Feniciërs. Die mensen offerden aan van alles maar Jahweh kenden ze niet: dat was een god van het vroegere Israël en diens eredienst had in Babylon judaïstische gestalte aangenomen. Het idee dat de boeren in Juda terwille van een te stichten tempeldomein voor een vreemde god van het eigendomsrecht van hun land zouden afzien en tempelhorigen zouden worden was uiteraard onbespreekbaar.

Hoe groot moeten we dat domein voorstellen? In bijbelboek Nehemia 3 treft men een overzicht aan van welke dorpen en steden er in Nehemia’s tijd (rond 440 vC) toe behoorden. Behalve Jeruzalem was dat Jericho, Tekoa, Betsur, Keila, Tsanoach, Bethkerem, Mizpa en Gibeon. Een gebied van 55 km breed en 20 km diep. Dat is nogal wat, zij het dat tussen Jeruzalem en Jericho onbruikbaar bergland lag.

De ‘terugkeerders’, die ik hier verder als Gola aanduid, hadden alle moeit om zich in leven te houden en een onderdak te verwerven. Dat ze hierin slaagden doet vermoeden dat ze wijselijk gezwegen hebben over het hun toegezegde ‘tempeldomein’. Maar integreren in hun’land van herkomst’ deden de meeste Gola ook niet. Ze waren Vromen, volgelingen van Jeremia en Ezechiël. Ze onderhielden de sabbat, besneden hun zoontjes, aten slechts koosjer vlees en beschouwden zich als uitverkorenen van hun god. Ze distantieerden zich van de autochtonen, die door hen simpelweg als am-ha’aretz: plattelandsvolk, oftewel ‘heidenen’ werden aangeduid. Maar … vermoedelijk was het merendeel der Gola man. Dat wil een vrouw. Dus werd er veelvuldig getrouwd met am-ha’aretz vrouwen.

Intussen was het de Perzische overheid duidelijk dat de missie mislukt was en dat er niets terecht kwam van een nieuw administratief centrum. Darius (521-486 vC) maakte in zijn lange en succesvolle regeerperiode echt werk van het consolideren van zijn rijk en zond een tweede missie af naar Jeruzalem, groter en nog ruimer toegerust. Met een nieuwe pecha, Zerubbabel en een nieuwe hogepriester, Jozua.

Ook deze Gola moesten natuurlijk eerst weer voor eigen onderdak zorgen. Haggai, lid van het priestergezelschap en later als ‘profeet’ aangemerkt, kon zijn teleurstelling niet voor zich houden en verweet de mensen van de eerste groep dat ze alleen aan zichzelf gedacht hadden en de woonplaats van Jahweh een ruïne gelaten hadden.

Niet geheel zonder effect: een aantal van hen toog aan het werk, onder de bezielende leiding van Haggai zelf – en met diens nieuwe middelen natuurlijk. Ze slaagden er in enkele maanden in om een bescheiden begin van een wederopbouw te laten zien: onder meer een brandofferaltaar.

Bij deze wederopbouw van de Tempel hadden de autochtone Jeruzalemmers echter het toekijken: alleen Gola-leden mochten daaraan meehelpen, geen ‘heidenen’! Het zette kwaad bloed, en de bevolking stuurde een afvaardiging naar de hoge ambtenaar van Ebirnari. Deze wendde zich tot de koninklijke kanselarij. Daar spoorde men het decreet van Cyrus op. Het resultaat was geen verbod maar juist een extra steun aan de herbouw, die vanaf toen dan ook voortvarend werd aangepakt.

Wie zich ook meldden als helpers waren een groep Samaritanen. Het was immers voor hún god dat de tempel verrees. Maar ook zij werden hooghartig geweerd. De in Babylon ontwikkelde godsdienst, het judaïsme, was een ‘wettische’: het ging om de precieuze naleving van regeltjes, niet om persoonlijke vervolmaking. Terwijl de Samaritaanse Jahweh-religie spiritueel was, juist op persoonlijke vergeestelijking gericht.

Hierna zijn de Samaritanen een eigen nieuwe Jahwehtempel begonnen, op de berg Gerezim (bij het huidige Nablus, op de Westbank). De fanatieke judaïsten hebben altijd neergekeken op de zachtmoedige Samaritanen, en in 111 vC is de Gerezimtempel dan ook door de Maccabeeënkoning Hyrcanus verwoest. De Samaritanen, vandaag nog zo’n 700 mensen, voornamelijk wonend in Nablus, treuren nog jaarlijks op de ruïnes.

Samaria Page 08 Image 0001Links de berg Gerezim, rechts de berg Ebal

During the entire week following the Feast of the Passover, the Samaritans remain encamped on Mount Gezirim. On the last day of the encampment they begin at dawn a pilgrimage to the crest of the sacred mount. Before setting forth on this pilgrimage, however, the men spread their cloths and repeat the creed and the story of the Creation in silence, after which, in loud voice they read the Book of Genesis and the first quarter of the Book of Exodus, ending with the story of the Passover and the flight from Egypt

—John D. Whiting, The National Geographic Magazine, Jan 1920

het judaïsme

Het is de ‘wettische’ geloofsbeleving: patriarchaal, vrouwonvriendelijk, uitverkiezingswaan-dragend en derhalve xenofoob en zich niet mengend met andersgelovigen, overal levend in getto’s maar wel hard werkend en spaarzaam, die het Jodendom verder bepaald heeft. Onder de Maccabeeën is het tempeldomein steeds verder uitgebreid, maar het judaïsme heeft toen en later ook vele malen op het randje van vernietiging verkeerd, doordat het merendeel van de Joden zich meer aangetrokken voelden tot het Hellenisme (het ´Amerikanisme’ van die dagen). Ook de omringende volken en de Seleucidische vorsten voelden zich door die extremistische ‘Talibaan-avant-le-mot’ bedreigd en hebben het nodige in het werk gesteld om het gevaar te keren.

Dat het heeft overleefd is meer ongeluk dan wijsheid: een sneeuwval die een Syrisch leger deed stokken; het plotselinge overlijden van een koning waardoor een generaal zich ijlings naar hoofdstad moest terugtrekken; ettelijke dubbeltjes-op-zijn-kant. Wanneer het judaïsme bij een van die vele malen ten onder was gegaan was de wereld én de Joden zelf veel ellende bespaard gebleven. Wanneer Cyrus niet zo zoroastristisch was geweest, zou heel Palestina sowieso niet eens met het judaïsme te maken hebben gekregen.

Wat het judaïsme betreft laat ik het hier verder bij. Ik heb aan het ontstaan ervan toch zoveel aandacht besteed omdat we met de gevolgen ervan nog steeds dagelijks te maken hebben. Ik heb dit allemaal zojuist uitgebreid behandeld in mijn boek Hoezo God?[121]. Dus ook over het christendom en de islam, beide uit het judaïsme voortgevloeid, houd ik het hier nu verder kort.

het christendom

Deze cultus draait om de figuur Jezus, die als zoon van God zijn leven zou hebben geofferd voor het heil der mensheid. Voortgekomen uit de Osiris-Dionysosculten die in diezelfde tijd in de hele Grieks-Romeinse beschaving onder de hogeropgeleiden alom populair waren. Evenmin als het van Osiris of Dionysos bekend is of die in het echt bestaan hebben is dat van Jezus aantoonbaar: geen enkel historisch document maakt gewag van zijn persoon. Toch neem ik aan dat hij niet door Paulus, de stichter van het christendom, uit het niets verzonnen is. Jezus’ levensverhaal is na Paulus door evangelieschrijvers als Lucas en Mattheus vormgegeven, wellicht aan de hand van mondeling overgeleverde vertellingen. De beginnende Kerk had er behoefte aan om hun hoofdfiguur, door Paulus aangereikt zonder dat deze zelf Jezus ooit had ontmoet of meegemaakt, van een biografie te voorzien. Zo was Zarathustra door het zoroastrisme achteraf van een biografie voorzien en zo zou ook de latere Mohammed door de moslimleiders achteraf een biografie toegeschreven krijgen.

Paulus, een Jood, heeft in de eerste eeuw AD een Joodse variant van de zo populaire gnostische culten willen stichten. Hij gebruikte daarvoor een figuur Jezus van wie hij via volgelingen van die profeet een en ander gehoord had. De populaire Dionysos/Osirisculten waren gebaseerd op een zichzelf opofferende figuur, niet alleen Dionysos of Osiris maar elders was het Attis, Mitras of Adonis. Paulus‘held’ voor de Joodse Mysteriecultus was dus Jezus Christus. Hij heeft nooit bevroed dat er uit zijn initiatief een Jodenvijandige Kerk zou groeien.

Wanneer het christendom gebleven was zoals Paulus het preekte, zou het een zachtaardige en vrouwvriendelijke cultus gebleven zijn. Maar al in tweede eeuw vigeerden er drie elkaar zwart makende christelijke stromingen. De grootste was de gnostische zoals die door Paulus bedoeld was en vooral in Alexandrië bloeide, met Valentinus als belangrijke denker.

In Jeruzalem en andere steden in Syrië handhaafde zich een joods-christelijke stroming die zo nauw mogelijk bij het judaïsme wilde aangesloten blijven en die in Jezus niet meer zagen dan hij geweest was: een profeet. Hooguit een bijzondere afgezant van God.

In de gemeenten van Klein-Azië, Italië en Frankrijk groeide de bisschoppelijke kerkelijke organisatie waarin Tertulianus en Irenaeus de boventoon voerden. De Kerk gaf Jezus steeds meer de goddelijke status zoals Paulus hem die als de Joodse Osiris/Dionysos al verleende. Ze ontdeed het door Paulus gestichte christusbeweging van zijn spirituele en gnostische karakter, onder meer door aan de brieven van Paulus enkele valse (Efeziërs, Timoteüs, Titus en vermoedelijk Kolossenzen) toe te voegen, waarin Paulus zogenaamd afstand deed van het gnosticisme.

Vanwege zijn centralistische bisschoppelijke organisatie werd deze ene christelijke sekte aantrekkelijk voor keizer Constantijn om die tot zijn staatsgodsdienst te maken. De kerkelijke christenen hebben vervolgen als fanatieke ‘talibaan’ huisgehouden onder de gnostieke gemeenten en ‘heidense’ heiligdommen en bibliotheken, zoals de grote bibliotheek van Alexandrië. De Rooms-katholieke kerk, de Oosters-Orthodoxe kerk, de Protestantse en Anglicaanse kerken zijn er de nakomelingen van.

de islam

De islam, de omstreeks 600 ontstane Arabische variant van het judaïstische christendom, heeft eveneens vanaf het begin een politiek-economisch karakter. Ook over Mohammed weten we alleen wat ene Ibn Ishaaq een eeuw na Mohammeds dood heeft verzameld aan wat er voor verhalen over de profeet verteld werden. Soms beschreef hij twee verschillende versies van hetzelfde verhaal omdat hij niet durfde uit te maken welke versie de juiste was. Maar ook dat werk is slechts fragmentarisch in het werk van latere historici overgeleverd. Men mag er nog steeds van uitgaan dat Mohammed (ca 571-632) een reëel geleefd hebbende koopman is geweest: meer mensen van zijn slag hebben toen de behoefte gevoeld om, ter pacificering van de handelsbelemmerende stammenoorlogen, één God te propagren. Oppositie tegen dit idee was er natuurlijk ook: van groeperingen die profiteerden van de pelgrimages naar de aloude Kasba in Mekka, die tenslotte door Mohammed is ge-islamiseerd.

Het vermoeden is gewettigd dat Mohammed zijn Arabisch getinte monotheïstische boodschap slechts als een Joods/christelijke beweging wilde invoeren in die door stammenoorlogen verziekte heidense wereld. De Koran is pas een eeuw na zijn overlijden samengesteld uit wat er aan mondelinge en schriftelijke overlevering bij elkaar te garen viel.

De Koran is een duidelijk Joods/christelijk boek: Mozes komt er 134 keer in voor, Abraham 70 keer, Noach 33 keer, Jezus 25 keer. Mohammed slechts 4 keer. Veel verzen zijn onduidelijk, en de meeste zijn ook slechts begrijpelijk voor iemand die met de bijbelse verhalen is grootgebracht.

Het is ook een hoogst eigenaardig boek. Het is niet meer dan een verzameling uitspraken van God, vermaningen en instructies. Ze zijn ondergebracht in soera’s (hoofdstukken) en die weer in verzen (aya’s). De volgorde ervan is niet thematisch of zelfs maar chronologisch, nee, op lengte van de soera’s. Alsof de samenstellers tot elke prijs de historische herkomst ervan hebben willen verdoezelen.

De biografie van Mohammed, pas ruim een eeuw na diens overlijden samengesteld, meldt dat Mohammed in Mekka woonde, op veertigjarige leeftijd via de engel Gabriël van God ‘openbaringen’ kreeg, in de loop van 23 jaar. In 622 week Mohammed uit naar Medina, om na zes jaar als overwinnaar in Mekka terug te keren. De moslimgeleerden onderscheiden de ‘openbaringen’ dan ook naar die twee perioden. De oudste, de ‘Mekkaanse’, zijn zachtaardiger dan de strijdbare ‘Medinese’.

De ‘openbaringen’ blinken nogmaals niet uit in helderheid. Ongeveer 20 % van de aya’s zijn zelfs volstrekt onbegrijpelijk. Korangeleerden zijn vanaf het ontstaan doende geweest met uitleggingen. Een belangrijke bron zijn de uitleggingen van Mohammed zelf. Maar ook de Overlevering daarvan (Hadieth) dateert van minstens een eeuw na Mohammeds overlijden. De Koran- en de Hadieth-interpretatie is toevertrouwd aan de oelema, de moslimtheologen.

De Koran wordt dan ook niet begrepen maar gereciteerd. Dat mag alleen in het Arabisch.

Voor de moslims is de Koran het zuivere woord van God, dus heilig en onbetwijfelbaar. Onderzoek aan de Koran wijst al op ongeloof, en ongeloof moet volgens de Koran met de dood bestraft worden. Omdat God onzichtbaar is nemen gelovigen het op zich de ongelovige om het leven te brengen.

Het interpreteren van de Hadieth, immers mensenwerk, is minder levensgevaarlijk.

Voor ons, westerse mensen, is deze situatie moeilijk te begrijpen. Wij zijn vrij in ons denken en spreken. Twee overwegingen maken het voor ons misschien begrijpelijker. De eerste is dat ook wij nog niet lang vrij zijn in ons denken en spreken. Het is pas sinds het dóórbreken van de vrije markt sinds de zestiger jaren dat het bij ons ‘vrijheid-blijheid’ geworden is. Als 75-jarige herinner ik mij nog de tijd dat je voorzichtig met je mening moest omgaan en dat ‘de muren oren’ hadden.

De tweede is dat de sociale controle bij de moslims vele malen stringenter is dan die toen bij ons: zij leven nog in een stammenwereld. Dat wil zeggen dat het gevoel, een zelfstandig individu te zijn, bij moslims veel minder sterk is. Moslims voelen zich deel uitmaken van hun familie, die deel uitmaakt van een subclan en die weer van een hoofdclan. Ze horen ergens bij. Dat heeft ook een prettige kant: moslims hebben minder last van de zinloosheid van het leven dan veel westerse mensen en vooral jongeren hebben. Waartoe wij op aarde zijn is voor moslims duidelijk: voor Alla – ik heb het nu dus over gelovige moslims, niet over de moslimjongeren die hier’tussen wal en schip’ leven.

Het nadeel is de starheid, het opgesloten zijn in die cultuur. Terwijl de mensheid verandert doordat de economie van de vrije markt, die vrije mensen veronderstelt, globaliseert en in snel tempo ook hén raakt. Dit is de bron van het islamisme (de islam als politieke factor).

Nadeel is ook dat hun geloof, de islam, evenmin als het judaïsme gericht is op menselijk geluk. Dat was/is het Zoroastrisme wél – maar daarvan heeft de islam slechts enkele trivia, zoals het geloof in engelen en duivels en het geloof in de eindtijd en de afrekening, overgenomen. De islam houdt, net als de grauwste varianten van het christendom, predestinatie in. De gelovige is, hoe braaf hij ook leeft, nooit zeker van de beloning in het hiernamaals – behalve dan wanneer hij in de strijd tegen de ongelovigen zichzelf opblaast of zo: dan vliegt hij recht de hemel in. Het is een teneerdrukkend geloof. Allah is de absolute heerser over hun leven, de gelovigen kijken collectief omhoog en zien geen ruimte voor persoonlijke ontplooiing.

Gelukkig zijn de meeste moslims niet zo erg gelovig en met deze ‘slappe’ mentaliteit hebben ook onze grootouders merendeels hun leven leefbaar proberen te houden.

De vrije markt-economie heeft het denken van ons, westerse mensen, bevrijd van de teneerdrukkende EWG-ideologie – maar heeft ons wel beroofd van een zin-verschaffend Verhaal. We zijn er per saldo zeker wat gelukkiger door geworden, maar het kan veel beter wanneer we ons van een nieuw basisverhaal gaan voorzien. De vrije markt heeft het in zich om ook onze moslim-medemensen te bevrijden van hun – over het geheel genomen toch – levenverzurende geloof, en ook deze bevrijding verloopt met veel minder slag en stoot wanneer er een alternatief in de aanbieding is. Ik gebruik met opzet deze commerciële term omdat het zo dient te gaan in onze vrije samenleving.

Het geloof in een Ene Ware God (EWG) maakt enigszins deel uit van onze menselijke natuur, van ons talige bewustzijn, zoals ik in het voorgaande hoop te hebben aangetoond. Enigszins: namelijk in zoverre als die Figuur overeenkomt met de Grote Voorouder zoals onze voorouders die altijd hebben gedanst/gezongen rond hun kampvuren. In de vorm echter waarin Hij door de judaïsten gegoten is, worden we er niet mee geboren maar geïndoctrineerd.

Maar we hebben het nog steeds over de islam. Is dat dan ook een judaïstische EWG?

Daar kom je alleen achter wanneer je de Koran net als de Bijbel onderwerpt aan wetenschappelijk onderzoek. Iets wat je als moslim uit je hoofd moet laten als le leven je lief is. Maar een buitenstaander kan dat moeilijk verweten worden.

Beide heilige boeken zijn geschreven in het Midden-Oosten van rond het begin van onze[122] jaartelling. Geschiedschrijving over de tijd van de oorsprong van de islam – óf de vroege moslims hebben niet aan geschiedschrijving gedaan, óf dergelijk werk is als onwelgevallig voor het gewenste beeld vernietigd – en over de veroveringstochten van hun rijk kwam pas één of meer eeuwen na het gebeuren op gang. Over die begintijd leveren de archeologie, de numismatologie (muntkunde) en de bestudering van de oudste geschriften en opschriften vandaag steeds meer informatie. Al is er nog maar een fractie opgegraven van wat er allemaal nog op te graven is, het beeld dat het wetenschappelijk onderzoek van het begin van de islam tot nu toe geeft, wijkt behoorlijk af van wat de orthodoxe en traditionele historici er in hun achterafschrijverij van gegeven hebben.

Dat de islam begonnen is als een christelijke stroming valt op te maken uit de oudste Koran-tekst – althans, de tekst is deel gaan uitmaken van de latere Koran – te lezen in de Rotskoepel van Jeruzalem.

De Rotskoepel is geen moskee, het achthoekige bouwwerk heeft de Arabische vorst Abd Al Malik daar in 694 laten neerzetten om twee redenen.

De eerste is de verwachte wederkomst van Jezus. Het geloof dat het einde der tijden op handen was – het liep tegen de eeuwwisseling – was zoals vroeger bij elke eeuwwisseling heel erg aan het oplaaien. Op de plek waar Jezus ten hemel heette gevaren te zijn zou hij ook weer terugkeren: in Jeruzalem, op de Tempelberg. Daar diende dus een waardig monument klaar te staan.

De tweede is dat Abd Al Malik een standpunt wilde innemen in de politiek-godsdienstige strijd van die dagen over de natuur van Jezus; een standpunt dat lijnrecht tegenover dat van zijn politieke tegenstander stond, de Byzantijnse koning Heraclius. De Byzantijnen, de opvolgers van de Romeinen in het Westen, huldigden het standpunt van de Kerk: Jezus als God in een drie-eenheid met de Vader en de Geest. Abd Al Malik was een aanhanger van de Syrische christenen, die zich niet hadden onderworpen aan het Kerkbesluit van Nicea onder Constantijn. Het Syrische christendom stelde dat er maar één God is en dat die geen zoon had of iets anders menselijks: dat die daar veel te verheven voor was. Jezus was Zijn dienaar en menselijke vertegenwoordiger.

De machtsovername door de Arabieren in het ineengestorte Perzische rijk en de vestiging van hun macht in de voormalige Perzische gebiedsdelen was toen al nagenoeg voltooid. Malik wilde nu een tweede[123] poging wagen om het wankele Byzantijnse rijk te annexeren.

De mozaïektekst in de Rotskoepel nu gaat geheel over Jezus: dat die Gods dienaar en gezant is en geen God; dat het voorstellen van God als een drieëenheid een belediging is voor God. Een ferm standpunt, in een tijd dat de geesten in het Midden-Oosten totaal verdeeld waren over de natuur van Jezus, over de natuur van God (was er maar één of waren er even veel als er stammen waren) en over de juiste godsdienst. Voor Moeawiya was dit reden geweest om zich van elke standpunt-inname in deze te onthouden. Abd Al Malik meende sterk genoeg te staan om zich politiek te profileren tegenover zijn tegenstander. In eigen gelederen kreeg hij hier evenwel toch grote moeilijkheden mee. Maar toen stond de tekst al in de Rotskoepel en bleef daar, tot op de dag van vandaag.

Mohammed wordt in die tekst misschien al genoemd, als moehammadoe-n, maar daar zijn de meningen over verdeeld[124].

De vormgeving van de leer van de islam ging hetzelfde als die van de leer van de Kerk een paar eeuwen eerder: eerst was er het dogma en toen werd er de biografie van de stichter bij geschreven. En in hoeverre de stichter een reële persoon is geweest, valt niet meer goed vast te stellen.

Zelf denk ik dat er een echte Mohammed en een echte Jezus rondgelopen hebben, omdat hun biografieën elementen bevatten die op zwakke menselijkheid wijzen. Ze zijn geen van beide de supermensen die ze zouden zijn wanneer ze van a tot z geconstrueerd waren.

Waarschijnlijk waren ze allebei prima mensen; maar het gaat er om wat politieke patriarchen van hun leer maken.

DEEL DRIE

EEN NIEUW BASISVERHAAL

In Deel I heb ik, naar ik hoop overtuigend, laten zien dat mensen als talige wezens in een woordenwereld (menen te) leven en dat ze die alleen maar mentaal op orde kunnen hebben als ze er een Verhaal over hebben. Ik heb ook laten zien dat onze voorouders dat Verhaal altijd gehad hebben, in de vorm van een Scheppingsverhaal van hun (stam)wereld. Dat het beleven van die (woorden)wereld door dat Verhaal steeds weer te dansen/zingen als een ‘tweede natuur’ in ons overerfelijke denken zit als het religieuze gevoel.

In Deel II liet ik zien dat de invulling van de Hoofdfiguur van dat Verhaal, de scheppende Grote Voorouder, door politieke patriarchen gegijzeld is om Hem te laten fungeren als EWG in de eenheidsideologie van hun klassenmaatschappij. Dat deze ideologie functie heeft gehad in het beschaven van stammensen en het pacificeren van stammenoorlogen is onbetwistbaar. Maar de EWG-ideologie heeft ook improductieve starheid betekend. Hij heeft de slimste helft van de mensheid buiten spel gehouden. Nog afgezien dat hij niet gericht was op het levensgeluk van de onderworpenen: sowieso al een onhaalbaar goed in een klassenmaatschappij.

Vandaag wordt de ‘permafrost’ van de klassenmaatschappij en daarmee de EWG-ideologie in steeds meer gebieden van de mensheid ontdooid door de zoele wind van de vrije markt. De gelijkgeschakelde westerse mens heeft een opgewekter mensbeeld aangereikt gekregen: dat van de vrije, vrouw-en kindvriendelijke, a-godsdienstige en a-politieke, aardige consument. Helaas is hem nog geen nieuw basisverhaal aangereikt in plaats van het verdampte christelijke basisverhaal. Dat maakt dat zijn geweten geen ‘goed verhaal’ heeft om op terug te vallen en dat hij asociaal dreigt te worden. Vooral waar ‘het grote geld’ lokt, speelt dit het goed samenleven parten. De jongeren hebben ook veel meer moeite om hun identiteit vorm te geven. Ook overheden hebben geen Verhaal om zich mee te legitimeren. De behoefte om hun religieuze neiging bot te vieren drijft zoekende mensen in de armen van ‘valse profeten’. En zo zijn er meer argumenten te bedenken om spoed te maken met het tot stand brengen van een nieuw en ditmaal universeel basisverhaal.

De inhoud ervan moet, na lezing van Deel I, voor de hand liggen: het Verhaal over hoe mensen tot talige en religieuze wezens geworden zijn en hoe ze van VJ’s tot AGR’s geworden zijn. Dat is het ontstaansverhaal dat voor iedere mens waar ook ter wereld opgaat.

oké, prachtig; maar nu: hoe moet je basisverhaal tot stand komen en hoe moet het worden ingebracht in ons samenleven?

Om te beginnen: het idee van een universeel IETS voor de hele mensheid is niet geheel nieuw. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is zo iets en dateert al van 1948. De Universele Verklaring is gebaseerd op ons gedeelde menszijn. Dat staat in de Preambule. Je moet er met een loepje naar zoeken, maar het staat er wel en dat is knap voor die tijd. De Kerk was nog in volle status (de vrije markt moest nog een paar decennia wachten op haar televisievleugels en de kerken waren nog vol), maar toch hebben de samenstellers God buiten de concepttekst weten te houden. De volgende uiterst iele formulering heeft de stemmingen overleefd:

Overwegende dat erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld;

De filosoof Bernard Delfgaauw heeft vlak voor zijn dood nog het boekje De Mens en zijn Rechten (Kok Agora 1993) geschreven waarin hij deze formule uitlegt als: de waardigheid van iedere mens is gelegen in het feit dat hij een mens is.

Het zou mooi geweest zijn als de UNESCO toen al meteen het project opgestart zou hebben om te komen tot de invulling en omschrijving van dat menszijn. Maar dat was toen nog volstrekt onhaalbaar. Politiek: deze iele formulering was al de uiterste prestatie van de Verenigde Naties van toen. Maar ook wetenschappelijk: de menswetenschappen als antropologie, ethologie, archeologie, ontwikkelingspsychologie, neurologie, paleontologie en nog meer relevante wetenschapsgebieden moesten toen nog, net als de vrije markt die het allemaal betaalbaar zou maken, aan hun spectaculaire groei beginnen.

Maar nu zijn we zestig jaar verder. In het vrije Westen zijn de kerken al lang hun status kwijt. Genoemde menswetenschappen hebben de bouwstenen voor het nieuwe Verhaal al lang in geordende rijen klaar staan voor gebruik. Maar … niemand steekt er een hand naar uit (op een doodenkele humanosoof na dan). Wie moeten dat doen? de filosofen natuurlijk.

Ik ga mij tirade van de INLEIDING over de hedendaagse filosofiebeoefening hier niet herhalen.

Ik ga u het volgende elegante scenario voorleggen.

Gesteld dat ik met mijn pleidooi iemand kan overtuigen dat het geen onzin is wat ik hier allemaal heb gedebiteerd en dat die iemand besluit om mij te gaan helpen om er mee actie voor te ondernemen. Dan zijn we al met zijn tweeën! Dan is het makkelijker om een goeie publicatie in elkaar te steken (mijn stijl leent zich niet zo voor een geserreerd essay in een kwaliteitskrant als NRC of Trouw en bovendien ben ik een onbekende eenling) die wél journalistiek aanvaardbaar is en, met dubbele ondertekening nog wel, geplaatst wordt.

Dan werf je daar misschien wel vijf andere enthousiastelingen mee. Met dat clubje kun je een manifest in elkaar steken en mensen die er toe doen gaan benaderen: publieke intellectuelen als Hans Achterhuis, Paul Cliteur, Ger Groot, Harrie Kuitert, Dick Pels, ik noem maar wat namen. Wanneer je een paar van die trekpaarden hebt is de kar zo aan het rollen. Dan kun je echte grote namen in de wereld enthousiast krijgen, en krijg je het idee in het Engels aan grote bladen gesleten.

Het uiteindelijk doel is de UNESCO: dat die gaat doen wat ze eigenlijk al in de vijftiger jaren had moeten durven aanpakken: het laten uitwerken van de grondslag van de Universele Verklaring, het menszijn van iedere mens.

Nu het elegante scenario.

De UNESCO neemt het besluit om het menszijn, de grondslag van de Universele Verklaring, te doen uitwerken.

Ze besteedt dit project uit aan een team van vijf mensen.

Ze nodigt de hele wetenschappelijke wereld uit om daar de bemensing voor te nomineren. Ze laat intussen een weldoortimmerd statuut opstellen om het project van elke politieke beïnvloeding te vrijwaren.

Op een congres wordt het vijftal gekozen. Het krijgt de opdracht om binnen een jaar te komen met een rompverhaal over onze menswording.

Na publicatie hiervan wordt het commentaar vanuit de wetenschappelijke wereld ingewacht en verwerkt.

Na drie jaar publiceert het team het voorlopig-definitieve verhaal over hoe mensen mensen geworden zijn en hoe de menselijke natuur in elkaar steekt. Ook daarop komt het nodige commentaar binnen. Om na weer drie jaar gevolgd te worden door de tweede voorlopig-definitieve versie van ons verhaal.

En zo moet dat voort blijven gaan, omdat de wetenschappen immers maar doorgaan.

wat is hier het elegante aan?

Wel, je kunt (en wil) een nieuw basisverhaal vandaag toch niemand meer door de strot duwen? Nou, met dit scenario hoéft dat ook totaal niet. Ga maar na.

Alleen al de bekendmaking van het UNESCO-project zal een storm van verontruste verontwaardiging doen oprijzen vanuit de religieuze bolwerken zoals het Vaticaan en de moslimwereld. De bolwerken zullen alles in het werk stellen om het project te verhinderen, als zijnde een belediging van hun religies. Maar ze kunnen de UNESCO moeilijk verbieden om eindelijk, na zestig jaar, een leemte in de Universele Verklaring, namelijk onderbouwing van de grondslag ervan, op wetenschappelijk verantwoorde wijze te doen opvullen en meer wil de UNESCO niet. Gelovigen en hun instituten worden met geen haar gekrenkt en moeten vooral blijven geloven wat ze graag geloven. Het gaat alleen om het opvullen van een al lang gapende leegte.

Door dit tumult en gedoe zullen over de hele wereld de mensen benieuwd opkijken. Waar gáát dit over? O, over hoe mensen mensen geworden zijn? Nou, dat wil ik wel eens horen.

Het is tenslotte een UNESCO-project, van de Verenigde Naties dus. Universeler kan het niet.

Elke volgende stap tot de inrichting van het project zal breed worden uitgemeten in de media. Overal zullen levendige paneldiscussies plaats gaan vinden. Het rompverhaal zal een bestseller worden en de voorlopig-definitieve versies zullen dat al helemaal worden: het toch al weinig kostbare project zal er zichzelf mee kunnen bedruipen.

Mensen krijgen het gevoel dat er eindelijk gewerkt wordt aan iets wat hen ten diepste aangaat. Ze vatten nieuwe moed. De discussies allerwegen gáán ergens over.

Het inzicht in hoe wij van nature zijn, wordt zodoende deel van ieders bewustzijn zonder dat het aan iemand wordt opgelegd.

Het zal de mensen wereldwijd doen inzien waar waarlijk menselijk geluk in gelegen is.

Het zelfinzicht zal om te beginnen de westerse mensen inschikkelijker maken om de nodige aanpassingen van hun welvaartsniveau aan de eisen van de ecologische en humanitaire crisis te slikken. Overheden krijgen er een tafel mee waarop ze hun beleid kunnen uitstallen.

Het zal de mensen wereldwijd herkenbaarder voor elkaar maken, en de vijandigheid tussen de beschavingen doen afnemen.

Het zal blijvende impact hebben op alle menswetenschappen en op de filosofie in het bijzonder.

De jongeren krijgen hiermee bouwstenen om hun identiteit mee te vormen en om zich geworteld te voelen in de wereld waar ze bij geboorte in beland zijn.

Het project zal gaandeweg nog veel meer onvermoede positieve impact blijken te hebben, zodat we weldra niet meer zullen begrijpen dat het zo lang heeft moeten uitblijven.

Ik wacht uw reacties af op fcouwenb@mens2000.nl

Zie vooral ook www.humanosofie.nl


[1] alle wetenschappen die voor ons Verhaal relevant zijn – en dat zijn behalve paleoantropologie, paleobiologie en paleontologie ook archologie, antropologie, taxonomie, etnologie, biologie, ethologie, en nog heel veel meer –logieën en –kundes; vat ik voor wat ons Verhaal betreft allemaal samen in ‘paleo’s’

[2] een niche (spreek uit [niesj], van Frans niche ‘nis’) is een voedselmogelijkheid waar een soort het prima op doet en welke zij niet hoeft te delen met een andere soort; eigenlijk is het de plaats die een soort inneemt in het ecosysteem – wat niet hetzelfde is als de plaats waar een soort in leeft (habitat) of waar een soort voorkomt (biotoop); de term is in meerdere vakgebieden in gebruik maar in de paleoantropologie is het in de hier geschetste betekenis

[3] Richard Dawkins The Selfish Gene (Oxford UP, 1976)

[4] dat is de grootse inbreng van Frans de Waal : de kennis omtrent ons vroegste voorgeslacht; met Chimpansee politiek (Amsterdam, 1982) en Van nature goed (Contact 1996) laat hij zien welke erfenis aan moraal we al vanuit ons mensaap-zijn in ons meedragen

[5] door het team van Sileshi Semaw (afb. uit Journal of Archaeological Science 27 (2000)

[6] echt kloppen met een hamersteen deden ze denk ik heel lang niet omdat ze nog zulke lange klimvingers hadden: dan sla je jezelf te gemakkelijk pijnlijk op de fikken; de bonobo Kanzi die van een ervaren steenklopper les had gekregen, wist inderdaad een ‘mes’ te maken om daarmee het touw rond de kist met de tros bananen open te snijden, maar binnen de kortste keren maakte hij een geschikte scherf door de kei kapot te smijten op de stenen vloer

[7] Bert (Woudstra) was zo vriendelijk mij de url van de plaat toe te mailen maar hij zegt ook dat er niet bij vermeld wordt bij wie de auteursrechten berusten

[8] dat je bij het rechtop lopen ook minder zon vangt en dat je dan over de grassen heen kon uitkijken naar gevaar, zijn niet meer dan nuttig bij-effecten; immers wanneer dat de hoofdreden zou zijn, waren er wel meer savannedieren rechtop gaan lopen

[9] nou ja, een groene meerkat kan een waarschuwingskreet wel eens zonder aanwezig gevaar slaken: uit voor-de-gek-houderij

[10] nee, niet zo verbazend; het komt door Darwin; nee, het komt door het moratorium op alle gespeculeer over het ontstaan van het menselijke taalvermogen door de societé Linguistique in1866, waar alle zich respecterende geleerden, dus ook Darwin in zijn The Descent of Man (1871), zich braaf aan hielden; en omdat aartsvader Darwin zich niet aan de gebarentaalspeculatie waagde (zonder argumentatie) doen zijn nakomelingen dat (zonder deugdelijke argumentatie) nog steeds niet; maar als Darwin kennis had kunnen nemen van wat wij vandaag weten, had hij gegarandeerd voor gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen gekozen

[11] zoals de Yanomamö, in The Fierce People van N. Chagnon (N.Y. 1983)

[12] “Over het ontstaan van ons taalvermogen en ons bewustzijn” op www.mens2000.nl ga naar Filosoof

[13] op p 60 toon ik een OIS-staatje waarop dat duidelijk te zien is

[14] de verschillende lagen, verschillende stadia in de evolutie van de omgeving vertegenwoordigend, worden ‘members’ genoemd, genummerd A t/m ? Member B of the Shungura formation dated at 3.03 Mya. from Member F of the Shungura formation dated at 2.08 Myo

[15] nou ja, uitroeien … het waren voedselconcurrenten en bovendien zijn apen voor apen het lekkerst, voor mensen trouwens ook. De HE’s waren veel groter en vooral: beter bewapend en vindingrijker. Op vindplaats Olorgesaille (Kenia) zijn de restanten van meer dan 69 reuzenbavianen gevonden in HEID-context: kennelijk een favoriet prooidier van de HEID’s. De plek, bezaaid met restanten van vuistbijlen, lag aan een nu verdwenen meer. Misschien zijn de AP’s verdrongen door de groeiende HE-populaties, naar steeds voedselarmere en geïsoleerde gebieden waar ze tenslotte gewoon uitstierven. Maar in de Swartkransgrot (Transvaal) zijn in lagen met HE-context (HE-fossielen en –werktuigen) van 1.5 mjg geroosterde botten gevonden van hun prooidieren, waaronder AP robustus!

[16] Though early varieties were very similar in form and physiology to Australopithecus, the key difference is a much larger and complex brain, allowing a significant tool-making ability. ( Roy Larick and Russell L. Ciochon; November-December, 1996: The African Emergence and Early Asian Dispersals of the Genus Homo – American Scientist Magazine)

[17] ik schrijf dat telkens vetgedrukt, omdat ik het gaan beheersen van het vuur zo betekenisvol vind terwijl er door de echte geleerden weinig of geen acht op wordt geslagen; de meesten houden vast aan een heel recente datum van het gaan gebruiken ervan, omdat tekenen van een vroeg gebruik pas kort geleden zijn gevonden – mede doordat er niet systematisch naar gezocht wordt

[18] sorry, ik ben een jaartallenfreak; en ik heb op het internet een staatje gevonden van de OIS (Oxygen Isotope Stages) zoals de paleo’s die kunnen vaststellen in de boorkernen uit de diepzee en Antarctica en waar al niet; zie p 60

[19] H. heidelbergensis is de paleo-benaming voor nakomelingen van de HE’s, de Europese Midden-Steentijd-mensen; de Afrikaanse HE’s van dat tijdvak noemen ze: Mousterien-mensen, of MSA: Middle Stone Age – mensen.

[20] een marmerachtige kalksteen, gewilde siersteen bij de huizenbouw; daarom zijn vindplaatsen al vroeg ontgonnen en al vroeg werden daarbij ook fossiele skeletresten aangetroffen. Goethe vertelt ergens dat hij in 1827 een versteend skelet had gekregen dat uit de travertijngroeve van Ehringsdorf (bij Weimar) was gekomen. In 1908 was een eigenaar van zo’n groeve in Bilzingsleben gelukkig ook amateur-archeoloog en aan hem is het te danken dat er sindsdien belangrijke vondsten bewaard zijn gebleven. Vanaf 1953 zijn de opgravingen daar met reusachtige graafmachines begonnen en zijn er prehistorische kampementen, met haardplaatsen en afval van ca 230.000 jg blootgekomen.

[21] terra nullius noemden de verantwoordelijke politici het; Wikipedia: Terra nullius Is een term uit het Romeinse recht vertaald als niemandsland of leeg land. Moderne toepassingen van de term stammen uit de 16e en 17e eeuwse Europese doctrines die daarmee land beschreven dat niet geclaimd was door een soevereine staat erkend door de Europese machten. Gedurende de achttiende eeuw gaf deze doctrine legaliteit aan het koloniseren van land bewoond door onbeschaafde mensen die geen wettelijk systeem van eigendomsrecht kenden. De Zwitserse filosoof en theoreticus van internationaal recht Emmerich de Vattel bouwde voort op de filosofie van John Locke en anderen en stelde voor het concept terra nullius toe te passen op ongecultiveerd land. Gezien de inheemse bevolking van Azië, Oceanië, Amerika en Afrika in de visie van de filosofen het land niet op die manier gebruikten, konden kolonisten die het land wél bewerkten aanspraak maken op wettelijke eigendom.

[22] dit idee heeft heel lang voortbestaan. In Turkije wordt het boekje met de verhalen van de middeleeuwse verteller Dede Korkoet gekoesterd. De verhalen gaan over de heldendaden van de Ogoezen, de Centraal-Aziatische voorouders van de hedendaagse Turken, Azerbaidzjanen en Turkmenen. De Ogoezen waren veehoudende nomaden, die graag plundertochten ondernamen op de boerenbevolking van Anatolië. Rond het jaar 1000 waren ze bovendien overgegaan tot de islam, zodat de rooftochten voortaan godsdienstig gelegitimeerd konden worden: die boeren waren immers ‘ongelovigen’. Inderdaad waren de boeren gekerstend en belastingplichtig aan de Grieks-orthodoxe keizer van Byzantium. In zijn wanhoop riep de keizer de paus te hulp tegen die Saracenen. Urbanus II zag dat wel zitten en riep de Franken op tot de Eerste Kruistocht. Maar dat is een ander verhaal. We hadden het over de bard Dede Korkoet. Diens zangen bevatten nog heel wat van de oorspronkelijke natuurreligie van de Ogoezen. “De personages identificeren zich met de natuur. De berg waar je je kudden op weidt, dat ben je zelf. Als het mis gaat met jou zal het ook mis gaan met de wereld. De berg stort in. De bomen vallen om. De rivieren houden op met stromen. De planten groeien niet meer.” (Rik Boeschoten, NRC 19 nov.’05)

[23] je kunt al onderzoeker onder een boom vol foeragerende chimpansees doorlopen zonder ook maar een kik te horen; maar een groep bonobo’s hoor je al van ver, met hun onophoudelijke hoogkeffende communicatiegeluiden

[24] mijn doctoraalscriptie ging over de griendwerkterminologie; een van mijn zegslieden, de heer Van Noordenne, vertelde dat hij als kind in alle vroegte de griendwerkers zingend langs hoorde komen, op weg naar de grienden van de Biesbosch.

[25] de Britse neuroloog John Huglins Jackson (1835-1911), de ‘vader van de Britse neurologie’, bewonderd door Freud

[26] chimpansees zijn er beter in dan bavianen, bijvoorbeeld

[27] je ziet het in de dierentuinen veel: opgesloten dieren die urenlang heen en weer lopen langs de tralies; ‘ijsberen’; de olifant die urenlang op dezelfde plek staand ritmisch kop en slurf heen en weer zwaait, daarbij telkens de voorpoten kruisend

[28] ik vermoed dat die eerste vuurgebruikende VOAP-vrouwen het vuur nog als een levend wezen zagen dat je moest ‘voeden’ om het in leven te houden en dat doodging als je dat niet langer deed, of door een stortbui; ze hebben er tegen gebaard en het beweend als een dierbare overledene, fantaseer er maar op los. Maar in het droge seizoen hadden ze zo weer een nieuw vuur om te koesteren.

[29] tenminste … zolang en in zoverre de globaliserende vrije markt hen nog niet heeft bereikt! leve de vrije markt

[30] het geloof in zielen en geesten dateert uit de Tuinbouwersfase van de mensheid; het is binnen de monotheïstische godsdiensten ingebracht door het Zoroastrisme, dat vanwege zijn tweedeling in goed en kwaad er de boze geesten, de duivels, aan heeft toegevoegd, alsmede het geloof in een hiernamaals en een Laatste Oordeel waarbij de goeden worden beloond in een Hemel en de kwaden in een Hel; dit geloof hebben de judaïstische bijbelschrijvers in hun EWG-ideologie verwerkt en zo is het ook deel gaan uitmaken van het christendom en nog later van de islam

[31] andere stammen, zeker wanneer je ze niet meer kon verstaan, waren geen mensen. (Weet je wat ‘Inuit’ betekent? ‘mens’! Weet je wat Yanomamö (stam in het Amazonegebied) betekent? ‘mens’. Enzovoort.)

[32] De nieuwe groep bleef contact houden met de stamgroep, ze bleven van elkaar afhankelijk vanwege huwelijkspartners, grondstoffenruil, gezamenlijke jachten, feesten en stamrituelen. De verspreiding ging met een ‘snelheid’ van 16 km per jaar.

[33] Genesis 1:2

[34] Het evangelie naar Johannes 1:1; ik haal soms formuleringen uit de Bijbel aan. Maar let wel: de bijbelverhalen hebben de Bijbelschrijvers zoals Ezra (± 450 vC) opgedaan tijdens hun ballingschap in Babylonië en ontleend aan de Mesopotamische scheppingsverhalen en aan dat van het zoroastrisme. Waarom de Joodse patriarchen de scheppingsverhalen uit het eigen verleden niet konden/wilden gebruiken is omdat die stamden uit hun ‘heidense’ tijd waar ze juist mee wilden kappen.

Evengoed frappant dat deze oeroude notie dat het begon met namen voor de dingen, tot in de Mesopotamische mythen zijn overgeleverd kunnen worden! Maar ook dat ga ik ophelderen.

[35] dichters zijn ook scheppende kunstenaars, en zo voelen ze zich ook vaak. Willem Kloos dichtte: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten …”

[36] zoals we dat nog steeds wel geneigd zijn te doen: de Mof, de Jap (in de oorlog was dat vooral); of ‘de Fransman houdt van … , maar de Engelsman van …”, enz.

[37] en dat klopt. De figuur van ‘de Grote Voorouder’ is nergens een man, noch een vrouw. Het is een half-dier-half-mens-figuur, zonder geslacht, en Hij beweegt zich net zo makkelijk door de lucht als onder de grond door. Het is een Droom-figuur.

[38] hij is door een Noord-Australische stam ‘geadopteerd’, met de bedoeling dat hij hun Verhaal opschrijft (dat bij hun modernistische jongeren in vergetelheid dreigt te raken) zodat het niet geheel verloren gaat; op 18 febr.’06 was er nog een interview met hem in De Volkskrant, waarin hij de songlines omschreef: “het zingend vertellen hoe het land er uit ziet,: waar de rivieren lopen, waar de heuvels liggen, welke vissen er zwemmen en wat voor grondsoorten er zijn.”

[39] ook hun geheugen is nog veel sterken dan het onze-nu. Zegsman Charlie ergerde zich vaak aan de vergeetachtigheid van Borsboom, wanneer die een bepaald detail wat hem bij zijn vorige bezoek verteld was, niet meer wist. Maar misschien leggen ook de Abo’s het af tegen de chimpansees bij een geheugentest (Current Biology, 4 december 2007).

[40] als we weer even naar de Aboriginals kijken: toen de westerlingen het continent binnenvielen, telde het niet meer dan 300.000 zielen; zo’n beetje 20 km² per persoon; verdeeld over ongeveer 500 stammen (taalgroepen), die naargelang de vruchtbaarheid van het woongebied 100 tot 1500 mensen telden

[41] de bekendste bottleneck is wel die van 74.000 jg door de explosie van de enorme Tobavulkaan (is nu een diep meer!)

[42] onderstreping van mij

[43] natuurmensen hebben nog niet dat automatische wantrouwen ten opzichte van de menselijke natuur dat wij, beschaafde en dus gefrustreerde mensen, hebben; ze zien de mens nog steeds als van nature goed en de kinderen worden dus puur-goed geboren.; ze dichten baby’s en kinderen ook bijzondere vermogens toe, vanwege dit nog puur-goed zijn; vermogens welke ze als volwassenen verloren menen te hebben.

[44] kijk nog eens naar het omslagschilderij en de kinderen die langs het kampvuur dansen; echt geen uitgemergelde hongeroedeem-kindjes

[45] let wel: ik heb het over VJ’s – verreweg de meeste primitieve stammen zijn AGR’s: kennen al enigerlei vorm van tuinbouw; dus (meestal) ook oorlogvoering en vrouwenonderdrukking; gruwelijke voorbeelden zijn de Yanomamö en vooral de Berg-Papoea’s. De meeste ‘primitieve stammen’ zijn geen VJ’s meer maar Tuinbouwers! Die tuinbouw-volkjes laten heel goed de overgang van VJ naar AGR zien.

[46] de afkorting van agrarisch, maar de connotatie van agressief en arglistig misstaat niet

[47] denk er om: dat woord heeft voor mij geen aardige betekenis; beschaving is het met geweld ingelijfd worden in de cultuur van een rijk en met verlies van de eigen taal en cultuur; het is de frustratie van de aardige VJ-natuur in ons

[48] anekdote, uit het boekje Schatgraven in Nag Hamadi van Bram Moerland (Uitg. Synthese, 2002). Enkele jaren geleden gooide een Afghaan een handgranaat in het verblijf van de leeuwen in de dierentuin van Kabul. Waarom deed hij dat? Wel, tijdens de oorlog tegen de Russen was een bom gevallen op de dierentuin. Er was toen een leeuw ontsnapt en die had een broer van hem gedood. Door nu vervolgens een willekeurige andere leeuw te doden had deze Afghaan voldaan aan de ereplicht tot bloedwraak. Zijn broer was gewroken …

[49] dat is, effe kijken, de tijd van Toetanchamon tot vandaag

[50] Ik was van 17 tm 19 sept.2004 met kameraad Ruud Oosterhoff aanwezig op het symposium over de Neanderthalers in Tongeren. Daar hoorde ook een excursie naar een opgravingsplek bij. Met een aantal NT-‘bewonings’lagen, waarvan de oudste op 130,000 jg was gedateerd en de jongste op 34,000 jg. Kameraad Ruud (niet ik) vroeg aan de woordvoerende onderzoeker of er verschil was in steentechniek tussen de artefacten van de oudste en de jongste laag. “Geen enkele!” was het antwoord.

Stel je voor: in honderdduizend jaar, de tijd vanaf dat onze AMM-voorouders in Afrika aan het ontstaan waren tot vandaag … geen enkele verandering! Ruud was perplex. Ik had een zie-je-wel-ik-heb-gelijk!-gevoel: bewijs van de starre traditie die onze voorouders wezenlijk kenmerkte. Maar zó star, en zo dichtbij … stiekem was ook ik wel even perplex

[51] onderweg van kamp naar kamp waren de vrouwen beladen met alle huishoudelijke bezittingen (huiden voornamelijk) terwijl de mannen alleen hun speren en werpstenen droegen: die moesten altijd paraat blijven voor de verdediging tegen de roofdieren en de hyena’s en de buffels en weet ik wat voor gevaarlijke dieren; de vrouwen zouden zich niet veilig hebben gevoeld als de mannen alle mogelijke lasten op de schouders hadden genomen

[52] die uitstulpingen achter aan die platte schedels van de HE’s en de NT’s hebben me altijd geïntrigeerd: de hersencentra voor het gezichtsvermogen zitten in het achtereind van de hersenen!

[53] tenminste: het beroemde skelet van ‘de oude man van La Chapelle’ was met oker bestrooid en het zwarte mangaan wasgebruikt bij het zwarten van vellen

[54] Klasies River caves, Blombos Cave, Pinacle Point, ea

[55] het recente onderzoek waar de foto van is, levert stenen werktuigen en stukken oker op van ónder de aslaag (77.000 jg) en van bovenóp de aslaag (74.000 jg); dat laatste jaartal, even oud als de Toba ash zelf (!) wijst er op dat er al ‘snel’ na de zes jaar durende ‘nucleaire winter’ weer mensen rondliepen op de aslaag, dus dat die weer welig begroeid moet zijn geweest en weer miegelde van te bejagen en te bevissen gedierte; maar de OSL-dateringen zijn altijd plus/minus zo’n 7000 jaar marge!

[56] die OoAIIa – golf was primitiever (qua werktuigen) dan wat de onderzoekers in de grotten van Pinacle Point en Blombos cave aantroffen – terwijl de bewoners van Qafzeh en Skhul wel degelijk AMM’s van uiterlijk waren; het kan best zo zijn dat de ‘voorlijke’ AMM-populaties een paar ‘achterlijke’ populaties toen hebben verdrongen naar buiten Afrika

[57] ja, ik zie het echt als het overkoken van een pannetje melk

[58] de Agta hadden zich later voornamelijk teruggetrokken op de hellingen van de lang-slapende vulkaan Pinatubo, voor hen het centrum van de wereld. Toen die in 1991 toch uitbarstte, heeft hij het kleine volkje nagenoeg gedecimeerd. Doordat ze hun leefgebied moesten verlaten, raakten ze ten prooi aan mazelen, diarree en longontsteking, terwijl hun traditionele medicinale planten begraven lagen onder tonnen lava en modder.

[59] in een science-artikel van juli 2009 gaf het onderzoek aan mtDNA uit NT-botten aan dat de genetische diversiteit van de NT’s opvallend gering was: veel minder dan de onze vandaag: een aanwijzing te meer voor de geringe aantallen van de Vroege Mensen

[60] zo noem ik de extreme mannelijke dominantie, zich uitend in vrouwenonderdrukking

[61] gedurende de laatste ijstijd behoorden de Andamanen nog tot het vasteland van Maleisie; door ze zeespiegelstijging zijn ze pas zo’n verre eilandengroep geworden; dit zet wel een vraagteken bij mijn kano-verhaal!

[62] Fred Bruemmer Leven met de Inuit (Atrium 1993)

[63] uit John Reader Man on Earth (London, 1988) : 12.000 jg (einde VJ-tijd, begin AGR-tijd) = 500 generaties

maar tot een nieuwe soort worden, dus van natuur veranderen, vergt 2000 generaties

[64] overigens is de laatste tijd het onderzoek aan het honden-DNA en de genetische diversiteit in volle gang. Alle honden dragen het DNA van de Europese grijze wolf in zich, dat blijft. Maar de eerste domesticatie was wellicht ergens in de Balkan en brachten de voorouders van de Cromagnons al honden mee naar Frankrijk.

[65] bijvoorbeeld de erg interessante site van Dolni Vestonice in Tsjechië (niet ver van Brno), al in 1914 ontdekt. Daar is ook een van de oudste vrouwenbeeldjes gevonden, nota bene van gebakken klei. En het oventje waarin het, tezamen met veel dierenbeeldjes en brokken misbaksels, werd gevonden. Later werd alles, aan de hand van de as van de haarden, gedateerd op 26.000 vC.

[66] hè, waarom dat nou weer! Dat is om de rangorde, de pik-orde, de statusverhoudingen (die spelen nou eenmaal altijd en overal in groepen van hogere groepsdieren) duidelijk te krijgen. Kinderen beginnen het leven van voren af aan, dus die beginnen met de ikke-ikke-fase, worden dan geleidelijk groepsdieren en – als hun voorbeelden goed genoeg zijn, hypersociale mensen. Je moet ook niet altijd moeilijk doen over de ruzies tussen kinderen. Alleen zorgen dat ze niet uit de hand lopen; normaal lossen ze zich vanzelf op; ook kinderen zijn van nature hypersociaal

[66] dat mannen het makkelijker kunnen is ook weer evolutionair bepaald: je ziet het al bij de chimpansee-mannen

[68] nou zeg! dat vreet aardoppervlak – maar daarbij moet je bedenken dat de hele mensheid rond 12.000 jg ongeveer 10 miljoen mensen omvatte, en daar zijn de Amerika’s bij meegerekend (schatting in John Reader Man on Earth, p.143); en nu zijn er 6.630.698.682,00 mensen (ik keek op ‘wereldbevolking’ bij Google en dan zie hoeveel mensen er bij komen terwijl je op die pagina beland bent!)

[69] daar moeten onderzoekers altijd erg aan wennen, geen privacy, en ze moeten ook altijd op hun spullen passen

[70] De Duitse keizer Hendrik IV (keizer van 1056 tot 1106) begon in 1073 een strijd met paus Gregorius VII over het recht om hoge geestelijken, zoals bisschoppen en abten, met hun ambt te bekleden (de Investituurstrijd). In 1076 liet Hendrik IV de paus afzetten. Deze deed op zijn beurt Hendrik in de ban. Hendrik vond in deze patstelling geen steun bij zijn bisschoppen. Om van de ban te worden ontheven moest Hendrik op hangende pootjes naar Gregorius. Op dat moment (25 januari 1077) vertoefde de paus in de burcht Canossa (Reggio Emilia). Hendrik volbracht de kerkelijk voorgeschreven boete door op drie achtereenvolgende dagen in boetekleed en blootsvoets in de sneeuw voor de poort van dit kasteel te verschijnen. Toen moest de paus knarsetandend de ban opheffen.

[71] de meeste aboriginals hebben hun levensmoed verloren nu hun stamgebied, hun Verhaal, hun wereld door oppermachtige bezetters in beslag genomen is en ze het niet langer kunnen dansen/zingen

[72] het mooie daarvan is ook dat een brand geen ramp betekent maar dat die de kleitabletten juist bakt; daardoor zijn hun teksten vaak ongeschonden tot op de dag van vandaag leesbaar

[73] in Vom Ursprung und Ziel der Geschichte (1949) noemde hij deze periode die Achse der Weltgeschichte: het scharnierpunt bij uitstek in de geestelijke ontwikkeling der mensheid … volgens hem dan, maar ik heb veel meer scharnierpunten genoemd en het eerste was het gaan gebruiken van het vuur … oké, hij heeft het over ‘geschiedenis’ in engere zin, dus vanaf de ontwikkeling van het schrift …

[74] Vodoo (en afgeleide vormen als Winti en Santeria) is de religie van de vroegere Yorùbá-beschaving van het huidige Nigeria. De religie was geconcentreerd rond de scheppende voorouderfiguur Olodumare (noch man noch vrouw en niet af te beelden, met de gelovigenen verbonden door bemiddeling van Orisa’s, geestfiguren, die ieder staan voor een bepaald aandachtsgebied en aan wie wel tempels en offers gewijd worden.Magie (betovering) speelt en een belangrijke rol in, en wordt onderscheiden in ‘witte’ magie en ‘zwarte’. De Vodoo-religie is te veelomvattend om er hier verder over uit te weiden.

[75] heel knap was het gebruik van slangengif voor geneeskundige doeleinden; daarom was de slang een belangrijk godinnen-attribuut; voor de patriarchen een reden om de slang te demoniseren; maar nog steeds is de slang hét symbool van de artsenij

[76] Volkskrant, 6 mei 2009 artikel “Hoe het paard tot ons kwam” over de Science-publicatie van het onderzoek aan de middenvoetsbeentjes van de Botaipaarden en het isotopenonderzoek aan het Botai-aardewerk (paardenmelk!), beide wijzend op domesticatie

[77] John Bowker God. Een geschiedenis. (London, 2002)

[78] dat getal vermeldt de Rig Veda; maar in de veda’s vallen heel wat meer godennamen te tellen

[79] Brihad-aranyaka Up.1.4.6

[80] hoge tropische boom uit welks hout een troostend-geurende olie wordt gewonnen, bij het verbranden wierookachtige geurt en graag voor tempelbouw gebruikt wordt

[81] ‘Levant’ is de historisch-geografische aanduiding van de streek aan de oostkust van de Middellandse zee (Syrië, Libanon, Palestina); het woord (van lat. levare= rijzen) betekent: het land waar de zon opkomt

[82] Hulspas En de zee spleet in tweeën (Fontaine Uitg. 2006)

[83] met name Finkelstein en Silberman (Univ.Tel Aviv) in The Bible Unearthed (2002)

[84] ja, je moet als koning natuurlijk nooit een nederlaag toegeven

[85] de onder archeologen befaamde ‘Dan-stèlè’

[86] Uitgeverij Fontaine, 2006

[87] in 1868 gevonden op de Jordaanse heuvel Dhiban, het oude Dibon, hoofdstad van Moab; dat de tekst nog zo compleet vertaalbaar is komt doordat de stele voordat de dorpelingen hem in stukken sloegen (om de scherven per stuk te kunnen verkopen: die rare westerlingen gaven goudgeld voor elke potscherf of stukje spijkerschrift!) was nagetekend en bovendien was er een gipsafdruk van gered

[88] oorspronkelijk dus een der lagere goden aan de tafel van de hoofdgod El en zijn vrouw Asjera

[89] door de archeologen teruggevonden en ook vandaag nog te bezichtigen!

[90] ik doe alsof Jahweh een puur Israëlische god is geweest en alsof die in Juda volslagen onbekend en onvereerd was tot dan toe; maar ik heb daar natuurlijk nog hevige twijfels bij; het gaat er om of er overtuigende aanwijzingen gevonden kunnen worden of al zijn gevonden in de ‘annalen’ voor of tegen dit standpunt

[91] net als de Assyriërs sloten met hun vazalstaten: een overeenkomst waarin de rechten en de plichten van de vazalstaat (Juda) werd vastgelegd tegenoven hun heer (Jahweh).

[92] geen geringe opgave: die simpele boerenjongens moesten overtuigd raken dat hun oeroude landbouwgod(inn)en niets voorstelden (“holle beelden met zaagsel erin”, meer niet!) ‘afgoden’ waren, die nodig moesten worden uitgeroeid

[93] een typische bijbelse overdrijving, om de daar aanwezigen ‘het volk’ te noemen

[94] vert. Amst. 2005

[95] de Avesta, de zangen van Zarathustra, plus de latere priesterlijke teksten zijn pas in de derde eeuw nC als Boek opgetekend

[96] herinner je je Aram, dat korte tijd Israël tot vazalstaat wist te maken? Welnu, Aramese stammen waren al eerder ook oostwaarts gemigreerd en hadden zich gevestigd in de buitengebieden van Babylon en Ur. Daar werd Akkadisch gesproken, maar de Chaldeeën bleven Aramees spreken, ook toen ze bestuurlijke macht kregen. In de Bijbel staat dat vader Abraham afkomstig was “uit Ur der Chaldeeën”.

[97] mijn verhaal, ik heb er nergens duidelijkheid over gekregen; maar het klopt met wat er gaat volgen

[98] veel over de goden van het Midden-Oosten en dus ook van het oude Jodendom heb ik uit The Origins of Biblical Monotheism van Mark S. Smith (2001, Oxford U.P.)

[99] naar het Zoroastrische Ahura

[100] moeten we voortdurend bedenken: de Grote Voorouderfiguur van alle oerscheppingsverhalen was noch man noch vrouw maar een groepje kolonisten

[101] Grieks voor ‘Bel’ (Baäl) , of Marduk

[102] in werkelijkheid is deze ‘toren van Babel’ 90 m hoog geweest en heeft 7, niet 8 verdiepingen geteld

[103] zoals ook de herhaalde voorstelling dat toespraken plaatsvonden “ten overstaan van het ganse volk” en “het ganse volk weende en beloofde …” : het betreft hooguit de toehoorders, en dan nog slechts degenen die met de spreker instemden of deden alsof

[104] dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula, ik zie het niet meer zitten ik ga naar … Egypte!

[105] pas in Babylon leerden de Joden leven in het wekelijkse ritme, dus pas daar kenden ze de ‘zevende dag’, de rustdag na zes werkdagen

[106] moeten we dus ‘Baruch’ bij denken! Zou het niet zo kunnen zijn dat Baruch wél, met de overige priesterij en elites, naar Babylon is afgevoerd? En dat hij daar in Jeremia’s geest verder is blijven schrijven? Andere bijbelpassages melden dat hij met Jeremia is afgevoerd naar Egypte en dat beiden daar overleden waren toen Egypte door Chambyses tot Perzische satrapie werd gemaakt (625 vC). Ik vond het trouwens raar dat Baruch noch zijn geschriften voorkomen in mijn NBG-bijbeltje. Tot ik even later begreep dat hij tot de apocriefe (niet-canonieke) schrijvers behoort.

[107] nog niet; je moet bedenken dat bij alle opgravingssites in de Levant pas een kwart van elke site is opgegraven en dat er nog ¾ van elke site ligt te wachten om nadere informatie bloot te geven; en dan laat ik de nog te ontginnen of te ontdekken sites buiten beschouwing; het hangt allemaal af van de hoeveelheid gemeenschapsgeld dat in deze tak van wetenschappelijk onderzoek gestoken wordt

[108] het onderscheid stamt nog van een der eerste bijbelkundigen, Julius Wellhausen ( 1844-1918), die de Yahweh-auteur als J aanduidde, de Elohim-auteur als E , de auteur(s) van de rompvorm van Deuteronomium als D en de Babylonische en latere auteurs als P

[109] was dat de leerling en helper van Jeremia? of iemand anders die toevallig ook Baruch heette?

[110] theorie van de Amerikanen W. Ryan en W. Pitmann, 1997, 1999

[111] van oceanoloog Bob Ballard (1999) en geoloog Ali Aksu, aan de hand van pollen uit boorkernen) 2007

[112] mijn dl-boek 243 bevat Flood Stories from Around the World by Mark Isaak (1996-1902) en dat telt 87 stuks; maar hoeveel duizenden gemeenschapjes zijn er in de loop der geschiedenis niet uitgestorven? even zovele scheppingsverhalen en vele daarvan met een zondvloedverhaal

[113] ik ontleen dit verhaal aan de site van Mokum-TV, waar René Zwaap en Mohamed el-Fers een referaat over de Mithras-cultus hebben gepubliceerd; de auteurs doen helaas niet aan verwijzingen, zodat ik niet voor de ‘wetenschappelijke hardheid’ van het hier gebodene kan instaan en ook dat jaartal zegt me zo gauw niets

[114] ik vertel deze dingen na van op het internet gevonden teksten die – die van Wikipedia niet te na gesproken – niet uitblonken in bronvermelding; maar ze leken me wel betrouwbaar

[115] voor een opsomming citeer ik uit Jeroen Vanheste Humanisme en het Avondland (Damon, 2008): “Om slechts enkelen te noemen, Arthur Schnitzler, Karl Kraus, Hermann Broch, Gustav Mahler, Sigmund Freud, Arnold Schönberg, Stefan Zweig, Joseph Roth, Franz Kafka, Hugo von Hofmannsthal, Martin Buber, Ludwig Wittgenstein. Na de Eerste Wereldoorlog herleefde de seculiere joodse cultuur in de jaren 1920, tot zij uiteindelijk verwoest werd door het nazisme en het stalinisme.” George Steiner : “Europa heeft zelfmoord gepleegd door zijn joden te vermoorden”.

[116] de vrouwvijandigheid niet alleen; ook het Arabische schrift, met zijn met elkaar verbonden letters, leende zich niet voor boekdruk, die immers bestond uit zetsels met losse letters; de boekdruk maakte een nog nooit vertoonde snelheid van uitwisseling van ideeën – de kracht van het menszijn – mogelijk; de opgang die het Westen sinds 1500 gemaakt heeft, gaf de islamitische wereld het nakijken

[117] ik vond het als Part I van zijn History of New Testament Times op het internet, scanned by Darren Knop

[118] ik ontleen het volgende aan People of the Pharaohs (vert. Het volk van de farao’s) van Hilary Wilson (1997)

[119] de katholieke kerk heeft meer van deze magische handelingen bewaard dan de versoberde protestanten die dit badwater weggooiden; vandaar dat ik meer protestanten de katholieke hoogtijdagen zag bezoeken dan andersom

[120] mijn collega Sako reist veel in India en was op bezoek bij een rijke Hindoe-koopman toen die op een dag thuiskwam van een zakenreis met een beeld. De man richtte er een speciale plek in zijn huis voor in, een plek om te bidden. Bij een volgend bezoek, enkele jaren later, bleek de plek een apart vertrek, een ‘kapel’, en Sako mocht een video-opname maken van het ochtendritueel. En dat hield ook in: het begroeten van het beeld, het wassen ervan en het zalven met geurige balsem en het aankleden. Waarna de gebeden. Ook mensen uit de buurt namen deel aan het ochtendritueel. Wellicht was Sako getuige van de geboorte van een ‘schrijn’, die in latere generaties tot Tempel zou kunnen uitgroeien.

[121] ligt bij de uitgever

[122] westerse jaartelling; de orthodoxe moslims hanteren deze jaartelling minus 622 jaar

[123] de eerste poging van zijn voorganger Moeawiya was mislukt

[124] een belangrijk boek in deze is voor mij geweest De omstreden bronnen van de Islam, door de journalisten Eildert Mulder en Thomas Milo (Zoetermeer, 2009)

De Geboorte van God

door Frans Couwenbergh

 

N.B. intussen is er een verbeterde versie van onderstaande tekst beschikbaar op www.bestaatgod.com

 

In den beginne waren wij apen. Normale dieren.

Dieren hebben geen god, die leven gewoon.

Dit is het Verhaal van hoe wij van apen mensen geworden zijn

en vreemde dingen zijn gaan doen als

op twee benen lopen, vuur gebruiken en God bedenken.

(update 16 februari ’07)

inleiding

God is alom inzetbaar. Van oorsprong Schepper van om het even welk stamgebied werd Hij, toen hier en daar stammen door overpopulatie met elkaar in overlevingsgevecht raakten, krijgsgod en dat is Hij sindsdien voornamelijk gebleven. Ook de christelijke God begon Zijn carrière als nieuwe krijgsgod voor Constantijn. Onder de kreet “God wil het!” hebben de christenen in de twaalfde eeuw de kiem van haat gezaaid die, met eeuwen van godwelgevallige zending en kolonisering daartussen, onder de kreet “Allah wil het!” openbarstte in een kerosinebaaierd binnen de Twin Towers.

De stammenGod is nog steeds in vol bedrijf. Op 27 maart 2003 – de VS-oorlog tegen het Sadam-regiem van Irak is dan 8 dagen oud en verloopt niet zoals gepland en door iedereen verhoopt – neemt het VS-parlement met 346 tegen 49 stemmen de resolutie aan om een nationale bid- en vastendag in te voeren om de Goddelijke hulp af te smeken voor de Amerikaanse oorlog. De nationale sentimenten worden gemobiliseerd om een dag lang af te zien van hamburgers en ander junkfood en zich ter kerke te begeven om God te bewegen geen zandstormen meer te laten opsteken in Irak en de bommen met de gewenste precisie te laten neerkomen en hun verwoestende werk te laten doen.

Het mikpunt van de Bush-kliek, Sadam Hoesein, had zijn latere jaren ook het nut van God ontdekt. Na zich in de 35 jaar van zijn alleenheerschappij sterk te hebben gemaakt voor een seculiere staat en na het sjiïetische fundamentalisme de kop ingedrukt te hebben, ‘bekeerde’ hij zich na zijn nederlaag in Koeweit, ging vrome taal uitslaan, verklaarde af te stammen van Mohammed en de nieuwe Saladin te zijn, beloofde de Palestijnen om alle Joden en kruisvaarders uit Jeruzalem te zullen gooien en als een ware moslim het leven van de Iraakse vrouwen te verzuren.

Hegel stelde al dat wij, wanneer wij onszelf begrijpen, de afstand tot de ander gemakkelijker overbruggen en hem niet langer als vreemdeling zien. We zien dan onszelf én de ander als samenstellende deeltjes van samenlevingen en culturen en die weer als etappes van de zich ontwikkelende ‘wereldgeest’. Hoe weinig ik ook op heb met metafysisch denken en al helemaal waar het tot heilloos collectivisme leidt: het wezen van Hegels gedachte is van actueel belang met het oog op ons voortbestaan op dit voor het heelal-fenomeen ‘leven’ unieke planeetje in dat eindeloze maar onherbergzaam koude heelal. We ontkomen er vandaag niet langer aan om een globaloe solidariteit te ontwikkelen. Dus onze tot denominaties en nog verdergaande versplinteringen verleidende gelovigheid aan een grondig onderzoek te onderwerpen.

Al vanaf vroeg in het functioneren van het monotheïsme – ik denk aan de Keizertijd van het Romeinse Rijk[1] en aan de islam-falasafa – hebben zelfstandige denkers en theologen (niet de verkopers van het ‘product God’ natuurlijk) het hoofd gebroken over wie of wat God eigenlijk is. Spinoza besloot in de zeventiende eeuw dat God en het geheel der Natuur één en hetzelfde ding is, en deze gedachte vond later bij de meeste denkers (niet bij de verkopers natuurlijk) genade. Maar echt helder wordt het hiermee nog steeds niet.

Helderheid krijgen we alleen door na te gaan hoe we van apen tot mensen geworden zijn. Onze ontstaans-geschiedenis vanaf zeg maar acht miljoen jaar geleden nalopend komen we de schepping van God als een begrijpelijke kiemcel tegen en vervolgens wordt de hele constructie helder .

Tien miljoen jaar geleden waren we nog gewone regenwoudmensapen en was er nog geen God. Want er waren nog geen mensen om Hem te bedenken, zo simpel is dat.

Is dat een brug te ver voor u? Bedenk dan wel dat er maar twee opties zijn. Oftewel zijn de dingen op de Aarde inclusief de Aarde zelf getóverd (geschápen zult u dan roepen, maar wees nou eerlijk, maakt dat de gang van zaken anders?) oftewel ze zijn op de Aarde gegroéid. Er is geen tussenweg.[2] Wanneer u voor de eerste optie kiest en wanneer deze voor u ‘heilig’ (ook dat begrip gaat uitgelegd worden) is, moet u hier stoppen als u haar uit de wind van uw verstand wilt houden.

……………………………………………………(om even gelegenheid tot kappen te scheppen)……………

Hoe en waardoor wij van apen mensen geworden zijn, welke aanpassingen dit gevergd heeft en hoe anders dan alle overige dieren – namelijk talig – ons deze aanpassingen gemaakt hebben, dat is waar deze tekst uitgebreid over zal gaan. In het kort komt dit op het volgende neer.

Doordat onze vroegste voorouders in hun grotere communicatiebehoefte vanwege de nieuwe complexere leefomgeving gingen voorzien door namen (symbolen) voor dingen te gaan gebruiken, raakten ze geleidelijk in een denkbeeldenwereld verzeild. Ze kregen een talig bewustzijn. Om orde te houden in de veelheid van hun denkbeelden, dus in hun denkwéreld, brachten zij hierin samenhang door middel van een scheppingsverhaal, dat zij bij iedere gelegenheid dansten/zongen. In dit Verhaal is de Grote Voorouder – de tot één Figuur samengedachte eerste groep vrouwen, kinderen en mannen die in vroegere tijden als eersten het stamgebied betrad en er de dingen hun namen gaf, dus ‘schiep’ – de Schepper van alle dingen van hun stamgebied. Dat is Gods archetype. Miljoenen jaren van dansen/zingen van dit Verhaal dat met de mensheid mee-evolueerde, maakt begrijpelijk dat het gevoel ‘dat er iets meer is’ niet wil verdwijnen ook al zijn we niet langer godsdienstig.[3] We zijn ‘ongeneeslijk religieus’ geworden, zoals de onlangs overleden Dorothee Sölle het kenschetste.

April ’03 was op de Nijmeegse Universiteit de themadag “Is er nog godsdienst in 2050?”, en voor sommige geleerden was het ontkennende antwoord het waarschijnlijke Tegelijk bracht Vrij Nederland een nummer uit met de titel ‘God leeft’. Het vrije Westen is nog steeds een eiland van secularisme in een religieuze wereld, met veelal orthodoxe of ‘wedergeboren’, militant fundamentalistische dan wel extatische geloofsbeleving. Met alle risico’s van bloedige gewelddadigheid. Het paasnummer laat echter vooral mensen aan het woord die vanuit eigen ideeën over God of hogere macht uitdrukking geven aan hun spirituele gevoelens.

Ter wille van de duidelijkheid moeten wij dus onderscheid maken tussen godsdienst en religie. Religie[4] is een gevoel, daar worden we mee geboren omdat het dansen/zingen van ons scheppingverhaal al zo lang met het mensdom meegaat, en het heeft alles te maken met gemeenschapsbeleving, zoals onze jongeren laten zien. Het is deel van onze menselijkheid.

Godsdienst daarentegen is deel van de cultuur waarin iemand toevallig geboren wordt. Het is de invulling van het religieuze gevoel door de priesterkaste in een klassensamenleving, welke invulling het belangrijkste instrument is voor de heersende elite om de overheerste gewone mensen in het gareel te houden. Dat is geen cynische voorstelling van zaken, het “Cuius regio eius religio[5]” is een historisch onvermijdelijk gebleken ontwikkelingsgegeven. Op twee volslagen van elkaar geïsoleerde continenten, Eurazië en Amerika, hebben de menselijke populaties zich op eendere wijze van jagers/verzamelaars gemeenschappen tot stadstaten en rijken ontwikkeld en ze hebben daar verrassend identieke religieuze mechanismen bij gehanteerd. Tot zelfs de bijbehorende bouwwerken. De Spaanse ontdekkingsreizigers hadden niet in de gaten dat ze op een nimmer bereisd continent waren beland, ze waanden zich ergens in Indië, zo normaal was de bevolking – welke ze dan ook indianen noemden.

Onze consumentenmaatschappij kent geen heersende klasse (met geestesdwang, geheime politie, persbreidel, goelags en zo) meer, waardoor aan de heersende godsdienst bij ons de sponsor ontvallen is en daarmee haar status. Die komt niet meer terug, wat kerkelijke denkers en maatschappijbetrokken geleerden ook mogen bepleiten. Want aan de leegloop der kerken ligt de allesbepalende economie ten grondslag, en wel in zijn huidige gedaante: de vrije markt. Sinds die met de televisie in de zestiger jaren alle huiskamers én bovenkamers – op die in onze ‘bijbelbelt’ na – is binnen gedrongen, verloor de godsdienst de greep op de mensen[6]. De vrije markt moet niets hebben van scheidslijnen tussen de mensen, of ze nu van godsdienstige, politieke of anderszins socio-culturele aard zijn: die verkleinen de consumentenmarkt alleen maar. Bovendien spoort de aan godsdienst inherente onderdrukking van lusten en geneugten in het geheel niet met het hedonistische consumentisme.

Het kabinet Balkenende pleitte aanvankelijk voor een re-oriëntatie op de oude joods-christelijke waarden, maar in een pluriforme en geestelijk vrije samenleving is dat, in plaats van constructief, tegen de keer in en vandaag hoor je ze er niet meer over.

Maar de behoefte aan religie en gemeenschapsbeleving blijft, omdat die deel uitmaken van onze menselijkheid. Anders gezegd: van onze natuur.

De menselijke natuur. Het mensdom begon als een onaanzienlijke ondersoort van het bonobo-genus[7]. Vooral sedert 20.000 jaar geleden de neiging tot vooruitgang en ontwikkeling in het menselijk doen en laten begon post te vatten, is onze soort uitgegroeid tot de dominante zoogdiersoort op Aarde. Vandaag zijn we aangeland op een punt waar bergenhoge problemen, van vooral ecologische en demografische aard, dreigend opdoemen. Om daar overheen te komen zullen we ons moeten gaan bezinnen op wat we als mensen écht willen – dit in tegenstelling tot de verlangens waarmee de vrije markt ons opzadelt. Daarvoor is het nodig dat wij een realistische, d.i. een door onze gezamenlijke wetenschappen aangeleverde, kijk op onszelf krijgen.

We zullen ons consumentengedrag moeten gaan veranderen willen we als soort overleven. Maar dat doet niemand graag: veranderen. Dat houdt altijd inleveren is. Toch zullen we het moeten. Voor het eerlijker maken van de wereldhandel. Voor het verduurzamen van onze productie, onze energievoorziening en ons verkeer. Om dat veranderen en inleveren te kunnen ‘pikken’ behoeven we nieuwe grond onder onze denkvoeten: een universeel Groot Verhaal. Het verhaal van hoe we van apen mensen geworden zijn. Een Verhaal dat een wereldwijde solidariteitsgedachte grond geeft.

Ook voor het schrijven dáárvan moeten we eerst onze menselijke natuur nagaan.

De derde reden heeft daar direct mee te maken: het feit dat een samenleving niet goed functioneert zonder een breed gedeelde mens- en wereldbeschouwing. De Paarse regering leed duidelijk aan een gebrek aan toekomstvisie. De PvdA had haar ‘ideologische veren afgeschud’. Maar het gaf aan dat kabinet een afstandelijk technocratisch karakter en dat vervreemdt. Arie van der Zwan schrijft in zijn essaybundel De uitdaging van het populisme (Amst.’03) dat “het postmoderne kabinet-Kok” sociaal-economische prestaties leverde maar de rol van de overheid als hoeder van normen en waarden, als centrum van eenheid, van richtinggevend en sturend vermogen van onze samenleving, verwaarloosde en zo de rebellie van Fortuyn over zichzelf afriep. “Ideologische re-oriëntatie is onmisbaar”, zo schrijft hij.

Zonder een Heersend Verhaal hebben de mensen niet langer het gevoel dat ze wat met elkaar te maken hebben. Dan gaat ieder zijn eigen naad naaien en desintegreert de samenleving. Normen en waarden verliezen hun grondslag. Ieder mag die vandaag voor zichzelf invullen, en dan ligt het opportunistisch omgaan ermee voor de hand. Dan gaat het niet goed met zo’n samenleving. Dat onze samenleving aan het verloederen is, zal intussen weinigen ontgaan zijn.

“Een samenleving kan niet functioneren als de bodem ontvalt aan het gevoel dat je je aan regels moet houden”, zo formuleerde burgemeester IJssels van Gorcum het naar aanleiding van de gewelddadige dood van twee jonge discobezoeksters.

Ze behoeft een nieuwe bodem.

Het rapport In het zicht van de toekomst van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) meldt dat de Nederlanders anno 1004 tevreden zijn over hun eigen leven maar dat ze voor de samenleving de toekomst somber inzien. Conclusie: "Wat ontbreekt is een inspirerend perspectief." De Nederlander wil niet terug naar een geborgen Nederland van weleer, hij wil naar een nieuwe samenleving met andere waarden. Alleen heeft hij geen idee hoe die samenleving er uit zou moeten zien. Dus blijft zijn toekomstbeeld van een deprimerende somberte. Gaan we wat aan doen. We gaan eerst zorgen voor een nieuwe bodem. Een die gebaseerd is op de nieuwste inzichten in onze menselijke natuur.

Onze menselijkheid is de grondslag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het belangrijkste algemeen-menselijke document dat de mensheid in zijn hele geschiedenis tot nu heeft weten te produceren. Maar die grondslag – in de preambule en dan ook nog tamelijk cryptisch geformuleerd: “De waarde van iedere mens is inherent” – is nog steeds niet verder uitgewerkt. Dit maakt de grondslag uiterst iel en de Universele Verklaring wankel. Daar kunnen we nu wat gaan doen. Dat is de vierde dringende reden om op zoek te gaan naar onze menselijke natuur.

Een vijfde dringende reden is misschien de belangrijkste. Godsgeloof kan voor de medemens enge vormen aannemen en daar doelde Hegel al op. Zowel dat van de Islamist, die jonge mensen als bommen op pad stuurt met het idee na hun aanslag onmiddellijk in de hemel met een wellustige zwartogige aan de scharrel te kunnen, als dat van de Amerikaanse fundamentalist die een dokter doodschiet omdat deze vrouwen helpt bij ongewenste zwangerschap. Dat inhumane en misogyne geloof, waardoor miljoenen vrouwen een ongelukkig leven leiden, wordt tot nu toe door geen enkel consistent alternatief Verhaal uitgedaagd. Ook onze Nederlandse samenleving heeft er, gezien de uitkomst van dat SCP-onderzoek, alle belang bij dat we werk gaan maken van het alternatieve Ontstaansverhaal.

Dat zou het werk moeten zijn van onze filosofen. Maar die laten het dramatisch afweten. Ze hebben het wegvallen van de oude Grote Verhalen slechts bejubeld.

Dat jubelen was terecht, want het fascisme en het communisme waren collectivistisch, zoals ook het monotheïsme dat is. Ze leiden altijd tot oorlog en massavernietiging, alle vroom geprevel ten spijt. Collectivisme staat lijnrecht tegenover democratie. De inherent democratische vrije markt kan er niets mee dus alle collectivisme verdwijnt als sneeuw voor de zon.

Terecht gejubel van de postmoderne filosofen dus, maar wel dom. Ze hebben namelijk geen idee wat voor functie een gedeeld Verhaal heeft voor mensen. Omdat ze geen – althans geen wetenschappelijk – inzicht hebben in de menselijke natuur.

De postmoderne filosofen baseren hun pessimistische en ontmoedigende, dus schadelijke, mensvisie op hún wetenschap: de oude denkers. Maar … waar haalden de oude denkers dan hun zekerheden vandaan? Gewoon, uit wat ze om zich heen zagen: burgeroorlogen en rampen, misdaden en slavernij. Nee, niet uit wetenschappelijk onderzoek natuurlijk. Dat was er toentertijd nog niet.

Vandaag is dat er wel. Je kunt het allemaal vrijelijk tot je nemen. Onze filosofen zouden dus beter kunnen weten. Maar die hebben helaas geen tijd om dat allemaal te lezen. Het is geen onderdeel van hun opleiding en hun vakgebied, en ze hebben al moeite genoeg om daarin bij te blijven. En … als er iéts is waar je je vandaag als filosoof mee diskwalificeert in de ogen van je medefilosofen is het wel met een optimistisch mensbeeld!

Sinds ‘elf september’ heeft de Clash of civilisations alle overige wereldproblemen in de schaduw gesteld (die moeten maar gewoon even doorrotten). Huntington gaat, zoals alle postmoderne filosofen, uit van het kwade in de mens. Daarom heeft hij een tamelijk angstaanjagend scenario geschetst van een derde wereldoorlog. Dit scenario heeft de Bush-oliekliek gesanctioneerd om een hachelijke imperialistische oorlog in het Midden-Oosten – het land van moslims en olie – aan te gaan.

Deze verhandeling laat zien hoe we aan ons aangeboren religieuze gevoel gekomen zijn, en hoe en waarom de figuur van de Ene Ware God deze religieuze beleving in beslag genomen heeft. Het laat ook zien waarom de rol van deze figuur nu is uitgespeeld en wat er heel nodig in Zijn plaats moet komen. Een nieuw, ditmaal universeel, geloof. In de mensheid, in ons mens-zijn.

Niet zo’n nieuwe gedachte overigens. In 1949 werd er al mee gespeeld, bij de opstelling van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar toen was de autoriteit van de Kerken nog ongebroken en was het al een reusachtige prestatie om God uit de grondslag ervan te houden. Het geloof in ons mens-zijn is toen wel geformuleerd, maar uiterst ieletjes. In de Preambule kun je het lezen: "de waarde van iedere mens is inherent" . Voor de goede verstaander betekent dit: de waarde van een mens is gelegen in het feit dat zij/hij een mens is. Vandaag kunnen we dat ongestraft gaan invullen. Kunnen we een Universele Verklaring van de Herkomst en de Geaardheid van de Mens gaan opstellen. En daar doet deze verhandeling een gooi naar.

Een wetenschapper-lezer(-es) zal ettelijke ten hemel schreiende amateurismen voor haar/zijn kiezen krijgen, want ik heb nooit voor de echte wetenschapsbeoefening willen deugen – terwijl ik er toch ook nooit los van heb kunnen komen. Dit feit heeft mij vele jaren ernstig aan mijn onderneming om aan een consistent ontstaansverhaal te bouwen doen twijfelen. Maar Carel Peeters heeft mij in Vrij Nederland 3 mei ’03 een hart onder de riem gestoken. Bij de bespreking van De geschiedenis van het denken van André Klukhuhn (Bert Bakker. 2003) weidt hij uit over de figuur van de uomo universale. Dit moet je namelijk zijn wanneer je je aan een ‘grote greep’ op onze gehele geschiedenis zet, zoals Klukhuhn heeft gedaan. De uomo universale moet zich daarvoor toeleggen op het verzamelen van alle relevante inzichten uit alle relevante takken van wetenschap. Hij moet weten van literatuur en techniek, van kunst en biologie, van medische ethiek en godsdienstfilosofie. Dat vereist een mateloze nieuwsgierigheid, een niet aflatende toewijding. De allesweter mag nergens tot de bodem willen gaan: zich diep in één specialisme begeven doet zijn project immers stokken. Een onmisbaar vereiste is vervolgens een rode draad – deze nu mist Peeters (ten onrechte denk ik) bij Klukhunh – om niet ten onder te gaan in een vloed van doelloze eruditie.

Welnu, mijn draad is het hardnekkig volgen van onze wordingsgeschiedenis tot nu toe. Al mis ik de eruditie en de vereiste geserreerde wetenschappelijke manier van schrijven, van onze filosofen heeft u helemaal niets te verwachten, moet u maar bedenken want die hebben het te druk met filosoferen.

Om toch nog enig vertrouwen bij u te wekken begin ik met het weergeven van de literatuur welke voor mij tot nu toe belangrijk is geweest, met onderstreping van de namen der auteurs aan wie ik het vaakst denk bij het schrijven.

Indien u dit boekje in postmodernistische verblinding dichtklapt omdat het behalve de nodige amateurismen ook een optimistisch mensbeeld schetst, loopt u mooi een aantal intrigerende zienswijzen en bevindingen mis inzake onze menselijke natuur.


·

·

·

·

· ·

INHOUD

DEEL EEN. De menselijke natuur p.9

DEEL TWEE. Talige wezens p.15

DEEL DRIE. De geboorte van God p.23

DEEL VIER. Een nieuw geloof p.40

Toegift: ‘bijsluiter’ bij De Tien Geboden p.47

DEEL EEN. DE MENSELIJKE NATUUR

de menselijke natuur als heelal-fenomeen

De Amerikaanse fysicus Eric Chaisson[8] heeft nou echt een fundamentele kijk op de mens. Hij ziet ons als de verst voortgeschreden verfijning van complexiteit van de heelal-materie.

Na de oerknal waren de oersterren de eerste en simpelste vorm van complexiteit van heelal-materie: een fuseren van waterstof en helium en anders niets. Maar in hun fusieproces werden de complexe moleculen van het ‘periodieke systeem’ gevormd. De oersterren implodeerden weldra, de een na de ander. Er bleef niets van over dan een ‘bal’ van ingestorte moleculen met een zo extreme aantrekkingskracht dat we die alleen waarnemen als een ‘zwart gat’ (zichtbaar door het licht van de extreme hitte die het binnenstorten van omringende materie veroorzaakt) en een immense stofwolk van materie. De accretie (samenballing) van de stofwolkmaterie doet hier en daar opnieuw opeenhopingen ontstaan die bij voldoende massa en druk opnieuw tot kernfusie komen: de tweede-generatie-sterren. Deze processen in die stofwolken, van oorsprong de restanten van de oersterren dus, zijn inmiddels zover gevorderd dat we ze nu zien als opeenhopingen van sterren: ‘melkwegen’. Die bevatten naast waterstof en helium nu ook een hoeveelheid complexe moleculen, waaronder ‘organische’ zoals koolhydraten en aminozuren. Op sommige aarde-achtige planeten nu, kleine planeten van vaste materie zoals ijzer en silicium, op de exact juiste afstand van hun ster zodat water er in vloeibare vorm voorkomt, kan zich, bij voldoende overige ideale omstandigheden, uit deze ‘organische’ moleculen een RNA-molecule[9] formeren.

Dat is op onze Aarde gebeurd. Maar dankzij zoveel voldane gunstige voorwaarden dat het twijfelachtig is of zich dit ook op andere aarde-achtige planeten elders heeft kunnen voordoen[10]; en wanneer het zich al heeft kunnen voordoen, of het dan de kans gekregen heeft, lang genoeg in stand te blijven om te kunnen evolueren naar complexere levensvormen. De sterrenkundigen zoeken fervent, hebben via uitgekiende slimmigheden al een behoorlijk aantal planeten rond andere sterren dan onze Zon kunnen vaststellen, maar (tot nu toe) geen Aarde-achtige. In mijn tekst "Is er nog iemand?" – te vinden op mijn website – toon ik aan hoe uniek onze Aarde is en hoe ontzaglijk toevallig het is dat wij daar de laatste vijf miljoen jaar op rondlopen.

Die RNA-molecule was de derde, enorme stap in complexiteit van heelalmaterie. Via enkele tussenstappen als fotosynthese, meercelllig leven en dierlijk leven vordert de heelal-materie op haar weg naar steeds verfijndere complexiteit waarvan de mensheid het toppunt vertegenwoordigt.

We zijn, net als de mensapen, de giraffes, de dolfijnen, de guppies en de langpootmuggen, maar ook net als de eikenbomen, de paddestoelen en de met het blote oog niet waarneembare levensvormen als bacteriën en virussen, een soort van dat leven. Om onszelf te begrijpen moeten we weten wat we gemeen hebben met álle vormen van leven. Dat is: zorgen dat we in leven blíjven (dus dat we te eten hebben en dat we veilig zijn) en dat we kindertjes krijgen (ons eigen DNA doorgeven). Je kunt zeggen dat leven daar uiteindelijk om draait en dat alle levensvormen die deze eigenschappen niet of onvoldoende aan de dag legden, het niet gehaald hebben.

Dat noemde de oude Darwin de natuurlijke selectie. Een hondenfokker selecteert de fokhonden op bepaalde uiterlijke of karakter-eigenschappen. Dat gaat vlugger en gerichter. De natuur doet hetzelfde door het veranderen van omstandigheden (doordat bijvoorbeeld de continenten niet op hun plek blijven liggen). Wat zich het best (door bepaalde uiterlijke of karakter-eigenschappen ten gevolge van toevallige genenvarianten) in die nieuwe omstandigheden kan weren, heeft betere voortplantings-kansen maar wordt dan wel een andere soort. Wat zich niet kan aanpassen, sterft uit.

Voor je eten en evenzeer voor je voortplanting moet je de concurrentie aan met de levensvormen die van dezelfde voedselbron(nen) leven en op dezelfde partners uit zijn, dus met je soortgenoten. De oude Darwin noemt dat gevecht the struggle for life. Dat is niet leuk: moeten vechten met je soortgenoten voor je leven en je voortplanting.

Maar de natuur is niet leuk. De natuur is wreed en kent geen mededogen.

Dat is wat wij voor ogen moeten blijven houden. Mensen kennen wel mededogen, en kunnen het leuk voor elkaar maken. Maar mensen zijn dan ook een verregaand ingewikkelde vorm van leven. Ze hebben zich dankzij hun talig geworden zijn – daar zal dit opstel vooral over gaan – in hun gedrag (niet in hun lichamelijk functioneren) een beetje los weten te maken van de wrede natuur, en zijn daarom erg interessant maar wel afwijkend. En als het er op aan komt (bij paniek, bijv.) is het weer ‘ieder voor zich’. Iedereen gaat een keer dood, en dat is maar goed ook. Zonder de ‘ingebouwde’ dood zouden we er niet eens zijn. De natuur als geheel IS en gaat gewoon zijn gang. Meedogenloos. De continenten verschuiven; dan krijg je andere klimaten. Levensvormen die zich niet weten aan te passen, sterven uit; die zich wel weten aan te passen, blijven maar worden door hun aanpassingen een andere soort.

De natuur is wreed en kent geen mededogen. Een poes speelt met de muis tot die er het leven bij laat. Als chimpansees een aapje gevangen hebben, trekken ze het levend uit elkaar! Als het al zowat gevierendeeld is, hoor je het nog kermen. Als een pygmee een bosantiloopje in zijn net gevangen heeft, snijdt hij het levend de poten af: kan het niet meer weglopen. Vindt ie doodnormaal. De natuur is wreed Alle mensen worden, net als andere vormen van leven, geboren, worden ouder en sterven, meedogenloos. Sommigen worden niet eens oud, sommigen sterven al jong, of bij de geboorte of zelfs daarvóór. Meedogenloos. Wanneer een leuk iemand zo jong uit je omgeving wordt weggerukt, vraag je je boos en verdrietig af wat de dood eigenlijk voor zin heeft. Dan kan ik je wel vertellen dat het leven niet ver gekomen zou zijn wanneer die allerprimitiefste levensvormen en alle levensvormen er na niet een beperkte houdbaarheid hadden gehad; dus dat sterven nodig is wil de natuur tot steeds hogere levensvormen evolueren. Maar op zo’n moment wil je zoiets niet horen. Dan heb je gewoon verdriet en moet een auteur z’n bek houden. Dan moet je rouwen.

De primitiefste levensvormen voedden zich met de bouwstoffen van de oerzee en met elkaar. Het was eten of gegeten worden, en dat is het gebleven. Ook wij eten ander leven, zowel dierlijk als plantaardig leven; alleen elkaar eten doen we nog maar sporadisch.

Toen de bouwstoffen in de oerzee opraakten, kwamen levensvormen tot ontwikkeling die het zonlicht als energiebron gingen gebruiken, middels een ingewikkeld chemisch proces van fotosynthese. Daarbij wordt zuurstof afgescheiden als afvalproduct. Een succesvolle levensvorm, dat plantaardige leven, een blijvertje. Maar na verloop van tijd – praten we wel over de nodige honderden miljoenen(!) jaren – raakte de hele atmosfeer verzadigd van dat voor het toenmalige plantaardige leven giftige zuurstof en dus het leven opnieuw in een kritieke fase. Maar ook nu weer ontwikkelden zich levensvormen die dat giftige zuurstof juist gingen gebrúiken als energiebron. Dat was het dierlijke leven.

Maar ik sla iets over: de seks. Seks is door het leven uitgevonden als antwoord op de door het leven zelf voortgebrachte ‘hooligans’: de virussen. Dat zijn parasitaire vormen van leven. Die zijn ontstaan omdat dat kon, niet omdat dat ergens goed voor was. Het zijn niet meer dan pakketjes DNA, maar voor hun deling kapen ze gewoon een normale cel van een organisme, doden de celkern, nemen de plaats ervan in en laten de cel verder z’n werk doen. Wanneer het organisme zich voortplant, plant het in plaats van zichzelf het virus voort. Leuk voor het virus. Maar jammer nou, steeds meer organismen gingen hun voortplanten samen met een ander organisme doen. Daarbij husselden hun DNA’s door elkaar en dan ontstond er geen kloon maar een totaal nieuwe combinatie! Met ongeveer de helft van de eigenschappen van de één en ongeveer de andere helft de eigenschappen van de ander. Daarmee hadden ze mooi het virus op het verkeerde been gezet.

Overigens worden virussen na verloop van tijd steeds minder dodelijk. Wanneer een door het virus gekaapt organisme de geest geeft, houdt het voor ‘t virus ook op. Virussen die het gekaapte organisme in leven lieten, hadden betere overlevingskansen.

Dat seks lekker is, is ook niet voor niks. Wanneer het dat niet was, zou het alleen maar gedoe zijn, inspanning kosten en je ook nog met de verzorging van nageslacht opzadelen. Dan zou het al snel gedaan zijn met de voortplanting. Nee, hormonen jagen ons op zodat we niets anders willen dan dat, koste wat het kost. Daarom zijn we er.

Het dierlijke leven was ook een zeer succesvolle levensvorm, vanwege vooral één vernieuwing: het kon zich verplaatsen. Plantaardig leven staat aan de grond genageld, tenzij het in het water zweeft, maar het kan geen kant op. Dierlijk leven kan zich naar de voedselbron toe bewegen en gevaar ontwijken. Daartoe ontwikkelt het ledematen en zintuigen. Die worden bestuurd door een zenuwstelsel en op den duur evolueert zich daar een ‘centrale commandopost’ bij, voor de inkomende en uitgaande impulsen: de hersenen. Dat gaat allemaal via de omslachtige weg van individuen die door de toevallige deling van hun DNA-strengen over eigenschappen beschikken die het in de gewijzigde omstandigheden en in hun strijd met soortgenoten om voedsel en paringspartners ietsje beter doen dan anderen, ietsje meer nakomelingen krijgen, hun bij toeval verworven eigenschappen doorgeven aan die nakomelingen, die het daardoor ook weer beter doen: natuurlijke selectie. En nog steeds volstrekt meedogenloos.

DNIWEKGM (De Natuur Is Wreed En Kent Geen Mededogen)

Lange tijd heeft men gemeend – en de postmoderne filosofen menen het daarom nog steeds – dat de mensen van nature slecht zijn: egoïstisch, wreed, en zo. En wanneer de meeste mensen niettemin aardige lui blijken te zijn, dan moet dat komen door de beschaving, of doordat ze braaf naar de dominee of de pastoor geluisterd hebben.

Maar zoals uit ons Verhaal zal blijken, zijn de mensen juist de aardigste dieren die de natuur heeft voortgebracht. En hoe minder beschaafd (primitiever), hoe aardiger. Wij zijn de laatste duizenden jaren komen te leven in samenlevingen met slavernij en vrouwenonderdrukking en zo; dus in samenlevingen die geheel met onze aardige natuur in strijd waren, heel frustrerende samenlevingen. Ja, dan ga je wel rot doen tegen elkaar; maar een paar duizend jaar is volstrekt ontoereikend om iets aan de menselijke natuur te wijzigen. Hoe wij, hoe aardig ook, toch slavernij en andere nare dingen konden gaan doen, zullen we allemaal nog bespreken. Hier eerst iets over het speciale van de

groepsdierlijke menselijke natuur

De Natuur Is Wreed En Kent Geen Mededogen, dat blijft. We zullen dit normale struggle for life –gedrag en de survival of the fittest (de best aan de veranderde omstandigheden aangepaste individuen doen het beter) nog zo vaak tegenkomen dat ik de spreuk maar afkort tot DNIWEKGM. Elk individu probeert in principe de beste toegang tot voedsel, veiligheid en paringspartners te krijgen, in gevecht met concurrenten, meestal van zijn eigen soort of van soorten die van dezelfde voedselbron leven. Dat zie je in de natuur voortdurend om je heen: die ene koolmees die de anderen probeert te verjagen van dat plekje aan het pindanetje, tot hijzelf door een nog sterkere verjaagd wordt. Onze kindjes die makkelijk ruzie maken. De kauw die de meisjeskauw voor zich alleen wil hebben en een andere verwoed wegjaagt, is toevallig wat sterker en gezonder dan zijn rivaal en dus vindt de meisjeskauw het allang best. Of het magere biggetje dat door de dikke anderen verstoten wordt. De natuur is wreed. Het magere biggetje zal het niet redden. Van verreweg de meeste soorten is het aantal geboortes vele malen groter dan het aantal dat tot voortplanting komt, en je moet er niet aan denken dat het anders was! Zo selecteert de natuur en schept het natuurlijke evenwicht. Maar niet leuk. DNIWEKGM.

Mensen kennen mededogen en zullen zich over het verstoten biggetje ontfermen en het toch nog een kans geven. Zij doen dat omdat zij zich automatisch verplaatsen in de positie van het biggetje en het willen behandelen zoals zij ook zelf behandeld zouden willen worden. (Of de boer denkt: ook een mager biggetje kan groot worden en geld opleveren, ik zal er alleen niet mee fokken want er zal wel iets mis zijn met dat mormel.) Hoe komen mensen aan dat mededogen?

Dat komt omdat mensen behoren tot de hogere groepsdieren. Lagere groepsdieren zijn[11] vissen die in scholen zwemmen, muggen in zwermen, vogels in zwermen, graseters in kudden. Zij leven in groepen omdat de groep veiligheid biedt tegen roofdieren, waartegen je in je eentje het niet redt. Temidden van zo’n kudde zit je veilig.

In het midden ja, maar aan de rand niet Daar loop je gevaar. Sommige scholen vissen lossen dit probleem op door als een wervelwind door elkaar heen te gaan tollen. De haai kan maar één vis tegelijk happen; maar voor hij zich er op één heeft kunnen concentreren, schiet er weer een ander en weer een ander voor. Eenzelfde tactiek hebben de zebra’s. De leeuwin kan maar één zebra tegelijk pakken, maar die rennen als dollen door elkaar heen, en door al die strepen door elkaar kan ze zich niet meer op één concentreren en geeft het op.

status

Maar in de meeste kuddes en andere groepen draait het om status. Dat is aanzien, rang. Het is een echt DNIWEKGM-fenomeen. Het ene individu heeft een hoge status en het andere een lage. Een hoge status is vooral erfelijk. Wanneer je moeder of vader een hoge status had, gaat die ook op jou over. Persoonlijke kwaliteiten als kracht en durf helpen om die hoge status te houden of om van een lage status naar een hogere of zelfs de hoogste op te vechten. Maar meestal is het als de kasten in India: wanneer je voor een dubbeltje geboren bent, word je nooit een kwartje..

Bij de graseters is het je moeder die je status bepaalt. De koe met de hoogste status verblijft in het midden van de kudde, met haar kroost om zich heen. Daar om heen de moeders met iets lagere status, en zo verder tot aan de rand, waar de moeders met de laagste status grazen. Die wagen het niet om naar het midden van de kudde op te schuiven want daar worden ze meteen door de hogere verjaagd. Af en toe wordt er gevochten, vindt er een tweegevecht met die horens plaats. De verliezer moet genoegen nemen met een rang onder de winnaar, dus een graasplek meer naar de rand.

Door toevallige persoonlijke kracht en durf kan een jonge moeder een hogere status voor zich en haar kinderen bevechten. Op de apenrots zit de matriarch (het vrouwtje met de hoogste status) bovenaan, met haar kinderen om zich heen. De vrouwtjes met de laagste status zitten helemaal onderaan en lopen het meeste gevaar voor de slangen en andere roofdieren. DNIWEKGM.

Zo ‘fokt’ de natuurlijke selectie steeds betere individuen en zit er een stijgende lijn in de natuurlijke intelligentie. Dat het werkt zie je in leefgroepen van bavianen en chimpansees: een baby van de moeder met de hoogste status (de vader is dan ook altijd de alfa-man, die door zijn eigenschappen het leiderschap binnen de groep bevochten heeft) is duidelijk gezonder en zelfverzekerder dan een baby van de moeder met de laagste status in de groep; met alle kans op meer nakomelingen.

Zo ‘fokt’ de natuurlijke selectie. Het is, om vaste grond in de Natuur te houden, dienstig om telkens weer even terug te gaan naar het uitgangspunt van Eric Chaisson: we hebben het nog steeds over heelalmaterie, in vergevorderde staat van complexiteit. En de heelalmaterie wordt bij de hogere groepsdieren nog gecompliceerder. Een ander uitgangspunt, van een andere fysica-discipline ook, is dat van de genfysici als Richard Dawkins: in de natuurlijke selectie draait het om het kunnen doorgeven van je genen. Dus combineer ik beide uitgangspunten en vul DNIWEKGM –gedrag als volgt in: in de natuur draait het om zoveel mogelijk energie te onttrekken aan je omgeving teneinde het best in staat te zijn je genen door te geven.

solidariteit

Bij groepsdieren gaat een nieuw fenomeen een rol spelen in de overleving: onderlinge solidariteit. Terwille van de groepsharmonie. Hoe harmonischer de leefgroep, des te leefbaarder en des te sterker is de groep. Groepen die daar goed in waren, deden het beter dan die daar niet goed in waren en zo selecteerden deze gedragingen zich uit.

Naast het natuurlijke DNIWEKGM-gedrag is bij groepsdieren een tweede gedragsmotief een vereiste geworden. Om de groep zo hecht mogelijk te houden moet elk groepslid een stukje direct eigenbelang inleveren ten behoeve van de harmonie binnen de groep. Twee zielen in de borst van het groepsdier: de neiging tot egoïsme (slecht, kwaad) en de neiging om aardig te zijn voor de ander terwille van de lieve vrede en de leefbaarheid (goed, sociaal). En wanneer iemands DNIWEKGM-neiging even de overhand krijgt en hij een conflict veroorzaakt, moet hij het zo gauw mogelijk weer goedmaken.

Een groepsdier kan niet zonder zijn groep. Vooral de hogere groepsdieren die veel moeten leren. Vooral de chimpansees, die voortdurend alert moeten zijn op overvallen vanuit andere chimpanseegroepen die hun territorium willen uitbreiden.

Jane Goodall, de eerste veldonderzoekster van de chimpansees – die tot dan toe golden als een vreedzaam volkje – ontdekte dat die machistisch zijn en behoorlijk ruig uit de hoek kunnen komen. Ze ontdekte bijvoorbeeld dat chimpanseemannen soms een knokploegje vormen en stilletjes het leefgebied van de buren binnensluipen in de hoop een eenzaam mannetje te treffen, om die dan zodanig te slaan, te trappen en te bijten (zinloos geweld!) dat die het niet overleeft. Wanneer ze daar maar vaak genoeg in slagen, kunnen ze het hele territorium inpikken, met vrouwen en al. DNIWEKGM. Als ze op een hele groep weerbare mannen stuiten nemen ze ijlings de benen natuurlijk. Want echte oorlogen van man tegen man kennen ze niet, ze zijn niet gek!

Wanneer twee chimpansee-mannen een statusgevecht hebben gehad, blijven ze na afloop met de rug naar elkaar een beetje ontredderd zitten wachten. Ze kunnen niets nieuws ondernemen alvorens ze weer ‘vriendjes’ hebben gemaakt. Want ze weten dat ze elkaar ook weer nodig zullen hebben: een groep waarin de mannen niet op elkaar kunnen rekenen, is zo ten prooi aan een overval en is al helemaal niet in staat om er een te plegen.

Vaak komt een vrouwtje hen te hulp. Ze gaat zich eerst aan de ene man aanbieden, loopt dan naar de andere man en doet hetzelfde. En na een paar keer neemt ze er een bij de hand naar de andere en laat zich dan door beiden vlooien. Na een tijdje knijpt ze er tussen uit en dan gaan de mannen verder met elkaar langdurig en luid smekkend te vlooien. Frans de Waal heeft dit verzoeningsgedrag en overige harmonieversterkende sociale gedragingen zoals medeleven en troosten, betrokkenheid, goed leiderschap, wederkerig altruïsme, gehechtheid en vriendschap, verdriet en gemeenschapszin, in zijn Chimpansee-politiek (Amst. 1982) en Van nature goed (Contact, 1996) overtuigend laten zien.

cultuur

Twee gedragsmotieven dus. Haaks op elkaar staand ook nog: enerzijds het eigenbelang, anderzijds het groepsbelang. Die zouden het individu innerlijk verscheuren wanneer beide sociale gedragingen niet ingebed waren in ‘normaal’ gedrag, gewoonte, zeg maar cultuur. Daaronder valt ook ander gedrag: de gewoonte om bepaalde dingen op een bepaalde manier te doen. Zoals het vissen op termieten, het open timmeren van de harde palmnoten, het je gat afvegen met een blad, een spons maken van gekauwd blad om water mee op te deppen uit een holte, en meer van die dingen. Over cultuur bij groepsdieren heeft Frans de Waal De aap en de sushimeester[12] geschreven.

Bij de hogere groepsdieren, zoals olifanten, dolfijnen en andere walvissen, en de mensapen gaat het niet alleen om de veiligheid die de groep biedt, maar ook omdat ze meer moeten weten om aan hun voedsel te komen, dus meer moeten leren als jong. Een chimpanseejong doet er jaren over om termieten (een niet onbelangrijke bron van proteïnen) te leren vissen uit de termietenberg. Of, in West-Afrika, van zijn moeder te leren hoe de harde palmnoten (een zeer belangrijke voedselbron) met een hamersteen op een aambeeld van steen of boomwortel open te kraken zonder de zachte pit te verpletteren. En vooral: het moet zijn weg leren vinden in de heersende statusverhoudingen. Een zebrajong is na anderhalf jaar zelfstandig, een chimpanseejong pas na negen jaar. Hoe complexer de groepsstructuur, des te langer de benodigde leertijd, dus de jeugd van het individu. Je kunt dit doortrekken naar de verschillende menselijke samenlevingen. Hoogopgeleide Nederlanders trouwen pas rond hun dertigste!

reflectie

Bij de hogere groepsdieren is het egoïstische DNIWEKGM-gedrag een trapje hoger gestegen: Zowel het aan de omgeving onttrekken van energie als het doorgeven der eigen genen wordt bevorderd door het in harmonieuze groepen leveren. Dat vergt geven en nemen- politiek, vergt reflectie: het afstandelijk kunnen bezien van het eigen gedrag om het te kunnen meten aan de situatie en het gedrag der anderen.

De menselijke natuur is door de nieuwe omstandigheden waarin onze voorouders zich moesten redden, alleen maar voortgegaan op de weg naar nog socialer gedrag: nog meer het eigenbelang ondergeschikt maken aan het groepsbelang, nog meer reflectie. Ook bij hen waren de groepen die er het best in waren, in het voordeel en deden het beter dan de rest die vervolgens uitstierf.

Maar DNIWEKGM-gedrag (eigenbelang, status) blijft zijn rol meespelen. Bij geweldenaren zoals de chimpansees bijvoorbeeld. In Burgers Dierenpark brak bij het voederen het geweld onbeheersbaar los, tot de verzorgers besloten de dieren alleen in hun eigen kooien te gaan voeren en te zorgden dat het publiek niet meer kon voeren. De vreedzamere bonobo’s echter lossen deze spanningen op door dan meteen met elkaar aan het vrijen te slaan en te omhelzen. Make love not war. Zelfs als er een ’n leuk touwtje vindt dat de belangstelling van anderen opwekt, doen ze het.

Ook bij ons blijft het meespelen, bij ieder van ons. In panieksituaties of bij razende woede wijkt de cultuur (de reflectie, het ‘gezonde verstand’) voor de natuur (het DNIWEKGM-gedrag). Ook in de vorm van status is het bij ons nog volop in bedrijf.

de edele wilde

Hoe onbeschaafder (primitiever) de mensengemeenschappen, des te meer sociaal gedrag ze vertonen, stelde ik toen ik de menselijke natuur ging beschrijven.

Maar dat gedrag hangt wel heel erg af van wie ze als ‘mensen’ willen zien. De ‘edele wilden’ mogen dan wel gunstig afsteken bij ons, beschaafde mensen, wat betreft respect hun voor elkaar en hun kinderen, maar ze beschouwen alleen de eigen stamgenoten als mensen. Bij de Yanomami betekent Yanomamö ‘mens’, en bij de Inuit beteken Inu ‘mens’. Niet-stamgenoten, alles wat een andere taal spreekt dan de hunne, zijn geen mensen. Dat zijn ‘on-mensen’. Aan ‘onmensen’ hoef je je niets gelegen te laten liggen – tenzij je er van kunt profiteren natuurlijk. Zendelingen en missionarissen en onderzoekers zijn ‘onmensen’ maar die brengen ijzeren hakmessen, pannen en medicijnen als geschenken mee, dus daar heb je ook wat aan. Dan nemen ze die ‘onmenselijkheid’ maar op de koop toe. Meestal worden die vreemdelingen eerst door iemand als zijn familie geadopteerd, als een soort ver familielid verwelkomd. Daarmee worden ze dan ‘vermenselijkt’, opgenomen in de stam.

Bij de Yanomami (bij de overige primitieve stammen zal dit niet anders zijn) ben je ook als Yanomamö al gauw een vreemde. Verwanten die in een andere shabono zijn komen te wonen zijn al raar, want ze hebben een raar dialect en ze dansen/zingen het scheppingsverhaal op een rare manier. De enigen die dat goed doen, zijn ze zelf namelijk. Trouwens, ook de oude Grieken zagen zichzelf als mensen tegenover de overige volken die ze ‘barbaroi’ noemden: mensen die brabbelen, niet (nl geen Grieks) kunnen praten.

Mijn kijk op de ‘edele wilde’’ werd realistisch door het lezen van het verhaal van een (onderzoeker? Franse jezuïet?) die bij een Noord-Amerikaanse indianenstam (welke? weet ik niet meer, ik las het dertig jaar geleden) vertoefde. Ontzettend vriendelijke en sociale mensen, echt ‘edele wilden’. Op een dag vroegen ze of hij mee ging: er was een vreemde groep hun jachtgebied binnen gekomen. Nou, leergierig als hij was, graag dus. Het kamp werd beslopen. De mannen ervan bleken op jacht. Nu werden de vrouwen en kinderen meedogenloos afgeslacht. Een meisje kwam in doodsnood op de geschokte blanke afgekropen. “Ah!” zei een stamlid heel vriendelijk en sociaal, “wil je haar nog even neuken? Ga je gang, beste kerel. Wacht, ik zal haar nog even voor je vastpinnen.” En hij stak zijn speer dwars door haar lijfje in de grond.

Vanaf dat ik dat gelezen had, wist ik dat vriendelijk en sociaal gedrag ophoudt waar je mensen niet meer als medemensen ziet maar als schadelijk ongedierte. En ik dacht toen ook meteen terug aan de passage uit Kampvuren langs de evenaar van Paul Julien, uit mijn vaders boekenkast. Een negerin leed aan slaapziekte en dreigde op zeker moment, door een aanval overmand, bezwijmd in een vuur te vallen. De omzittende mannen lachten alleen maar en bleven gewoon zitten: ze was van een andere stam!

DNIWEKGM. Vanaf toen begreep ik ook wat ‘beschaving’ inhoudt. Beschaving is in wezen (het woord heeft meer betekenissen gekregen) het onderworpen worden, als stam, door een groot rijk en het op die manier leren om vreemde (anderstalige) stammen die ook binnen dat rijk zijn ingelijfd, als mensen te zien, als rijksgenoten. Een moeilijk proces, daar is het bijbelverhaal van de Toren van Babel nog een illustratie van. Maar daardoor is ook gedrag als zojuist beschreven, voor ons een oorlogsmisdaad geworden. De Westerling Julien haalde die bezwijmde vrouw als de bliksem bij het vuur vandaan.

Laten we nu gaan bezien hoe onze vroegste voorouders van normale dieren mensen geworden zijn en een nieuwe fase van hogere complexiteit van de Heelalmaterie zijn gaan vormen.

Conclusie uit Deel Een

Mensen zijn enerzijds een vorm van leven en voor normale levensvormen geldt: ieder voor zich, pakken wat je pakken kunt, eten en gegeten worden, DNIWEKGM.

Anderzijds zijn ze groepsdieren: ter wille van de leefbaarheid en de overlevingskracht van zijn groep levert het groepsdier uit eigenbelang een heel stuk eigenbelang in.

Mensen zijn door hun specifieke evolutie (gaat Deel Twee over) supersociaal (aardig) geworden. Daardoor hebben wij de neiging om onze DNIWEKGM-neigingen geheel te ontkennen. Maar dan houden we er soms te weinig rekening mee. Toen vijfduizend jaar geleden privé-bezit in zwang kwam, heeft onze DNIWEKGM-neiging weer flink voedsel gekregen en dan gedraag je je al gauw veel minder aardig. Maar inzicht in onze menselijke natuur brengt meer zelfreflectie en dat zal ons gedrag weer een stuk aardiger maken.

DEEL TWEE. TALIGE WEZENS

het regenwoud verdween

Acht miljoen jaar geleden werden onze vroegste voorouders gedwongen om een eigen weg te gaan. Door de klimaatverandering die tien miljoen jaar geleden al was ingezet, raakten ze heel geleidelijk hun voorouderlijke regenwoud kwijt.

Het maakte plaats voor een savanne-omgeving. Deels gewone bossen – waar ze voorlopig nog wel bleven wonen -, gebieden met ondoordringbaar struikgewas en vooral: uitgestrekte grasgebieden met hier en daar een accacia. Denk aan de hedendaagse Serengeti in Afrika.

Hun woonbos bevatte echter niet meer de vruchtbomen waar hun voorouders altijd van geleefd hadden. Voor hun eten moesten ze echt die open grasgebieden op. Maar die waren stikgevaarlijk. Niet vanwege de grote kudden graseters, maar vanwege grote katten en troepen hyena’s die van de graseters leefden. De trage mensapen zouden een gemakkelijke prooi voor de hyena’s en de grote katten geweest zijn – en dan had u dit verhaal niet kunnen lezen – wanneer ze niet een aantal mensapenvaardigheden ‘geprofessionaliseerd’ hadden. Aanpassingen die hen hominiden (aapmensen) deden worden en die hen op de weg naar ons-nu hebben gedwongen.

Om te beginnen hun verdediging. Apen verdedigen zich door het gooien met iets, ze kennen verdediging op afstand. De ‘professionalisering’ daarvan kwam voor de hominiden neer op het meedragen van stenen. Daar kun je namelijk een voorraadje van met je meedragen en die doen flink pijn als ze doel treffen; en raakgooien kunnen chimpansees al als de besten.

De bananen die Jane Goodall in het woud neerlegde om de chimpansees naar haar onderzoekstation te lokken, daar kwamen ook bavianen op af. Die zijn bijna even groot als chimps en ook voor geen kleintje vervaard, en vrouwen en kinderen lieten zich dan imponeren. Maar mannetjes-chimp Heer Worzle liet zich niet van zijn stuk brengen, hij week geen centimeter, raapte op wat voor zijn handen lag en wierp dat naar hun kop. Soms waren het bladeren, een keer – tot groot genoegen van de bavianen – een tros bananen. Maar langzaam kwam Heer Worzle tot de ontdekking dat stenen het beste waren en na een tijdje ging hij ook steeds grotere gebruiken.

Meedragen doen mensapen met hun handen en dan waggelen ze rechtop op hun voeten. De hominiden werden als professionals dus tweebeners. Heel uniek voor een zoogdier. Honden, paarden, mensapen, ze kunnen het best wel, hoor, op de achterpoten lopen. Maar het is een onnatuurlijke manier van voortbewegen, en wij ondervinden dit nog steeds: de lage rugpijn kwelt de meesten onzer van tijd tot tijd. Het moeten dus zwaarwegende redenen zijn geweest voor onze vroegste voorouders om tot dit onnatuurlijke voortbewegen over te gaan. Het noodgedwongen meedragen van stenen en verzameld voedsel dus.

Met je handen vol stenen kun je niet foerageren. Met een baby bij je of als kind kun je niet gooien. Dus vanaf het begin ook taakverdeling: vrouwen en kinderen verzamelden het voedsel en de mannen zorgden dat dit in veiligheid kon geschieden. En wanneer ik beweer dat ze daarbij al vroeg de gevonden vellen – sabeltandtijgers lieten veel aas liggen voor de hyena’s en die verslinden met hun machtige kaken zelfs de botten, maar die harige vellen zijn echt niet te vreten, dus vellen all over the place op de savanne – als draagtassen voor de stenen en de baby’s en het voedsel hebben gebruikt, bevind ik mij in gezelschap van geleerde auteurs[13]. Het maken van knopen was voor die professionele nestenbouwers (waarbij elke avond takken in een boomkruin tot een platform in elkaar gevochten worden) een makkie.

De motor achter deze ontwikkeling en achter de nog volgende is de natuurlijke selectie. Groepen die deze ‘professionaliseringen’ het effectiefst praktiseerden, hielden meer kinderen in leven en verdrongen door hun grotere aantallen de groepen die daar niets of minder van bakten.

We mogen voor dit proces gerust twee miljoen (!) jaar uittrekken, want de oudste fossielen van hominiden (tweebenige mensapen) zijn van zes miljoen jaar geleden[14]. Alle tijd dus om ook de nodige aanpassingen aan bekken, middenrif, bloedvaten e.a te ontwikkelen.

Vervolgens hun ‘maatschappelijke organisatie’. Waar mensapen in grote groepen samenleven, zoals de bonobo’s doen, zeggen de vrouwen de in principe gewelddadige mannen de wacht aan en zijn zij het die de dienst uitmaken. Door vrouwen overheerste mensapengroepen zijn opvallend vreedzaam en ze lossen alle conflicten op met seks. Dat dit ook door onze voorouders ‘geprofessionaliseerd’ is, dat bewijzen ettelijke specifiek menselijke seksuele kenmerken, zoals aantrekkelijke borsten en billen ter compensatie van die ‘onwerkbare’ vergrote rode vulva bij mensapinnen en bavianenvrouwen, de ‘verborgen’ ovulatie bij onze vrouwen en de grote penissen van onze mannen.

De leefgroepen van onze vroegste voorouders kenden vrouwelijke dominantie en onderlinge vreedzaamheid. Dat de chimpansees en wij die vreedzaamheid verloren hebben is een gevolg van overpopulatie. Voor de bonobo-voorouders van de chimpansees is dat sinds de IJstijden gaan spelen, maar in ónze wordingsgeschiedenis is dat verschijnsel van veel ‘recentere’ datum. Vandaar dat onze menselijke natuur nog steeds neigt naar vreedzaamheid, tenminste zolang er geen overlevingsagressie of (later) geldelijk gewin en macht in het spel is.

Waar leefden ze van? Aan hun gebitten (die worden het gemakkelijkst fossiel gevonden: tanden, kaken, en dan pas schedels en andere botten) te oordelen moeten daar hard voedsel als graszaden en noten een belangrijk deel van hebben uitgemaakt. Daar wijst niet alleen het dikkere tandglazuur op maar ook de geslonken mensapenslagtanden. Voor de verdediging stelden die toch al niks voor en bovendien hadden ze daar hun stenen voor. Maar bij het vermalen van hard voedsel zitten die dingen gewoon in de weg.

Maar naar mijn idee zijn de vellen vanaf het begin een belangrijk artikel geweest. Zoals ik zei lagen die overal op de savanne te slingeren: maaltijdresten van sabeltandtijgers, leeuwen, hyena’s en gieren – in die volgorde, vermoed ik. De vellen waren voor geen van deze aaseters verteerbaar, dus die bleven liggen – voor onze vroegste voorouders! Want voor die vaardige pulkers en schrapers zat er nog genoeg weefsel en vetrandjes aan: proteïnen. Welkom, naast de proteïnen van maden en wormen en eieren en klein gedierte dat ze naast het plantaardige hoofdvoedsel wél konden verzamelen. Bovendien hielden ze na het schoonschrapen ervan, met een steenscherf of een schelp, er nog een handige draagtas of een windscherm of takkenhutbedekking of een ‘hangmat’ aan over. De vellen waren hun eerste en enige rijkdom.

Hiermee zijn het dan nog steeds op twee benen lopende, vreedzame en door vrouwen gedomineerde groepen mensapen. Hominiden, maar geen mensen. De belangrijkste ‘professionalisering’ komt nu.

(gebaren)taal

Chimpansees en andere mensapen maken binnen hun communicatie veelvuldig gebruik van gebaren. En menselijke gebarentaal maken ze zich betrekkelijk gemakkelijk tot op zekere hoogte eigen.

Dat mensapen dat vermogen in het wild nimmer tot gebarentaal uitgebouwd hebben, komt doordat hun mensapencommunicatie ( ‘kretologie’, gebaren en lichaamstaal) volkomen toereikend is voor hun aan de kost komen, dus ze missen de aandrang om er meer van te maken. Daar komt bij dat hun leefomgeving er niet toe uitnodigt: visuele gebaren in een duister regenwoud met kort zicht werken daar niet echt. Kreten wel. Zoals ik zei, dit is slechts een bijkomstigheid.

De hominiden leefden in een veel lichtere, en tegelijk gevaarlijkere omgeving, waarin je maar beter géén lawaai kon maken. En vooral: hun foerageren was vele malen gecompliceerder geworden. Er was eten genoeg te vinden op die open terreinen, maar je moest er heel wat meer voor weten. De behoefte om met elkaar over de dingen te communiceren en aan jongeren kennis door te geven was zo dringend dat het niet kon uitblijven dat de vrouwen de dingen die ze bedoelden, met hun door de tweebenigheid ‘handig’ geworden handen met die tien vingers gingen uitbeelden. Water, een bepaalde plant of een bepaald dier of een handeling of een plek, noem het maar op. Voor alle dingen die in hun foeragering belangrijk waren, ontwikkelden ze gebarencodes.

De groepen waarin deze ingeslopen gewoonte het uitgebreidst vorm kreeg, deden het door hun verbeterde communicatie en de mogelijkheid tot onderling overleg beter en zo deed ook hierin de natuurlijke selectie z’n werk. De gebarentalige groepen overvleugelden de achterblijvers getalsmatig, zo niet fysiek. Zo zijn we The Symbolic Species[15] geworden. Dat we ook dat al een beetje in ons hadden demonstreerde Viki, het ‘chimpansee-kind’ van Keith en Cathy Hayes omstreeks 1950. Wanneer Viki zin had in een autoritje scheurde zij de foto van een auto uit een tijdschrift en overhandigde die met een betekenisvolle blik.

Meer apen- en mensapensoorten hebben tegelijk met onze vroegste voorouders de overstap naar het savannenbestaan moeten maken. De paleontologen vinden voortdurend hominide fossielen waarvan vele zeker niet op onze voorouderlijn te plaatsen vallen en de overige twijfelachtig. Voor ons Verhaal is dat van weinig belang. Dat onze vroegste voorouders bonobo-achtige mensapen waren is voor geen serieuze paleoantropoloog een vraag, dus die lijn is er. Zonder ons verder veel van fossielen aan te trekken (natuurlijk is voor mij elke publicatie van een nieuwe vondst een feestdag) noemen wij ónze mensapenvoorouders VOBO’s (voorouderbonobo’s), hun australopithecine (AP) nakomelingen VOAP’s en Homo Erectus-nakomelingen daarvan HE’s. De laatste Europese zijtak-HE’s, de Neanderthalers, heten hier NT’s. De werktuigtechniek van de Afrikaanse HE-tak waar wij, hedendaagse mensen, van afstammen, heet in de literatuur Middle Stone Age, dus die noem ik MSA-mensen. Hun nakomelingen, onze naaste voorouders, worden Anatomisch Moderne Mensen genoemd, dus heten ze hier AMM’s.

Waar u mij niet op zult betrappen is het toeschrijven van menselijk gedrag aan het gekregen hebben van grotere hersenen. Iets wat vrijwel alle auteurs strijk en zet doen. Maar dat is wel ‘de omgekeerde wereld’! Eerst flink trainen, dan grotere spierballen, en niet andersom. Waarom dan bij grotere hersens wel andersom? Niks daarvan. Eerst menselijk gedrag, en dan pas verschijnen geleidelijk hersenen die aan dat gedrag zijn aangepast. Hominiden zijn met kleine hersenen het vuur gaan gebruiken en zich buiten de tropen gaan verbreiden, zoals de recentste aanwijzingen (Dmanisi, Flores) laten zien. Ook de vroege HE’s (Homo erectus- mensen) hadden nog relatief kleine hersenen en toch maakten ze al prachtige vuistbijlen. Hersenen verklaren niks en behoren tot het achteraf-gepraat. Hetzelfde geldt voor gen-mutaties: gemakkelijke verklaringen voor luie paleontologen.

taligheid

Niet zo veel bijzonders, die gebarencodes, zou u kunnen denken. Zijn het nog steeds mensapen, al lopen ze op twee benen en al zijn vooral hun vrouwen veelvuldig met elkaar aan het gebaren uitwisselen.

Maar nu komt de ‘serendipiteit’. Die gebaren zijn namen voor de dingen. Het is noemen van de dingen. Het noemen van een sabeltandtijger is het grijpen van de tijger terwijl er helemaal geen tijger te bekennen is.

Het noemen schept afstand tussen de benoemer en het benoemde. Het kunnen noemen van iets of iemand geeft een beetje een gevoel van macht over dat- of diegene. Wanneer we ons niet goed voelen en we gaan bang naar de dokter en die zegt: o, u hebt dit of dat, dan zijn we alleen al opgelucht doordat het een naam heeft[16]. Dan zal er ook wel kruid tegen gewassen zijn.

Het beschikken over namen voor de dingen doet iets met een dier. Het schept een gevoelsmatige afstand tussen de benoemer en de/het benoemde. Er komt licht tussen het benoemende individu en zijn omgeving, tussen subject en object. Het komt er een beetje los van te staan.

Dat is een volslagen nieuw fenomeen in de natuur: een dier dat op een totaal nieuwe en andere manier in het leven staat. Voor het eerst een dier dat kan ‘objectiveren’.

De afstand die het benoemen schept, doet de dingen voor ons gevoel ook geweld aan, betekent een aantasting. Jane Goodall drukte dat gevoel, toen ze met Wim Kayzer in zijn serie “Over de schoonheid en de troost”’ in gesprek was, heel goed uit toen ze het had over een insect dat op haar arm was komen zitten.

Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Ik wist zeker dat het nog nooit beschreven is. Als chimpansees naar zo’n vlieg kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord <vlieg>. Ze kennen zonder twijfel het concept <vlieg>, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te vragen wát het is. Ik kreeg het gevoel dat het besef <dit is een vlieg> iets afdeed aan de schoonheid of het ondergaan ervan. Ik stelde me voor hoe het zou zijn als ik het woord <vlieg> losmaakte van het insect op mijn arm.

Ik keek nu naar het wezen op mijn arm zonder er een benaming aan te verbinden. Een wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde… En toen was er alleen een gevoel van ontzag en verwondering over de evolutie van het leven waar we beiden een product van waren.

Bij tal van primitieve culturen mag je een volwassene niet zomaar bij zijn naam noemen: aantasting van diens integriteit. Bij de Joruba mag je de naam van de tijger niet hardop uitspreken want dan zal hij je diezelfde dag nog opeten. Als de Merapi onrustig wordt, zwijgt in de desa Paten, aan zijn voet gelegen, jong en oud[17]. De Merapi mag niet horen dat hem over hem praat: hij eist respect. De Joden mochten hun God ook niet bij z’n naam noemen. Repelsteeltje danste ook vrolijk zingend rond omdat niemand zijn naam kende en dus niemand vat op hem had. Als de juffrouw voor de klas de namen van de bengels kent, scheelt dat een stuk voor de grip die ze op hen heeft.

Alle groepsdieren beschikken over een soorteigen communicatie waarmee ze ‘voeling’ met elkaar houden: mieren, bijen walvissen, ganzen hoog in de lucht, noem maar op. Honden tonen wel tien verschillende ‘signalen’ met hun staart. Chimpansees kennen 15 verschillende stemgeluiden waarmee ze iets communiceren. Dat zou je dan ook, met enige goede wil, namen voor dingen kunnen noemen. Vijftien verschillende? Dat schiet niet echt op. Wezenlijk voor ons taalvermogen is dan het in principe eindeloze aantal namen voor de dingen: onze woordenschat. Het feit dat onze voorouders álle dingen in hun wereldje onder woorden zijn gaan brengen, maakte dat ze in een benoemde wereld zijn komen te leven. Dat, en alleen dat, heeft hen anders dan alle overige soorten in het leven doen staan.

Het geeft namelijk ook (een gevoel van) macht over de dingen. Daardoor heeft het hen van een onbeduidend en bang troepje mensapen, als ‘vreemdelingen’ op de grasgebieden van de savannen rondsluipend, doen uitgroeien tot de soort die nu heel de Aarde bevolkt en de natuur steeds meer aan zich onderwerpt.

Want een naam voor een ding kun je zien als een soort handgreepje aan het ding, waarmee je het kunt vastpakken en overhandigen aan je mede-gebarentalige. Ze waren de eerste (en enige) dieren geworden die het met elkaar konden hebben over iets wat niet in de omgeving waarneembaar was, maar ver weg, of op een ander tijdstip in het seizoen, of in het verleden of de toekomst.

Ze waren de eerste (en enige) dieren die ervaringen en kennis konden doorgeven aan de jongere generatie: opstapeling van kennis en ervaring, de jongeren konden verder gaan dan waar de ouderen gebleven waren.

Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je heel wat problemen de baas. Eén hooligan is maar een bang knaapje, maar voor een hele meute hooligans doet de ME-er het in z’n broek. Onze vroegste voorouders werden de hooligans van de savanne.

We hadden het over de woordenschat. Hoe kunnen wij een in principe oneindig aantal namen voor de dingen, dus een woordenschat, maken? Doordat we over fonemen beschikken. Fonemen zijn de bouwstenen waarmee we de woorden maken, zeg maar de letters van het alfabet. Een f betekent niets, een o of een n of een ee of een m evenmin, maar je kunt er wel <foneem> of <om neef> of <of meen> of <een mof> mee maken. Het Nederlands kent 45 verschillende taalklanken (fonemen); dat getal varieert onder de verschillende talen.

Maar … we hadden ons taalvermogen toch met gebarentaal tot ontwikkeling gebracht? Wel.

Ook gebarentaal kent deze bouwstenen: cheremen. En zeker zoveel als de spraakklankentalen fonemen hebben. Het ASL bijvoorbeeld (American Sign Language) heeft 52 betekenisloze handconfiguraties, handplaatsingen en handbewegingen. Negentien handconfiguraties (bijvoorbeeld de wijzende hand), twaalf handplaatsingen (bijvoorbeeld de wang) en vierentwintig handbewegingen (bijvoorbeeld op en neer): de bouwstenen voor een eindeloos aantal gebarenwoorden. De wijzende hand betekent één woord. Wanneer hij bij de wang gehouden wordt, een ander woord en wanneer hij bij de kin gehouden wordt, weer een ander woord.

Dat ik het ontstaan van onze taligheid laat beginnen met gebarentaal wijkt af van wat taalkundigen menen. De taalkundigen volgen de opvatting van Darwin. Die wilde niets weten van de gebarentaal als oorsprong voor ons taalvermogen. Hij had daar verder geen argument voor, maar denkers vóór hem hadden hierover dermate fantastische theorieën gedebiteerd[18] dat hij zich daar kennelijk mee niet wilde encanailleren.

De opvatting van de gebarentaal als oorsprong van ons taalvermogen wordt vandaag echter ondersteund door een groeiend aantal andere wetenschappers: Hewes, Corballis, Fouts, Stokoe en onlangs Jared Diamond.

Taalkundigen (net als filosofen beperken die zich strikt tot hun vakgebied en schuwen de synthese waar vooral de sociobiologen erg voor pleiten) huldigen ook een merkwaardige opvatting over wat nu zo bijzonder is aan ons taalvermogen. Het zijn de grammatica en de syntaxis die de menselijke taal zo bijzonder maken, stellen ze. Vergeleken bij de taal van andere dieren misschien? Bijen? Walvissen? Ik weet niet wat ze allemaal denken maar het moge toch duidelijk zijn dat geen enkele andere soort namen voor de dingen heeft ontwikkeld, daarmee gevoelsmatige afstand heeft kunnen nemen van de natuur en zo van een volstrekt ‘onzichtbaar’ ondersoortje in Afrika heeft kunnen uitgroeien tot de meesters der aarde. Alle dieren zitten bij ons in de dierentuin en nergens is het andersom. Door onze grammatica en syntaxis? Grammatica en syntaxis zijn een onvermijdelijk bijproduct van taalgebruik, maar mentaal of cognitief doet dat niks.

Waarom gebarentaal, en niet gewoon uitbreiding van de mensapen-’kretologie’, zoals de taalkundigen maar ook de meeste paleontologen veronderstellen? Chimpansees kunnen behoorlijk schreeuwen en loeien en bonobo’s keffen de hele dag opgewonden als een roedel hondjes. Gibbons zingen zelfs!

Twee dingen. De mensapenkreten komen vanuit het limbische systeem, een primitief hersengedeelte. Ze hebben daar geen controle over[19], evenmin als wij wanneer we bij het timmeren op onze duim slaan. Ons práten (niet zo’n angst/pijn-kreet slaken) wordt aangestuurd vanuit de prefrontale cortex, de hersenschors dus. Ten tweede leent het mensapen-stemapparaat zich totaal niet voor het vormen van spraakklanken: te dunne tong en te weinig keelholte. Experimenten om ze te leren praten leidden natuurlijk tot niks, maar die met gebarentaal lukten prima!

Zelfs Neanderthalers (NT’s) schijnen nog niet over de stemapparatuur van de anatomisch-moderne mens (AMM, de variant waar alle hedendaagse mensen van af stammen) beschikt te hebben. Maar, heel opmerkelijk, ze hadden dan wel veel grotere en grovere handen dan de moderne mens, hun polsgewrichten moeten heel wendbaar en soepel geweest zijn[20]. Dat heeft een anatoom opgemaakt uit de bestudering van de skeletresten van de ‘Oude man van La Chapelle”, het meest complete gevonden fossiele NT-skelet. Nu moet ik nog uit zien te vinden of gebarentaalsprekers inderdaad ook soepelere polsgewrichten hebben dan spraaksprekers.

Want ook de gebarentaal wordt neurologisch ‘aangestuurd’ vanuit de prefrontale cortex waar onze taalcentra zich bevinden, en met name vanuit het gebied van Broca. . Niet alleen de tong maar ook de fijne hand- en vingerbewegingen worden vanuit dit hersengebied in beweging gezet.

Hoe maken de taalkundigen en paleontologen, überhaupt alle geleerden die zich niet afvragen hoe wij van apen zulke bijzondere dieren geworden zijn, zich af van het probleem van het onvermogen van zelfs de NT’s om spraakklanken voort te brengen? Door eenvoudigweg onze vroege voorouders ieder taalvermogen te ontzeggen! Pas vanaf 100.000 jaar geleden, dus vanaf dat ze AMM’s werden, zo beweren ze, kunnen de eerste mensachtigen praten en worden daardoor mensen…

Ik heb alweer twee redenen om eigenwijs te zijn.

De behoefte aan meer communicatie en dus de aandrang om de dingen met de hand weer te geven was er vanaf het begin. Dus de vroegste VOAP-populaties communiceerde al met gebaren, zo beweer ik glashard. Natuurlijk begon dat met vrijwel niks en ze trokken er miljoenen jaren voor uit om het van niets tot een beetje te maken. Maar de VOAP’s werden erdoor gevoelsmatig een beetje los van hun omgeving geslagen. Losgezongen proto-hooligans! Twee miljoen jaar geleden waren ze blijkbaar al zo talig dat ze toen hun angst voor het vuur opzij hebben weten te zetten. Over de vuurbeheersing hebben taalkundigen het dan ook nooit en paleoantropologen zelden!

het vuur

Toch is het ’t gaan gebruiken van het vuur geweest – in plaats van er zoals een normaal dier doet, er in paniek voor op de loop te gaan – dat onze vroege voorouders een ‘sprong voorwaarts’ heeft doen maken op weg naar ons-nu. Dat moet ik uitleggen

Tot op dat moment was de communicatie van de VOAP’s beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen en opeten ervan tegen de avond in het overnachtingsbos van die dag. Maar dan moest ieder al gauw een boom in om zich een slaapplatform te vlechten, want de schemer duurt maar kort in de tropen.

Met het kunnen aanleggen van een kampvuur (van een meegedragen kooltje uit het vorige kampvuur, in een rondgezwaaide runderhoorn) konden ze urenlang dansend/zingend hun ervaringen en gevoelens uitwisselen, net zo lang tot de een na de ander zich in zijn dierenvel te rusten had gelegd.

Dansend/zingend? Hun communicatie was voornamelijk gebarentalig. Hun stemgeluiden deden ondersteunend mee, net zoals het nu voor ons net andersom is. Gebarentaal is lichaamstaal, je gebruikt er behalve de mimiek van je gezicht en je handen en armen je hele lichaamshouding bij. En het ging aanvankelijk vooral om gevoelens, emoties. Dus daar krijgt het limbische stemgeluid alle kansen bij.

Elke avond in ieders leven werd op deze manier rond het kampvuur doorgebracht. Hun levens draaiden om die uren elke avond rond het kampvuur. Natuurlijk waren oudere vrouwen daarbij ook doende met het bewerken van de buitgemaakte vellen, nog steeds hun belangrijkste rijkdom. En de mannen met hun wapentuig. Maar de kinderen deden in deze uren hun belangrijkste kennis op.

Dat ze rond 2 mjg het vuur zijn gaan gebruiken wam prima uit want het was toen net nog koeler en droger gaan worden. De regenwouden hadden zich nog verder teruggetrokken richting evenaar, de savannen waren woestijnen geworden en hun overnachtingsbossen waren verdwenen. Niet ondenkbaar dat er verband is tussen het een en het ander.

Het vuur gaf hen ook een fysieke macht over hun mededieren, hoe groot en woest die ook waren. Hun kampvuren hielden de roofdieren ’s nachts uit de buurt, maar ze konden er ook hele kudden mee in een gewenste hoek drijven. Met het vuur ze konden ze de tropen verlaten en naar koelere streken migreren. Vanaf dan noemen we hun soort Homo erectus.

Het gaan gebruiken van het vuur laat ik ook erg vroeg beginnen. Maar wederom met twee argumenten. Het eerste is het hiermee kunnen verklaren van dat plotselinge (in het fossielen-archief) verschijnen – de paleontologen gaan daar achteloos aan voorbij – van die grotere gestalten. Het tweede is de vondst van heel oude ‘schalen’ van gebakken aarde, door Jack Harris van de Rutgers Universiteit (New Yersey) in Koobi Fora blootgelegd, die een lang aangehouden vuur (i.t.t.een natuurlijke tijdelijke brand) in de grond achterlaat en die tamelijk nauwkeurig te dateren zijn: 1.6 miljoen jaar oud.

Reken maar dat er heel wat generaties liggen tussen het eerste wegslepen door een angstige hominidenvrouw van een brandende tak en die op een veilige plek gaan ‘voeden’ met droge takjes – en het alledaagse kampvuur. Het maken van een vuur in plaats van het te ‘lenen’ van elkaar of van een natuurlijke brand is misschien van een veel latere datum. Maar de savannebranden en vulkaanuitbarstingen leverden voor die beginners vuur genoeg.

Toegegeven, niemand van ons was er bij. We moeten het allemaal zo aannemelijk mogelijk bij elkaar denken. Ik construeer hier een zo waar mogelijk Verhaal. Wanneer zich een evidentie aandient welke een speculatie onderuit haalt, is het nog tijd genoeg om het scenario bij te stellen: we zitten er niet aan gebakken. Maar die mogelijkheid mag er ons niet op voorhand van weerhouden om een zo goed mogelijk scenario op te stellen om er dingen mee te kunnen verklaren. Zoals waarom wij Verhalen nodig hebben om ons leven en ons samenleven structuur te geven.

Door de uitbreiding en verbetering van hun menu door het kunnen koken/braden werden ze in betrekkelijk korte tijd ook groter van gestalte. Ze werden HE’s. Het oudste en tamelijk complete HE-skelet is dat van Nariokotome Boy, gedateerd op 1.6 mj oud. Die zou als hij volwassen had kunnen worden, wel 1.80 lang hebben kunnen worden.

Met het vuur konden ze zich ook buiten de tropen gaan verbreiden. Zich succesvol in de meest uiteenlopende klimaten door heel Eurazië en de Indonesische archipel verbreiden en zelfs eilanden bevolken die nooit via een landbrug bereikbaar zijn geweest[21], is echt niet zonder een talige communicatie mogelijk. Ook niet met het vage begrip mimesis zoals Merlin Donald in Origins of the Modern Mind (Harvard U.P.1991) tracht aan te voeren (daar vader Darwin immers de gebarentaal verbood). Voor mijn beide redenen kan ik naar weinige maar gerespecteerde auteurs verwijzen.

Merlin Donald, en met hem het merendeel der evolutionair-antropologen dat te weinig literatuur over mensapen tot zich neemt, ontzegt onze vroege voorouders het vermogen tot symbolisch gedrag. Taalvermogen, het beschikken over namen voor de dingen, is een vorm van symbolisch gedrag, het hanteren van symbolen bij het communiceren van wat je bedoelt. Dat vermogen ontbrak volgens de meeste geleerden tot nu toe bij onze vroege voorouders te enen male.

Tegenover al deze auteurs wijs ik, behalve op het voorbeeld van Viki dat ik al genoemd heb en dat ik met tientallen andere voorbeelden van gedrag van mensapen in gevangenschap zou kunnen aanvullen, op veldonderzoeker Craig Stanford Significant Others. The Ape-Human-continuum. (N.Y. 2001). Als chimpansee-mannen aan een vrouwtje duidelijk willen maken dat ze met haar willen paren, ‘rammelen’ ze met de takken van een struik terwijl ze strak naar haar kijken, terwijl ze in een andere ‘cultuur’ een tak afbreken en daar een voor een de blaadjes afpellen of, in weer een andere cultuur, niet de blaadjes afpellen maar er met de andere hand in gaan ‘vlooien’ (ik wil jou vlooien). Ander voorbeeld. Wanneer een bonobo zijn groepsgenoten te kennen wil geven dat ze nodig naar een bepaalde volgende vruchtboom moeten verkassen willen ze die niet al half leeggegeten door de mangabeys aantreffen, gaat hij met een grote tak in de bedoelde richting lopen slepen. Onmiskenbaar symbolisch gedrag en dat valt met veel meer voorbeelden aan te vullen. Waarmee maar gezegd wil zijn dat ook ons menselijk symboolgebruik al rudimentair in ons mensapenstadium aanwezig was en dat onze bonobovoorouders ook dat ‘geprofessionaliseerd’ hebben. Noodgedwongen.

Een ander menselijk vermogen, de intentionaliteit, geleerd woord voor het kunnen communiceren over iets buiten het individu, het iets kunnen ‘bedoelen’ dus, wordt eveneens aan onze vroege voorouders ontzegd. Maar ook dat kunnen chimpansees al.

Yeroen zag dat de laag in rang staande Dandy de die dag in de oestrus zijnde Moniek het hof maakte. Alfa-man Nikkie die naast hem een beetje zat te dutten, had niets in de gaten en dus gromde Nikkie een paar keer en stootte Nikkie aan. Toen deze wakker schrok en Yeroen vragend aankeek, knikte deze in de richting van het frivole stel en Nikkie kwam terstond in actie.

(Frans de Waal, Chimpansee-politiek)

En zo kan ik meer voorbeelden noemen van zeer geleerde lieden die ten onrechte dingen poneren omdat ze zich onvoldoende buiten hun discipline (kunnen) oriënteren.

Voor de ontwikkeling van de proto-gebarentaal van de VOAP’s naar de echte gebarentaal van de HE’s verwijs ik graag naar het begin van het schrift.

Zo’n tienduizend jaar geleden leefden in het Midden Oosten steeds meer mensen in boerendorp-samenlevingen. Van de opbrengsten van hun velden, hun vee en hun nijverheid stond elke familie een deel af aan de tempel, ten behoeve van de jaarlijkse feesten, de ruilhandel met andere dorpen en de noodgevallen. De tempelsjamaan moesten, om ‘uitvreterij’ en scheve ogen te voorkomen, bij kunnen houden wat welke familie precies had bijgedragen aan de tempel. De notities werden in de klei van de opslag-urnen gegrift (later werden dat kleitabletten). Die eerste notities waren pure nabootsingen, tekeningetjes. Maar … geen kunstwerkjes, hooguit ‘minimal art’: de weergave was ontdaan van al het niet strikt noodzakelijke voor de herkenbaarheid. Het werden steeds meer gestileerde symbolen.

Welnu, zo ging het ook met de gebaren-nabootsingen: niet uitgewerkter dan het voor de goede verstaanster nodig was. Immers, hoe minder uitgebreid elke gebaar-nabootsing, des te meer kun je er binnen een communicatiemoment maken en des te effectiever het communicatiemoment. In een discussie krijg je maar heel even de tijd om je duit in het zakje te doen, dus snelheid is geboden. Ook nu nog hebben we bij ons spreken de hebbelijkheid om overtollige woorden of woorddelen weg te laten vallen.

De eerste door de VOAP-dames handgebaarde codes waren nog pure nabootsingen van wat bedoeld werd. Het Sumerische schrift (oudste van de mensheid) bestond uit ‘pictogrammen’: simpele voorstellingen van het bedoelde. Zo betekende een eenvoudige tekening van een hoofd gewoon <hoofd> en twee kronkelende lijnen <water>. Maar weldra ging men deze symbolen combineren om iets moeilijkers (althans in schrift!) te bedoelen: <drinken>. De simpele pictogrammen werden steeds schematischer, en alleen nog voor de schrijvers[22] begrijpbaar.

De grote verandering in het Sumerische schrift voltrok zich toen de woordtekens in toenemende mate een lettergreepwaarde en tenslotte een klankwaarde kregen – meestal de eerste klank van het begrip dat het teken aanvankelijk had gesymboliseerd. Het teken voor apis (stier) kwam te staan voor A. Enzovoort. ‘Fonemen’ dus, maar dan voor het vormen van een geschreven woordenschat.

Zo evolueerde de functie van het schrift, aanvankelijk het optekenen van producten, naar het schriftelijk kunnen communiceren van persoonlijke boodschappen, het vastleggen van decreten en wetten, literaire werken, orale overlevering, de heldendaden van de opeenvolgende koningen (geschiedenis).

Dienovereenkomstig denk ik dat het ingang vinden van cheremen de grote doorbraak in de gebarentalige communicatie van onze vroege voorouders heeft betekend en dat dit hen tot talige wezens heeft doen worden. Vier miljoen jaar ‘pictogrammen’-gebaren, en dan, twee miljoen jaar geleden, de cheremen-doorbraak, met als aantoonbaar resultaat het gaan gebruiken van het vuur.

Wij zijn, zowel in ons lichaam als in ons gedrag, wandelende archieven. Dat ons taalvermogen met gebarentaal begonnen is, blijkt uit het feit dat we bij een levendig gesprek nog steeds moeilijk zonder gesticulatie kunnen. De gebaren betekenen eigenlijk niets meer, maar onze gedachtenstroom loopt er nog steeds beter door en de woorden komen er vlotter door los (is gemeten). Vandaar dat we emotievolle telefoongesprekken met gebaren begeleiden. En blindgeborenen (!) gesticuleren volop, ook tegen elkaar, en maken dezelfde soort handbewegingen bij opgegeven spreektaken als zienden.

vrouwen

Het zijn bij mij wel voortdurend de vrouwen die ik het voortouw laat nemen bij de menswording. Ik heb daar zo mijn redenen voor. Neurologen hebben gemeten dat de taalcentra bij vrouwen relatief iets groter zijn dan bij de mannen. Ik denk dat dat komt door de taakverdeling. Vrouwen zorgden voor het eten, mannen voor de verdediging en voor het buitmaken van aas, door een roofdier – wanneer het naar hun oordeel zijn buik al genoeg had volgevreten – van zijn prooi weg te jagen met veel geschreeuw en gesmijt met stenen en knuppels. Als erectus-mannen gingen ze jagen. Bij de jacht moet je je vooral heel stilletjes houden.

Bij het verzamelen juist niet. Daarbij moeten de vrouwen voortdurend lawaai maken, zich laten horen, zodat slangen en ander ongewenst gedierte zich bij hun nadering uit de voeten maakt. Vrouwen lachen wat af als ze met een groep bij elkaar zijn. (We zijn echt wandelende archieven).

Ik denk dat mannen de langste tijd van ons bestaan als aparte soort zwijgzame en rustige achtergrondfiguren zijn geweest, die met bewonderende genegenheid toekeken naar hun bezige en luidruchtige vrouwen. Braaf gevolg gevend aan de aansporing van de vrouwen als die vlees wilden zien. Dan ‘explodeerden’ ze in kortstondige maar enorme lichamelijke activiteit. Om na gedane zaken bij te komen en te herstellen in langdurig nietsdoen en geconverseer met elkaar over de jacht.

Het begin van de IJstijden (de opeenvolging van ijstijdmaxima en warme perioden) heeft de regenwouden van de chimpansees telkens doen inkrimpen en weer uitbreiden. De inkrimpingen veroorzaakten overlevingsgevechten tussen de chimpansee-leefgroepen. De groepen met de meeste gewelddadige mannetjes overleefden. Dat heeft de chimpansees, evenals onze voorouders afkomstig van vreedzame bonobo-voorouders, tot zulke grimmige macho’s gemaakt.

Maar ook onze voorouders zijn, zij het pas in betrekkelijk recente tijden, in een situatie van overpopulatie geraakt. Misschien dat daar de uitvinding van de pijlenboog en het gaan gebruiken van jachthonden mee te maken heeft. Dan krijg je overbejaging. Maar de precieze oorzaken en hun tijdstip zijn nog bepaald niet duidelijk. De overgang van verzamelen/jagen op tuinbouw is vermoedelijk een belangrijk keerpunt, hoewel lang niet alle tuinbouwende populaties machistisch geworden zijn. Maar vele wel. Hoe dan ook, op enig moment en niet al te lang geleden, raakten sommige plekken op de wereld overbevolkt met leefgroepen. Dan krijg je dat de vrouwen gewelddadigheid van hun mannen als een goede eigenschap gaan zien, en deze gaan toejuichen en verwachten. Dan gaan de mannen, die tot dan toe altijd de tweede viool gespeeld hebben, plotseling in hun hoofd halen dat zíj eigenlijk héél belangrijk zijn en dat hún rituelen véél belangrijker zijn dan die belachelijke vrouwenrituelen.

Het machisme, de ‘machtsovername’ door de mannen toen en waar er overpopulatie ontstond en dus oorlog, heeft de vrouwen de mond gesnoerd en de mannen schreeuwlelijkerds gemaakt. De klassenmaatschappij heeft veel mannen tot zwoegende boeren gemaakt, en bij ons heeft de vrije markt het geschetste beeld ook nog behoorlijk veranderd. Maar nog steeds doen overal in de derde wereld de vrouwen het werk terwijl de mannen zich vooral druk maken met toekijken en ouwoeren. Ook op onze ouderwetse familiefeestjes was veel van het geschetste nog steeds heel herkenbaar. Waarmee de oude rolverdeling misschien wel verklaard maar niet goedgepraat en al helemaal niet gepromoot wordt.

Door het DNIWEKGM-feit dat het de vrouwen zijn die er op ‘ingericht’ zijn, zowel fysiek als hormonaal, om de kinderen ter wereld en groot te brengen, staan ze iets anders in het leven dan de mannen die van nature een beetje naast dit proces staan en dat graag aan de vrouwen over laten. De natuurlijke prioriteiten van de vrouw als sekse zijn meer afgestemd op de toekomst van de kinderen, op duurzaamheid dus, dan die van de man als sekse. In vroege fasen van de mensheid voerden de vrouwelijke prioriteiten de boventoon en dat was te merken ook. Als iets ‘werkt’ hoeft het voor vrouwen niet te veranderen. “Als het aan de vrouwen gelegen had”, merkte een feministische filosofe snedig op, “woonden we nog steeds in plaggenhutten!”

Vreedzame, leefbare gemeenschapjes, hoe uiterst primitief ook. En een onmerkbaar trage vooruitgang. Aarts- en oerconservatieve gemeenschappen waarin het doen van de dingen zoals de voorouders het altijd gedaan hadden, de norm was. Cyclusgericht.

Mannen zijn meer voorwaartsgericht, staan buiten de kindverzorging (vrouwenwerk) en hebben dus wat minder met duurzaamheid. Jagen was mannenwerk en dat heeft tal van soorten grote prooidieren tot uitsterven gebracht – daar wordt de menselijke aanwezigheid vaak het eerst aan waargenomen in het fossielen-archief: het plotseling uitsterven van grote prooidieren. Dat is van soorten voedselplanten, van vrouwenwerk dus, nooit waargenomen.

Toen de mannen het voor ’t zeggen gingen, brak het fenomeen ‘vooruitgang’ en ‘verandering’ baan – behalve in de op mannenbelangen afgestemde godsdiensten natuurlijk.

Het ultieme bewijs dat de vrouwen het bij onze soort vanaf de vroegste tijden voor ’t zeggen hebben gehad, leveren de mannen zelf! Vanaf de tijd dat ze vanwege hun gevechtskracht in status gestegen zijn om zich tenslotte van de gemeenschapsrituelen meester te maken, hebben ze zulk extreem en hysterisch gedrag aan de dag gelegd om de vrouwen uit te rangeren dat, wanneer dit gedrag tot onze menselijke natuur zou hebben behoord, we al in de vroegste tijden uitgestorven zouden zijn. Dit rare en onproductieve gedrag is alleen te verklaren als uitingen van de existentiële onzekerheid van de mannen in hun positie van dominante sekse.

Vandaag staat ons samenleven bloot aan ondergangsdreiging vanwege de blinde mannelijke vooruitgang, en wordt het zaak de vrouwen met hun vrouwelijke duurzaamheidneiging het weer voor ’t zeggen te laten krijgen. Dus mannen, op je knieën en laten we ze smeken om het roer weer van ons over te nemen, want wij mannen zijn de boel in het honderd aan het laten lopen en we weten ons geen raad meer.

ontstaan spraakklankentaal

Als erectus-mensen verbreidde onze soort zich tot buiten Afrika en geleidelijk over heel Eurazië. Wanneer een groep te groot werd, kreeg je spanningen en dan duurde het niet lang of een groepje ondernemende jonge vrouwen met hun kinderen en jonge mannen ging een nieuw gebied in gebruik nemen. De contacten bleven behouden, want ze bleven elkaar nodig hebben, voor als hun vuur weer eens uitgegaan was bij een noodweer; of voor grote jachten, feesten, huwelijken. Ze waren nog steeds zeer vreedzaam want de wereld was nog groot en hun aantallen groeiden langzaam[23].

Dat is tot in betrekkelijk recente tijden zo gebleven. De laatste erectus-achtigen in Europa en het Midden-Oosten waren de Neanderthalers (afk. NT’s) die leefden van 125.000 tot 30.000 jaar geleden. Ze communiceerden nog steeds voornamelijk met gebarentaal, al hebben ze zeker kunnen zingen.

Natuurlijk is er altijd een druk geweest om de stem in te schakelen bij het communiceren, ook al leent de apen– en de erectus-keelholte zich niet voor het vormen van fonemen. Je kunt alles uitdrukken met gebarentaal, maar erg praktisch in het donker of met je handen vol is die niet. Geef elkaar maar eens gebarentaal-aanwijzingen bij het manoeuvreren met een grote kast in het trapgat. Waarschijnlijk heeft het dansen/zingen van de scheppingsverhalen de brug gevormd tussen het (vanuit het limbische systeem aangestuurde) stemgebruik en de (neocorticaal aangestuurde) gebarentaal.

In die tijden was er in Afrika een langer en slanker type mensen ontstaan dat de paleoantropologen de anatomisch moderne mens (afk. AMM’s) noemen. Met hun langere nekken en hun daardoor grotere keelholte en met hun bredere tongwortel gingen de AMM’s hun gebaren van steeds meer betekenisdragende spraakklanken voorzien. Of er verband bestaat tussen hun praten en hun vrijere houding ten opzichte van de dingen, daarover valt serieus te speculeren. Zeker is dat die mensen in plaats van alleen steen ook been en hoorn als materiaal voor het vervaardigen van werktuigen gingen gebruiken, zodat ze bijvoorbeeld harpoenen en vishaken konden maken, en naalden. Die zijn van de NT’s niet bekend.

50.000 jaar geleden zwermden de AMM’s ook naar Europa, naar de jachtgebieden van de NT’s dus. De confrontatie moet schokkend geweest zijn. Uit onze sprookjes over kobolden en trollen kun je nog opmaken hoe de AMM’s tegen de NT’s hebben aangekeken. 35.000 jaar geleden leefden de AMM’s al in West-Europa, waar de paleontologen hun fossielen als Cro-Magnon-mensen benoemen. Tegen deze luidruchtige nieuwkomers met hun betere wapens en jachtmethoden, hun fijne genaaide en met kralen en veren en bontranden versierde kleren – en later maakten ze ook grottenschilderingen en beeldjes – konden de NT’s niet op, ze trokken zich steeds verder terug in steeds kleiner wordende en geïsoleerdere territoria, tot ze 30.000 jaar geleden uitstierven. Alle nu levende mensen zijn AMM-mensen[24].

Conclusie uit Deel Twee

Het is door een bijzondere vorm van aanpassing van ónze voorouder-mensapen aan de nieuwe leefomstandigheden op de savannen dat wij, mensen, zulke afwijkende dieren geworden zijn. Het is maar in één populatie begonnen, waarschijnlijk door de toevallige maar erg bruikbare hebbelijkheid van één vrouw om wat ze bedoelde, aan de anderen kenbaar te maken door het uitbeelden ervan met haar handen. Haar medevrouwen begrepen het, namen de gewoonte over en zo verbreidde die zich.

Een catastrofale brand (Enschedé) begint ook maar met één lucifertje. Het had net zo goed niét kunnen gebeuren. Waren we er niet geweest. Staan die UFO-gelovigen en andere gelovigen in Extra-Terrestrial Intelligences nooit bij stil.

DEEL DRIE. DE GEBOORTE VAN GOD

Waarom hebben wij verhalen nodig om ons leven en ons samenleven structuur te geven? Die vraag kunnen we nu gaan beantwoorden.

denken plus ‘namen voor de dingen’ = taligheid

Het gaan gebruiken van het vuur in plaats van er voor op de loop te gaan is het eerste bewijs van de mentale afstand die het gaan benoemen van hun wereld teweeg heeft gebracht tussen onze voorouders en de dingen. Daardoor zijn ze anders geworden dan ze eerst waren en dan alle andere zoogdiersoorten nog steeds zijn.

Hoe anders? Denken kunnen alle hogere zoogdiersoorten. Behalve in de werkelijkheid bestaan voor de dieren de dingen ook in de netwerkjes van hun brein, als voorstellingen, denkbeelden. Met die denkbeelden kunnen ook de dieren mogelijke scenario’s vormen om er dan tot één te besluiten. Hoe effectiever en complexer dat denkvermogen, als des te hoger of intelligenter beschouwen wij die soort.

Het bijzondere van de namen voor de dingen nu is dat bij de hominiden aan hun denkbeelden een gebarenwoord (later een spraakklankenwoord) is gehecht, als een soort communicatief handvat. De VOAP-vrouw hoefde geen steen meer op te pakken of er naar te wijzen of te kijken als ze een steen bedoelde in haar communicatie met haar dochter: ze greep de steen met de in haar leefgroep gebruikelijke gebarencode voor <steen>. Haar mentale voorstelling van <steen> (haar denken aan een steen, haar beeld van een steen, gekoppeld aan de gebarencode ervoor) kon ze aanreiken met dat communicatieve handvat, de gemeenschappelijke gebarencode. Ze kon er de steen <steen> mee noemen. En zo kon ze vele honderden planten, dieren en handelingen noemen en er over van gedachten wisselen: die codes zaten allemaal in haar neocorticale netwerk, niet alleen als voorstelling zoals bij de overige dieren, maar gekoppeld aan de serieel geschakelde spieraansturingscommando’s die haar er de juiste gemeenschappelijke gebarencode voor lieten maken.[25]

In haar linker hersenhelft. Waarom de linker hemisfeer? Chimps schijnen bij gebaren (bedelen bijv.) een lichte voorkeur voor de rechterhand aan de dag te leggen, maar voor boomfoerageerders heeft een handspecialisatie geen nut omdat het voedsel zich aan alle kanten rondom hen bevindt.

Bij de foeragerende hominidenvrouwen is er een evidente handvoorkeur ontstaan. Volgens mij omdat het hart bij de meeste mensen links klopt. Pasgeborenen hebben nog geen idee dat ze niet langer een eenheid met de moeder zijn en voelen zich het prettigst op de plek waar ze de vertrouwde hartslag nog gewaar worden. Dus droegen de foeragerende vrouwen hun baby met de linkerarm (mensapenvrouwen dragen hun kind op de rug) en foerageerden én communiceerden vooral met hun rechter. Vandaar dat de ‘taalcentra’ ook bij ons vooral in de linkerhersenhelft zitten. Die zijn bij vrouwen relatief iets groter dan bij mannen, wat er op zou kunnen wijzen dat de gebarentaal in eerste instantie vooral een vrouwenbezigheid is geweest, zoals ik in het voorgaande al theoretiseerde. Bij mannen gold die ‘hartslag’-voorkeur uiteraard niet. Vandaar het nog behoorlijk grote percentage linkshandigen (bijna 20%).

Als het taalgebruik aanvankelijk vooral een vrouweneigenschap was, is dat ook een elegante verklaring voor het feit dat vrouwen meer linkerhersenhelftmensen zijn (verstandelijker, meer de bomen ziend dan het bos; ze kunnen ook veel beter zoeken, dingen ‘spotten’) en mannen meer rechterhersenhelftmensen (dromers, meer het bos ziend dan de afzonderlijke bomen). En voor het feit dat de meisjes het op school nog beter doen dan de jongens (die doen het ook goed genoeg, hoor). En voor het feit dat je een verhaal als dit van een man te horen krijgt en niet van een vrouw.

De oudste stenen werktuigen laten al de voorkeur voor de rechterhand zien en in HE-schedels tekent zich in de linkerhemi al een iets vergroot gebarentaalgebiedje af.

Er moet een moment gewest zijn waarop hun handelen niet langer voornamelijk door aangeboren instincten werden aangestuurd, hun keuzen bij het denken niet langer uitsluitend door gewoonten werden ingegeven, maar waarop deze meer en meer het resultaat werden van hun onderlinge overleg en van het innerlijke ‘algebra’ met begrippencodes (redeneren). Immers, de ontwikkeling in deze richting ging maar door en je kunt geen twee aansturingen van je handelen tegelijk gebruiken, geen twee kapiteins op het schip van je gedachten. De ontwikkeling van het benoemen van steeds meer dingen ging onstuitbaar door en dat ging ten koste van hun instincten: die moesten ze onderdrukken. Ze sloegen als dieren een hachelijk pad in dat hen uit het paradijs van de dierlijke instinctzekerheid voerde. Ze kwamen steeds meer te leven in een benoemde wereld. Ze kregen een talig bewustzijn, waarin de dingen er pas zijn wanneer je er een naam voor hebt. We zitten nog steeds op dat pad en daar kunnen we nooit meer af. We kunnen maar één kant op: die van de ratio, van het steeds beter gaan begrijpen van de dingen. We zijn talige wezens geworden.

Een dramatische overstap. Wel de dierlijke instinctzekerheid kwijt, maar een nog zeer tekortschietend talig bewustzijn. Ze waren overgestapt op het begrijpen van de dingen maar ze snapten er nog weinig van. Een ezel tussen twee hooibergen komt echt niet om van de honger, die begint gewoon te eten. Mensen kennen die twijfel wel. Alles wat je niet begrijpt, beangstigt je. Angst en twijfel werken verlammend, daar kun je niet mee leven. Hoe zijn onze voorouders daar mee omgegaan?

Ze zijn de groeiende onzekerheid meteen gaan bestrijden met twee zekerheidsverschaffende mechanismen: herhalingen en geloven.

Herhalingen: repeterende bewegingen en geluiden, dansen/zingen, ritme. Maar ook: de dingen doen zoals ze altijd al gedaan werden: tradities, gewoonten, gebruiken.

Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag zou willen dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zegt dat ze zijn. Met ‘juistheid’ heeft geloven weinig van doen; iemand hoeft het maar ‘goed te kunnen brengen’ en je gaat er aan geloven – temeer als je, door welke oorzaak dan ook, simple-minded bent.

Geloof in magie, in magische (‘krachtig werkende’) handelingen en rituelen. Geloven dat de dingen-buiten-je net zo zijn als je zelf bent (­antropomorfisme: de ezel tussen twee hooibergen, of: smijten met je racket na een gemiste bal) of dat je zelf net zo bent als de overige denkende wezens (totemisme: het je zelf of je clan zien als afkomstig van een bepaald dier of een bepaalde plant en dus als behorend tot dezelfde soort als dat totem-organisme, of: “je bent een rund als je met vuurwerk stunt’). Geloven dat de dingen denken zoals wij, dus een geest hebben (animisme, of: “mijn oude Volvo heeft gisteren de geest gegeven”). We hebben nog heel wat animisme in ons spraakgebruik en ons doen en laten. Ook de veelgeroemde spiritualiteit is een animistische variant van het geloven spiritus=adem=geest, anima=ziel=geest). De meeste primitieve groepen geloven in meerdere zielen bij elk individu; de Yanomamö onderscheiden er zeven en sommige andere volkjes kennen er wel meer.

Geloven is het aanvaarden van de dingen en staat haaks op het (willen) begrijpen van de dingen, op ratio. Je gelooft waar het begrijpen tekortschiet. Je vult het beangstigende gat van niet begrijpen op met je geloof. Andersom: waar we gaan begrijpen moet het geloof wijken. Geloof is als een warme jas: beschermt je tegen de kou van beangstigende onwetendheid, maar wordt benauwend bij inzicht en dan trek je hem vanzelf uit. Want denk er om: een gelovige kan alleen zichzelf bekeren tot de ratio en dat is altijd een eenzaam ‘gevecht met de Engel’.

Het conservatisme, het star vasthouden aan traditie, was het sterkst in de begintijd van het talig worden van onze vroege voorouders. Het moet een beangstigende ervaring geweest zijn voor hen, dat ze hun dierlijke instinctzekerheid aan het kwijtraken waren terwijl ze nog maar zo weinig van de dingen begrepen. De HE’s zijn befaamd onder de paleo’s vanwege het (voor de paleo’s) onbegrijpelijke feit dat die in langer dan een miljoen (!) jaar geen enkele verandering of verbetering in het ontwerp van hun vuistbijlen hebben laten zien. Toen ik vorig jaar met een kameraad een archeologische site in België bezocht, waar de paleo ons twee lagen liet zien waarin de NT-kampplekken hadden gevonden (de oudste laag was van 130.000 jg en de jongste van 33.000 jg) vroeg mijn vriend of er een ontwikkeling in techniek te zien was in de werktuigen. “Geen enkel verschil!” was het antwoord. “Doe je klep dicht, Ruud”, zei ik een minuut later, want zijn mond stond nog steeds open. En toen probeerde ik het hem uit te leggen, maar het is wel een beetje een lang verhaal zoals je begrijpt, dus dat gaf ik weldra op: ander keertje maar.

Dat het benoemen van een ding (een gevoel van) macht geeft over het ding, daar kan ieder genoeg voorbeelden van bedenken (naam kennen van dat ettertje in de klas dan wel zijn naam niét kennen; weten ze je naam en adres of niet? Repelsteeltje!) en dat heb ik al aangevoerd als verklaring van het gaan gebruiken van het vuur. Maar het houdt ook een aantasting ervan in, zoals de beleving van de vlieg door Jane Goodall illustreerde en die andere voorbeelden op p.16.

De overstap op talig bewustzijn door onze voorouders heeft grote gevolgen gehad, niet alleen voor onze eigen manier van in het leven staan, maar ook voor al het overige leven naast het onze. Voor het eerst in de drie en een half miljard jaar van het bestaan van het leven op de aarde en van zijn (vooral aanvankelijk zo trage) evolueren ontstond hiermee een levensvorm die er zich van losmaakte, althans gevoelsmatig. Die het leven niet alleen ging begrijpen maar die er ook steeds drastischer in ging ingrijpen. Wat zeg ik? Voor het eerst in de 13.5 miljard jaar van het bestaan van het heelal heeft heelalmaterie zulke complexe vormen aangenomen dat die een eigen leven ging leiden. Nietwaar, mijnheer Chaisson? (Hij knikt).

We zijn erdoor een levensvorm geworden die een mentale maar daardoor ook steeds meer instrumentele macht over de dingen kreeg. Hoe heet die curve ook weer? Hij begint heel lang heel vlak maar dan gaat ie als een raket omhoog. Eenparig versneld, exponentieel. Zo begon het leven, zo begon ons taalvermogen, zo begon ons talig bewustzijn.

Behalve het begrijpen van de dingen is ook het vermogen om complexe gedachtenscenario’s met elkaar te kunnen uitwisselen een machtig instrument. Twee weten meer dan één en met een brainstorm kunnen mensen vrijwel elk probleem de baas. Dat is het wat een groep hooligans zo angstaanjagend maakt. Het is de opeenstapeling van een boel individuele intelligenties (vindingrijkheid). Lenny Bruce zei eens over het publiek: “As an individual they might be stupid but as a group they are a genius”. Een beursman zei: “Elke afzonderlijke belegger weet maar heel weinig, maar tezamen demonstreren beleggers, door het herwaarderen van economisch gevoelige aandelen, iedere keer weer over een goede vooruitziende blik te beschikken.” (Volkskrant 6 nov.’98) (Ja, maar als individuen stinken de meesten er toch telkens weer in! ) Verkiezingen werken ook zo, hopelijk.

Verlichtingsdenker Montesquieu zag het toen al: in een vrije (!) samenleving komen goede beslissingen niet ondanks maar dankzij de veelheid van meningen tot stand. Het is, zo stelde hij, niet zozeer van belang of de individuen allemaal goed argumenteren maar dát ze argumenteren. Adam Smith zag in dit collectieve weten de ‘onzichtbare hand’ van de markt.

Zo beschouw ik de hedendaagse wetenschapsbeoefening als een bouwen aan ons ‘collectief bewustzijn’: al die honderdduizenden ambitieuze wetenschappers aan al die instituten over de hele wereld, die elkaar vliegen proberen af te vangen en op elke slak van een ander zout proberen te leggen en daar steeds ingenieuzere apparatuur en computerprogramma’s voor bedenken, die doen als nijvere mieren het werk, veelal zonder overzicht over het grote geheel, dus zonder idee waar ze eigenlijk mee bezig zijn: het vergroten van de afstand tussen ons en de natuur. De Engelse schrijver Peter Watson stelt zelfs dat ze hiermee werken aan het nieuwe Grote Verhaal voor onze vrije markt-samenleving; daar heeft hij wel gelijk in maar we zullen er toch nog wat voorwaardenscheppend werk voor moeten gaan doen, u en ik.

Een ander dramatisch aspect van de overstap op een talig bewustzijn is dat het met niets begon. Ons begrijpen van de dingen schoot vooral aanvankelijk dramatisch tekort, we begrepen de dingen niet of maar half. Daar kon van alles mee mis gaan en dat is dan ook gebeurd. Hoe intelligent de verzamelaars/jagers uit de oertijd ook waren, ze overzagen niet de consequenties van wat hun florerende dus zich uitbreidende stam deed en wat andere florerende dus zich uitbreidende stammen deden. Voor één mammoet joegen ze met hun vuur een hele kudde het moeras in, voor één paard een hele kudde over de rand van de kloof. Eenmaal zichzelf beroofd hebbende van de aantrekkelijke grote prooidieren als mastodonten, reuzenherten, paarden en kamelen (in Noord-Amerika), mammoeten, moesten ze noodgedwongen hun jachtmethoden verfijnen. Dit patroon zien we later bij de overgang van slash and burn naar intensievere landbouwmethoden. Maar we zien het vandaag nog steeds. Thor Heyerdahl en zijn mede-opvarenden op de papyrusboot in aug.1969 raakten helemaal gedeprimeerd dat de zee, die eindeloos wijde zee waarvan men dacht dat die onaantastbaar was voor al de troep die er in gedumpt werd, zelfs honderden mijlen uit elke kust nog vaak te smerig was om er de borden in af te wassen. “We zagen de tak af waar we op zitten!” Maar sindsdien worden de rivieren al schoner. Onze ratio groeit kennelijk al misdoende. Evengoed een bemoedigende gedachte.

Nog een zeer dramatisch gevolg van het komen leven in een denkbeeldenwereld heeft met moslims en vrouwen te maken. Actueel, niet? Ga er even voor zitten.

20 Procent van ons dagelijks bestaan draait om denkbeelden.

Om het beeld dat we van ons zelf hebben.

Om het beeld dat we van de ander(en) hebben.

Om het beeld dat de ander(en) van ons heeft/hebben.

Geen van die beelden hebben we voor het kiezen.

Je hebt sowieso weinig te kiezen in het leven. Niet eens óf je geboren wordt of niet. En als je dan wél geboren wordt, heb je niet voor het kiezen van wat voor zoogdiersoort je ouders zijn. En als je als mensje geboren wordt, heb je niet kunnen kiezen of je een jongen bent of een meisje. Je hebt je ouders niet voor het kiezen gehad, noch de sociale omgeving waarin die leven of de maatschappelijke klasse waar die toe behoren. Je hebt niet kunnen kiezen in welk land of in welke cultuur je geboren wordt. Niet eens in welke tijd van de menselijke geschiedenis.

Je zelfbeeld vorm je /wordt gevormd door wat je moeder en je verdere sociale omgeving blijkbaar van je vindt. Vooral vanaf de tijd dat je je ook buiten de gezinssfeer beweegt, gaat de samenleving en de cultuur waarin je geboren bent, mede vorm geven aan je zelfbeeld. Is dat een godsdienstige dus vrouwvijandige cultuur, dan krijg je het als meisje heel moeilijk. Is het een cultuur waarin een geschrift als wat je nu leest, denkbaar is, dan krijg je het ook als jongen moeilijk door enerzijds de moeilijk te vervullen verwachtingen welke de (televisie-) voorbeelden van je eisen en anderzijds doordat er geen Verhaal heerst dat duidelijk maakt waar het allemaal toe dient. Maar vergeleken bij de situatie waarin de meisjes uit vroeger eeuwen en de moslimmeisjes van vandaag moeten opgroeien, is het nog best wel uit te houden.

De eer waaronder de moslimgemeenschappen vandaag nog steeds gebukt gaan, heeft ook alles met zelfbeelden te maken. In een onderdrukkende samenleving als de moslimwereld culmineert de religieuze onderdrukking in de onderdrukking van de vrouwen en de onderdrukking van de seksualiteit.

Een mannen-uitvinding, die onderdrukking. Vrouwen zijn in onze specifiek menselijke evolutie altijd de baas geweest. Enkele duizenden jaren geleden hebben de mannen de macht overgenomen, terwijl ze daar evolutionair eigenlijk niet voor geschikt zijn. Hun onmacht moeten ze compenseren met het vernederen, marginaliseren en onderdrukken van de vrouwen.

Heel contraproductief (vrouwen hebben altijd het meeste en belangrijkste werk verzet en doen dat nog steeds) en heel asociaal, dus onmenselijk. Dat marginaliseren doen de mannen door de vrouwen te weren uit alle posities waaruit macht en aanzien te halen valt. Met als belangrijkste wapen hun monotheïstische godsdienst. Onderdrukken gaat vooral via hetgeen de mannen zelf zwak maakt: seks. Met het gevolg dat het een obsessie wordt. Allemaal de schuld van die vrouwen. Wie maken immers dat die arme mannen zo lijden onder hun seksuele obsessie: de vrouwen! Sla ze, neuk ze waar je maar kunt. De zus van je vriend bijvoorbeeld. Maar zorg dat je eigen zusters of dochters maagd blijven! En wanneer die door je vrienden gepakt zijn, dood ze met jachtgeweer of hakbijl. Nee, die vrienden niet, je zusters of dochters natuurlijk. Want die hebben jouw eer en de eer van jouw familie tot schande gemaakt, niet die arme vrienden. Die waren immers slachtoffer van hun obsessie.

Chottegod, wat een ellende. Hebben alleen mensen. Talige wezens. Dramatisch, niet?

Kom, we gaan verder.

Je zou kunnen gaan denken dat wij ons met het ons bewust worden van de dingen op een onnatuurlijk of zelfs tegennatuurlijk pad hebben begeven. Dat zou best zo kunnen zijn maar er is geen weg terug. Het is het pad van het steeds beter begrijpen van de dingen, het pad dat ons steeds verder verwijdert van het dier-zijn en van het primitieve begrijpen, verder wég van het geloven en het spirituele. Het pad naar steeds meer ratio. Begrijpen en beheersen.

Zodat we tenslotte onszelf en ons samenleven begrijpen en beheersen.

Een wat minder dramatische gevolg is het volgende. We kwamen in een denkbeeldige wereld te leven. Als we nadenken over de dingen, halen we ons die voor de geest. Dingen die ons ongelukkige gevoelens kunnen bezorgen. Gedachten die we dan weer kunnen ‘verdringen’, door onze gedachten te concentreren op andere, liefst leukere, dingen. Maar het kunnen ook onzinnige dingen zijn: niet bestaande dingen, die we ons voor de geest kunnen halen louter omdat we er woorden voor hebben. “Waarom is er iets, en niet veeleer niets?”. Met het piekeren over het wezen van het Zijn en dat soort woordgegoochel hebben metafysische filosofen ontelbare nutteloze uren zelf verdaan en ook talloze adepten láten verdoen. Zo halen we ons ook de vraag naar de zin van het leven in de kop. Dan gaan de woorden met onze gedachten aan de haal. Het leven hééft geen zin, tenminste niet in de betekenis van ‘bedoeling’. Het leven is. Het is ooit, 3,5 miljard jaar geleden, begonnen en wij hebben er nu weet van. That’s it.

O, sorry, je bedoelde de zin van jouw leven. Daar kan ik in komen. Dat je daar moeite mee hebt, komt doordat we ons oude Verhaal verloren hebben en er nog Nix voor in de plaats gebracht is. Maar daar gaan we nu wat aan doen.

Hoe dan ook, de overstap heeft ons tot ‘tobbende apen’ gemaakt. Dat wordt schrijnend duidelijk in de manier waarop we omgaan met de zwakke plekken in het gebeunhaasde bovenkamertje dat we bovenop ons dier-zijn hebben gebouwd en waarop we met onze denkbeeldenwereld, dus voor 20% van ons denken zoals neuropsychologen weten te vertellen, zijn komen te leven. Ik ga er een noemen.

het bastion van heiligverklaring

Onze voorouders hebben de onzekerheid waartoe ze veroordeeld waren door hun overstap op bewustzijn (taligheid, ratio, het weten van de dingen), leefbaar proberen te houden met geloof en magische rituelen. Deze zekerheden waren echter bedenksels, waren pseudo-verklaringen van de werkelijkheid waar het echte weten van de dingen nog tekortschoot. Het is, maar het was vooral aanvankelijk, een hachelijk vlierinkje waarop we geestelijk (menen te) wonen.

Voor ons-nu, beschikkend over een al vier eeuwen bestaande traditie van het natuurwetenschappelijk bekijken van de dingen, met steeds betere kijk- en meetinstrumenten, is het moeilijk meer voor te stellen dat de mensheid tot vóór die tijd – en bijv. de moslimwereld van nu – geen andere middelen heeft gekend om zijn bestaansonzekerheid te bezweren dan het geloof en de tradities. Omdat men in diepste bewustzijn altijd wel wist dat dit bedenksels waren en aantastbaar door het verstand, moest men deze diepere twijfel overschreeuwen met heiligverklaring van deze bedenksels. Heilig is: onaantastbaar, mag je niet aankomen, mag niet worden betwijfeld of ter discussie gesteld. Maar … dat staat haaks op de onstuitbaar voortgaande groei van ons bewustzijn, ons weten, onze ratio, het enige dat ons wérkelijk van onzekerheid kan bevrijden! Hoe dramatisch die heiligverklaring kan uitpakken, hebben we met 11 september mogen aanschouwen.

In de tijd van het vrije nomadische verzamelen/jagen-bestaan en de vrouwelijke dominantie zijn onze voorouders daar overigens altijd soepel mee omgesprongen. Maar waar de jacht de hoofdbron van voedsel was, zoals in de noordelijke gebieden en gedurende de ijstijdpieken, werden de jachtrituelen en magische taboes streng. Wanneer een groot jager al vroeg zijn voortanden had verloren, schreef hij later zijn successen toe aan zijn ‘fietsenrek’. Dan kon het voor jonge jagers jachtmagie worden en nog later een vast onderdeel van de initiatierituelen voor de toekomstige jagers. Ik noem maar een voorbeeld.

Een grotere rol ging de heiligverklaring spelen sinds de periode van de landbouw. Geteelde gewassen zijn afhankelijk van de juiste hoeveelheid regen tijdens de groei en de juiste hoeveelheid zonneschijn tijdens de rijping. Daar kon zoveel bij misgaan en de hongersnood was altijd zo’n voortdurende dreiging dat onze voorouders het lot altijd met tal van heilige rituelen, bezweringen en offers hebben pogen te beïnvloeden.

Maar de heiligverklaring is pas echt een allesbeheersend verschijnsel geworden toen de mannen de macht van de vrouwen overnamen. Mannen en macht, dat gaat niet goed. Ik hoef maar even te zeggen: pubers en macht … nou, dan snap je al meteen: dat gaat niet goed.

Vrouwen staan namelijk een slag anders in het leven dan mannen. Zelfs in onze gelijkschakelende consumptiemaatschappij zijn meisjes van jongs af al een beetje bezig met hun latere verzorgende moederschap, terwijl jongetjes zich hooguit bekwamen in krijgerschap. In de puberteit zie je – wanneer hun jeugdervaringen niet al te frustrerend zijn geweest – wilde meiden op slag veranderen in nette jongedames die proberen hun zaakjes op orde te krijgen. De jongens puberen veelal gewoon door. Trachten een meisje aan de haak te slaan (I love you – I need you) om bij haar in te kunnen trekken en zo – lekker makkelijk – ook orde in hun leven te krijgen. De meeste mannen blijven tot op hoge leeftijd pubers. Met name mannen in leidende posities; daar kunnen vrouwen in het bedrijfsleven over meepraten.

Vrouwen zijn van nature meer op duurzaamheid gericht: hun kinderen moeten ook nog kunnen leven. Mannen hebben daar van nature niet zoveel mee. Kinderen zijn altijd vrouwenwerk geweest. Voor duurzaamheid moeten mannen nadenken en dat kost meer inspanning dan jagen of vechten. Mannen overschrijden van nature grenzen, terwijl vrouwen proberen het binnen die grenzen zo leefbaar mogelijk te maken.

Mannen kunnen niet met macht omgaan, en dat hebben ze altijd intuïtief zelf geweten. Deze onzekerheid hebben ze vanaf het begin met heiligverklaring bezworen. ‘Bastion’, of ‘bolwerk’, dat zijn mannenbouwsels. Een ‘mannenbolwerk’: heb je ooit van een ‘vrouwenbolwerk’ gehoord? Het klinkt niet eens. Mannen hebben hun onzekerheid altijd met bolwerken bevestigd, met koningsgraven, hunebedden, mastaba’s en piramiden. Maar het echte metselwerk aan de heiligverklaring hebben ze gepleegd aan hun geestelijke bolwerk: hun Ene Ware God. Ein fester Burch ist unsere Gott! Ja, en wie is "ons"? Dat zijn de mannen. We krijgen het er nog over: Hij is immers de hoofdFiguur van deze verhandeling.

VJ’s en AGR’s

In de inleiding had ik het over de menselijke natuur: dat we die moeten kennen willen we wat zinnigs over ‘de mens’ beweren. Welnu, de natuur van een soort is zoals die soort in de loop der miljoenen jaren geëvolueerd is en de langste tijd van haar bestaan geweest is. Als we ons wat onze soort betreft beperken tot de laatste 2 miljoen jaar, dus vanaf de tijd dat ze het vuur zijn gaan gebruiken en zich ook buiten de tropen van Afrika over de wereld zijn gaan verbreiden, moeten we vaststellen dat ze al die lange tijd, tot voor betrekkelijk kort geleden, geleefd hebben als verzamelaars/jagers (VJ’s).

Hoe VJ’s zijn, kunnen we vandaag behoorlijk goed weten uit de beschrijvingen van de antropologen die hen bestuderen of bestudeerd hebben. Er zijn nog maar heel weinig van die echte VJ-gemeenschapjes over, door de oprukkende boeren verdreven naar de voor boeren onbruikbare gebieden zoals woestijnen of arctische toendra’s. Toch melden alle antropologen over hun zo ver uiteenliggende studie-objecten dat die mensen gezond en gelukkig zijn en verzekeren dat ze in de beste aller werelden wonen.

99,5% van de tijd dat we onze voorouders mensen noemen, waren ze VJ’s. Kwamen ze aan de kost met scharrelen. Kwamen ze na een paar dagen lopen aan op een bepaalde welbekende plek, dan staken de vrouwen wat takkenhutjes in elkaar en verbleven ze er enkele dagen of weken, om er de welbekende planten en vruchten te oogsten en er op welbekende dieren te jagen. Wanneer de plek leeg geoogst raakte, laadden de vrouwen de weinige spullen (voornamelijk dierenvellen) in een tas van dierenvel op hun rug, de kleine er bovenop, en dan trokken ze verder naar de volgende welbekende plek. (Het ‘hengsel’ van de draagtas liep om hun voorhoofd.) De mannen droegen alleen hun wapens: het gevaar van wilde dieren loerde altijd.

De weinige groepjes mensen die nog steeds zo leven, zijn gezond en gelukkig, en dat zijn onze voorouders ook altijd geweest. In die lange-lange VJ-tijd was geluk heel gewoon.

Tekstvak:  !Kung-leefgroep op weg naar de volgende kampplaats. Omdat we 99,5% van ons menselijke bestaan VJ’s waren, zijn we dus van nature VJ’s en komen onze baby’s met VJ-verwachtingen ter wereld.

Ik zal eens een stukje voorlezen uit het boek van een antropoloog die zich in de VJ-mentaliteit gespecialiseerd heeft: Hugh Brody[26]:

In een tent van huiden – maar het kan ook een sneeuwhuis zijn of een van overheidswege verstrekte prefab-woning – wordt de baby wakker. Ze wordt opgepakt, gevoed, geknuffeld en er wordt tegen haar gepraat. Ze hoort de stemmen van de mensen in de ruimte, die van haar moeder die zegt dat ze lekker aan het drinken is. Al mag ze dat zelf weten, of en wanneer ze drinkt of er mee ophoudt. Alleen woorden van goedkeuring hoort ze. Als ze na het drinken indommelt, gaat ze in moeders amautik, de draagzak die onderdeel is van de parka en waarin ze tegen moeders rug ligt. De moeder voelt aan de bewegingen van de baby wanneer die moet plassen of poepen en dan wordt de baby eruit gehaald en boven een geschikte plek gehouden. Waarbij de moeder haar weer bemoedigend toefluistert. Moeder veegt de billetjes af en zegt”: “Nu is mijn dikkerdje weer lekker schoon, mijn schatje.” De opa komt er even bij, en zegt, met zijn gezicht vlak bij het hare: “Lief vrouwtje van me. Ben jij mijn kleine vrouwtje? Ja, jij bent mijn kleine vrouwtje!” De moeder glimlacht en houdt haar dochter voor hem omhoog: “Moeder? Ja, je bent mijn moeder!” Want de baby is geboren kort na het overlijden van de oma! Ze wordt beschouwd als de atiq, de geest van haar oma en ze heeft ook haar naam geërfd. Hoewel alle baby’s koestering en veiligheid ten deel valt, wordt een atiq nog eens extra bemind en aanbeden.

Baby’s worden met respect behandeld – zoals iedereen door iedereen met respect bejegend wordt.[27] Baby’s krijgen alles en er wordt hen niets geweigerd. Mogen slapen wanneer ze willen, krijgen geen standjes want baby’s kunnen nog niets verkeerds doen.

Vanaf het begin van hun leven luisteren de kindjes naar verhalen. Niets wordt voor het kind verzwegen: het pikt toch alleen maar op waar het aan toe is om het op te pikken. Opa vertelt van de schepping van de zeezoogdieren, de belangrijkste prooidieren van de Inuit. Verhalen met alle seksuele en bloederige details, en mysteries. De kinderen luisteren zo lang ze willen, horen heel vaak dezelfde verhalen terug en groeien er zo mee op. Ze zien hoe de volwassenen elkaar respecteren en hoe ieder haar/zijn speciale vaardigheden en taken heeft. Ze leren de namen van de dieren en de dingen spelenderwijs kennen.

Alle antropologen die met de weinige nog een VJ-bestaan leidende gemeenschapjes te maken hebben, melden hetzelfde: de mensen zijn opvallend gezond en gelukkig en gaan allemaal op dezelfde respectvolle manier met hun kinderen en elkaar en met de dieren en planten en de aarde om. Ze moeten er van dag tot dag van leven dus dat ga je niet kapot maken.

10.000 jaar geleden, in het laatste 0,5% van ons mens-zijn, kwam daar verandering in. Vanaf toen zijn op steeds meer plekken van de aarde de mensen hun plantaardige en dierlijke voedsel gaan telen. Ze zijn op één plek blijven wonen: bij hun velden. In steeds vastere behuizingen. In dorpen, hier en daar zelfs in steden. Ze zijn AGR’s (boeren) geworden. Ze zijn in oorlog geraakt met elkaar. Er is machtsongelijkheid tussen hen ontstaan en privé-bezit. Slavernij zelfs. Mensen zijn macht gaan uitoefenen over elkaar, elites over onderworpen massa’s. Mannen over vrouwen. Waarom en hoe dat allemaal gegaan is. dat komt dadelijk aan de orde. Maar het moge duidelijk zijn dat in die 0,5% van de tijd dat we mensen zijn, onze natuur wel gefrustreerd is maar niet veranderd. We blijven nog steeds terugverlangen naar dat verloren paradijs van het VJ-bestaan. Natuurlijk, we kunnen niet terug. Maar het scheelt een stuk als we onszelf voortaan beter begrijpen.

het scheppingsverhaal

Als natuurverschijnsel zijn mensen machtig en uniek geworden door hun verwerven van namen voor de dingen. De almaar groeiende hoeveelheid namen voor steeds meer dingen zou weldra een onleefbare chaos in hun breinen hebben veroorzaakt als ze daar niet al meteen structuur in hadden gebracht. De voor de hand liggende structuur is die van oorzaak en gevolg. Eerst dit, dan dat. De structuur van hoe de dingen begonnen en werden tot zoals ze nu zijn. Het scheppingsverhaal dus.

Wanneer een groep te groot werd, ontstonden er – ik zei het al – spanningen en dan duurde het niet lang of een groepje ondernemende jonge vrouwen met hun kinderen en jonge mannen besloot om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Dat gebied was al wel bekend, want een ondernemende jonge vrouw of man maakte ter voltooiing van haar/zijn volwassenwording graag een statusverhogende verre tocht, om daar na behouden terugkeer levenslang van te kunnen verhalen.

Dat nieuwe leefgebied was voordien nog ‘woest en ledig’: nog onbenoemd. Voor mensen zijn de dingen er pas als en in zoverre ze er woorden voor hebben. De koloniserende groep was dus de eerste die de dingen in het stamgebied hun namen gegeven had; in het leven geroepen had, menselijkerwijs gesproken, oftewel geschapen had. In het spraakgebruik van hun nakomelingen werd deze voorouderlijke groep vrouwen, kinderen en mannen samengetrokken tot één scheppende Figuur, de Grote Voorouder. (Deze hebbelijkheid, om een hele groepering tot één figuur te reduceren, hebben wij nog steeds wel een beetje: we spreken over ‘de Mof’, ‘de bezetter’, ‘de Jap’, ‘de Duitser’, ‘de Amerikaan’, de filosoof, etc.)

Let wel: ook al leefden er in dat nieuwe gebied wel mensen of hadden er geleefd, dan waren dat geen stamleden, spraken een andere taal en waren dus eigenlijk geen mensen. Voor de nieuwkomers was het gebied dan toch gewoon ‘woest en ledig’. Ongeveer zoals Amerika of Zuid-Afrika dat voor de eerste Europese kolonisten was: wat daar rondzwierf aan VJ’s waren maar roodhuiden of zwartjes, dus dat telde voor de landbouwende AGR- boer niet.

Hoe dat scheppingsverhaal er globaal uitzag, kunnen we in onze dagen nog afkijken bij sommige Aboriginal-stammen. Ik heb het ontleend aan De Stam van de Wilde Honing van Ad Borsboom (1996)

Het Verhaal vertelt hoe de Grote Voorouder in de Droomtijd het stamgebied op een bepaalde plaats binnenkwam, overal op Zijn weg de voor de stam belangrijke dingen schiep, om het tenslotte op een bepaalde plek weer te verlaten. Overal waar Hij/Zij gelopen had, waren voor de stam heilige plekken die niet dan met de grootste eerbied en gebeden betreden mochten worden. Zo was er ook een plek waar hij deeltjes van zijn Wezen had achtergelaten, die bij een moeder konden binnendringen en het begin van een nieuw mensje vormden. Dat mensje zou het deeltje levenslang met zich meedragen en bij het overlijden keerde het deeltje terug naar die plek. Voor de stam belangrijke dieren of planten kwamen als Figuur voor in het Verhaal. Dat werd gedanst/gezongen bij elke gelegenheid.

Het Scheppingsverhaal gaf niet alleen de dingen hun plaats in de ons omringende wereld, maar ook onszelf, het was de drager van onze identiteit. Dat telkens en bij iedere gelegenheid opnieuw dansen/zingen van hun stamgebied en dat al minstens een miljoen jaar lang, heeft de kiem gelegd voor onze religieuze[28] gevoelens,

Omdat het al onze kennis, ons begrijpen van de wereld en onszelf, onze wereldbeschouwing omvatte, was het Verhaal en waren alle rituele voorwerpen en gebruiken er omheen, waren ook alle plekken in ons stamgebied die er een rol in speelden, ‘heilig’: mocht je niet aankomen, mochten niet beschadigd worden of zonder respect betreden.

Hun talige bewustzijn was nog lange tijd zo labiel dat ze meenden dat, wanneer ze zouden ophouden met hun wereld te dansen/zingen, deze zou ophouden te bestaan.

De gebeurtenis bij uitstek was de initiatie van de jongeren bij hun intrede in de volwassenenwereld: dat is bij alle stammen de gelegenheid waarbij alle zang/dansen systematisch bij de jongeren worden ingeoefend. Een groot gemak hierbij is dat het geheugen bij niet-geletterde volken nog onaangetast is. Ze hoeven een lied maar één keer te horen om dat voor altijd letterlijk te kunnen onthouden. Het is voor hen onbegrijpelijk dat wij-hier zo’n slecht geheugen hebben. Borsboom kreeg herhaaldelijk verwijtende opmerkingen als hij vroeg wie of wat dit of dat ook weer was. Dat was hem vorige maand of bij zijn vorige bezoek enkele jaren terug toch al verteld?

Het belang van het letterlijk en met de juiste stembuigingen onthouden van de oeroude zang/dansen moge duidelijk zijn: hierdoor bleef hun wereld in stand. En hun voedselvoorziening: alleen wie het lied van het land kent, kan/mag van het land leven.

“Natuurlijk,” legde Charlie uit, “we kennen niet alleen onze eigen dreamings (zo noemen de Aboriginals hun zang/dansen), maar ook die van de clans van onze vrouwen en schoonzonen. Het grondgebied van hun clans ligt naast het onze. Dat land moeten we ook kennen, anders kunnen we niet leven. Het clangebied van onze vrouwen is zeer waterrijk, dat van ons voor het grootste deel tamelijk droog. Stel je voor dat we alleen van ons gebied moesten leven, dan zouden we aan het einde van de droge tijd van dorst omkomen. Als we hun liederen en dansen kennen, kennen we ook hun land. En andersom hetzelfde. Onze schoonzonen moeten onze dreamings kennen, anders kunnen ze niet goed voor onze dochters en kleindochters zorgen.” (uit De clan van de Wilde Honing)

Alle dingen hebben hun uiterlijke verschijningsvorm maar ook hun diepere en nog diepere betekenis en samenhang. Kinderen leren de uiterlijke verschijningsvorm kennen maar vanaf hun puberteit moeten ze worden ingewijd in de diepere achtergrond van alles. De nog diepere betekenis achter de diepe achtergrond wisselen alleen de oude ‘theologen’ van de gemeenschap met elkaar uit.

De inwijdingskennis is geheim, want er is een machtsstrijd tussen vrouwen en mannen. Ingewijden sluiten niet-ingewijden uit. Vrouwen laten mannen niet toe bij hun riten, en omgekeerd. In egalitaire VJ-gemeenschappen althans; in AGR-gemeenschappen die in een permanente staat van oorlog met elkaar verkeren, hebben de mannen de macht definitief van de vrouwen overgenomen en worden de riten der vrouwen als bron voor hun gevoel van vrouwenwaarde onmogelijk gemaakt.

Alle stammen kennen of kenden zulke inwijdingsriten als onderdeel van hun scheppingsverhaal. Maar sinds de mensheid uit AMM’s bestaat, is ze aan verandering onderhevig geraakt.

De gedanst/gezongen scheppingsverhalen groeien met de gemeenschappen mee. De verandering hangt samen met de manier waarop de gemeenschap aan de kost komt. Het is de overgang van het pure nomadische VJ-bestaan via semi-nomadische tuinbouw naar het gevestigde AGR-bestaan in dorpen.

Dan is het des te verbazingwekkender dat de scheppingsverhalen in het Midden-Oosten waar de twee bijbelse Genesisverhalen op gebaseerd zijn, nog zo puur het hier gedebiteerde verhaal weerspiegelen. “In den beginne was het woord..” (onze soort begon met namen voor de dingen) “en het woord was God” (de Grote Voorouder die eigenlijk de groep eerste vrouwen, kinderen en mannen was die het stamgebied betrad) en de verdrijving uit het paradijs (van de dierlijke instinctzekerheid, als ‘straf’ voor de aantasting van de dingen door die te benoemen; of/en de overgang van het ‘paradijselijke VJ-bestaan naar het hachelijke AGR-bestaan).

De Yanomami zijn een voorbeeld van gemeenschappen in de overgang van VJ naar AGR. Meestentijds wonen ze in hun shabono’s bij hun tuinen, maar die laten ze ook in de steek voor maandenlange zwerftochten door de jungle. Door hun toegenomen voedselvoorziening is in de loop der generaties het aantal shabono’s toegenomen. Dus grotere druk op het jachtgebied. Dus toegenomen rivaliteit tussen de gemeenschappen, raids op elkaar. Ze leven in een permanente toestand van ‘oorlog’. De gevolgen voor hun samenleven zijn voorwaar niet gering. De egalitaire omgang tussen de seksen heeft plaatsgemaakt voor machisme. De inwijdingsriten, ook die voor de jongens, zijn verdwenen en vergeten, vermoedelijk doordat die wegens de permanente overvaldreiging geen doorgang meer konden vinden. Ze hebben dan ook een serieus jongerenprobleem, versterkt doordat oudere mannen met veel status er meerdere vrouwen op na houden; ze maken echt de indruk van een bevolking in oorlogstijd, wanneer wetteloosheid en ordeloosheid heersen. Ze zingen/dansen hun oorsprongsmythen nog wel en oude mannen vertellen ze aan de kinderen, maar het begint er allemaal een beetje bij te hangen, het is geen integrerend deel van hun bestaan meer zoals het altijd geweest is.

In eenzelfde toestand of erger verkeren de Bergpapoea’s van Nieuw Guinea. Ze leven van primitieve verbouw van zoete aardappelen en teelt van varkens. Maar teveel dorpen met steeds meer uitgeputte velden (kennen nog geen andere bemesting dan afbranden van begroeiing), dus onderlinge oorlogstoestanden, stress en gruwelijk machisme. En nauwelijks religie meer. De ‘edele wilde’ is er ver te zoeken.

Er is nimmer een gemeenschap geweest die het zonder haar scheppingsverhaal (Groot Verhaal, dragend verhaal) heeft kunnen stellen, omdat het Verhaal de identiteit van de gemeenschap als geheel en van elk afzonderlijk individu belichaamt. Dat wij het nu zónder stellen, blijkt dan net zo min goed te gaan als bij de Bergpapoea’s.

Wij hebben ons oude Verhaal, hoe vreugdeloos en veelal deprimerend het ook was, niet vrijwillig afgeschaft. Het is gewoon verdrongen door het prettige en optimistische mensbeeld van de marktreclame. Het ging er mee als met ons regenwoud toen we nog mensapen waren. Ook dat verlieten we niet vrijwillig, het verliet óns. Het klimaat veranderde, en wij veranderden mee. Hoe de vrije markt ons, westerse mensen, heeft veranderd – it’s the economy, stupid! – zullen we in deel vier gaan zien.

het begin van het machisme

Gedurende de hele zo succesvolle evolutie van de mensheid welke ik dus ruwweg zes miljoen jaar geleden laat starten, zijn de vrouwen de dominante sekse geweest. Dus ook in de VJ-tijd. Al die lange tijd, welke onze menselijke geaardheid heeft gevormd – en gedurende welke wij tot de aardigste dieren van het leven zijn geworden – hebben onze leefgroepen rond de 25 individuen geteld. Met minder kan er niet genoeg eten worden verzameld en voor meer is de dagopbrengst niet toereikend. Baby’s en bejaarden brengen niets in; het zijn de vrouwen en kinderen die het voedsel verzamelen. De inbreng van de mannen bestaat, behalve uit het zorgen voor de veiligheid tegen de altijd loerende grote katten, voor incidentele vleesbuit; maar daar kun je nooit zeker van zijn.

Het heeft er alle schijn van dat ook de rituelen, het dansen/zingen van het scheppingsverhaal in al zijn specifieke vormen bij specifieke gelegenheden als geboorte en dood, ziekten en menstruaties, vooral op de vrouwenbeleving afgestemd zijn geweest en vooral door de vrouwen zijn uitgevoerd. De allerprimitiefste menselijke leefgroepen zijn uitgestorven voordat de antropologen de kans kregen of de kennis hadden om er de hiervoor belangrijke bewijsvoering te noteren. Dus laat ik de Aboriginal boekdelen spreken, uit wiens mond is opgetekend: “In het begin hadden wij (mannen) niets … wij hebben die dingen (mannenrituelen) van de vrouwen overgenomen.” En van twee leefgroepen, op uiteenliggende werelddelen, heb ik de opmerking onthouden dat de heilige fluiten door de mannen van de vrouwen gestolen zijn.

Waar en wanneer de mannen zich bewust geworden zijn van hun tweederangspositie en ze daartegen in het geweer gekomen zijn? Het moet zijn geweest waar en wanneer de voedselvoorziening grotere leefgroepen mogelijk heeft gemaakt. Het zou al begonnen kunnen zijn waar en toen de opbrengst van de jacht (mannenwerk) de inbreng van de vrouwen (verzamelen) begon te overtreffen. In de noordelijke streken konden leefgroepen de winters alleen overleven door het veroveren van een ‘vleesfort’ als een mammoet. Maar de Inuit (Eskimo’s) leefden nog steeds voorbeeldig egalitair terwijl hun belangrijkste voedselbronnen (robben en kariboes) mannenwerk waren. Laten we het er op houden dat zo’n situatie voor het zelfbeeld van de mannen niet ongunstig was. De grottenschilderingen van het ijstijd-Europa zijn zeker restanten van mannenrituelen (initiatieriten voor de jongens) geweest. Maar de honderden vrouwenbeeldjes uit diezelfde periode en van duizenden jaren nadien maken duidelijk dat de verering van de Grote Moeder nog steeds de heersende ideologie was. Waar en wanneer begint de ‘revolutie’ van de mannen? En waarom?

Machisme en oorlogvoering horen onverbrekelijk bij elkaar. Wanneer leefgroepen te groot worden, krijg je spanningen en dan vertrekt een subgroepje jonge vrouwen, kinderen en mannen om een nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. Zo heeft de mensheid zich in de loop der honderdduizenden jaren over de Aarde verbreid. Maar dat is slechts bij uitzondering het geval; normaal blijft een leefgroep ongeveer even groot en houden geboorten en sterfte elkaar in hachelijk evenwicht. En ik geloof er geen barst van dat ze kuddes prooidieren achterna trokken, zoals sommige predators als wolven doen. Zelfs leeuwen en hyena’s blijven waar ze ‘wonen’ en wachten op de volgende trek. Jagersgroepen als de Inuit en de San blijven ook in hun gebied en weten wanneer de prooidieren weer komen. Hoe is er verandering kunnen ontstaan in dit patroon?

De uitvinding van de pijlenboog en de domesticatie van de wolf (tot jachthond) heeft de jachtopbrengst enorm vergroot en dus tot snelle overbejaging van de eigen jachtgronden geleid. Behalve dat dit teveel kinderen in leven houdt dus de groepsgrootte doet toenemen, brengt het ook de groepen met elkaar in conflict. Oorlog maakt mannen belangrijk.

Waar groepen overgingen op voedselproduceren, door teelt van gewassen en van de domesticeerbare dieren die daar op afkwamen zoals schapen, geiten, varkens en later runderen, groeiden hun aantallen en vooral het aantal van hun leefgroepen. Ze konden niet langer vrij rondtrekken in een eindeloze wereld, moesten hun vrij-zwervende VJ-bestaan opgeven en zich permanent vestigen in dorpen van ronde lemen hutten in de nabijheid van hun velden.

Een van de eerste, nu door de archeologen goed bekende, plekken zijn de heuvelhellingen van het Zagrosgebergte in Irak, waar dit zo’n tienduizend jaar geleden gebeurd is.

Voor de aanplant van hun gedomesticeerde gewassen hakten de Zagrosmensen een stuk bos om en brandden het plat en zaaiden er hun voedselgewassen in. Wanneer na een paar seizoenen de werking van de vruchtbare as uitgeput was, namen ze een nieuw stuk bos in gebruik. Slash and burn noemen de paleo’s dat, en de hedendaagse Yanomami doen het nog steeds zo.

De Zagrosmensen floreerden en breidden zich uit, en hun dochtergroepen deden hetzelfde. Heel intelligent, maar niet de gevolgen overziend: op zeker moment was het bos op. De regens spoelde de teeltgrond van de kale hellingen, hongersnood dreigde en ze raakten op drift. Door de nood gedwongen leerden hun nakomelingen intensievere landbouwmethoden in de laaglanden aan de Eufraat, met omdijkingen, afwaterings-kanalen en bevloeiing.

Ze floreerden weer, in steeds meer dorpen, sommige tot stadjes uitgroeiend. Tot het gebied vol dorpen was en er niets meer viel uit te breiden. Heel intelligent, maar niet de gevolgen overziend. Oorlog! Ja, natuurlijk was er een alternatief: hongersnood, een kort en ellendig leven voor iedereen. De situatie van de schipbreukelingen van de “Medusa”: te veel mensen voor te weinig noodrantsoen. Bij oorlog was er tenminste één partij die overleefde en kon doorgaan. De afweging werd niet eens gemaakt. Boem! oorlog. De natuur is wreed en kent geen mededogen. De mens wel, de mens is van nature aardig. Tenminste … zolang de nood niet aan de man komt, zoals op het vlot van het vergane schip de “Medusa”.

We hadden het al ín ons als regenwoudbewoners en we zien het vandaag nog bij de chimpansees: wanneer onze overleving in het gedrang komt, gaan we vechten en worden mannen belangrijk. Hoe werkt dat bij zulke vredelievende en egalitaire bonobo-achtige wezens als mensen van oorsprong zijn en waar de vrouwen de dienst uitmaken? De vrouwen weten dat de overleving van hun groep, dus van hun kinderen, afhangt van het vechtvermogen van de mannen van hun groep. Zij zullen dat vechtvermogen, de gewelddadigheid, als een ‘goede’ eigenschap van een man gaan zien, en dus toejuichen en aanwakkeren bij hun jongetjes en mannen. Dat ze hier als sekse de dupe van werden namen ze dan maar voor lief. Of weer: heel intelligent, maar niet de gevolgen overziend. Zelfs vrouwen zijn mensen. Ze zijn ook niet aardig als de nood aan de vrouw komt.

Maar de mannen, die gedurende onze hele specifieke evolutie de tweede viool hebben gespeeld, gaan zich vanaf nu wel héél belangrijk voelen. Hun initiatierituelen volvoeren ze op steeds afgelegener plekken, waar ze geen vrouwen toelaten. Bij gebrek aan eigen rituelen bootsen ze die van de vrouwen na. Geboorte, borstvoeding en menstruatie, daarin lag de grootste vrouwenmacht. In velerlei vorm laten de mannenrituelen het opnieuw geboren worden van de initianten binnen de mannengroep zien. Bij sommige stammen werd de borstvoeding geïmiteerd door het laten drinken van mannenbloed of zelfs het afzuigen van sperma. Het menstrueren was het meest magische van de vrouwen maar ook het moeilijkst om te imiteren. Bij de Australische Aranda gingen de ouderlingen daarin het verst, in een wel heel pijnlijk ritueel. Bij de initianten werd een lang dun vogelbot door de pisbuis gestoken en het penisje met een stenen mes opengesneden. Dan beschikte de jongen dus tijdelijk over een vulva! Nadien werd de wond om de maand opnieuw opengereten zodat de initiant ook ‘menstrueerde’! Bij deze kwellingen mocht de jongen geen kik geven.

De oorlogvoering is dus de eerste aantasting van de aardigheid van de mannen ten opzichte van de vrouwen. Een bonobo-man zal nooit een vrouw aanvallen – dan gaat hij er liever van door. Een chimpansee-man en een mensen-man wel. Het verschil is: de laatsten kennen overpopulatie. Dan neemt het DNIWEKGM-gedrag weer de overhand. Oorlog dus.

“Vele groepssamenlevingen houden zich in bescheiden mate met oorlogvoering bezig en kennen in overeenstemming daarmee meer geprononceerde vormen van mannelijk seksisme”, zegt Harris.

Notoire oorlogszuchtige en vrouwenonderdrukkende macho’s zijn de Yanomami-indianen in het Amazonewoud; maar dat zijn halfsedentaire tuinbouwers, dus al parttime-voedselproducenten. Niet dat ook maar de primitiefste vorm van voedselproductie voorwaarde is voor oorlogsgeweld en vrouwenonderdrukking: de Aborigines van Queensland, in het noordoosten van Australië, levend in groepen van rond de 45 mensen en pure voedselverzamelaars, maar kampend met overpopulatie en vleestekort, stuurden geregeld troepen krijgers op pad om “door vijandelijke groepen begaan onrecht te wreken”. De gevangenen, liefst vrouwen en kinderen, werden gekookt en opgegeten”. De mannen lieten hun vrouwen al het zware werk doen en alle lasten dragen als ze zich verplaatsten, en sloegen of doodden ze bij overspel – waar ze zelf druk mee waren; dus ook echte machisten.

Maar, zegt Harris: “Dorpssamenlevingen die ten dele door rudimentaire vormen van landbouw in hun onderhoud voorzien, drijven oorlogvoering en mannelijke dominantie meer op de spits dan voedselverzamelende groepssamenlevingen.”

De hoogland-Papoea’s zijn een extreem voorbeeld van hoe oorlog tot vrouwenmishandeling leidt. De vroege boerengemeenschappen van Europa daarentegen zijn nog tot rond 3000 vC een voorbeeld van egalitariteit en vredigheid gebleven. Zoiets als het dorp van Asterix en Obelix, zal ‘k maar zeggen. Dat was overigens ook al met palissaden omringd, net als de primitieve boerendorpen in de Zagrosheuvels. Zo’n muur van palen is een behoorlijk karwei, dat doen die dorpelingen niet voor de luxe; meestal is er ook nog een gracht omheen uitgegraven. Natuurlijk: tegen de wilde dieren die op de schapen en geiten afkomen. Tegen rovers (van hun jachtgronden beroofde jagers/verzamelaars? door hongersnood op drift geraakte boeren?) die op de graanvoorraden afkomen. Maar ook vanwege de eeuwige vetes tussen de gemeenschappen, die elkaar de schuld geven van ziektes en misoogsten, al dan niet nadat hun sjamaan daarvoor de darmen van een slachtdier heeft geraadpleegd of zijn teerlingen heeft geworpen.

Want wij zijn ‘tussen de oren’-apen geworden, wij geloven waar we niet beter weten of waar wij graag geloven; of we geloven op gezag; of overtuiging; of het verhaal van iemand die het goed kan brengen. We geloven waar we niet weten. Soms zelfs geloven we waar we eigenlijk wel beter weten: omdat het geloof ons beter uitkomt. Wanneer er eigenbelang mee gediend is, is elk Verhaal al gauw goed genoeg.

Het gedanst/gezongen scheppingsverhaal uit hun voedselverzamelaars-tijd hadden de boeren ingeruild voor de verering van uit stamtotems geëvolueerde vruchtbaarheidbevorderende goden, en hun totemistische denken voor het animistische: hun wereld was vol geesten die bezworen of met offergaven tevreden gehouden moesten worden. Voor de belangrijkste geesten/goden had elk dorp zijn tempel annex voorraadschuur, beheerd door de sjamaan die tot priesteres geëvolueerd was. Het beheer van, de zeggenschap over de gemeenschapsproductie, de zeggenschap over de herverdeling, daar ligt te sleutel tot macht, en tot het misbruik ervan. Dat was nieuw in de mensheid: tot dan toe was er nooit een overschot geweest om te herverdelen. Althans, geen product zoals graan of maïs dat kon worden opgeslagen voor minstens een jaar. Waar voorraden van konden worden aangelegd, die beheerd moesten worden.

ontstaan van klassensamenlevingen en godsdiensten

Feesten hebben een ver verleden. Dus even terug naar ons begin.

Net zoals individuen kunnen ook groepen van mensen niet zonder elkaar. De meisjes vertrekken uit de groep van geboorte en gaan leven in een andere groep. Wanneer een erectusgroep zonder vuur was komen te zitten, gingen ze vuur ‘lenen’ bij de buren. Voor grote jachten en vispartijen kwamen ze elk jaar bij elkaar, en ook voor rituelen ter ere van hun stamtotem. Daarbij werden waardevolle zaken als geschikte vuursteenknollen of houtsoorten of schelpen via wederzijdse geschenken uitgeruild; waardevolle zaken legden evenals verhalen al vroeg afstanden af.

De opbrengst van de verzamelde noten, vruchten en andere gewassen was evenals die van de jacht erg seizoensgebonden en kende goede en slechte tijden. Bij goede tijden kon een groep de opbrengst onmogelijk alleen op en nodigde de buurgroepen uit voor de jaarlijkse zang- en dansfeesten. Die bleven dan wekenlang of langer de zaak uitvreten, tot de spanning om te snijden was en ze het verstandiger vonden om hun eigen zangspoor, jachtgebied of shabono en tuinen maar weer eens op te gaan zoeken. Maar bij slechte tijden kon deze gewoonte de overleving van de groep betekenen: dan kon zij als gast van een op dat moment welvarender groep de slechte tijd uitzingen; dus de gastheergroep was erg tolerant.

De overleving is voor de mensheid altijd hachelijk geweest, al kun je je dat als consument niet meer indenken. Zwaarlijvigheid was bij onze voorouders een weinig bekend verschijnsel. Goede tijden werden afgewisseld door perioden van schaarste, en dan was het hongerlijden geblazen en interen op de vetlaag. Alleen kustbewoners kenden deze perioden van schaarste minder of niet, maar ook de huidige verzamelaars/jagersgemeenschappen en die van primitieve boeren hebben er nog steeds mee te maken. Bij de Inuit zijn het de zomers: geen robben. Bij de Yanomami is het de moessontijd. Voor de boeren is het ’t voorjaar: wel hard werken maar nog niets te oogsten. Wanneer het hongerseizoen voorbij is en er weer volop te eten is, wordt er gefeest. Onze vastentijd – ik bedoel: ramadan – en ons carnaval gaan er op terug. En natuurlijk schrijven we het aan God – ik bedoel: Allah – toe.

Het geven van zo rijk mogelijke feesten gaf een groep aanzien, gaf een dorp status. De aangewezen persoon om iedereen aan te sporen zo hard mogelijk z’n best te doen bij het jagen en oogsten is natuurlijk de hoofdman, (de Big-Man bij de Papoea’s), wiens aanzien stijgt met die van zijn dorp. Daarom werkt hij zelf het hardst en neemt het minst, houdt alleen de kleinere en minst aantrekkelijke porties voor zichzelf.

Half-sedentaire tuinbouwersgroepen zoals de Yanomami hebben al een hoofdman. Omdat ze nog geen privébezit kennen, heeft die geen enkele macht. Als ze op oorlogspad gaan is hij hun aanvoerder, maar ook in (altijd betrekkelijke) vredestijd is het hoofdman-zijn niet echt benijdenswaardig. Je moet altijd de beste zijn, het voorbeeld geven, ruzies beslechten, de vrijgevigste zijn, er de grootste tuin op na houden (mensen zijn liever lui dan moe, proberen hun tuin zo klein mogelijk te houden en bij anderen aan te kloppen als ze te kort komen) om gastdorpen te kunnen fêteren, kortom, in dit stadium is hij nog de hopman/hoofdman. ‘s Morgens het eerst uit de hangmat gaat hij midden op het dorpsplein zijn makkers wakker schreeuwen voor de taken van de dag, waarbij hij zelf het hardst werkt en het minst neemt. Waarom wil iemand dan toch hoofdman zijn? Vanwege de status, en de aantrekkingskracht die dat op vrouwen heeft. Maar wanneer je als persoon met ‘natuurlijk leiderschap’ en verantwoordelijkheidsgvoel behept bent, wil je gewoon doen waar je goed in bent en kun je het niet aanzien wanneer iemand anders die ‘het’ niet echt heeft, er een zootje van maakt. En anders wordt het leiderschap je wel aangeduwd. Het gaat ook meestal vanzelf, van jongs af.

Er zijn verschillende lijnen waarlangs de Grote Man tot Leider evolueert. Eén lijn noemde ik al: hij is de aanjager van de voedselproductie ten behoeve van de seizoensfeesten. Een variant ervan is die van de feestgever (de mumi zoals hij op de Salomonseilanden heet). Als een ambitieuze jongeman mumi wil worden, begint hij met trouwen, hard werken en zijn eigen consumptie van vlees en kokosnoten te beperken. Wanneer zijn echtgenote en ouders in de gaten krijgen dat het hem ernst is en dat hij aanstuurt op een feest, beloven ze plechtig hem bij te staan; immers, bij welslagen stijgen zij mee in status. Zijn eerste feest levert hem een aantal aanhangers op die er op gokken dat zij mee kunnen stijgen als zijn ster rijst. Dat gaat niet voor niks: ze moeten hem helpen bij het mogelijk maken van zijn eerste grote feest; hetgeen ook voor hen inhoudt dat ze harder moeten werken en voedsel moeten opsparen. Wanneer ook dit feest slaagt, heeft hij al een behoorlijke aanhang, met wie hij een ‘clubhuis’ bouwt voor het ultieme muminai-feest, waarop de aspirant-mumi zich gaat meten met de oude mumi. De eisen die hij aan zijn aanhangers stelt, worden steeds groter, maar zolang zij vertrouwen kunnen houden in zijn succes hebben ze ‘t er voor over: ze zullen delen in zijn roem. Op het feest-der-waarheid worden alle varkens, kokosnoten en sago-amandelpuddingen zorgvuldig geteld, en als de uitgedaagde mumi niet binnen een jaar een nog groter feest weet te geven is er een nieuwe mumi. Dit patroon komt in variaties in tal van andere sedentaire gemeenschappen voor, en we hoeven dus niet te denken dat democratie een uitvinding van de Grieken is.

Wanneer we aan de boerendorpen denken die het begin vormden van de stadsstaten van Sumerië, de bakermat van de beschaving, moeten we ook aan de mumi-figuur denken: bij hen heette die de lugal (= grote man). In de boerendorpen is de Grote Man de herverdeler van de gemeenschapsproductie geworden. Aan die gemeenschapsvoorraad staan alle families een deel van hun oogst af. De opslag ervan vindt plaats in de schuren bij de tempel van de dorpsgod die de vruchtbaarheid van de velden en het welslagen van de oogst waarborgt. Wie het beheer over de dorpsproductie heeft, wie de ‘herverdeling’ doet, heeft de macht bij zijn staart. Is het een vredige gemeenschap dan is het de priester. Maar heerst er een permanente staat van oorlog, dan is de Grote Man vooral oorlogsleider. Is hij succesvol dan krijgt hij steeds meer macht. In de latere klassenmaatschappijen heerst de despoot met zijn trawanten. Hier ziet u hem geboren worden.

Zoals de Grote Man is ook de mumi oorlogsleider, oftewel krijgsheer. Nu zijn de Salomonseilanden door de kolonisator gepacificeerd, zoals ook de koppensnellers met hun big man’s gepacificeerd zijn. Maar de ouden mijmeren nog over vroeger, toen hun mumi’s nog woeste oorlogsleiders waren en zijn aanhangers in de clubhuizen feestvierden van de geroofde buit en zich vergrepen aan de geroofde vrouwen. Om zijn aanhang tevreden te houden moest de mumi de ene oorlog na de andere voeren. En zo evolueerde ook de Grote Man tot Leider. En zo evolueerden de aanhangers in hun clubhuizen tot elite. En toen de Leider tot Koning evolueerde, tot adel.

de lofzangers

Alle elementen van het mannelijke leiderschap zijn al in de chimpanseeleefgroepen aanwezig: de bondgenootschappen, de intriges, de oorlogen, de vrouwenonderdrukking, maar ook de leiderschapskwaliteiten. Lees daarvoor Van Nature Goed van Frans de Waal. Alle elementen op één na: de lofzangers. Chimpansees kunnen niet zingen (al begint het er bij bonobo’s wel op te lijken, en zijn de gibbons beroemd om hun ‘duetten’) en vooral: ze zijn niet talig: de lofzanger is bij uitstek een talig fenomeen.

Aspirantleiders kunnen wel hoge ambities hebben maar tot de bevinding komen dat het leiderschap voor hen niet is weggelegd doordat een ander net iets meer kwaliteit in huis heeft om het vertrouwen van anderen te krijgen. Om hun status zo hoog mogelijk te houden blijven ze in de kring rond de leider verkeren (gereed om diens plaats in te nemen wanneer deze al dan niet door hun verborgen toedoen is weggevallen). Een leidersfiguur kiest de kring om mee om te gaan ook het liefst uit mensen met vergelijkbare kwaliteit: mensen met wie hij kan praten. Bovendien kan hij ze zo in de gaten houden. Wanneer iemand gespeend is van leiderschapskwaliteiten en bijbehorende ambitie, maar wel andere intellectuele kwaliteiten, met name op het gebied van het woord en de verbeeldingskracht met bijbehorende ambitie in huis heeft, komt hij in een iets lager echelon rond de leider waarin ook de sjamaan/waarzegger – ook zo iemand met aparte kwaliteiten – vertoeft en is hij lofzanger.

Harris noemt ze niet. Maar volgens mij zouden de Grote Mannen en de mumi’s nooit tot Leiders en Koningen hebben kunnen uitgroeien zonder lofzangers, zonder ondersteunende ideologen. We kennen ze uit alle oude verhalen, van de Ilias van Homerus tot Asterix en Obelix. Ik ken ze vooral van Ségou, het meesterwerk van Maryse Condé over de lotgevallen van een Afrikaans koninkrijk.

Het zijn de lofzangers die de successen en heldendaden van de mumi of de Grote Man uitvergroten en mythische proporties laten aannemen. Kunnen ze straffeloos doen achter de brede rug van de Leider die de verantwoordelijkheid heeft. En die puber gaat steeds meer denken dat hij écht goddelijk is. De lofzangers maken opportunistisch gebruik van elementen uit het scheppingsverhaal, geven dat een gewenste draai. Waarom doen ze dat? Natuurlijk om in het gevlei te komen en te blijven. Maar ook omdat hun aanzien afhangt van dat van de leider, en hoe groter diens roem, des te meer er op henzelf afstraalt. Zij zijn het ook die de politieke daden van de Leider ideologisch ‘verkopen’, zij zijn de apologeten, zij dragen hem de argumenten aan om de strijd aan te binden met ‘vreemden’, zij zijn het die deze tot te verdelgen ongedierte verklaren, zij verheerlijken de oorlog. De lofzanger is voor een despoot een onmisbare trawant, al worden zijn prestaties even gemakkelijk vergeten als tweede geworden zijn in de Tour de France.

De mumi’s/Grote Mannen moesten hun aanhangers tevreden houden met oorlogsbuit en vrouwen. Slaagde hij daarin dan werd hij door aanhangers en lofzangers op een zo hoog voetstuk geplaatst dat hij er zelf in ging geloven; ging geloven in zijn eigen voortreffelijkheid en macht. Maar macht corrumpeert de ‘tussen de oren’-aap. Zijn zoon ging de macht als zijn terechte privilege beschouwen en verdedigen tegen wie hem hierin bedreigde. Steeds meer hielden Grote Mannen er gevangenen op na om in de tuinen van hun eigen familie te laten werken. Ze gingen de statusweerspiegelende veroverde rijkdommen voor zichzelf houden: BEZIT. Men kon niet langer hardop beledigend over de Grote Man praten zonder te riskeren dat men door diens trawanten in elkaar werd geslagen en als hij, omringd door zijn gevolg, er aan kwam, moest je zorgen dat je als de bliksem van je veranda omlaag kwam want als het gevolg zag dat je hoger zat dan de Leider liep je nog wekenlang kreupel.

Zonder de groepscontrole van de !Kung, die elke voortreffelijke prestatie kleineren om de voortreffelijke bescheiden te houden zodat het hem niet in de bol slaat, krijgen de op welbegrepen eigenbelang gerichte loftuitingen van de lofzangers het gevolg dat het eigenbelang bij de Leider en zijn trawanten vrij spel krijgt. Dit mechanisme nu is verantwoordelijk voor het vele bloed waarmee onze beschaving van start is gegaan.

Er is nog een factor. Zoals verentooi of krachtige stemgeluiden bij veel soorten mannelijke concurrenten intimideren en besparend werken op energievretende concurrentiegevechten, zo kun je door het tentoonspreiden van terreur besparen op krijgsinspanningen. Waarom anders zou Assurnasirpal II van Assyrië zijn onmenselijkheid zo trots hebben laten optekenen? ”Ik richtte een zuil op tegenover de stadspoort en liet alle aanvoerders de huid afstropen … ik bedekte de zuil met hun vellen … enigen metselde ik in in de zuil, anderen liet ik er op palen … en ik sneed de hoofdmannen armen en benen af … ” En verder: “Vele gevangenen liet ik verbranden … sommigen handen of vingers afsnijden, anderen neus of oren … velen werden de ogen uitgestoken”. “Hun jongens en meisjes liet ik verbranden.”[29]

Besparing op te investeren energie is de belangrijkste factor bij het onnodig wreed zijn van de despoten en van criminelen bij hun overvallen.

De lofzangers bezongen de heldendaden van hun Grote mannen in ronkende bewoordingen. In die odes geen woord over de ellende die aan de overvallen en overwonnen gemeenschappen was aangericht: dat waren slechts vijanden. De mens was wel een zeer sociaal wezen, maar voorlopig alleen tegenover de eigen groep. De eigen mannengroep wel te verstaan: hun vrouwen waren uit vijandige dorpen afkomstig en dus niet te vertrouwen! De vrouwenharten lagen bij de verwanten van die vrouwen, dus heulden die met de vijand. Het grofste geweld was toegestaan om ze onder de duim en aan het werk te houden terwijl de mannen feestvierden in hun clubhuis. Macht corrumpeert. De ‘tussen de oren’aap heeft zijn instincten en neigingen ondergeschikt gemaakt aan zijn heersende cultuur … dus ook zijn sociale instincten en neigingen! Zijn aardigheid.

Als alles op was en de misbruikte slavinnen de geest gegeven hadden, begonnen de trawanten te morren en moest de Grote Man weer op oorlogspad.

Op ettelijke plaatsen in de wereld heeft dit tot onvoorziene ontwikkelingen geleid.

Gedurende deze krijgstochten waren de krijgers lange tijd van huis en was het dorp overgeleverd aan de listen van de vijanden. De mannen konden zegevierend terugkeren en slechts een laag as aantreffen waar eens hun dorp was. Hoe moesten zij zorgen dat hun huizen en velden goed beheerd achterbleven? Dat konden ze niet aan hun onbetrouwbare vrouwen overlaten. Wel aan hun eigen zussen. Maar dan moesten ze deze niet langer uithuwen. Dus lieten ze die voortaan alleen huwen met iemand van buiten, die dan in hun dorp moest intrekken. Deze tactiek werkte. Maar op een niet voorziene manier. Van generatie op generatie kwam het beheer van de huishoudens en de velden onder leiding van steeds machtiger vrouwen. De mannen konden verder en langer van huis blijven en rijker beladen terugkomen in een voortreffelijk georganiseerd dorp … maar waar ze zich dan hadden te schikken naar de regels van de dames, die elkaar zusters en tantes en nichten waren. Terwijl de mannen vreemden voor elkaar waren geworden, zij het verbroederd in de strijd. Ze waren gasten geworden in hun huis, moesten zich houden aan de regels van het huis en anders konden ze hun deken pakken en naar hun familie terugkeren. Hun samenlevingen waren in de loop der generaties van patrilokaal naar matrilokaal geëvolueerd! Zo is het bijvoorbeeld gegaan bij de Irokezen, wier vreedzame samenlevingen door de eerste antropoloog Morgan beschreven werden. (Door wiens boek Marx, aan het eind van zijn leven helaas, werd geïnspireerd tot het beginnen aan De oorsprong van het Gezin, na zijn dood door Engels voltooid.) De politieke macht bleef bij de mannen, bij de Raad van Sachems (oudere mannen). Maar die werd door de vrouwen gekozen en hun beslissingen waren al door de vrouwen voorgekookt.

Overigens is de positie van de vrouwen bij het ontstaan van stadstaten en de specialisatie van het oorlogvoeren door een staand leger er enigszins op vooruitgegaan: hun mannen werden simpele ongewapende boeren of ambachtslui, en met de blote hand kunnen boerenvrouwen hun mannetje aardig staan. Maar het bleef een mannenmaatschappij, met mannengodsdiensten. De vrouwen werden nu door de heersende ideeën onder de duim gehouden. De mannen schermden nu niet met hun zwaarden tegen hun vrouwen maar met hun goden, de goden van hun (mannen-)samenleving. Krijgen we het zo over.

Het opdrijven van de voedselproductie betekende ook een voortdurend uitbreiden van het landbouwareaal. Dat gebeurt in alle dorpen van het gebied. Dat gebied is eindig. Dan komen ze met elkaar in conflict, over een bepaald gebied, over waterrechten. Oorlog.

De oorlog kent vele vaders. Wanneer een landbouwgebied door de gebruikte methode uitgeput raakt, wanneer een catastrofale droogte, een alles wegvagende wervelstorm of vloedgolf heeft toegeslagen, raakten hele streken op drift en op zoek naar voedsel. Oorlog.

In Eurazië zijn het vooral de Midden-Aziatische nomadische ruitervolken geweest die keer op keer hele sedentaire boeren- en stadsbeschavingen verwoest en massale volksverhuizingen veroorzaakt hebben. Dat waren een soort Masai: trotse en zelfbewuste veehouders met een diepe verachting voor op velden zwoegende boeren. Toen ze ook nog paarden onder hun kont kregen, werden ze een plaag voor de beschaafde mensheid, vierduizend jaar lang. In Kenia zijn die romantische krijgers nu botweg verboden, en niemand protesteert. Vind je ’t gek?

Een oorlog tussen naburige dorpen, bijvoorbeeld over waterrechten, leverden een overwinnaar op en een verliezer. Het verliezende dorp moest voor straf voortaan een deel van de oogst aan het winnende dorp afstaan, of arbeid te leveren aan de publieke werken van het overwinnende dorp, bij de palissadebouw bijvoorbeeld. Het overwinnende dorp had al snel argumenten gevonden om nog meer dorpen aan zich te onderwerpen.

Maar het kon ook anders gaan. Onbewapende dorpen die te lijden hadden onder overvallen van een bende onder leiding van een mumi/Grote Man waren gedwongen zich aaneen te sluiten. Onder leiding van de Grote Man van het grootste dorp.

Zo groeide zo’n hoofddorp uit tot stad, en zijn Grote Man tot Leider, en zijn aanhang tot elite. Deze gang van zaken vond plaats in het Midden Oosten, in China, in het oude Mexico, in het oude Peru: overal op de wereld hetzelfde patroon, overal via bloedige oorlogen en mannelijk seksisme, overal vergezeld door intensivering van de landbouw, stadsmuren, koningsgraven en ziggurats (afgetopte en getrapte piramiden, ontstaan doordat de geruïneerde voorgaande tempel eenvoudigweg tot grondvlak voor de nieuwe diende). De krijgsgevangenen werden tot slaven gemaakt. Dat genereerde nog meer rijkdom, dus dat werd weldra een doel op zich. Behalve in Midden-Amerika, waar meer dan genoeg arbeidskrachten waren maar waar een structureel vleestekort heerste. Daar werden de krijgsgevangenen ritueel geslacht en opgegeten, en werd het maken van krijgsgevangenen om op te eten een doel op zich.

Bij Harris komt de rol van de religie en de godsdienst bij de oorlogvoering en de evolutie van Grote Man tot Leider wat minder uit de verf, maar uit ander historisch werk moet je opmaken dat minstens in een deel van de tot steden uitgroeiende dorpen de ‘tempel’, dus de priestergroep, de leidende instantie was waar ook de Grote Man aan ondergeschikt was. Het tempelcomplex herbergde de opslag van de nood- en handelsvoorraden, had het beheer erover en de administratie ervan. De tempel schoot boeren bij misoogsten graan en nieuw zaaigoed voor, met de grond van de boer als onderpand, en fungeerde zo’n beetje als boerenleenbank. Kon de boer niet terugbetalen dan bleef de tempel eigenaar en werd de boer pachter of zelfs lijfeigene, met zijn hele familie. De tempel werd alleen maar rijker en machtiger. En macht corrumpeert ook geestelijken.

Bij voortdurende oorlogvoering werd de rol van de Grote Man als aanvoerder permanent, en bij succes steeg zijn roem en macht. Totdat hij zich sterk genoeg voelde voor een paleisrevolutie. In veel gevallen heeft de Leider ervoor gekozen om zich ook tot Opperpriester te laten kiezen, om zeker te zijn van zijn alleenheerschappij. Maar dat het ook anders kan heeft, zoals al gezegd, het oude Egypte laten zien. Een star hiërarchisch geordend Rijk onder Farao’s en tempelpriesters, waarin enorm hard gewerkt werd aan belachelijk hoge piramiden maar waarin heel wat minder bloed vergoten werd dan in de rijken van Mesopotamië of Midden-Amerika. Maar misschien heeft ook de aard van de rivier een rol gespeeld: de Nijl was zeer voorspelbaar (zij het in ’t tijdstip van haar overstroming, niet in de mate ervan) en Eufraat en Tigris waren zeer ónvoorspelbaar.

Elites die met hun leger de strijd aangingen met andere steden en overwonnen, kregen de smaak te pakken en brachten alle steden van een heel gebied onder hun macht. Zo evolueerden hun Leiders tot Koningen, van vader op zoon. In het oude Sumerië is het woord voor ‘koning’ Lugal, wat zoals ik al zei oorspronkelijk ‘grote man’ betekende.

De elites zelf evolueerden tot adel, tot ridders of hoe ze ter plekke ook heetten; eveneens erfelijk. Ze regeerden door middel van een ambtenaren- en priesterkaste, die het schrift hadden ontwikkeld voor administratieve doeleinden. En wanneer ze later, wanneer de ambtelijke infrastructuur nog verder ontwikkeld is, hele gebieden onder beheer van één centraal regiem weten te brengen, worden de koningen farao’s, god-koningen, keizers.

helden en goden

Er is geen gemeenschap geweest zonder zijn eigen scheppingsverhaal, zijn eigen Grote Voorouder, Djareware, Manitoe, zoveel talen zoveel namen ervoor. De onderwerping van je stam ging gepaard met het verlies van je stamgod(in)en. Stammen beleefden hun wereld geheel binnen hun Verhaal, dus religieus, en elke oorlog werd gevoerd onder supervisie van hun krijgsgod. En dat is tot de dag van vandaag niet anders. Met “God wil het!!” stortten de kruisridders zich op de Levant, het door de islam beheerste kruispunt van de handel met het Verre Oosten. Dat gebied werd eerst door de lofzangers/ideologen tot Het Heilige Land verklaard, dat nu van de moslims bevrijd moest worden. (Overigens is het Rijk van de Kaliefen vooral door toedoen van de Mongolen onder Djengis Kahn ineengestort, rond 1220.)

Met “Allah wil het!!” stortten eerlang moslimzelfmoordenaars, daartoe door lofzangers/imams aangehitst, zich met gekaapte passagiersbeladen kerosinebommen in de Twin Towers.

Om de inlijving van een stam wat te versoepelen, kreeg de god ervan een plaatsje in het pantheon van het grote rijk, waarvan de god van de winnende stadstaat natuurlijk de hoofdgod was.

De lofzanger/ideologen/priesters hadden er een goede broodwinning mee, met dat groeiend aantal goden (… ach, ga ik weer in de fout! ik bedoel:) de priesteressen verdienden er een goedbelegde boterham mee, met de verering van al die godinnen. De Grote Moeder van de vroege boerensamenlevingen was de Grote Godin Isis/Isjtar/Astarte/Asjera geworden van de stadstaten-samenlevingen en was nog heel lang de belangrijkste god.

De god van de winnende stadstaat was ook heel vaak een dier, het oorspronkelijke totemdier van de stam van die stadstaat. In Egypte bijvoorbeeld werd de ibis de god Toth, afgebeeld met een ibiskop. De godin Hathor had een vleermuiskop. Horus was een valk. Seth was helemaal een mengelmoes van voormalige stamtotems: een hond-jakhals-ezel-figuur.

Egypte

Elke stad in Egypte ontleende zijn belangrijkheid aan de verering van een speciale god. De godheid, in de vorm van een cultusbeeld, was gehuisvest in het binnenste heiligdom van de tempel. Het beeld kon zijn gemaakt van steen, verguld hout of zelfs zuiver goud, ingelegd met halfstenen. Afhankelijk van de gulheid van de koning voor deze speciale god. Het beeld zelf werd niet vereerd maar de ka (geest) van de godheid die via een piepkleine opening vanuit de hemel in en uit het beeld ging. Mensen maar ook dieren en dingen werd een ka toegedicht en alles (ook de piramiden) bevatte een piepkleine opening via welke de ka zijnsweegs kon gaan.

Bij het ochtendkrieken toog een kleine processie onder leiding van de dienstdoende priester, naar het heiligdom, beladen met de maaltijd voor de godheid. Grote hoeveelheden brood, stukken vlees en gevogelte, manden fruit en groenten, kruiken bier en wijn, boeketten en bloemenslingers. Alle offerandes werden klaargemaakt in de keukens van de tempel, de ingrediënten kwamen van de eigen boerderijen van de tempel en van de pachters van de landerijen van de godheid. Geslacht in het abattoir van de tempel, gebakken in de tempelbakkerij, gebrouwen in de tempelbrouwerij. Alles het beste van het beste. Onder het zingen van de ochtendhymne en begeleid met muziekinstrumenten. Het zegel van de heilige schrijn werd verbroken, de grendels teruggeschoven en de dubbele klapdeur geopend. Het beeld werd gewassen, gezalfd, gekleed en met juwelen behangen. Er werd wierook ontstoken en de offergaven werden rond de godheid uitgestald, zo fraai mogelijk om het oog van de godheid te behagen.

Wanneer de priester het teken gaf dat de godheid voldaan was, werden de berries met de offergaven weer opgetild en vervoerd naar het gebouw waar al het voedsel werd gedeeld (het beste natuurlijk voor de priester, de tempelschrijvers en de hogere tempelbeambten) onder al het personeel. Dat waren behalve de slachters, bakkers en brouwers ook de overige bedienden en arbeiders, de kruiers en bootslieden, kortom iedereen die deel uitmaakte van de tempelhuishouding met hun gezinnen. Een tempel was vaak een reusachtig bedrijf. De tempel van Amen in Karnak had meer dan 81.000 man personeel in dienst, als je daar ook de boeren, vissers, jagers en ambachtslieden bij rekent. Dat werkte allemaal op 250.000 hectaren akkerland, 433 tuinen, 46 constructiewerkplaatsen, op 83 schepen.

Driemaal daags was het etenstijd, voor de godheid en zijn mensen. Na de laatste eredienst werd de godheid ontkleed onder avondgezang en op zijn altaar te ruste gezet. De deuren werden gesloten, gegrendeld en verzegeld. Want in de nacht was het beeld een lege maar kostbare huls: die ziel was dan met de Zonnewagen mee naar de onderwereld, om tegen het ochtendkrieken terug te keren in het beeld.

Het hyperreligieuze rijk van de farao’s, in die vruchtbare Nijldelta van Boven- en Beneden Egypte, met zijn vele god(inn)en en tempels, heeft als systeem bijna 3000 jaar stand gehouden. Alleen gedurende tijden van jaren achtereen een ‘slechte Nijl’ heerste er hongersnood en wanorde, maar verder was het een stabiele en welvarende samenleving waarin de vrouwen het beter hadden dan hun zusters in andere beschavingen van het Midden-Oosten, in het klassieke Griekenland of in het middeleeuwse Europa. De rechten van de Egyptische vrouw om bezit in eigendom te hebben en te erven waren beter dan die van getrouwde vrouwen in het Victoriaanse Engeland. Hoewel er geen formele wetten waren gecodificeerd dwong het voorschrift van de Ma’at (orde, correctheid) en gehandhaafd door de koning, de vertegenwoordiger van de goden, om ieders rechten te eerbiedigen en te zorgen voor de zwakke leden van de maatschappij. De eerste twee hoofdperioden heeft Egypte ook nimmer imperialistische oorlogen gevoerd, het was zichzelf genoeg en een leger werd alleen bijeengebracht ter verdediging tegen woestijn- en zeevolken die op de ‘vleespotten van Egypte’ afkwamen.

de opmars der mannen met opgeheven pik

De veeteelt had het inzicht in de werking van de zwangerschap vergroot en het aandeel van de man in dit magische gebeuren duidelijker gemaakt. Vooral toen het oeros gedomesticeerd was en de techniek om de stieren door ze al jong van hun ballen te ontdoen handelbaar geworden waren en voor ploeg en kar gespannen konden worden (mannenwerk) was de status van de mannen in de landbouw sterk gestegen. Dan verschijnt weldra ook de Stiergod, met de Zonneschijf tussen de horens, als echtgenoot van de Vruchtbaarheidsgodin in de eredienst.

In de groeiende waarde van het privé-bezit en dus de macht van de ene mens over de ander kwam dit nieuwe besef van de belangrijkheid van het mannelijk zaad, dus van de man, als geroepen. Al in de vroege boerensamenlevingen begon de verering van de fallus (het opgerichte mannelijk lid) die van de beeldjes van de Grote Moeder naar de kroon te steken. Misschien was het toch weer een vrouwen-initiatief en begon de fallus steeds meer deel uit te maken van de erediensten van Isis. In haar tempel in Thebe verscheen een houten lingam (fallus) van Osiris, de mannelijke bij-god wiens ster aan het rijzen was. In hun gewijde processies droegen de vrouwen de beeltenis van Osiris mee, voorzien van een enorme beweegbare fallus.

Het duurde echter niet lang of de fallus werd van figurant hoofdrolspeler in de rituelen van het hele Midden-Oosten en Griekenland. In Athene stond een zuil met een bebaarde Hermeskop en voorzien van fallus op elke straathoek. Delos had rond 300 vC een laan met aan weerszijden gigantische penissen, met testikels als voetstuk, ten hemel gericht. In de Romeinse samenleving was de god Priapus een vertrouwde figuur tussen de huisgoden en ook de oude Britten hadden hun 60 meter hoge Reus van Cerne Abbas, pronkend met een borsthoge erectie om de boodschap van het mannelijke aanzien niet mis te doen verstaan. Tot in de 17e eeuw werd, tot niet geringe gêne van de katholieke kerk, in veel Provençaalse dorpen Saint Foutin vereerd: een beeld met een grote fallus. Om hun vruchtbaarheid te vergroten kwamen veel vrouwen het tegen betaling kussen en ze krabden er dan een stukje af dat ze in een drankje deden en opdronken. De priester zorgde er natuurlijk wel voor om de lucratieve penis steeds te repareren, zodat de reputatie van de ‘onuitputtelijke heilige’ staande bleef. [30] Geen land ter wereld echter wijdde zich zo enthousiast aan de fallusverering als India. Daar kon de hemelgod Sjiva bogen op een roede die tot in de zevende hemel reikte. Brahma en Visjnoe wierpen zich er voor in het stof en bevalen alle mannen en vrouwen, hetzelfde te doen. Een Sjiva-priester kwam elke dag spiernaakt zijn tempel uit met een belletje, waarop alle vrouwen naar buiten moesten komen om zijn heilige genitaliën geknield te kussen. Elke sjeik of patriarch liet bij een belangrijke ontmoeting zijn genitaliën bezichtigen (Allan Edwardes De Parel in de Lotus, London 1967).

Zo klom de fallus, en daarmee de mannelijke superioriteit, gestadig op in heiligheid. Het weerspiegelt (it’s the economy, stupid) de overgang van de tuinbouw (vrouwenwerk) naar de akkerbouw, waarbij het ploegen mannenwerk is, evenals het vervoer van de landbouwopbrengsten op de karren die door ossen worden getrokken en vaak lang van huis zijn.

Het ging niet van de ene dag op de andere. De machtsovergang van de Godin-Moeder naar God de Vader verliep in fasen. Aanvankelijk schept de Grote Moeder de wereld in haar eentje, heeft vluchtige minnaars en vele kinderen en maakt de dienst uit. In de tweede fase krijgt ze een metgezel, die eerst haar zoon is maar later haar echtgenoot. In de derde fase wordt de echtgenoot mederegent en tenslotte wordt de Godin onttroond en vernederd en zwaait de Man-God alleen de scepter. Een opgaande trend die de neergaande positie van de vrouw in de samenlevingen weerspiegelt. Talrijke mythen doen verslag van dit proces. In het Gilgamesj-epos van Mesopotamië is het ook heel herkenbaar. Vanwege zijn heldendaden wordt de godin Isjtar verliefd op hem, maar hij wijst haar grof af. Bij de Babyloniërs voert de god-koning Marduk oorlog tegen Ti’amat, de Moeder van Alle Dingen. Pas nadat hij haar in mootjes heeft gehakt, kan hij de wereld scheppen, uit stukken van haar lichaam. De scheppingsmythe van de Tiwi uit Midden-Afrika luidt het:

De Aardegodin Poevi maakte eerst het land. De zee was helemaal van zoet water.Zij maakte het land, de zee en de eilanden … Poeriti zei: “Dood onze moeder niet”. Maar Iriti deed het toch en doodde haar. Hij sloeg haar op het hoofd. Haar urine maakte de zee zilt en haar ziel ging naar de hemel …

De Kelten kenden de Grote Moeder als drie-eenheid: Emoe, Banbha en Fódla, de Drie Wijzen. Zij heersen ook over Mil de oorlogsgod. Maar diens zonen komen tegen de Wijzen in opstand; na ettelijke gevechten verslaan de jonge mannen de Wijzen en vernederen ze.

Bij de Grieken nam Apollo het heilige Delphische orakel van de godin over.

Bij de Azteken was Xochiquetzil de Moeder van de Aarde. Tot zij een zoon Huitzilpochtli baarde. Deze doodde eerst haar dochter de Maangodin. Toen doodde of verdreef hij al haar overige kinderen en nam tenslotte de plaats van zijn Moeder in en heerste voortaan over de Aarde.

De Kikoejoes in Afrika vertellen hoe in vroeger tijden de mannen de macht van de vrouwen overnamen door met elkaar af te spreken om hun vrouwen allemaal op dezelfde dag te bevruchten. Precies negen maanden later waren de vrouwen in barensnood en konden met gemak overmeesterd worden.

Veel mythen gaan ook over de overwinning van de Zonnegod op de Maangodin. In de Japanse Sjinto-versie wordt de oppergodin Ama-Terasu aangevallen door de oorlogsgod Susa-nuwo die haar rijstvelden vernielt en haar gewijde plaatsen bezoedelt met uitwerpselen en karkassen. Zij vecht terug, maar hij weet haar licht te stelen. Ze herwint slechts de helft van haar vroegere kracht en kan voortaan alleen nog in het duister van de nacht schijnen.

De Zon is typisch mannelijk. Met zijn fallische stralen treft hij Moeder Aarde en dringt haar binnen zodat het door de vrouwen gezaaide graan kan ontkiemen. Dat lineaire mannelijke denkbeeld van vooruitgang zonder ommezien verdrong het op de vrouwelijke vruchtbaarheidsculten geöriënteerde cyclische denken.

Het dualisme zon-maan groeide uit tot een kosmisch systeem van positief-negatief-tegengestelden. Wat de man is, is de vrouw juist niet. De man boven, de vrouw onder. De man sterk, de vrouw zwak. Aristoteles vatte in de vierde eeuw vC de seksuele verschillen als volgt samen:

De man is actief, een en al beweging, creatief op politiek, zakelijk en cultureel gebied. De man vormt en kneedt de samenleving en de wereld.

De vrouw daarentegen is passief. Zij blijft thuis, want dat ligt in haar aard. Zij is de materie die wacht om te worden gekneed door de actieve en creatieve mannelijke kracht. De man speelt ook de creatieve rol bij de voortplanting, de vrouw is louter de passieve broedplaats voor zijn zaad. Het creatieve zaad kneedt het menstruatiebloed tot een nieuwe mens.

Deze wijsgeer werd gevolgd door een eindeloze stoet van dit soort onzin uitkramende wijze mannen, kerkvaders en koran-uitleggers.

In de rauwe werkelijkheid delfden ook steeds meer machtige koninginnen het onderspit tegen mannelijke pretendenten. Als het koningschap via de vrouwelijke lijn erfelijk was, dwong de mannelijke pretendent haar tot een huwelijk door haar te overweldigen. Tamyris, de Scytische heerseres in de zesde eeuw vC, wist het ‘aanzoek’ van Cyrus de Grote van Perzië nog af te wijzen met haar leger achter zich. Maar toen Berenice II van Egypte in 80 vC weigerde met haar jonge neef Ptolemaios Alexander te trouwen, liet hij haar vermoorden. Dat bekwam hem slecht want haar aanhang kwam in opstand en doodden hem. Maar steeds meer koningen trokken de macht aan zich en wisten die te behouden. De erfelijke koninginnen werden pionnen in het mannelijke spel om de macht. Bij de val van Rome werd de dochter van de keizer gevangen genomen door Alarik en na diens dood overgenomen door zijn broer. Nadat de broer was vermoord gaven de Westgoten haar terug aan de winnende Romeinse generaal Constantius. Deze dwong haar met hem te huwen, noemde haar Augusta en regeerde voortaan zelf als Augustus. Hij stierf echter na korte tijd, zodat ze keizerin zou zijn. Maar haar broer verbande haar naar Constantinopel en besteeg zelf de troon. Pas toen haar zoon in 425 keizer werd, kreeg ze rust. En zo zijn er ettelijke voorbeelden.

godsdienst (monotheïsme)

Als ik het heb over Heilige Boeken dan heb ik het over het monotheisme.

Monotheïsme is de eredienst aan De Ene Ware God. Die figuur noem ik hier verder EWG.

EWG is de god van de patriarchale kringen. Zonder EWG geen patriarchale kringen en zonder patriarchale kringen geen EWG.

EWG verschijnt – ik raadpleeg even mijn bijbeltje – 622 vC. In het boek II Koningen 23: 1-30 lezen we over de hervorming van Josia. Ik lees er dadelijk uit voor, maar eerst de context waarin de hervormingen van Josia moeten worden bezien.

De overwinnaar met een Rijk kon natuurlijk weinig met al die Grote Voorouderfiguren van al die overwonnen stammen. Al die eigen goden waren evenzoveel bronnen van zelfstandigheids-bewegingen. Evenzovele dekmantels ook voor krijgsheren om andere stammen te beroven en uit te moorden en te plunderen of te brandschatten[31].

Een ander aspect van de context zijn de heiligdommen. Hoe meer onderworpen stammen hoe meer goden het pantheon van een Rijk telde, en hoe talrijker de altaren en heiligdommen waar geofferd werd voor vruchtbaarheid en geluk. Elk heiligdom propageerde zijn god voor het binnenhalen van zoveel mogelijk offers en sommige priesterdommen waren zelfs machtiger dan de koning. Menig heerser droomde van het usurperen van al die macht en rijkdom. De eerste die dat probeerde is Achnaton geweest (1353-1335 vC). Maar na zijn dood werd diens EWG met de grond gelijk gemaakt. Zevenhonderd jaar later slaagde de Joodse koning Josia daar wel in.

Dat de Joodse stammen tot die tijd normale aanbidders van tal van goden en vooral godinnen waren, kunnen we nog steeds uit de bijbel zelf halen, ook al zijn de Heilige Boeken zoveel mogelijk in de geest van EWG geschreven of geredigeerd.

Veelzeggend voor mij, geen bijbelgeleerde, is II Koningen 23, 4-28. Ik neem het voor u over uit mijn NBG-bijbeltje.

4 Toen gebood de koning de hogepriester Chilkia en de priesters van de tweede orde en de dorpelwachters[32] om al het gerei dat voor de Baäl, de Asjera en het gehele heer des hemels gemaakt was, uit de tempel des HEREN naar buiten te brengen; en hij verbrandde die buiten Jeruzalem op de velden van Kidron, en de as ervan bracht hij naar Betel. 5 Ook schafte hij de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om offers te ontsteken op de hoogten, in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, benevens hen die voor de Baäl, de zon, de maan, de sterrebeelden en het gehele heer des hemels offers ontstaken. 6 Voorts bracht hij de gewijde paal uit het huis des HEREN weg, buiten Jeruzalem naar de beek Kidron, en verbrandde hem bij de beek Kidron en verpulverde hem tot stof; daarna wierp hij het stof ervan op de begraafplaats van het gewone volk. 7 Hij brak de verblijven af van de aan ontucht gewijde mannen, in het huis des HEREN, waar de vrouwen hoezen voor de Asjera weefden. (etc.)

De geboorte van de Ene Ware God was dus vooral een rigoureuze afslachting van de oeroude en geliefde godinnen en goden van de Joden. Hoe Josia dat heeft kunnen maken? Het is zeker niet gegaan zonder volle medewerking van Chilkia, want zijn toch al machtige Tempel kreeg hierdoor het monopolie. Alle profijtelijke offers uit het hele land, al die stieren en schapen en klein vee plus al het goede van het land, dat mocht nu alleen nog maar in de Tempel worden geofferd.

Het was trouwens pas in het 22ste jaar van Josia’s regering dat ze hun ‘coupe’ voor elkaar hadden.[33]

Ik zeg: hún coupe. De coupe van Chilkia en Josia. Als je die Bijbelpassage leest met de wetenschap dat die achteraf is vormgegeven, dan krijg je echt de indruk van een in elkaar gestoken gebeurtenis. Je moet al beginnen te lezen in Kronieken II, 33. In 34 heeft Josia als 8-jarige zijn vader verloren door een paleiscoupe. Daar had de Tempel ongetwijfeld al de hand in. Maar het gewone volk dat hechtte aan zijn godinnen en altaren, kwam in opstand tegen de moord van hun koning en kwam pas tot rust toen diens 8-jarige zoon tot koning werd benoemd. Maar door wie werd die opgevoed? Natuurlijk door het priesterdom van de Tempel. Chilkia onderrichtte hem in de glorie van koning David, onder wiens koningschap de Joodse stammen en nog veel meer andere stammen in één groot rijk verenigd waren geweest. Dat zou onder Josia weer kunnen worden tot stand gebracht, als hij maar braaf zou doen wat Chilkia had uitgedacht.

Als je vervolgens de uitvoering leest ontkom je niet aan de indruk van een coupe.

Josia’s troepen maakten met grof militair geweld een einde aan de manier waarop de mensen vanuit hun voorouderlijke verleden hun wereld religieus hadden beleefd.

Chilkia’s EWG was echt een politieke uitvinding: de Joodse stammen dreigde in die tijd

voortdurend fijngemalen te worden door de toenmalige grootmachten Egypte en Assyrië. Is trouwens gebeurd ook.

De ingrijpende omslag van het veelgodendom naar een Eenheidsgod zat bovendien ‘in de lucht’. De Duitse filosoof Karl Jaspers was dat als eerste opgevallen en noemde deze tijd de Achse der Weltgeschichte. De politiek-economische ontwikkelingen in de Spiltijd vroegen er om. De handel en de economische bedrijvigheid konden niets met die vele goden en godinnen, en al helemaal niet waar stammen in uitzichtloze vetes elkaar met oorlogen bleven teisteren en in naam van hun stammengod karavanen bleven overvallen en plunderen[34]. De politiek-economische oplossing van het monotheïsme was rond het begin van onze jaartelling in alle culturen in trek. In de Indiase veelgodenwereld zie je onder de denkers een rusteloos zoeken naar de ‘Ene zonder tweede’ van wie alle schepping afkomstig is. De Ene, de bron van alles, is dan weer Brahma(n) of Narayana, dan weer Vishnu of Shiva. Of is de Essentie die voorbij alle namen is. In China was het Kung fu Tse die menselijkheid en gezond verstand inbracht in de verhitte oorlogsgemoederen. De Romeinen lieten hun godenwereld intact maar creëerden de Keizerverering om eenheid in het Rijk te scheppen. Tot Constantijn de EWG van de christenen, immers ‘niet van deze wereld’, geschikter vond.

De laatste en meest aperte schepper van de monotheïstische oplossing voor het tribale fragmentatieprobleem ten behoeve van handel en bedrijvigheid is Mohammed, rond 650 nC. In de Islam verschijnt het politiek-economische karakter ervan in zijn meest pure vorm. Mohammed was een koopman en had genoeg te stellen gehad met de stammenvetes. Zijn joodse en christelijke collega’s hadden hem duidelijk gemaakt hoe zij in hún landen de voor de handel broodnodige vrede genoten en hij ontwierp een op vooral de joodse EWG geïnspireerde Arabische variant. Die heeft hij met zijn aanhangers tenslotte weten in te voeren, te vuur en te zwaard. En het werkte. Zeker twee eeuwen lang heeft de Pax Islamica voor vrede en welvaart en wetenschappelijke opbloei gezorgd. Maar het was geen vrije markt, dus raakte zij ten prooi aan een usurperende elite en verstarde. De patriarchale kringen kregen het bij hen voor ’t zeggen (namens de elites dan). De moslimwereld raakte achter, terwijl de Europese steeds vrijer werd en het stokje van welvaart en wetenschappelijke opbloei overnam.

de geboorte van de Ene Ware God (EWG)

Als we het over de Ene Ware God hebben, zoals de titel van mijn verhandeling ook bedoelt, dan hebben we het over de Figuur welke we pas nu geboren zullen zien worden. Pas rond 600 vC namelijk. Vóór dat tijdstip kende de mensheid alleen maar stamgod(in)en.

Het is onvoorstelbaar dat God, wiens Alomtegenwoordige aanwezigheid vanaf mijn jeugdjaren (als misdienaar, als priesterstudent) als een volstrekte realiteit mijn leven heeft beheerst, dat die – nou ja, als adolescent kreeg ik het niet meer voor elkaar om in Zijn bestaan te blijven geloven – vandaag als een hersenschim verbleekt en vervaagt, en alleen als een te dateren bedenksel in de geschiedenisboeken belandt.

Onvoorstelbaar dat om te beginnen de islamfilosofen (falasifa) en vervolgens enkele joodse en tenslotte de christelijke filosofen (het christelijke Europa had aanvankelijk de handen vol aan de Noormannen) hun echt wel hoogbegaafde hoofden gebroken hebben om deze hersenschim met hun verstand in overeenstemming te brengen. Ze konden niet, zoals menig Westers adolescent, God bij Sinterklaas in de schoenendoos onder het bed zetten: dat zou gegarandeerd hun dood betekenen. Ze konden hun verstand alleen redden door de figuur zo boven- en buitenmenselijk te maken en het menselijke daartegenover zo klein, dat alleen al de poging om Hem te begrijpen als een belediging voor God beschouwd moest worden. Zelf geleerde mensen die al een werkzaam leven lang geen deel meer uitmaken van een kerkgenootschap, blijven nog wel in een persoonlijke God geloven die ze dan, net als de falasifa, ver hebben weggeschoven, buiten het bereik van hun verstand.

Onvoorstelbaar dat al die eeuwen lang al die miljoenen mensen geknield, gebeden, gesmeekt geofferd en heilig geloofd hebben aan een hersenschim, en dat miljoenen dat vandaag, ook in het vrije westen, nog steeds doen.

Kansarmen van geest, die ik deze denkbeeldige troost en levensvulling en dit hiernamaalsperspectief echt niet zou willen ontnemen. Dat kan ik met overtuiging zo stellen omdat deze mensen mijn bedenkingen nimmer onder ogen zullen krijgen en omdat alleen vrije geesten voor wie ik niets of weinig nieuws te melden heb, dit lezen. (Gegroet, vrije geest, die dit leest.)

Het boek dat mij op het spoor zette van de datering van de Ene Ware God is God against the gods van Jonathan Kirsch[35], een Amerikaanse publicist en auteur van monografieën over Mozes en Koning David. Kirsch schrijft de schepping van de Ene Ware God toe aan koning Josia, omdat het diens decreten van rond 630 vC waren die de ‘revolutie’ van de Joodse goden- en godinnenwereld hebben in gang gezet.

Zelf schrijf ik, gezien de macht en de onderlinge concurrentie van de heiligdommen in de religieuze cultuur van die regio in die dagen, de hoofdrol toe aan de priesterdom van de Tempel van Jeruzalem, en met name aan de hogepriester Chilkia. De koningen moesten altijd op hun hoede zijn om een grote tempel niet al te veel macht te laten krijgen (de ‘coupe’ van Achnaton van Egypte 700 jaar eerder is daar een voorbeeld van), en dan verschoven zij hun gunsten – het geld dat hun ‘dorpelwachters’ (belasting-inners) ophaalden bij de boeren en de kooplieden – naar andere heiligdommen. Nu was de Tempel van Jeruzalem al sinds koning David en zijn opvolger Salomo een machtig heiligdom. Er werd aan een veelheid van goden en godinnen geofferd, zoals uit het bijbelfragment dat ik hier laat volgen, ook blijkt (23 : 4). Na Salomo viel het Joodse rijk van de twaalf stammen uiteen in twee delen: het noordelijke rijk Israël, dat tien stammen besloeg en later als Samaria te boek zou staan, en het zuidelijke rijk Juda, dat twee stammen besloeg maar dat wel Jeruzalem als hoofdstad had. Josia was koning van Juda en had zijn paleis in Jeruzalem. Hogepriester Chilkia moet een slimme man geweest zijn. Ik zou er niet van staan te kijken als hij de hand gehad heeft in de paleissamenzwering die Josia’s vader het leven kostte. Josia was toen pas acht jaar en groeide verder op onder de hoede van Chilkia en zijn priesters. Ze hebben de jongen ongetwijfeld voorgespiegeld dat het op zijn weg lag om het glorieuze rijk van David en Salomon te herstellen, nu onder zijn koningschap. Maar dan moest hij wel de God van de Tempel tot de Ene Ware god maken, en alle concurrentie uitschakelen. Chilkia schreef ook een nieuwe heilige boekrol, waarin hij de geschiedenis van de Joodse stammen beschreef als die van het ‘uitverkoren volk’ van de Tempelgod (Jahwe): een moeizaam gedoe van een volkje dat telkens maar weer hervalt in het offeren aan oude stamgoden, door Jahwe wordt afgeschreven, die zich dan weer door Moses laat bepraten en het er nog maar eens mee probeert. Deze boekrol, ‘de wet van Mozes’, laat hij dan ‘bij toeval’ opdelven door de werklui bij de tempelrestauratie. En Josia speelt zijn rol geloofwaardig mee.

De ‘perikoop’ (stukje bijbel) komt uit het bijbelboek II Koningen. Ik heb het uit mijn oude NBG-bijbeltje.

21 : 19-26 Amon, koning van Juda.

19 Amon was tweeëntwintig jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde twee jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Mesullemer, een dochter van Charus; zij was uit Jorba. 20. Hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN, zoals zijn vader Manasse gedaan had: 21 hij wandelde op al de wegen, waarop zijn vader gewandeld had, diende de afgoden die zijn vader gediend had, en boog zich voor hen neer. 22 Hij verliet de HERE, de God zijner vaderen, en wandelde niet op de weg des HEREN. 23 En de dienaren van Amon smeedden een samenzwering tegen hem en doodden de koning in zijn paleis. 24 Maar het volk des lands sloeg allen dood, die tegen koning Amon samengezworen hadden. En het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

25 Het overige van de geschiedenis van Amon, wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda? 26 Men begroef hem in zijn graf in de hof van Uzza; zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.

22 : 1-20 Josia, koning van Juda – Het wetboek gevonden

22 Josia was acht jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde eenendertig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Jedida, een dochter van Adaja; zij was uit Boskar. 2 Hij deed wat recht was in de ogen des HEREN en wandelde op al de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links.

3 In het achttiende jaar nu van koning Josia zond de koning de schrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, naar het huis des HEREN met de opdracht: 4 Ga naar de hogepriester Chilkia; laat hij het geld gereedhouden, dat in het huis des HEREN gebracht is, dat de dorpelwachters ingezameld hebben van het volk; 5 laat men het ter hand stellen aan de opzichters die over het huis des HEREN aangesteld zijn, opdat deze het geven aan hen die het werk verrichten, die in het huis des HEREN bezig zijn om de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen: 6 aan de werklieden, de bouwlieden en de metselaars, en voor het aankopen van hout en gehouwen stenen, om de tempel te herstellen; 7 maar van het geld dat hun ter hand wordt gesteld, worde geen verantwoording gevraagd, want zij handelen in goed vertrouwen.

En de hogepriester Chilkia zeide tot de schrijver Safan: Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEREN. En Chilkia gaf het boek aan Safan en deze las het. 9 En de schrijver Safan kwam bij de koning, deed hem verslag en zeide: Uw dienaren hebben het geld dat zich in de tempel bevond, uitgestort en het ter hand gesteld aan de opzichters die aangesteld waren over het huis des HEREN. 10 Ook deelde de schrijver Safan de koning mede: De priester Chilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las het de koning voor.

11 Zodra de koning de woorden van het wetboek gehoord had, scheurde hij zijn klederen. 12 En de koning gebood de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Akbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan en Asaja, de dienaar des konings: 13 Gaat de HERE raadplegen ten behoeve van mij, van het volk en van geheel Juda, over de woorden van dit gevonden boek, want groot is de gramschap des HEREN, die over ons ontbrand is, omdat onze vaderen naar de woorden van dit boek niet hebben geluisterd en niet hebben gedaan overeenkomstig al wat ons voorgeschreven is. 14 En de priester Chilkia en Achikam, Akbor, Safan en Asaja gingen naar de profetes Chulda, de vrouw van de klederbewaarder Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Charkas. Zij nu woonde te Jeruzalem in het nieuwe gedeelte. En zij spraken met haar. 15 Zij zeide tot hen: Zo zegt de HERE, de God van Israël: zegt tot de man die u tot mij gezonden heeft: 16 zo zegt de HERE: zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners: de gehele inhoud van het boek dat de koning van Juda gelezen heeft; 17 omdat zij mij verlaten hebben en offers ontstoken voor andere goden, ten einde mij te krenken met het maaksel van hun handen. Daarom zal mijn gramschap over deze plaats ontbranden, zonder geblust te worden. 18 Maar tot de koning van Juda, die u zond om de HERE te raadplegen, tot hem zult gij aldus zeggen: Zo zegt de HERE, de God van Israël: wat de woorden betreft, die gij gehoord hebt – 19 omdat uw hart week geworden is en gij u verootmoedigd hebt voor het aangezicht des HEREN, toen gij hoordet wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en haar inwoners, dat zij een voorwerp van ontzetting en van vervloeking zullen worden, en omdat gij uw klederen gescheurd hebt en geweend voor mijn aangezicht, zo heb ook Ik gehoord, luidt het woord des HEREN. 20 Daarom, zie, Ik zal u tot uw vaderen vergaderen; gij zult in vrede in uw graf bijgezet worden, en uw ogen zullen niets van het onheil zien, dat Ik over deze plaats breng. En zij brachten de koning het antwoord over.

23 : 1-30 De hervorming van Josia

1 Toen zond de koning een boodschap en men riep al de oudsten van Juda en Jeruzalem tot hem bijeen. 2 De koning ging naar het huis des HEREN, en met hem al de mannen van Juda en al de inwoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en het gehele volk, van klein tot groot. Hij las te hunnen gehore al de woorden van het boek des verbonds dat in het huis des HEREN gevonden was. 4 Toen ging de koning staan bij de zuil en sloot een verbond voor het aangezicht des HEREN, dat men de HERE zou volgen en van ganser harte en ganser ziele zijn geboden, getuigenissen en inzettingen zou houden en de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven waren, zou gestand doen. En het gehele volk trad tot het verbond toe.

4 Toen gebood de koning de hogepriester Chilkia en de priesters van de tweede orde en de dorpelwachters om al het gerei dat voor de Baäl, de Asjera en het gehele heer des hemels gemaakt was, uit de tempel des HEREN naar buiten te brengen; en hij verbrandde die buiten Jeruzalem op de velden van de Kidron, en de as ervan bracht hij naar Betel.

5 Ook schafte hij de afgodspriesters af, die de koningen van Juda hadden aangesteld om offers te ontsteken op de hoogten, in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, benevens hen die voor de Baäl, de zon, de maan, de sterrebeelden en het gehele heer des hemels offers ontstaken. 6 Voorts bracht hij de gewijde paal uit het huis des HEREN weg, buiten Jeruzalem, naar de beek Kidron, en verbrandde hem bij de beek Kidron en verpulverde hem tot stof; daarna wierp hij het stof op de begraafplaats van het gewone volk. 7 Hij brak de verblijven af van de aan ontucht gewijde mannen, in het huis des HEREN, waar de vrouwen hoezen voor de Asjera weefden. 8 Hij liet al de priesters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten, waar die priesters offers ontstoken hadden, van Geba tot Berseba. En hij slechtte de hoogten bij de poorten, alsook die bij de ingang van de poort van de stadoverste Jehosua, en wel aan de linkerhand als men de stadspoort binnengaat. 9 Doch de priesters der hoogten mochten het altaar des HEREN te Jeruzalem niet bestijgen, maar wel ongezuurde broden eten te midden van hun broederen. 10 En hij verontreinigde Tofet, dat in het dal Ben-Hinnom lag, opdat niemand meer zijn zoon of zijn dochter voor de Moloch door het vuur zou doen gaan. 11 Hij verwijderde de paarden die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden, van de ingang van het huis des HEREN bij de kamer van de hoveling Natanmelek in de bijgebouwen; en de zonnewagen verbrandde hij met vuur. 12 De altaren op het dak, bij de bovenzaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden, alsmede de altaren die Manasse gemaakt had in de twee voorhoven van het huis des HEREN, haalde de koning omver; hij bracht het puin vandaar weg en wierp het in de beek Kidron. 13 De hoogten ten oosten van Jeruzalem, ten zuiden van de berg der Verwoesting, welke Salomo, de koning van Israël, gebouwd had voor Astoret, de gruwel der Sidoniërs, voor Kemos, de gruwel van Moab, en voor Milkom, de afschuw der Ammonieten, ook die verontreinigde de koning. 14 Hij verbrijzelde de gewijde stenen, hieuw de gewijde palen omver en wierp die plaats vol met mensenbeenderen.

15 Ook het altaar te Betel – de offerhoogte welke Jeroboam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, gemaakt had – ook dat altaar, die hoogte, haalde hij omver ; hij verbrandde de hoogte, verpulverde ze tot stof en verbrandde de gewijde paal. 16 En toen Josia zich omkeerde en de graven zag, die daar op de berg waren, liet hij de beenderen uit de graven halen, verbrandde die op het altaar en verontreinigde dit, naar het woord des HEREN, dat de man Gods verkondigd had, die deze dingen aangekondigd heeft. 17 Voorts zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik daar zie? En de lieden van de stad zeiden tot hem: Het is het graf van de man Gods, die uit Juda gekomen is en deze dingen tegen het altaar van Betel aangekondigd heeft, welke gij volbracht hebt. 18 En hij zeide: Hem moet gij met rust laten, niemand store zijn gebeente. Zo liet men zijn gebeente onaangeroerd, samen met het gebeente van de profeet die uit Samaria gekomen was.

19 Ook de tempels op de hoogten van Samaria, welke de koningen van Israël gemaakt hadden om de HERE te krenken, verwijderde Josia en hij handelde daarmee geheel gelijk hij te Betel gedaan had. 20 Hij slachtte al de priesters der hoogten die daar waren, op de altaren, en verbrandde daarop mensenbeenderen. Daarna keerde hij naar Jeruzalem terug.

21 Toen gebood de koning het gehele volk: Viert de HERE, uw God, het Pascha, gelijk geschreven is in dit boek des verbonds. 22 Want zulk een Pascha was er niet gevierd van de dagen der richters af, die Israël richtten, en gedurende al de dagen der koningen van Israël en Juda. 23 Maar in het achttiende jaar van koning Josia werd dit Pascha de HERE te Jeruzalem gevierd.

24 Ook de dodenbezweerders, de waarzeggers, en de terafim [kleine vrouwenbeeldjes], de afgodsbeelden en al de gruwelen die in het land van Juda en te Jeruzalem aangetroffen werden, deed Josia weg, ten einde de woorden van de wet gestand te doen, welke geschreven waren in het boek dat de priester Chilkia in het huis des HEREN gevonden had. [mijn ‘vet’] 25 Vóór hem is er geen koning geweest, die zich zo tot de HERE keerde met zijn ganse hart, zijn ganse ziel en zijn ganse kracht, naar de gehele wet van Mozes; en na hem stond zijns gelijken niet op. 26 Doch de HERE keerde zich niet af van zijn brandende toorn, die ontvlamd was tegen Juda om al de krenkingen waarmee Manasse hem gekrenkt had. 27 En de HERE zeide: Ook Juda zal ik van mijn aangezicht wegdoen, zoals ik Israël verwijderd heb; en versmaden zal Ik deze stad die Ik verkoren heb, Jeruzalem, en het huis waarvan Ik gezegd heb: Mijn naam zal daar zijn.

28 Het overige van de geschiedenis van Josia en al wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Juda? 29 In zijn dagen trok Farao Neko, de koning van Egypte, naar de koning van Assur, naar de rivier de Eufraat. Koning Josia ging hem tegemoet; en deze doodde hem te Meggido, zodra hij hem zag. 30 Zijn dienaren vervoerden zijn lijk van Meggido, op een wagen; zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. Daarop nam het volk des lands Joachaz, de zoon van Josia; zij zalfden hem en maakten hem koning in de plaats van zijn vader.

31 Joachaz was 23 jaar oud toen hij koning werd; hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal; zij was een dochter van Jirmeja uit Libna. 32 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vaderen gedaan hadden. (etc)

Tot zover de ‘perikoop’. Je hebt begrepen dat ‘kwaad doen in de ogen des HEREN’ is: het offeren aan andere goden dan aan de Ene Ware God en dat is Jahwe. Hij wordt HERE genoemd en alle andere goden en godinnen worden voortaan als ‘afgoden’ weggezet. Goeie vondst.

Het eerste dat opvalt is dat deze HERE door Zijn woordvoerster Chulda (22 : 14) "de God van Israël" wordt genoemd (22: 15 en 19), en niet van Juda. Dat moet ik me toch eens door een echte bijbelkundige laten uitleggen. Was Jahwe van oorsprong vooral een stammengod van de noordelijke stammen? En was die daardoor een meer geschikte Ene Ware God dan Baäl, die toch veel meer offers trok altijd? Want Hij moest wel de kar van het herstelde Rijk kunnen trekken.

Opvallend ook dat zo’n hogepriester kennelijk een vrouwelijke profeet nodig heeft om de geloofwaardigheid van zijn boekrol te laten bevestigen. En ze komt al meteen met een uiterst pessimistisch verhaal. (Dat ze dat zou doen, wist Josia kennelijk al van te voren: 22: 13.) Dat werkt kennelijk het beste: mensen moeten flink bang gemaakt worden. Maar we moeten wel bedenken dat deze ‘weergave van de feiten’ achteraf is gemaakt van achteraf gemaakte voorgangers. Het zijn heilige teksten en de ongeletterde gelovigen hadden nog ijzersterke geheugens, waarmee ze een verhaal maar één keer goed hoefden te horen voordragen om het letterlijk, met alle stembuigingen en melodie, te kunnen reproduceren. Dus grof er mee rommelen kon je niet. Maar een beetje wel.

23: 4 geeft dus een kijkje op waar er allemaal aan geofferd werd in de Tempel.

Tekstvak: afbeelding van Asjera met haar heilige palen23: 6 "gewijde paal": dat is het beeld van de vruchtbaarheidsgodin Asjera. Misschien is het wel een fallus. In 23: 7 maken de vrouwen er hoezen voor.

In 23: 13 worden enige concurrent-goden een "gruwel’ en een "afschuw" genoemd. Vanwaar toch die haat tegen andere goden dan de Ene Ware? Zodanig dat de eerste vier van de Tien Geboden daar aan gewijd worden? Hiermee raken we aan het belangrijkste punt van het monotheïsme.

Natuurlijk heeft bij de Tempel meegespeeld dat ze het niet konden hébben dat iedereen zomaar die kostelijke offers aan vreemde goden spendeerden in plaats van bij hún god. Maar er speelde wel degelijk ook een breder politiek belang: het Joodse volk weer herenigen en sterk maken omdat ze altijd tussen die machtsblokken Egypte en Assyrië werden vermalen. De dood van Josia (Neko hoefde hem maar te zién en Josia was al het haasje) illustreert het. En hoe kon dat beter dan door ze met Eén Ware God (en met demonisering van hun afleidende eigen stamgoden) op één lijn te krijgen? We zullen het dadelijk ook bij Mohammed zien. Hoe zachtaardig hij ook was en tot compromis bereid, op het punt van de Ene Ware God (met demonisering van de stamgoden) was ook hij ongewoon fel. En ook Arabië werd fijngemalen tussen twee machtsblokken: Syrië en Byzantium.

De EWG van Chilkia is het begin van het monotheïsme. Tegelijk hét ultieme sluitstuk van de mannelijke machtsovername en de definitieve marginalisering van de vrouw en haar verdrijving van alle podia van macht.

Binnen één millennium ontstonden alle vijf de grote monotheïstische stelsels van mannelijke superioriteit: het judaïsme, het boeddhisme, het confucianisme, het christendom en als laatste, even vóór 600 nC, de islam.

Ook het boeddhisme en het confucianisme? Boeddha noch Confucius heeft ooit beweerd goddelijk te zijn. Maar de stichters zelf zijn door hun volgelingen door de hele geschiedenis als goden vereerd; de grondslag van hun opvattingen was én tegen alle afgoderij (d.i. het offeren aan stamgoden) én hard boiled patriarchaal. Hoe de boodschap van de mannelijke superioriteit ook werd verpakt, de uitwerking ervan heeft op de levens van hun vrouwelijke aanhangers dezelfde onderdrukkende gevolgen gehad. Bij alle vijf werd de boodschap voorgesteld als heilig, door God zelf aan heilige mannen ingefluisterd.

Natuurlijk was dit geen complot. Het hing in de lucht, de tijd was er rijp voor. It’s the economy, stupid. Het is de markt. Het is de handel, die niets aan kan met overal stammen met stammengodjes en krijgsheren. Om in grote lappen van de aardoppervlakte te komen tot één beschaving ten behoeve van onbedreigde handelskaravanen, moet je alle stammengoden uitroeien en één God voor iedereen brengen. Maar dan moet die ook acceptabel zijn voor iedereen. Welnu, daar kon voor gezorgd worden.

Jehova bood aan de Joodse krijgsheren “grote en bloeiende steden, die u niet gebouwd hebt; huizen vol met allerlei goederen, waarmee u ze niet gevuld hebt; uitgehouwen bakken, die u niet uitgehouwen hebt; wijngaarden en olijfbomen, die u niet geplant hebt” (Deuteronomium 6: 10-12). Kortom “een land, vloeiende van melk en honing” (Deut. 6:1-3). Het geliefde volk Israëls hoefde het alleen maar in te pikken. [36]

Boeddha (560 – 480 vC) bood, in de uitzichtloosheid van de ‘apartheid’ van het heersende kastenstelsel, uitzicht op de doorbreking van de (tengevolge van wedergeboorte) eeuwigdurende kringloop van het lijden: het nirwana, de eeuwige vergetelheid. Bereikbaar door het volgen van het pad dat tot ‘verlichting’ leidt.

Confucius (551 – 478 vC) leefde in een tijd van stammenoorlog, rechteloosheid en zedelijk verval. Hij predikte een humanistisch-ethische leer, gericht op de ‘juiste maat’, voortdurende zelfopvoeding, oprechtheid in de omgang, met als enige stelregel “wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Pleitte voor goed openbaar en voor ieder kind toegankelijk onderwijs, met veel kunstgevoel, muziek en goede omgangsvormen.

Jezus (3 vC – 33 nC) had zelf niet zo’n duidelijke van het judaïsme afwijkende boodschap, maar na diens gruwelijke terechtstelling is daar door bepaalde volgelingen een van het judaïsme afwijkende leer van gemaakt. De aantrekkingskracht daarvan was dat iedereen, of hij nu heer was of slaaf, man of vrouw, voor God gelijk was en in de hemel eeuwig zalig kon worden. Maar het zou een marginale sekte gebleven zijn als keizer Constantijn er geen prima ideologie voor de vereniging van zijn rijk in had gezien. Of was het toch vooral de prima organisatie waar die beginnende Kerk al over beschikte? Misschien de combinatie dan. Maar het christendom leende zich erg goed als trekpaard voor de politiek-economische kar. Helaas werd Europa al snel voor ettelijke eeuwen lamgelegd door invallende barbaren zoals de Noormannen. Pas toen dat over was kon het Westen aan zijn opgang beginnen.

Mohammed (571 – 632 nC) was een profeet die als karavaanleider aan den lijve de voor de handel onwerkbare situatie van al die plunderende en tolheffende en elkaar uitzichtloos op leven en dood bevechtende Arabische woestijnstammen had ondervonden. Van zijn joodse en christelijke medehandelaren hoorde hij dat zij het met hun éne ware God veel beter getroffen hadden. Mohammed maakte van vooral de Joodse godsdienst een Arabische versie, met een Arabische Ene Ware God. De modernste godsdienst van allemaal. Vrouwvriendelijker. Wereldser ook. Met één simpele boodschap: er is maar één God en dat is Allah! Ieder die dat beaamde, en een paar simpele dingen beloofde, mocht zich moslim noemen. In korte tijd onderwierpen de moslimlegers een enorme lap aardoppervlak, waar de Pax Islamica heerste en de handel en de welvaart en de wetenschap opbloeide als nimmer tevoren.

Met de stichters na die van het judaïsme was niets mis, en hun boodschap was vrouwvriendelijker dan de bestaande situatie. Zelfs Paulus schreef: “In Christus is geen sprake van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk …”: allemaal gelijk. Ook het boeddhisme charmeerde de vrouwelijke aanhang door gelijkheid te beloven; de drievoudige stelling “alles is lijden, alles is vergankelijk, er bestaat geen ziel” gold voor vrouwen evenzeer als voor mannen, en voor boeddha gold seks als van minimaal belang. En Confucius was gewoon een zeer fatsoenlijke man met een alleszins fatsoenlijke boodschap die geen vrouw iets kon aandoen wat een man zelf niet zou willen.

Mohammed leefde in een samenleving die niet bepaald vrouwvriendelijk was. Oké, een bedoeïnenvrouw kon meer dan één man trouwen als haar dat zo uitkwam. Als ze zwanger was, liet ze al haar echtgenoten bij zich komen en dan wees ze er één aan als de vader van het kind. Die man kon niet weigeren. En als ze een van die extra-echtgenoten kwijtwilde, zette ze eenvoudigweg haar tent andersom, ten teken dat haar deur voor hem voortaan gesloten was. Trouwens, het was Mohammeds eerste vrouw, Khadija, die hém ten huwelijk had gevraagd, niet andersom.

Maar vanwege de eindeloze en uitzichtloze stammenoorlogen vierde het machisme er hoogtij. Oorlog maakt mannen belangrijk, weet je wel. Mohammed kwam op het laatst van zijn leven onder druk van zijn machistische volgelingen te staan en heeft toen wat vrouwonvriendelijke verzen geproduceerd. Zelf zat hij zo niet in elkaar en als je die laatste verzen even wegdenkt is de Koran het vrouwvriendelijkste ‘boek’ van allemaal. Met Mohammed was even weinig mis als met Jezus. Gewoon prima kerels.

Het venijn zit in wat schriftuitleggers van die heilige boeken maken. Het venijn zit in de heiligverklaring van die Boeken. Wanneer iemand (of een elite) de macht heeft, heeft hij ook de macht over de uitleg van het Boek en de macht om die uitleg heilig te verklaren. De mannelijke machthebbers lieten hun mannelijke lofzanger-priesters de Boeken in hun voordeel uitleggen en die uitleg heilig verklaren en daarmee was de mannelijke machtsovername definitief bezegeld. Pas de vrije markt, die niets aankan met scheidslijnen tussen de consumenten, bevrijdt ons (en met name de vrouwen) van die ellende. Maar voorlopig kan die alleen in het Vrije Westen haar gang gaan. De rest van de wereld zucht nog onder heersende despoten en klassen. Die usurperen de markt en houden daardoor de opbloei tegen. Daar tiert dus ook de mannelijke uitleg van de Boeken nog welig. Trouwens, ook in het Vrije Westen zijn de geesten nog lang niet overal en in alle geledingen vrij. In het Vrije Amerika zijn de christians onder de Bush-regering zelfs nog in opmars.

het kwaad van het monotheïsme

We hebben de functie van het monotheïsme gezien (het bestrijden van stammenverdeeldheid en uniformering ten behoeve van de markt) en de ramp die het voor de vrouwen heeft betekend. Maar nu komen we aan het échte enge van het monotheïsme.

Het is moeilijk voor degenen die nooit bij het fenomeen ‘Ene Ware God’ (EWG) hebben stilgestaan (de meesten dus) en er altijd van uit gegaan zijn dat het geloof in God mensen tot betere wezens maakt, om te gaan beseffen dat dit geloof een vorm van escapisme is en dus eerder een hinderpaal betekent voor het worden van een beter mens. Dat word je namelijk alleen door het beter begrijpen en dus kunnen accepteren van je medemensen. Geloven in de Ene Ware God, in een Allerhoogste, leidt je verantwoordelijkheidsgevoel van je medemensen af en richt dat gevoel geheel op de Allerhoogste.

Alle vrome geprevel van de patriarchen ten spijt maakt de EWG-ideologie mensen gewetenloos voor elkaar. Vooral mensen die, door welke omstandigheid of oorzaak dan ook, labiel en ongelukkig in het leven staan, kunnen gemakkelijk in de verleiding komen om zich geheel aan de dienst van de Allerhoogste te wijden en zodoende aan hun problemen te ontsnappen. Het verengt hun kijk op de wereld en hun medemensen, alsmede het doel van hun eigen leven en dat van de anderen, op iets buiten de werkelijkheid. Op iets Hogers, de Allerhoogste. In de zon kijken verblindt. De fanatiek-gelovige wordt blind voor de gewone wereld, het leven van de anderen en zelfs het eigen leven. Nuances vallen weg, goed en kwaad zijn zwart-wit. Voor de gelovige wordt alles ondergeschikt aan de ‘Allerhoogste’ en daardoor onbelangrijk. Zelfs het eigen leven. Martelaarschap, het hoogste offer, biedt de ultieme ontsnappingsmogelijkheid uit de problemen. Vooral voor mensen die zich intens vervreemd en onzeker, vernederd of wanhopig voelen.

De verblinding maakt hen ook blind voor het Boek, het Woord Gods. Alles wat daar in staat, is heilig: onbetwijfelbaar. Dus kun je het maar beter niet proberen te begrijpen of zelfs lezen. De buitenkant is meestal genoeg. De meeste moslimfanaten kunnen wel koranverzen reciteren maar het Arabisch meestal niet verstaan.

Het geloven in een EWG is niet het enige dat het denken van mensen zo in beslag kan nemen. Het kenmerkt ook het geloof in het eigen ras, de eigen natie, het eigen volk. Het is zelfs (een beetje maar hoor) eigen aan verliefdheid. Liefde maakt blind.

De EWG-ideologie is collectivistisch, en is dus nauw verwant met communisme en fascisme. Wanneer de laatste niet ook atheïstisch waren geweest, zoude die ideologieën de Kerk aan hun zijde hebben gehad. Ze zijn wezenlijk anti-democratisch. De vrije markt is wezenlijk democratisch, en kan dus niets met collectivisme. Vandaar dat bij het dóórbreken van de vrije markt sinds de zestiger jaren de collectivistische Grote Verhalen zijn gaan verdampen.

Het geloof in het eigen ras of de eigen natie is onschuldig zolang er geen despoot is die het sentiment bij zijn onderdanen bespeelt om ze er een oorlog mee in te jagen – hetzelfde geldt trouwens ook voor het EWG-geloof: onschuldig zolang het niet door kwaadwilligen gebruikt wordt om er anderen meer voor hun politieke kar te spannen. Het bijzondere van het geloof in een EWG is dat het ‘t individu op zichzelf terugwerpt. Het is een individuele verblinding. Een individuele ‘lijn’ met de Allerhoogste. Medegelovigen zijn alleen van belang voorzover er in gezamenlijk optreden een Hoger Doel mee kan worden bereikt. Voor de fanatieke gelovige zijn immers zijn medemensen, zijn eigen kinderen en zelfs zijn eigen leven, onbelangrijk.

Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn. Lucas 14: 26

Het is dit EWG-geloof dat verantwoordelijk is voor veel gruwelijke taferelen, massaslachtingen en mensenrechtenschendingen sindsdien. Het denkbeeld bezorgt ons ook vandaag nog grote problemen.

Maar ik vind dat we de lijn vanaf onze vroegste voorouders acht miljoen jaar geleden in dat duistere regenwoud in Oost-Afrika tot hier ver genoeg in vogelvlucht zijn overgefladderd om te laten zien hoe wij, als speciale natuurfenomenen, in elkaar zitten. Hoe we tot tobbende apen geworden zijn en met wat voor wankele geestelijke middelen we ons tot nu toe overeind hebben weten te houden. Wat? Hoe we daarmee van een onaanzienlijk ondersoortje apen tot de heersers der aarde geworden zijn. In het derde en laatste deel ga ik het idee ontwikkelen hoe we hiermee een nieuw geloof in onszelf kunnen maken.

Om te laten zien ook met hoe weinig moeite er een nieuw, consistent ontstaansverhaal te vervaardigen valt om de leegte waarin wij onze jongeren hun bestaan moeten zien te wortelen, van vaste en zelfs vruchtbare grond te voorzien. Laten we er in Godsnaam snel een begin mee maken.

Conclusie uit Deel Drie.

Mensen hebben een gedeeld Verhaal nodig om een gevoel van gemeenschap en binding met een gemeenschappelijke doelstelling te hebben. Het feit dat wij dat tienduizenden generaties lang gehad hebben maakt dat wij nog steeds met de verwachting ter wereld komen dat de mensen tussen wie wij ter wereld komen, hun wereld en hun samenzijn dansend/zingend beleven in een Verhaal dat ook ons leven structuur zal bieden. Dat is het religieuze gevoel waarmee wij behept zijn ook al zien we nooit (meer) een kerk van binnen. Godsdienst is alleen de toevallige plaatselijke en tijdelijke invulling van de cultuur waarin we geboren zijn, en die dateert pas van hooguit tweeduizend jaar geleden; dus dat erf je niet, dat krijg je pas mee na je geboorte. Evengoed vorm je er wel je identiteit, je zelfbeeld en het beeld van je wereld mee. Dus los komen van je godsdienst, ook al heeft die je weinig geluk te bieden of verziekt die zelfs je leven, is niet gemakkelijk vanwege dat je identiteit er aan vast gegroeid zit. Je er van los maken wordt ook bemoeilijkt doordat die godsdienst of de machtige woordvoerders ervan je er van overtuigen dat je na je overlijden beloond zult worden voor geduldig gedragen lijden en gestraft voor geloofsafval. En al helemaal wanneer de woordvoerders je bij geloofsafval zelfs eigenhandig van dat leven beroven.

Wanneer de samenleving waarin je terechtgekomen bent, haar Verhaal verloren heeft door de werking van de vrije markt met haar dagelijkse televisiebeïnvloeding, leef je wel een stuk vrijer, dus gelukkiger. Alleen je samenleving functioneert dan niet naar behoren. We hebben weinig gevoel van samenleven wanneer onze samenleving geen Verhaal heeft dat duidelijk maakt waar dat samenleven toe moet leiden en waar we het allemaal voor doen. Een Verhaal dat ons bindt. Als dat er niet is, hebben we niet het gevoel dat we wat met elkaar te maken hebben en dan gaat ieder maar zijn eigen gang. Worden we allemaal libertaristen.

DEEL VIER. EEN NIEUW GELOOF.

leve de vrije markt

De kerken zijn vanaf de zestiger jaren van de afgelopen eeuw aan een leegloop begonnen en daar lijkt geen eind te komen. Maar … God is nog steeds ‘in’.

EO-jongerendagen en het Jeugdfestival in Rome trekken massaal jongeren en andere ‘reli-hoppers’ die er ‘uit hun dak gaan’. Die jongeren worden er door niemand heen gestuurd, dat doen ze uit zichzelf. Het in sept.’00 gepubliceerde rapport Secularisatie in de jaren negentig van het Sociaal en Cultureel Planbureau constateert dat, hoewel de buitenkerkelijkheid blijft stijgen, de gelovigheid in een hiernamaals en in wonderen toeneemt, en met name bij jongeren.

Dat de jongeren massaal op die reli-festivals afkomen is niet uit godsdienstigheid, zo stelde Meerten ter Borg, een godsdienstsocioloog. “Het is blijkbaar een aangeboren drift om zin en betekenis aan het bestaan te verlenen”. Met die opmerking kan ik het eens helemaal zijn. Ter Borg beschouwt godsdienstigheid niet als iets dat tot onze aangeboren eigenschappen behoort. Zin en betekenis aan het bestaan willen verlenen wel.

Hoe die jongeren aan die drift komen, hebben we in het vorige deel geboren zien worden: mensen moeten, om structuur te hebben in woordenwereld en in hun denkbeelden, deze in een samenhangend en liefst breed gedeeld Verhaal zien hangen. Een Verhaald waarin zij zichzelf en hun plaats in het grote geheel dat door het Verhaal bestreken wordt, herkennen.

Het gaat hier nu om te weten waardoor de kerken leeg zijn gaan lopen en wij, Westerse mensen, als eersten in de geschiedenis, zonder Groot Verhaal zijn komen zitten. Zoals ik al gezegd heb: niet uit vrije keuze, maar net als bij ons begin met het regenwoud: het verliet ons.

Veel denkers hebben als verklaring van de leegloop geopperd: het betere onderwijs, of de hogere levensstandaard. Onzin natuurlijk want dan zouden de kerken vol zitten met mensen met een lagere levensstandaard en eenvoudigere opleiding. Terwijl het juist de gewone man is die de kerk heeft ingeruild voor het voetbalstadion en zijn belijdenis voor het clubgevoel.

Onze denkers geven weinig blijk van inzicht in het mechanisme dat korte metten heeft gemaakt met de ‘oude vormen en gedachten’ van onze voormalige klassensamenleving. Het mechanisme dat ook nog eens een einde heeft gemaakt aan een geschiedenis die vijfduizend jaar geleden met de eerste klassensamenlevingen van start ging. Een nogal belangrijk mechanisme, zou je zeggen. Niettemin zat ik – het was nog 1999 – in de auto machteloos toe te luisteren naar een radiodiscussie, waarbij de gespreksleider aan het panel gevraagd had wat nou het belangrijkste historische feit van de afgelopen eeuw genoemd moest worden. Er werd van alles geopperd maar niet de televisie en niet de historisch totaal nieuwe situatie waarin wij in het westen zijn komen te leven. “De televisie!” had je mij kunnen horen roepen als je naast me had gezeten – want die was de bulldozer voor het dóórbreken van de vrije markt.

De markt is geboren in de eerste stadstaten van rond vijfduizend jaar geleden. Liever gezegd andersom: het is de opbloeiende handel geweest die de stadstaten heeft doen ontstaan.

De markt is de ontmoetingsplaats bij uitstek voor wederzijds voordeel. Op de markt is iedereen in principe gelijk. Daar heerst de wet van vraag en aanbod. Je hebt er als koopvrouw of –man niets aan om je klandizie eerst te checken op geloof of cultuur of stand: als de klant een goede afnemer is, is het in orde. Voor de autochtone Nederlanders boden de eerste echte kennismaking met de Turkse of andere allochtone Nederlanders hun winkels.

De markt is wezenlijk democratisch. Niet voor niets ligt de bakermat van de democratie in Griekenland. Op de agora (het marktplein) van het oude Athene was iedereen gelijk. Of je moest de pech hebben dat je toevallig vrouw was. Of slaaf. Of niet-Athener. Ja, een echte vrije markt was het natuurlijk nog niet.

In de klassensamenlevingen van de laatste vijfduizend jaar (de tijd van de geschreven geschiedenis) was bepaald niet iedereen gelijk. Wrede despoten met hun trawanten heersten over de massa der boeren en persten die uit. Met de opbrengst rustten ze grote legers uit om daarmee nog meer gebieden onder hun juk te brengen en uit te persen. Ze richtten enorme paleizen en tempels op en grote beelden van zichzelf.

Een moeilijke tijd voor de markt, want ook de kooplieden werden afgeperst. Als nieuwe klasse geboren in de tot steden uitgegroeide knooppunten van handel, in het Midden-Oosten, in India, in China en in Midden-Amerika, leidden ook de kooplieden een moeizaam bestaan vanwege de voortdurende uitplundering door die heersers en hun trawanten.

De markt is een zachte kracht. Ze is niet opgewassen tegen militair geweld, maar zoekt geduldig naar mogelijkheden, wacht haar kansen af. In de stadstaten van het oude Griekenland wisten de burgers de despoten lange tijd op een afstand te houden en vandaar hun ‘democratie’ en de opbloei van handel, kunsten en wetenschappen. Maar overal waar despoten hun macht ongebreideld konden uitoefenen, bleef het marktwezen moeizaam en beknot. Dit was zowel in China en Midden Amerika als in het Midden Oosten het geval, en daardoor behoren die beschavingen nu tot de derde wereld.

Waar de kooplieden de despoot van zich afhankelijk wisten te houden, kon deze echter bijzonder goed werk doen. We denken hierbij aan de Romeinse keizers, althans sommige. Die van de tweede eeuw bijvoorbeeld hebben het Romeinse Rijk uitgebreid van de Portugese kust tot aan de Tigris en van Schotland tot het zuiden van Egypte. Bin