Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

Ons Scheppingsverhaal

 

SCHEPPINGSVERHAAL?

Ja, ons menselijke ontstaansverhaal. Het vertelt hoe wij van mensapen tot talige wezens geworden zijn. Wat taligheid doét met een dier. Wij leven in een woordenwereld, een wereld van benoemde dingen. Voor ons bestaan de dingen slechts als we er een woord voor hebben. Dichters zijn ‘scheppende kunstenaars’: met hun woorden scheppen zij hun poëtische werkelijkheid.
Vandaar dat ik ons ontstaansverhaal ‘scheppingsverhaal’ durf te noemen. Het onderscheidt zich van de oude scheppingsverhalen dat het op wetenschap gebaseerd is. Let wel, het is dus geen wetenschappelijk verhaal, want ik ben geen wetenschapper. Ik gebruik er wel alles wat de relevante discipline-wetenschappen zoals antropologie, archeologie en paleoantropologie aan gegevens aandragen, bij om zo dicht mogelijk bij de echte gebeurtenissen te komen die ons gemaakt hebben zoals we vandaag zijn.
Want wat is waarheid? Dat is de werkelijkheid van heden en verleden, blootgelegd met alle voor ons beschikbare wetenschappelijke middelen. Aangezien de wetenschappen alsmaar blijven doorgaan, blijft de waarheid altijd onderweg. Het is als een steeds verschuivende horizon, de waarheid groeit met ons mee. Voorwaarde is dat er alles bij in stelling gebracht wordt en dat er niets buiten beschouwing gelaten wordt. Elk wetenschappelijk feit dat niet mee mag doen, trekt het bouwsel van de waarheid scheef.

Ons Scheppingsverhaal (PDF, versie 9 juni 2015)


Versie 9 juni 2015

Woord vooraf

 

Ons Scheppingsverhaal? Wilt u ons een opgeleukte versie van het monotheïstische Adam-en-Eva-verhaal gaan brengen?

Nee-nee-nee. Ik wil u ons echte ontstaansverhaal vertellen. Dus hoe wij van apen tot mensen geworden zijn. Met gebruikmaking van alles wat mij aan wetenschap binnen mijn bereik is gekomen en tot op de dag van vandaag tot ons komt. U zou het zelf ook kunnen, of zelfs beter. Als u er maar even gedreven mee bezig zou zijn, en … ook al zo lang. Ik begon er al mee toen ik 17 was en nu ben ik tachtig-plus.

Ik zal het u nog sterker vertellen. Als u of willekeurig wie anders dan ik dan ook, zich daar even lang en even fanatiek als ik mee bezig zou hebben gehouden, zouden wij nu geen crisis beleven. Zo! Want ieder ander zou het beter kunnen ‘verkopen’ dan ik. Denk ik.

Nou ja, laat maar zitten.

 

Waarom ik ons ontstaansverhaal dan toch ‘scheppingsverhaal’ durf te noemen?

Om dezelfde reden waarom u en ik onze dichters tot de scheppende kunstenaars rekenen. En waarom een creatief persoon iemand is die graag scheppend bezig is. Een verhalenverteller vinden u en ik zeker ook een ‘scheppend’ kunstenaar.

In de loop van mijn hier volgende Ontstaansverhaal wordt het duidelijk dat wij, mensen, ‘talige’ wezens zijn geworden, en dat wij in een ‘woordenwereld’ leven. Ja, niet te flauw. Maar vandaar dus.

 

Dat oude en achterlijke Adam-en-Eva-verhaal is nog steeds niet ‘uitgedaagd’ door een westers, op wetenschap gebaseerd alternatief. Dus het doet nog steeds opgeld!

Alleen heeft het in de landen waar de vrije markt economie heerst, alle geloofwaardigheid verloren en word je medelijdend aangekeken wanneer je je er nog op beroept.

Maar … degene die je dan medelijdend aankijkt, heeft zelf geen beter verhaal.

 

Dit nu is een wantoestand. Het is zelfs een Catch 22-toestand.

[Deze term is in 1991 gemunt door het gelijknamige boek van de Amerikaanse romanschrijver Joseph Heller, en is sindsdien deel van de logica. Catch 22 duidt de paradoxale situatie aan waarin het onmogelijk is om een gewenste uitkomst te bereiken vanwege een blokkerende maar inherente regel. Voorbeeld: je solliciteert als beginneling naar een baan, maar wordt afgewezen vanwege je gebrek aan werkervaring – die je nou juist in die baan wilt opdoen.]

Dat onze samenleving nog steeds geen alternatief heeft voor het achterlijke en terecht ‘verdampte’ Adam-en-Eva-verhaal komt, doordat men pas moeite gaat doen om dat gemis op te vullen als men ons echte Verhaal kent en daardoor beseft dat het een voorwaarde is voor het goed kunnen samenleven. Catch 22-situatie.

 

Wie zouden dat echte Verhaal dienen te kennen? Humanisten natuurlijk. En filosofen zeker ook, want hun aartsvader Immanuel Kant (1724-1804) heeft op het laatst van zijn leven nadrukkelijk de boodschap achtergelaten dat de belangrijkste taak van de filosofie is: ‘de mens’.

Waardoor blijven de filosofen dan in gebreke? Ik zie daarvan twee oorzaken. De eerste is dat het altijd aan de kerken geweest is om te mogen uitmaken hoe mensen zijn; filosofen hadden zich daar niet mee te bemoeien; en als een filosoof zich toch op hun terrein zou hebben begeven, zou hij zijn universitaire aanstelling in gevaar gebracht hebben – de kerken hebben altijd een vinger in de pap van de universitaire benoemingen gehad. Nu zou een beetje filosoof zich daar niet door hebben laten afschrikken, als hij – en nu komt de tweede oorzaak – de beschikking zou hebben gehad over relevante wetenschappelijke informatie.

 

Zelfs toen, van afloop van WOII, de leden van de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opstelden, en zich daarbij baseerden – niet op God, maar – op het mens-zijn van iedere mens, kon die basis nog niet nader wetenschappelijk onderbouwd worden.

Dat werd pas mogelijk in de zestiger jaren, toen in de westerse landen de vrije markt economie was doorgebroken. We werden vrij en welvarend. Relevante wetenschapsgebieden (denk aan antropologie, paleoantropologie en ethologie) kregen geld voor dure veldonderzoeken. In de zeventiger jaren kwamen de resultaten ervan beschikbaar voor wie er mee aan het werk wilde gaan.

 

Helaas waren de filosofen toen postmodern geworden.

Hoe kwam dat nou toch weer? Ik zie daarvan wel drie oorzaken. De eerste is WOII. De oorlogsmisdaden hadden het vertrouwen in het mens-zijn dermate geschokt dat het optimisme dat de moderniteit steeds had gewekt (door industrialisatie, uitvindingen, liberalisme, vrouwenemancipatie, langdurige vrede, kortom door eclatante vooruitgang) bij de denkers plaats maakte voor een geringschattende kijk op de mens. De tweede is dat het gezag van de kerken gedurende het eerste decennium na de oorlog behoorlijk groot was, en hun inherente lage dunk van ‘de mens’ naadloos met dat pessimisme spoorde. De derde oorzaak die ik bedenk is dat Immanuel Kant zich in zijn belangrijkste geschrift Kritik der reinen Vernunft (1781) het hoofd gebroken had over de aard van de werkelijkheid en over hoe we die kunnen kennen. Daar hadden de filosofen het nu heel druk mee, meenden ze. Daar dienden ze ten behoeve van de overige wetenschappen toch helderheid in te krijgen. Nee, de filosofie had met epistemologie en ontologie en metafysica en hermeneutiek en Plato genoeg om handen om zich betekenisvol te achten.

Kant had de fenomenen (de dingen zoals wij ze met onze zintuigen gewaar worden) gesteld tegenover de noumenon (de Dinge an sich: zoals ze ook buiten onze waarneming bestaan). De laatste kunnen we niet kennen en daarover dienen we dus te zwijgen; de filosofie heeft zich alleen te bemoeien met de fenomenen. Dat leidde tot de fenomenologie van Hegel, Husserl, Heidegger, Merleau Ponti en Derrida, om een stel fenomenologen te noemen.

Schreef Kant zelf al tamelijk duister voor een leek, genoemde filosofen beschouwden ontoegankelijkheid voor leken als een vereiste voor een academisch filosoof. De geschriften van de postmoderne filosofen zijn dan ook berucht vanwege hun jargon. Maatschappelijk volstrekt irrelevante vertogen kregen daardoor onverdiend respect.

 

In Nederland moest de meer naar de Amerikaanse analytische filosofie neigende – de Amerikaanse filosofen schreven gewone heldere taal –, Amsterdams filosoof Frits Staal niets hebben van dat esoterische filosofenjargon en publiceerde in De Gids in 1967 het artikel “Zinloze en zinvolle filosofie”, waarin hij de kachel aanmaakte met de Duitse en Franse fenomenologen.

Maar zijn Heidegger-georiënteerde collega’s aan de UvA maakten, aangevoerd door hoogleraar Jan Alers, hem het leven zo zuur dat Staal in 1968 een hoogleraarschap filosofie en Zuid-Aziatische talen in Berkeley, Californië, aanvaardde.

Jammer, Frits Staal was als vijand van mijn vijanden een vriend. Ik heb in de jaren 90 nog contact met hem gehad, maar hij bleef een taalkunde-man. Ook taalkundigen zijn afhankelijk van de filosofie; dus ook zij weten nog niets over ‘de mens’.

 

De term postmodernisme, aanvankelijk van toepassing op architectuur, literatuur, poëzie, kortom op elke vorm van kunst die na het modernisme kwam, kleurde sinds La condition postmoderne (1979) van Jean-François Lyotard (1924-1998) ook de filosofie.

Lyotard stelde dat de ‘grote verhalen’ dood zijn en dat daarmee het tijdperk van de moderniteit ten einde is. De werkelijkheid is te complex geworden om deze nog in ‘alles-verklarende theorieën’ te vatten. Denkers dienden zich nog slechts te beperken tot het stellen van vragen bij het gevondene. Ieder leeft in zijn eigen fragment van de werkelijkheid, en kiest daarin zijn eigen pakker aan normen en waarden.

Dit relativisme nu ontnam niet alleen aan de filosofie maar ook aan haar voedingswetenschappen als antropologie, paleoantropologie en ethologie alle grond.

 

Ik moet mij by the way verontschuldigen voor mijn uitleggerigheid. Heb ik overgehouden uit mijn 15 jaar leraar-zijn. Ben nu al 40 jaar (portrettekenaar en) humanosoof, maar heb nog steeds de neiging om voor scholieren te schrijven; leg dus elk onalledaags begrip uit.

Vergeef mij ook dat ik geen wetenschapper ben. Geen georganiseerd humanist, geen academisch filosoof. Maar ik maak wel al 40 jaar ijverig gebruik van alle voor leken vrijkomende materiaal uit antropologie, paleoantropologie en ethologie, om datgene te doen waar filosofen en humanisten bij in gebreke in blijven: werken aan ons echte Verhaal. Aan het westerse, dus op wetenschappen gebaseerde, alternatief voor het achterlijke en vrouwvijandige Adam-en-Eva-verhaal.

Uit balorigheid ben ik mij humanosoof gaan noemen.

 

Laat ik hier alvast een ‘abstract’ presenteren van ons echte Verhaal, zodat u weet wat u verwachten kunt. Ik presenteer het stapsgewijs, want veel is voor u nieuw.

— Als soort zijn wij ons van onze mededieren gaan onderscheiden door namen voor de dingen te gaan ontwikkelen; wij zijn talig e wezens geworden.

— Wij zijn in een woordenwereld komen te leven, een wereld van benoemde dingen.

— Op die veelheid van benoemde dingen hebben wij vanouds grip gehad door deze te beleven binnen het Ontstaansverhaal ervan, het verhaal over hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn.

— Dat is het Scheppingsverhaal. ‘Creatief’ zijn betekent: graag dingen ‘scheppen’, en ook de dichtkunst behoort tot de ‘scheppende’ kunsten. Ik blijf dus ons ontstaansverhaal als ons Scheppingsverhaal aanduiden.

— De centrale Scheppende Figuur erin, van oorsprong het eerste groepje dat het stamgebied betrad en er de dingen hun namen gaf, werd in een tig generaties bestrijkende proces ‘ingeklonken’ tot de Grote Voorouder die alle dingen geschapen had. De proto-God dus.

— Het beleven van onze (woorden)wereld binnen het gedanst/gezongen Scheppingsverhaal ervan gaat al zo lang met ons mens-zijn mee dat dit als het religieuze gevoel een overerfelijke neiging is geworden. Het gevoel dat ons ingeeft: ‘er moet IETS zijn’, wanneer we niet langer in de op de wolken gezeten en door engelen omstoeide baardman geloven.

— Vanaf de IJzertijd maakten de opeenvolgende heersende klassen gebruik van deze algemeen-menselijke behoefte, door macht over de invulling van het Scheppingsverhaal uit te oefenen. Het werden o.a. onderdrukkende godsdiensten, de collectivistische Grote Verhalen met de zojuist beschreven baardman als de Almachtige Grote Leider, of ook wel een sterfelijke Grote Man.

— Mensen denken conform de heersende economie.

Mensen die nog in de oer-economie van Verzamelen/Jagen leven (zijn er nog maar heel weinig) beleven hun (woorden)wereld nog zoals onze voorouders in de oertijd: op een aanvaardende manier.

De ‘wilde stammen’ (Indianen, Bedoeïenen en zo) die hun basisvoedsel telen en fokken, beleven hun (woorden)wereld heel anders dan hun VJ-voorouders: op een controlerende manier.

De boerenmassa’s onder hun grootgrondbezitters-elites denken conform hun opgelegde ideologie.

De westerse consumenten, bevrijd van opgelegde ideologieën, denken ‘marktconform’: de klant is koning, vrijheid/blijheid, democratisch en individualistisch.

 

Deze mensvisie komt voort uit filosofenwerk, niet uit het werk van disciplinewetenschappers. Maar zij steunt wel volledig op de veldonderzoeken van de laatsten. Werk dat de academische filosofen links laten liggen.

Filosofen geven desalniettemin graag hun opvattingen over de menselijke natuur ten beste. Die zijn onveranderlijk pessimistisch van aard. Rechtsfilosoof Andreas Kinneging orakelde in het “Debat over de Moraal” waaraan Trouw in 1996 een special wijdde: “Van nature is de mens een woeste barbaar, die zonder bedenken moordt en rooft.” Of, een recent citaat, van de Nijmeegse filosoof Paul van Tongeren in Trouw 8 mei 2015: “We weigeren te aanvaarden dat de mens door en door gewelddadig is”.

Waar halen ze deze opvatting vandaan? Van oude filosofen zoals Thomas Hobbes (1588-1679). Die had evenwel nog geen wetenschappen tot zijn beschikking; zijn homo homini lupus- gevoel werd ingegeven door de oorlogen van zijn tijd. Maar vandaag horen filosofen zich op de hoogte te stellen van wat er inmiddels vanuit relevante disciplines te weten valt. Overigens huldigen de mainstream paleo’s eveneens cultuurpessimistische opvattingen over de menselijke natuur: het postmodernisme heeft ook hun denken gekleurd. Er wordt gewoon niet rationeel gefilosofeerd over de menselijke natuur.

 

de menselijke natuur

 

In de humanosofische visie is de menselijke natuur een ‘drietrapsraket’.

 

1. Onze aller-primitiefst neiging erven wij uit het stadium van de bacteria.

Bij die levensvormen draait het om zoveel mogelijk energie te onttrekken (alle energie is uiteindelijk afkomstig van de zon) aan de omgeving, ter instandhouding van het eigen organisme, en de voortplanting ervan, in blinde concurrentie met andere levensvormen en zelfs met die van de eigen soort. Dat is de ikke -neiging die in ieder van ons huist en die opspeelt in (al dan niet vermeende!) panieksituaties. Onze ikke-ikke-natuur is nog steeds volop actief in ieder van ons, en maakt zich van ons meester in (al dan niet vermeende) panieksituaties, zoals brand!, een zinkend schip, een gedrang.

Opmerkelijk is dat ‘groot geld’ (in tegenstelling tot het gewone ‘sappelgeld’) dit primitief-dierlijke gevoel in ons activeert zodra we daar aan kunnen geraken. Hetzelfde geldt voor macht. Groot geld en macht zijn nauw ‘verwant’: ze corrumperen altijd alles en iedereen.

Ik typ het vetgedrukt, want vandaag is de vrije markt economie, die ons bevrijd heeft van alle collectivistische Grote Verhalen (waaronder het Christendom) gekaapt door het financierskapitaal. Als direct gevolg van deze impact van het ‘grote geld’.

 

2. Maar we zijn geen primitieve dieren, we zijn mensapen, groepsdieren dus. Groepsdieren moeten nog steeds zoveel mogelijk energie aan de omgeving onttrekken ter instandhouding van het eigen organisme en de voortplanting ervan, maar slagen daarin beter door dit in groepsverband te doen dan ieder op z’n eentje. Echter, dan moet die groep wel sterk genoeg zijn in concurrentie met andere dieren en ook met andere groepen van eigen soort.

Concurrentiestrijd binnen de eigen groep verzwakt de kracht van de eigen groep. Harmonie is dus geboden. Daartoe dienen de leden van de groep de eigen ikke-ikke-neiging in te tomen. Ze dienen samen te werken. Ze dienen zichzelf in de situatie van de ander te kunnen verplaatsen, en mee te lijden als de ander lijdt. Ze dienen zich met elkaar te kunnen verzoenen als er toch ruzie is geweest. Allemaal sociale eigenschappen die Frans de Waal in zijn boek Van nature goed (1996) zo goed beschreven heeft en waarover onze soort dus al beschikte toen ze nog in het mensapenstadium verkeerde.

Sociaal gedrag, maar alleen ten opzichte van de leden van de eigen groep. De andere groepen zijn in principe voedselconcurrenten van de eigen groep, dus vijanden. Zelfs de vreedzame bonobo’s, bij wie de groepen niet onder overpopulatiedruk staan, kennen bij een ontmoeting aanvankelijk spanning; maar dan beginnen vrouwen, die in de andere groep familieleden herkennen (jonge meiden vertrekken uit de eigen groep – anders inteelt immers – en sluiten zich aan bij een andere groep), elkaar blij te omhelzen en dan is de vrede snel hersteld. Chimpanseegroepen staan wel onder populatiedruk en staan uiterst vijandig tegenover elkaar.

Onze vreemdelingenangst/haat ressorteert onder trap 2; het heeft in principe overlevingswaarde maar is bij ons veelal onterecht en alleen maar schadelijk. Populisten spelen er op in.

 

3. Onze soort (‘mens’) heeft daar als aapmensen en als Vroege Mensen (van H.erectus t/m H. neanderthalensis), dus in de loop van vijf miljoen jaar, een derde trap bovenop gebouwd: van hypersociaal gedrag.

Zoals gezegd leefden ze met een primitieve scharrel-economie, waarbij een te kleine leefgroep het niet redde maar een te grote ook niet. Altijd op de rand van overleven, net als de overige savannedieren. Mager, maar taai en gezond. De groepjes met de beste harmonie, zowel binnen de groep als met verwante groepen, deden het beter dan groepen in onenigheid. De natuurlijke selectie heeft dus op harmonie geselecteerd.

Al die vele miljoenen jaren lang. Zo is de neiging tot harmonie deel van onze menselijke natuur geworden.

Pas toen en waar mensen in overpopulatie-situatie terechtkwamen, dus vanaf ruwweg 50.000 jg, is die natuur gefrustreerd geraakt.

 

Elk van deze drie aangeboren neigingen rukken aan het roer van het gedrag van ieder van ons en het hangt van de situatie af welke ‘modus’ op dat moment ‘sterker is dan ik’.

 

Onze filosofen weten nog steeds niets van de menselijke natuur, en dat is een wantoestand. Ik ga zelfs betogen, dat het deze onwetendheid is die ten grondslag ligt aan de economische ellende waaraan onze samenleving vandaag ten prooi is.

Die heeft namelijk alles te maken met de vetgedrukte passage in de trap-1 modus waarin wij mensen schieten zodra we met ‘groot geld’ in aanraking komen en we geen ideologische rem meer hebben op die primitieve neiging. Onze bankiers voelen zich terecht geen slechtere mensen dan u en ik. Ze verkeren in hun beroepssituatie alleen ( niet in hun gezinssituatie dus, of onder familie en vrienden) in hun trap 1 modus. Simpel. Maar intussen moeten u en ik op een houtje bijten. En voor erger vrezen. Wantoestand. De schuld van de filosofie.

 

De schuld van de academische filosofie. Natuurlijk niet van Jan Alers die Frits Staal weggepest heeft. En evenmin van Lyotard die onze filosofen postmodern gemaakt heeft. Individueel zijn onze filosofen, ook Kinneging en Van Tongeren, respectabele geleerden. Het is een Catch 22 toestand.

Maar dat neemt niet weg dat, wanneer een portrettekenaar vanaf de jaren 70 met het binnenstromende wetenschappelijke materiaal wél een gedegen en coherent Genesis-verhaal voor elkaar heeft kunnen krijgen – en dat ga ik u laten zien – dat die betere studenten dit dan toch minstens zo goed zouden hebben gekund. En dat ons samenleven in de jaren 80 dan niet aan het NIX ten prooi zou zijn gevallen. En dat we dan vandaag niet met de gebakken peren zouden zitten.

Gewoon mijn schuld dus; als ik mijn inzichten nu eens beter had weten te ‘verkopen’ … Of als er in de jaren 60 een filosoof was geweest die, net als Frits Staal, walgde van het fenomenologen-gezijk, zich met een aantal studenten had geworpen op het binnenkomende materiaal van de relevante disciplines, en zich had gezet aan het reconstrueren van onze menswording: voorzeker zou onze economie vandaag heel wat leefbaarder en verblijdender zijn.

Maar ja, ‘áls’…

 

Doordat de filosofen geen idee hadden (en nog steeds niet hebben) over hoe mensen in elkaar zitten en ze rond 1970 niet beseften dat er zich een noodtoestand aan het vormen was, sprong er van alles in het gat dat er aan het ontstaan was: New Age, esoterische filosofie, occulte wetenschappen, nieuwe religies, alternatieve therapieën en alternatieve leefwijzen, Jomanda, je kunt het zo gek niet verzinnen.

In Amerika greep de secularisatie minder spectaculair om zich heen, doordat het een immigratieland is; immigranten, ontworteld als ze in wezen zijn, blijven zich aan oude roots vastklampen. De grote massa van werkers in de productie en de dienstverlening bleef godgelovig – en God bleef dus voor de politici een gerespecteerde stemmentrekker. Maar veel hoger-opgeleiden waren niet zo simpel en degenen onder hen die met het ‘grote geld’ in aanraking gekomen waren, belandden in de ‘trap-1 modus’.

 

De fel anti-communistische schrijfster Ayn Rand (gevlucht uit Rusland waar haar familie alle ‘grote geld’ was kwijt geraakt) maakte in haar politieke romans van de ontbrekende kennis van de menselijke natuur gebruik om haar voorkeur voor het andere uiterste van een collectivistisch geleide economie (communisme), namelijk het libertinisme, een pure laissez-faire economie, te onderbouwen. Met een visie op de mens als een van nature zelfzuchtig wezen. Vooral haar Atlas shrugged (1957) deed ‘t goed bij de ‘grote geld’-Amerikanen.

Ze onderhield een wekelijkse discussiegroep in haar appartement, en daar was ook de jonge Allan Greenspan toe gaan behoren. Die werd haar belangrijkste volgeling, en leverde veel bijdragen aan haar tijdschrift “The Objectivist Magazine” (ze noemde haar ‘filosofie’ objectivisme). Alan Greenspan werd onder Reagan voorzitter van de FED, de centrale bank van de VS, van 1987 tot 2006.

Via hem is Rand verantwoordelijk voor de verwording van het van oorsprong prima neoliberalisme.

Neoliberale voormannen als Hayek en Friedman moesten niets hebben van een laissez faire economie en gaven de overheid een belangrijke rol in het bestrijden van armoede en al te grote ongelijkheid. Maar de verwrongen idee van de menselijke natuur zoals Rand die propageerde in haar geschriften en lezingen voorzag de Amerikaanse geldwolven, van God los geraakt, van een hen prima passend nieuw geloof.

Vanaf 1980 maakte het prima stakeholder capitalism plaats voor het op het aandeelhoudersbelang afgestelde shareholder capitalism. De rol van de overheid bij de economische beslissingen werd verregaand uitgeschakeld. Greenspan slaagde er in 1887 in om voorzitter van de FED te worden. Hij toonde zich een meester in duistere Fed-speak en wist daarmee de Amerikaanse economie in een libertaristische koers te sturen, met zo weinig mogelijke overheidssturing. Dit heeft het neoliberalisme zijn kwalijke naam bezorgd.

Het moet gezegd dat Greenspan niet zo’n slechte econoom was dat hij geen moeite had met het roekeloze uitgavenpatroon van de Bush/Cheney regering en van de Republikeinen. Of geen zorgen had over de hypotheek-zeepbel.

 

Maar dat de economie in 2008 op de klippen voer, mag zeker mede worden teruggevoerd op de invloed van de Ayn Rand doctrine. Bij de hearing van het Congres in oktober 2008 verzekerde Greenspan, gevraagd naar wat hij vond van Ayn Rand, dat hij voorzeker haar standpunt over het laissez faire van de markten deelde en dat er volgens hem voor een democratische samenleving geen beter idee bestond.

Nou, een financieel-speculant als Bernie Madoff voer er een tijdlang zeer wel bij, inderdaad. Het energiebedrijf Enron, hét grote voorbeeld voor iedereen die meende dat in de nieuwe economie snel veel geld te verdienen viel, ging in 2001 over de kop met 20 miljard schuld en 2100 werknemers kwamen op straat te staan; terwijl de managers, vurige volgelingen van profetes Ayn Rand, zich met vele miljoenen hadden verrijkt. Om wat te noemen.

 

Sinds de jaren 80 is de vrije markt niet meer vrij. Het financierskapitaal, zwaar onderhevig als het is aan het trap 1 effect, was altijd strak aan de teugel van de overheid gehouden. Nu werd het echter politiek vrij gelaten, en raakte het al snel los gezongen van trap 2 en trap 3. Het kreeg de macht in handen en gijzelde de vrije markt. Want geprivatiseerd ‘groot geld’ geeft toegang tot invloed en macht, wat resulteert in beleid dat op elitebelangen is gericht. Het tegendeel van democratie dus; terwijl de vrije markt alleen kan bloeien in een toestand van democratie.

Als voorbeeld citeer ik hier de bespreking van Giftig Krediet. De onvermijdelijke ondergang van SNS Reaal (2015) in De Groene Amsterdammer van 21 mei ’15: “Spaarbank SNS komt voort uit de oerdegelijke Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen. Verzekeraar Reaal uit de vakbonden, al even oerdegelijk. … In de jaren tachtig gebeurt er iets vreemds in de hoofden van de topmannen van de organisatie. Wat? De ideologische tijdgeest? De druk van het grote geld? … Hun entree in een private vastgoedwereld van exclusieve feestjes, dure auto’s, topsalarissen en privévliegtuigen? Je bent toch gek als je dat moois allemaal aan je voorbij laat gaan omdat je er zo nodig principes op na wilt houden?”

 

In de personen van miljardairs en CEO’s van multinationals, grote banken, pensioenbeheerders en verzekeraars voert het private financierskapitaal inmiddels beheer over een geldbubbel van 600 biljoen dollar, tien maal zoveel als het mondiale bbp (bruto binnenlands product: de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten).

Investeert het dat in de productie, zodat onze economieën weer gaan draaien als een tierelier?

 

Helaas, het shareholder capitalism heerst nog steeds. Anders dan met de productie van goederen en diensten van de normale economie, valt met financiële producten veel sneller geld te verdienen, en ook meer geld. Aandeelhouders willen snel geld. Hoe hun bank of multinational dat voor hen genereert, kan ze geen lor schelen. Het gaat over ‘groot geld’ dus ze verkeren in hun trap 1 modus. De CEO zou zijn private miljoenenbonus op zijn buik kunnen schrijven als hij – als ‘levenslang’ verkerend in zijn trap 1 modus – niet doet wat de aandeelhouders van hem verwachten.

Dus waar wordt die 600 biljoen dollar in geïnvesteerd? In commercieel vastgoed, in hedgefunds, in edelmetalen of waar dan ook het optimaal rendement oplevert. Dus vergokt.

 

Intussen wachten de 99% sappelaars en belastingbetalers tot de economie ook voor hen wat leuker wordt. Weinig kans. Reëler is dat we wachten op het volgende exploderen van de bubbel. De 1% ‘grootgelders’ hebben daar persoonlijk weinig van te duchten, want onze overheden haasten zich om de ramp met ons belastinggeld te repareren. Zoals ze dat in 2008 hebben gedaan en waar wij, de 99% ‘sappelgelders’, nog steeds de bezuinigingen van aan het slikken zijn.

 

Maar laat ik ophouden met deze treurigheid, die door tal van auteurs vandaag wekelijks veel beter wordt verwoord. Mijn bijdrage in de discussie betreft een nog niet geopperd en misschien toch te overwegen idee. Namelijk: te gaan werken aan een voor de hand liggend alternatief voor het verdampte oude Verhaal. Ons echte Scheppingsverhaal kan ons misschien gaan bevrijden van deze wantoestand.

Maar om daar voor te willen gaan, moet u het eerst kennen. Catch 22, weet u wel.

 

Ik ga het nu voor u schetsen.

Frans Couwenbergh, humanosoof.

Mei 2015

 

 

 

 

 

 

ONS ECHTE VERHAAL

we zijn oorspronkelijk regenwouddieren

 

In het zeer warme Eoceen, 56–33,9 miljoen jaar geleden (mjg), was Aarde overdekt met regenwouden tot aan de poolcirkel, en op Antarctica groeiden palmbomen. De zoogdieren waren nog klein: in een regenwoud is een grote gestalte een nadeel – de Pygmeeën zijn niet voor niks klein, net als hun belangrijkste prooidieren, de bosolifanten. De vooroudersoorten van de taxonomische orde waar wij toe behoren, de primaten, waren toen nog niet veel groter dan een muis. Ontstaan in Azië arriveerden er 39 mjg drie soorten van ook op het Afrikaanse continent.

De continenten waren al heel lang aan het uiteendrijven – ze zijn er nog steeds mee doende, daar merkte Nepal weer alles van – en gedurende het Eoceen maakte zich als laatste (na Afrika en Zuid-Amerika) Australië los van Antarctica. Dat kwam nu alleen te liggen op de Zuidpool; door het tollen van Aarde om haar as ging er een golfstroom omheen draaien die het afsneed van de warmte-uitwisseling vanaf de hete evenaar; het continent ging heel geleidelijk ver-ijzen doordat de in de winter vallende sneeuw niet langer wegsmolt. Een enorme hoeveelheid water zou zo komen vast te liggen in de aangroeiende ijslaag, met als gevolg dat het steeds droger zou worden op Aarde. Antarctica zou ook als een koel-element gaan functioneren door de terugkaatsing van de zonnestraling (albedo)
, en de temperatuur op Aarde steeds meer doen dalen.

 

paleoklimaatcurve over de laatste 65 mjg (dus nadat Aarde zich hersteld had van de meteoriet-inslag 65 mjg, die oa de grote dino’s had doen uitsterven en de zoogdiertjes alle ruimte bood)

Pal=Paleogeen, Eo=eoceen, Ol=Oligoceen,

Mio=Mioceen, Pl=Plioceen, Plt=Pleistoceen

 

In het Oligoceen (33,9–23,03 mjg) werd dat al goed merkbaar – hoewel het toen nog steeds een stuk warmer was dan vandaag. De primaten ontwikkelden zich in Afrika verder, de grootste kregen al de afmeting van een vos.

In het Laat-Oligoceen splitste onze taxonomische familie, die der mensapen (hominoiden), zich af van de gewone apen (cercopitheciden). De laatsten springen van de hak op de tak en verlaten de bomen nooit. Hun staart helpt om het evenwicht te bewaren bij het lopen over smalle takken.

De mensapen daarentegen verplaatsen zich over de grond van vruchtboom naar vruchtboom, en hun sociale leven speelt zich ook op de grond af; ze klimmen alleen in de bomen om te eten en om er ‘s avonds hun nest vlechten om er veilig de nacht door te brengen. Ze hebben al heel lang geen staart meer: zat voor hen alleen maar in de weg.

 

Eerste helft van het Mioceen (23,03–5,33 mjg) steeg de temperatuur weer, terug naar de waarden van het Laat-Eoceen. De mensapen waren toen talrijker in soort en tal geworden dan de gewone apen. In Frankrijk en Italië zijn fossielen van die vroege mensaapsoorten gevonden: bewijs temeer dat ook toen de regenwoudgordel zich nog steeds tot vrij hoge breedten uitstrekte. Bekende fossiele soorten uit het Vroege en Midden Mioceen zijn Dryopithecus (een vruchteneter, formaat chimpansee, gevonden in Azië, Afrika en Europa) en Syvapithecus, in Azië.

18 mjg splitsten de gibbons en siamangs zich als sub-familie af, en de orang-oetans 12 mjg.

Dryopithecus, nogmaals,
was een in het Mioceen heel breed verbreide mensaap-achtige: zijn resten zijn, behalve in Afrika, in Zuid-Frankrijk en in Spanje maar ook in Hongarije en zelfs in China gevonden.

 

    Oreopithecus als potentiële voorouder

Interessant voor ons is zijn ondersoort Oreopithecus, die als populatie leefde op het toenmalige eiland Toscane/ Sardinië (de Med zag er toen heel anders uit zoals de reconstructie hiernaast laat zien).

Al in 1872 beschreef een paleo een bijzondere fossiele onderkaak welke hij in een geologische verzameling in Florence had aangetroffen en muntte de naam Oreopithecus (berg-aap). Lang is getwijfeld of de soort tot de gewone apen of tot de mensapen moest worden gerekend. Tot er meer fossiele resten, onmiskenbaar tot dezelfde populatie behorend, opdoken in lignietmijnen (ligniet is een soort bruinkool), in Toscane, Italië.

In 1949 publiceerde Dr. Hürzeler zijn zorgvuldige studie die concludeerde dat de Oreopithecus een zeer mensachtige mensaap moet zijn geweest. Toen hij in 1956 vernam dat de bruinkoolwinning in Bamboli weer werd opgestart, wist hij fondsen los te krijgen om er archeologisch toezicht bij te mogen houden. Dit leverde behalve skeletdelen ook een aantal nieuwe gebitsresten op waarmee hij zijn beeld van het totale Oreopithecus-gebit kon vormen. Alleen over het melkgebit kon hij weinig te weten komen. In 1957 hoorde hij tot zijn afgrijzen dat een compleet schedeltje met een volledig melkgebit door de machines fijngemalen was.

Het O.-gebit is dat van een omnivoor, dus zoals dat van een varken of een mens. Het heeft kleine hoektanden en de open ruimten in het gebit zoals mensapen dat hebben, om plaats te bieden aan de lange hoektanden, vertoont het O. –gebit niet. De O. moet ook een kort aangezicht gehad hebben: geen vooruitstekende mensapensnuit. Wel is de kaak smal en langwerpig, dus geen ronde boog zoals wij hebben.

De skeletresten leveren het beeld op van een rechtop lopende hominide. Geen lange mensapen-armen maar korte mensachtige armen.

In 1957 stuitten in de Baccinellimijn de machines op een laag die wemelde van de skeletresten. Hürzelers geroep ging verloren in het lawaai en voor zijn ogen zag hij het ene na het andere verbrijzelde skelet in de lorries verdwijnen. Wat hij daaruit nog kon redden bevestigde in elk geval het beeld dat hij tot dan toe had. Maar de omnivoren-tanden konden door skeptische geleerden nog steeds aan een Miocene varkenssoort toegeschreven worden.

Hürzeler kreeg opnieuw fondsen bij elkaar en in 1958 kon hij een systematische opgraving in de mijn op touw zetten. Dat heeft gelukkig nog een vrijwel compleet Oreopithecus-skelet opgeleverd.

 

de eiland-hypothese

Deze hypothese ontleen ik aan een wat recentere publicatie: van Marcel F. Williams.

Tussen 9 en 7 mjg was wat nu Toscane en Sardinië is, één eiland. De Oreopethicinen waren rechtop lopende hominiden, levend in een moerassige biotoop, met een dieet van vooral van schelpdieren en ander zeebanket. De eilandsituatie, bovendien zonder predators, begunstigde speciatie (het versneld evolueren tot een soort doordat die zich niet meer met verwante soorten vermengt), en bovendien technologische ontwikkeling, vooral bij de verwerking van hun hoofdvoedsel: schaaldieren.

Na 7 mjg vormde zich een landbrug met Afrika, en sommige paleo’s speculeren dat de Oreopithecinen-populatie zich in de Hoorn van Afrika verder ontwikkelde en daar de voorouders zijn geworden van de huidige mensapen zoals de bonobo’s en de chimpansees. En van ons.

Maar onze in de Hoorn van Afrika levende Oreopithecus-populatie verloor haar regenwoud-omgeving. Ze kwam bovendien op een eiland terecht. 5.3 mjg begon de zeespiegel namelijk opnieuw aanzienlijk te stijgen. De Middellandse Zee en de Rode Zee liepen weer vol, en opnieuw kwam die Oreopithecus-populatie, levend op de Danakil hooglanden van Noord-Oost Ethiopië, gedurende ruim 2.5 miljoen jaar in een eilandsituatie terecht. Ook weer met schaaldieren als hoofdvoedsel.

 


Op de tekening hiernaast het eiland Danakil zoals het in het begin van het Plioceen (6,7-5,4 mjg) bestaan moet hebben. Let wel, het DNA-onderzoek inzake de splitsing tussen de mensapen en onze soort wordt gedateerd ergens tussen 7,7 en 6,5 mjg.

 

Zo’n langdurig waterkant-bestaan verklaart een paar opvallende verschillen tussen onze voorouderapen en die van de bonobo’s en de chimpansees die– hoewel nog steeds tot dezelfde familie behorend, regenwouddieren werden dan wel bleven. Eén verschil is het onderhuidse vetweefsel van de baby’s. Die van ons zijn mollig, die van de mensapen niet. Ander opvallend verschil: onze nieren en zweetklieren. Een dieet, dat zoveel miljoenen jaren zoveel zeezout bevatte, kan onze aparte zouthuishouding verklaren. Alsmede onze tranen bij het wenen.

 

De eilandsituatie verhinderde bovendien vermenging met hen en dat leidt, nogmaals, tot speciatie: het worden tot een aparte soort.

Halverwege de vorige eeuw had onze aparte zouthuishouding en ons onderhuidse vetweefsel – die kenmerken kennen onze mensapenfamilieleden niet, maar zeezoogdieren wel – al de aandacht getrokken van zeebioloog Hardy, die toen half serieus een ‘wateraap-theorie’ opperde. Deze is in de jaren ’90 bekwaam uitgewerkt en gepropageerd door Elaine Morgan. Haar boek Sporen van de evolutie (vert. 1996) maakte nogal indruk op mij. Helaas verschenen er dermate fantastische theorieën van adepten van haar, dat de theorie niet serieus meer werd genomen. Zelf bleef ik ook tobben over de krokodillen en haaien: veel gevaarlijkere predatoren dan waar de aapmensen op de savannen mee te maken hadden. De laatsten konden de grote katten en hyena’s met een hagelbui van stenen uit hun buurt houden. Maar als wateraap heb je geen enkel verweer. Bovendien: mensen zijn talige wezens geworden door de ‘uitvinding’ van namen voor de dingen, en die kon ik prima met het alternatief, de savanne-hypothese, verklaren.

Maar ja, die aparte zouthuishouding en dat onderhuidse vetweefsel bleven toch nog steeds op een verklaring wachten.

Vandaag geldt de waterside-ape – theorie, de theorie dat onze vroegste voorouders altijd aan de waterkant van meren en rivieren zijn blijven leven, als een gulden middenweg en zelfs een top-paleo als Chris Stringer huldigt die voortaan ook.

 

Sommige paleo’s, waaronder genoemde Marcel Williams, vermoeden dat wij ons inderdaad als afstammelingen van Oreopitheci mogen zien. Dat wil zeggen: de Oreopithecus als vooroudersoort van de Afrikaanse mensapen, van wie wij door ons Danakil-isolement zijn afgetakt. Maar hoe dan onze nauwe verwantschap (genetisch verschillen we maar 1,3 % van beide) met bonobo en chimpansee te verklaren? Terwijl die twee soorten 1,4 % van elkaar verschillen, ook dat nog.

 

Maar wellicht ben ik nu te veel over de Oreopithecus aan het uitweiden. Dus snel over naar waar we gebleven waren: de tweede helft van het Mioceen (23,03–5,33 mjg), toen de temperatuur op Aarde definitief begon te dalen en het Danakil-isolement werd opgeheven. Onze voorouders zijn toen zuidwaarts gemigreerd, naar Afar en de Riftvallei, waar hun oudste fossielen zijn gevonden.

Vanaf nu vertel ik het verhaal zoals ik dat al had toen ik nog geheel vanuit de savanne-hypothese vertrok. Ik blijf voorlopig hinken op twee gedachten …

 

    aanpassingen aan het savannebestaan

In de tweede helft van het Mioceen nam de ver-ijzing van Antarctica dusdanig toe dat de regenwoudgordel verder versmalde richting evenaar en vanaf 8 mjg bereikte de afsterving de leefgebieden van de mensapen waar onze vroegste voorouders uit voort zouden komen. Voorlopig gaat men er van uit dat die leefden waar vandaag hun oudste fossielen gevonden worden: in Ethiopië.

Wat komt er voor in de plaats als het regenwoud afsterft? Savanne.

Savanne is een zeer afwisselende biotoop. Kent gewone bossen, vooral langs de oevers van meren en rivieren. Kent uitgestrekte gebieden met ondoordringbaar doornig struikgewas. En kent vooral uitgestrekte gebieden met gras en acacia’s; met grote grazers zoals olifanten, giraffen en zebra’s; en met hun predators, zoals grote katten en hyena’s.

Vanaf 7 mjg was het regenwoud waar onze voorouder-mensapen geleefd hadden, verdwenen en had het plaatsgemaakt voor een savanne-omgeving (wel veel bosrijker dan het Serengeti-plaatje hierboven). Hun nakomelingen hadden zich er aan aangepast. Die aanpassing was onmerkbaar verlopen: ze hebben er nooit erg in gehad dat hun leefomgeving ooit anders was geweest. Hetzelfde geldt voor hun aangepaste gedrag, inclusief de lichamelijke aanpassingen.

Je moet elke dag eten en drinken. Mensapen trekken van vruchtboom naar vruchtboom. De vruchtbomen verdwenen en hun leefgebieden vertoonden steeds grotere open plekken met gras. Dus hun foerageerroutes gingen steeds vaker over die open plekken.

Als we het vanuit de nieuwe water-side theorie bekijken, zeggen we dat hun foerageren steeds minder om vruchten ging en steeds meer om schelpdieren, en de open plekken vooral de oevers van zee of meer of rivier betroffen. Het is inderdaad zo dat alle vroege hominidenfossielen en de populaties die ze vertegenwoordigen zoals de beroemde Lucy-populatie maar ook nog de H. ergaster en de H.erectus, blijken te hebben geleefd langs de oevers van rivieren en meren en zich naar het Verre Oosten te hebben verbreid via de kusten.

 

Op de savannen was overigens ook eten genoeg te vinden, en ze wenden zich er aan om daar rond te struinen. Maar overnachten moesten ze nog steeds in hun nesten, gevlochten in de boomkruinen van de loofbossen.

Het aanpassingsproces verliep voor hen volledig ongemerkt. Een heel ander beeld dus dan we vroeger altijd meekregen: dat onze voorouders uit de bomen waren geklommen en op twee benen zijn gaan lopen, om niet nader genoemde of heel rare redenen, zoals: konden ze over het hoge gras heen kijken (nou, dan zouden andere savannedieren dat ook al lang gedaan hebben). Nee, ze hadden hun handen broodnodig.

 

Het was op die open grasgebieden maar ook aan de waterkant een stuk gevaarlijker dan in een regenwoud: vanwege de krokodillen dan wel de grote katten en hyena’s die van de graseters leven en die ook heel tuk zijn op rondstruinende mensapen. Want vergeleken bij de op snelheid geselecteerde graseters waren de aapmensen traag, hadden geen hoorns, geen scherpe hoeven of klauwen, geen dikke huid.

Hoe hebben de aapmensen (naast aan de oevers) toch ook daar kunnen foerageren?

Mensapen kennen een kunstje dat andere dieren niet kennen: ze kunnen gooien met iets. Ze

verdedigen zich op afstand. Chimpansees hebben daar een handje van, daar moeten hun onderzoekers altijd op bedacht zijn.

Maar chimpansees zijn ‘te hooi en te gras’-gooiers. Als een gevaarlijk beest in hun buurt komt, gooien ze met wat voor het grijpen is. De aapmensen (hominiden, australopithici, laten we ze hier verder AP’s noemen) moesten hun eten op die open grasgebieden bij elkaar scharrelen. De AP’s zijn ‘professionele’ gooiers geworden: ze moesten wel.

Hun bewapening tegen de grote katten en de hyena’s bestond uit stenen: die zijn makkelijk te vinden aan de oevers en ze doen flink pijn als je die als krokodil dan wel als sabeltandtijger tegen je kop krijgt.

 

    de sabeltandtijger en de vellen

 

Over de sabeltandtijgers moet ik even wat uitweiden. Die waren gespecialiseerd in dikhuiden. Olifant-achtigen, neushoorns, nijlpaarden, daar konden de grote katten en de hyena’s niks tegen uitrichten. Een sabeltander kon dat wel; hij besloop zo’n vleesfort; dan een bliksemsnelle spurt ónder het dier door en rats! met de twee vlijmscherpe sabels die uit hun bovenkaak hingen (ze konden hun muil abnormaal ver opensperren) sloegen ze de zachtere onderbuik open zodat de darmen er uit vielen. De natuur is wreed en kent geen mededogen. Van een afstandje wachtte moeder sabeltand met haar jongen af tot het reddeloze dier door de knieën ging en dan voedde de familie zich met de ingewanden. Voor het spiervlees waren die sabels veel te kwetsbaar: het karkas was verder voor de aaseters.

Die lagen al in groten getale te wachten. Want de gieren volgen vanuit hun hoge uitkijkpost de gangen van de sabeltanders, en hebben als eersten in de gaten dat er een maaltijd aan zit te komen. De grote katten en de hyena’s letten altijd op de gieren: zodra die op een gejaagde manier ergens beginnen rond te cirkelen, snellen ze toe. De sterksten, de grote katten dus, mogen eerst. Daarna zijn de hyena’s aan de beurt. Pas als die het karkas voor gezien houden zijn de gieren aan de beurt.

 

Op de open grasgebieden zijn de savannebavianen succesvolle jagers. Maar dat zijn viervoeters en dus snelle sprinters; bovendien doen die dat ook met een strategische omsingeling en door in estafette elkaar af te wisselen, tot zo’n antilopenjong dat zich te ver van z’n kudde heeft gewaagd, uitgeput is. Maar dat was voor de betrekkelijk trage aapmensen allemaal niet weggelegd. Hoe kwamen die dan aan hun proteïnen?

Zo’n enorm karkas krijgt een troep leeuwen en een meute hyena’s en een zwerm gieren echt niet in één keer helemaal op, en ook van een kleiner karkas blijft in elk geval het vel over. Op de Pliocene savanne lagen, als resultaat van de jachten van de grote sabeltanders (vandaar mijn uitweiding over speciaal die roofdieren), overal vellen te slingeren.

Daar zit altijd nog heel wat weefsel en vet aan, waar de tweebenige aapmensen (AP’s) dol op waren. De AP’s waren nog aaseters. Trouwens, dat waren de Vroege Mensen nog steeds. Zelfs een moderne jager zal een door een roofdier verschalkte prooi niet versmaden en zal proberen de eigenaar even van zijn maaltijd te verjagen en zich van een malse stuk vlees meester maken.

Wanneer een vel helemaal leeg gepeuzeld is, leeg geschraapt met een steenscherf of een schelp, dan blijft er een prachtige draagtas voor spullen aan over. De vellen waren de eerste rijkdom voor de AP’s. Multifunctioneel. Als onderlegger om op te slapen in het nest, als zonnescherm of windscherm voor de kleinen. Maar vooral om dingen in te vervoeren.

Het stenen tijdperk begon met de stenen voor de verdediging en steenscherven om te schrapen en te snijden … en met de multifunctionele vellen.

 

AP’s waren dus geen viervoeters meer en ook geen knokkellopers (zoals mensapen zijn), maar tweebeners. Want, duidelijk genoeg, ze hadden hun handen nodig om noodzakelijke dingen mee te dragen, zoals een zware zak stenen. Je kon als AP echt geen stap zetten op de Pliocene savanne of aan de waterkant foerageren tussen de loerende krokodillen zonder bewapening.

Als bonobo-achtigen van afkomst was de overgang naar permanente tweebenigheid echt niet zo groot. Bonobo’s zijn slanker dan chimpansees en ze lopen veel vaker op twee benen dan de forsgebouwde chimpansees dat doen. Een argument te meer voor mijn stamboomschetsje zoals ik dat dadelijk voor u ga tekenen.

 

Al dit soort gedrag om gerieflijk aan je dagelijkse eten te komen, dat heeft zich in de loop van zeker twee miljoen jaar ontwikkeld, laten we zeggen van 7 tot 5 mjg.

Nogmaals: uiterst geleidelijk, van generatie op generatie, en ongemerkt door de AP’s. Ook hun mededieren pasten zich aan deze nieuwkomers aan. Wij vandaag kunnen van af afstand een overgang reconstrueren. Aan fossiele AP-botten kun je zien of het individu rechtop gelopen heeft.

Rechtop lopen kan en doet een mensaap alleen als hij zijn handen nodig heeft om iets zwaars mee te dragen. Want voor een mensaap is het moeizaam gedoe, hij waggelt erbij, het lichaam van het ene op het andere been overbrengend omdat zijn bekken niet aan tweebenigheid is aangepast.

Dat alle AP’s rechtop lopen is dus een bewijs dat ze zich aan deze voortbeweging hebben aangepast uit noodzaak. Om zware dingen mee te dragen. Zoals een zak vol stenen.

Behalve een aangepast bekken ook aangepaste bilspieren, langere en sterkere benen, aangepaste bloedsomloop zelfs en aangepast middenrif om de bovenste organen die bij een mensaap vrij hangen, in de borstkas te ondersteunen … al dit soort ingrijpende aanpassingen (klepjes in de aderen om het terugstromen van het bloed vanwege de zwaartekracht wat een normaal zoogdier niet vaak doet) aan het rechtop lopen, dat kost veel tijd en die is er ook voor genomen.

Twee miljoen jaar. Maar dan mag je ook veronderstellen dat 5 mjg de AP’s , voormalige mensapen, zich volledig aan het savannebestaan hadden aangepast. Dus niks kromgebogen kobolden zoals in de populaire films als de Canadese La Guerre du Feu.

 

    het verhaal dat het gebit vertelt

 

Niet alleen lichamelijke aanpassingen. Ook gedrag en leefstijl waren aan de nieuwe leefomgeving aangepast. Bijvoorbeeld taakverdeling tussen de seksen. Vrouwen en grotere kinderen verzamelden het voedsel en de volwassen mannen deden niets anders dan met hun stenen paraat te zorgen dat de loerende roofdieren op afstand bleven. Een man kon niet zijn zak stenen neerleggen en een knol gaan zitten uitgraven. Dat zouden de vrouwen veel te eng vinden: de grote katten en hyena’s lagen altijd hongerig op de loer. Niks. Voedsel verzamelen en knollen uitgraven deden de vrouwen wel. Ze droegen naast eventuele baby alles mee in hun draagtas. Op de overnachtingsplek in het volgende veilige bos werd het eerlijk onder iedereen verdeeld, de mannen kwamen niks tekort.

Het was er echt gevaarlijk. Daar hoorde dus ook uitgekiender sociaal gedrag bij. De AP’s konden zich het mensapenlijke gedonderjaag als een vrouw in de oestrus is (‘loops’ zeg maar) en de mannen vechten om met haar te paren, echt niet meer permitteren. Een bij de AP’s opvallende aanpassing is het kleiner worden van de hoektanden: dé wapens bij uitstek bij de chimpansees en bonobo’s bij de onderlinge gevechten. Maar AP-fossielen worden juist als zodanig herkend aan de kleinere hoektanden en het dichtgegroeide gat in het tegenoverliggende kaakgedeelte.


l. chimp, midden AP, r. mens

 

Dat je die hoektanden niet meer nodig hebt wil nog niet zeggen dat ze dan ook verdwijnen; mannen hebben ook nog steeds tepels tenslotte. Ze verdwijnen pas wanneer ze in de weg zitten. Dat de hoektanden veel kleiner werden wijst op een bepaald soort voedsel: graszaden.

Je kunt je voorstellen dat op de savannefoto boven behalve die antilopen en zebra’s ook een groep AP’s op doortocht is, op een rij achter elkaar, en dat ze onder ‘t lopen met hun vrije hand graszaden afrissen en in hun mond steken; en dus allemaal lopen te kauwen. Prehistorische kauwgum.

Die zaden moet je eerst vermalen voor je ze kunt eten. Voor malende beweging van boven- en onderkaak zitten slagtanden in de weg. In twee miljoen jaar weg geëvolueerd!

De savannebavianen hebben zich ook aan de savanne-omgeving aangepast; maar dat zijn enorme vechtersbazen en die hebben hun slagtanden dan ook overdadig bewaard.

 

Bij de chimpansees en de bonobo’s krijgt een vrouw in de oestrus een enorme, bloedrode, sterk geurende vagina waar de mannen helemaal gek van worden. Dus nog een frappante aanpassing in die twee miljoen jaar: het totaal onmerkbaar worden van de oestrus bij de vrouwen.

In de eerste plaats die vagina. Met zo’n enorm opgezwollen apparaat tussen je benen kun je niet lopen, dus dat kreeg de omvang zoals onze vrouwen het hebben. Maar ook die gekmakende geur: niets meer van te merken.

Dat is dus echt alleen omdat het hommeles voorkomt. Konden de AP’s niet meer gebruiken, hommeles: veel te gevaarlijk. De chimpansees in hun veilige regenwouden, zelfs die weten niet hoe gauw ze na een gevecht weer ‘vriendjes’ moeten maken. Want ook bij hen is hommeles gevaarlijk. Niet vanwege de roofdieren maar vanwege hun buren. Chimpanseemannen zijn er altijd op uit om de mannen van een andere groep af te maken; als ze daar vaak genoeg in slagen kunnen ze het leefgebied van die groep met vrouwen en al annexeren. Een chimpgroep met goed samenwerkende mannen overleeft.

 

Hiermee kom ik bij een volgende gedragskenmerk van de AP’s: dat bij hen vermoedelijk de vrouwen de baas speelden en niet de mannen. Is dat ook een gedragsaanpassing aan de gevaarlijke nieuwe omgeving? Nee, want dat is bij de bonobo’s al zo. Je kunt hooguit zeggen dat de gevaarlijke omgeving deze voorouderlijke mensapencultuur bevestigde. Maar … vanwaar dan de macho-cultuur bij de chimpansees en bij ons? Dat ga ik nu bespreken.

 

    onze stamboom

 

De mainstream paleo’s redeneren zo: de chimpansees zijn macho’s en wij ook, dus stammen wij af van een chimpansee-achtige voorouder.

Volgens mij was de gemeenschappelijke voorouder meer zoals de bonobo’s vandaag zijn, aangezien het regenwoud van de laatsten, pal op de evenaar liggend, al die miljoenen jaren onveranderd gebleven is.

Welnu, een soort verandert pas als de omgeving ervan verandert. Ergo, de gemeenschappelijke vooroudersoort aldaar is gebleven zoals die was en de huidige bonobo’s zijn hun rechtstreekse nakomelingen. Dus teken ik het afstammingslijntje recht vanaf 6 mjg naar de bonobo’s van vandaag. Ik laat onze soort er 6 mjg van aftakken en de chimps pas 2.5 mjg. De nieuwe theorie van de Oreopithecus en de Danakil-populatie laat ook mijn tekeningetje onverlet. Je verandert ‘6 mjg’ gewoon in ‘5,3 mjg’ en het klopt helemaal.

 

De stamboomtekening van de conventionele paleo’s ziet er uit als de linkse en die van mij als de rechtse.

De datum 4,5 mjg is een vrij recente toevoeging waarvoor ik de paleo’s van het Max Planck Institut van Leipzig dank zeg. Ze hebben in 2012 het genoom van de bonobo’s ontcijferd (die van de chimpansees, de gorilla’s en de orang oetans zijn al langer beschikbaar) en daaruit blijken twee dingen.

Dat wij genetisch niet meer dan 1,3 % verschillen van zowel bonobo’s als chimpansees maar dat die twee onderling 1,4 van elkaar verschillen.

Het tweede is dat we 4,5 mjg nog steeds genen met elkaar uitwisselden maar vanaf dat punt in onze evoluties niet meer. Voor mij is het een argument om aan te nemen dat we vóór dat punt ons nog niet onderscheidden van de overige (heel zeldzame in het geheel van de Afrikaanse fauna) AP-populatie, en ons talig worden vanáf dat punt te laten beginnen.

Een ander punt is dat onze luizen en vlooien, heel gespecialiseerde parasieten, nog steeds uitwisselbaar zijn met onze naaste familieleden de chimpansees en de bonobo’s. De moedermelk, heel speciaal van samenstelling, is nog steeds uitwisselbaar: een mensenmoeder kan een chimpbaby aanleggen en andersom. Wij zijn genetisch nauwer met hen verwant dan de Afrikaanse olifant dat is met de Indiase, of de koolmees met de pimpelmees.

Hoe verbind ik mijn Oreopithecus-verhaal van die eilandsituaties en bijbehorende speciatie met die nauwe verwantschap met bonobo en chimp ?Kom op, paleo’s, doorwroeten jullie. (Krijgen ze nog wel genoeg fondsen voor hun dure expedities?)

 

Met de leefgebieden waar nu de chimpansees leven is dus vanaf 2,5 mjg wel wat aan de hand geweest. Vanaf 2,5 mjg begonnen de ijstijden en die hadden daar drastische invloed op. Tot wel vijftig keer krompen hun regenwouden in tot er soms maar een paar kleine refugia rond de evenaar van overbleven; waarna die gedurende de opwarmingstijden weer uitbreidden, soms nog verder dan ze in onze opwarmingstijd zijn. Let wel, het leefgebied van de bonobo’s is op geen moment aan inkrimping of uitbreiding onderhevig geweest.

Bij de inkrimpingen werden de voedselterritoria van de chimps steeds kleiner, met alle overlevingsgevechten tussen de groepen van dien. Oorlog maakt mannen belangrijk. De chimpansees zijn in overpopulatie-situatie geraakt en dat heeft hen tot vechtersbazen en macho’s gemaakt. Met behoorlijke impact op hun gestaltes. Chimps zijn forser dan de bonobo’s.

Mensen zijn later ook in overpopulatie-situatie geraakt. Echter: heel veel later. Hooguit rond 50.000 jg begon dat pas. En toen begon het baas spelen van de mannen dus ook, hier en daar.

Dat ging van kwaad tot erger. Maar … 50.000 jaar is een veel te korte tijd om zo’n wangedrag in onze aangeboren natuur te nestelen. We kunnen er nog steeds slecht tegen – in plaats van dat we het lekker vinden vanuit aanleg.

 

Wat overpopulatie betreft nog even het volgende. Overpopulatie (populatiedruk, overpopulatie-stress) begint er mee als in een bepaalde regio de groepen niet langer vrij kunnen rondzwerven zonder in het voedselgebied van een andere te belanden. Er kan maar één groep leven van één voedselgebied. Ze hebben nog lang geen overheid om dingen in banen te leiden. Nou, dan wordt het dus vechten voor de overleving – en oorlog maakt mannen belangrijk.

 

Overpopulatie speelt bij de AP’s nog geen enkele rol. Evenmin voor de AP’s die onze vroegste voorouders zouden worden. Zelfs niet voor de Vroege Mensen die uit hen zouden voortkomen in de loop der miljoenen jaren.


95% van de tijd dat onze soort ‘mens’ genoemd wordt door de wetenschap, heeft ze rondgescharreld in kleine groepjes die erg van elkaar afhankelijk waren. Alle theorieën over ons elkaar woest uitmoordende voorgeslacht worden ontkracht door het harmonisch met elkaar omgaan van de meest primitieve VJ-gemeenschapjes zoals de Hadza en de Pygmeeën; immers, die zouden dat woeste gedrag dan nog het duidelijkst moeten vertonen, toch?

 

Bedoelde theorieën berusten op de gaten in veel fossiele schedels. Echter, die bewijzen alleen dat onze vroege voorouders aaseters en kannibalen waren: ze lieten hun overleden dierbaren echt niet over aan hun meest geduchte concurrenten de hyena’s en de gieren. Tot in het recente verleden is het opeten van op z’n minst de hersenen van de overledenen een heilig ritueel gebleven. Bekend is het verhaal van de oude Papoea. Zelfs na het toedienen van het Heilig Oliesel door de missionaris bleef hij huilen. Ben je dan niet blij dat je dadelijk naar de hemel gaat? Jawel, maar ik moet huilen omdat ik niet zal voortleven in mijn kinderen en kleinkinderen – want dat barbaarse kannibalisme was door de missionaris verboden.

 

Welbeschouwd is kannibalisme een prima vorm van recyclen. Wat is er eigenlijk op tegen?

Wel, dat wij er erg op tegen zijn.

Ja, maar is dat voldoende reden?

We zijn er héél erg op tegen.

Ja, maar … kom op zeg. Zal ik je dan vertellen waarom wij er héél erg op tegen zijn? Nee, ik bedoel: waardóór wij er zo op tegen zijn? Dat komt doordat onze ‘wilde stammen’-voorouders er al op tegen waren. Antropoloog Chagnon vertelt in zijn The Fierce People (1983) dat zijn Yanomamö-vrienden gruwden van zijn manier van een biefstukje braden: graag nog zo sappig mogelijk. Zelf braadden ze die tot de droog en zwart waren: zo ver mogelijk verwijderd van kannibalen die, zoals ze meenden, vlees rauw vraten. Hun vijanden scholden ze uit voor kannibalen, zelf achtten ze zich dat stadium overstegen te hebben. Zij aten hun dierbare overledenen alleen nog in zeer abstracte vorm op, namelijk door het lijk in een net in het woud te hangen tot het door de mieren geheel kaal gevreten was. Dan verzamelden ze de botten, stampten die fijn en mengden het meel door een pap van plantains (bakbananen). Deze pap werd door de nabestaanden ritueel gegeten teneinde de overledene in hen te laten voortleven.

Kortom, we zijn er op tegen omdat onze voorouders zich afzetten tegen door hen primitiever geachte en dus verachte vreemde populaties. Vorm van vreemdelingenhaat dus, meer niet. Maar in de katholieke rituelen werden wij nog steeds geacht om het lichaam en bloed van Onze Heer te nuttigen, om het te doen te Zijner Gedachtenis. Mooi wel.

 

Van 7 tot 5 mjg: dat waren twee miljoen jaar van heel geleidelijke aanpassing aan een voor mensapen vreemde en vijandige omgeving. Of dat nou in een eiland-isolement is geweest of niet: het waren tweebenigen, dus geen regenwoud-mensapen meer. Hominiden. Ik noem ze hier AP’s dus. Er vond nog steeds terloopse genenuitwisseling tussen de AP-populaties plaats.

Maar de roofdieren hadden zich in die twee miljoen jaar al wat aan de AP’s aangepast. Ze hadden door schade en schande geleerd dat je maar beter bij die AP’s uit de buurt kon blijven, wilde je geen hagelbui van stenen tegen je kop krijgen. Zelfs als een roofdier vanuit een hinderlaag een snel-overval pleegde liep het nog risico, want de vrouwen waren bewapend met een aangepunte graafstok en de mannen droegen naast hun zak stenen vermoedelijk ook een aangepunte stok mee, voor zo’n geval.

En vergeet niet: mensapen zijn, en dus ook aapmensen wáren, oersterk. Zelfs hun verre nakomelingen de NT’s (Neanderthalers) waren dat nog. In hun eentje waren ze nog tegen een leeuw opgewassen, soms.

Toen de roofdieren geleerd hadden, voor AP’s op hun hoede te zijn, konden de vrouwen steeds veiliger als vrouwengroepje gaan foerageren: als ze maar zorgden lawaai genoeg te maken zodat de dieren zich tijdig uit de voeten konden maken. Dat kun je vandaag nog steeds aan onze vrouwen merken. Als ze met een groep bij elkaar zijn, hoor je ze al van verre kleppen en lachen.

Jagende mannen zijn doodstil. Maar als pygmee-mannen niet op jacht zijn en gewoon zich van A naar B begeven door hun regenwoud, maken ze voortdurend lawaai met handenklappen en geroep.

De AP-mannen werden geleidelijk overmoediger en durfden soms met een hagelbui van stenen en veel misbaar een roofdier tijdelijk van zijn prooi verjagen, om een bout van de buit af te snijden en mee te nemen.

Twee miljoen jaar. De AP-groepjes die het best aan het savanneleven aangepast waren en de effectiefste bewapening tegen de roofdieren hadden uitgevonden, hielden meer kinderen in leven en overtalligden de groepen die er minder van bakten – en die dus uitstierven (zo klein geworden waren dat de overgeblevenen zich aansloten bij een succesvollere groep). Zo werkt de evolutie: de best aangepasten floreren, de minder aangepasten sterven uit.

 

Tussen 5,75 en 5,333 mjg moet het een bijzonder barre tijd geweest, want toen heeft de Middellandse zee ten gevolge van de afsluiting bij Gibraltar (door de werking van de tektonische platen) zo’n 50.000 jaar grotendeels droog gestaan (zie schetsje p.7). Met alle zoute stofstormen van dien. Het is mij niet bekend wat dit met de AP’s gedaan kan hebben.

 

Maar 5 mjg geleden waren onze AP’s (ik bedoel de AP’s waar onze voorouders uit voort gaan komen) geheel aangepast aan het waterkant-leven. Door het isolement, geschapen door de Rif-barrière en een tijdelijke eilandpositie op een door zee omringde Danakil-hoogte, vermengden zich niet meer met de voorouders van de bonobo’s en de chimpansees. Die leefden nog steeds in de regenwouden dichter bij de evenaar. Onze voorouder-AP’s waren een aparte soort geworden. Hun oudste fossielen worden in de buurt van Danakil gevonden. Van daar uit hebben ze zich, oevers van rivieren en meren volgend, geleidelijk zuidwaarts door de Riftvallei verbreid.

Een aparte diersoort? Ja, hoe ‘hard’ is dat ronde getal van 4,5 mjg van de genen-onderzoekers van het Max Planck Institut?

In elk geval nog steeds normale dieren. Nog geen mens te bekennen.

 

het begon met een meidenspelletje

U en ik zouden vandaag nog steeds AP’s – dus normale dieren – zijn ergens in tropisch Afrika rond 4,5 mjg als er niet, in één van die AP-groepjes iets bijzonders zou zijn voorgevallen.

Ik bedoel, er móet iets bijzonders zijn voorgevallen, want ze werden talige wezens en gingen daardoor een van de overige dieren afwijkend gedrag aan de dag leggen. Maar wát is dat voorval dan geweest?

Voor zover paleo’s of taalkundigen zich deze vraag al ooit stellen, maken ze zich er doorgaans van af met een hersenmutatie. En vond die dan plaats in één AP-hersenpan? In alle AP-hersens tegelijk? Waar kwam die zo ineens vandaan? Waarom niet ook bij andere soorten? Waarom niet vaker? Schei toch uit. Ik ben allergisch geworden voor die alomtegenwoordige ‘hersen-neukerij’ die alleen maar meer vragen oproept zonder er ook maar één te beantwoorden. Ik verzin gewoon een just-so-story.

 

Nee, trek daar nou niet je neus voor op. Want wat denk je van de oerknal? Dat is toch ook een beredeneerd maar niet te bewijzen ‘feit’ – al vinden de astronomen steeds nieuwe aanwijzingen die het bevestigen? Een hypothese waarmee vervolgens alle heelal-fenomenen coherent verklaard kunnen worden?

Met mijn taalhypothese kan ik alle verdere mens-fenomenen coherent en bevredigend verklaren. En ik ruil mijn just-so-story meteen opgetogen van blijdschap in als iemand een betere weet te bedenken. Maar kom niet aan met een hersenmutatie.

 

Hier komt mijn taalhypothese: een meidenspelletje. Ik heb er nog een schilderijtje bij verzonnen. Zo cruciaal vind ik dit ‘taalmoment’. Let nog even op de oerkracht van hun armen en handen, vanuit hun mensapenverleden van bomenklimmers, die savannebewoners, zelfs sabeltandtijgers, nooit hebben hoeven te ontwikkelen.

 

Op zekere ochtend, laten we zeggen 4 mjg, nadat de hele AP-groep uit de nesten was geklommen en al naar het water was geweest om te drinken, de mannen hun voorraad stenen hadden aangevuld, de vrouwen hun kalebassen vol water hadden en hun draagtassen en eventuele baby’s op hun rug hadden gehesen voor vertrek, had de alfa-vrouw beslist dat de foerageertocht vandaag dié kant op zou gaan.

 

Meteen begon haar dochter te stralen: ze wist dat ze dan die dag het bestand bessenstruiken zouden aandoen en ze was verzot op die lekkere bessen. Haar twee vriendinnen keken haar bevreemd aan: vanwaar die plotselinge euforie?

Het meisje pijnigde haar hersens af: hoe kon zij haar vriendinnen nou duidelijk maken waar zij aan dacht? En bij ingeving imiteerde ze met haar handen [bes], [plukken]en [in haar mond steken], gevolgd door een verzaligd proeven. Geen reactie. Toen nog eens, en nog eens. De jongste vriendin begon ongeduldig te worden: de groep was zich al op weg aan het begeven en het was heel gevaarlijk om los van de groep te raken. De oudere vriendin echter wist: die bedoelt iets, maar wat in godsnaam? En ineens viel bij haar het kwartje, en ze deed de imitatie na.

Yess!! En schaterend haalden ze de groep in. De hele dag hadden ze lol en deden ze de [bes]-imitatie opnieuw. Ook andere vrouwen begrepen het spelletje en lachten.

De volgende dag ging de route een andere kant op en toen bedacht de oudere vriendin wat ze die dag dan zouden tegenkomen: [knollen uitgraven]. En weer de hele dag pret, en nog meer vrouwen deden de [knollen uitgraven]-imitatie.

 

Het zegt u misschien nog niks: gewoon een stom meidenspelletje. Maar bedenk wel: dit was nog nooit vertoond in de hele lange geschiedenis van het leven op Aarde: een dier kon het met een mededier hebben over iets wat er niet wás. Iets op een verre plek of zelfs in een ander seizoen.

U zegt misschien: en de bijen dan? Ja, nee, niet instinctief zoals communicatie bij (sommige) insectensoorten voorkomt, maar bewust, als keuze.

Ja maar, oppert een ander: apen kunnen elkaar ook opmerkzaam maken op een dreigend gevaar, zelfs met een aparte kreet voor [slang!] die een andere is dan voor [roofvogel!].

Jaja, de beroemde groene meerkatten. En dan maar meteen ook de voedselkreten van de chimps, bij het zien of ruiken van iets lekkers. Ze hebben zelfs een aparte kreet voor [vlees], een andere dus dan voor [banaan] of ander plantaardig voedsel.

Maar… dat is allemaal stimulus-respons reactie. Als je een chimpje een banaan geeft kan het die kreet niet eens binnenhouden. Net zoals wijzelf als we ons plotseling ergens aan branden of ons bij timmeren op de duim slaan: AUW!!

Maar als een chimp zin heeft in een biefstukje, kan hij dit niet tegen de oppassers te kennen geven met de kreet [vlees!]: die kan hij niet bewust produceren.

Zo meteen wordt duidelijk waardoor niet.

 

Nee, dit meidenspelletje was iets heel nieuws. Het was het overbrengen van een denkbeeld van de ene apekop in de andere. Zonder geluid.

Ja, lachen achteraf, maar niet bij het overbrengen.

 

Omdat het behalve leuk ook wel handig was bleef het er in en breidde het zich uit. Aanvankelijk alleen binnen dat ene groepje, en onder de vrouwen. Wanneer een vrouw iets nodig had, water of zo, maakte ze het gebaar voor [water] en dan begreep haar dochter dat ze even water moest halen. Steeds meer van die gebaren-imitaties die iets speciaals betekenden. Het werd een ‘cultuurtje’ in die groep.

Wanneer een jonge vrouw naar een andere groep verkaste voor een partner, nam ze dat ‘cultuurtje’ mee. En zo verbreidde het zich generatie na generatie over die hele stam. Onze voorouder-AP’s!

Ik noem ze hier verder VOAP’s (VOorouder AP’s), dat praat makkelijker.

Op dit punt waren de VOAP’s dus nog steeds gewone AP’s zoals er meer soorten rondtrokken, in kleine groepjes, over de Afrikaanse savannen van 4,5 mjg. Maar ze werden na een aantal generaties heel andere dieren. Niet uiterlijk, maar innerlijk, mentaal, verstandelijk. Ze voelden zich anders dan de overige AP’s die gewone dieren bleven. Ze gingen er zich losstaand, afstandelijk van voelen. Ze kwamen heel anders in het leven te staan.
Ze kregen steeds meer namen voor steeds meer dingen. Dat doét iets met een dier.

Het kwam er vooral op neer dat ze zich niet meer met de overige AP-soorten vermengden.

 

    namen voor de dingen

 

Je begrijpt: die gebaren-imitaties zijn woorden, symbolen. Ze zijn namen voor dingen. De VOAP’s waren de eersten (en tot vandaag toe enigen) in de dierenwereld die beschikten over namen voor de dingen.

 

Die namen voor dingen maakten ze dus niet met hun stem. Alle taalkundigen gaan er van uit dat de oorsprong van ons taalvermogen – voor zover een linguïst zich daar al een voorstelling van wenst te maken – een verfijning en uitbreiding is van de mensapen-kretologie. Maar ze vergeten dat mensapen geen bewuste controle hebben over hun stem.

Als een mensaap eten ziet, slaakt hij een voedselkreet. Dat komt: zijn stem wordt, zoals bij alle dieren, aangedreven vanuit het limbische systeem. Dat is een dieper hersengedeelte waar de emoties huizen, waar hij geen bewuste controle over heeft. Bewustzijn speelt zich namelijk af in de neocortex, de
hersenschors.

 

Je kunt een mensaap niet leren praten. Dat is in het Amerika van de jaren ’50 heel serieus geprobeerd: baby-chimps laten opgroeien binnen een gezin, samen met de eigen baby.

In het begin was zo’n chimpje voorlijk in alles. Maar toen het op praten aankwam, streefde de mensenkleuter ze chimpkleuter met gemak voorbij. Een ongelijke wedstrijd: het mensenkind wordt geboren met de taalaanleg als ‘programma’ in z’n hersentjes. Het chimpje leerde hooguit een paar woordjes als mama en papa, maar dan zonder de a’s, alleen de lip-medeklinkers. En ‘cup’ kon het ook zeggen, maar dan zonder de u.

Het heeft geen bewuste controle over z’n stem. Ja, schreeuwen kon ‘ie als de beste, maar niet praten.

Wat chimpbaby’s wél konden leren was ASL (Amerikaanse gebarentaal). De beroemde Washoe heeft 250 ASL-woorden leren gebruiken, en haar (geadopteerde) zoontje Loulis heeft er, zonder mensenhulp, ook een aantal van leren gebruiken.

 

    het bijzondere van namen voor de dingen

 

Onze VOAP’s waren nog mensapen, zij het tweebenige. Ons taalvermogen is dus begonnen als gebarentaal. Daar ga ik verderop meer over zeggen. Eerst iets belangrijkers: wat is nu het bijzondere van het gaan beschikken over namen voor de dingen door onze VOAP’s? Wat doét dat met een dier, zodat het onze voorouders mentaal uit de dier-zijn heeft doen migreren?

 

Zes dingen. Leer die maar van buiten als je voortaan paraat wilt hebben wat ons van dieren tot mensen heeft gemaakt.

 

1. Een naam voor een ding ís niet het ding. Er gaapt een onoverbrugbaar gat tussen het ding en de naam (symbool, woord, afbeelding) ervan/voor. Wou ik even op wijzen. Maar waar het nu om gaat is: er is hiermee een mentale (geestelijke) afstand tussen de ‘benoemer’ en het ‘benoemde ding’ ontstaan.

Door steeds meer dingen van hun omgeving een naam te geven, kwam er ‘licht’ tussen de VOAP’s en hun (benoemde) omgeving. Althans mentaal (geestelijk), nogmaals. Ze kwamen gevoelsmatig een beetje ‘los’ van hun omgeving, terwijl de overige dieren daar willoos onderdeel van bleven uitmaken. Ik ga dat verderop nog wat ‘invoelbaarder’ maken met het voorbeeld van Helen Keller.

Er kwam afstand tussen subject (de benoemer) en object (het benoemde ding). De VOAP’s konden voortaan de dingen objectiveren. Ze kwamen er ‘afstandelijk tegenover te staan’, kun je ook zeggen.

 

2. Met een naam ‘grijp’ je ahw het ding. Je kunt een naam zien als een handvatje aan het ding, waarmee je er ‘vat’ op krijgt’. Je kunt het er mee beetpakken en het overreiken aan de ander, die het ‘vatten’, be-‘grijpen’ kan. Daarmee krijgt die het (als denkbeeld) ook in zijn brein.

Onze VOAP’s zijn het pad opgegaan van het gaan ‘begrijpen’ van de dingen. Dat pad leidde hen de dierenwereld uit, leidde hen uiteindelijk naar ons, naar het mens-zijn. Op dat pad bevinden we ons nog steeds, en er is geen terug naar het niet-begrijpen. We kunnen alleen maar verder op dat pad, naar het steeds beter begrijpen van de dingen.

 

3. Met een naam voor de sabeltandtijger kregen de VOAP’s ‘vat’ op dat gevreesde dier. Ze kregen er ‘grip’ op. Dat verminderde hun instinctieve angst voor het monster een beetje. Ze bleven ervoor op hun hoede, natuurlijk, maar de blinde paniek ging er af. Het gekke is: het leek een beetje op hun kunnen gooien met stenen. Wij zeggen ook nog wel eens: ik doe er een gooi naar.

Mensen die te horen krijgen dat ze kanker hebben, voelen ondanks de klap toch ook iets van opluchting; ze voelden al lang dat er iets heel fout was in hun lichaam en waren bang. De vaststelling van de ziekte gaf het toch een gevoel van ‘grip’: het had een naam, en kwam daarmee onder controle. We kunnen er heel slecht tegen als we ergens geen naam voor hebben.

Dat ‘vat’ krijgen op iets of iemand is ook een aantasting. Bij primitieve stammen mag je een volwassene nooit bij zijn naam noemen, je moet de persoon omschrijven. Iemand bij zijn naam noemen wordt gevoeld als aantasting van de integriteit van de persoon. De Joden mogen hun God nog steeds niet bij zijn naam noemen.

Iemand afbeelden heeft hetzelfde gevoelsmatige effect. Ik ben portrettekenaar en ken nog het gevoel van triomf toen ik, omstoeid door mijn mede-priesterstudenten, de gevreesde pater rector portretteerde: ik had hem een beetje in mijn macht. De moslims moeten het niet wagen om Mohammed af te beelden, of zelfs enig mens of dier. Afbeelden mag niet, punt uit.

Met de naam voor de dingen kregen de VOAP’s gevoelsmatig macht over de dingen. Dat heeft er toe geleid dat ze (ik schat zo’n 3 mjg) het vuur zijn gaan gebruiken in plaats van er, zoals hun mededieren, in paniek voor op de loop te blijven gaan. Maar ook dat heel belangrijke moment komt verderop aan de orde. Eerst deze opsomming af maken.

 

4. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s voortaan kennis, door de ene generatie opgedaan, overbrengen op de volgende. Kennis kon zich bij hen gaan opstapelen.

 

5. Met namen voor de dingen konden de VOAP’s ieders individuele scherpzinnigheid op één hoop gooien. Twee weten meer dan één, en met een hele groep kun je grote problemen aan. De VOAP’s konden brainstormen. Dat is de kracht van het mens-zijn. De kracht van de democratie ook, in tegenstelling tot dictatuur die altijd tot achterlijkheid leidt en het vroeg of laat af moet leggen tegen democratie.

 

6. Met hun namen voor de dingen konden de VOAP’s plannen beramen. Vooral nadat ze ook het vuur waren gaan gebruiken werden ze van bange troepjes aapmensen de hooligans van de savanne.

 

Zo, dat waren de zes dingen die je echt in gedachte moet houden als je wilt beseffen wat het verschil is tussen mensen en alle overige dieren. De zes dingen die ons zo bijzonder hebben gemaakt in de natuur.

Ik heb twee dingen voor me uit geschoven. Ons taalvermogen als gebarentaal. En de spectaculaire gevolgen van het vuur-gebruik (spectaculairder dan dat het hun macht over hun mededieren verschafte).

 

    taalklanken maar geen klinkers

 

Gebarentaal. Nou ja, taal? Proto-taal. Het heeft in het eerste miljoen jaar (van 4 tot 3 mjg, ik doe maar een gooi) het proto-gebarentaaltje van de Washoe-familie in Ellensburg (Washington State) in het CHCI van de plaatselijke universiteit, niet veel overstegen. Met het vuur, waarover zo dadelijk, zal dit met sprongen vooruitgaan. Wat ik eerst nog wil benadrukken is, dat de taal-experimenten met chimpansees ons geleerd hebben dat blaas- en plofgeluiden met de lippen (labialen) en keelgeluiden (gutturalen) vanaf het begin, toen de klinkers (vocalen) nog niet inzetbaar waren bij het vormen van namen voor de dingen, wél inzetbaar waren.

Als bonobo-achtige mensapen waren de VOAP’s al zeer communicatieve dieren, en ten zeerste geneigd om bij hun communiceren hun stem volop te laten meedoen. Chimpansees daarentegen zijn in rust weinig luidruchtig. Onderzoekers kunnen, op zoek naar hun studie-objecten, onder een boom vol foeragerende chimps door lopen zonder hen te horen of te zien. Maar bij bonobo’s is zo’n situatie ondenkbaar; al van verre is hun onophoudelijke communicatie, klinkend als van keffende hondjes, hoorbaar.

Hun stem heeft vanaf het begin meegedaan, weliswaar nog niet betekenisdragend maar als emotionele begeleiding. De k- en ch-klanken, de p- en f-klanken, de m- en ng-klanken die ze wél bewust konden maken (zijnde spiergevormd), zijn vermoedelijk al wél vanaf het begin als betekenisdragend ingezet. Een aanwijzing voor de juistheid van dit vermoeden leveren de klik!-talen van de Koi-San in Zuidelijk Afrika. De San behoren tot de oudste nog overlevende volkjes van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die nog rechtstreekse nakomelingen zijn van de gebarentalige Vroege Mensen aldaar.

 

Het heeft er misschien niks mee te maken, maar ik moet er toch vaak even aan denken: het oorspronkelijke Arabische schrift – waaronder het Joodse. Dat had ook alleen medeklinkers …

 

Gebarentaal is vandaag doventaal. Het is echt taal – linguïsten hebben nog steeds moeite om daar rekening mee te houden. Doven kunnen een beetje leren praten door de spierbewegingen van gelaat en lippen van sprekenden te leren ‘lezen’, en na te bootsen – want ze beschikken over hun stem tenslotte. Maar de Vroege Mensen (de Neanderthalers behoorden daar nog steeds toe) waren niet doof en niet blind of zo; ze hadden alleen nog te weinig controle over hun stem. Dus die bleef een ondergeschikte rol spelen bij hun gebaren en hun klik! en klak! en prr- en chch- geluiden. communicatie.

 

Die controle brak zo’n 100.000 jg wél door bij de AMM’s. Daardoor werden zij de Anatomisch Moderne Mensen (conventionele paleo’s spreken van H. sapiens). Zij zouden de Vroege Mensen tot uitsterven brengen; maar dat is pas zo laat in mijn verhaal dat ik die ontwikkeling nog mijlenver voor me uit schuif. Bij de AMM’s is de oorspronkelijke gebarentaal gedegradeerd tot een ondersteunend element bij het spreken; maar die zit zo diep in onze talige communicatie ingebakken dat we er nog steeds moeilijk buiten kunnen – vooral wanneer onze communicatie emotie-geladen is. Hoe emotioneler we zijn, des te breder onze gebaren.

Onze woorden komen ook beter ‘los’ als we er gebaren bij mogen maken. Je ziet iemands gesticulatie ook een fractie eerder dan je diens woorden hoort, let maar eens op bij een tv-debat.

 

    het vuur

 

Maar nu snel over naar het vuur.


Zo’n 3 mjg zijn de VOAP’s het vuur gaan gebruiken. Geen enkele paleo die daar aan wil, aan zo’n vroege datering voor het vuurgebruik. Dat komt vooral doordat ze een bijzonder lage dunk hebben van de menselijkheid van de Vroege mensen. Zelfs de Neanderthalers (NT’s) werden door hen nog lang als uiterst stompzinnige oermensen aangezien. Speren? Welnee, de NT’s hadden hooguit ‘sondes’: aangepunte stokken om daar mee in de sneeuwlaag te prikken naar door de sneeuw begraven karkassen van mammoeten; stuitte een NT op iets dan rook hij aan de punt; rook hij vlees dan begonnen ze huilend het karkas op te graven en was er honk-honk-honk feest. Jaja. Totdat er in Schöningen echte professionele speren werden opgedolven, van 350.000 jg. Dus van de verre voorouders van de NT’s! Nooit meer iets over die ‘sneeuwsondes’ gehoord.

Vuur? De conventionele paleo’s erkenden alleen vuurgebruik wanneer in de archeologie echte haarden werden blootgelegd. Dus hooguit 40.000 jg. Archeologische vondsten noopten hen om het tijdstip te vervroegen naar 300.000 jg. En toen in Israël werd in een grot een kennelijke stookplaats gevonden, OK, dan naar 400.000 jg. Maar toen in Koobi Fora, waar het oudste H.erectus-skelet van 1.5 mjg is opgedolven, ook sporen van verbrande aarde werden aangetroffen, werden deze laatste afgedaan als gevolgen van bliksem of zo. Zelfs een overigens heel gezaghebbende paleo als Richard Wrangham, die aantoonde dat het slanke kakement en de grotere hersenen van dat skelet alleen een gevolg kunnen zijn van het kunnen koken en braden, vindt nog steeds weinig geloof.

Hoe durf ik dan terug te gaan tot 3 mjg?

Wel, ik ben geen paleo en niet conventioneel, ik gebruik gewoon behalve de beschikbare informatie mijn redeneervermogen en hoef geen reputatieschade te vrezen. Lekker makkelijk wel: fools jump in where angels fear to tread. Ik begin met te wijzen op het vuurgebruik van de Pygmeeën van het Afrikaanse Ituriwoud.

 

San Bushmen onderweg, even wat eten. Dus hebben ze een knol uitgegraven en op ‘t vuurtje gelegd.

 

Evenmin als de Pygmeeën van de Andamanen (India), ook behorend tot de vroegste AMM’s, kunnen zij zelf vuur maken. Hoeven ze ook nooit. Elke vrouw draagt onderweg een kooltje vuur mee, en zodra ze ergens een rustpauze nemen, maken ze eerst een vuurtje. Ook in die tropische klimaten kunnen ze nooit zonder vuur, noch zitten ze ooit zonder vuur. Welnu, wat dacht je terug te kunnen vinden van zo’n vuurtje als op bovenstaande foto, na een paar maanden? Een speurder misschien zou nog iets kunnen traceren. Maar na een jaar? Echt geen spoor meer. Laat staan na 1000 jaar. Laat helemaal staan van de vuurtjes van de Vroege Mensen. Dus gebruik je redeneervermogen.

 

Belangrijker vind ik mijn taligheidsargument. Maar dat schuif ik nogmaals een stukje voor me uit, eerst verzin ik een just-so-story over het eerste aangelegde vuurtje. Dat moet ook weer door een vrouw gedaan zijn want het had met eten te maken. Maar nu een oudere vrouw, een oma.

Het hoeft van mij niet eens de alfavrouw geweest te zijn.

De VOAP’s hadden al lang hun instinctieve angst voor het vuur verloren: ze hadden er immers een naam voor. In de droge tijd breken er in de savanne vaak natuurlijke branden uit. Voor veel savannedieren is dat weliswaar beangstigend, maar ook aanlokkelijk. Roofdieren en gieren gaan er op af om, zodra het gedoofd is, de geroosterde karkasjes van gedierte dat zich niet uit de voeten had kunnen maken, te verorberen. Zelfs antilopen komen op een gedoofde brand af, om te likken aan de zoutige as. Ook voor de VOAP’s, nog steeds aaseters als ze waren, was rook aan de horizon een teken om er zo snel mogelijk heen te gaan. Niet alleen vanwege geroosterde karkassen: daar waren ze natuurlijk te laat voor. Maar omdat ze wisten dat knollen die in rauwe toestand oneetbaar zijn (denk aan onze aardappel) dat in geroosterde toestand wél zijn, en zelfs heel lekker (denk aan onze frites). Als kind had oma al met de andere kinderen lopen spelen met nog half smeulende takken. Maar vandaag, nu ze weer bij zo’n nagenoeg gedoofde brand vertoefden, volvoerde ze het plannetje waar ze al heel lang op had lopen broeden. Ze sleepte een nog smeulende tak naar een veilige plek, voedde het met droog materiaal, blies het aan tot de vlammen opflakkerden. Terwijl de andere VOAP’s schreeuwend van ontzetting van een afstandje toekeken, nam ze een uitgegraven oneetbare knol, stak die aan haar graafstok, roosterde de knol langdurig. Het gekrijs van de anderen was opgehouden. In de doodse stilte proefde ze nu van de geroosterde knol. Ze kwam moeizaam overeind en liep er mee naar haar kleindochter. Die proefde ook – en die zou nooit vergeten wat haar oma die dag had gepresteerd.

Einde verhaaltje. Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur, ik ben daar gek. Maar zoiets moet ooit een keer voor het eerst gedaan zijn.

 

 

 

    de taalgevolgen van het vuurgebruik

 

Het gaat mij om de spectaculaire gevolgen van het vuurgebruik.

oude chimpansee-overnachtingsnesten, hoog in de kruinen

 

Vóór het moment van het eerste aangelegde vuurtje moesten de VOAP’s nog steeds voor een veilige overnachting tegen het vallen van de kortdurende schemer in de bomen klimmen en hun overnachtings-nest vlechten. Ze namen vermoedelijk wel hun vellen mee, om daar lekker zacht op te liggen, en nog een vel om zich toe te dekken, want ook in de tropen wordt het koud ‘s nachts. Wat hun gebaren-communicatie betreft: dat werkt in ‘t donker natuurlijk niet. Die bleef dus beperkt tot het voedselverzamelen overdag en het verdelen ervan na aankomst op de overnachtingsplek. Proto-taal dus.

 

Maar hoe anders werd hun leven na dit vuur-moment, nu ze voortaan de nachten op de grond konden doorbrengen, rond een kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield. Uren en uren werden aan hun dagen toegevoegd. Uren die zich nergens anders voor leenden dan voor communicatie.

Wat communiceerden ze dan?

 

Natuurlijk iets dat hun gedachten erg bezighield. Bijvoorbeeld (en ja hoor, hier komt alweer een eigen verhaal) de beangstigende ontmoeting met een buffel die middag.

 

De mannen hadden snel een ‘muurtje’ gevormd, met hun stenen in de aanslag. De vrouwen en kinderen waren een boom in gevlucht. De buffel had geaarzeld: de VOAP’s waren berucht. Als je ze te na kwam, kreeg je ze een hagelbui van pijnlijke keien naar je kop. Na een paar keer schrapen met zijn hoef had de buffel zich omgekeerd en was weggehold.

Die avond dacht een vrouw terug aan die angstige ogenblikken. Ze sprong op en imiteerde de buffel. De overige vrouwen krijsten. Een man sprong op en imiteerde de angstaanjagende buffel, schrapend met zijn [hoef]. Nog harder gekrijs. De overige mannen sprongen op en vormden een ‘muurtje’. En de [buffel] maakte dat hij weg kwam!

Opgelucht gekrijs. De rust keerde weer. Maar het was zo’n prachtige en opwindende opvoering geweest, dus ze deden hem nog een keer, en nog een keer. Totdat ieder zich in zijn vel draaide en ging meuren. De volgende avonden deden ze weer de [buffel], tot deze performance plaats moest maken voor een nieuwe gebeurtenis. Maar er ging voortaan geen avond meer voorbij zonder een ‘performance’.

 

Generatie op generatie werden zo de avonden gevuld met steeds verfijndere voorstellingen waarin emotionele gebeurtenissen werden verwerkt. En nou komt het. De imitaties ondergingen een standaardisatieproces. Ik bedoel: bepaalde gebaren kregen een vaste betekenis. Een goede verstaanster heeft maar een half gebaar nodig. Je krijgt in een groep babbelende vrouwen maar weinig kans om ook je duit in het zakje te doen, en dan probeer je in je communicatiemoment met zo weinig mogelijk gebaren zoveel mogelijk te zeggen. Wanneer de aanzet van een woordgebaar al begrepen wordt binnen de context maakt je het hele gebaar niet af. Vooral veel voorkomende uitingen worden gekortwiekt: worden standaardgebaren. Dat dit proces snel kan gaan, zie je vandaag ff gebeuren met de sms-taal: in een paar jaar tijd ontstaan.

 

Na het trage begin van de proto-gebarentaal, bestaande uit zelfstandige naamwoorden en werkwoorden en een paar bijwoorden zoals [ver weg] en [dicht bij] – en vergeet niet de lip- en klik!-geluiden die ze erbij gebruikten – ontwikkelde rond het kampvuur elke avond de talige communicatie van de VOAP’s zich nu veel sneller tot echte gebarentaal, met verbindingswoordjes tussen zelfstandige naamwoorden en de werkwoorden. Ze konden al gauw hele zinnen vormen.

 

Onvermijdelijk is dan dat daarin onderwerp en gezegde en lijdend voorwerp en bepalingen hun vaste plaats krijgen: grammatica! De Chomsky-taalkundigen beschouwen grammatica als hét waarmerk van menselijke taal. Maar hoe zouden de VOAP’s hun talige communicatie hebben kunnen ontwikkelen met vermijding van een vaste woordvolgorde in hun zinnen? Taalgebruik werkt alleen als iedereen zich aan ontstane regeltjes houdt.

O zeker, de VOAP-communicatie zal erg primitief geweest zijn, wat wil je. Maar grammatica maakte er al vanaf het begin deel van uit: het is een niet te vermijden bijverschijnsel van taalgebruik. Taal is een puur sociaal verschijnsel, niemand is er de baas over.

Het werkt alleen als iedereen zich aan ontstane regeltjes houdt. Hoe die ontstaan?

Hoe ontstaat sms-taal? Hoe ontstaat mode? Hoe ontstaan rages? Gewoon: zomaar.

 

Ik vertel best wel nieuwe dingen allemaal. Maar ik maak me geen illusie: ik vertel ze als volslagen leek, en in gewone taal. Weinig kans dat mijn nieuwe dingen brede acceptatie vinden. Dat kan pas wanneer eindelijk iemand met wetenschappelijke status hetzelfde schrijft, in nette wetenschappers-taal. Ik wou toevoegen: met de nodige verwijzende voetnoten, maar … waar, naar wie, te verwijzen? Ik kan best wel hier en daar verwijzen, zoals voor het vroege gebruik van de vellen als draagtassen. Maar zit u daar echt op te wachten? Voor mijn nieuwe dingen kán ik gewoon naar niemand verwijzen …

Oké, vooruit dan. Ik ben gewoon ook te gemakzuchtig.

 

    dansen/zingen

 

Waarom dansend/zingend? Wel: als gebarentaligen communiceerden ze, vooral aanvankelijk, nog met hun hele lichaam en luidruchtige stemgeluiden. Gebarentaal is nog steeds heel erg lichaamstaal. Trouwens, gesproken taal weinig minder. Let maar eens op hoe je zelf met je naasten communiceert als je opgewonden bent.

De dieren en planten en handelingen werden, behalve met de handen, met het hele lichaam en gelaatsmimiek geïmiteerd, weergegeven, tot uitdrukking gebracht. Bij een emotie-geladen performance leek dat steeds meer op dansen.
Vooral bij het dansen/zingen van het latere Scheppingsverhaal dat zo’n belangrijke plaats ging innemen in het beleven van hun woordenwereld (we krijgen het er dadelijk over) werden de gebaren, de lichaamshoudingen en –bewegingen, en de stemgeluiden steeds plechtiger, sacraler en gestandaardiseerder.

De begeleidende langgerekte stemgeluiden daarbij mogen al gauw als gezang worden aangemerkt.

Het feit dat wij ‘dansende apen’ zijn geworden is een argument te meer vóór de gebarentaal-hypothese, mag men zeggen.

 

De aanvankelijke proto-taal: losse ‘zelfstandige naamwoorden’ en ‘werkwoorden’, moet na vier miljoen jaar toch al heel wat ‘bijwoorden’ en ‘bijvoeglijke naamwoorden’ hebben gekregen, al was er misschien nog geen sprake van echte zinnen. Maar zeker heel veel herhalingen, eindeloze herhalingen, door iedereen herhaalde herhalingen. Want dat zie je bij primitieve verzamelaars/jagers als de !Kung nog steeds: veelvuldige herhalingen als bevestiging. Want bedenk: voor de dieren die we oorspronkelijk waren, was deze vorm van communicatie nog heel nieuw en gebrekkig – terwijl we er toch steeds meer in gingen denken.

Terwijl hun dierlijke lichaamstaal onmiddellijk z’n werk deed, behoefde de ondierlijke communicatie met namen voor de dingen voortdurende herhaling en bevestiging.

 

in plaats van instinct: geloof

Namen voor de dingen. Het gevoel van afstand, van macht, heeft hen, als enige van alle soorten die de natuur kent, de instinctieve angst voor het vuur doen overwinnen. Het heeft gemaakt dat zij, begonnen als chimpansee-achtige tweebeners die in kleine en bangige troepjes zich in die gevaarlijke open savanne-omgeving waagden, als VOAP’s en met hun vuur daar steeds brutaler werden en uiteindelijk zouden uitgroeien tot dé dominante zoogdiersoort van de Aarde.

 

Eerst een nieuwe naam verzinnen voor de VOAP’s, die door het kunnen koken en braden er echt wel anders uit waren gaan zien dan hun aapmensen-voorouders. Ze waren groter van gestalte (hun dieet was rijker en voedzamer), hun kakementen waren minder fors (ze hoefden niet meer zwaar te kauwen) en ze kregen grotere hersenpannen. Alle paleo’s hebben het alsmaar over die grotere hersenen, en denken dan: meer intelligentie. Ik zelf denk eerder aan meer sociaal gedrag: hogere groepsdieren zoals dolfijnen en olifanten hebben ook grotere hersenen en zijn socialer dan bijvoorbeeld katten of tijgers.

Vanaf nu praten paleo’s over Homo erectus, H. heidelbergensis tot en met H. neanderthalensis. Voor mijn verhaal zijn die taxonomische onderscheidingen
minder interessant dus ik noem ze gewoon Vroege Mensen. Ter onderscheiding van de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s) die vanaf 100.000 jg van zich doen spreken en waar u en ik en alle mensen vandaag toe behoren.

 

Er zat ook een nare kant aan de overgang op het benoemen van de dingen, aan het overgaan van het instinct-gedreven handelen naar het handelen als resultaat van gezamenlijk (of inwendig) overleg. Daarmee wordt de voorouderlijke instinctzekerheid aangetast. Je kunt geen twee kapiteins op het schip van je besluitname hebben.

 

Laat ik het anders formuleren. Zolang de leefomgeving van een dier in de toestand blijft waarop zijn instincten in zijn specifieke evolutie zijn afgesteld, kent een dier geen onzekerheid. Maar de VOAP’s konden dat instinct-gedreven handelen steeds minder gebruiken omdat dit botste met het met elkaar overleggen over wat te doen.

Nou én? zou je zeggen, liever kwijt dan rijk toch, dat dierlijke instinct? Ja, maar hun begrijpen van de dingen was nog uiterst gebrekkig. De meeste dingen begrepen ze nog totaal niet. Het was met niks begonnen en het stelde aanvankelijk weinig voor. Maar even goed moesten ze in overlegsituaties hun instinctieve reacties onderdrukken.

Zo dreigden ze steeds meer ten prooi te raken aan een ‘existentiële’ onzekerheid. Aan getob: over de aarde die laatst zo boos was geweest en zo geschud had dat het hun hoofdvrouw het leven had gekost: dat die zo weer boos zou kunnen worden. Over de Lemagrut die weer boos dreigde te worden en misschien weer gloeiende aarde zou gaan braken en hete en verstikkende as over alles zou gaan uitblazen. Of dat de prooidieren van wie hun overleving afhankelijk was, niet zouden komen opdagen dit jaar. Verzin het maar.

 

We hebben namen gekregen voor steeds meer dingen, bijvoorbeeld voor de eindigheid van de dingen, inclusief onze naasten en onszelf. Namen voor de dood. Daar konden we over gaan tobben. Dat doen normale dieren nooit. Een tor die in je wastafel is gevallen, tobt niet maar blijft proberen tegen de gladde steilte omhoog te komen … tot welk einde dan ook daar is. Een hond die aan een boom is achtergelaten, is best wel ongerust maar tobt niet; hij blijft blaffen tot welk einde dan ook daar is. Natuurlijk kunnen ook andere hogere dieren depressief raken, bijvoorbeeld door het concrete verlies van kind of moeder of lief baasje – maar niet door een idee. Olifanten bezoeken jarenlang op gezette tijden het geraamte van een gestorven dierbare; maar dat is een geraamte, geen idee. Of toch ook? Hoe dan ook, ze hebben er geen namen (woorden) bij om het er met elkaar over te hebben. Hebben ze niet nodig.

Onze VOAP’s hadden evenmin namen voor de dingen nodig om hun dierenleven te leiden. Onze taligheid is een gevolg van een toevallig meidenspelletje. Nogmaals, het had evengoed kunnen uitblijven, en dan waren we vandaag nog steeds gewone dieren, ergens op de Afrikaanse savannen.

 

Niet weinigen menen dat het de angst voor de dood is die de oorsprong is van religie. Maar voor de oorsprong van religie heb ik, denk ik, een betere verklaring: religie spruit voort uit onze taligheid, en ik krijg het er nog uitvoerig over. Maar afgezien daarvan: dan zou je mogen veronderstellen dat, hoe primitiever een volkje is, des te meer angst voor de dood. Maar nee hoor. Het meest primitieve volkje (ik bedoel: het dichts bij hoe onze vroege voorouders miljoenen jaren geleefd hebben) zijn de Hadza (Congo). Die tobben helemaal niet over de dood. Terwijl ze toch intens religieus (maar niet in de betekenis van god-gelovig)
zijn.

 

Uit dat talig beleven van de wereld en het leven is het instinct-gedreven handelen, dus de instinctzekerheid, weggedrongen. Het zat in de weg, er was een modernere kapitein aan boord gekomen op het schip van ons denken die de gedragingen vanuit onderling overleg stuurde – de instincten werden naar het vooronder verdreven. En daarmee de instinctzekerheid.

Dat heeft ons tot ‘tobbende apen’ doen worden.

 

Met onzekerheid valt niet te leven, dus de Vroege Mensen hebben van meet af aan mechanismen ontwikkeld ter bezwering ervan. Die zijn tweeërlei: herhalen en geloven.

 

Herhalen: De dingen precies doen zoals ze altijd al door hun voorouders gedaan werden: traditie, gewoonte. De Vroege Mensen waren oer- en oerconservatief. Hoe vroeger terug in de tijd, des te conservatiever ons voorgeslacht. De paleo’s raken niet uitverbaasd over de vuistbijl: anderhalf miljoen jaar hetzelfde ontwerp! Mijn verklaring is dus: de aanvankelijk extreme onzekerheid, dus aanvankelijk extreme behoudzucht. Geen millimeter durven afwijken van hoe de voorouders de dingen altijd gedaan hadden. Een verklaring temeer is dat de vuistbijl vooral een vrouwenwerktuig was, en voor vrouwen hoeven dingen die werken sowieso niet te veranderen.

Een andere vorm van herhalen: wanneer iemand rond het kampvuur een talige bedenking voordanste, werd die door de anderen eindeloos en met veel emotie herhaald. Elke avond dezelfde dansen, en daar geen millimeter van afwijken. Zingen mag hier ook bij genoemd worden. Zingen in het donker maakt je minder bang, of is in elk geval een beetje rustgevend: het is oergedrag, de Vroege Mensen, en de pristiene AMM’s, zongen bij alles en vooral bij het lopen en doen.

Onder herhalen valt ook: repeterende bewegingen. Die maken ook nog eens rustgevende endorfines vrij. Daarbij denk ik onmiddellijk aan die ene olifant Burgers Zoo die ik eindeloos zijn voorpoten zag kruisen, met op en neer zwaaiende kop en slurf. Ritme bij het dansen/zingen. Daardoor is lopen ook rustgevend. Joggen is voor joggers echt geen straf. Als je opgewonden bent, ga je ‘ijsberen’ om tot rust te komen.

 

Geloven: dat de dingen zijn zoals je graag wilt dat ze zijn. Of dat ze zijn zoals iemand met gezag zégt dat ze zijn. Geloven in de werkzaamheid van bepaalde uitingen of handelingen of voorwerpen: magie.

Wanneer de ene mens de baas gaat spelen over de andere, of de ene groep over de andere – maar daar is 99,5 % van de tijd dat we mensen zijn, geen sprake van geweest – komt hier het bastion van heiligverklaring bij. Heilig is: mag je niet aankomen of aan twijfelen. De heiligverklaring is het bastion voor de onaantastbaarheid van het geloofde.

Waar je niet weet, vul je het vreeswekkende gat op met geloof. Daar is helemaal niks mis mee … behalve in een situatie van ongelijkheid. Dan kan die ‘zelfgebakken’ invulling voor de heersende elite politiek zo belangrijk zijn dat die wordt heiligverklaard. Dan wordt het geloof tot een blokkade voor het vrije onderzoek dat het vreeswekkende gat écht zou kunnen opvullen. Moslims zullen nooit vrij worden zolang ze hun Koran als heilig – dat is: onaantastbaar, mag niet aan getwijfeld worden – blijven beschouwen.

 

    Helen Keller en onze woordenwereld

Naarmate steeds meer dingen van de omgeving namen kregen, ‘onder woorden’ gebracht werden, begrepen werden, leidde dit er toe dat voor onze voorouders hun hele omgeving uit benoemde
dingen kwam te bestaan.

Vanaf die fase zijn ze mensen geworden, talige wezens.

Wij beleven onze wereld als een benoemde wereld, een wereld van benoemde dingen. Dingen bestaan voor ons slechts als en in zoverre we er een naam voor hebben. Onze wereld is een woordenwereld.

 

Dat is een beetje moeilijk te begrijpen voor ons. Het laatste wat een vis zal ontdekken, is water. Maar ik zou de titel humanosoof onwaardig zijn als ik onze woordenwereld voor u niet voorstelbaar zou weten te maken.

Ik kan dat door de beschrijvingen van twee dames.

 

De eerste is Jane Goodall. In gesprek met Wim Kayzer in gesprek in Over de Schoonheid en de Troost in 2000. Ze vertelt over haar favoriete rustplek in het Gombe National Park, de ‘bergtop’ waar ze graag in het maanlicht zat te mijmeren, en van het moment dat er toen een insect op haar arm ‘landde’.

Het was een schitterend mooi insect, glanzend groen en goud en rood, met gouden haren op zijn onderlijf en gloeiend rode ogen. Ik wist zeker dat het nog nooit beschreven is. Als chimpansees naar zo’n vlieg kijken, hebben ze er geen woord voor, ze gebruiken niet het woord <vlieg>. Ze kennen zonder twijfel het concept <vlieg>, maar ze kijken naar dit wezen zonder zich af te vragen wát het is. Ik kreeg het gevoel dat het besef <dit is een vlieg> iets afdeed aan de schoonheid ervan en ik stelde me voor hoe het zou zijn, als ik het woord <vlieg> losmaakte van het insect op mijn arm. Ik keek nu naar het wezen dat mijn moment in tijd en ruimte deelde zonder er een benaming aan te verbinden. Toen was er alleen een gevoel van ontzag en verwondering over de evolutie van het leven waar we beiden deel van uitmaakten.

 

Goodall’s innerlijke observatie zegt vooral iets over het ‘aantastende’ karakter van ons benoemen van de dingen, de ‘machtsgreep’ die wij hiermee plegen op het benoemde. Het zegt iets over de macht die wij hierdoor kregen over onze omgeving; waardoor wij ook het vuur zijn gaan gebruiken; over de ‘aanslag’ die wij hiermee plegen op de integriteit van een persoon door hem zomaar bij zijn naam te noemen of door hem af te beelden.

Maar het effect van het wél of niét beschikken over namen voor de dingen wordt pas echt

invoelbaarder door de beschrijving die Helen Keller heeft gegeven van de tijd van haar leven (haar eerste zeven jaar) dat ze nog geen namen voor de dingen had. Toen ze dus nog niet in de menselijke woordenwereld leefde.

 

Als kleine was Helen bepaald een voorlijk kindje geweest, kon al lopen voor ze 1 jaar was. Ze brabbelde al volop … tot ze een zware hersenvliesontsteking kreeg. Toen ze daarvan herstellende was, merkte haar moeder dat Helen niet meer reageerde als de bel ging en ook niet als ze haar hand voor Helens open oogjes bewoog. Helen was doof-blind geworden, voorgoed.

Maar ze was ook veranderd. Ze was niet langer aanspreekbaar. Ze was een huisdiertje geworden. De kleine Helen was een mooi kindje, met mooie kleertjes ook, maar verder een onhanteerbaar huisdiertje. Schreeuwde het huis bij elkaar als haar iets dwars zat of lachte onbeheerst als haar iets behaagde.

Toen Helen zes jaar was, las haar moeder over een beroemde doofblinde, Laura Bridgman (1829-1889) die niettemin had leren lezen en schrijven. Ze nam contact op met de school waar die doofblinde dat geleerd had. De vader reisde er met Helen naar toe. De directeur ried hem aan, een pas afgestudeerde leerlinge, visueel gehandicapt maar geopereerd zodat ze weer kon zien en kon lezen, als lerares in dienst te nemen. En zo kwam Anne Sullivan in Helens leven.

Anne arriveerde in het gezin als gouvernante. Ze had voor de jarige Helen, net 7 geworden, een pop meegebracht en ‘schreef’ in Helens handje [p-o-p]. In handgebarentaal dus. Helen was aanvankelijk geïnteresseerd door deze nieuwe gevoelservaring, maar toen Anne maar bezig bleef met dat onbegrijpelijke gedoe in haar handje zette ze een keel op en begon wild om zich heen te meppen.

Het werd een moeilijke maand voor Anne, maar ze hield vol. Ze kreeg gedaan dat ze overdag met Helen in een leegstaande schuur op de plantage mocht toeven, en inderdaad kreeg ze daar Helen wat beter onder controle. Helen leerde een aantal woorden terug te ‘schrijven’ in Anne’s hand. Maar dat was puur africhten. Helen besefte niet dat die tekens iets te maken hadden met de voorwerpen waar Anne haar tegelijkertijd aan liet voelen. Dus dat het ding en de naam ervoor bij elkaar hoorden.

 

Op het einde van die moeizame eerste maand waren ze aan het wandelen over de plantage en kwamen ze bij een pomp. Anne pompte water over Helen d’r hand en ‘schreef’ in de andere [water]. En nog een keer. En nog een keer, steeds sneller. Ineens trok Hellen d’r hand terug en raakte toen daarmee de grond aan, haar andere hand naar Anne uitstekend. Die ‘schreef’ daarin [aarde]. Vervolgens greep Hellen naar d’r jurk, en Anne ‘schreef’ [jurk]. Het kwartje was gevallen!

Voor het slapen gaan had Helen die dag al dertig woorden geleerd, en in de dagen daarna gaf ze Anne geen moment rust meer.

 

Vermeldenswaard is dat ook Laura Bridgman zo’n ‘kwartje’-moment heeft gehad. Ook zij was geboren als gezond kind, en was als tweejarige ten gevolge van roodvonk doofblind geworden. Ze had een eigen gebarentaaltje ontwikkeld, en als haar familie niet begreep wat ze wilde uitdrukken, werd ook zij razend van woede. Als zevenjarige was ze op het blindeninstituut van Samuel Howe (1801-1876) terechtgekomen. Die had een heel nieuwe leermethode ontwikkeld: het ‘vinger-alfabet’. De doofblinde kreeg in de linkerhand een voorwerp en dan ‘tekende’ Howe in de rechterhand de letters van de naam van het ding. Met eindeloos geduld … tot de doorbraak kwam: het besef bij het doofblinde kind dat die gekriebelde letters in haar ene hand hoorden bij het voorwerp in haar andere hand. Bij haar was dit k-e-y geweest: een sleutel.

 

Anne overtuigde de ouders dat Helen met haar terug moest naar de doofblindenschool en zo geschiedde. De directeur was erg goed in public relations en het duurde niet lang of de hele westerse wereld was op de hoogte van de beroemde doofblinde Helen Keller die binnen de kortste keren de school afmaakte, met Anne universiteit deed en haar masters of Art haalde.

Anne las de boeken voor in Helens hand, en die handgebarentaal gaat razend snel. Dat zie je aan de foto niet af. Een heel boek is ze aan het voorlezen. Een moeilijk boek ook nog. Van het ene brein in het andere, via vinger-alfabet!

 

Helen, sowieso hoogbegaafd, bleek een begaafd schrijfster. Ze schreef haar autobiografie The world I live in. Is in 52 talen vertaald.

Ze werd wereldwijd uitgenodigd en reisde weldra met Anne de hele wereld over. Overal wilden beroemdheden en presidenten met haar op de foto.

 

En nu mijn punt. In haar The world I live in (1904/08) beschrijft Helen haar belevingswereld van vóór de tijd dat Anne in haar leven was gekomen. Ze beschrijft die als een “niet-wereld”, een wereld van “nietsheid”. Ze begreep niets. Ze begreep bijvoorbeeld niet dat ze bestond, dat ze iets deed of iets wilde of iets koos.

Ze kende ook geen gevoelens, ook al had ze die blijkbaar wel. Dat ze zich dit alles toch herinnerde kwam doordat ze wel een tast-geheugen had. Ze kende haar omgeving op de tast, de reuk en het gewaarworden van de trillingen ervan, zoals voetstappen. Als ze toen een mens had getekend, zou ze diens hersens als vingertoppen hebben getekend, zei ze later wel eens.

 

Pas vanaf dat ze namen had voor de dingen, ‘bestonden’ de dingen pas en bestond ze ook zelf pas, bestonden er gevoelens en bestond er een wereld om haar heen, met al zijn rijkdom aan geuren en vormen en trillingen en tastbaarheden.

 

We leven in een woordenwereld, ook al hebben we dat niet door. Maar dat is het wat ons onderscheidt van alle andere levende wezens. Wij begrijpen de dingen, kunnen het er met elkaar over hebben, kunnen onze intelligenties op één hoop gooien. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen. En het verhaal over hoe wij zo geworden zijn, is ons Grote Verhaal, ons humanistische scheppingsverhaal. Dankzij ons beschikken over namen voor de dingen kan ik met jou communiceren, dame.

 

Maar ik sla iets belangrijks over. Verderop in haar boek schrijft Helen, dat die namen voor de dingen voor haar aanvankelijk alleen maar een handig middel waren om dingen te krijgen die ze wou. Als vijfjarige had ze al ontdekt dat ze een ijsje kreeg van haar moeder als ze aan de knop van de koelkast draaide. De nieuw aangeleerde namen voor de dingen waren gewoon ook zoiets.

De eigenlijke waarde (betekenis) ervan drong pas tot haar door toen het besef tot haar doordrong dat ze ‘iemand’ was, het besef van een eigen ‘ik’.

Menig moeder herkent dit bewustwordingsmoment – niet dat van zichzelf, omdat dit verloren gaat onder volgende bewustzijnsgroei, maar – van kleuters, die plotseling beweren: “Jij is Iris”. Dan duurt het even alvorens de volwassene beseft dat het kind tot dan toe meende dat ze “jij” heette omdat men zich immers altijd tot haar als “jij” richtten; maar dat ze nu begreep dat haar naam “Iris” was.

Bij mijn kleindochter Ceder ging dit overigens omgekeerd. Het was altijd “Ceder wil (dit of dat)” tot bij haar het besef doordrong dat ‘Ceder’ en ‘ik’ allebei op haarzelf sloegen. Sleutelmomenten. (Bij Laura Bridgman was dat dus letterlijk een sleutel geweest.)

 

Wij kunnen ons deze bewustzijnsontwikkelingsfase niet meer van onszelf herinneren, maar omdat die bij Helen vanwege de tussentijd van de ‘niets-wereld’ pas rond haar achtste jaar plaatsvond, en ze bovendien over een fenomenaal tastgeheugen beschikte, kon ze er nog over vertellen.

Ze vertelt ook over haar inner speech: haar praten in zichzelf. Bij haar was dat uiteraard vingerspelling-in-haar-eigen-hand. Op die manier ‘praatte’ ze ook tegen haar pop, tegen haar blokken, haar honden, tegen alle dingen van haar tastwereld die voor haar, nu beschikkend over namen voor de dingen, in het bestaan geroepen waren. Het op deze wijze ‘praten in zichzelf’ door het spellen in haar eigen hand werd later gedeeltelijk verdrongen door ‘lispelen’ doordat ze had leren liplezen, maar belangrijke gedachten bleef ze in haar eigen hand spellen.

 

Tot zover over Helen Keller, ter illustratie van ons leven in een woordenwereld. De oude filosofen hebben het er ook erg mee te stellen hegad. Waarom kwamen die dan al niet ***

 

de geboorte van God en van het Scheppingsverhaal

Hoe heeft het gaan leven met namen voor de dingen ons tot religieuze dieren doen worden? Dat is een gevolg van onze taligheid, onze behoefte aan een Groot Verhaal.

 

Tienduizenden namen voor tienduizenden dingen, dat is een onbeheersbare en onwerkbare chaos in je kop als je ze niet ‘op een rijtje’ hebt: als in die chaos geen samenhang heerst.

Die samenhang wordt gecreëerd door een a tot z–verhaal, dat vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief de mensen, tot zoals ze nu zijn.

Ons talig geworden bewustzijn kon (en kan nog steeds) niet zonder een dóórlopend en samenhangend verhaal waarin alle dingen inclusief wijzelf begrijpelijk samenhangen. Wie ben ik, wat is mijn plaats in het geheel der dingen en waar moet het met mij naar toe? Wanneer we daar geen verhaal over hebben, leven we niet lekker. Wanneer er geen Verhaal heerst in onze omgeving waarin ons eigen bestaan past, dan maken we ons eigen verhaal – maar omdat we sociale wezens zijn, is dat is fragiel en onbevredigend wanneer of zolang of in zoverre het niet door een gemeenschappelijk Verhaal wordt ondersteund. Je kunt voor sommige dingen wel eigen woordjes verzinnen, maar dat blijft waardeloos, daar kun je bij een ander niet mee krijgen wat je hebben wilt.

Zo lang er geen gedeeld Scheppingsverhaal (Ontstaansverhaal, Groot Verhaal) is, hebben we niet het gevoel, IETS met elkaar te maken te hebben. Je kunt dan iemand nergens op aanspreken, of jezelf aangesproken voelen. Nu ja, moeilijk, en niet echt: je hebt NIX om op terug te vallen.

 

In de jaren ’90 las ik in de krant een rechtbankverslag. Een jongeman was meerdere malen bij studentes de kamer binnengedrongen en had ze verkracht. De rechter vroeg hem: waarom deed je dat? Zijn antwoord: waarom niet? En de rechter was even van haar á propos: er was inderdaad geen algemeen gedeeld Verhaal meer waar naar verwezen kon worden en waarop de knaap kon worden aangesproken.

 

Een verhaal ordent de werkelijkheid: brengt structuur in de veelheid van namen voor dingen in onze woordenwereld. Met name een scheppingsverhaal: het vertelt hoe de dingen begonnen en zich ontwikkelden, inclusief onszelf, tot zoals ze nu zijn. Het geeft grip op de werkelijkheid.

Elke stam had zijn eigen Scheppingsverhaal, om greep mee te houden op de veelheid van namen voor de dingen. Geen stam die het ooit zonder heeft kunnen of hoeven stellen. Hoe kwam elke stam er aan en hoe zagen die Verhalen er oorspronkelijk uit? Dat gaan we nu zien.

 

De Vroege Mens-groepjes waren nog steeds klein, levend op de rand van het bestaansminimum maar wel gezond en sterk. In regelmatig contact met bevriende en/of verwante groepjes, elkaar tegenkomend waar hun ‘zangroutes’ (voedselverzamel-tochten binnen een zeer uitgestrekte regio, volgens een door de seizoenen bepaald patroon) elkaar kruisten. Routes die ze zingend aflegden.

Die ontmoetingen vonden plaats op vaste plekken. Wanneer de ene groep daar arriveerde, bleef die daar wachten tot de andere groep arriveerde. En dan was het feest en werden er nieuwtjes en dingen uitgewisseld. De groepen hadden elkaar nodig, al was het maar voor het uitwisselen van huwelijkspartners. Als ze na een paar dagen ieder huns weegs gingen, waren ze beide enigszins van samenstelling veranderd. Niet alleen doordat partners bij elkaar introkken. Maar ook doordat iemand die het niet goed kon vinden met een of meer andere leden van haar/zijn groep of haar/zijn partner, dan overstapte naar de andere groep.

 

Gemiddeld waren de groepen niet groter dan een mens of 25. Maar het kon zo gebeuren dat zo’n groep door een of andere ramp te klein geworden was. Dan sloot die zich aan bij een welvarendere groep.

 

Wat ook kon gebeuren was dat een welvarende groep door dergelijke aanwas te groot was geworden. Dan ontstonden er makkelijk wrijvingen en spanningen.

Dan besloot een groepje vrouwen, kinderen en mannen om een heel nieuw gebied in gebruik te gaan nemen. De wereld was nog eindeloos groot. Maar … niet te ver weg. Zo’n dagreis of tien verder. Want de groepen bleven elkaar nodig hebben, voor van alles.

Toch is het op deze manier gegaan dat de Vroege Mensen zich over heel Eurazië hebben verbreid, in de loop van de honderdduizenden jaren.

 

Zo’n groepje eerste ‘kolonisten’, dat waren dan de eerste mensen die zo’n gebied betraden, de eersten om er de dingen hun namen te geven. Voor talige wezens betekent dit: in het bestaan roepen. Dichters zijn scheppende kunstenaars. Creatief zijn betekent dat je graag dingen schept. Voor hun nakomelingen was dat eerste groepje, samengetrokken tot één Figuur, de Grote Voorouder, die hun wereld (stamgebied) geschapen had.

Elke avond dansten/zongen ze rond het kampvuur dat de roofdieren uit de buurt hield, hoe de Grote Voorouder, op een bepaalde plek het stamgebied was binnen gekomen en op Zijn tocht overal de voor de stam belangrijke dingen had achtergelaten: bergen en heuvels, rivieren en meren, kloven en moerassen, bomen, planten en dieren.

Op één bijzonder heilige plek ook de zielen die bij een passerende vrouw konden binnendringen en bij haar een nieuw leven beginnen. Om na het overlijden weer naar die plek terug te keren en een nieuwe kans af te wachten.

Daar hebben we dus het Scheppingsverhaal.

Geen stam die het ooit zónder heeft kunnen of hoeven stellen.

 

    het gedanst/gezongen Scheppingsverhaal

 

Met deze Grote Voorouderfiguur ontmoeten we, u vermoedde het al, de oer-God, de proto-God. Honderdduizenden generaties van het op deze manier de (woorden)wereld en het samenzijn beleven, dat heeft onuitwisbare sporen nagelaten in onze aanleg, in onze menselijke natuur.

We geven er nog steeds blijk van. Als er ergens dansmuziek opklinkt, krijgen we de kriebels en gaan danspasjes maken.

De Grote Voorouder mag zich dan wel steeds verder hebben teruggetrokken, ergens hoog in de lucht, en zich niet meer direct bemoeiend met zijn schepping, maar hij is er nog steeds, in ons onderbewustzijn, als ‘iets’. Ook al zien we nooit meer een kerk van binnen, we blijven voelen ‘dat er IETS moet zijn’. We blijven ‘talige wezens’. Atheïsten snappen dit niet. Ze zijn een soort filosofen: ze weten niks over ‘de mens’.

 

Onze baby’s worden nog steeds geboren in de verwachting, terechtgekomen te zijn in een gemeenschapje van Neanderthalers of indianen of zo, weet die boreling veel. Boreling beschikt alleen over aangeboren ‘kennis’, en over een onuitputtelijke leerdrang. Boreling verwacht in eerste instantie geluiden van activiteiten en gezang, de reuk van een moederlichaam, de geur van vuur vermoedelijk ook.

In elk geval menselijke geluiden en meegedragen worden. Wanneer boreling niets van dat alles gewaar wordt en alleen stilte en bewegingloosheid gewaar wordt, begint ‘ie te huilen: zijn enige manier om uit deze heilloze situatie verlost te raken. Als mama kindje hoort huilen, pakt ze het op en gaat er mee rond deinen, zachtjes zingend. Doen alle moeders, en zonder te beseffen waarom ze dat doen. Kindje wordt meteen stil en lacht: dit kent het ‘ergens’ van, het is alvast iets. Als mama kindje neerlegt, begint het teleurgesteld weer te huilen: het wil meer en constantere tekenen van menselijke nabijheid. Zou het goed zijn als mama zou wéten wat er in haar boreling leeft? De meeste moeders weten niet beter dan dat een baby of peuter het lekker vindt om geschud te worden, door een rijdende kinderwagen dan wel door er ‘wild’ mee te doen. Vaders doen dat ook onbewust. Die doen dat nog iets ‘wilder’, en dat is ook prima.

 

Bij de meeste ‘wilde stammen’ en pure Verzamelaars/Jagers (VJ-) groepjes leeft de Grote Voorouder alleen nog voort als een ver Hoogste Wezen, ergens hoog in de lucht, een Wezen dat zich niet meer met de wereld bemoeit en waar de mensen ook verder weinig mee doen. Diens plaats is bij hen al lang ingenomen door geesten die van veel directer belang zijn.

Ik kan niettemin verwijzen naar een populatie waarin de Grote Voorouder nog in Zijn pure vorm voort bestaat: in de Scheppingsverhalen van de Australische Aboriginals. Althans bij “De clan van de Wilde Honing” (1996) van de Nijmeegse antropoloog Ad Borsboom; met de Scheppingsverhalen van de overige 170 clans ben ik minder bekend, ik ben geen specialist natuurlijk.

 

Ik weet veel van de Ituri-pygmeeën, door het prachtige boek The Forest People (1961) van Colin Turnbull dat ik wel tien keer gelezen heb en nog heel vaak zal herlezen, als een bijbel. Vooral ook omdat daarin ook veel wordt verteld over de Bantoes met wie de Pygmeeën in nauwe relatie staan. Maar daarover later meer.

 

Voor de M’buti is hun regenwoud de schenker van alle goeds en ze zingen tot Haar/Hem/Het vol vertrouwen. Een ‘Allerhoogste’ kennen ze desgevraagd ook wel, maar die woont ergens hoog in de lucht en daar onderhouden ze geen contact mee en Die niet met hen. Een Allerhoogste Schepper-figuur is bij alle ‘wilde stammen’ als vage notie altijd blijven hangen, zoals ik zei.

De latere patriarchen hebben daar volop gebruik van gemaakt voor hun ideologieën.

 

    de AMM’s, weer een vrouwen-uitvinding

Zo’n 100.000 jg ontwikkelde zich in Afrika uit de Vroege Mensen aldaar een populatie die van (voornamelijk) gebarentaal overging op (voornamelijk) gesproken taal. Handiger, vooral in het donker, of om een hoekje, maar vooral: met je handen vol. Ik vertelde het al: de vrouwen hadden hun handen nodig om dingen te dragen, gereedschap te hanteren en van takken te plukken – terwijl ze toch ook voortdurend wilden babbelen. Dus ze hadden intussen zoveel extra spraakklanken ontwikkeld met lippen en tong en binnenmond (daar heb je wél bewuste controle over), en hadden al zoveel neurologische controle over hun stem gekregen door hun dansen/zingen van het Scheppingsverhaal, dat ze er nu hun handen niet echt meer bij nodig hadden om toch te kunnen kleppen.

De mannen daarentegen konden bij het jagen bepaald geen lawaai gebruiken. Gebaren wel. Dus de mannen deden heel lang nog niet mee met dat vrouwengeklep.

 

Gebarentaalsprekers kunnen niet liegen: te veel spieren en spiertjes om onder controle te houden zonder dat de ander het onmiddellijk ziet. Maar met alleen je stem, en met een uitgestreken smoelwerk, is dat met enige moeite wel mogelijk.

Nou maakten ze daar heus geen gewoonte van, ze bleven sociale wezens. En het waren vooralsnog alleen vrouwen die dat konden, en pas vele generaties later ook de mannen. Het is weer zo’n onmerkbaar geleidelijke overgang geweest.

Maar dat ze het kónden deed iets met deze mensen. Het maakte hen een ietsje zelfverzekerder, een ietsje minder gebonden aan de vaste gebruiken van hoe je de dingen hoort te doen.

Hoe het ook zij (want u had hier weer te maken met een eigenwijze humanosofen-theorie): deze populatie, onze naaste voorouders de AMM’s, ging nieuwe materialen gebruiken dan alleen steen, om gereedschappen van te maken, namelijk been en hoorn. Daarmee konden ze geweerhaakte vissperen maken. Daarmee opende zich voor hen een rijke nieuwe voedselbron: de waterdieren en –planten. Wij noemen ze de Anatomisch Moderne Mensen (AMM’s).

Veel mainstream paleo’s hanteren nog die achterlijke Linnaeus-benaming Homo sapiens. Maar als de Vroege Mensen niet sapiens (= wetend) waren geweest, zouden er niet eens AMM’s gekomen zijn.

 

De AMM-groepen konden met hun uitgebreidere economie meer monden voeden dan de Vroege Mensen die alleen op grote grazers bleven jagen. Hun groepen werden groter: in plaats van de Vroege Mensengroepjes van hooguit 25 mensen konden AMM-groepen wel 150 zielen tellen.

In een kleine groep vindt een nieuw idee moeilijk ‘volgers’, en dan sterft het in schoonheid. Maar in een grote groep vind je al gauw een of meer ‘volgers’, en dan krijgt een nieuw idee een kans.

Grote groepen splitsen makkelijk, dus ook het aantal groepen van die bewuste populatie breidde zich snel uit. Door de uitwisseling tussen de groepen breidden zich ook nieuwe ideeën snel uit.

 

Door dit alles ‘fokten’ de AMM’s ‘als konijnen’. Ze verbreidden zich over heel Afrika. Weldra legden de kleine groepjes Vroege Mensen het loodje. Een aantal groepen migreerde naar het Midden-Oosten (via het huidige Israël) en verder naar India en het Verre Oosten. De eerste kolonisten van Australië en Nieuw Guinea behoren tot hun nakomelingen.

 

    de Toba-explosie

 

Maar toen onderbrak een wereldwijde ramp het proces. In 74.000 jg ontplofte de megavulkaan Toba op Sumatra. Er ging in één keer zoveel tefra (as-stof) de atmosfeer in dat de zon langdurig verduisterde en dieren, en dus ook mensen, massaal uitstierven bij gebrek aan voedsel.

In Zuid-Afrika overleefde een kleine populatie AMM’s doordat de waterwereld relatief beter standhield, en dus ook zij.

Maar ook ettelijke Neanderthaler groepjes wisten te overleven, blijkbaar. Waarschijnlijk in Palestina. Taai volkje.

 

De aspluim ging vooral over India. Dat werd grotendeels met een decimeter dikke tefra-laag bedekt.

 

Op de foto hiernaast is in een opgraving de laag van toen goed te zien. Hier is hij wel erg dik: door de regens werd de aslaag uit de omgeving naar lage plekken gespoeld. Deze plek is zo’n opeenhoping.

 

Het mooie is dat onder die (dateerbare) laag primitieve werktuigen gevonden zijn: afkomstig van de eerste AMM’s die daar gepasseerd zijn. Een zelfde soort stenen werktuigen zijn gevonden bovenop die laag: na een jaar of dertig had de natuur zich weer zo ver hersteld dat de flora terugkeerde, dus ook de fauna. Dus ook de mensen. Een veelzeggende plek, dus een foto waard.

 

Een genetische studie signaleert een bottleneck in de menselijke populatie rond die tijd, met een terugval tot rond de 10.000 volwassenen, in totaal wereldwijd.

Dat de AMM’s zich zo pijlsnel herstelden vereist een verklaring. Ik kan niks beters verzinnen dan dat hun overlevingsdrang, onder de barre omstandigheden van de zes jaar vulkanische winter die zo bruusk een einde maakte aan hun gemakkelijke leventje, hun vindingrijkheid en vernieuwings-bereidheid een stoot heeft gegeven. Datzelfde moet dan ook gegolden hebben voor de NT’s, want ook die zijn weer snel in hun vroegere aantallen en leefgebieden terug gegroeid, en legden toen inderdaad (zelfs zij, terwijl zij geen AMM’s waren maar nog steeds voornamelijk gebarentaalcommuniceerders, nieuwe cultuur aan de dag: het Chatelperronien.

 

De AMM’s van de werktuigen onder de aslaag, al lang en breed voorbij India, overleefden ook de ramp van de vulkanische winter die ook hen overviel. Ook zij herstelden zich, vermenigvuldigden zich weer en migreerden verder naar het Verre Oosten. Hun nakomelingen werden de eerste kolonisten van Nieuw Guinea en Australië – o, dat zei ik al.

Ik noem deze migratiegolf Out of Africa II-A.

(De eerste Out of Africa-migratie was die van de populatie Vroege Mensen van de oudste stenen werktuigen, de H. erectus-mensen, van rond 2 mjg.)

 

OoA II-A was via de Levant gegaan. Die populatie was kroesharig, en hun nakomelingen zijn de negrito’s, bijvoorbeeld die van de Filippijnen; maar ook de Aboriginals zijn negrito’s.

By the way, voor je in ras-denken vervalt: het is maar net welk genenpakket je uiterlijk bepaalt. Het heeft helemaal niets te maken met je intelligentie of je mens-zijn als geheel. Je cultuur, ja, of de gezinsomgeving waarin je bij je geboorte terecht komt, die hebben wel behoorlijk veel invloed op je. Maar niet je genenpakket.

 

In Afrika herstelden de AMM’s zich snel, met name langs de kustgebieden. Zo snel dat 60.000 jg de eerste AMM’s ook weer buiten Afrika migreerden. Ze zijn recentelijk geïdentificeerd als De Zeven Dochters van Eva (door Bryan Sykes, Bantam Press, 2001). Deze migratiegolf, de OoA II-B,
kwam van een andere populatie uit Afrika; die was meer sluikharig. Ze staken over naar het Arabische schiereiland via Bab el Mandeb.

OoA II-B bestond uit nog grotere groepen. Die waren ook ‘moderner’ bewapend: met pijl en boog.

Dat de negrito’s (van OoA II-A) nog geen pijl en boog kenden, leid ik af uit het feit dat de Aboriginals die nooit gehad hebben; die hebben wel speren en boemerangs, maar geen pijl en boog.

 

OoA II-B ging aanvankelijk alleen weer naar het Midden- en het Verre Oosten, weer langs de kustgebieden. Ze waren iets lichter van huidskleur en hadden als gezegd geen kroeshaar maar sluik haar. Ze vonden zichzelf met hun grotere aantallen en hun betere bewapening superieur aan de negrito’s en verdrongen die naar oerwouden en andere meer afgelegen streken.

Om later zelf weer door nog ‘modernere’ populaties, de Ariërs, verdrongen te worden en dalits te worden, althans in India.

 

50.000 jg koloniseerden trok een aantal groepen van die tweede golf, OoA II-B, ook Europa, het leefgebied van de Neanderthalers, binnen. 40.000 jg zaten ze in Frankrijk, als Cro Magnon-mensen. 30.000 jg hebben ze er de Neanderthalers doen uitsterven.

 

En toen werd het weer heel koud: de laatste ijstijd. In de winterverblijven van Europa ging het werk van de vrouwen (voor de kinderen zorgen en voor het eten, kleren naaien en manden vlechten) gewoon door maar de mannen hadden weinig om handen. Die brachten veel tijd door met handige uitvindingen, zoals de vuurboor, en pijl en boog. Ook de wolf werd toen gedomesticeerd. Kinderen hadden altijd al van schattige wolvenjongen gehouden en zo waren er steeds tammere wolven gekomen. Sommige jongens hadden gemerkt dat hun wolvenvriendjes verdomd goed konden meedoen bij de jacht, en zo kwam van het een het ander.

De vrouwen konden niet meer vrij rondzwerven (de groepen waren bij elkaar gedrongen in de leefbare valleien van de Dordogne en zo), en hadden heel zorgvuldig om leren gaan met belangrijke voedselplanten als peulen en bonen. De mooiste bonen en peulen zochten ze uit om die terug te geven aan Moeder Aarde. Die beloonde dat dankbare gedrag en schonk het volgende seizoen nog veel meer van die mooie bonen en peulen. Het begin van het telen van voedsel: je snapt dat het uitkiezen van de mooiste exemplaren een vorm van genetische manipulatie is. De echte vorm van landbouw begint natuurlijk in de Levant (het Midden- Oosten). Maar ik laat het hier al ontkiemen. Waarom?

Hier verschijnen de eerste vrouwenbeeldjes zoals de Willendorf-venus van 30. 000 jg hiernaast. Die beeldjes zijn de hele lange periode dat de vrouwen de landbouw hebben beheerst, ook en vooral in de Levant en Mesopotamië, de vrouwenreligie blijven vergezellen.

Een van de laatste is het beeldje hier onder: uit Palestina, van 700 vC, dus van vlak voor de tijd dat de Joodse patriarchen het daar voor ‘t zeggen kregen en de vrouwen uit alle machtsposities van de religie stootten.

 

Even meer over de vrouwenbeeldjes. Er moeten er honderdduizenden zijn gemaakt, in de loop van de vijf en dertig millennia tussen de twee hier afgebeelde. Verreweg de meeste leken op het oudste tot nu toe gevonden vrouwenbeeldje: zonder gezicht, en de iele armpjes nauwelijks zichtbaar over de tieten gelegd, deze ahw omlaag persend. Het ging niet om een bepaalde vrouw, maar om ‘het vrouwelijke’, om de rijke en gulle Moeder Aarde.

De jongste heeft wel gelaatstrekken, omdat het in de toenmalige door mannen gedomineerde cultuur normaal was geworden. De tieten worden ondersteund; geeft ook gulheid weer maar toch een subtiel verschil, na 35.000 jaar.

 

35.000 jaar lang hetzelfde ontwerp vrouwenbeeldje! Als dat geen hard bewijs van vrouwelijke behoudzucht is … daar kunnen alleen die twee miljoen jaar hetzelfde ontwerp vuistbijl, een typisch vrouwenwerktuig, aan tippen. Vrouwen zijn religieuzer dan mannen.

Hoezo? Wat heeft dit met religie te maken? Dit heeft alles met religie te maken. In die tijden had ALLES met religie te maken, en met het dansen/zingen van de wereld.

 

    toen de vrouwen nog in volle status waren

Bij pure jager/verzamelaars, zoals de Vroege Mensen, nog rondscharrelend in een eindeloze wereld, vaak op de rand van het bestaansminimum, in sterke afhankelijkheid van elkaar, heerste – en heerst veelal nog – de grootst mogelijke harmonie en gelijkheid tussen de seksen en binnen de seksen.

Het gender vrouw heeft altijd een hoge status genoten, vanwege het vermogen tot kinderen baren en voeden en het zorgen voor het dagelijkse eten, het vuur en de hutten, de medische kennis en de religieuze rituelen. De vrouwen brachten ook het meeste voedsel in, en het meest constant. Namelijk elke dag. Met die vuistbijlen van ze. De mannen ontleenden hun status aan het zorgen voor de veiligheid tegen de grote katten en de hyena’s, en later steeds meer door hun hooggewaardeerde inbreng van vlees; verder hielpen ze de vrouwen naar vermogen bij dier veelheid van taken.

 

Links een grottenwandschildering van Kalahari-Bushmen, waarop in de middencirkel de menstruatie-hut te zien is waar omheen de vrouwen de Elanddans doen. De jongens en mannen blijven in de buitencirkel. Voor mij is deze wandschildering een icoon.

De ingevoegde tekening is zeker verduidelijkend maar niet helemaal goed: je ziet toch dat de mannen onder een brede rij vormen, er is alleen een schilfer tussenuit gevallen maar rechts ervan gaat de rij nog door. Een aaneengesloten rij van volwassen mannen, eerbiedig het diep-menselijke en wezenlijke deel van het leven bijwonend.

Rechts eenzelfde tafereel maar dan in Europa en veel ouder en primitiever weergegeven : vrouwen dansend rond de menstruatiehut.

 

Dat het gender vrouw hoog in aanzien stond werd door de mannen als vanzelfsprekend en passend ervaren. We mogen dus spreken van een ‘status-evenwicht’ tussen beide genders, dat nagenoeg de hele tijd van ons mens-zijn heeft geheerst.

De hoge status van het gender vrouw kwam vooral tot uiting bij de eerste menstruatie van meisjes. Hun verbazingwekkende vermogen tot bloeden zonder verwonding, hetgeen hun vermogen tot moederschap aankondigde, waar het voortbestaan van het mensdom om draait, werd met bijzondere gezangen en dansen en onderricht door oudere vrouwen in de geheimen van het vrouw-zijn gevierd. Door de hele gemeenschap, dus ook door de jongens en de mannen. Daar geeft de Bushmen-wandschildering hierboven een beeld van.

 

de machtsgreep van de mannen

Vanaf het begin van het mens-zijn, nee, eerder al, vanaf dat aapmensen op de savanne moesten zien te overleven – wat? als onze mensapen-vooroudersoort echt veel weg gehad hebben van de huidige bonobo’s die vrouwendominantie kennen, nóg vroeger – hebben de vrouwen een hoge status gehad en hebben onze voorouders vreedzaam samengeleefd, ook hun groepen onderling.

Waarom leven wij nu dan in een mannenwereld, vol oorlog en geweld en met de vrouwen als tweederangs burgers? Waar, wanneer en waardoor is het fout met ons gegaan?

 

Waar? Overal waar er teveel groepen met elkaar om het bestaan moesten vechten, in een te krap geworden leefgebied. Hoe groot dat ook was: waar vrouwen op hun foerageertochten op de aanwezigheid van vreemde vrouwen stuitten, joegen ze er hun mannen op af om er mee af te rekenen. Oorlog maakt mannen belangrijk.

 

Wanneer? Tja, dat kan al in Afrika begonnen zijn. De migratie naar Eurazië kan immers al wijzen op populatiedruk. Alle vandaag levende populaties vinden (het genetische onderzoek is daar duidelijk in) hun oorsprong in één van de Zeven dochters van Eva. Er is vandaag geen enkele VJ-gemeenschap waar niet van een zeker overwicht van de mannen sprake is, hoe gelijkwaardig de verhoudingen tussen de seksen er ook nog moge zijn. Zelfs bij de egalitaire Pygmeeën hebben de mannen zich van de heilige molimo-fluit meester gemaakt en moeten bij het ritueel de vrouwen in hun hutten blijven.

 

Dat de vrouwen in hun hutten moesten blijven bij de mannenrituelen is veelzeggend. Temeer ook omdat dit een algemeen verschijnsel is geweest. Bij de Xavante-indianen van Zuid-Amerika bijvoorbeeld: idem dito.

Het is namelijk tekenend voor de onzekerheid van de mannen over hun religieuze rituelen. Die waren vanaf de vroegste tijden een vrouwen-aangelegenheid geweest. Religie was altijd vrouwenwerk geweest. De mannen namen er graag aan deel, maar de vrouwen hadden de leiding. De machtsgreep van de mannen betekende dat de mannen nu ook de leiding over de rituelen moesten nemen. Daar waren ze niet voor toegerust. Hun gestuntel zou de spotlust van de vrouwen wekken. Vandaar de maatregel.

 

Ook moet het oprukkende ijs van de laatste ijstijd in Europa oorzaak geweest zijn van populatiedruk in de leefbare streken van Zuid-Europa. De mannen hebben daar eigen initiatierituelen ontwikkeld in schrikaanjagend diepe en duistere grottengangen, zoals die van Lascaux en Chauvet en tientallen andere, ook in Italië en Spanje. De vrouwen ontwikkelden hun verering van Moeder Aarde daar ze niet langer vrij konden rond foerageren en zorgvuldiger moesten omgaan met hun voedselplanten. ***

 

Waardoor? Door de oorlogvoering ten behoeve van de overleving van de eigen groep kregen de mannen er een gewichtige taak bij: hun leven riskeren in gevecht met andere mannen. Een taak die volgens de mannen opwoog tegen het kinderen kunnen baren van de vrouwen, en even belangrijk voor hun voortbestaan!

De oeroude balans tussen de seksen (vrouwen zorgden voor alles en voor het eten, de mannen zorgden voor de veiligheid en later voor het vlees) raakte verstoord. De mannen begonnen zich nu héél belangrijk te vinden, werden minder geneigd de tweede viool spelen. Vooral de jongemannen, boordevol dadendrang o m hun mannelijkheid te bewijzen, ervoeren de voorzichtige beslissingen van het vrouwenberaad als volslagen achterlijke en nodeloze, wat? schadelijke hinderpalen.

 

Het leidde er toe dat de mannen eigen rituelen gingen ontwikkelen, op afgelegen plekken, zoals diep in het woud, of, zoals in Zuid-Frankrijk, in duistere onderaardse grottengangen. Aanvankelijk stiekem, later steeds openlijker.

 

Boekdelen spreekt voor mij de molimo-viering bij de Mbuti-pygmeeën in het Congolese Ituriwoud, bekend van het prachtige boek The Forest People van Colin Turnbull (NY 1961) waar ik het al over had.

De molimo is een heilige fluit, waarmee door ervaren toeteraars een veelheid van tonen en klanken kunnen worden voortgebracht. De molimo verbeeldt de stem van het Woud, en wordt bij ruste verborgen diep in het Woud. Om tevoorschijn gehaald te worden door een groepje jonge mannen wanneer iemand overleden is of iets anders verontrustends aan de hand is, waarvoor Het Woud uit zijn sluimer gewekt dient te worden omdat zijn kinderen in nood zijn.

De vrouwen moeten daarbij in hun hutten blijven, met afgesloten deur. De mannen zingen rond het gemeenschappelijke vuur op de open ruimte. De molimo komt vanuit de verte steeds dichter bij, naar de mannen rond het vuur, die daarbij veelal in trance geraakt zijn.

 

Het is dus een mannen-aangelegenheid geworden, zelfs bij de Pygmeeën al. Maar … bij hen blijkbaar nog niet zo lang. Eens per jaar worden de rollen omgekeerd en nemen de vrouwen er de ceremonie over. Ze blijken dan alle gezangen minstens zo goed te beheersen als de mannen.

De mannen laten de vrouwen gelaten, ahw schuldbewust, hun gang gaan. De vrouwen laten merken dat de molimo-ceremonie oorspronkelijk een vrouwen-aangelegenheid was. Wanneer ze hun punt gemaakt hebben, ‘bevrijden’ ze de mannen en trekken zich tevreden terug in hun hutten (hutten maken en onderhouden is vrouwenwerk; de mannen wonen dus in vrouwenhutten).

Hierna vervolgen de mannen de molimo-ceremonie tot in het ochtendkrieken.

Op veel plaatsen in de antropologische literatuur lees je dat de mannen de heilige fluiten van de vrouwen geroofd hebben, en niet alleen in Afrikaanse veldonderzoeken. Maurice Godelier, de Franse veldonderzoeker bij de Baryua Papoea’s tussen 1967 en 1988, ook heel belangrijk voor mij, vertelt dat de jongens bij hun initiatie leren dat de heilige fluiten door een voorouder-man gestolen zijn uit het vrouwenverblijf, en tekent de opmerking van een oude man op: “De eerste vrouwen wisten hun macht niet goed te gebruiken. Bijvoorbeeld, ze doodden teveel prooidieren (sic), en veroorzaakten teveel wanorde. Het was nodig dat de mannen hun de macht ontnamen zodat de orde kon terugkeren in de gemeenschap en in de kosmos.”

 

besnijdenis: hoe kwamen de mannen zo gek?

De mannen wilden niet langer, zoals in de eervorige paragraaf, braaf toekijken bij de prestigieuze meisjes-initiatiefeesten rond de elima (menstruatiehut). Ze wilden eigen mannen-initiatierituelen. Bij de pygmeeën en de San is het nog niet zover, maar bij de Baruya’s worden de jongens op (gespeeld) ruwe wijze uit de armen van de moeders gerukt, als hun ‘bevrijding’ uit de vrouwenwereld, en voor hun maandenlange initiatie opgesloten in het mannenverblijf. Ik heb bij Godelier niet gelezen dat besnijdenis van de jongens deel uitmaakt van de initiatie. Maar dat is het bij veel stammen in Afrika en bij de Aboriginals wel geworden. Hoe kwamen de mannen toch tot dit vreemde en pijnlijke ritueel?

 

Om de jongens-initiatie als overgang naar de volwassenheid zo dicht mogelijk op het oorspronkelijke ritueel van de voor het eerst menstruerende meisjes te laten lijken, moesten ook de jongens bloeden. In Afrika werd dit bewerkstelligd door het afsnijden van de voorhuid, maar bij ettelijke Aboriginalstammen heeft het tot nog barbaarsere insnijdingen geleid. De Aboriginals behoren, hoewel ze nog pure VJ’s zijn, niet tot de voorbeeld-gemeenschappen waaraan we nog kunnen aflezen hoe onze vroegere voorouders samengeleefd hebben. Ze horen daar niet bij, omdat Australië, althans in de leefbare stroken van dat woestijn-continent, al lang volgepakt met stammen was. Dus al lang overpopulatie. Maar Australië kent (van oorsprong) geen domesticeerbare planten. Dus er heeft nooit landbouw kunnen ontstaan onder Aboriginals. Er zat voor de Aboriginals niets anders op dan hun kinderaantallen niet verder te laten groeien, het te doen met het stamgebied en met de buren een gewapende vrede te onderhouden. Een gedwongen VJ-bestaan. Geen puur en vrij VJ-bestaan, althans niet in de dichtbevolkte delen van het continent.

 

De Mbutu-pygmeeën, beschreven door Colin Turnbull, leven al zeker 200 jaar samen met de Bantu-boeren die delen van het regenwoud platbranden om er tuinbouw te plegen. De Pygmeeën zijn natuurlijk begerig naar de ijzeren messen van die boeren en ook de bananen en de palmwijn en de tabak zijn erg in trek bij ze. De boeren van hun kant zijn begerig naar de bushmeat en de honing die de Pygmeeën kunnen leveren. Ook de arbeidskracht van de Pygmeeën bij het omkappen van de percelen voor hun tuinen, en bij het oogsten in oogsttijd, is in trek. De Bantu’s beschouwen de Pygmeeën als hun slaven. De Pygmeeën laten hen in die waan: wanneer ze genoeg hebben van hun tijdelijk vertoeven in het Bantu-dorp (en het bestelen van de plantages), trekken ze gewoon weer het woud in om daar weer een tijd hun eigen vrije leven te leiden. Tot ze weer zin krijgen in palmwijn, tabak en andere Bantoe-dingen.

Maar in de loop van generatie op generatie zijn de Pygmeeën toch zo verknocht aan wat die domme Bantu-boeren te bieden hebben dat ze zelf grotendeels Bantu zijn gaan spreken. En dat niet alleen: ze laten hun jongetjes ook deel nemen aan het initiatie-ritueel van de Bantu’s. Hetgeen ook besnijdenis inhoudt: de Bantu’s beschouwen een Pygmee niet als een man wanneer die niet besneden is.

 

Ja, voor mij zijn de pygmeeën van Turnbull, samen met nog wat andere pure VJ (Verzamelaars/jagers)- groepen zoals de Hadza en de San Bushmen, de vandaag nog voorhanden voorbeeld-gemeenschappen van de Vroege Mensen. Ze zijn namelijk een soort ‘levende fossielen’ van hoe onze vroege voorouders samenleefden.

Dus vroeger heerste bij onze voorouders matriarchaat? zullen sommigen nu denken.

Fout! ‘archè ‘ = Gr. Voor ‘heerschappij.

Maar bij de Vroege Mensen, en ook nog heel lang bij de AMM’s zoals bij onze controlegroep (de M’buti, de Hadza en de Bushmen), was niemand de baas. Geen denken aan dat bij VJ’s iemand de baas kon spelen over een ander. Dat deden de ouders niet eens over hun kinderen. Dat zou ook helemaal niet werken.


Je kunt je voorstellen wat een frustratie dit betekent voor zo’n vrij opgegroeid pygmee-jongetje, dat nu ineens zo’n barbaarse besnijdenis heeft moeten ondergaan. Het kan er echt met zijn verstand niet bij.

Zijn oom Masalito houdt hem beschermend en troostend vast. Later zal Kaoya het wel begrijpen.

(Foto van Colin Turnbull, 1960)

 

 

edele wilden

Zijn die genoemde voorbeeld-gemeenschappen voor mij ‘edele wilden’?

Juist! Precies! De ‘edele wilden’ bestonden echt.

En dat zijn wij eigenlijk nog steeds! Ten diepste voelen wij dat het leven zoals ik het in de volgende zes punten ga opsommen, eigenlijk zo hoort.

De mainstream paleo’s nemen nog steeds de ‘wilde stammen’ als voorbeeldgemeenschappen voor ons prehistorische verleden. Ze trekken de lijn tussen de oorlogvoerende chimpansees, via de oorlogvoerende ‘wilde stammen’, naar ons-nu, die immers ook oorlogszuchtig zijn.

Fout! Wij zijn pas 10.000 jaar in overpopulatie-stress en dus oorlogszuchtig. Terwijl onze natuur gevormd is in de miljoenen jaren daarvóór. Al die lange-lange tijd waren we vreedzaam. Edele wilden. Niet doordat we toen betere mensen waren, maar doordat vreedzaamheid en harmonie overlevingseisen waren.

 


Hier mijn schematische voorstelling van de lange-lange tijd van onze ‘edele wilde’-voortijd (VJ) en de hyperkorte tijd dat we uit dat ‘paradijs’ geraakt zijn (AGR).

 

Ik heb niet zo lang geleden kennis genomen van een groep progressieve antropologen die, anders dan de conventionele antropologen niet de vele ‘wilde stammen’ maar de weinige nog resterende pure jager-verzamelaarsgroepjes als voorbeeld-gemeenschappen van ons prehistorische verleden nemen. Zoals ik dat al deed. Maar zij pakken dat wetenschappelijk aan. Ze hebben een vragenlijst opgesteld en die toegestuurd aan alle onderzoekers van juist deze pure VJ-groepjes. Ze hebben dezelfde vragen ook toegepast op de literatuur die over dergelijke maar nu niet langer zo levende gemeenschappen beschikbaar is.

Zeven eigenschappen springen er uit. Leer ze van buiten als je wilt weten hoe wij eigenlijk zijn.

 

1. Kleine groepen. Weinig groepen. Hun aantallen zijn beperkt, zowel per groep al wat het aantal groepen in het leefgebied betreft. De groepen zijn op elkaar aangewezen voor de overleving, zowel bij noodgevallen als voor het uitwisselen van huwelijkspartners en informatie over het leefgebied.

 

2. Economie. Ze hebben een economie van het genoeg, leven onbekommerd van de hand in de tand, hebben geen zorgen voor morgen. Ze zijn mager maar gezond, zoals normale dieren in het wild plegen te zijn. Ze kennen geen bezit; de spullen die ze nodig hebben, maakt ieder zelf. Als een westerling iemand hunner een horloge cadeau doet, gaat zo’n prachtig ding van hand tot hand; als ze weggetrokken zijn naar een volgende voedselplek, blijft het ding in het zand liggen: ze kunnen er niks mee en elk ding van gewicht is belasting bij het dragen.

Zelfs het land waarin, waarop en waarvan ze leven, met zijn waterbronnen of grondstofmijnen, beschouwen ze niet als bezit, noch van iemand, noch van hun gemeenschap. Andersom beschouwen ze zichzelf als kinderen ervan, en ze dansen-zingen het toe uit dankbaarheid. Wat nieuwe spullen betreft zijn ze niet geïnteresseerd in het bezit ervan maar wel in de kennis om het te maken. Kennis is hun enige bezit; maar die wordt gul gedeeld.

 

3. Kennis. VJ’s moeten alles weten over de eigenschappen en de vindplaatsen van voedsel, zowel die van de planten als de dieren. Hun groepen tellen zelden meer dan vijftig individuen; elk individu ervan moet zijn bijdrage leveren voor de overleving van de groep. Elk VJ-individu moet over heel wat meer kennis beschikken dan een individu in een massamaatschappij als de onze. Onderwijs kennen zij niet en dat zou ook volstrekt ontoereikend zijn om elk individu van die vereiste hoeveelheid kennis te voorzien. Maar elk kind wordt (ook bij ons nog steeds) geboren met een enorme drang om te leren, te onderzoeken en zich te oefenen.

Vandaag is dat niet meer zo nodig en wordt die drang door onze opvoeders als hinderlijk ervaren en vaak zelfs ontmoedigd. VJ-ouders daarentegen leggen hun kroost niets in de weg: ze hebben zelf nooit anders meegemaakt. VJ-kleuters mogen met alles spelen (scherpe messen, vuur) en in alles meedoen als ze dat willen. Ze vertrouwen hun kinderen, vertrouwen erop dat een kind niks stoms doet en uit zichzelf voorzichtig is.

Zelfs kleuters zijn dan ook al handiger met veel dingen, bijvoorbeeld vuur maken, dan volwassen Westerse onderzoekers. Kinderen doen kennis en ervaring spelenderwijs op. Jonge kinderen leren het meest van iets oudere kinderen. Al oefenend wordt hun inbreng steeds betekenisvoller en zo spelen zij zich ongemerkt de volwassenheid in. Hoe belangrijk hun inbreng voor de groep uiteindelijk ook wordt, het spel-element blijft en de inbreng wordt nooit als ‘werk’ ervaren. Niet eens als verplichting. Hun hele leven is een spel. Depressie is een voor hen nagenoeg onbekende ziekte, zeker zolang de persoon gezond van lijf en leden blijft.

 

4. Werk. Ieders inbreng in de overleving van de VJ-groep wordt niet alleen spelenderwijs geleverd, maar neemt ook weinig tijd in beslag vergeleken met het werk in een boeren- of arbeiders-samenleving, namelijk gemiddeld drie tot vier uur. Ze kennen geen zondagen (niet eens weken of maanden), dus als we uitgaan van zeven ‘werkdagen’ per ‘week’ komen we hooguit op een 28-urige werkweek, vergeleken bij de 40-urige van vandaag. De vele ‘vrije’ tijd brengen VJ’s door met slapen, kletsen, buurten, spelen met de kinderen, knutselen aan werktuigen, religieus dansen-zingen, kortom ‘socialiseren’.

 

5. Gelijkheid. Deel van hun neiging tot harmonie is het elkaar en zelfs hun kinderen respecteren als volwaardig persoon. Daar hoort het streven naar gelijkheid bij. Mensen zijn weliswaar verschillend in begaafdheid, maar van niemand wordt geduld dat die zich erop laat voorstaan. Bij een speciaal karwei neemt de meest ervarene de leiding op zich, maar VJ-groepen kennen of dulden geen leiders (chiefs). Iemand kan bijzonder wijs zijn en gezag uitstralen, maar het zou meteen als onwijs worden ervaren als zo iemand zich erop zou laten voorstaan. Trouwens, ook wij vandaag kunnen nog steeds slecht tegen hoogmoed en blaaskakerij, van wie dan ook. We pikken het hooguit knarsetandend, als er geen andere keus is.

 

6. Voedseldelen. Of iemand nou veel inbreng heeft gehad of weinig in de dagelijkse maaltijd, of zelfs helemaal geen, ieders portie is even groot. Het respect voor ieders persoonlijkheid verhindert dat iemands niet-deelname aan de inbreng voor het eten als uitvreterij zou worden gevoeld: zo iemand heeft daar zeker haar of zijn reden voor en lijdt er waarschijnlijk zelf het ergst onder.

Er wordt de nodige tijd gestoken in het eerlijk verdelen van het beschikbare voedsel; over een knap gerealiseerde eerlijke verdeling kan nog dagen worden nagepraat. Want eten is voor VJ’s, net als normale dieren levend op het bestaansminimum (voor consumenten moeilijk voorstelbaar) nog belangrijker dan hun Scheppingsverhaal. Erst kommt das Fressen und dann die Moral.

In een consumptiemaatschappij kan die aangeboren neiging om ons vol te proppen als er veel is (en dat is er elke dag), ons de das om doen. Eten kan onze vijand worden waar we mee moeten worstelen. De consumenten- leefwereld is in veel opzichten ‘tegennatuurlijk’. Weten hoe onze vroege voorouders altijd geleefd hebben, is heel nuttige kennis. Maar de economie moet wel blijven draaien: we kunnen niet terug. Alleen vooruit: met steeds meer kennis.

 

7. Scheppingsverhaal. Zeker het laatste miljoen jaar van mens-zijn hebben de VJ’s hun talige wereldbeschouwing beleefd in het dansen-zingen van het Scheppingsverhaal ervan. Elke lieve speeldag werd besloten met dansen-zingen rond het kampvuur. Doorgaans was elke avond Feierabend: ze leefden er hun dagen van verzamelen-jagen naar toe en maakten zich er mooi voor, met beschildering, piercings en veertjes.

Toen was geluk heel gewoon. Natuurlijk was eraf en toe hommeles, meestal als gevolg van een voor iemand onacceptabele vrijage, en dan kon het er heftig aan toe gaan. Tot iedereen het welletjes vond en de wijze vrouw of man tussenbeide kwam op het juiste moment. Maar qua wereldbeschouwing was er in ieders geestelijke leven het ene vaste punt: het Scheppingsverhaal.

 

Het is heel belangrijk om deze zes punten in je op te nemen om een beeld te hebben van ‘hoe het hoort’ tussen mensen. Zo zijn wij, en niet anders. Maar helaas, onze ‘recente’ geschiedenis is er tussen gekomen.

 

Ook bij pure VJ’s wel eens hommeles, zei ik. Ik ken een verhaal van de San Bushmen, waar iemand in razernij twee mensen dood schoot. Vervolgens vluchtte hij. Zoiets kan niet getolereerd worden. Twee mannen volgden het spoor van de moordenaar en doodden hem. Maar de San-Bushmen zijn al eeuwenlang onderhevig aan de aantasting van hun leefgebied en dus van hun leefwijze. Vandaag zijn ze nog hooguit als toeristische attractie ‘edele wilden’.

Kent u Ötzi, de ijsmummie die na 5000 jaar uit een gletsjer op de grens tussen Italië en Oostenrijk tevoorschijn is gekomen in perfect geconserveerde toestand? Ik vermoed dat ook die zo’n op de vlucht geslagen moordenaar is geweest. Zijn spoor werd gevolgd door een paar aangewezen hitmen, tot hoog in de alpen en ook hij ontkwam zijn lot niet. Waren deze Ötzi-mensen nog ‘edele wilden’? Het wordt steeds duidelijker dat zijn populatie AGR’s geweest zijn. De paleo’s hebben achterhaald waar Ötzi vandaan kwam: van een sedentair gemeenschapje – als zijn ze er nog niet zeker van welk precies, ze hebben twee kandidaat-nederzettinkjes.

 

    de AGR’s

Wanneer wij van nature ‘edele wilden’ zijn, waarom heeft ons samenleven daar dan zo bedroevend weinig van weg?

Mijn voorbeeld-gemeenschapjes (Pygmeeën, Bushmen en Hadza) leven nog zoals de AMM’s 50.000 jg allemaal nog leefden: als ‘edele wilden’. Maar, zoals ik al ettelijke malen benadrukt heb, vanaf 10.000 jaar geleden zijn steeds meer AMM-groepen in een overpopulatie-situatie komen te verkeren. Te veel groepen in een toch altijd beperkte regio. Dan wordt het vechten voor de overleving. En oorlog maakt mannen belangrijk. Net als bij de chimpansees, van wie de leefgebieden gedurende de ijstijden tot wel vijftig keer toe zijn ingekrompen en die daardoor ook machistische vechtersbazen zijn geworden. Ik heb zelfs gesuggereerd dat dit ‘trap 2’-gedrag van overlevingswaarde is. De natuur is wreed en kent geen mededogen. Mensen wel – tot op zekere hoogte.

 

De ‘wilde stammen’ die voor de conventionele paleo’s voorbeeld zijn, zijn de Yanomamö, beschreven door Napoleon Chagnon in The Fierce People (1983) en de Bergpapoea’s van Nieuw Guinea en nog vele, vele andere ‘wilde stammen’. Ik duid ze zo aan omdat ze permanent in oorlogvoering verwikkeld zijn of onder de dreiging ervan leven. Ze zijn geen pure VJ’s meer zoals mijn voorbeeld-gemeenschapjes, ze zijn Tuinbouwers. Hun hoofdvoedsel (plantains dan wel zoete aardappelen) telen ze in tuinen van platgebrand bos. De slash-and-burn-methode.
Ze zijn dus voedseltelers.

 

Voedseltelers staan anders in het leven dan de nomadische voedselscharrelaars zoals hun voorouders vanaf de vroegste tijden geweest waren. Daarom noem ik ze AGR’s. Een handige aanduiding omdat er zowel ‘agrariër’ in zit als ‘agressie’.

Ook al zijn de ‘wilde stammen’ dus niet bepaald ‘edele wilden’ meer, ze hebben er vaak nog wel hartveroverende trekken uit overgehouden. Vandaar dat de missionarissen van de 17e eeuw er in hun verslagen vaak zo hoog over opgaven: dat die wilden eigenlijk veel aardiger waren dan wij, westerse Christenen. Vandaar dat Rousseau ze als ‘edele wilden’ aanduidde en ze liet contrasteren door de door geld en bezit verworden westerlingen. Vandaar ook dat deze aanduiding in diskrediet raakte toen bleek dat ze toch oorlogszuchtig waren en wreedheden bedreven.

 

De AGR’s met de VJ’s vergelijkend, waarin uit zich dan precies het verschil?

Nogmaals, ik ontleen mijn kennis vooral aan Colin Turnbull’s prachtige boekje The Forest People (1961). Dus voor mij laat het geloof van de Pygmeeën enerzijds en dat van de Bantu’s anderzijds het duidelijkst dit verschil zien.

De Pygmeeën hebben een aanvaardende houding tegenover het lot en de Bantu’s een controlerende. Dat is het verschil in een notendop.

 

De Pygmeeën, voedselscharrelaars, nemen het leven zoals het komt. Ze kunnen enorm huilen bij iemands overlijden, maar als de overledene eenmaal ter aarde besteld is, dan is dat bij hen ook letterlijk ‘zand erover, en dan wordt er verder geen woord meer aan vuil gemaakt. Ze praten nooit meer over overledenen; het zou hen alleen maar van streek maken en het heeft geen enkel nut. Het Regenwoud is voor hen de schenker van alle goed: van voedsel in de vorm van paddestoelen, honing en prooidieren. Ze hebben een ongeschokt vertrouwen in het Regenwoud. Bij goede tijden danken ze het. Bij slechte tijden zingen ze tot het Regenwoud zodat dit wakker wordt en de dingen weer in orde maakt voor ze.

 

De Bantu’s hebben een controlerende houding doordat zij hun voedsel telen. Ze voelen macht over hun voedsel, en daardoor ook macht over de natuur. Die moet doen wat zij wensen. Wanneer de oogst mislukt komt dat ergens door, en dus moet de schuldige gevonden worden. Als iets niet goed gaat is (iemand ziek wordt, iemand dood gaat) het altijd iemands schuld.

Ze hebben sjamanen die optreden als specialisten in het contact met de geesten.

Omdat ze door overpopulatie hun vrije VJ-bestaan hebben moeten prijsgeven in het verleden, zijn de mannen de baas. Mannen zijn regelneven. Hun samenleving ligt vast in taboes en ongeschreven wetten, rituelen en protocollen.

 

Geesten? Het geloof in geesten
– of zielen, dat is hetzelfde – is al heel oud en komt voort uit het dromen. Iemand droomt over haar moeder, ziet haar bezig met dingen en hoort haar praten. Na het ontwaken weet ze zeker dat haar moeder dood en begraven is. Maar in haar droom was moeder echt levend. Voor de Vroege Mensen was het duidelijk: van de overledenen bleef er iets buiten het lichaam voortbestaan dat je in je droom kon bezoeken. Dat was de ziel/geest van iemand.

 

De Bushmen en de Pygmeeën houden van verhalen. (Natuurlijk houden ze van verhalen, dat snappen wij intussen: ze scheppen verband in de chaos van de massa namen voor de dingen.) Zoals dat de sterren aan de nachtelijke hemel zielen zijn, die naar ons twinkelen, of glimwormpjes die van duisternis houden en op de vlucht slaan als de zon boven de kim tevoorschijn komt. Geloven jullie dat? vroeg een onderzoeker. Natuurlijk niet, antwoordde de Bushman, overdag is het veel te licht om dan sterren te zien. Maar wij houden van verhalen

 

De Bushmen, de Pygmeeën en de Hadza beleven de verhalen zoals onze kinderen spelen. Kinderen spreken met elkaar af: ik was de dokter en jij was de zieke. En dan spelen ze diep serieus de dokter en de zieke, anders is er niks aan. Maar ze zouden gillend weglopen als iemand echt zou denken dat hij dokter of zieke was, dan zou het spel eng worden.

 

Bij de Bantoes (AGR’s) is dat nou juist het geval. Die beleven hun verhalen als werkelijkheid. Bij hen zijn de geesten van de overledenen echt de baas. De overledenen leven echt voort in de geestenwereld. Alles moet in het werk gesteld worden om de overledenen tevreden te houden. Alles moet volgens de in de traditie vastgelegde wetten geschieden, anders worden de geesten der voorouders kwaad en laten die de oogsten mislukken en breken er ziekten uit. De sjamaan is de specialist die in trance contact legt met de geestenwereld en die kan ‘vernemen’ waar de fout zit die hersteld moet worden. Geen wonder dat de M’buti hun Bantoes niet goed snik vinden.

De voorouderverering vigeert nog in heel wat samenlevingen, in meerdere of mindere mate.

 

Mannen zijn vanuit onze culturele evolutie niet toegerust om de baas te spelen – net zo min als de vrouwen dat zijn – en ze zijn al helemaal niet toegerust om be-baasd te worden. Het is juist door hun onzekerheid dat de mannen zo raar begonnen te doen. Het doet sterk denken aan pubergedrag.

De mannen overschreeuwden hun onzekerheid, met steeds bruter optreden tegen hun vrouwen, geholpen door hun meerdere kracht en door het feit dat ze vanouds over wapens dienden te beschikken. Ze verboden de aanwezigheid van vrouwen bij hun mannenrituelen, nieuwsgierige meisjes werden weggejaagd en bedreigd met boze geesten. Later gingen ze zover dat ze de vrouwenrituelen en elima’s verboden. En om hun hun jongens-initiatiehutten in het basiskamp zelf te bouwen.

 

Het dient gezegd te zijn dat dit wangedrag van de mannen het ergst was waar de stammengevechten door plaatselijke populatiedruk het hevigst was. Het meest bruut is het mannengeweld bij de Bergpapoea’s in Nieuw Guinea, en op veel eilanden, waar de omringende zee verdere uitbreiding onmogelijk maakt. De Yanomami in de Amazoneregio zijn ook beruchte macho’s.

Maar waar populatiedruk laag bleef, bleven de verhoudingen tussen de seksen meestal meer egalitair.

 

Naarmate de millennia verliepen en de landbouw-economie zich breder verbreidde, kregen de sjamanen het steeds drukker en werden ze steeds belangrijker voor de boeren. De sjamanen bedachten steeds gecompliceerder theorieën over de geesten en dichtten niet alleen mensen maar ook dieren en dingen een geest toe. Dat geestengeloof heet animisme.

 

De VJ’s hebben daar nooit aan gedaan, tenminste, afgaande op mijn ‘controlegroep’. Die staan tamelijk nuchter in het leven, vanuit zichzelf. Maar ze hebben natuurlijk geen verweer tegenover de boerensjamanen of missionarissen, geen wetenschappelijke argumenten of zo.

 

Het animisme ging naadloos over in de godsdiensten zoals wij ze nog steeds kennen. In de Islamwereld waren de geesten (djins) nog volop rond, maar ook in het Christendom is de Heilige Geest nog steeds belangrijk voor je ziel. Ik heb altijd met een stalen gezicht bij ter sprake gekomen van de ziel met volle overtuiging beweerd dat ik zonder ziel leefde, en heb hem inderdaad nooit gemist. Ziel is gewoon hetzelfde als geest en dat is weer hetzelfde als iemands denkvermogen. Het is alleen omdat men zich ongaarne voorstelt dat dat denkvermogen verdwijnt als het lichaam er mee ophoudt. Maar Wittgenstein, toch een ongelovige, stelde in zijn Filosofische onderzoekingen (1953):
“Het menselijk lichaam is het beste beeld van de menselijke ziel.” Bert Keizer schreef recentelijk een boek Waar blijft de ziel? (2012), weliswaar als kritiek op de neurologen die stellen dat we niet meer zijn dan ons brein. Maar ja, filosofen, hè. Die weten niets over de mens.

 

    de laatste belangrijke vrouwen-uitvinding: de landbouw

Hoe erger de stammenstrijd, des te bruter gingen de mannen tegen de vrouwen te keer. Alle mogelijke regels en taboes vonden ze uit. Vrouwen mochten nooit mannenwapens aanraken. Bij de Bergpapoea’s mogen de vrouwen zelfs geen gebruik maken van de paden van de mannen. Maar waar de stammen manieren gevonden hebben om in vrede met elkaar om te gaan, is de positie van de vrouwen ook veel gelijkwaardiger.

Maar nergens is het meer zoals het bij de Vroege Mensen zoals de Neanderthalers vermoedelijk geweest is. (Jane Auel, De Stam van de Holenbeer ea, heeft zich in haar romans wat de man-vrouwverhoudingen braaf aan de mainstream opvattingen onder de antropologen gehouden. Maar haar vrijgevochten Ayla-figuur mag er zijn. Geen kwaad woord over Jane Auel. Ik heb haar ooit mogen ontmoeten.)

 

Mannen grepen de macht. Hebben vrouwen nooit gedaan. Er is, nogmaals, nooit matriarchaat geweest. Vrouwen stonden gewoon het hoogst in aanzien. Daarom hebben de mannen altijd gedaan wat de raad van ouderen vrouwen voor hen ‘voorkookten’. Dat was alles. Daardoor bleef alles altijd bij het oude, en was er vrede en geluk.

Het is de overpopulatie (teveel groepen in één regio) die de oude ‘edele wilden’-verhoudingen overhoop heeft gegooid.

Het begin van de landbouw bracht echter een terugkeer naar de vreedzame verhoudingen: landbouw was vrouwenwerk, en de vrouwen kwamen weer hoog in aanzien.

Maar toch wrong er iets bij de mannen.

 

De landbouw begon in de Levant, zei ik. Dat kwam doordat daar, vooral op de hellingen van het Zagros-gebergte waar de bronnen van de Tigris en de Eufraat ontspringen (Mesopotamië) maar ook in Palestina, wilde grassoorten groeiden met voedzame korrels. De vrouwen oogstten die door met hun graafstok tegen de halmen te tikken en de korrels op te vangen in een korfje. Die korrels kon je fijn wrijven op een platte steen, met een ronde maalsteen. Je kon er veel voedzame gerechte mee maken (later zelfs alcoholhoudende drank). Maar het belangrijkste, je kon de voorraad korrels heel lang bewaren als je de opslag wist te beveiligen tegen muizen. Tot het volgende seizoen, waarin je de mooiste korrels kon uitzaaien en later rijkelijk beloond worden door Moeder Aarde.

Het heeft een ‘revolutie’ betekend, een omwenteling in het menselijk bestaan. Alweer: vrouwen-uitvinding. Maar het heeft de vrouwen veroordeeld tot elke dag urenlang graan malen. Op deze vermoeiende en rsi- pijn veroorzakende manier – de tekening laten de plekken zien waar door heel veel vrouwen in het verleden ondraaglijke pijn geleden moet zijn.


Maar wat wrong er nou bij de mannen? Voor de mannen betekende het, dat ze gedwongen werden, hun vrije jagersbestaan en dus hun status op te geven en ook boeren te worden. Want wat moet je anders wanneer de vrouwen bij de graanbestanden willen blijven, zodat vrouwen van vreemde groepen hen niet voor zouden zijn bij het oogsten? En wanneer de vrouwen daar stenen hutten willen (tegen de muizen en ratten)? Er is geen andere keus dan bij de vrouwen te blijven. De prooidieren in de omgeving zijn binnen de kortste keren overbejaagd. In de opgravingen treffen de archeologen de fossiele dierbotten van steeds kleinere soorten aan.

Trouwens, die stenen behuizingen eisten ook steeds meer mannenwerk. Het betekent dorpsleven, velden bewerken, heel anders in het leven en in de religie komen te staan. Blijf de ‘wet’ in gedachte houden: mensen denken conform de heersende economie.

 

Maar ergens, diep in hun onbewuste, zijn de mannen het de vrouwen kwalijk blijven nemen dat die hen gedwongen hebben hun vrije nomadische jagersbestaan op te geven, hen veroordelend tot een kommervol gezwoeg op veldjes die maar hooguit een jaar of twee vruchtbaar blijven, waarna ze weer nieuwe bomen om moeten hakken en platbranden. Van VJ tot AGR worden.

Dat Eva de mens uit het paradijs (van het vrije VJ-bestaan) verdreven heeft, klopt dus ergens wel! Vandaar mijn voorplaat. Maar kom zeg, roept nu de lezeres, de vrouwen maakten alleen van de nood (overpopulatie) een deugd! En zo is dat.

 

De vrouwenuitvinding van de landbouw betekende een economische revolutie. Het graan moest veilig tegen muisvraat worden opgeslagen, dus stenen bergplaatsen en hutten. Dat werd mannenwerk. Toen de mannen de woeste oerrunderen hebben weten te domesticeren en als ossen voor hun ploegen en karren hebben weten te spannen, zijn de mannen volledig boeren geworden. Maar nog heel lang zijn de vruchtbaarheidsrituelen vrouwenrituelen gebleven, met vrouwenbeeldjes en al.

 

De AGR’s geloofden (en geloven nog) heel erg in geesten. In goede en in slechte, overal geesten, en hoe ze op dat idee gekomen waren heb ik al verteld.

Als VJ’s maakten onze voorouders daar niet zo’n punt van. Zoals ik al zei hielden ze heel veel van verhalen maar ze bleven wel nuchter: ze wisten dat het maar verhalen waren. Net als kinderen weer: die spelen heel ernstig ‘vadertje-en-moedertje’ of ‘winkeltje’ (want anders zou er niks aan zijn) – terwijl ze evengoed weten dat het spel is. Als je je in deze kunt verplaatsen naar je kinderlijke beleving, kun je dat ook naar de geestenwereld van onze VJ-voorouders.

 

Maar als voedsel-telende AGR’s, met hun veldjes, afhankelijk van wel of geen regen en van andere factoren die de opbrengst beïnvloedden, werden onze voorouders, vooral toen de mannen ook boeren geworden waren, steeds bijgeloviger. De sjamanen, die met hun toverijen oplossingen moesten verzinnen voor onoplosbare vragen, bedachten steeds ingewikkelder theorieën met steeds meer soorten geesten in de hoofdrol. De overledenen ‘hielden de levenden vanuit hun onderwereld in de gaten’ en werden steeds belangrijkere factoren voor de bovenwereld van de levenden, werden steeds veeleisender in de offers. Vandaag noemen we het ‘voorouderverering’.

De hoofdfiguur van de vroegere Scheppingsverhalen, de Grote Voorouder (het oorspronkelijke groepje eerste kolonisten van het stamgebied) verdween overigens niet helemaal: daarvoor zat Hij te diep in het overgeërfde denken. Hij overleefde als een Allerhoogste Scheppende Figuur, ergens daarboven, die zich verder niet meer met de wereld bemoeide. En bij ons, consumenten, overleeft Hij in het gevoel dat er IETS moet zijn.

Maar dat heb ik al tig maal gezegd. Ik moet trouwens gaan opschieten, deze tekst wordt veel te lang. Kom op, grote stappen, snel thuis nu.

 

Angst voor boze geesten. Groeiende macht van de sjamaan die ook voor de gemeenschappelijke opslag van het graan zorgde in de vroege boerendorpjes. In het tempelcomplex van het groeiende dorp. De sjamanen werden priesters, vrijgesteld van het boerenwerk. Ze hielden de administratie bij van wat elke familie inbracht in de gemeenschappelijke opslag van landbouwproducten. Administratie vereist een vorm van opschrijven. Dat leidt tot schrift. Een familie die tegenslag heeft gehad, krijgt van de voorraad nieuw graan om te zaaien … maar met de velden van de familie als onderpand. Wanneer de familie niet kan terugbetalen, worden de velden bezit van de tempel en worden de leden van de familie lijfeigenen van de tempel.

Ontstaan van verschillen in aanzien tussen de altijd zo egalitair aangelegde mensen.

 

Dorpen raken in conflict over de toegang tot water. Het sterkste dorp, onder leiding van een hoofdman, neemt de vrouwen en de velden van het overwonnen dorp in BEZIT. Ook de op volle gang gekomen handel zorgt voor strijd om toegangswegen en bronnen van rijkdom. De overwinnende hoofdman wordt koning en zijn trawanten worden edelen. Hun dorpen worden steden, met enorme tempels en paleizen.

Afbeelding hiernaast: zo moet de ‘Toren van Babylon’ er ook uit gezien hebben. Gebouwd door tot slaven en horigen geworden overwonnen stammen. Die spraken allemaal hun eigen taal of dialect: Babylonische spraakverwarring volgens de Bijbelschrijvers die er in Babylon mee kennis maakten.

 

 

BEZIT. Een nieuw verschijnsel in de mensheid. En geen best. Alles is in wezen gemeenschappelijk. Ga je schoenen maar na. Heb je die zelf gemaakt? Het leer dan misschien? De veters? Het idee om ze zo te maken? Het idee om überhaupt schoenen te dragen? En dan heb ik het alleen nog maar over je schoenen, maar kijk eens om je heen, naar de dingen die je jouw bezit noemt. AGR dat je bent.

Voor de VJ’s was zelfs hun leefgebied en hun waterbron geen bezit, niet van iemand van hen noch van hun leefgroep als geheel. Ieder maakte haar/zijn eigen spullenen het enige wat voor hen vooral waardevol was, was de kennis over waar je dingen vindt en over hoe je dingen maakt. En zelfs die kennis deelden ze ruimhartig.

 

HOOFDMAN. Heeft die het privé-bezit ingevoerd? Nee hoor. Om hoofdman te zijn en te blijven moest je de beste, de voortreffelijkste, de meest onbaatzuchtige en evenwichtige zijn. Een hoofdman wordt gekozen door zijn gelijken; die kiezen geen onbetrouwbaar en zelfzuchtig iemand.

Maar zijn zoons, dat is een ander verhaal. Die stonden onder invloed van de trawanten van de hoofdman. De trawanten waren veelal kwade geniusssen. Ze waren net niet goed genoeg om hoofdman te worden, maar verder zijns gelijken. De hoofdman droeg de verantwoordelijkheid , maar achter zijn rug konden de trawanten hun zelfzuchtige doelen nastreven door diens zoons dan wel kleinzoons van alles wijs te maken en te beloven.

LOFZANGERS. Belangrijke trawanten waren de lofzangers. Hoe hoger zij de hoofdman in aanzien wisten te doen stijgen, des te hoger stegen de trawanten mee. De grofste mensenrechten-

schendingen werden door hen, immers gevrijwaard van elke verantwoordelijkheid, als heldendaden bejubeld. De lofzangers waren de eerste ideologen.

 

Slaags geraakte koninkrijken worden deel van een keizerrijk. Het bewind daarover vereist een stoet van geleerde ambtenaren en schrijvers. Hun opleiding vereist onderwijs, scholen.

Het schrift leent zich tot brieven, tot boeken, tot literatuur. Beschaving.

Beschaving klinkt goed. Maar het houdt in wezen in dat onderworpen gemeenschappen hun taal en religie kwijtraken en de religie en taal van het rijk moeten aannemen. De ouderen blijven treuren; hun kinderen leren het noodgedwongen te accepteren. De kleinkinderen kennen niet anders en vinden de grootouders maar zeuren.

Er hangt veel leed in de coulissen van de beschaving.

Maar ook vooruitgang.

Is vooruitgang goed?

Niet gaan zeuren nou. Mensen zijn zo apart geworden doordat ze de dingen namen gingen geven, gingen ‘begrijpen’. Ze zijn de weg op gegaan van het steeds beter begrijpen van de dingen. Er is geen terug op die weg, alleen een ‘vooruit’. Val maar terug op de VJ in je: maak er niet zo’n punt van. Beleef je leven als een spel.

 

    vanwaar de angst voor seksualiteit in de godsdiensten?

De onzekerheid van de mannen (bedenk nogmaals dat 99% van de tijd het de vrouwen waren geweest die de beslissingen namen) leidde op veel plaatsen tot steeds ergere vrouwen-onderdrukking. De oudere mannen palaverden veel met elkaar over hoe te denken over de dingen en over hoe de jongeren zich dienden te gedragen. De oudere mannen, bij wie de hormonen uitgeraasd waren en die de wijsheid in pacht hadden, vonden het verkeerd dat de jonge meiden blijkbaar toch nog zoveel macht hadden over de jonge mannen op seksueel gebied. Seksueel verlangen maakte dat hun jongemannen zich uitsloofden voor een meisje, probeerden bij haar in het gevlei te komen en dus zo aardig mogelijk deden. Wat een vernedering voor mannelijkheid. Wat een zwakheid. De oude mannen gingen seksualiteit steeds meer als iets verwerpelijks zien. Ze gingen taboes bedenken en vernederende regels. Wat? Wetten.

 

BESNIJDENIS. Ze gingen het een fout vinden dat wel de jongens besnijdenis moesten ondergaan en dat de meisjes dat niet hoefden. Hier en daar – het gebruik ontstond waarschijnlijk in de regio van wat nu Soedan is – gingen ze besnijdenis op meisjes toepassen: zodat die later zelf geen seksueel genot meer konden voelen. Dat zou die meiden wel in toom houden. Ze dienden maagd te blijven.

 

MAAGDELIJKHEID. Ja, vanwaar die mannelijke bezorgdheid over de maagdelijkheid van de meisjes? Die is ook een gevolg van de mannelijke oorlogvoering. Bij de overwinning op een ander dorp hoorde behalve het afslachten van de mannelijke tegenstanders ook het verkrachten van de vrouwen en meisjes. Heel gewoon. Maar als een man nou een vrouw wilde voor een eigen gezin, of een extra vrouw er bij, dan wilde hij er wel zeker van zijn dat die niet zwanger was van een andere man. Hoe kon hij daar zekerder van zijn dan wanneer het meisje nog maagd was? Dus dat werd geleidelijk een voorwaarde voor een meisje om in aanmerking te komen voor een huwelijk. Zo beslisten de raden van de oude baardmannen. Trouwen met een negenjarig kind? Natuurlijk: die is nog maagd.

 

 


 

De latere godsdiensten (mannen-uitvindingen) hebben de vrouwen-onderdrukking en de angst voor seksualiteit (vrouwenmacht) in goddelijke geboden en verboden bevestigd, zoals we nu gaan zien. God wil het, zo beslisten de baardmannen.

 

Maar … besnijdenis van hun dochters wordt ook door de vrouwen gehandhaafd. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Wel, vrouwen zijn religieuzer dan mannen, vrouwen zijn conservatiever dan mannen (denk aan de vuistbijl, de vrouwenbeeldjes, het moeilijk afstand doen van manieren om de dingen te doen zoals hun moeders het deden). Vrouwen zijn loyaler aan de heersende cultuur dan mannen. De (baard)mannen zijn alleen maar zo handhaverig omdat ze daarmee hun bevoorrechte positie als man in een mannenmaatschappij handhaven. Alleen daarom.

 

 

 

Nawoord

 

 

Tot zover het Genesis-verhaal zoals een nijvere niet-academische filosoof het voor elkaar gekregen heeft.

Zoiets mag van een discipline-wetenschapper niet verwacht worden. Zelfs niet van een wetenschapsschrijver: ook die dient geen stap af te wijken van wat zijn bronnen, de disciplinewetenschappers, hem aanreiken. Het is namelijk geen wetenschappelijk werk, het opvullen van de ideologische leegte waarin we sinds de jaren 80 verkeren. Het is en blijft filosofenwerk, met gebruik van zoveel en zo recent mogelijk wetenschappelijk materiaal.

En/of theologenwerk; alleen van de laatsten kun je het weer niet verwachten om dat die zich, zo lang ze zich theoloog blijven noemen, gebonden blijven achten aan het bestaan van een Hogere Macht.

Als humanosoof beschouw ik me evengoed ook als een soort van theoloog: ik heb me diepgaander dan welke theoloog ook er van vergewist hoe we aan het concept ‘God’ gekomen zijn en hoe dit in de loop van onze culturele evolutie is mee-geëvolueerd.

 

Nou, prachtig verhaal, niet? En ook nog uiterst vrouwvriendelijk. Alle uitvindingen die ons tot mensen hebben doen worden, zijn vrouwenuitvindingen geweest.

Een verhaal dat zonder meer als basisverhaal kan dienen voor ons nieuwe, universele geloof, het geloof in de mensheid, in de kracht van het mens-zijn. Het enige geloof dat geschikt is voor een mensheid met een globaliserende vrije markt economie.

 

Maar … niet zoals ik het hier opgedist heb.

Heel verdienstelijk, hoor, voor een amateur, al zeg ik het zelf. Ik twijfel ook niet aan de grondtrekken van mijn verhaal: dat wij zulke bijzondere dieren geworden zijn in de natuur doordat onze vroegste voorouders namen voor de dingen zijn gaan ontwikkelen, en dat we in een woordenwereld leven. Maar het hoort door begaafdere lieden geschreven te worden.

 

Trouwens, hoe het Verhaal ook is, het belangrijkste is dát het er is. We hebben het tweeduizend jaar gedaan met een volstrekt ongeloofwaardig en vrouwvijandig kutverhaal, maar het functioneerde.

Het werd met machtsvertoon, en waar nodig met fysiek geweld opgelegd, en iedereen moest er aan geloven of hij wilde of niet. Maar het functioneerde.

Pas toen de vrije markt economie ons terugplaatste op de rails van onze wordingsgeschiedenis naar het steeds beter begrijpen van de dingen, werkte dat kutverhaal niet langer en kwamen we zónder te zitten; kwamen we in het luchtledige te hangen; werden we frei schwebende Intelligenzen, zoals socioloog Alfred Weber (1868-1958) de vrijdenkende intellectuelen van zijn tijd noemde.

 

Onze jongeren kregen geen materiaal meer mee om hun identiteit mee vorm te geven, en vervielen gemakkelijk tot nihilisme en hooliganisme. Onze vrouwen vervielen gemakkelijk tot zweverige New Age- strominkjes.
De mensen die bij het ‘grote geld’ konden, vervielen gemakkelijk tot asociaal graaiersgedrag … ach, daar begin ik weer.

 

Als u soms dacht: dus deze humanosoof wil dat zijn prachtige nieuwe verhaal over onze menswording het alternatief wordt voor het achterlijke Adam-en-Eva-verhaal, dan …

Ahum. Nou ja, ik zou er niets op tegen hebben als meer begaafde lieden dan ik er mee aan de haal zouden gaan. Maar dan nog: hoe wordt zoiets gemeengoed?

Mijn stoutste dromen gaan er over, dat ik een aantal filosofen en humanisten weet te enthousiasmeren om mijn verhaal beter vorm te geven dan ik het kan; dat het een prachtig boekje wordt en zelfs een bestseller, vertaald in tig talen. Maar dan nog. Wordt het dan het nieuwe geloof?

 

Zonder zo’n boekje gebeurt er sowieso niets, dat klopt. Maar het nieuwe Verhaal wordt pas echt gemeengoed als het een wereldproject wordt om het tot stand te laten komen.

 

Het moet een project worden dat vanaf een zo hoog mogelijk niveau (Wereld-regering, Verenigde Naties, UNESCO, Europa desnoods, in elk geval zo universeel mogelijk) wordt aangezwengeld. Met deelname van zoveel mogelijk universiteiten, wereldwijd. Wel graag door overheden betaalde universiteiten, geen particuliere met deelbelangen. Het project is mede mogelijk gemaakt door de universeel-menselijke vrije markt economie, en is vanuit zijn wezen universeel-menselijk.

 

De hoge instantie – laten we die voor de gedachtevorming even zo benoemen – maakt haar voornemen bekend, en nodigt de universiteiten uit om mensen te nomineren voor de initiatiefgroep die het project ten uitvoer moet brengen. Het hele project is ideëel; geld mag er geen rol in spelen. Voorbeeld is Wikipedia. Het project krijgt een Wikipedia-achtig karakter.

Lidmaatschap van de initiatiefgroep is een erebaan; alleen waar nodig onkostenvergoeding, te betalen door de hoge instantie.

1. De initiatiefgroep moet uit een oneven aantal personen bestaan, zodat er bij onenigheid een meerderheidsbesluit genomen kan worden.

2. Er moet een statuut worden opgesteld dat het project afschermt van beïnvloeding door welke belangengroep dan ook. De leden van de initiatiefgroep moeten dit statuut ondertekenen en beloven zich met geen belangengroep in te laten.

3. Bij onenigheid over de interpretatie van het statuut beslist de meerderheid van het oneven aantal. Tja, het blijft mensenwerk. Maar Wikipedia is ook nog steeds onafhankelijk. De initiatiefgroep kan zeker bij Wikipedia in de leer en er mee samenwerken. Nee, het moet geen Wikipediaproject worden: niet goed voor Wikipedia en niet voor het project.

Alle begin is moeilijk. Er zullen zeker beginfouten gemaakt worden; niet erg, áls er maar van geleerd wordt.

4. De initiatiefgroep blijft een permanent college: ter bewaking van het project en het statuut.

5. Het aantal leden van de initiatiefgroep mag alleen door co-optatie voltallig blijven; ter vermijding van infiltratie.

 

De initiatiefgroep nodigt de universiteiten die zich tot deelname bereid verklaard hebben, uit om één of meer mensen die aan hun universiteit verbonden zijn, voor een beperkt aantal uren vrij te maken om in hun deelname aan het project te steken, hetzij voor studie en artikelen schrijven dan wel voor congresbezoeken.

Deze deelnemers nomineren mensen voor het schrijfteam van het Genesisverhaal. Ik denk aan een groep van vijf mensen; in elk geval weer een oneven aantal, want er moeten knopen doorgehakt kunnen worden en meerderheidsbesluiten genomen. Ik denk aan wetenschap-schrijvers; die overzien meerdere disciplineterreinen, en kunnen bovendien schrijven.

Het schrijfteam krijgt de opdracht, binnen 1 jaar te komen met het rompverhaal van het Genesisverhaal. Bijvoorbeeld mijn zogenaamde Echte Verhaal. Of weet u soms een ander? Kan op zich niet schelen, er moet in elk geval iets zijn om er commentaar op te kunnen leveren.

Het rompverhaal wordt gepubliceerd. Iedereen, dus niet alleen de universitaire deelnemers, mag er zijn commentaar op indienen.

Ook commentaren vanuit deelbelangen zoals religieuze groeperingen worden pas terzijde gelegd na ze te hebben onderzocht op eventueel bruikbare universeel-menselijk elementen.

Het blijft uitsluitend aan het schrijfteam, niet aan de initiatiefgroep, om te beoordelen welke (elementen van) commentaren dienstig zijn. Een boek schrijven is niet ieders werk. Het schrijfteam is diep doordrongen van de impact van een Scheppingsverhaal op ieders leven. Ieder woord moet op een goudschaaltje gewogen, bij wijze van spreken. Zo werkte het met de Bijbel en de Koran toch ook?

Het krijgt drie jaar om alle bruikbare commentaren te verwerken in het eerste voorlopig-definitieve
Genesisverhaal.

Ook dat wordt gepubliceerd (wordt weer een bestseller). En opnieuw wordt iedereen uitgenodigd om er commentaar op in te dienen. Deze werkwijze blijft in den treure herhaald worden, want de wetenschappen gaan vanaf nu versneld door met het aanleveren van materiaal.

Omdat het een wereldwijd en optimaal democratisch project is, worden er vermoedelijk congressen georganiseerd om tot cultuurbepaalde standpunten te komen. Zo’n in een congres tot stand gekomen standpunt heeft uiteraard meer gewicht dan de mening van een individu. Het blijft echter aan het schrijfteam om te bepalen welke standpunten gemeengoed worden. Maar omdat het voorlopig-definitieve verhaal elke drie jaar wordt opgedateerd, krijgt elk valide standpunt herkansing.

 

De initiatiefgroep blijft er voor waken dat de schrijfgroep geen eenzijdig-cultureel karakter (Oost contra West bijvoorbeeld) handhaaft. Het blijft mensenwerk, maar Wikipedia kan het ook.

Het doel is: een universeel-menselijk Ontstaansverhaal. Het mens-zijn is immers het enige dat iedere mens met welke andere mens dan ook deelt. Ook het mens-worden is maar op één manier gegaan. Ons DNA bewijst weliswaar dat we allemaal uniek zijn maar ook dat we tot dezelfde soort behoren. Cultuurverschillen zijn respectabel, maar secundair.

En vergeet niet: de vrije markt economie die dit project mede mogelijk heeft gemaakt, verenigt ons steeds meer; zij maakt alle mensen consumenten; zij maakt korte metten met oude vormen en gedachten. Ze maakt alle Menschen zu Brüder, zoals de Duitse dichter Schiller dichtte in zijn Ode an die Freude (1785).

 

Dit proces zal soepeler verlopen als de mensen niet worden aangevallen in hun oude geloof – zoals sommige atheïsten doen – , maar als ze een aantrekkelijker mensbeeld aangereikt krijgen waardoor het oude vanzelf verschrompelt. Bij ons, Nederlanders, heeft er ook niemand bij de kerkdeur gestaan om de gelovigen afkerig te maken van hun onderdrukkende godgeloof. De kerken zijn geruisloos steeds leger geworden; totdat het onderhoud ervan niet langer op te brengen was en ze moesten worden gesloopt.

 

Ja maar, denkt u nu, hoe kan zo’n nieuw geloof in de mensheid, in het mens-zijn van iedere mens, ooit mondiaal gemeengoed worden?

Ik zie dat zo. Mijn denkbeeldige ‘hoge instantie’ (UNESCO of zo) maakt haar voornemen bekend dat ze nu eindelijk, na 67 jaar, de grondslag van haar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zijnde het mens-zijn van iedere mens, wil laten uitwerken nu dat wetenschappelijk mogelijk is. Wat denkt u dat er dan gebeurt?

 

Dan zal er een boos geloei opklinken vanuit alle bastions van religieuze dictatuur: vanuit de moslimwereld, het Vaticaan, de Hindu-wereld, noem maar op. Het was immers altijd het alleenrecht van deze gedachte-dictaturen om te mogen uitmaken hoe mensen zijn?

De Unesco verzekert dat zij geen enkele geloofsrichting wil aanvallen. Wie zijn zij om een anders overtuiging zelfs maar te willen kritiseren? Geen sprake van, ieder is vrij om te geloven wat hij wil, daar gaan zij helemaal niet over. Het enige wat Unesco wil is een leemte opvullen onder haar Universele Verklaring, nu dat eindelijk kan. Meer echt niet.

 

Het tumult trekt de aandacht van mensen overal ter wereld. Waar gaat dit over? Over hoe de mensen mensen geworden zijn? O, nou, ik ben ook een mens, dus ik ben er wel eens benieuwd naar.

Er worden tv-uitzendingen aan het plan gewijd. Artikelen in de kranten en weekbladen. Paneldiscussies over de haalbaarheid en de wenselijkheid ervan. De denkende delen der naties overal ter wereld, met hun invloed op hun volgers, en vooral de jongeren onder hen, voelen zich aangesproken en bij de discussie betrokken.

De verkiezingen van de initiatiefgroep, die van het schrijfteam, elke stap is nieuws voor hen. Het rompverhaal alleen al wordt een bestseller. Het toch al niet dure project betaalt weldra zichzelf. Hetzelfde gebeurt met het eerste voorlopig-definitieve
Genesis-verhaal (of hoe het ook gaat heten).

 

De mensen raken geleidelijk met het project vertrouwd en niemand kan er zich in rede door aangevallen voelen of bedreigd. Het zal een grote invloed hebben op alle menswetenschappen: niemand kan zich voortaan een ongefundeerde mening over de mens veroorloven. De vaststellingen er in staan aan permanente peer review bloot. Het brengt de enige waarheid die voor mensen is weggelegd: een die democratisch tot stand komt, waar alles wat we kunnen weten bij in stelling gebracht is, die altijd voorlopig blijft en met ons mee groeit. Want elke drie jaar brengt het schrijfteam een opgedateerde versie, waarin de meest relevante commentaren zijn verwerkt indien ze inpasbaar zijn in het coherente geheel. Zijn ze dat niet dan krijgen ze nog kans op kans; het schrijfteam leert voortdurend bij.

 

De jongeren hebben voortaan een Verhaal dat grond geeft onder hun denkvoeten; zijn niet langer gedoemd tot nihilisme. Er gaat een ‘lentewind’ van optimisme waaien, die het cultuurpessimisme van het postmodernisme definitief verdrijft. De overheden krijgen een dragend Verhaal waarmee ze zich kunnen legitimeren; wetgeving krijgt een nieuwe grond. Zo zullen er tal van positieve effecten zijn (ik heb er eens een lijstje van aangelegd, maar vind zo’n kattebelletje nog maar eens terug).

 

Men zal zich al gauw gaan afvragen waarom dit zo lang heeft moeten uitblijven. Vooral filosofen zullen zich plaatsvervangend schuldig voelen: waar waren we in godsnaam mee bezig toen ?

 

Frans Couwenbergh, humanosoof

fcouwenb@me ns2000.nl

06 2097 8214

 

www.mens2000.nl

www.humanosofie.nl

www.humanosophy.org

 

 

 

 

 

 


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

commentaren