Frans Couwenbergh, portretschilder & humanosoof

Het begin van de Islam



Mohammed was doorgaans een vriendelijke baas. Wel behoorlijk ‘aanwezig’. Maar innemend, en dol op kinderen. Had iets van een slimme boer, liet zich niet om de tuin leiden. Hij heeft als profeet van een nieuw geloof behoorlijk wat voor zijn kiezen gekregen. Dat maakte hem later hard en machiavellistisch. In zijn laatste dagen werd zijn project door zijn Mekkaanse Vrienden gekaapt. Hij is verbitterd gestorven.


Versie 7 augustus 2015

 

De Islam heeft, net als het Judaïsme en het Christendom, twee inhoudelijke vormen.

De ene is de rauwe beginvorm ervan.

De andere is de vorm die de betreffende godsdienst nadien heeft gekregen in de teksten van filosofen en moralisten: pogingen om het geloof aan te passen aan de gevoelens die leven in de massa der volgelingen. Onaanvaardbaarheden en andere harde kantjes wegvijlen, verdoezelen door ze anders te formuleren, goedpraten. Kortom, de spirituele kant van de betreffende godsdienst.

 

Het kennen van dit onderscheid is van belang. Qui bene distinguit, bene docet (wie goed onderscheid weet te maken, weet de dingen goed uit te leggen, zo vertaal ik dit oude adagium).

Zoals discussies over religie blijven verzanden door geen onderscheid te zien tussen God-geloof en aangeboren religieuze neiging, zo blijven discussies over de Islam en de vorm waarin het door IS wordt gepraktiseerd, onbevredigend.

IS brengt de rauwe beginvorm van de verbreiding van de Islam van Mohammed in de praktijk. Die beginvorm was puur gericht op onderwerping van de vele elkaar bevechtende ‘wilde’ Bedoeïenen-stammen. Onder Abu Bakr en diens Vrienden verwerd het geloofsproject steeds meer een ‘machine’ voor plundering en zelfverrijking: de gelegenheid maakt de dief. Die gelegenheid was de toenmalige machteloosheid van de beide grootmachten, de Perzen en de Romeinen.

Pas toen in 732 de veroveringsgolf in Zuid-Frankrijk door Karel Martel werd gestuit en de moslimgelederen werden teruggedrongen, werd er voor het inmiddels veroverde enorme rijk echt werk gemaakt van het omvormen van de Islam tot een duurzame beschavingsgodsdienst.

 

Mijn tekst is het relaas van het ontstaan van de beginvorm. Ik heb ervoor alles gebruikt wat binnen mijn bereik kwam, vooral wat er op het internet te vinden is. En dat is niet weinig.

Over Mohammed is best veel bekend. Er is zelfs een beschrijving van hoe hij er uit zag, door mensen die hem gekend hebben. Aan de hand van die beschrijving heb ik een compositieportret geschilderd.

 

Mohammed heeft veel te verduren gekregen. Zijn Islamproject heeft tal van ‘kantje-boord’-momenten gekend. Twee hulpgroepen zijn reddend geweest: de Mekkaanse Vrienden enerzijds en zijn aangenomen zoon Ali en de Medinese Ansar (‘helpers’) anderzijds. De laatsten waren gelovige, soms zelfs vrome aanhangers. De Mekkaanse Vrienden waren als kooplui vooral politiek in het project geïnteresseerd, en wilden, toen het uiteindelijk geslaagd was, eerst hun investering terug. Deze groep heeft gewonnen en is de soennitische Islam geworden. De groep Ali is de sjiitische Islam geworden.

 

Ik vind het een prachtig verhaal, het begin van de Islam. Mijn sympathie ligt vooral bij Ali. Ik wens je evenveel leesplezier als ik had bij het schrijven.

 

Frans Couwenbergh, portretschilder en humanosoof.

 

  1. Over het ontstaan van God-geloof in het algemeen

Ik heb in mijn tekst “Eva en Adam” betoogd dat oeroude scheppingsverhalen van onze, tot talige wezens geworden, vroege voorouders altijd gedraaid hebben – en daarmee hun wereldbeschouwing en hun samenleven – rond de Figuur van de Grote Voorouder.

In de latere tijden is deze Scheppende Oer-God Figuur uit het zicht gaan verdwijnen, vervaagd tot een Heelalschepper ergens hoog in de lucht. Op de voorgrond hadden zich vereringselementen geplaatst die dichterbij in de dagelijkse wereldbeleving van de mensen stonden. Zoals de totemdieren waarmee ze zich vereenzelvigden en wier ‘Opperdier’ bepaalde of een prooidier zich door de jager zou laten vangen al dan niet, en tot wie de jager zich dan ook met smeekbeden richtte en aan wie hij na een geslaagde jacht dankbaarheid toonde. En zoals de voedsel-telende vrouwen Moeder Aarde dankten voor haar gulle gaven. Voor de Pygmeeën is het Woud de Schenker van alle goeds en ze beschouwen zich als Haar kinderen; desgevraagd kennen ze wel degelijk een Allerhoogste scheppende Figuur, maar die bemoeit zich volgens hen niet meer met de wereld. Priester-antropoloog Wilhelm Schmidt (1868-1954) ontdekte dat ditzelfde vage besef bij alle door hem bestudeerde ‘wilde stammen’ leefde – hetgeen deze natuurlijk als een soort van Godbewijs beschouwde.

Welbeschouwd leeft deze Allerhoogste-figuur bij veel ontkerkelijkte consumenten nog steeds in hun onbewuste gevoel dat er “IETS -moet-zijn”.

 

Het vroegste monotheïsme van de IJzertijd was dat van Zarathustra. Hij trachtte met zijn gatha’s (zangen) ter ere van zijn Opperwezen Ahura Mazda (Grote Heer) de woeste krijgers van zijn stammensamenleving, die roofden en moordden onder aanroeping van hun krijgsgoden, van dit immorele pad af te krijgen door hen niet langer aan hun oorlogsgoden te laten offeren maar alleen nog aan Ahura Mazda, de Hoge Heer. Deze Allerhoogste was dus niet uit de lucht gegrepen –nou ja, in zekere zin dus wel – maar was geënt op het onbewuste besef van de oeroude Grote Voorouderfiguur, de Oer-God, een besef dat nog ‘ergens’ in ieders gemoed leefde.

Zoals in “Eva en Adam” betoogd, is deze Allerhoogste in feite te herleiden tot het in één Figuur ‘ingedikte’ groepje eerste kolonisten van hun stamgebied dat er als eersten de dingen hun namen gegeven hadden. Voor talige wezens is dat namen geven ‘in het bestaan roepen’, dus scheppen. Voor hun nakomelingen was dat eerste groepje mensen de alles-scheppende Grote Voorouder geworden. Dat was geen man, was ook geen vrouw (klopt, het was een groep), maar een mythische half-mens-half-dier-Figuur (klopt: het groepje bestond nog uit heel primitieve mens-achtigen).

 

Zarathustra’s godsdienst was uitsluitend gericht op het tot betere mensen maken van de aanhangers, met zijn simpele leer van ‘denk goede dingen, zeg goede dingen, doe goede dingen’. Zonder enige andere politieke agenda dan de losgeslagen plunderaars en krijgsheren een geweten bij te brengen.

Het Judaïsme daarentegen was een puur sociaal-politieke uitvinding van Israëlische patriarchen in het Judese Jeruzalem. Ze hebben hun ideologie in Babylon aangekleed met wat door de latere Zoroastristische patriarchen aan riten en parafernalia was ontwikkeld. Maar alle vroom geprevel nadien ten spijt bleef het Judaïsme een machtsmiddel en was in principe niet gericht op het tot betere mensen maken van de gelovigen.

Het Christendom, begonnen door Paulus als een Joods-Romeinse cultus rond de Jezus-figuur, dus als een Judaïstische sekte, heeft door Constantijn een sociaal-politieke bruikbaarheid gekregen en heeft dat karakter sindsdien voor het Vaticaan behouden, alle vroom geprevel ten spijt. De Protestantse aftakkingen waren protesten tegen dat karakter en beoogden het vrome geprevel recht te doen. Eigenlijk zijn de Protestanten de ware monotheïsten; maar Zarathustra had het toch een mensvriendelijker karakter gegeven.

De Islam nu is eveneens gestart als een puur sociaal-politiek project: ter disciplinering van de wilde Bedoeïenenstammen. Niet om er betere mensen van te maken maar om ze te pacificeren ten behoeve van een ongestoorde karavaanhandel. Het ontaardde tot een pure strijd-ideologie bij de verovering van het ingestorte Perzische rijk.

Een strijd-ideologie welke vandaag door IS weer in zijn pure vorm wordt gehanteerd. Dus ieder die roept dat de Islam van IS niet de ware Islam is, kent de Islam niet waarmee de eerste kaliefen hem gehanteerd hebben. Je mag hooguit stellen dat de Islam van IS niet meer de Islam is zoals die de laatste eeuwen als godsdienst gefunctioneerd heeft.

 

De bedenkers van de Islam ontwierpen hun beschavingsideologie voor Bedoeïenen die leefden in het barre woestijnklimaat van het Arabische schiereiland. Na verrichter zaken werd het vervolgens ingezet als veroverings-ideologie voor de gebieden van het ingestorte Perzische rijk. Daarna waren aanpassingen ervan aan heel andere volken dan Bedoeïenen onvermijdelijk. De moslims van vandaag zijn vertrouwd met die aangepaste vorm. Het gaat er maar om wat je nu “de ware Islam” noemt.

 

  1. De Pre-Islam periode

Doordat de Islam begon in een tijd dat de omringende beschavingen al lang en breed ‘literair’ en monotheïstisch waren, is er zoveel opgeschreven over en zelfs uit de mond van de stichter ervan dat we daar eindelijk een vrij betrouwbare biografie van hebben. Het echte verhaal is, zoals ik al suggereerde, best spannend. Het aantal naalden, door de ogen waarvan Mohammed gekropen is, is nauwelijks te tellen. Er is een spannende film van te maken. Alleen is dat niet aan te raden: de in hun machtspositie bedreigd voelende islamisten zouden alles uit de kast halen om de kansarmen onder hun gelovigen (en dat zijn er nogal wat) tegen de makers ervan op te hitsen. Want Mohammed was een gewone mens, met zijn sterke én zijn zwakke kanten.

 

Voor het begin van de Islam moeten we terug naar de pre-islamitische periode van Arabië. De periode die voor de Korangeleerden jahiliya is, onwetendheid’. Ze willen er niets van weten, want weten tast onherroepelijk het geloven aan.

Ik haal voor mijn Islam-verhaal vrijwel alles van het internet. Want auteurs als Karen Armstrong Islam. A Short History (2000) of arabist Hans Jansen De historische Mohammed (2005) volgen mij te braaf de gangbare soenitische versie. Ik wil toch mijn eigen verhaal scharrelen. Wat ik aan bruikbaar materiaal vind is weliswaar vaak gekleurd door óf de soenitische óf de sjiitische sympathie van de auteur, maar ik kan er mijn eigen verhaal wel mee reconstrueren.

Archeologisch onderzoek en ook de bestudering van de pre-islamitische odes maken duidelijk dat de Arabische stammen behalve dat ze aan hun stamgoden offerden, ook rekening hielden met een Allerhoogste, en die werd daar als Allah aangeduid – al werd die ook door de Bedoeïenen (‘wilde stammen’) niet meer vereerd. In Kanaän heette die El, en dat zit ook nog in Ba’al, in Belos en nog veel meer andere namen.

 

De Islam is geboren in Arabië. En wel in Mekka.

Maar dat was tot twee eeuwen vóór de geboorte van Mohammed een nog volslagen onbekend, bloedheet en dus onbewoonbaar dal tussen omringend gebergte: niet meer dan een plek met een bron waar vrouwen zo nu en dan hun kudde schapen en geiten kwamen drenken en waar ze een eenvoudig heiligdom hadden opgericht. Niets deed vermoeden dat die schroeiend hete en schaduwloze dus onherbergzame plek na het ineenstorten van de Maribdam rond 450 de belangrijkste stad van het schiereiland zou herbergen. Maar als er geld ligt, kan alles.

 

  1. Bedoeïenen

Zoals overal waar mannen op voet van oorlog leven, was ook bij de Arabieren (Bedoeïenen) de positie van de vrouwen een ondergeschikte. Meisjesbaby’s werden vaak als ongewenst levend begraven. Omdat jongens en mannen bij bosjes sneuvelden in de stammengevechten bleef er toch een soort evenwicht. Maar al speelden de mannen, en met name de sjeiks (stam- en familiehoofden) de baas, de vrouwen waren geen doetjes. Ze vochten veelal mee in de ghazwa’s (roofovervallen en stammenoorlogen), produceerden voor de handel en namen ook daarin deel, verwierven eigen bezit. Sommigen brachten het tot profetes en koninginnenschap. Tenslotte staat een beetje vrouw haar mannetje. We zijn elkaars gelijken.

Het aanzien en de positie van de vrouw is door de Islam behoorlijk achteruitgegaan. Ook al was Mohammed zelf zeker in zijn beginjaren – in zijn voor-Medinese tijd – best wel vrouwvriendelijk.

 

Wat zal ik verder nog zeggen over de Bedoeïenen? Ze waren behalve pathologische vechtersbazen, analfabeet. Uit principe welhaast. Ze hadden een orale cultuur, een cultuur van redevoeringen houden, dichten en verhalen vertellen. Hun barre woestijnwereld was voor de begerige grootmachten Perzië en Byzantium ontoegankelijk. Het was als een verraderlijke zee, waar alleen de Bedoeïenen op hun kamelen (dromedarissen, ‘schepen der woestijn’) zich konden wagen. Maar onvoorspelbare zandstormen konden soms een hele karavaan onder het zand doen vergaan. Hun nomadische cultuur bleef onbeïnvloed door de sedentaire beschavingen der omringende grootmachten en ze verwierpen die ook. In hun dichtkunst hemelden ze hun vermogen om ontberingen te doorstaan op, benadrukten de deugdzaamheid ervan, bezongen de kameel, de vrijheid, de ruimte, en ook de frisse lucht, namelijk vergeleken bij die in oasesteden zoals Taïf en Yathrib (Medina) met hun industrie en hun vele huishoudelijke kookvuren.

 

De Arabische Bedoeïen was arm maar wel vrij en eigen baas. De enige binding (loyaliteit) die hij kende was die aan de eigen stam, de eigen clan en de eigen familie. Die vormden ook zijn enige bescherming tegen de moordzucht van de overige Bedoeïenen; en de enige reden die hemzelf verhinderde een ander in een opwelling van drift of dronkenschap te doden: de zekerheid van bloedwraak door diens familie-, clan- of stamgenoten. Er was geen enkele vorm van overheid of rechtshandhaving.

Zijn enige bescherming, nogmaals, was zijn familie, zijn clan en zijn stam. Vandaar dat ieder zeer nauwgezet zijn afkomst wist, tot zo ver mogelijk in de stamboom. Vandaar dat ieders naam gevolgd werd door die van zijn vader, zijn grootvader, enzovoort.

We kennen dit uit de Bijbel, en dat maakt meteen duidelijk dat ook het Jodendom van oorsprong deel uitmaakte van de Arabische Bedoeïenenpopulatie.

 

Dichtkunst en welsprekendheid stonden bij hen het hoogst aangeschreven. Hun belangrijkste culturele verworvenheid waren de odes. Zeven in getal. De openingsstrofen gaan steeds over het verleden, verbeeld door ruïnes en gaan nooit over toekomst. Voor Bedoeïenen is er alleen het heden, en een glorieus verleden; dus ademen de odes een groot verlies. Wellicht ingegeven door de ineenstorting van de bloeiende economie rond 400 AD, gevolgd door de instorting van de Maribdam en de migratie van de Yemenitische stammen noordwaarts.

De zeven odes hingen ook in de Ka’aba, als uitdaging voor geïnspireerden om ze te evenaren. Andere thema’s waren de charme van de geliefde, de sporen van waar ze gedurende het laatste kamp gezeten had, de ongeëvenaarde glorie van de eigen stam, de edele eigenschappen van de kameel (dromedaris dus bij hen).

Mohammed beschouwde zichzelf aanvankelijk vooral als dichter en ook hij was principieel digibeet, ik bedoel analfabeet.

  1. De Islam is een product van Mekka

Toen de Romeinen het Nabatese koninkrijk hadden ingelijfd en de lucratieve tussenhandel van de Arabieren eveneens wilden annexeren, werd in 23 vC hun generaal Gallus op expeditie naar Jemen afgezonden. Diens vriend, de geschiedschrijver Strabo, heeft deze moedige expeditie gedetailleerd beschreven. Gallus is langs de Rode Zee-kust helemaal tot Marib doorgedrongen, en Strabo beschrijft niet alleen de steden die langs die route zijn gepasseerd, maar elke, ook de kleinste nederzetting en halteplaats er tussen.

Maar .. Mekka, dat halverwege die route ligt, komt in zijn hele verhaal niet voor!

 

Sterker nog is het verhaal van de archeologie. Van elke plaats, evenement of leider van de eeuwen vóór en na die tijd vind je in Arabië talrijke inscripties. In die droge omgeving verweren ze nauwelijks. Maar … van Mekka wordt niets gevonden, tot zo’n 350 AD.

 

Mekka – ik vertelde het al eerder – was ten tijde van Gallus nog niet meer dan een plek waar bij tijde en wijle Bedoeïenen hun tent opsloegen bij een bron en waar de vrouwen dansten/zongen rond een simpel heiligdom, waarschijnlijk een groot zandstenen blok (beatyl).

 

Dat laatste was de algemene vorm waarin alle Semitische stammen, inclusief de pre-Judaïstische Hebreeën, hun smeekbeden aan de goden richtten. Niet alleen grote gehouwen kubussen zoals die van de Nabateeërs (170 BC-106 AD), die nog steeds te zien zijn bij hun hoofdstad Petra. Elk huishouden bij de Bedoeïenen had zijn eigen baetyl. De vrouwen wasten het, smeerden het in met een graanpap en dansten er zevenmaal naakt rond bij hun verering ervan. Ze ontdeden zich van hun kleren omdat ze daarin immers hun eventuele zonden hadden begaan en die dus beledigend konden zijn voor hun zuivere Maangodin Allat.
De angst voor bloot en vrouwelijke seksualiteit is één der wrange vruchten van de latere Islam.


Al-Tabari (839-924), vroege moslimhistoricus, die al wat hij aan geschreven overlevering had kunnen vinden, bijeenbracht in zijn hoofdwerk Geschiedenis van Profeten en Koningen, vertelt dat
alle Bedoeïenen hun goden vereerden, belichaamd in een stenen blok. En dat de vroegste stam die het beheer van het heiligdom bij de Zamzambron op zich nam, de Jurhum waren.

De door kaal en dor gebergte omringde laagte van de Zamzambron en het heiligdom was voor zijn voedselvoorziening geheel van ruilhandel met de oase Taïf afhankelijk. De Jurhum die er zich omstreeks 300 vestigden om te verdienen aan de pelgrims, moeten dus al kooplieden geweest zijn, gespitst op de revenuen die elke pelgrimsplek immers kan genereren.

 

Rond 450 was de Maribdam wegens niet meer op te brengen onderhoud bezweken en trokken ettelijke Yemenitische stammen, waaronder de Khuza’ah stam, noordwaarts. Een aftakking ervan, onder aanvoering van sjeik (clan-hoofd) Luhayy, streek neer in de omgeving van Mekka. Luhayy besefte eveneens de potentie van het heiligdom als pelgrimsoord. Het hoefde alleen maar beter georganiseerd worden allemaal. Maar de Jurhum wensten hun zeggenschap over het heiligdom niet zomaar af te staan. Toen Luhayy met zijn krijgers de Jurhum had weten te doen vertrekken, bleek de Zamzambron spoorloos verdwenen te zijn! De Jurhum hadden de bron dichtgegooid en de plek ervan zorgvuldig geëgaliseerd.

 

Niettemin wist Juhayy , een ondernemend koopman, het heiligdom aantrekkelijk te maken voor pelgrimage. Door water aan te laten voeren uit bronnen in de omgeving en te zorgen voor tenten en voedsel.

Toen hij naar Syrië was gereisd om genezing te zoeken voor een kwaal, bracht hij bij zijn terugkeer een groot stenen beeld mee van de god Hubal.

Het Hubal-beeld, met de rijzende halve maan op zijn borst

 

Hij voegde dat toe aan de baetyls die het heiligdom al rijk was. Want steeds meer stammen wisten het te vinden, omdat Juhayy de pelgrims scheutig ontving en zorgde voor aantrekkelijke handelswaar. Zoals Yemenitsche mantels, zeer in trek bij de sjeiks. Steeds meer stammen plaatsten een baetyl van hun eigen stamgod bij het heiligdom.

De bloei van het heiligdom lokte de begeerte van menige Bedoeïenenstam, zoals de Qays en de Hawazin; maar de Khuza’ah wisten de aanvallers steeds af te slaan.

 

Omstreeks 380 had de Quraysh-stam, afgetakt van de Kinanah-stam, zich eveneens in de omgeving van Mekka gevestigd. Ook de Quraysh hadden oog voor de lucratieve potentie van het heiligdom. Hun sjeik Qusay (406-481) zag dat Luhayy’s nazaten veel minder bekwaamheid aan de dag wisten te leggen in de exploitatie ervan. Door te trouwen met de dochter van de toenmalige Khuza’ah-sjeik Halil maakte Qusay zich meester van de zeggenschap over het heiligdom. Door de Khuza’ah ruim te compenseren legden die zich neer bij de machtsovername door de inderdaad bekwamere Qusay, en bleven ze bondgenoten.

Qusay wist zijn stamgenoten over te halen, stenen woningen te bouwen tegen de hellingen van de bergen die het dal omringden, en om belasting te betalen waarmee de pelgrims nog beter konden worden onthaald. Het heiligdom bevond zich op het laagste punt van het dal en dat liep bij de winterregens geregeld onder water. Qusay herbouwde het, maar het bleef een houten omheining rond de verzameling heilige baetyls waaronder die van Hubal, die op een verhoging stond.

Qusay verordende dat de plek rond het heiligdom, die om vernoemde overstromingsreden leeg gebleven was, haram was: dus niet ontheiligd mocht worden door gevechten. De haram (op bovenstaande tekening met stippellijnen aangegeven) was uitsluitend voor het doen van de tawaaf, de zevenmalige rondgang rond de Ka’aba (het heiligdom), dansend/zingend, en naakt. Je ziet daar dat het dal vrij groot is. De ruimte rond de haram is geleidelijk vol gebouwd en is de stad Mekka geworden. Op p. 86 is een tekening van de stad zoals die er in Mohammeds dagen uitzag, met bebouwing tot in de heuvels.

 

Bij de baetyls werden ook de offerdieren geslacht; het moet er dus niet al te fris geroken hebben. Binnen de haram liet Qusay ook een Darun-Nadwa (praathuis, later meestal saqifa genoemd) bouwen, waar de sjeiks onder zijn voorzitterschap vergaderden en besluiten namen bij meerderheid van stemmen.

Qusay bedeelde taken zoals legerleiding, wateraanvoer, verzorging van pelgrims en armen, zorg voor het onderhoud van de Ka’aba, toe aan de verschillende Quraysh-clans.

Qusay werd weldra als een soort koning van Mekka beschouwd. Zijn belangrijkste verdienste is wellicht het op poten zetten van over het hele schiereiland uitstrekkende karavaanronde, beginnend en eindigend bij de Ka’aba. Gepaard met een veelbezocht zang- en dichtkunstfestival.

Qusay werd de stamvader van de Hashim-clan waar de belangrijkste goede leiders uit voortkwamen en waar ook Mohammed toe zou behoren.

 

Toen Qusay in 481 overleed, werd hij opgevolgd door zijn zoon Abd al-Dar die Qusay’s beleid voortzette. Na Abd’s overlijden waren niet alleen zijn zoons opvolgingskandidaten maar ook die van zijn broer Abdulmanaf. Er werd een compromis gevonden. De militaire en bestuurstaken waren voor de Abd al-Dar-zonen. De pelgrimage- en Ka’aba-taken voor de Abdulmanaf-zonen.

Onder de laatsten stak Hashim met kop en schouder boven de anderen uit, en niet alleen letterlijk. Hij had in alle opzichten het charismatische postuur van zijn grootvader Qusay. Hij was niet alleen een succesvol koopman, maar ook een bekwaam politicus. Hij zette twee nieuwe karavaantochten op poten. Een zomerse, naar Syrië, en een winterse, naar Yemen. Onder Hashims bewind werd Mekka onbetwist de belangrijkste stad van het hele schiereiland.

Hashim overleed in Gaza, gedurende de karavaanreis van 510. Hij had maar één zoontje, Shaybah, van zijn vrouw Salma, afkomstig van de Najjir-stam in Yathrib. Salma keerde met haar zoontje terug naar haar familie in Yathrib. Shaybah betekent ‘witlok’: hij had een witte lok in zijn zwarte haardos.

 

Hashim’s broer Muttalib nam Hashim’s taken in de verzorging van de pelgrims en de Ka’aba over. Dat deed hij voortreffelijk, maar hij wilde toch dat Hashims zoon hem na zijn eigen overlijden zou opvolgen. Dus toog hij naar Yathrib en trachtte Salma over te halen om Shaybah aan hem toe te vertrouwen.

Salma wilde dat aanvankelijk niet, en de inmiddels achtjarige Shaybah wilde niet tegen de zin van zijn moeder met hem mee. Maar Muttalib hield vol, en betoogde dat Shaybah’s mogelijkheden in Mekka veel groter zouden zijn dan in Yathrib. Salma ging overstag, en Shaybah reisde met oom Muttalib mee naar Mekka.

Daar kreeg hij de naam Abdul Muttalib (497-578), hetgeen betekent: ‘slaaf van Muttalib’. Want de Mekkanen meenden dat Muttalib een slaafje had meegebracht.

Ook Muttalib overleed tijdens een karavaantrip, ditmaal in Yemen, in 520.

De inmiddels 23-jarige Abdul Muttalib volgde hem op in diens verantwoordelijkheden.

En ook hij deed het weer voortreffelijk. Een van Abdul Muttalibs heldenfeiten was het terugvinden van de Zamzam-bron!

 

Natuurlijk was de zorg voor een geregelde wateraanvoer in dat droge gebied geen geringe. Het moest in geitenhuiden waterzakken op de ruggen van ezels van afgelegen bronnen worden aangedragen. Geen wonder dat Abdul Muttalib het idioot vond dat die legendarische Zamzambron nabij de Ka’aba zomaar in het niets verdwenen was. Volgens de verhalen moest die behoorlijk rijk geweest zijn. En op zekere dag begon Abdul Muttalib te graven, op een plek waar die volgens de verhalen zich ergens onder het zand van de haram moest bevinden.

Op die plek stonden twee baetyls, en twee Mekkanen tot wier familie die baetyls behoorden, waren niet blij toen ze Abdul Muttalib daar bezig zagen gaan, samen met zijn zoon Al-Harith. Ze begonnen lelijk te doen. Maar Al-Harith stelde zich met zijn spade vastberaden op tussen hen en zijn vader, die onverstoorbaar verder spitte. Vanwege het aanzien van Abdul Muttalib lieten de twee Mekkanen hem begaan: ze konden dat domme graafwerk immers zo weer dichtgooien. Ze keken wel op toen Abdul Muttalib een stenen put-ommuring blootlegde!

Er waren intussen meer mensen bij het graafwerk komen kijken en toen Abdul Muttalib moest uitrusten, begonnen die verder te graven. Dieper en dieper ging het graafwerk. Er kwamen heel interessante dingen tevoorschijn, zoals een volledig harnas. En later zelfs twee gouden beeldjes!

Natuurlijk riepen de twee Mekkanen nu dat die beeldjes hèn toe behoorden; maar daar lachte Abu Muttalib om; ze behoorden toe aan het heiligdom. De overigen vielen hem bij.

Met een hijs-installatie werd het graafwerk in de diepte voortgezet, tot men op de waterader stuitte en de bron weer begon te stromen! De gravers konden nog net op tijd omhoog gehesen worden.

 

De Zamzam bleek inderdaad zo’n rijke bron dat de wateraanvoer ervan voldoende was. Niet alleen voor de pelgrims maar voor de hele stad. De aanvoer van water van buiten was niet langer nodig. Abdul Muttalib liet twee bassins bouwen bij de bron, om het waterscheppen door de vrouwen te vergemakkelijken. Het permanent gevuld houden van de bassins bezorgde een arme familie een vast inkomen.

 

De welvaart van Mekka, mede te danken aan de toestroom van pelgrims naar de Ka’aba, die weer mede te danken was aan de groeiende reputatie van het heilzaam geachte water van de Zamzambron, straalde af op Abdul Muttalib. Maar die bleef bescheiden. Ook in zijn profiteren van de inkomsten van de Ka’aba. Hij liet ook de arme mensen delen in de welvaart, en leende geld uit aan behoeftigen zonder er rente voor te vragen.

Dat deden vele rijke Mekkanen wel anders. Die verrijkten zich niet alleen aan geldleningen, maar begonnen ook op de inkomsten van de Ka’aba te azen, waar Abdul Muttalib toch geen winst mee verwierf. Harb ibn Ummayyah was hun felste woordvoerder in de Darun-Nadwa (het praathuis op de haram). Zijn voorstel om de zeggenschap over de Ka’aba te ontnemen aan de Hashim-clan kreeg bijval van de sjeiks van een paar andere rijke Quraysh-clans.

Abdul Muttalib liet de beslissing over aan de stemming van het oudstenberaad.

Nufail ibn Abd al-Uzzah, de grootvader van Mohammeds latere vriend Omar, nam het woord.

Nufail richtte zich tot Harb en prees hem in zijn aanzien bij zijn clan en om de faam van zijn stentor-krachtige stemgeluid. Maar hoe dacht hij Abdul Muttalib te overstijgen in postuur, in familie-aanzien, in vindingrijkheid (doelend op het ontdekken van de Zamzambron) en edelmoedigheid?

De stemming liet Abdul Muttalib’s positie onaangetast.

 

Niettemin is hier de familienaam ‘Ummayyah‘ gevallen, welke clan later het ongure gezicht van de Islam zou gaan bepalen; terwijl de sociale en meer spirituele geest van Mohammeds Islam door Abdullah en diens familielijn werd getoonzet. De vroegste tekenen van het conflict tussen soennieten en sjiieten zijn hier al te bespeuren.

 

De geest van sociale gelijkheid, die van de Hashim-clan, is ook de geest van goed koopmanschap. Immers, wanneer je alle leden van de gemeenschap laat delen in de welvaart, draait de economie als een tierelier. Terwijl wanneer door graaizucht de rijkdom steeds meer in handen komt van een kleine elite, de economie verschrompelt en de omzet stilvalt. Zo simpel was het en is het nog steeds.

Maar helaas, ‘groot geld’ geeft macht en maakt asociaal. Macht corrumpeert alles en iedereen, dat is algemeen bekend. De door Soennitische elites overheerste staten, Saoedi-Arabië bijvoorbeeld, zijn ondanks de olie achterlijk vergeleken bij de democratieën van het Westen. Waar in de westerse democratieën door graaizucht en corruptie de rijkdom in handen valt van een geld-elite, valt de motor van de economie ook daar stil.

 

Voorlopig steeg het aanzien van Abdul Muttalib alleen maar. In 750 werd het bloeiende Mekka aangevallen vanuit Yemen. Door de christelijke heerser Abraha met zijn kathedraal in Sa’ana. Dat is weer een verhaal tussendoor, maar tekenend voor het belang van pelgrim-plaatsen.

Abraha was een generaal uit Axum, het christelijke rijk aan de overkant van de Rode Zee. Axum was gekerstend nadat de Romeinen (inmiddels Byzantijnen) de heersers van Egypte waren geworden. De christelijke Axumieten onderhielden levendige handelscontacten met Najran, aan de overkant van de Rode Zee, en dat was christelijk geworden.

In Himyar (Yemen) had een krijgsheer, Dhu Nuwas geheten, de macht gegrepen. Om politieke redenen had hij het Jodendom omhelst en dwong zijn onderdanen ook om Joods (dus niet Perzisch en niet Byzantijns) te worden. Hij veroverde het christelijke Zafar en trok vervolgens op naar Najran. De stad gaf zich over en nu dwong hij de inwoners om Joods te worden. Wie weigerde werd opgepakt en te werk gesteld aan het graven van een massagraf. Wie bleef weigeren werd gedood en in de groeve geworpen. Deze gruweldaad kwam de Byzantijnse keizer Justinus I ter ore. Die schreef een brief aan zijn christelijke collega Kaleb, de negus van Axum, met het verzoek om de christenen in Najran te hulp te komen. Kaleb zond graag zijn generaal Abraha af op Arabia Felix, zoals Yemen in die tijd werd aangeduid; met een fors contingent olifanten, de ‘tanks’ van die tijd. Dit vond plaats ergens tussen 520 en 525 AD.

Abraha versloeg Dhu Nuwas, maar begon in het rijke Sana’a voor zichzelf, onafhankelijk van de verontwaardigde negus. Abraha liet de Maribdam repareren en Himyar kwam weer tot bloei.

Mekka bleef een grote concurrent, met haar aantrekkelijke heiligdom dat alle religieuze aandacht van het schiereiland opzoog, met bijbehorende revenuen. Abraha liet een enorme christelijke kathedraal bouwen, in de hoop dat die de pelgrims naar Sa’ana zou lokken. Maar het bleek niet te werken. Dus dan maar opgetrokken naar Mekka, om de Ka’aba te vernietigen. Eén olifant zou wel genoeg zijn, schatte Abraha (olifanten moeten veel drinken en water is er nauwelijks onderweg).

 

Het was het jaar 560. Abraha sloeg zijn kamp op buiten Mekka. De stad had, zoals het schetsje hierboven laat zien, een paar toegangswegen die betrekkelijk gemakkelijk afsluitbaar waren. Tegen de olifant had men spijkerplanken onder het zand gelegd, en het dier waagde er zijn zachte zolen niet aan. Abraha zond een bode naar de stad, om haar leiders uit te nodigen voor een gesprek. Hij maakte Abdul Muttalib duidelijk dat hij alleen de Ka’aba wilde vernietigen, niet de stad zelf. Abdul Muttalib bracht de boodschap over aan de Mekkanen. Hij ried ze aan om de stad te verlaten. Het gevecht aangaan met Abraha’s overmacht zou een zelfmoordactie zijn. Wat kon Abraha nou helemaal uitrichten tegen de Ka’aba? Wat er aan te vernielen was, konden ze zo weer opbouwen. De bron dichtgooien? Konden ze zo weer opgraven.

 

Het schijnt dat er een besmettelijke ziekte uitgebroken is in Abraha’s strijdmacht. Ik vermoed dat Abdul Muttalib aan Abraha heeft duidelijk gemaakt dat hij weinig zou opschieten met het vernielen van het heiligdom. In elk geval heeft deze zijn poging opgegeven en is onverrichterzaken terug gereisd naar Sa’ana. Hij heeft zijn expeditie ook niet lang overleefd.

De opluchting onder de Mekkanen was groot, en ook hun erkentelijkheid voor Abdul Muttalibs wijze optreden.

 

Abdul Muttalib was voornemens om zich in zijn verantwoordelijkheden niet door zijn oudste zoon Al-Harith te laten opvolgen, maar door de zeer fraaie tweede zoon Abdullah. Die had hij namelijk weten te huwen met Aminah, die van een aanzienlijke en welgestelde familie was. Abdul Muttalib stond ook in hoog aanzien, maar bepaald rijk was hij niet en had een grote familie (veel vrouwen en kinderen) te onderhouden.

Aminah’s vader was sjeik van de Banu Zuhra, maar was enige jaren geleden overleden. Haar jongere broer Wuhaib moest hem opvolgen maar was nog te jong. Aminah was zijn voogdes. Abdul Muttalib wist dat nu het tijdstip naderde dat Wuhaib zijn vader als sjeik kon opvolgen en dat Aminah derhalve ‘vrij’ kwam.

Ze wilde inderdaad graag Abdullah’s vrouw worden en zo geschiedde.

 

Maar Abdullah maakte het niet lang. Spoedig na de huwelijksdagen moest hij op karavaanreis naar Syrië. Hij deed er goede zaken. Op de terugreis verbleef hij enkele dagen in Yathrib, bij de familie van zijn grootmoeder Salma en zijn ooms aldaar. En toen werd hij er ziek. Zijn karavaan keerde zonder hem terug in Mekka.

Abdul Muttalib stuurde onmiddellijk Harith naar Yathrib, om Abdullah op te halen zodra die genoeg hersteld zou zijn. Helaas, toen Harith arriveerde, moest hij vernemen dat zijn broer overleden was en al begraven.

 

Abdul Muttalib ontfermde zich over de zwangere Aminah. Abdullah liet haar vijf kamelen na, een kudde schapen en geiten, en een slavin, Umm Ayman geheten. Die werd de pleegmoeder van de kleine Mohammed, die vier maanden later geboren werd. Naar verluidt (maar tegenwoordig wordt dat betwijfeld) in het ‘Jaar van de Olifant’. Ik ga hier verder toch maar uit van 570 als het geboortejaar van Mohammed want ik heb geen zin in omgereken en veel doet het er niet toe.

 

Zoals de gewoonte was bij de aanzienlijken in Mekka werd voor de kleine een min gezocht in een oase buiten de stad: de kleinen moesten gezonde borstvoeding en andere melk krijgen, in gezonde lucht, niet in de door industrieën en kookvuren verontreinigde stadlucht. De keus viel op ene rondborstige Halima.

Toen de kleine twee jaar en groot en sterk genoeg was, wilde Aminah haar kind eindelijk bij zich. Helaas brak er toen net een epidemie uit in de stad, en dus moest de dreumes toch maar weer met Halima terug naar het dorpje.

Pas als vierjarige kwam Mohammed definitief bij zijn moeder en grootvader te wonen.

Er is een verhaal dat Halima, met het jongetje te voet door de woestijn naar Mekka zwoegend, zo moe was geworden dat ze, vlak bij de stad aangekomen, moest uitrusten in de schaduw van een boom en daar van uitputting in slaap viel. Omdat het geen idolatrieverhaal is, vermeld ik het. Het ondernemende jongetje was gaan dwalen en toen ze ontwaakte, was het nergens meer te bespeuren. In paniek rende Halima naar Abdul Muttalib en die zette een zoektocht op. Mohammed werd gevonden bij de geleerde Waraqa ibn Naufal, die hij later echt zou leren kennen doordat die de oom was van Khadija, met welke dame Mohammed later zou trouwen.

 

De oude Abdul Muttalib nam zijn kleinzoon graag mee naar de Ka’aba, waarvoor hij nog steeds de verantwoordelijkheid had, evenals voor de verzorging van de steeds talrijkere pelgrims. En soms zelfs naar de vergaderingen in de Darun-Nadwa (praathuis). Een druk bezet man.

Helaas duurde dit familiegeluk niet lang. Want Aminah werd ziek en overleed toen Mohammed zes jaar was. En grootvader Abdul Muttalib overleed twee jaar later.

 

Zoals gezegd was de Hashim-clan bepaald niet de rijkste van de Quraysh, omdat de meeste leden van die clan zich niet met woeker en zelfverrijking inliet. Dus de meeste van Abdul Muttalibs zoons stonden niet te springen om de zorg voor de wees Mohammed op zich te nemen. Het was Abu Talib die zich bereid verklaarde Mohammed in zijn toch al grote gezin op te nemen.

Abu Talib nam met meerdere kamelen deel aan alle karavaanreizen van Mekka, en het duurde niet lang of ook de jonge Mohammed, die best groot en sterk was voor zijn leeftijd en leergierig, mocht met hem mee. Heel leerzaam. Na een aantal jaren mocht hij steeds vaker waarnemen voor zijn oom en dat deed hij goed.

  1. De pre-islamitische monotheïsten

Hiervoor grijp ik weer even terug.

In
het verarmde Arabië was Mekka nu, dankzij de ondernemingsgeest van Qusay en diens nakomelingen, waaronder Hashim en Abdul Muttalib, en dankzij de door hen georganiseerde karavaan-rondes en de door hen gepromoveerde Ka’aba en Zamzam-bron, van een in 350 nog nergens vernoemd en slechts terloops bezocht onleefbaar oord, in amper twee eeuwen uitgegroeid tot de centrale stad van het schiereiland.

Zoals te verwachten werd Mekka als voorbeeld van een lucratief project door andere ondernemende politici in het schiereiland nagevolgd. Abraha was er al één van geweest, met zijn kathedraal in Sa’ana.

Met meer succes werd Mekka’s voorbeeld geïmiteerd door de Banu Hanifa, aftakking van de grote Banu Kinda die sinds de grote ineenstorting noordwaarts was gemigreerd. Banu Hanifa had zich gevestigd in al-Yamamah (zie kaart) en had als hoofdstad Al-Kharj, dicht bij de huidige hoofdstad van Saudi-Arabië, Rhiyad. De streek kent regenval, althans meer dan de rest van het woeste schiereiland. De meeste bewoners waren er tot landbouw overgegaan en leefden in kleine nederzettingen bij de wadis van het oostelijke deel van Nejd. Voor de krijgsheren van de Banu Hanifa waren de ongewapende boerennederzettingen weerloze prooien waar ‘beschermingsgeld’ van kon worden afgeperst. Want zo ging dat in die dagen en waar zo iets kan gebeurt dat nog steeds. Maar dat ging steeds meer boeren natuurlijk enorm de keel uithangen.

Waarschijnlijk onder invloed van de Perzen en de tot het Nestoriaanse Christendom overgegane Lakhmiden-stammen heeft de Hanifaleider Hawdah een einde gemaakt aan het op deze grove wijze slachten van de kip met de gouden eieren en hij voerde de verering van de boven alle krijgsgoden verheven oppergod Rahman in, de Barmhartige en Enig Verhevene. Dus soort van Ahura Mazda zoals van Zarathustra. Met succes.

 

Het bracht ook sommige denkers in Mekka op een idee. Want de Mekkaanse karavanen hadden behoorlijk veel last van de overvallen door de ‘wilde stammen’, zwaaiend met banieren van hun krijgsgoden.

Echter, aangezien de rijkdom van de rijkste Mekkanen juist afhing van de bedevaarten naar de vele goden in hun Ka’aba, waren ze zeer gekant tegen de monotheïstische ideologie waar het succes van de Banu Hanifa op berustte, en ze deden dat soort ideeën bij hun eigen intellectuelen af als hanifisme. Vandaar dus dat, toen de Mekkaan Zayyeed en diens gespreks-vrienden het idee van een Eenheidsgod Allah voor de Mekkanen begonnen te opperen, deze voor hanifs werden uitgemaakt.

 

De Banu Hanifa dreigde een geduchte concurrent van Mekka te worden. Musaylima, die Hawdah was opgevolgd, imiteerden Mekka door ook een karavaanronde door Nejd op te zetten en die in Hadjr te laten culmineren, alwaar hij ook een Ka’aba bouwde, eveneens voorzien van een heilige zwarte meteoriet-steen nota bene; alsmede een haram, net als die rond Mekka’s Ka’aba. Musaylima was een begenadigd dichter, en ook zeer bedreven in goochelkunsten. Voor zijn verbaasde publiek schreef hij zijn ‘wonderen’ toe aan de genade van Rahma’an, wiens dienaar en Profeet hij was. Hij dichtte Soera’s en schreef die toe aan Goddelijke ingeving. De verzen verheerlijkten de superioriteit van de Bani Hanifa over de Mekkaanse Quraysh.

 

  1. De Hanifs van Mekka.

Denkers in Mekka hadden het voorbeeld van het monotheïstische succes van de Banu Hanifa niet nodig gehad om tot eenzelfde oplossingsgedachte te komen voor de onuitroeibare strijd- en plunderzucht van hun wilde stammen welke zulk een hinder vormde voor de handel. Hun Christelijke, Joodse en Zoroastrische collega’s op de markten van Syrië en Yemen hadden hun Eenheidsgoden al veel langer tot voorbeeld van handelsvrede gesteld, en rond enkele denkers had zich een groepje gevormd dat discussieerde over een Arabische Eenheidsgod. Onder de bezielende leiding van Waraqa, de oom van Mohammeds latere echtgenote Khadija.

Waraqa was een van de zeldzame Mekkaanse intellectuelen. Er is zo weinig over hem bekend dat het een beetje speculeren is waar hij zijn ideeën van heeft opgestoken. Maar veel wijst er op dat hij contact heeft gehad met de nazaten van de eerste volgelingen van Jezus, de eerste Christengemeente onder leiding van Jezus’ broer Jacobus, de Jeruzalemse Jezus-volgelingen, waaronder Petrus en Johannes. Bij de joodse opstand in 68 AD deden de Jezus-volgelingen niet mee en weken voortijdig uit naar Pella, aan de overkant van de Jordaan. Ze bleven zichzelf als Joden beschouwen. Ze moesten niets hebben van het project van Paulus, die Jezus gebruikte als hoofdfiguur voor zijn Joodse mysteriecultus. Vooral omdat Paulus daarvoor Jezus tot ‘Zoon van God’ had gemaakt –omdat alle cultfiguren dat immers dienden te zijn. Jezus zoon van God? Ben je nou helemaal? Ze hadden hem toch zelf meegemaakt, als gebedsgenezer en messias, en als broer?

Hun nakomelingen worden Ebionieten genoemd: ‘armen’, zoals ze ook zichzelf aanduidden. Zoals ook de Essenen in Qumran zichzelf aanduidden. De Ebionieten geloofden dat Jezus de natuurlijke zoon van Jozef en Maria was, maar bij de doop door God was ‘uitgekozen’ als de meest rechtschapen mens op aarde. Naar hun mening was Jezus de allereerste mens die Gods wet volledig gehoorzaamd heeft. En door zijn gehoorzaamheid aan de wet werd hij gerechtvaardigd, en daarom de Messias genoemd.

In de jaren na 70 AD hebben niet alleen groepen Joden zich als boeren gevestigd in de oases van het Arabische schiereiland, maar ook Ebionitische Joden. Jezus-volgelingen dus. De gedachte is dus dat Waraqa bij een Ebionitische school in de leer geweest is en zich heeft toegelegd op een Ebionitische Bijbelvertaling in het Mekkaans. Wellicht heeft hij zich ook tot het Ebionitisme bekeerd. Het kan moeilijk anders dan dat het idee dat de Ka’aba en de Zamzambron door Allah geschapen zouden zijn ten behoeve van Abraham die indertijd zijn slavin Hagar en hun zoontje Ismaël ter plekke had gedropt, een theorietje van Waraqa geweest is.

Tot de ‘discussiegroep’ rond Waraqa behoorden Zayyeed bin Amru bin Nafil, Abaydullah bin Jash, Uthman bin al-Huwayrith. De laatste, een neef van Khadija, zou Christen worden en hoge ambtenaar aan het Byzantijnse hof. De middelste zou tot de eerste moslims gaan behoren, zou met een hele groep, vervolgd door de Mekkanen, uitwijken naar het christelijke Abessinië en daar Christen worden. Hij zou echter vroegtijdig overlijden en zijn vrouw Umm Habiba zou zich later bij Mohammed voegen en een van diens vrouwen worden.

De eerste nu, Zayyeed, zou een hoofdrol gaan spelen in Mohammeds profeetschap. Dus die komt zometeen ter sprake. Ook Abu Bakr, de latere vriend van Mohammed, zou al eerder dan Mohammed aan deze discussies zijn gaan deelnemen.

 

De discussie ging over de wenselijkheid van een monotheïstische ideologie voor de Arabieren, die deze wildemannen zou kunnen beschaven en pacificeren zoals Zoroastrisme dat had klaargespeeld met de Perzen, Jodendom met de Joden en Christendom met de Byzantijnen. Als het aan Waraqa gelegen had, zouden ze het Jezus-geloof hebben overgenomen. Maar dat zou de Arabieren aan de Byzantijnen ten prooi hebben doen worden. Om dezelfde reden werd ook Jodendom en Zoroastrisme als kandidaten verworpen.

 

Het was Zayyeed die, bijgestaan door Waraqa, zich consciëntieus ging bezig houden met het ontwerpen van een echt Arabisch Allah-monotheïsme. Hij oriënteerde zich in Syrië bij Joodse en Christelijke geestelijken, waarbij hij vooral geïnteresseerd was in hun riten en gebedshoudingen. Een kleinzoon van Zayyeed zou later melden dat Waraqa zijn grootvader op enkele van die reizen heeft vergezeld.

Het heeft er alle schijn van dat Zayyeed veel heeft opgestoken in Harran. Dat ligt nabij het ‘drielandenpunt’ van Syrië, Irak en Oost-Turkije.

Harran was een centrum van de verering van de Maangod Sin. De bijbehorende rituelen: vijf maal daags bidden, bepaalde gebedshoudingen daarbij, en rituele wassing tevoren, zijn door Zayyeed onderdeel van de Islam geworden.

Waraqa’s Bijbelse invloed op de beginvorm van de Islam is vooral te herkennen in het ontstaansverhaal van de Zamzambron en van de Ka’aba. De bron zou al gesticht zijn door Adam, en later geheiligd door Abraham, voor zijn vrouw Hagar en hun zoon Ismaël.

Enkele onderzoekers van de latere Koran hebben een behoorlijk aantal Koransoera’s toegeschreven aan (van oorsprong afkomstig van) Zayyeed.

Hij begon zijn nieuwe geloof uit te denken, vermoedelijk zich terugtrekkend in een van de grotjes in het Hira gebergte bij Mekka. Zayyeed schreef ook. Net als zijn vriend Waraqa behoorde hij tot de weinige geletterden in Mekka.

Zayyeed’s basisverhaal – tot stand gekomen in overleg met Waraqa – was dat Abraham duizend jaar geleden op bevel van Allah zijn slavin Hagar en hun zoontje Ismaël op zijn gevleugelde kameel vanuit Hebron naar de plek gevoerd had en haar daar had achtergelaten. Hagar had haar kind op de grond gelegd en was op zoek gegaan naar water. Berg op berg af rennend: nergens water. Intussen had de dorstige baby met zijn voetjes getrampeld en Allah liet daar toen de Zamzambron ontspringen.

De heidense Bedoeïenen, zo vervolgt het verhaal van Waraqa en Zayyeed, hebben nadien de plek ontheiligd door er hun godenbeelden neer te zetten.

Maar nu diende Allah’s Ka’aba van die heiligschennende godenbeelden ontdaan te worden en dienden de Mekkanen terug te keren naar de verering van de Ene Ware god en dat was Allah. Ze moesten ook hun heidense gewoonten opgeven, zoals het vereren van vele goden en het levend begraven van ongewenste meisjesbaby’s.

 

Zayyeed had het niet gelaten bij het ontwikkelen van zijn Allah-ideologie, hij was zijn geloof ook gaan verkondigen. Maar dat viel bij ettelijke rijke Mekkanen niet in goede aarde. Ze dankten hun rijkdom juist grotendeels aan die godenbeelden die zoveel pelgrims naar Mekka lokten. Ze maakten de groep rond Waraqa die de voor hun gewin zo bedreigende na-aperij van de Banu Hanifia uit voor hanifs.

Vooral Zayyeed’s oom Khattab ibn Nufayl ontwikkelde zich tot een gevreesde tegenstander van de hanif-groep. Toen Zayyeed het waagde om Khattab te kritiseren vanwege diens verering van de 164 godenbeelden van de Ka’aba, sloeg deze zijn neef, schreeuwend dat hij en zijn mede-Mekkanen nu lang genoeg geduld hadden getoond met dat hanif-gedoe en dat het nu afgelopen moest zijn.

Khattab was een opgewonden standje, een emotionele man. Zijn zoon Omar, de latere tweede kalief (opvolger van Mohammed) had een aardje naar zijn vaartje. Khattab kreeg voor zijn voorstel om zijn neef Zayyeed te verbannen uit de stad, de meerderheid in de vergadering der oudsten in de Darum-Nawah , en Zayyeed moest zijn biezen pakken.

 

Ik denk dat het in die dagen geweest is dat de zeggenschap over de Ka’aba gekaapt is door de rijke woekeraars-clans. Met name de Umayyad-clan was niet gediend van de ondermijnende praatjes van de hanifs over Ibrahim en diens Eenheidsgod Allah. Teveel leden van de Hashim-clan sympathiseerden met die onzin die de inkomsten van de Ka’aba bedreigden. De rijken, waaronder vooral de Umayyad-clan, verwierven een meerderheid voor hun zeggenschap over de Ka’aba. De dienstverlening aan de pelgrims, taakonderdelen die niets opbrachten, bleven over voor de Hashim-clan.

 

Zayyeed was, net als zijn vriend Waraqa, al op jaren. Hij trok zich terug in een grot van de Hiraberg benoorden de stad (zie foto), en kon zich alleen ‘s nachts voor water en voedsel in de stad wagen; maar zijn medestanders zoals de jonge Abu Bakr en Khadija bleven natuurlijk zorgen dat hij daar niets tekortkwam. Vooral Khadija was een vurige aanhangster van zijn gedachtegoed, en later stuurde ze Mohammed bij Zayyeed in de leer. De grot zag uit op de stad en de Ka’aba. Bij zijn gebeden richtte Zayyeed zich naar de Ka’aba, voor hem de zetel van Allah.

 

 

 

  1. Mohammed.

Ik denk niet dat Mohammed deel uitmaakte van Waraqa’s ‘salon: daarvoor was hij te jong, te ongeletterd en te arm.

Evengoed vertegenwoordigde Mohammed’s persoonlijkheid alle kenmerken van een waar Banu Hashim-lid. Hij groeide uit tot een imponerende en krachtige verschijning. Hij was eerlijk en betrouwbaar. Hij was sober en ijverig, en hij had een hang naar sociale rechtvaardigheid. In zijn vrije tijd discussieerde hij wel veel met gelijkgestemde vrienden zoals Abu Bakr, de Umayyade Uthman, Abd al Rahman ibn Awt, Mohammeds neef Sa’d ibn Abi Waqqas, Zubayr ibn Awwam en Aboe Bakr’s neef Talha ibn Ubeidullah.

 

Met onder meer deze mensen was Mohammed lid geworden van de Bond der Rechtvaardigen: een comité dat in actie kwam wanneer er hommeles dreigde. Die was opgericht nadat in het recente verleden tot drie maal toe simpel op te lossen onenigheden tussen individuen hadden geleid tot enorm uit de hand gelopen veldslagen. Met veel doden en bloedwraakvetes van dien.

Ik noem dat clubje vanaf nu ‘De Vrienden’, want ze zouden later voor Mohammed een onmisbare steun vormen. Zonder hen was er geen Islam geweest, dat zal iedereen beamen die kennis neemt van de wederwaardigheden van Mohammeds project.

De Vrienden waren het er over eens dat een Eenheidsgeloof in de overkoepelende Allah, Heer der Hemelen, zoals Zayyeed bin Amr bin Nawfal die preekte, de oplossing zou zijn voor stammenoorlogen en gazwahs (roofovervallen). Een Eenheidsgeloof zoals de Hanifa het al voor elkaar hadden gekregen.

 

Toen Khadija’s echtgenoot, lid van Waraqa’s ‘salon’ en sympathisant van het nieuwe geloof van Zayyeed, overleden was, zocht Khadija een bekwame en betrouwbare karavaanleider in zijn plaats. Ze vroeg Abu Talib of ze een beroep mocht doen op zijn jonge neef Mohammed, want die stond bekend als betrouwbaar en als toch heel bekwaam.

Abu Talib gunde zijn jonge neef deze promotie met graagte: het waren zware tijden en Abu Talib had moeite om zijn grote familie te voeden.

Mohammed stelde haar niet teleur. De eerste karavaantocht naar Syrië die hij voor haar deed, was al meteen succesvol, en hij leerde alleen maar bij.

Behalve zijn bekwaamheid beviel ook zijn religieus-politieke interesse en zijn dichterschap haar zeer. Khadija, die altijd vurig had deelgenomen aan de discussies van Waraqa’s ‘salon’ – die waren nu gestopt: vanwege de animositeit rond Zayyeed, en Waraqa zelf was seniel en blind geworden – kende de jonge Mohammed ook als iemand die geheel in de lijn van dit denken stond.

Veel aanzienlijke Mekkanen hadden naar haar hand gedongen, maar ze had op haar rijkdom beluste kandidaten steeds afgewezen. Toen haar rouwperiode verstreken was, stuurde ze haar dienares Nafisa naar Mohammed om hem te polsen aangaande diens gevoelens voor haar.

 

In 595 trouwden ze. Hoewel Khadija al 39 jaar was toen ze de 25-jarige Mohammed tot echtgenoot nam, heeft ze hem maar liefst zeven kinderen geschonken: vier meisjes en drie jongens. De laatsten stierven echter al kort na hun geboorte.

Om het gemis aan mannelijk nakomelingschap te compenseren adopteerden ze Ali, een vijfjarig zoontje van Abu Talib en dus een neefje van Mohammed. Ali zou Mohammeds verdere leven diens trouwste adjudant blijven. Ali had rossig haar, waar hij als kind mee gepest werd natuurlijk. Maar hij was behoorlijk sterk en niet bang uitgevallen. Dus hij had al erg goed leren vechten. Nou, dat zou nog zeer van pas komen. De keren dat Ali’s moed en gevechtskracht de krijgskansen in het voordeel van de moslims deed uitvallen, zijn nauwelijks te tellen. Zonder Ali zou Mohammeds islamproject niet gelukt zijn, ik bedoel, zouden we nooit van Mohammed of de islam gehoord hebben.

Khadija had Mohammed bij het huwelijk een jonge slaaf, Zaïd, geschonken. Toen die enkele jaren later door diens ooms die op pelgrimage naar Mekka gekomen waren, herkend werd, wilden ze hem mee terug hebben naar hun stam. Mohammed liet het aan de jongen zelf over om te kiezen. Zaïd verklaarde bij Mohammed en Khadija te willen blijven. Mohammed van zijn kant verklaarde Zaïd vrij van slavernij; officieel, dus door zich bovenaan de trap van de Ka’aba op te stellen en dit in het openbaar te verklaren. De ooms namen er genoegen mee. Zaïd
zou zijn familie in vrijheid bezoeken maar bleef deel uitmaken van Mohammeds gezin.

Hij zou net als Ali een van de eerste moslims (Islam-gelovigen) worden en naast Ali een trouwe steun voor Mohammed blijven.

 

Mohammed stond in Mekka goed aangeschreven. In 605, toen hij 45 jaar was, gebeurde het dat de Zwarte Steen van de Ka’aba na een ingrijpende renovatie feestelijk teruggeplaatst moest worden vanuit een tijdelijke berging. Welk clanhoofd kwam voor deze eer in aanmerking? En hoe kies je die zonder de na-ijver van andere stamhoofden te wekken?

Toen Mohammed toevallig een kijkje kwam nemen, werd hij er door de stamhoofden bij geroepen.

Mohammed stemde toe. Met de hele groep begaven ze zich naar de bergplaats. Daar aangekomen trok Mohammed zijn dure groene mantel uit – uit Yemen, en vermoedelijk een geschenk van Khadija – legde de steen erop en liet elk der aanwezige stamhoofden een slip van de mantel dragen. Opgelost.

 

Het was Mohammed en zijn Vrienden in gesprekken met Joodse en Christelijke en Perzische kooplieden duidelijk geworden dat de Arabieren door hun stammenverdeeldheid altijd tot marginale krabbelaars in de internationale handel zouden blijven. De Perzen, de Byzantijnen en zelfs de Abessijnen waren wereldmachten dankzij hun eenheids-godsdiensten. Waarom zouden de Arabieren van hun Allah niet een even machtige godheid kunnen maken?

Dat riep de oude hanif Zayyeed toch al zo lang: dat ze de Ka’aba van die 360 stenen en houten stamgodenbeelden moesten ontdoen en deze weer tot exclusief Allah-heiligdom moesten maken zoals Ibrahim het volgens Waraqa gesticht had?

 

Maar zo simpel zou dat niet gaan. Eerst moest Allah in de hoofden en harten van de Bedoeïenen zelf komen te heersen. Er zou een profeet zoals Abraham moeten opstaan, die de Joden hun Jahweh bezorgd had en die de Ka’aba gesticht heette te hebben. Of zoals Isa die de christenen hun Eenheids-god bezorgd had; ook al bestond die laatste uit drie personen, wat natuurlijk een zwak punt was.

Maar als die profeet een Arabier zou zijn, zou die altijd uit één van de stammen afkomstig zijn, zoals die Musaylima van de Banu Hanifa. Dan zouden de overige stammen evengoed vijandig blijven. De Vrienden kwamen er niet uit.

 

Toen Mohammed 45 was – kort nadien – raakte hij in de middlife crisis en gaf aan Khadija te kennen dat hij overwoog om tahnanuth te doen: een soort jaarlijkse ‘retraite’ die de rijkere stadsbewoners zich konden permitteren. Om zich een paar dagen of zelfs weken terug te trekken in de gezonde berglucht en na te denken. Vermoedelijk juist in de dagen dat Zayyeed zijn stadsverbod had gekregen en zich in de Hiragrot had gevestigd. Khadija regelde dat Mohammed ‘vrij’ kon nemen zonder zich zorgen te hoeven maken over bedrijf, en dat hij gedurende de maanden tussen de twee karavaanreizen door tahnanuth kon doen: bij Zayyeed in de Hiragrot!

 

Mohammed had de oude Zayyeed al eens opgezocht in diens ballingsoord toen hij met Zaïd op de terugweg was van Taïf. Ze hadden nog over van de reisvoorraad gedroogd vlees en boden dat, nu ze toch bijna thuis waren, aan Zayyeed aan. Maar die wees het af: nee, geen haram vlees dat aan een afgod was gewijd bij de slacht. Wel als het halal was: als het bij de slacht aan Allah gewijd.

Dit had nogal indruk gemaakt op Mohammed: hanif Zayyeed was dus echt een Allah-gelovige geworden. Tijdens dat bezoek reciteerde Zayyeed bovendien een aantal sura’s tot Allah.

Sura’s zijn echte Bedoeïenen-traditie, ze zijn, als gezegd, een oratorisch volk. Ze houden, behalve van toespraken, ook van kernachtige spreuken en van rijmende en daardoor makkelijk te onthouden verzen. Hun gebeden tot de goden hadden ook die vorm. Zayyeed nu had gebeden tot Allah bedacht, en passende gebedshoudingen daarbij. Hij bad in de richting de Ka’aba: “Ik richt mijn gebeden naar de plaats waar Ibrahim zijn toevlucht heeft gezocht”.

 

Sommige vroege auteurs zoals Ibn Ishaq veronderstellen dat Mohammed voor zijn tahnanuth afsprak met hanif Zayyeed in diens kleine Hira-grot, en dat hij daar van Zayyeed onderricht kreeg. Abul Kasem, een ex-moslim – woont nu in Australië en onderhoudt een wereldwijd bezocht blog – die de bronnen die ik gebruik, heel wat grondiger en deskundiger dan ik dat kan, bestudeerd heeft om ook het zo waarschijnlijk mogelijke verhaal over de Islam te kunnen produceren, stelt dat zeker 30 Suras (Koranverzen) aan Zayyeed moeten worden toegeschreven.

In zijn Mukti-mona artikel “Who Authored the Qur’an?” (20 nov.’05) dat ik heb uitgeprint en bestudeerd, somt hij alle relevante islamitische historici in deze op en citeert alle betreffende Soera’s; waarmee ik u niet lastig zal vallen. De belangrijkste opmerking van Kasem citeer ik:

“Evidently, the above verses were inspired by Zayyeed ibn Amr, and most likely were written by him too. Later, when Zayyeed died, Muhammad simply passed them up as Allah’s revelations to him. Those examples demonstrate that Muhammad had copied stories, concepts and style of Zayyeed ibn Amr in the composition of the Qur’an.”

 

Hanif Zayyeed was blij dat hij met iemand zijn geloof in Allah kon delen. Mohammed moest die gebeden en recitaties van buiten leren. Als je tegen de 50 loopt valt dat niet meer zo mee, en Zayyeed zal best wel eens zijn geduld verloren hebben – hij was van Omar’s familie en dus vermoedelijk een opgewonden standje – en zich eraan hebben geërgerd dat Mohammed het vertikte om fatsoenlijk te leren lezen en schrijven. Zoals iemand zich vandaag kan ergeren aan een verstokte digibeet.

 

Het lijkt erop dat hanif Zayyeed niet bijster veel vertrouwen heeft gekregen in Mohammeds eventuele voortzetting van zijn (Zayyeed’s) project. Toen hij zijn einde voelde naderen, in 610, heeft hij zijn ‘straatverbod’ genegeerd en heeft hij een wanhoopspoging gedaan om alsnog Mekkanen voor zijn project te winnen. Abu Bakr’s dochter Asma vertelde later dat zij de zeer oude Zayyeed bin Amr bin Nufail had zien zitten, geleund tegen de muur van de Ka’aba en roepend: “O mensen van de Quraysh! Bij Allah, niemand van jullie heeft de religie van Ibrahim, alleen ik.”

De volgende ochtend werd hij dood aangetroffen. Aangezien zich niemand meldde om Zayyeed’s dood te wreken, moet hij door een naast familielid zijn omgebracht. Dat dit zijn halfbroer Omar of anders een andere vertrouweling van diens vader al-Khattab geweest is, was voor iedereen duidelijk. Maar niemand had er enig belang bij dit hardop uit te spreken.

Wel dichtte de al even oude Waraqa, Khadija’s geleerde oom, een eulogie op zijn vriend Zayyeed. Die bespaar ik u eveneens.

 

Dit alles geschiedde in 610, en kort na Zayyeed’s dood kwam Mohammed met zijn eerste ‘ingevingen’. Volgens mij – maar ik heb hier geen enkele bron voor – op instigatie van Khadija.

 

Mohammed zelf heeft Zayyeed’s aandeel altijd in het vage gelaten. Hij wilde zijn boodschap niet al bij voorbaat verworpen zien als afkomstig van de verbannen hanif Zayyeed. Hij achtte deze kansrijker als de volgelingen geloofden dat ze Allah’s Woord bevatten en via een engel aan hem waren doorgegeven. Bedenk dat het geloof in djinns toen gemeengoed was.

Toen een nieuwe bekeerling hem eens vroeg wat hij van Zayyeed vond, antwoordde hij: “Ik heb hem in het Paradijs gezien met al zijn gewaden aan”.

  1. Geloofde Mohammed dit zelf?

Het korte antwoord is: hij kon moeilijk anders.

Voor het lange antwoord moeten we bedenken dat de mensen in die tijd, of ze nu arm of rijk waren, de wereld niet anders dan religieus konden beleven. Atheïsme was nog ondenkbaar. Vrijdenkerij bestond er hooguit in dat je afwijkende opvattingen over het wezen van de goden koesterde.

Zayyeed had niet iets echt nieuws ontwikkeld; hij had slechts al lang bestaande ideeën over Allah, vooral tot leven gekomen onder de Vrienden, consequent doordacht en, zoals ook de Vrienden, politiek toegepast om het tribale veelgodendom, met al zijn stammenoorlogen en overvallen op karavanen, te vervangen door een Arabisch ééngodendom, vergelijkbaar met het joodse, zoroastrische en christelijke monotheïsme – en met het Rahman-geloof van de Banu Hanifa.

 

Bedenk daarbij dat ook vandaag de doorsnee-consument weliswaar zich niet meer tot een denominatie bekent maar dat ook deze toch blijft geloven ‘dat er IETS moet zijn’. Al is het als nog zo’n klein en zwak vlammetje en voornamelijk onbewust; even oplichtend op emotionele momenten of bij bepaalde muziek ; kom, daar hoef je je als mens niet voor te schamen. Gewoon, omdat ons hele vroege voorgeslacht het leven in het kader van een Scheppingsverhaal beleefd heeft, waarin één Grote Voorouder-figuur de Schepper van de wereld was. Gewoon dus omdat we nog steeds talige wezens zijn en dus ‘ongeneeslijk religieus’. Ook al uit zich dat in geloven in de overwinning van je voetbalclub, in je liefde tot het koningshuis, je verering van pop- of sportidool. Hoe verder terug in de geschiedenis, des te sterker dat religieuze gevoel. En het heeft meestal met muziek en dansen te maken en opgeheven armen met open handen.

 

Wij, het voorgaande verhaal over hoe wij van aapmensen tot mensen geworden zijn tot ons genomen hebbende, weten nu dat die allervroegste proto-God eigenlijk het eerste groepje kolonisten geweest is dat de dingen in het nieuwe stamgebied hun namen had gegeven en dat we in een woordenwereld zijn komen te leven. Alleen wie dit door heeft, mag zich met recht als atheïst beschouwen. Verreweg de meeste ongelovigen zijn agnosten, dat wil zeggen: ze weten het niet. Dat is voor een humanosoof een ontoelaatbaar zwaktebod: het valt gewoon te weten, toch?

 

Nogmaals, Mohammed had zich met zijn Vrienden/karavaankooplui al heel lang het hoofd gebroken over hoe ze hun Arabische handelseconomie net zo lekker zouden kunnen laten draaien – zonder al die eindeloze stammenvetes en overvallen op hun karavanen – als de joodse, zoroastristische en christelijke handelseconomieën dat konden. Maar zonder zich met één van die machtsblokken te verbinden. Ze waren trotse Arabieren en wensten dat te blijven. Welnu, de hanifs reikten daar de oplossing voor aan. Hanif Zayyeed had zelfs een rudimentair Islamgeloof met rituelen en al uitgedokterd.

Nu hanif Zayyeed dood was, was Mohammed de enige die het nieuwe Islamgeloof aan zijn samenleving zou kunnen aanbieden. Khadija had niet voor niks Mohammed boven alle anderen die naar har hand gedongen hadden, uitverkoren. Ze had Mohammed ter onderrichting naar Zayyeeds grot gestuurd. Mohammed had nu geen andere keus dan het door hemzelf verfoeide profeetschap aan te nemen. In de voetsporen dus van de ook door hem verfoeide Musaylima en vele andere profeten en profetessen van zijn tijd op het schiereiland. Trouwens, ze komen tot op de dag van vandaag ook in onze verregaand geseculariseerde consumentensamenleving voor, en ze gelover heilig in wat ze bedacht hebben.

 

Maar Mohammed wist heel goed dat de ‘ingevingen van Boven’ die hij vanaf nu zou krijgen en zou presenteren als boodschappen van Allah welke hij in opdracht van Allah aan de mensen moest doorgeven, gewoon ‘eigen teelt’ waren. Het viel hem heus niet mee om ze in gepaste vorm te persen. Dat hij ze ook ten behoeve van eigen privé-nut bedacht, mag hem vergeven worden.

Zijn ‘nieuwe geloof’ had politiek-nuttige potentie: het korte metten maken met de voor de handel zo schadelijke roofovervallen door de Bedoeïenenstammen door ze te disciplineren met een opgelegd Eenheidsgeloof. Dat maakte dat hij ook in Mekka Vrienden om zich heen wist te verzamelen. Heel wat Mekkanen echter waren niet bereid om hun korte-termijn-belang in de revenuen van de 360 goden van de Ka’aba voor Mohammeds ‘utopie’ in te ruilen. Voor hen waren zijn stuntelige ‘boodschappen’ een lachertje.

Welnu, Mohammed had niet zoveel vertrouwen in ‘het laatste Oordeel’ van zijn Allah dat hij de terechtstelling van één van zijn ergste bespotters toen, Al-Nadr, aan de wijsheid van God overliet. Toen Al-Nadr bij de door de moslims gewonnen slag bij Badr gevangen genomen werd, liet Mohammed hem door Ali onthoofden. Pure persoonlijke wraak.

 

Maar om op de vraag terug te komen: natuurlijk wist Mohammed dat hij zijn ‘ingevingen’ zelf bedacht: het bedenken ervan kostte hem geestelijke inspanning genoeg. Maar hij geloofde vooral heel erg in het belang van zijn project waarvoor ze instrumenteel waren.

  1. Mohammeds profeetschap

Bereid u nu voor op een hoop ellende, poe-poeh!

Laat ik eerst het verhaal over Mohammeds ‘roeping’ tot het profeetschap vertellen zoals het door de bronnen wordt beschreven. Moslim-historici kunnen natuurlijk niet zo’n afstandelijk verhaal produceren als een hedendaagse God-vrije verteller dat zou doen. Ik heb al veel respect voor een moslimhistoricus als de reeds genoemde Ibn Ishaq (704-770), van wie we bijvoorbeeld het zojuist vertelde verhaal over Al-Nadr hebben.

Geboren in Medina veertig jaar na Mohammeds overlijden heeft Ibn Ishaq in zijn jeugd tal van verhalen over de Profeet meegekregen, veelal van mensen die de Profeet zelf nog hadden gekend. Hij is ze al vroeg gaan verzamelen, waarbij zijn grootste interesse lag bij de veldslagen. Later, aan het hof van de eerste kalief van Bagdad Haroen al-Rashid, heeft hij er op diens verzoek de eerste biografie van Mohammed mee samengesteld.

Ibn Ishaq zelf benadrukt dat hij alle verhalen van horen zeggen heeft en ze dus niet op waarheid kan controleren. Hij heeft wel een serieuze schifting aangebracht in zijn verzameling en alleen de meest betrouwbaar lijkende als bouwstenen gebruikt.

Ik geef nu Ibn Ishaq’s verhaal (wel in mijn eigen woorden en met eigen verduidelijkingen) weer.

 

Op zekere dag, het was in 610 en kort na zijn veertigste, kwam Mohammed ontsteld uit zijn Hira-grot terug, bevend over zijn hele lijf. De 65-jarige Khadija sloeg een deken om hem heen en hield hem vast. Hij was in zijn grot door een djinn bezocht! Die had hem gedwongen om te gaan reciteren, als een profeet! Hij was dus gek aan het worden! Khadija praatte op haar man in: ze wist zeker dat hij niet gek was. Ze zou er met haar oom Waraqa over gaan praten. Mohammed stribbelde tegen: nee, niemand mocht het weten, ook zijn vrienden niet. Khadija beloofde dat ze het echt verder aan niemand anders zou vertellen, en Waraqa was al blind en al zo oud: die zag nooit meer iemand. Goed, alleen Waraqa dan.

Waraqa was al heel lang op de hoogte van de ideeën van Mohammed: liters thee hadden ze er samen over gedronken [sorry, ze kenden nog geen thee toen] in de afgelopen jaren. Waraqa nu geloofde ook niet dat het een djinn-bespiegeling was geweest die Mohammed overkomen was, maar voor hij besliste wat het dan wel was wilde hij hem eerst zelf horen. De volgende dag al verschenen ze samen. En toen Mohammed hem precies vertelde wat er gebeurd was, concludeerde Waraqa dat het geen djinn was geweest maar de engel Djibriel (Gabriël). Dus dat het bevel om als profeet te gaan optreden van Allah zelf afkomstig moest zijn!

 

Mohammed durfde voorlopig niet meer terug naar de grot [Ja, nee, hanif Zayyeed was er immers niet meer]. Maar Khadija was er van overtuigd dat Allah iets met haar man voor moest hebben. [Ze was al lang op de hoogte van Mohammeds onderrichtingen door Zayyeed; had die onderrichtingen vermoedelijk zelf georganiseerd door te zorgen voor de nodige zaakwaarnemers voor Mohammeds koopmanswerk].

Helaas stierf oom Waraqa al een half jaar na de gebeurtenis, dus op diens steun kon ze niet langer terug vallen. Khadija nam Mohammeds beste vriend Abu Bakr in vertrouwen [die was lid geweest van Waraqa’s ‘salon’ ], en ook Ali. Die vonden het helemaal niet zo’n onwaarschijnlijk verhaal. En ze overreedden Mohammed om terug te gaan naar de grot. Zodat hij daar nieuwe recitaties ingegeven zou kunnen krijgen [zich meer recitaties van Zayyeed te binnen zou kunnen brengen]. Dan was het toch een uitgemaakte zaak? Dan gebruikte Allah hem als zijn boodschapper.

 

Mohammed hernam zijn meditatieverblijven in het kleine Hira-grotje. En het duurde niet lang of hij kwam thuis met een paar recitaties. [Ik denk dus dat hij enkele recitaties die Zayyeed hem had voorgedragen, zich nu met veel moeite te binnen bracht.]

Ali leerde ze van buiten, zodat ze niet verloren zouden gaan. En ook Khadija zei ze vaak voor zichzelf op, zodat zij ze niet zou vergeten.

Abu Bakr lichtte nu de andere Vrienden in. Die waren er al lang van overtuigd dat de verbreiding van de Eenheidsgod Allah voor de Arabieren het werk van een profeet diende te zijn: het kon nou eenmaal niet anders. En nu Mohammed steeds vaker recitaties ingegeven kreeg – ze kenden hem immers al als een hobby-dichter – raakten de Vrienden verzoend met de gedachte dat hun hooggeachte Mohammed die profeet moest zijn.

 

Die Vrienden waren nogmaals, behalve huisvriend Abu Bakr: Uthman bin Affan, Talha, Zubayr, Abdur Rahman ibn Auf, Saad bin Abi Waqqas en Obaidullah ibn al-Jarra.

Het is niet weinig waar die Vrienden mee in zee gingen. Ze moeten de draagwijdte én de consequenties van hun denkbeelden al even ver doorgedacht hebben als Mohammed zelf. Je riskeert hiermee nogal wat als koopman. Maar nogmaals, de Banu Hanifa hadden er succes mee …

 

De Vrienden kwamen geregeld bijeen in het huis van Khadija, vooralsnog als een geheim genootschap. Toen een jongeman Arqam, van de Makhzoom-clan, zich bij hen aangesloten had, hielden ze hun bijeenkomsten voortaan in diens versterkte woning iets buiten Mekka, in de vallei van Safa.

Dat was veiliger. Want de rijke clans waren zeer vijandig. De Vrienden waren en bleven wel kooplui, dus afhankelijk van klandizie. De vader van Abu Bakr was de grootste kleding-handelaar van Mekka, en zeer rijk. Zijn zoon was hem aan het opvolgen, maar behoorde tot diens vaders afgrijzen tot de ‘salon’ van Waraqa en Khadija. Abu Bakr was al heel lang bezorgd over het succes van de Banu Hanifa in het noorden, met hun monotheïstische oppergod Rahman, en de concurrentie welke dit betekende voor Mekka. Hij had vertrouwen in Zayyeed’s project van een puur Arabische Eenheidsgod, als een Mekkaans antwoord op die concurrentie.

Toen Mohammed het besluit genomen had om de fakkel van Zayyeed over te nemen en profeet te worden, kon hij rekenen op de volle steun van Abu Bakr. Zelf zou deze Mohammeds moed en vastberadenheid niet kunnen opbrengen. Hij miste bovendien diens natuurlijke charisma. Abu Bakr had bepaald geen imposante gestalte, hij was mager en liep altijd een beetje gebogen, terwijl Mohammed bepaald imposant was om te zien: een Hashim-familietrek. Bovendien was Mohammed amateur-dichter.

 

Drie jaar gingen zo voorbij, waarin ze een vast patroon van gebeden tot Allah ontwikkelden, voorafgegaan door een wassing. Het ritueel zoals hanif Zayyeed had opgestoken in Harran, van de cultus van de maangodin Sin. Compleet met de bijbehorende gebedshoudingen: diepe prostratie met vooruitgestoken handen en het voorhoofd op de grond. En Zayyeed deed dat richting de Ka’aba, als onderdeel van een hele reeks houdingen en gebeden.

Hierna reciteerde Mohammed zijn nieuwste ‘ingeving van Boven’. Die kreeg hij spontaan wanneer hij er een nodig had; vooral later, in Medina, onder de simpele bevolking daar. Mensen als Abu Bakr vonden dat nogal eens gênant; maar het aanzien van Mohammed als profeet was toen al zo hoog gestegen dat die daar steeds mee weg kwam.

 

De kern van Mohammed’s nieuwe geloof voor Mekka was, dat de heilige Ka’aba, zoals Waraqa en Zayyeed hadden bedacht, was gesticht door Abraham en diens zoon Ismaël.

Dat was de formule waarmee het Veelgodendom, het geloof bij alle ghazwa’s, zou kunnen worden bestreden.
Het nieuwe Eenheidsgeloof was dus een Bijbels geloof, zoveel was zeker. Dus moest hij, principieel ongeletterde en ongeschoolde Arabier, zoveel mogelijk zien op te steken van iemand die in de Bijbel doorkneed was.

Zo iemand was Jabr, een oude christelijke slaaf van de familie al-Kathrami. Vrijwel elke dag was Mohammed bij de gezusters al-Kathrami (hun vader was overleden) op bezoek en liet hij zich door de geleerde Jabr onderrichten in de Bijbelse verhalen.

Ibn Hisham, een van de latere biografen, zou schrijven: “Het volk van Mecca zei vaak: veel dingen die Mohammed onderwijst, zijn hem geleerd door Jaber, de christen-slaaf van de kinderen al-Kathrami.”

 

Mohammed’s in versvorm gereciteerde ‘ingevingen’ , veelal van Bijbelse snit, werden door het gezelschap van buiten geleerd en besproken. Sa’d en Talha konden schrijven en schreven ze voor zichzelf op, op palmbladeren meestal. Nieuwelingen, veelal uit de Banu Hashim maar ook wel uit andere clans, werden door Ali en Zaïd ingewijd in de recitaties en de gebeden tot Allah, en zo kreeg de latere Koran geleidelijk vorm.

 

  1. Mohammed treedt naar buiten

Na deze drie jaar had Mohammed de vaardigheid van het voorgaan bij een vast ritueel goed onder de knie en voelden ze zich als sekte sterk genoeg om met hun nieuwe geloof naar buiten te treden.

Voor hun veiligheid dienden ze eerst de bescherming van hun eigen clans te verwerven. Met name die van Mohammed, dus de Banu Hashim en de Banu al-Muttalib.

Ali werd belast met het uitnodigen van de familiehoofden, veertig in getal, voor een maaltijd ten huize van Mohammeds oom, het clanhoofd Abu Talib. Het kostte hem een rib uit zijn lijf, maar Khadija sprong natuurlijk bij.

 

Onder de genodigden was oom Abu Lahab, broer van Mohammeds vroeg overleden vader. Een gierige geldwolf, en behorende tot de tegenpartij, die van de Ummayya-clan. Hij was al lang op de hoogte van wat zijn neef voorstond en hij was er faliekant op tegen.

Dus toen Mohammed na een tijdje opstond en het doel van het bijeenzijn ontvouwde, onderbrak Abu Lahab hem al na een paar zinnen en richtte zich met luide stem tot het gezelschap, in welsprekende maar uiterst vijandige bewoordingen.

Er ontstond een enorm geschreeuw van alle kanten en het duurde niet lang of alle genodigden hadden de zaal verlaten.

 

Deze eerste poging om zich als nieuwe geloofsrichting bekend te maken was dus een mislukking geworden. Maar omdat Mohammed diep overtuigd was van de noodzaak van zijn nieuwe Eenheids-god Allah voor alle Arabieren, kroop hij niet voor die geldwolf oom Lahab in zijn schulp.

Bij een volgende gelegenheid richtte hij zich tot een publiek waar ook leden van andere Quraysh-clans aanwezig waren en meldde hen dat hij de boodschapper was van de Heer der Hemelen, Allah, die voorspoed en welvaart wilde brengen aan alle Arabieren. Maar weer was daar oom Abu Lahab om zijn neef te onderbreken en de mensen voor hem te waarschuwen; en weer slaagde Lahab er in om het aanvankelijk welwillende gehoor uiteen te jagen.

Mohammed had geen andere keus dan vol te houden en het bij elke gelegenheid opnieuw te proberen. En zo verbreidde zijn idee, ondanks de al even halsstarrige tegenwerking van Abu Lahab en anderen, zich toch onder de mensen. Belangrijk voor hem was dat de Vrienden hem door dik en dun bleven steunen, evenals Khadija, Ali en Zaïd. Bovendien hielp hem zijn reputatie van onkreukbaarheid en behulpzaamheid bij het verstrekken van leningen zonder woekerrente, terwijl Abu Lahab en diens kornuiten als harkerige gierigaards en woekeraars bekend stonden.

Mohammed liet niet na de rijke Quraysh aan te sporen om hun rijkdom te delen met de armen. Dat nu was een geheel nieuw en bemoedigend geluid, dat de massa der minbedeelden als muziek in de oren klonk. En toen Mohammed ook nog duidelijk maakte dat de Heer der Hemelen Allah ook de slaven tot Zijn kinderen rekende, groeide zijn aanhang onder de onderklasse.

 

Maar daarmee groeide ook de tegenstand onder de rijke Quraysh die Mohammed en zijn sekte nu als een reëel gevaar voor hun woekerwinsten begonnen te zien. Een van Mohammed’s meest fervente en vastbesloten tegenstander was Abu Jahl – lid van de Makhzum-clan en een man van aanzien en gezag. Abu Jahl werd de belangrijkste bedenker en aanstichter van alle ellende die Mohammed vanaf nu te wachten stond.

De eerste slachtoffers van hun vijandschap vielen onder de slaven die de euvele moed hadden zich tot moslim (aanhanger van het nieuwe Allah-geloof) te verklaren.

Het eerste slachtoffer van Abu Jahl was Sumayyah, een slavin die door Abu Hudaifah, een Vriend van Mohammed, tot vrouw was gegeven aan de Jemeniet Yasir ibn Amir. Beiden waren moslim geworden. Ze werden door Abu Jahl en diens knokploeg naakt in de brandende zon van Mekka gelegd, net zo lang tot ze hun geloof zouden afzweren. Maar Sumayyah bleef weigeren en aangezien ze toch maar een slavin was, werd ze doodgeslagen. Ze geldt als de eerste martelares van de Islam.

Bilal, slaaf van Umayya bin Khalaf, werd eveneens tussen palen op het brandend hete zand vastgelegd; totdat Abu Bakr hem kocht en bevrijdde. En zo kocht Abu Bakr weldra menig andere slaaf die omwille van zijn of haar geloof gemarteld werd door hun meester, en schonk hen de vrijheid zodat ze niet langer meer lastig gevallen konden worden. Het valt zeer te betwijfelen of er vandaag sprake van Islam zou zijn geweest als er toen geen Abu Bakr zou zijn geweest.

Aanhangers die weliswaar geen slaaf maar van nederige komaf waren, kregen het ook moeilijk. Zo was er een jongeman die behoorlijk bij de pinken was en zich beijverde om alle recitaten van Mohammed van buiten op te dreunen. Hij bestond het zelfs om dit in de Ka’aba te doen, samen met Mohammed. Deze laatste genoot de bescherming van zijn clan en dus waagde niemand hem te na te komen. Maar de arme jongen werd op zijn bek geslagen om hem de mond te snoeren. Toch ging deze door tot hij zijn laatste recitaat had opgezegd (of uitgezongen, het was zoiets als de hedendaagse gangsta-rap).

 

Mohammeds faam begon zich ook buiten Mekka te verbreiden. Een jongeman van de Ghiffar-stam, Abu Dharr, hoorde van reizigers dat er in Mekka een profeet was opgestaan die de Arabieren aanspoorde om hun veelgodendom vaarwel te zeggen en alleen nog maar de Heer der Hemelen Allah te vereren; en voortaan alleen de waarheid te spreken, en niet langer hun meisjesbaby’s levend te begraven. Abu Dharr reisde naar Mekka om die profeet zijn diensten aan te bieden.

Omdat hij gehoord had dat de profeet veel vijanden gemaakt had daar, durfde hij, als kwetsbare vreemdeling, niet rechtstreeks naar hem te vragen en bleef de hele dag in de schaduw van de Ka’aba wachten. De avond viel en nog steeds … tot hij werd aangesproken door de toevallig passerende 15-jarige Ali. Die zag dat hij een vreemdeling was. De gewoonte gebiedt dat je die in je huis noodt en te eten geeft. Daar bracht Abu Darr de reden van zijn reis ter sprake. Ali was verheugd om hem in kennis te kunnen brengen met de gezochte persoon: nooit nog had iemand zo’n reis voor Mohammed ondernomen.

Abu Darr omhelsde diens Islam. De dag erop al begaf hij zich naar de Ka’aba en riep daar met luide stem: “Er is geen God dan Allah en Mohammed is zijn boodschapper!”

Zoals te verwachten werd hij aangevallen en het is te danken aan de toevallige aanwezigheid van Abbas ibn Abdul Muttalib, een oom van Mohammed. Die verhief zijn stem en wees er op dat deze vreemdeling een Ghiffar was, dus van een stam aan de route naar Syrië. Als de Mekkanen hem iets zouden aandoen, zouden diens stamgenoten zich wreken op de Mekkaanse karavaan.

Abu Darr bleef een trouwe volgeling.

 

Wanneer iemand van een Mekkaanse familie overging tot de Islam, werd hij of zij voor altijd uit de familie verstoten. Dat betekende dat het nieuwe geloof ook families versplinterde. Een reden temeer voor de tegenstanders om het in de kiem te smoren nu het nog kon. Maar hoe?

Bij enkele Quraysh rees het vermoeden dat het Mohammed gewoon om macht te doen was. Mohammed was een aanzienlijk lid van de Banu Hashim, de grondvester van Mekka’s grootsheid in Arabië. De Banu Hashim- clan was om niet geheel frisse reden uit zijn hoge positie in Mekka gemanoeuvreerd. Wellicht was Mohammed er op uit zijn clan rehabiliteren!

Ze kregen Utbah, een van de fatsoenlijkste Quraysh familiehoofden, zo ver om met Mohammed te gaan praten. En Utbah bood Mohammed het leiderschap over Mekka aan.

Mohammed had juist een nieuwe recitatie doorgekregen. Als enig antwoord droeg hij deze voor aan Utbah.

Utbah zei niets meer, keerde terug naar het beraad. Hij gaf als zijn mening: Mohammed gewoon diens gang laten gaan. Wanneer dat op niets zou uit lopen, waaide het gedoe vanzelf over. Wanneer diens opzet zou slagen, kon Mekka daar wellicht voordeel van hebben.

Ook Utbah had, net als Abu Bakr, een vooruitziende blik. Hij besefte de kern van het voor Mekka concurrerende succes van de Bani Hanifa en hun sjeik Musaylima. Die hanteerde immers een soortgelijk nieuw geloof als Mohammed voorstond. Het zou best wel eens kunnen dat Mohammeds streven voor Mekka van voordeel zou worden.

Maar mensen als Abu Lahab en Abu Jahl waren er van overtuigd dat de lucratieve pelgrimages afhingen van de aanwezigheid van de 360 stamgoden in hun Ka’aba. Mohammed verkondigde dat die vernietigd moesten worden. Dus bleven zij en met hen de meerderheid van de rijke Quraysh, met name de Umayya-clan, uit op Mohammeds vernietiging.

 

Zolang deze echter de bescherming genoot van Abu Talib konden ze niets tegen hem beginnen. Dus werd besloten een afvaardiging te sturen naar Abu Talib: om die te bewegen, de stamsolidariteit te laten prevaleren boven één verderfelijk lid van zijn familie.

Het werd een zware dobber voor de oude Abu Talib: hij moest zowel de kool als de geit zien te sparen. Hij putte zich uit in een eindeloze reeks ontwijkende gemeenplaatsen. De delegatie begreep dat hij solidair met zijn neef wenste te blijven en vertrok tenslotte met lege handen.

Bij een tweede poging brachten ze een knappe jongeman mee die hij als zoon mocht adopteren, in ruil voor Mohammed. Abu Talib bedankte beleefd.

Nu was voor de Quraysh de maat vol. Hun derde afvaardiging kreeg een ultimatum mee. Abu Talib begreep dat hij nu geen kant meer op kon en ging in wanhoop naar Mohammed. Deze bleek echter bereid om zijn leven te geven voor zijn geloof, liever dan het getuigen ervoor op te geven.

 

Abu Talib besloot zijn bescherming te handhaven en er de consequenties van te aanvaarden. Maar hij belegde eerst een bijeenkomst met de hele Banu Hashim en de hele Banu Muttalib. Hij sprak voor hen zijn diepe bewondering uit over zijn neef Mohammed en verzocht allen om Mohammed tegen de Quraysh te beschermen. Allen verklaarden zich hiertoe bereid, uiteraard op Abu Lahab na die zich tot de partij van de Quraysh verklaarde en zijn vijandschap tegen Mohammed herhaalde.

 

De eerste slachtoffers van de openlijke agressie der Quraysh trof de moslims die geen verwanten hadden in Mekka, zoals ‘import’-bewoners en slaven. Maar ook Mohammed zelf begon levensgevaar te lopen. Toen hij in de Ka’aba zat te bidden, werd hij plotseling omringd door een dronken groep Mekkanen. Een jong familielid van Khadija verdedigde Mohammed met zijn vuisten, maar een der dollemannen trok zijn dolk en stak op de 17-jarige in. Het bloedvergieten in het heiligdom bracht de overigen tot bezinning, en Mohammed voor het eerst in vertwijfeling.

Het gevolg was dat de sterke Ali zijn oom voortaan bij elke stap vergezelde.

 

De agressie van de Mekkanen tegen de moslims nam hierna alleen maar toe. Mohammed begon zijn volgelingen aan te raden asiel te zoeken in het christelijke Abessinië (Axum, het huidige Ethiopië).

En inderdaad vertrok een groep van vijftien mensen onder leiding van Uthman, een van de Vrienden. Ze werden daar vriendelijk ontvangen door de Negus. Ze waren immers asielzoekers, gevlucht vanwege hun geloof in de Ene Ware God. Ze mochten van hem daar verblijven.

Na nog geen jaar deed in Axum het gerucht de ronde dat de Quraysh de islam hadden omarmd!

Blij scheepte de groep zich weer in. Om te ontdekken dat het tegendeel waar was: de Quraysh waren nog erger te keer aan het gaan. Dus weer rechtsomkeert naar Abessinië, en nu met een veel grotere groep moslims.

Dit laatste begon de Quraysh te verontrusten: wellicht zouden de moslims daar een troepenmacht tegen Mekka kunnen ronselen. Dus zonden ze ijlings een afvaardiging met een boel geschenken voor de Negus en diens hovelingen. De afvaardiging arriveerde nog vóór de aankomst van de moslims.

De Negus hoorde de bezwaren aan, maar wilde alvorens een beslissing te nemen eerst de andere partij horen.

Toen die zich meldde, hield de woordvoerder daarvan een gloedvol betoog waarin deze niet naliet te wijzen op hun toegewijd zijn aan de Ene Ware God die in wezen dezelfde was als die van de Kopten. De Negus retourneerde de geschenken aan de Quraysh en verzocht hen te vertrekken.

De moslims zouden vervolgens daar dertien jaar verblijven, en ettelijke ervan – je weet hoe dat gaat met asielzoekers – voor altijd.

 

De in Mekka achtergebleven moslims behoorden allen tot clans die gelieerd waren aan de Hashim- of de Muttalib-clan, of waren leden van het Verbond der Rechtvaardigen; die waren betrekkelijk veilig voor de aanvallen van de Mekkanen. Maar de agressie tegen Mohammed woedde voort.

Abu Jahl trof Mohammed op zeker moment alleen aan in de Ka’aba, en ging hem op een schandalige manier te lijf. Hij verordende een paar knapen om slachtafval van een kameel op te halen en dat op de voorover gebogen en biddende Mohammed te werpen. Onder groot gelach. Mohammeds jongste dochter Fatima hoorde ervan, snelde toe en ontdeed al scheldend haar vader van de troep.

Een slavin van het huis van Hamza ibn Abdul Muttalib was er getuige van geweest. Hamza, een oom van Mohammed, was een krachtpatser, een jager die weinig interesse had in waar zijn neef allemaal mee bezig was. Maar nu hij dit gehoord had, ontstak hij in woede en beende af op het gezelschap in de saqifa (gemeenschapshuis) waar Abu Jahl aan het opgeven was hoe hij Mohammed zijn vet gegeven had. Hamza gaf Abu Jalh een forse dreun en verklaarde bij deze moslim te zullen worden.

En dat werd hij inderdaad. Mohammed beschikte vanaf nu over een geduchte lijfwacht.

 

Een tweede spectaculaire bekering betrof Omar.

Omar bin al-Kathab, de latere tweede kalief, was een even rabiate tegenstander als Abu Jahl, en zelfs gewelddadiger. Op zekere dag besloot hij, een stevige wijndrinker als hij was, Mohammed persoonlijk van kant te gaan maken; ook al zou hij dan te maken krijgen met de wraak van diens clan. Tenslotte had hij ook al een eind gemaakt aan het leven van die andere dolle hanif, zijn halfoom Zayyeed. Hij begaf zich luid schreeuwend op weg naar de vallei van Safa, naar het huis van Arqam, de hem bekende vergaderplek van die hanifs.
Een kennis hield hem staande en deelde hem mee dat Omar’s eigen zuster en haar man moslim waren geworden. Dus dat hij eerst maar eens orde moest scheppen in zijn eigen familie alvorens een dollemansdaad te plegen. Omar begaf zich onmiddellijk naar zijn zuster en sloeg haar. Toen hij bloed zag, kwam hij tot bezinning en bood haar zijn verontschuldigingen aan want zij was altijd zijn lievelingszus geweest. Ze kwamen tot een gesprek. Ze liet hem enkele recitaten van Mohammed horen.

Dit bracht Omar dusdanig van zijn stuk dat hij zich de volgende dag naar het huis van Arqam begaf. Ze zagen daar Omar aankomen en sommige moslims werden bang. Maar Hamza stelde hen gerust: laat die blaaskaak maar komen. Omar bleek zich zowaar te komen aanmelden als kandidaat-moslim.

Wellicht zijn het deze twee geruchtmakende ‘bekeringen’ geweest die de asielzoekers in Abessinië een verkeerde indruk van de ontwikkelingen in Mekka hadden gegeven. Want even luidruchtig en blaaskakerig als hij eertijds tegen was geweest, zo was hij het nu vóór, en het betekende een klap voor zijn oom Abu Jahl en de tegenpartij in zijn geheel. De moslims durfden vanaf nu ook openlijker voor hun streven uit te komen.

 

Een belangrijke ideologische tegenstander in die dagen was Al-Nadr bin al-Harith, een succesvolle Mekkaanse koopman die vooral met Perzische kooplui zaken had gedaan en een brede interesse had in religieuze verhalen. Hij stond daardoor sceptisch tegenover de amateuristisch aandoende leringen van Mohammed die hij bij gelegenheid aanhoorde. Aanvankelijk beperkte hij zich er toe om, als Mohammed zijn zegje gedaan had en vertrokken was, het nablijvende gehoor interessante vertellingen over Perzische helden te presenteren; om er ten besluite aan toe te voegen dat deze vertellingen toch minstens zo boeiend waren als wat Mohammed te bieden had.

Hij raakte er steeds meer van overtuigd dat wat Mohammed voorstond, heel erg een na-apen was van het succes van die Musaylima in Yamaha, met diens al-Rahman. En anders dan Abu Bakr zag hij er niet de potentie voor Mekka in, maar alleen het gevaar.

Al-Nadr maakte ook deel uit van de delegatie Quraish die een deal hadden willen maken met Mohammed; als het geld was waar deze op uit was, dan zouden ze hem rijker dat wie ook in Mekka. Als het eer was, zouden ze hem tot prins maken. Als het soevereiniteit was, zouden ze hem tot koning uitroepen. Als hij bezeten was, zouden ze hem door de duurste genezers laten bezweren.

Maar Mohammed had gezegd dat hij alleen de opdracht van Allah had om diens boodschapper te zijn en Allah’s waarschuwingen moest overbrengen; en dat hen aan hen was om die ter harte te nemen. Meer was hij niet van zins.

Al-Nadr had hem vervolgens verzocht om zijn Allah dan een teken te vragen. Bijvoorbeeld om de bergen rond Mekka weg te halen en hun land mooi plat te maken en van rivieren te voorzien, zoals in Mesopotamië. Maar Mohammed zei dat zijn opdracht niet verder ging dan als hij al gezegd had. Al-Nadr had aangedrongen: hij kon zijn Allah toch minstens vragen om een engel die zijn woorden zou bevestigen; dat zou voor hen al genoeg zijn. Maar Mohammed zei dat dit aan Allah was; hij was slechts diens boodschapper.

 

Al-Nadr kreeg van de Quraysh gedaan dat hij, samen met Uqba bin Abu Mu’ayt, werd afgevaardigd naar Medina, om daar aan de Joodse rabbi’s te vragen waaraan je een profeet kon herkennen.

De rabbi’s van Medina gaven hem de raad om Mohammed drie vragen te stellen 1. wat gebeurde er met de zeven jongelingen die in een grot waren dichtgemetseld en na eeuwen werden ontdekt en nog fris en vrolijk in leven waren en meenden dat ze maar één nacht in die grot gezeten hadden (een oude legende) 2. wie was die reiziger die het punt bereikt had waar Oost en West samenkomen? En 3. wat is de Geest?

Teruggekeerd legden ze Mohammed deze drie vragen voor; als hij ze zou kunnen beantwoorden, zouden ze hem als profeet erkennen.

Mohammed vroeg een dag bedenktijd. Daar namen ze genoegen mee.

De arme Mohammed wist bij God niet wat hij moest verzinnen, en een ‘ingeving’ wilde er ook niet komen. Pas na vijftien dagen had hij de antwoorden op een rijtje; maar het was iedereen duidelijk dat Mohammed hiervoor weer bij de oude Jabr in de leer was gegaan.

 

De Quraysh, met name die van de Umayyade-clan, besloten dat niets anders restte dan de Banu Hashim en de Banu Muttalib uit de gemeenschap der Quraysh te laten verstoten.

Ze organiseerden onder leiding van Abu Jahl in de saqifa een soort referendum voor de kooplieden. Elke zakenman diende een verklaring af te leggen of hij voor of tegen de hanif clans was. Tevens benaderden ze dichters om hen aan te sporen zich in bijtend spottende bewoordingen te richten tegen alle afzonderlijke familiehoofden van de beide clans.

 

Dit alles benadeelde de Banu Hashim en de Banu Muttalib ernstig in hun broodwinning. En helemaal toen, als slotstuk van de campagne, een document werd opgesteld waarin werd vastgelegd dat voortaan niemand meer zaken zou mogen doen met iemand van de beide clans.

Niet iedereen tekende van harte, maar om nu openlijk je stem te verheffen tegen de gezaghebbende Abu Jahl en andere woekeraars zou de verdenking van sympathisant op je laden.

Het boycotdocument werd opgesteld en plechtig opgehangen in de Ka’aba.

Vanaf nu zou ook Abu Bakr zich gedeisd houden, vermoedelijk na een woede-uitbarsting van zijn vader. We zullen pas later in het verhaal weer van Abu Bakr vernemen.

 

Hoe lang zouden de Hashim-clans deze wurging kunnen uithouden? Bovendien mochten ze, nu ze als groep min of meer vogelvrij verklaard waren, verwachten om ook lijfelijk te worden aangevallen. De oude Abu Talib besloot om met zijn hele familie en aangetrouwden uit Mekka te vertrekken en een schuilplaats in de bergen vlakbij de stad in te richten. Hij was eigenaar van een kloof, de Sheb.

de Shebkloof bij Mekka

 

De toegang ertoe was een rotsspleet waar een kameel maar met moeite doorheen kon. De kloof was verder door steilten en stadsmuren afgesloten, dus gemakkelijk verdedigbaar. Daar zouden ze voorlopig veilig zitten.

 

Maar hoe aan eten en drinken te komen? Met geld is alles te koop, en Khadija was rijk. Het was de sterke Ali die ‘s nachts in een geitenhuid water haalde, tegen belachelijk veel geld natuurlijk. Mekkaanse sympathisanten of gewoon fatsoenlijke lui brachten ook eten en drinken, de vijandschap van de Quraysh riskerend. Vooral Hakim, de neef van Khadija, bracht met zijn slaaf leeftocht zo vaak hij kon. Ik kan me niet voorstellen dat Abu Bakr niet ook zijn steentje bij droeg.

Toch leden de kinderen soms honger en was hun huilen tot in de stad hoorbaar.

Abu Jahl postte eens een nacht bij de kloof om zulke hulpvrienden dwars te zitten. Maar er volgde een dusdanig vuistgevecht dat hij dat voortaan maar uit zijn hoofd liet.

Ook al waren die helpers geen moslims, ze konden het toch niet verdragen dat die goeie mensen in de kloof zouden verhongeren. En daar had Abu Talib ook op gerekend.

 

Drie volle jaren duurde deze evacuatie. We hebben er verder geen informatie over.

Toen in het derde jaar de nood tot de lippen ging stijgen, was het Hisham bin Amr, een zeer geacht lid van de Quraysh maar verwant aan de Banu Hashim, die de toestand niet langer verdroeg. Hij benaderde Zuhayr, ook een hoogstaande Quraysh. Die benaderde Uthba en Al-Mutim bin Adijy en die weer enige anderen. Zo vormde zich een groepje onder leiding van Zuhayr. Deze mensen hadden vanaf het begin van de boycot al hun bezwaren gehad, maar nu wilden ze dat er een einde aan gemaakt werd.

Al-Mutim riep een volksvergadering bij de Ka’aba – dus niet een clanhoofdenvergadering in de saqifa – bijeen en toen bleken de handhavers van de boycot tot een kleine minderheid geslonken. Ook al moesten de meeste Mekkanen niets van Mohammeds idee hebben, veel mensen waren Mohammed dank verschuldigd omdat ze bij hem en Khadija leningen zonder rente hadden kunnen afsluiten – dit was niet de onbelangrijkste oorzaak van de woede van de geldwolven. En nu waren deze mensen weer aangewezen geweest op de woekerrentes van de rijken. Bovendien werden de Hashim- en de Muttalib-clan node gemist in de karavanen, bekwame handelaars als ze altijd geweest waren. Mekka zelf leed onder de eigen boycot.

Dus werd die nu officieel beëindigd. Het document uit de Ka’aba werd tevoorschijn gehaald en verbrand. Een groepje ruiters reed in vol ornaat naar de kloof en begeleidde de opgeluchte belegerden terug de stad in en naar hun woningen.

 

Hoe kwamen Hisham en Zubayr en die anderen er toe om, net toen de uitgestotenen op het punt van verhongering waren gekomen, hen uit de nood te verlossen? Wellicht toch dezelfde beweegreden als die van Utba toen die Mohammed het leiderschap van Mekka aanbood. Het succes van de Banu Hanifa en Musaylima , en de steeds serieuzere concurrentie welke deze aan het vormen was voor het slinkende religieuze aanzien van Mekka in Arabië.

  1. Mohammeds diepste ellende

Drie jaar hadden de moslims het in de kloof uit weten te houden, tot voorjaar 619. Mohammed was nu vijftig plus. Khadija was 65, en Abu Mutalib al 83.

Beide laatsten waren er slecht aan toe. De ontberingen hadden een te zware tol geëist van hen. Khadija had haar hele fortuin moeten besteden aan het kopen tegen woekerprijzen van de noodzakelijke levensbehoeften. Nu ze terug was in haar huis bezat ze niets meer. Ze werd al na korte tijd ziek en overleed.

En een maand later overleed Abu Talib. Dit was een zo mogelijk nog grotere ramp voor Mohammed, want door diens wegvallen verloor hij zijn clanbescherming. Abu Lahab, Mohammeds oom maar overtuigde vijand, werd hoofd van de Hashim-clan en verklaarde onmiddellijk dat Mohammed niet langer onder de bescherming van zijn clan stond.

 

Hoe konden de Hashims en de Muttalibs dit laten gebeuren? Door de drie jaren van boycot waren ze totaal verarmd en moesten nu eerst en vooral financieel weer boven water zien te komen. Ze zijn hier zeker in geslaagd, en in het verdere verloop van ‘t verhaal komt Abu Lahab niet meer voor.

 

Maar voor het moment was Mohammed vogelvrij, een outlaw. Hij kon zich niet meer in het openbaar vertonen en moest steunen op de gastvrijheid van anderen.

53 jaar was hij nu, en hoeveel mensen had hij nou bekeerd in de afgelopen 10 jaar? Krap 170 mannen en vrouwen. En zijn vijanden waren vastbesloten om dit gezwel nu definitief uit hun Mekka weg te snijden. Mohammeds situatie werd vanaf nu alleen nog maar hopelozer en beroerder. Het is geen lolletje om de stichter van een nieuw geloof te zijn.

 

Mohammed wist dat hij in Mekka niet verder zou komen met zijn project. Misschien moest hij het eens buiten Mekka proberen. Vergezeld van Zaïd reisde hij te voet door de bergen naar Taïf, het oase-stadje 100 km ten zuidoosten van Mekka.

 

Daar aangekomen richtte hij zich tot de clanhoofden met zijn boodschap. Maar die viel allerminst in goede aarde. Na hem met nauwelijks verholen spot aanhoord te hebben gaven ze hem te verstaan dat hij in hun stad niet welkom was. Ze lieten zelfs toe dat ze door rondhangend tuig bekogeld werden. Half gestenigd geraakten ze buiten de muren van het stadje en strompelden huiswaarts.

Mohammed zakte al gauw in elkaar. Een tuinder ontfermde zich over het ongelukkige stel, gaf hen te drinken, verbond hun wonden en liet ze op verhaal komen.

Mohammed wist dat, als hij zich opnieuw in Mekka zou vertonen, het zijn einde zou betekenen. Maar hij kon nergens heen.

Hij stuurde Zaïd naar al-Mutim, een van het dappere groepje dat de Hashim-clan van de boycot had verlost. Dat bleek zijn voorlopige redding. Al-Mutim trok terstond zijn harnas aan, bewapende zijn bedienden en neven, reed in volle uitrusting naar het plein bij de Ka’aba en verkondigde daar dat hij nu Mohammed de stad zou gaan binnenhalen en dat hij verwachtte dat deze voortaan ongemoeid zou worden gelaten. Hij zou deze van zijn kant laten beloven, zich voortaan niet meer provocerend uit te laten.

Na dit niet mis te verstane machtsvertoon haalde hij Mohammed op en begeleidde hem naar zijn huis.

 

Mohammed was dankbaar dat hij weer veilig thuis was, bij zijn dochters en Ali. Onder hun liefderijke verzorging knapte hij weer op en met steun van zijn familie, die weer welvaart kon verwerven met de karavaanhandel, hadden ze ook te eten. Het is niet bekend of Mohammed het aandurfde om ook zelf weer aan de karavaanreizen deel te nemen, tussen de knarsetandende Umayyaden en andere doodsvijanden. Uit het stilzwijgen van de overgeleverde verhalen hierover kan men ook afleiden dat hij zich aan een zelfopgelegd huisarrest heeft gehouden.

Waar waren zijn lijfwachten Ali en Hamza trouwens, waarom waren die niet mee naar Taïf geweest en hadden hem kunnen behoeden voor die steniging? Volgens mij waren alle Hashimieten en Muttalieten toen op karavaanreis: er moest immers weer brood op de plank.

 

Mohammed zat alleen thuis, met zijn dochters en zijn trouwe Zaïd. Het moet voor de geloofsstichter een diep-deprimerende periode geweest zijn. Hij had de bankierstaak voor de arme Mekkanen die hij met Khadija altijd had gehad – ze waren een van de weinige betrouwbare mensen om hun spaargeld aan toe te vertrouwen – weer voortgezet. Het enige wat hem verder restte waren dromen. Een mooie droom was dat hij naar Jeruzalem vloog. Die droom heeft zo’n indruk op hem gemaakt dat daar ook een soera van gemaakt is in de Koran; maar met die onzin vul ik geen bladzij. Evengoed is op die droom de claim van de moslims gebaseerd dat Jeruzalem naast Mekka en Medina een hoofdplaats van de Islam is. Met alle nare nasleep van dien, vooral voor de dag van vandaag, met de strijd om de Tempelberg.

  1. De delegatie uit Yathrib

In de uitzichtloze stilstand begon in datzelfde jaar 620 één lichtpuntje van hoop op te gloeien. Er was een groepje van zes mannen uit Yathrib voor pelgrimage naar Mekka gekomen.

Yathrib was een oasestad 300 km ten noorden van Mekka waar het ook veel producten van betrok. Er smeulde daar al een paar eeuwen lang een vete tussen twee stammen waarbij andere stammen partij waren; een vete die vaak tot uitbarstingen hadden geleid maar die recentelijk in een soort ‘burgeroorlog’ was ontaard.

Het groepje bestond uit wijze mannen die hadden getracht te bemiddelen tussen de partijen om weer tot vrede te komen. Ze hadden bij geruchte van Mohammed gehoord, en misschien was diens methode wel een oplossing voor Yathribs moeilijkheden.

Het groepje wist een bijeenkomst met hem te organiseren, ergens op een veilige plek buiten de stad, op een heuvel, Al-Aqaba geheten. En Mohammed legde hen zijn idee voor het Eenheidsgeloof in de Heer der Hemelen Allah uit.

Dat was voor de delegatie een nogal een ‘revolutionaire’ oplossing. Maar onkundig van het succes ervan bij de Banu Hanifa waren ze ook niet. Dus ze namen het idee mee haar huis en beloofden hem bij hun volgende pelgrimage op de hoogte te brengen van hun besprekingen.

 

Het jaar erop kwamen ze met twaalf man sterk terug, waaronder twee vrouwen. De groep liet zich nu uitvoerig door hem onderrichten, weer op de Al-Aqaba-heuvel, en tot slot verklaarden ze voortaan als moslims door het leven te willen gaan. Hun plechtige geloofsbelofte draagt in de teksten de naam “De Verklaring van Al-Aqaba”.

De nieuwe aanhangers verzochten Mohammed om hen iemand van zijn moslims mee te geven zodat die de leer verder zou kunnen onderwijzen. Mohammed vond zijn oom Mas’ab ibn Umayr hiertoe bereid.

Mohammed kreeg hoop. Misschien kwam er toch nog schot in zijn onderneming.

 

Het jaar erop, in 622, kwamen ze met 75 man sterk op pelgrimage. En weer werd op de Aqaba een ontmoeting belegd. Alle 75 legden de geloofsbelofte af en gaven te kennen dat ze Mohammed graag zouden verwelkomen in Yathrib.

Dat laatste zou een uitkomst zijn, niet alleen voor hem maar voor alle Mekkaanse moslims, personae non gratae in hun stad.

En inderdaad trokken vele hunner, zo onopvallend mogelijk en dus in kleine groepjes, naar Yathrib. Mohammed zelf werd te zeer in de gaten gehouden; die durfde de vlucht nog niet aan.

 

De Mekkaanse tegenstanders begonnen nu te vrezen dat de beweging daar in Yathrib dusdanig in kracht zou kunnen winnen dat ze er alsnog door zouden worden overrompeld. Abu Jahl betoogde dat, als ze dit wilden voorkomen, ze nu korte metten dienden te maken met Mohammed, nu die zich nog in hun stad bevond. En ze beraamden een moordaanslag. Om weerwraak door de Hashim- en Muttalib-clans te bemoeilijken besloten ze om de knokploeg te laten bestaan uit leden van zoveel mogelijk clans, en dan als één groep de overval op Mohammeds huis uit te voeren, zodat geen clan in het bijzonder er op zou kunnen worden aangesproken. De overval werd afgesproken voor over twee dagen al, bij het ochtendkrieken van die dag.

Zo’n grote groep samenzweerders: natuurlijk kregen Mohammed en zijn Vrienden hier lucht van.

 

Ook Abu Bakr had door de Yathrib-delegatie weer hoop gekregen dat Mohammed’s project alsnog zou kunnen slagen. Onmiddellijk actie was nu echter geboden. Abu Bakr organiseerde de vlucht. Ze zouden eerst samen een paar dagen schuilen in een grotje dat tot zijn grondbezit behoorde. Zodra de kust veilig was zouden ze van daar uit langs een omweg naar Yathrib reizen. Mohammed moest zijn eigen ontsnapping naar de afgesproken plek bewerkstelligen.

 

Ali was voor Mohammed de man – nou ja, hij was toen net 21 jaar. Mohammed belastte hem met de teruggave van de spaargelden aan de eigenaars. En die avond moest Ali in Mohammeds bed gaan liggen, onder Mohammeds groene mantel, zodat de aanvallers hem door het raam zouden kunnen zien liggen.

Zodra het duister gevallen was, sloop Mohammed via de tuin zijn huis uit. Naar het schuilgrotje van Abu Bakr in de bergen. Dat lag niet langs de weg naar Yathrib, maar juist in tegenovergestelde richting: naar de kust. Het was een piepklein grotje, op het terrein waar Abu Bakr schapen liet hoeden. Abu Bakr wachtte hem daar op met een voorraadje water en dadels zodat ze het er een paar dagen zouden kunnen uithouden, tot de vijanden het zoeken naar hen zouden hebben opgegeven.

 

Bij het ochtendkrieken troffen de aanvallers Ali aan in Mohammeds bed. Die wist natuurlijk van niks. De aanvallers verspilden gelukkig weinig tijd om hem aan de tand te voelen. Ze doorzochten haastig het hele huis, troffen sporen aan in de tuin en gingen als de bliksem achter de vluchteling aan nu die nog niet ver gekomen kon zijn … op de weg naar Yathrib.

 

Mohammed en Abu Bakr hielden zich drie dagen schuil in het grotje. Op de vierde dag verscheen Abdullah, Bakr’s zoon, met twee gedrenkte en weldoorvoede kamelen. Hij meldde dat de aanvallers hun pogingen om Mohammed te pakken te krijgen, schenen te hebben opgegeven.

 

De beide vluchtelingen namen geen enkel risico. Ze kozen een enorme omweg, langs de kust omhoog, om uiteindelijk, na anderhalve week, in Quba, dichtbij Yathrib, onderdak te nemen in het huis van een bekeerde tuinder. Daar wachtten ze op Ali.

Mohammed was dolblij toen die in goede gezondheid zich weer bij hem voegde. Ali had de cliënten al hun bij Mohammed in bewaring gegeven geld en juwelen met bijbehorende papieren terug weten te bezorgen. Hij was in gezelschap van Suhaib bin Sinan, die al zijn bezittingen aan de aanvallers had moeten afgeven als onderpand voor hun vertrek. Ali ook natuurlijk, maar die had vrijwel niets. Hij had echter wel Mohammeds groene mantel weten te redden.

 

Eén der tekstschrijvers heeft berekend dat Ali’s aankomst moet hebben plaatsgevonden op maandag 20 september 622. De teksten bevatten voor het merendeel vroom gefemel, maar intussen proberen ze de gebeurtenissen toch zo mogelijk dag voor dag te reconstrueren. Kijk, dat kan ik waarderen.

 

De daaropvolgende vrijdag vertrok Mohammed uit Quba en reed Yathrib binnen (dat door de moslims zou worden omgedoopt tot Medina (= stad) van de profeet).

Voor de tekstschrijvers is dit zo’n belangrijke datum, dat ze met Mohammeds aankomst in Yathrib een eigen Islamitische jaartelling laten beginnen. Nou ja, gewoon er 622 jaar bij optellen dus. Het is inderdaad zo dat de overgeleverde ‘ingevingen’ van Mohammed vanaf nu een strijdlustiger en grimmiger karakter gaan krijgen.

  1. Yatrib (Medina)

Zoals de meeste vruchtbare plekken op het kurkdroge schiereiland was Yathrib gevormd doordat oude lava-uitvloeiingen het water van de winterse stortregens die elders via woest stromende wadi’s doodlopen in het zand, daar worden opgevangen in lavabekkens. Net als Taïf was Yathrib een landbouw- en industriestad. Het beschikte over een heus meer dat elk jaar in de regentijd volliep en zelden geheel droog viel.

Yathrib was, behalve een veel oudere, ook een veel grotere en rijkere stad dan Mekka. Onder de Bedoeïenen stond Yathrib echter bekend als een ongezond oord: ‘yathrib’ betekent zoiets als ‘mensen-eter’. Het is niet voor niks dat Abdul Muttalib’s zoon Abdullah daar ziek geworden is en vroegtijdig overleed; oké, hij zal misschien ook iets anders onder de leden gehad hebben.

Voor de inwoners zelf was het echter een prima plek, zeker vergeleken met de omringende schroeiend-hete dorre woestijn. De stad besloeg een oppervlak van zo’n dertig bij twintig kilometer, waarbinnen behalve een centrale marktplaats met een aantal handels- en gemeenschapsbouwsels, 72 woonwijken van de verschillende stammen, clans en families zich bevonden. Elke stam voorzien van een burcht waarbinnen de stamleden zich konden verschansen bij acuut gevaar.

Een burcht? Ja, je moet bedenken dat er in het Bedoeïenen-schiereiland geen centrale overheid bestond. Elke familie en clan moest voor zijn eigen veiligheid zorgen. Behalve dat Bedoeïenen er een sport van maakten om rooftochten (ghazwa’s)
te plegen op alles waar wat te halen was, waren binnen de nederzettingen zelf, gezien ook de veelvoorkomende dronkenschap, grootsprakerigheid en korte lontjes, gevechten en vijandschappen aan de orde van de dag. De enige rem op het doden van een ander was de zekerheid van weerwraak; op jou dan wel op iemand anders van je familie.

Bij de oases hoorden dadelpalmplantages en tuinderijen. In de stad bevonden zich smederijen en andere nijverheid. Daarnaast zorgden de vele huishoudelijke kookvuren voor rook. Riolering kenden ze ook niet, en mensen en vee zorgen voor veel stank, maar daar wen je aan. Voor Bedoeïenen die altijd in puur-zuivere lucht leven, was een stad niet om uit te houden. De rijkeren besteedden hun borelingen uit aan een min buiten de stad zodat de baby in gezonde lucht zou opgroeien. Toen Mohammed en zijn volgelingen in Yathrib arriveerden, werden velen hunner, nog niet gewend aan de luchtverontreiniging van Yathrib, ziek.

 

De landbouw en de nijverheid van Yathrib was vooral het werk van de drie Joodse stammen die daar al zo’n vijf eeuwen lang woonden. Toen in het jaar 70 Jeruzalem de Romeinen een einde maakten aan de eindeloze opstanden van de Joden tegen hun gezag en ze uit Palestina verdreven, waren ook in deze oase drie joodse stammen neergestreken om er landbouw te gaan bedrijven. Het waren de Quainuqa, de Nadir en de Qurayza.

Dat was het begin geweest van Yathrib als stad, waar het voordien niet meer dan een karavaan-drenkstation was geweest.

Na de val van de Maribdam in 650 hadden er zich ook twee Arabische stammen gevestigd, de Aws en de Khazraj. Die namen er, als trotse Arabieren, de macht over. Maar doordat ze van landbouw de ballen verstand hadden, zich aan dronkenschap en dobbelen te buiten gingen en voornamelijk met elkaar aan het vechten waren, duurde het niet lang voordat de nijvere en spaarzame Joden de economische touwtjes weer in handen hadden. De Arabieren waren allianties met de Joodse stammen aangegaan: de Aws met de Qurayza en de Nadir, de Khazray met de Qaynuqa.

 

Bij de komst van de moslims in 622 waren de Joden tuinders, kooplui, geldleners, grondbezitters en industriëlen, en vormden de bezittende klasse. De Arabieren waren veelal verarmde boeren, in het krijt staande bij de Joodse geldschieters met hun woekerrentes.

Niet lang daarvoor waren de beide Arabische stammen in regelrechte burgeroorlog met elkaar geraakt waarbij de geallieerde Joodse stammen zich eveneens hadden moeten weren. Het was een onleefbare toestand geworden, en dat was de aanleiding geweest voor de delegatie naar Mohammed, de hopelijke vredestichter.

 

Mohammed nam zijn taak als vredestichter onmiddellijk ter hand. Hij liet een Verdrag op schrift stellen. Het bevatte 47 punten. De belangrijkste ervan:

  • Arabieren, Joden en Moslims zijn gelijk in rechten
  • Elke geloofsgroep laat elke andere in zijn waarde en met rust
  • Elke ruzie tussen partijen moet aan Mohammed gemeld worden
  • Bij een aanval op Yathrib dienen Joden, Arabieren en Moslims samen te verdedigen
  • Moslims trekken nimmer tegen moslims ten strijde ten behoeve van niet-moslims.

 

Dit Verdrag liet hij door de hoofden van alle families en stammen ondertekenen.

En het heeft inderdaad gewerkt: het was afgelopen met de onderlinge vetes. Al was het maar doordat de Arabische boeren zich al tamelijk massaal tot de islam bekeerd hadden of zich nu alsnog bekeerden.

De Joden deden dat nauwelijks: die hadden al hun Eenheidsgod, Jahweh. De Joden beschouwden hun geloof als verre superieur aan het amateuristisch opgezette geloof van Mohammed.

Ik heb overigens nergens in de bronnen horen reppen over een sjoel in Medina; maar dat komt misschien doordat Mohammed de Joden weldra uit Medina zou verdrijven zoals we gaan zien. Die sjoel moet er zeker geweest zijn, want de Joden hadden er rabbi’s. Het moet ook een mooie geweest zijn, want de Joden waren rijk. Ik durf te wedden dat, toen de moslims de Joden allemaal uit Medina verdreven hadden, ze deze mooie Sjoel tot moskee verbouwd hebben en feestelijk in gebruik hebben genomen in plaats van hun eigen armoeiige bouwsel. Maar geen woord er over in de vertellingen.

 

Er woonde ook een klein aantal Christenen in Yathrib. Wat Mohammed in hun religie vooral tegenstond was dat zij Allah in drie personen aanbaden. De Heer der Hemelen was gewoon één Persoon, dat was toch duidelijk zat? Nee, het meeste had hij toch te leren van de Joodse rabbi’s voor wie Allah ook één Persoon was.

En er was één rabbi, die van de Banu Qaynuqa, die hem bijzonder genegen was (en die uiteindelijk ook moslim zou worden): Al-Husayn. Zeer gerespecteerd in Yathrib, vanwege zijn vroomheid en goede gedrag: dagelijks bidden, lesgeven en preken in de sjoel (synagoge); gevolgd door enkele uren in zijn boomgaard, geduldig bezig met snoeien en bestuiven van zijn dadelpalmen; en de avonden bestedend aan de bestudering van de Torah.

Dat laatste had hem tot de overtuiging gebracht dat er een profeet op komst was.

Toen Mohammed de stad was binnengekomen, zat hij juist boven in een dadelpalm; zijn tante, in wier huis hij woonde, kwam hem het nieuws melden. En meteen riep hij, dat dan de door God gezonden profeet was aangekomen.

Welnu, bij deze rabbi zou Mohammed in de komende paar jaar heel vaak zijn licht opsteken in Bijbelse vraagstukken; zoals hij dat in Mekka bij de christenslaaf Jaber had gedaan.

 

Een andere gerespecteerde leider in Yathrib was Ibn Ubayy van de Arabische Khazraj-stam . Ibn Ubayy had nooit mee willen doen met de gevechten en had steeds voor vreedzame onderhandelingen gepleit. Hij heeft waarschijnlijk geen deel uitgemaakt van de oorspronkelijke delegaties naar Mohammed in Mekka, want hij is nooit echt moslim geworden. Hoe het ook zij, Ubayy’s rol als bemiddelaar werd nu door Mohammed overgenomen.

Hoewel Ibn Ubay zich met de mond tot de islam beleed, bleef hij nog jarenlang halfslachtig in zijn keuze. We zullen verderop in het verhaal nog veel van hem horen. Zijn zoon Abd-Allah echter werd wel fervent moslim, en is zelfs bereid geweest zijn vader te doden als Mohammed daarmee had ingestemd. Daar heb je al het eerste geloofsfanatisme, waar vooral ansar (‘helpers’: bekeerde Arabische, dus niet-Joodse en niet-Mekkaanse, bewoners van Yathrib) zich toe zouden laten verleiden.

 

Veel Arabieren van Yathrib hadden al vóór Mohammeds komst naar hun stad gekozen voor diens leer, hadden onderricht ontvangen van Mas’ab ibn Umayr, een oom van de Profeet, en ze beschouwden zich als moslims. Mohammed zou deze niet-Mekkaanse niet-joodse Arabieren (‘wilde stammen’) gaan beschouwen als zijn ansar (helpers). Hij zou er inderdaad meer steun van ondervinden dan van zijn Vrienden en de overige muhajireen (de Mekkaanse immigranten in Medina) . Later zou blijken dat het succes van Mohammed’s Islam-project behalve aan de Mekkaanse Vrienden ook heel erg aan de ansar te danken is geweest.

Mohammed heeft nooit tussen deze twee partijen kunnen kiezen: het uiteindelijke welslagen van zijn project was immers aan beide partijen te danken.

  1. De Ansar en de Muhajireen

De ansar hadden vol ongeduld uitgezien naar Mohammeds komst. Toen die op 20 september 622 arriveerde, zongen kinderen hem toe vanaf de daken: Mohammed’s oom Mas’ab had goed zijn best gedaan. Mohammed was ontroerd. Hij wist al wel dat hij daar welkom zou zijn, maar zo’n feestelijke entree had hij niet durven verwachten.

Hij nam zijn intrek bij Abu Jajjub. Die was van de clan waar zijn moeder Amina van afkomstig was, en ook de moeder van grootvader Abdul Muttalib.

 

Tegenoven Jajjub’s huis lag een braak liggend lapje grond. Dat was van twee wezen. Mohammed wilde het graag kopen. De wezen wilden het graag schenken. Maar Mohammed stond er op om het te kopen, en Aboe Bakr trok de portemonnee weer.

Mohammed liet er een moskee bouwen. Een uiterst goedkoop bouwsel van tichelstenen en palmhout, met een dak van palmbladeren. Maar het was wel mooi met de kop naar het noorden gebouwd, richting Jeruzalem.

Links en rechts ervan liet hij twee appartementjes bouwen, met een doorgang naar de moskee, afgeschermd met een deken. Het ene was voor Sawda, een weduwe, ouder dan Mohammed, maar zijn trouwe huishoudster en een tweede moeder voor zijn opgroeiende dochters. Het andere appartementje was voor Aisha, de dochter van Abu Bakr. Want Mohammed was na Khadija’s overlijden hertrouwd, nu met twee vrouwen. Hij sliep om beurten bij elk van hen.

Sliep bij Aisja? Hij was nu 52, en Aisha pas 9 jaar!

Dat was bij Arabieren geen bezwaar. Vrouwen hadden niet veel te vertellen in die mannenmaatschappij. Al deden ze dat heus wel, vooral als ze haar op de tanden hadden, daar zullen we voorbeelden genoeg van zien. Aisha zou zich ook ontpoppen als geen vogeltje voor de poes. Ze werd door haar vader op handen gedragen en datzelfde deed Mohammed. Het is tekenend voor het vertrouwen dat de rijke Abu Bakr had in de politieke potentie van Mohammeds Islam-project: dat hij zijn oogappel schonk aan deze kandidaat. Voor Mohammed was het ‘t ultieme middel om de rijke en dus onmisbare kledingkoopman Abu Bakr aan zich te binden.

Trouwens, dat ‘consumeren’ van de 9 of 10-jarige Aisha mag ook niet al te serieus genomen worden: ze is nooit zwanger geweest, in elk geval is ze nooit moeder geworden. En dat dit niet aan Mohammed’s vruchtbaarheid lag, bleek toen hij later een Grieks-orthodox slavinnetje cadeau gekregen had. Daar bleek hij zeer aan verslingerd te raken en die baarde hem, tot grote woede van vooral Aisha, een zoontje! Maar dat komt nog ter sprake.

 

Tekenend voor de wijdlopigheid en gedetailleerdheid van de teksten is dat er een bladzij of twee besteed is aan een man die hielp bij het bouwen van deze onderkomens. Een zweterig karwei dat je kleren bevuilde en waar Uthman, de latere kalief, zich te fijngebouwd voor vond. Uthman was net teruggekeerd uit Abessinië, met de rest van de 13 jaar tevoren uitgeweken moslims, die zich nu ook kwamen vestigen in Medina (de naam die moslims gaven aan Yathrib). De helpende man moet een opmerking hebben gemaakt tegen de verwaande Uthman, en die liet zich dreigend uit tegen de man. Mohammed nam de man in bescherming en verleende hem ook later gunsten, vanwege diens inzet bij het bouwen van de eerste moskee. Dit zette wrok bij Uthman, en toen die vele jaren later de derde kalief (opvolger van Mohammed) was geworden, nam hij alsnog wraak. Een echte Arabier gebleven dus, die Uthman. Trouwens een belabberde kalief, en hij zou ook akelig aan zijn einde komen. Voor de Soennieten geldt hij evengoed als één van de Rechtgeleide Kaliefen. Dat zegt dus vooral veel over het Soennitisme.

 

Het werd een behoorlijk talrijke moslimgemeenschap, daar in Yathrib. Een van de verplichtingen waar een moslim zich aan diende te houden was: vijf maal daags bidden tot Allah. Dat was de belangrijkste vondst die hanif Zayyeed aan Mohammed aan de hand gedaan had. Hoe disciplineer je een vrijgevochten Bedoeïen in de dienst van Allah? Door hem vijf keer per dag te laten bidden. Vooraf gegaan met een wassing, ja?

Daar werd nu in Yathrib streng de hand aan gehouden. Waar ze ook mee doende waren, ze hadden het werk in de steek te laten, zich te wassen en zich naar de moskee te spoeden. Maar .. op welke tijden? Vaste tijden. Ja, maar .. hoe kon je die weten? Sommige moslims stelden een trompetgeschal voor, andere een flinke bel. Maar Mohammed vond dat of te joods of te christelijk. Iemand opperde toen: gewoon iemand met een harde stem. En zo werd Bilal, de ex-slaaf die door Abu Bakr was vrij gekocht om hem uit zijn martelende positie te bevrijden en die over een geweldig stemgeluid beschikte, de eerste muezzin (oproeper tot het gebed). Die zocht al gauw een verhoog: dat draagt verder. En het duurde niet lang of er werd een houten torentje voor hem gebouwd bij de moskee: de eerste minaret. Die oproep tot gebed is misschien wel het krachtigste middel om moslims zich gelovigen te laten voelen. Het klokgelui was dat voor de kerk; het avondlijke Angelus-gelui besloot de werkdag van de simpele landman; hij nam de pet van zijn bezwete kop en bad, leunend op zijn schop. Gelovige. Uit volledig vrije wil en overtuiging. Er zich goed bij voelend en vol vertrouwen.

 

De uit Mekka afkomstige moslims beschouwden zichzelf als de betere en beschaafdere moslims. Als groep werden ze als muhajireen (immigranten) aangeduid. Mohammed noemde de autochtone moslims zijn ansar (helpers). De ansar waren vrijwel allemaal armoedzaaiers, afhankelijk van geldleningen en dus uitgezogen door de joodse woekeraars. Er was maar één bruidstoilet in Yathrib en dat moest gehuurd worden bij de joodse eigenaar.

Maar de muhajireen waren zo mogelijk nog armer, doordat ze al hun bezittingen in Mekka hadden moeten achterlaten bij hun vlucht. Zoals dat ook Suhaib was overkomen toen hij Ali vergezelde. Boeren of tuinbouwen was hen onbekend, ongeschoolde arbeid op de velden en in de tuinen (houthakken, huiden vol water sjouwen op hun rug) leverde een handvol dadels op om te eten. De oersterke Ali verdiende per dag zestien dadels voor een hele dag sjouwen met water op een ticheldrogerij. Die dadels moest hij delen met de profeet en diens vrouwen. Het was echt overleven op het randje van verhongering.

Mohammed vond een oplossing door elke muhajireen te koppelen aan een ansar, als ‘broers’.

Zichzelf koppelde hij aan Ali, er kennelijk op vertrouwend dat hij als Profeet aandacht genoeg zou krijgen om niet te zullen verhongeren met zijn familie. Mohammed was sowieso van de uiterste soberheid, altijd al. Zelfs in zijn rijke tijd met Khadija was hij sober gebleven. Die mooie groene mantel uit Yemen was echt een uitzondering. Besefte hij toen al dat, om geloofwaardig over te komen, ook je uiterlijke verschijningsvorm er toe doet?

 

De ansar waren onmisbaar voor de fysieke overleving van de Islam. Niet alleen is het aan hen te danken dat de Mekkaanse muhajireen niet verhongerden. De ansar zouden weldra ook de grootste bijdragen leveren in de veldslagen met de Mekkaanse tegenstanders.

Desondanks keken de muhajireen op de ansar neer en voelden zich (althans de voormalige rijken onder hen) als verwende stadsen, tegenover die boerse Yathrib-moslims.

De (Mekkaanse) muhajireen zouden later blijken vooral geïnteresseerd zijn in macht en rijkdom. Terwijl de ansar toch meer spiritueel toegewijd waren aan hun nieuwe geloof, en in die zin meer getrouwe en zelfs fanatiekere volgelingen van Mohammeds ideologie.

Ali sympathiseerde met de ansar, zij het niet met hun fanatisme. Maar hier vertoonde zich al de kiem van de latere splitsing.

  1. de Slag bij Badr, maart 624

Mohammed deed ‘s nachts vaak geen oog dicht, zo ongerust was hij over de vijandschap van de Mekkanen. Hij liet elke nacht een paar mensen de wacht houden buiten Yathrib.

Zijn vrees was niet ongegrond. Het was in Mekka vooral Abu Jahl die de Mekkanen opjutte tegen de moslims en hen voor ogen hield dat, als Mohammed zou slagen in diens opzet om de 360 stamgoden uit de Ka’aba te verwijderen, dit het einde zou betekenen van de pelgrimages en dus van de inkomsten voor de Mekkanen.

Abu Jahl voerde ook knokploegen aan en pleegde overvallen op de plantages buiten Yathrib.

 

De vroeger rijke muhajireen van hun kant hadden geen vrede met het kwijtgeraakt zijn van hun bezittingen aan hun vijanden, en drongen er bij Mohammed op aan om de Mekkanen terug te pakken door hun karavanen te overvallen.

Nou was dit iets wat regelrecht tegen de opzet van het nieuwe geloof in de Arabische Eenheidsgod indruiste! Maar zie, een nieuw van Boven aan Mohammed ingegeven recitaat bracht uitkomst: in deze situatie was een ghazwa (overval, raid) geoorloofd.

De eerste ghazwa plande Mohammed voor de oase Waddan waar hij een karavaan van de Mekkanen verwachtte. Daar aangekomen bleek de karavaan er echter al vertrokken te zijn. Jammer, mis.

Later in dat jaar (623) stuurde hij zeven man op verkenning uit naar de Nakhla-oase, waar een kleine karavaan op de terugweg naar Mekka zou bivakkeren. En nu hadden ze meer geluk. Het kostte één Mekkaan het leven, twee anderen werden gevangen genomen en met de buit terug gevoerd naar Yathrib. De ene Mekkaan bekeerde zich en voegde zich bij Mohammed, de andere werd tegen losgeld vrij gelaten.

Dit gaf de moslims moed. Voor Abu Jahl was het genoeg om de Mekkanen in staat van paraatheid te krijgen.

Het jaar erop (maart 624) verwachtte Mohammed de grote karavaan op terugreis van Syrië, en besloot die te overvallen bij de oase Badr. Zijn verspieders hadden gemeld dat die karavaan vooral wapens en geld vervoerde, bestemd voor een grote aanval op Yathrib.

Maar Abu Jahl’s verspieders brachten deze op de hoogte van Mohammed’s voorgenomen ghazwa op die karavaan,
en hij stuurde een ijlbode vooruit naar de leider ervan. Die verlegde de route, Badr mijdend. Abu Jahl rustte te zelver tijd een groot leger uit, van bijna duizend man, 700 kamelen en 100 paarden.

Een overmacht tegen het legertje van Mohammed dat maar 313 manschappen telde (80 muhajireen en 233 ansar), 70 kamelen en 2 paarden. Terwijl bovendien Mohammed nog steeds rekende op een rijkbeladen karavaan, en geen vermoeden had dat ze tegenover een legermacht zouden komen te staan.

Bij het naderen van de oase stuurde Mohammed een paar verspieders, waaronder Ali. Die betrapten drie waterdragers. Een ervan wist te ontsnappen maar van de twee andere kregen ze los wat voor legermacht hen daar opwachtte.

Na beraad met zijn mannen besloot Mohammed toch de strijd aan te gaan. Op aanwijzing van één der ansar,
bekend met de situatie ter plekke, wist Mohammed een voor zijn kleine strijdmacht gunstige stelling te betrekken.

 

De volgende dag kwamen de legers in slagorde tegenover elkaar te staan.

Zoals gebruikelijk lieten beide kampen eerst enkele kampioenen tegen elkaar in het veld treden. Dat gaf bepaalde vechtersbazen de gelegenheid zich te onderscheiden; de uitkomst ervan had overigens weinig invloed op het krijgsverloop, hooguit op het moreel. Oorlog was voor Arabieren zoiets als de voetbalderby’s vandaag, en zo deden ze dat al eeuwen lang.

Hamza, Ali en Obaida (een neef van Mohammed en Ali) traden in het krijt tegen drie Mekkaanse kampioenen.

Ali en Hamza versloegen hun tegenstanders. Obaida legde het af tegen de zijne, maar deze werd alsnog door Ali gedood. Hierna begonnen de beide legers hun man tegen man gevecht, waarbij Hamza en Ali dusdanig tekeer gingen dat de minder gemotiveerde tegenstander terug begon te wijken. En toen Abu Jahl, hun aanvoerder, sneuvelde, hield de rest het voor gezien.

 

De moslims hadden hun eerste grote slag gewonnen. Ze hadden veertien gesneuvelden, en de Mekkanen meer dan zestig. Het merendeel daarvan waren aanvoerders, waaronder Abu Jahl, en enkele familiehoofden van de Umayyade-clan.

De moslims maakten behoorlijk wat kamelen buit, en wapens, waaronder een beroemd tweepuntig zwaard, Dhu’l-Fiqar geheten. Daarmee zou Mohammed voortaan zijn kampioenen uitrusten (meestal Ali dus), en na zijn overlijden zou Ali het zwaard erven.

 

Afbeelding van het tweepuntige zwaard waarmee Ali het project van Mohammed ettelijke malen voor de ondergang heeft behoed. De tekening is echter gebrekkig. Heel belangrijk bij Ali’s overwinningen was zijn bijzondere schild. En er was maar één Dhu’l-Fiqar.

 

Ze hadden ook nog vijftig krijgsgevangenen gemaakt. Wat moesten ze daarmee? De impulsieve Omar vond: executeren. Maar koopman Abu Bakr zei: vrijlaten tegen losgeld.

Besloten werd, ze individueel onder te brengen bij de muhajireen. Hoewel die zelf nauwelijks te eten hadden, deelden ze het weinige toch met hun gast.

Van de rijken werd inderdaad losgeld verkregen. Enkele jongere Mekkanen die lezen en schrijven konden, verdienden hun vrijlating door les te geven aan de moslimkinderen. Eén hunner werd Mohammeds secretaris, bij het op schrift stellen van de recitaten. Overige gevangenen die zich niet wensten te bekeren en van wie niets af te persen viel, werden gewoon maar naar huis gestuurd: armen waren er in Medina al genoeg.

 

Onder de gevangenen waren ook Al-Nadr en Uqba geweest, waarover in par. 9 sprake is geweest. Mohammed had zoveel peentjes gezweet onder de intelligente verbale aanvallen van met name Al-Nadr dat hij voor hen geen genade kende. Ze werden door Ali ter plekke onthoofd.

In Mekka had Mohammed de gerechtigheid nog aan Allah ten uitvoer gelaten, maar nu hij in Medina macht gekregen had, speelde hij zelf voor rechter. Misschien was machtsvertoon wel een even belangrijk motief als wraakzucht.

 

De moslims hadden na hun overwinning bij Badr hun positie in Yathrib behoorlijk verstevigd. Mohammed liet nu alle partijen, vooral ook de Joodse stammen, een Verdrag ondertekenen, dat onder meer een handelsboycot met Mekka inhield, en een belofte van gezamenlijke verdediging van Medina tegen aanvallers van buiten.

  1. De moslims en de Joden

Een andere gebeurtenis in 624 was het huwelijk van Ali met Mohammeds oogappel: zijn jongste dochter Fatima. Het werd een indrukwekkende plechtigheid, die veel navolging zou krijgen.

Wat ook nog van dit jaar 624 vermelding verdient is, dat Mohammed de gebedsrichting in zijn moskee liet veranderen. Niet langer richting Jeruzalem, maar richting Mekka. Waarom dat dan?

 

De Joden waren Mohammed aanvankelijk vriendelijk gezind geweest, en zagen met welgevallen dat hij in zijn gebedshuis richting Jeruzalem liet bidden. Ze beschouwden zijn leer als een amateuristisch na-apen van het Joodse geloof – wat het ook was: inhoudelijk had het niets eigens, op de naam Allah na – en probeerden hem dus het ware Judaïsme, een immers al duizend jaar beproefd recept, bij te brengen.

Mohammed had inderdaad aanvankelijk veel respect voor de Joodse Thora en leerde van rabbi al-Husayn veel over Abraham en de lotgevallen van de Joodse stammen. Maar wat betreft de Joodse wetten begon hij toch steeds ernstiger vragen te stellen aangaande de woekerrentes, aan de ansar berekend, welke door de rabbi’s werden goedgekeurd. Hoe konden die dit rijmen met hun Heilige Boek?

Bovendien had hij van hanif Zayyeed genoeg geleerd om het nieuwe geloof niet als Joods te willen laten bestempelen. Hanif Zayyeeds leer was gericht geweest op een zuiver Arabische Allah, niet op een joodse of een christelijke. Vanwege de politieke consequenties.

Mohammed was bovendien ook weer begonnen met het verstrekken van renteloze leningen aan de ansar. Nu de Arabieren minder en minder bij Joden om leningen kwamen en hun bestaande leningen gingen afbouwen – de woekerrentes droegen in niet geringe mate bij aan de Joodse rijkdom – begonnen de laatsten zich aan Mohammed te ergeren en spotliederen op de moslimvrouwen te zingen.

De Joden waren ook niet zo gelukkig met de vrede die er nu was gekomen tussen de beide Arabische stammen; ze hadden altijd garen gesponnen bij verdeeldheid tussen de Arabieren. Nu deze als moslims (ansar) tot één vredige geloofsgemeenschap aan het samensmelten waren, beschaafder werden en tot meer welstand kwamen, waren de Joden niet langer de vanzelfsprekende heersende klasse van Medina.

 

Een en ander was voor Mohammed reden om zijn gesprekken met de overige rabbi’s te staken. Maar er was nog iets anders. Er ontstond een samenvloeiing van wat Mohammed had geleerd van Zayyeed en Waraqa, die dingen hadden opgestoken van hun leerbezoeken aan Harran om ideeën op te doen voor hun nieuwe Mekkaanse godsdienst, met wat de ansar er voor religieuze praktijken op na hielden.

Via Zayyeed had Mohammed al het vijf maal daags bidden, voorafgegaan door een wassing en gepaard met bepaalde gebedshoudingen ontleend aan de Harran- religie. Nabonidus had niet alleen Teima onder zijn gezag gebracht maar een veel groter gebied, en daar had ook Yathrib deel van uitgemaakt. Dus de Arabieren van Yathrib, de ansar, waren al bekend met dat vijf maal daags bidden en de vrijdag als vasten- en onthoudingsdag. Gebruiken die ook voor ons christendom niet vreemd zijn. Net zoals de vastentijd, en het daaraan voorafgaande carnaval. Komt de Ramadan soms ook van Nabonidus? Zeker is dat het met het gedrag van de maan te maken heeft. Eens per jaar, omstreeks maart, schijnt de maan lang uit te blijven. De mensen baden tot de maan om weer tevoorschijn te komen, en zetten hun smeekbeden kracht bij om zich gedurende die tijd overdag te onthouden van voedsel, water en seksueel contact. Vaak ook van mondelinge conversatie.

Maar ik dwaal af. Het gaat er hier om dat vasten al vóór het optreden van Mohammed een algemeen gebruik geworden in Arabië. De Joden zagen het gebruik als heidens en deden er dus niet aan mee. Op één vastendag na, Jom Kippoer. Zij zijn tenslotte ook een soort Arabieren, en de maan schijnt overal, en dus de Joden kenden vanouds het gebruik van een vastenmaan(d).

Mohammed nu kleedde zijn nieuwe geloof graag aan met gebruiken die niet strijdig waren met zijn geloof in één God (en dat is Allah, en Mohammed is zijn profeet). Dus werd de Ramadan één van zijn geloofspraktijken.

 

Terug naar Mohammed en de Joden van Yathrib. Hij was er klaar mee. Hij maakte zijn standpunt duidelijk door de quibla, de gebedsrichting in zijn moskee, om te keren, dus richting Mekka. Daarnaast bepaalde hij de vrijdag (de dag die ook voor de ansar al een heilige dag was, en toevallig ook de dag was geweest waarop hij zijn entree in Medina gemaakt had) als de wekelijkse rustdag voor de moslims. Te vieren met het voor allen verplichte vrijdaggebed. Dat was een klip en klare afstandname van de Joodse sabbatdag die op zaterdag was.

 

Vanaf nu had hij voor de Joden afgedaan. De eerste regelrechte aanvaring tussen de Joden en de moslims begon natuurlijk met een akkefietje. Een muhajireen-vrouw was op de markt een fraaie ketting aan het kopen bij een Joodse koopman van de Qaynuqa-clan. Deze bestond het om haar niet alleen haar hoofddoek te laten afdoen maar weldra ook haar kleed. Natuurlijk om de andere kooplui te laten zien hoe hij die domme moslima’s voor de gek kon houden. Toen haar broer haar zo ontbloot aantrof, sloeg hij de koopman dood. Dat werd door de overige Qaynuqa-marktlui natuurlijk niet gepikt. Ze omringden hem en hij bleef levenloos liggen op de grond, met zijn zus luid schreiend naast hem.

Voor Mohammed betekende het gebeuren een schending van het Verdrag door de Qaynuca-clan. Deze was toch al verdacht in zijn ogen, omdat ze, als befaamde goudsmeden, veelvuldig handel dreven met de Mekkanen. Hij stelde hen voor de keus om zich als stam tot de Islam te bekeren, of anders uit Yathrib te vertrekken.

De Qaynuqa trokken zich terug in hun burcht. Maar lang hielden ze een belegering daar niet uit en na een dag of tien gaven ze zich gewonnen. Ibn Ubayy, de gerespecteerde leider van de Khazraj, waarmee de Qaynuqa altijd geallieerd waren geweest, was nog bij Mohammed komen pleiten voor clementie; hij wees hem op het feit dat de Qaynuqa 700 strijdbare mannen telden, waarvan 400 met harnas, en dat de Mekkanen na hun nederlaag bij Badr zeker zouden terugkomen voor revanche.

Hij had zeker een punt. Maar Mohammed (die 400 harnassen spraken hem zeer aan) was onverbiddelijk. De Qaynuqa moesten vertrekken met achterlating van hun bezittingen en harnassen. Ze mochten alleen meenemen wat ze op hun kameel en zichzelf konden laden.

Enkele Qaynuqa, waaronder hun rabbi al-Husayn, verkozen te blijven en werden moslims. De overigen maakten er een trotse uittocht van, beladen met goud en schittering en onder trompetgeschal, getrommel en tamboerijnklanken.

Ze zouden zich aansluiten bij de Joodse kolonie in Wadi-al-Kura, benoorden Medina.

 

Voor de tot nu toe arme muharireen was wat er achterbleef aan harnassen, wapens, huizen, vee en dadelpalmplantages een zo grote rijkdom dat ze niet langer de hand bij de ansar hoefden op te houden en deze verlost werden van hen te onderhouden.

Mohammed eiste één vijfde van de buit op voor zichzelf. Daarmee kon hij zijn vrouwen onderhouden en de armsten ondersteunen.

 

De beide overgebleven Joodse stammen deden het gebeuren af als uitvloeisel van stammentwist; de Qaynuqa hadden tenslotte altijd tot hun tegenpartij behoord.

Maar bij sommigen zat het toenemende overwicht van de moslims in hun stad helemaal niet lekker. Een van de hoofden van de Banu Nadir, de flamboyante Ka’b ibn al-Ashraf, was de moslims openlijk vijandig gezind. Ka’b was ook een begaafd dichter, en hij begon nu spotliedjes tegen hen in omloop te brengen. Maar wat gevaarlijker was: hij handelde veelvuldig met de Mekkanen en spoorde de Quraysh aan om zich niet bij hun nederlaag neer te leggen. Niet alleen verzekerde hij hen dat de Joodse stammen zeker hun verbond met Mohammed zouden verbreken als de Mekkanen zouden aanvallen, maar dat ook de Ghatafan, een stam ten noorden van Medina, zich zeker bij hen zouden aansluiten.

 

Toen dit Mohammed ter ore kwam, bekloeg hij zich bij de ansar,
en vier hunner beloofden korte metten te maken met Ka’b, op voorwaarde dat ze dit op hun eigen manier zouden mogen doen.

Op een maannacht meldden ze zich bij de versterking van de Nadir en vroegen aan de wacht om Ka’b voor hen te roepen: ze hadden iets heel belangrijks met hem te bespreken. Toen die bij hen kwam, fluisterden ze dat ze met hem wilden samenzweren tegen Mohammed, maar dat ze dat op een plek wilden bespreken waar ze zeker niet afgeluisterd zouden kunnen worden. Daar aangekomen, trokken ze hun ponjaarden. Ka’b was op zijn hoede en verweerde zich uit alle macht. Maar tegen vier man kon hij niet op en hij bleef dood achter. De laffe moord zette kwaad bloed bij de Nadir. Maar weerwraak tegen de overmacht van muhajireen en ansar was geen optie.

  1. De slag bij Uhud, maart 625

De Mekkanen hadden bij Badr een zware slag toegebracht gekregen. Een aantal van hun leidende figuren, zoals Abu Jahl, Utbah, Shaiba, Walid Umayya bin Khalaf, Hanzala bin Abu Sufyan, waren gesneuveld. Abu Sufyan, het hoofd van de Umayya-clan, had nu het leiderschap van de Mekkanen. Hij was vastbesloten om de nederlaag uit te wissen uit de geschiedenis en het geheugen van zijn mensen. Om te beginnen verbood hij het gebruikelijke bewenen van de doden door de vrouwen. Vermoedelijk vooral op instigatie van zijn vrouw Hind.

Hind was een krachtige persoonlijkheid. Ware zij geen vrouw geweest dan was het zeker Hind geweest die het leiderschap van de Mekkanen had bekleed. In rabiate vijandschap tegen Mohammed en alles wat deze voorstond, evenaarde ze Abu Jalh en diens vrouw. Hind was een vrijgevochten vrouw, die zich door geen man iets liet gezeggen. Ze was de moeder van Moe’awija, die later zich van het kalifaat meester zou maken en de stichter van de Omajjaden-dynastie zou worden.

 

Toen Abu Sufyan van Ka’b had vernomen dat de Joodse stammen van Medina een aanval op Mohammed zouden verwelkomen en dat de Ghatafan zich bij hem zouden aansluiten als hij hen daarom zou vragen, besteedde hij een heel jaar om zijn wraaktocht voor te bereiden.

In maart 625 ging het enorme leger van drieduizend getrainde manschappen met veel bombarie op weg naar Yathrib. Of Medina, zoals de moslims hun bolwerk noemden: ‘Medina-tun-Nabi’, de stad van de profeet.

 

Merendeels voetvolk, maar ook een groot detachement cavalerie. Hind had ook haar aandeel geleverd, en zorgde voor een detachement vrouwen, getraind in oorlogsliederen en smaadliederen die de eigen manschappen moesten opjutten en vooral verhinderen dat die de strijd te snel zouden opgeven: lafaards hoefden niet meer op seks te rekenen. De vrouwen waren niet alleen bewapend met hun tamboerijnen, maar droegen ook ponjaarden.

 

Waren de vrouwen voor de psychologische ondersteuning, er werd ook gezorgd voor een religieuze. Beschouwden de moslims hun oorlog als ‘heilig, Abu Sufyan beschouwde de zijne als niet minder ‘heilig’. Het beeld van Hubal, zijn belangrijkste Arabische oorlogsgod, werd mee gevoerd in een howdah, een tentconstructie bovenop de dromedarisbult.

 

Mohammed was uiteraard op de hoogte van de oorlogsplannen van de Mekkanen. Maar hij was nu niet in paniek. Het succes van Badr had nieuwe aanhangers opgeleverd. De buit van de verjaagde Qaynuqa had vierhonderd harnassen en de nodige zwaarden opgeleverd. Hij had nu een legertje van 700 man bij elkaar. Het overgrote deel ervan waren weer ansar. Hij had weliswaar geen ruiterij maar die was misschien niet nodig voor een verdedigende wedstrijd.

Een belangrijke ansar-strijder was Abu Dujana. Bij Badr had hij al een behoorlijke bijdrage aan de overwinning van de moslims geleverd en ook nu rekende Mohammed weer zeer op hem. Hij trok zijn Dhu’l-Fiqar-zwaard en vroeg aan zijn strijders: Wie is bereid om dit zwaard van mij aan te nemen? Daar traden tal van gegadigden naar voren. Mohammed vervolgde: Maar wie van jullie kan het ons de overwinning laten bezorgen? En toen toonde Abu Dujana zich het zelfverzekerdst.

Even later had hij zich met zijn bekende rode tulband getooid, ten teken dat hij bereid was zich dood te vechten. Vervolgens begon hij met trotse passen te paraderen, waarbij hij fiere verzen declameerde. Een vertoon overigens waaraan een strijder als Ali zich nimmer te buiten zou wensen te laten gaan.

Maar bij de nu volgende wedstrijd zou Dujana zich inderdaad weer onderscheiden.

 

Mohammed had besloten om het niet op een belegering te laten aankomen – met het oog op de onbetrouwbare Joodse stammen binnen de stad – maar om de Mekkanen af te wachten bij de Uhud, een berg een paar kilometer benoorden Yathrib. Hij stelde zijn manschappen op met de rug naar de Uhud, zodat ze niet omsingeld konden worden. De rechterflank van zijn legertje was door een lava-uitloper beschut (zie schetsje verderop). Om de linkerflank te versterken liet hij zijn detachement van 50 boogschutters posteren hoog op de helling van de uitloper, en drukte hen op het hart dat ze pas omlaag mochten komen na afloop van het gevecht.

 

Zo ziet de berg Uhud, ten noorden van Medina, er uit

 

De Mekkanen stelden zich in slagorde op vóór de moslims.

Eerst moest het gebruikelijke man-tegen-man gevecht van de helden, in de lege ruimte tussen beide legers, plaatsvinden. We kennen dit van de Bijbel: het gevecht van Goliath tegen wie David in het krijt trad met z’n slinger. De ‘wilde stammen’ van het schiereiland deden dat nou eenmaal zo. Oorlog was voor de Bedoeïenen sport. En voetbal is nog steeds oorlog, vond Rinus Michels.

Het detachement vrouwen maakte enorm tumult met hun strijdliederen, geschreeuwde verwensingen naar de moslims en aanmoedigingen voor hun mannen. Hind danste geëxalteerd rond de kameel met het Hubalbeeld, en hief onvermoeibaar telkens een nieuw overwinningslied aan.

 

Voor de Mekkanen stapte de eerzuchtige Talha naar voren. Met vaandel: hij was tevens vaandeldrager. Talha daagde welke moslim dan ook uit voor een tweegevecht. Ali ging het aan.

Het kampioensgevecht duurde kort. Na een paar schermbewegingen – daar was Ali expert in – liet Talha zijn dekking even open en daar flitste Ali’s kromzwaard in de ochtendzon. Tot ontzetting van de Mekkanen rolde Talha’s hoofd over de grond en viel het vaandel in het stof. De opgekropte zenuwen van Mohammed ontlaadden zich in een uitzinnig “Allah-o-Akbar! Allah-o-Akbar!” en dat werd overgenomen door de 700 moslims.

Talha’s broer Uthman snelde nu toe. Maar nog voor hij de standaard had kunnen oppakken was Hamza toegesneld en die doodde Uthman. Nieuwe Mekkaanse helden traden toe, maar ondergingen hetzelfde lot.

 

Abu Sufyan had weinig zin om nog meer mensen te verliezen aan dit nutteloze vertoon en gaf orders om op te rukken voor het echte werk. De vrouwen hervatten hun stilgevallen aanmoedigingsgezang en hun tamboerijnen weerklonken opnieuw tegen de berghelling.

Ondanks getalsmatige overmacht en betere bewapening en harnassen maakten de Mekkanen weinig vorderingen. Het waren vooral Hamza en Ali die hun rangen steeds weer doorbraken en angst zaaiden. Ook de ansar Abu Dujana joeg hen behoorlijk schrik aan met het geduchte zwaard Dhu’l-Fiqar. Toen hij een tegenstander opmerkte die zich er op toe scheen te leggen om gewond neerliggende tegenstanders af te maken, daagde hij deze uit. Diens zwaardslag ving Dujana op met zijn schild waarin dat vast kwam te zitten; en nu deed Dhu’l-Fiqa zijn werk.

Hierna haastte Dujana zich naar een kameelruiter die uit alle macht de Mekkanen aan het aanvuren was. Tot zijn verbazing begon deze op zijn nadering, met dat gevreesde zwaard, te gillen van angst. Het was Hind. Maar een vrouw doden hoort natuurlijk niet.

Het drietal hakte zich een weg door de Mekkaanse gelederen, met vooral ansar in hun spoor. Ze zaaiden paniek en verwarring. De Mekkaanse slagorde begon te wankelen.

Nu had Hind een geheim wapen achter de hand: de slaaf Wahshi; een Ethiopiër. Die had als bijzonderheid dat hij meester was in het speerwerpen. Hij had van haar de speciale opdracht gekregen om Hamza te doden. Hamza had namelijk haar vader gedood bij Badr. Wahshi hoefde verder niet mee te vechten van haar, maar als hij Hamza zou weten te doden zou hij van haar de vrijheid krijgen.

Wahshi had een plek gevonden hogerop de helling van de Uhud, buiten het zicht van de boogschutters maar boven het krijgsgewoel, en wachtte daar zijn kans af. Die kwam toen Hamza zijn zoveelste Mekkaan buiten gevecht gesteld had. Hamza stond net even stil, op adem komend en uitkijkend naar een volgend slachtoffer. Daar kwam Wahshi’s speer aan gesuisd en doorboorde zijn maliënkolder. Hamza keek wie hem deze smerige streek geflikt had. Met de speer dwars door zijn lichaam kwam hij met woeste gebrul op Wahshi toe. Die maakte dat hij weg kwam, maar niet al te ver, vanwege zijn kostbare werpspies. Hoewel het te midden van het krijgsgewoel vrijwel niemand opviel, zakte Hamza weldra door zijn knieën. Pas toen diens laatste stuiptrekkingen stilgevallen waren, durfde Wahshi dichterbij te komen en zijn werpspies uit Hamza’s lichaam te trekken.

 

De kansen voor de Moslims keerden pas echt toen … de Mekkanen zich begonnen terug te trekken.

Want zodra de boogschutters op de helling dit in de gaten kregen, wensten ze daar niet langer blijven hangen: als je wilde delen in de buit moest je er als de kippen bij zijn.

Doof voor het geschreeuw van hun aanvoerder Abdullah ibn Jubayr verlieten de meesten hun post en snelden naar beneden.

Dit ontging Khalid bin al-Walid, de jonge aanvoerder van de Mekkaanse cavalerie, niet. Hij begreep onmiddellijk dat de linkerflank van de moslims nu ongedekt was. Hij voerde zijn manschappen om de berg heen en overmeesterde de weinige boogschutters die bij Abdullah waren achtergebleven; vervolgens viel hij de moslimgelederen van achter aan.

Door deze totaal onverwachte aanval van achter raakten die de kluts kwijt. De Mekkanen daarentegen vatten nu nieuwe moed en keerden zich met hun overmacht tegen de moslims. Waarvan velen nu de benen namen. Want vechten is leuk, en je kunt de pech hebben tegen een te sterke tegenstander op te lopen, maar de bedoeling blijft natuurlijk dat je het overleeft, dat je buit kunt graaien en dat je nog tegen je kleinzoons kunt opscheppen over je heldendaden. Als de kansen daartoe verkeken lijken maak je dat je weg komt. Grote aantallen doden vielen er bij de Bedoeïenen-‘wedstrijden’ doorgaans niet.

 

Mohammed had twee harnassen over elkaar aangetrokken en hield de standaard; zolang die overeind bleef was dit een bemoediging voor zijn strijders. Maar ook de Mekkanen wisten waar hun hoofdslachtoffer te vinden was en hakten zich hun weg er heen. Mohammed had al verscheidene wonden en werd nu vol op zijn wang geraakt, zodat ringetjes van de maliënhelm in zijn kaakbeen vast kwamen te zitten. Hij moest de standaard overgeven aan zijn oom Masaab ibn Umayr.

De toestand werd steeds nijpender. Massaab sneuvelde. Toen Ali de standaard zag vallen, snelde hij toe, raapte hem van de grond en vocht verder met de standaard in de linkerhand.

Nu wilde het geval dat Massaab en zijn neef Mohammed erg op elkaar leken. Eén der Mekkanen meende echt dat het Mohammed was die daar dood op het slagveld lag, en hij stiet een overwinningskreet uit: Mohammed is dood! Toen ook de moslims dit hoorden, achtten ze de strijd verloren. Velen, waaronder Abu Bakr en Uthman, zochten een goed heenkomen in de bergen.

 

Maar Mohammed was niet dood. Hij bevond zich op een andere plek, omringd door dappere ansar. Vooral Abu Dujana verdedigde het groepje met al zijn kracht. Weliswaar met het kromzwaard van Ali: dat had hij geruild tegen het wonderzwaard Dhu’j-Fiqar dat hem toch te zwaar was geworden. Wie zich daar ook weerde, was Umm Amarah Naseeba, een ansar vrouw. Ze had aanvankelijk alleen water aangedragen voor de strijders en hun wonden verzorgd, maar nu het groepje rond Mohammed lelijk in het nauw aan het raken was, had ze een schild bemachtigd en ving daarmee de pijlen op die nu door boogschutters op het groepje werden afgevuurd. Toen die pijlen gelukkig op raakten en de Mekkanen met zwaarden en speren naderden, wierp ze het schild weg en greep een zwaard. Ze vocht als een leeuwin. Toen een Mekkaan uithaalde naar Mohammed, sprong ze tussenbeide en de klap kwam op haar schouder terecht. Ondanks haar verwonding vocht ze door … tot de Mekkanen zich plotseling terugtrokken.

Want daar kwam Ali op hen af, met de standaard in de linker en het gevreesde wonderzwaard Dhu’l-Fiqar in de rechter. Ali had het geroep over de dood van Mohammed ook gehoord maar had doorgevochten, vast besloten om het dan ook niet te overleven. Het geschreeuw en het geweld tegen het groepje had echter zijn aandacht getrokken.

Nu de Mekkanen zich voor hem uit de voeten hadden gemaakt, sleurde hij samen met anderen de gewonde Mohammed van het slagveld af. Ze bereikten een veilige plek in een ravijn. Daar konden ze even op verhaal komen.

Umm Amarah was behoorlijk gewond maar ze heeft het eveneens gered. Ze zou nog heel wat veldslagen meemaken, zijzelf maar ook haar man en haar zoons. Top-ansars.

 

Voor de Mekkanen leek de slag gewonnen en over. De vrouwen waren schor geschreeuwd. Ze stegen van hun kamelen om zich om de gewonden te bekommeren en sommigen om zich te wreken op de lijken. Hind was op zoek naar Hamza, die haar vader gedood had bij Badr. Toen ze hem gevonden had, sneed ze niet alleen de oren van zijn lijk om zich er mee te tooien, maar ze sneed ook zijn buik open om zijn lever op te kunnen eten. Pas toen die haar toch te taai bleek, wierp ze die met een verwensing van zich af. Vervolgens ontdeed ze zich van haar armbanden, juwelen en kettingen en schonk die aan Wahshi, samen met zijn vrijheid.

 

De slag was voorbij. De Mekkanen hadden de eer van hun nederlaag bij Badr gered. Het lijk van Mohammed was dan wel niet gevonden, maar sommige Mekkanen meldden dat ze Ali diens lijk hadden zien wegdragen van het slagveld, zeker om te verhinderen dat het zou worden geschonden.

Abu Sufyan liep er toch naar te zoeken en kwam Omar tegen, die zich juist naar het ravijn begaf omdat hij gehoord had dat Mohammed daar verzorgd werd. Sufyan vroeg Omar of Mohammed dood was. Welnee, antwoordde die, wat denk je wel. Als je hard roept kan die je horen! Maar Sufyan kende Omars grootspraak. Na een korte groet – geen van beide had immers een familielid van de ander gedood, dus hadden ze geen weerwraak tegen elkaar – ging Sufyan zijn leger orders geven voor het vertrek.

Mohammed vertrouwde de toestand vooralsnog niet en stuurde Ali om de Mekkanen te volgen. Pas toen die teruggekeerd was met de verzekering dat de Mekkanen welgemoed en zingend de lange thuisreis hadden aanvaard, verliet Mohammed het ravijn. Ze baden voor de doden en begroeven ze.

75 Moslims hadden de dood gevonden, verreweg de meesten waren ansar. De Vrienden hadden het overleefd. Hamza niet.

Mohammed weende over Hamza. Terugkerend in Medina en de lamentaties van de ansar-vrouwen horend over hun doden, snikte Mohammed dat er geen lamenterende vrouwen waren voor Hamza. Toen spoorden de ansar-familiehoofden hun vrouwen aan om ook voor Hamza te lamenteren.

 

Mohammed werd in de dagen erna opgemonterd doordat zijn dochter Fatima beviel van een gezonde zoon. Mohammed sloot hem in zijn armen, fluisterde adhan (oproep tot gebed, door de muezzin)
in zijn rechteroortje en iqama (de tweede oproep, onmiddellijk voorafgaand aan de gebeden) in zijn linker, en noemde hem Hasan. Het jaar erop (626) schonk Fatima hem zijn tweede kleinzoon en die noemde hij Husain. Fatima zou hierna nog twee dochters baren, Zainab en Umm Kulthum.

Een droevige gebeurtenis in 626 was dat zijn oma, de vrouw van grootvader Abu Muttalib, overleed. Zij was zijn tweede moeder geweest. Hij liet haar begraven gehuld in zijn eigen groene mantel uit Himyar (dat ligt in Noord-Yemen).

Mohammed was zo dol op zijn kleinzoons dat hij, toen ze een keer tijdens de vrijdagdienst de moskee kwamen binnen gedrenteld, hij zijn preek onderbrak, ze op pakte en naast zich op zijn preekstoel zette. Allemaal overgeleverde hadiths, anekdotes over de profeet, vermoedelijk afkomstig van Umm Salama of van Aisja. Hieraan dacht ik vooral toen ik Mohammeds compositieportret (zie voorfrontje) schilderde. Ik denk dat hij net zo’n kindergek was als ik als opa ben.

 

De nederlaag van de moslims bij de Uhud had de Nadir-Joden, wrokkig door de moord op hun vereerde leiden Ka’b twee maanden daarvoor, nieuwe moed geschonken. Ze verkondigden onder elkaar dat Mohammeds leiderschap over Medina niet langer geloofwaardig was. Toen Mohammed in juli van dat jaar na de dood van twee moslims (gevolg van aanvaring tussen heetgebakerden), zich bij het Nadir-fort kwam melden om bloedgeld te eisen, bleek hij de animositeit onder de Joden te licht in schatte. Een vrouw wierp vanaf de muur een maalsteen die hem rakelings miste.

De volgende dag keerde hij terug, nu vergezeld van Ali en een aantal andere krachtpatsers. De Nadir- sjeik Huyayy verklaarde de zaak een serieus religieus debat waardig, en ze spraken dat voor de dag erop af: zonder strijders maar met debaters. Gelukkig werd Mohammed door een tot de Islam overgegane Nadir ingelicht over de ware bedoelingen van die voorgestelde bijeenkomst: de moord op de profeet.

Mohammed verzamelde nu al zijn strijders en sloeg het beleg voor de versterking van de Nadir. Hij stelde dat de Nadir het verdrag hadden geschonden door tegen hem samen te zweren en eiste dat de hele stam binnen tien dagen uit Medina zou vertrekken, met achterlating van alle bezittingen. Hij wees bemiddeling van de Khazraj-leider Ubayy ook nu weer van de hand.

En daar verliet de tweede Joodse stam Medina, beladen met wat ze op hun kamelen mee konden nemen maar met achterlating van wapenrustingen en overige have en goed.

Tot groot genoegen van de muhajireen en de ansar, die zich van de achtergelaten velden, behuizingen en bezittingen meester maakten.

Huyayy en zijn Nadir vestigden zich in Khaybar, een oase zo’n 150 km benoorden Medina. Het was een Joodse oase, vergelijkbaar met Medina maar nog groter en nog rijker. De Nadir waren er als door heel Arabië befaamde smeden welkom en Huyayy werd ook daar weldra een der belangrijkere leiders.

Huyayy reisde met zijn zoon naar de leiders van Mekka, spoorde hen aan om actie tegen Mohammed te ondernemen en hun overwinning bij de Uhud af te ronden met de vernietiging van Mohammed en zijn beweging. Hij overtuigde Abu Sufyan ervan dat naast de Joodse stammen van Khaybar ook Arabische stammen zoals de Ghatafan Mohammed als een bedreiging zagen en zich bij een definitieve afrekening zouden aansluiten.

Abu Sufyan toog aan het werk, bezocht ettelijke stamhoofden van de Ghatafan. In Medina bezocht hij Ka’b ibn Asad, de leider van de nu daar enig overgebleven Joodse stam, de Qurayza. Maar deze (ik duid hem om verwarring met de gedode flamboyante Qanuqa-Ka’b te voorkomen, verder aan als Ibn Asad) durfde Sufyan niet te ontvangen in zijn burcht; hij zei hem dat hij zich gebonden achtte aan het Verdrag en dat hij liever neutraal wilde blijven.

  1. Het beleg van Medina en de redding door de gracht, februari 627

Mohammed, door verspieders van een en ander op de hoogte gehouden, was lange tijd volkomen radeloos. Hij wist dat tegen de strijdmacht die nu bijeengebracht werd, niet viel op te boksen en dat Medina met de hele moslimgemeenschap onder de voet gelopen zouden worden. De benen nemen dus. Maar waarheen dan? En wat dan verder?

Nu was het zo dat een Farsi-man uit Perzië, Salman geheten, al enige tijd bij hem vertoefde. Een bijzondere man. Salman had vele jaren rondgereisd in Syrië en Palestina, had een brede belangstelling, en had naast in theologische ook in militaire zaken zijn licht opgestoken. Mohammed was gesteld geraakt op hem en dat was wederzijds.

Dus toen het gevaar waarin zijn gastheer verkeerde, steeds duidelijk werd, had Salman zich bezonnen op een manier om het te keren. Hij had behoorlijk wat kennis in huis over hoe Perzen en Byzantijnen met belegeringen omgingen: kennis die op het schiereiland onbekend was. Hij had ook de strategische situatie van Yathrib verkend en gezien dat die eigenlijk heel gunstig was. Het lag ingesloten binnen ontoegankelijke lavabergen, met slecht één, zij het brede, toegangsopening in het noorden. Het zou technisch zeker mogelijk zijn om die af te sluiten met een uit te graven gracht, zo breed dat geen paard of kameel er overheen zou kunnen springen, en zo diep en steil dat ook voetvolk er niet zonder lijfsgevaar tegenop zou kunnen klauteren.

Zeker, het was een enorm karwei. Mohammed dacht lang dat het onhaalbaar was, en toen de paniek hem dreef om het toch te omhelzen, duurde het nog een tijd voordat ook de Vrienden er toe over te halen vielen.

De tijding dat de legermacht zich al naar hen op weg had begeven, gaf de doorslag.

Vrouwen en mannen, rijk en arm, hoog en laag, iedereen moest mee graven, ook Salman en Mohammed zelf. De leider van de Joodse Qurayza voelde zich verplicht om spades, houwelen en draagmanden te leveren.

In elkaar afwisselende ploegen ging het dag en nacht door. Twee grachten moesten er gegraven wilden ze echt veilig zitten. Wat ook gebeuren moest was, dat in de wijde omgeving van Yathrib geen sprietje gras of ander voer voor kameel of paard meer te vinden zou zijn. Dus werden alle omringende velden leeg geoogst en het restant werd afgebrand. De tactiek der verschroeide aarde.

 

De arriverende armee uit Mekka trof dus een kaalgebrande omgeving aan. Maar de leiders maakten zich geen zorgen: Yathrib zou binnen enkele uren onder de voet gelopen zijn en uitgemoord en daarna konden ze weer weg wezen uit dit barre oord. Wellicht hadden de moslims zelfs hun stad in brand gestoken en waren ze al gevlucht.

De cavalerie stormde voor het leger uit, onder leiding van legerleider Amr ibn Abt Wudd.

Amr was een vervaarlijke woesteling, met een schiereilandwijde reputatie van gewelddadigheid. Hij had ook het aanvoerderschap van de hele expeditie opgeëist. Hij was voornemens om met zijn ruiters Yathrib stormenderhand in te nemen nog vóór de moslims gelegenheid zouden hebben zich met hun bezittingen uit de voeten te maken.

Maar de paarden kwamen met aangetrokken teugels abrupt tot stilstand … aan de rand van een diepe gracht! Vanaf de verhoogde overkant werden ze bekogeld met stenen, en ook pijlen kwamen aan gesuisd en maakten de eerste gewonden onder de aanvallers. De verdedigers zaten zelf veilig achter een wal van uitgegraven puin.

Zoiets hadden de Bedoeïenen nog nooit meegemaakt: een belegering.

Maar er zat niets anders op. Er werden tenten opgezet en de leiders kwamen bijeen voor beraad. Medina afgrendelen en uithongeren, dat leek het enige wat er op zat.

De gefrustreerde Amr was met een drietal andere ruiters de omgeving gaan verkennen en had één plek gevonden waar de gracht tamelijk smal bleek. Daar moest een beetje paard overheen kunnen. En inderdaad, ze kwamen er overheen. Amr reed naar het marktplein en daagde daar welke moslim dan ook uit voor het gebruikelijke tweegevecht.

Op zijn eerste uitdaging bleef het stil: niemand durfde het tegen deze woesteling op te nemen, want Mohammed had Ali opgedragen om zich koest te houden, uit vrees zijn persoonlijke lijfwacht kwijt te raken aan deze geweldenaar.

Op de tweede uitdaging bleef het nog steeds stil en Ali verbeet zich. Maar bij de derde uitdaging kwam er beweging. Mohammed had Ali zijn eigen harnas aangetrokken en hem het Dhu’l-Fiqar zwaard omgegord.

Zoals gebruikelijk stelden beide kampioenen zich aan elkaar voor. Ali nodigde zijn tegenstander uit om hem de eerste slag toe te brengen. Amr werd enigszins van zijn stuk gebracht door deze merkwaardige tegenstander, maar haalde niettemin uit. Met zo’n kracht dat Ali’s schild gespleten werd – en dat was een bijzonder sterk schild – , evenals zijn helm. Het bloed uit een wond aan zijn hoofd vloeide over zijn gezicht en de oersterke Ali duizelde. Maar hij herstelde zich, concentreerde zich en toen maakte het wonderzwaard zijn faam waar: Amr’s hoofd werd met helm en al geheel gespleten. De geweldenaar stortte dood neer.

Zijn drie kornuiten gingen er spoorslags van door. Het donderend gejuich van de moslims maakte de belegeraars buiten de stad in hun tenten bang te moede, en toen de drie ruiters arriveerden zonder Amr, werd hen duidelijk dat ze hun legerleider verloren hadden.

 

Wanneer de beschrijvingen van het optreden van Ali geen sjiitische idolatrie is, dan is hij een voorbeeld van de beschaafdheid van Mohammeds nieuwe leer. Een beter voorbeeld dan Mohammed in het vervolg van dit verhaal zal geven. Volgens de bronnen liet Ali niet alleen zijn gevreesde tegenstander de eerste klap uitdelen, hij liet ook diens kornuiten in vrijheid gaan. Hij zag bovendien af van de Arabische gewoonte om zich het paard, het harnas en de wapens van de verslagene toe te eigenen. Hij stond Amr’s zuster toe om haar broers dood te komen bewenen en gaf haar diens bezittingen mee, haar persoonlijk met alles over de gracht helpend.

 

Werkelijk alles zat de belegeraars tegen. Na het sneuvelen van de hoofdaanvoerder waren er al groepen afgetaaid; de meesten hunner zullen niet over tenten beschikt hebben, in de verwachting dat de inname van Medina en de plundering ervan een kwestie van uren zou zijn, en de belangrijkste reden: er was geen voedsel voor hun rijdieren.

Maar ook het weer werkte zwaar tegen: het was het koud, het regende en woei heel onaangenaam. In de loop van de eerste week was het aantal belegeraars voor de helft naar huis vertrokken.

Huyayy, de leider van de Nadir, bood aan om met de leider van de Qurayza-Joden te gaan praten. Wanneer hij er in zou slagen om die laatst overgebleven Joodse stam over te halen hun contract met Mohammed te verbreken en de moslims van achter aan te vallen zodra de belegeraars een stormloop op de vesting zouden inzetten, zouden niet allen zijzelf maar heel Arabië van het moslimgevaar bevrijd zijn.

Ibn Asad, de Qurayza-sjeik, durfde het aanvankelijk niet aan, maar toen Huyayy hem bezwoer dat de Nadir hun oude bondgenoten zeker te hulp zouden komen als de moslims hen zouden aanvallen, ging hij overstag en beloofde ten aanval te gaan zodra de bestorming zou zijn begonnen. Het schijnt dat Huyayy persoonlijk het Contract met Mohammed verscheurd heeft, ten teken dat Ibn Assad zich daar nu echt niet langer meer aan gehouden hoefde te voelen.

Toen Mohammed op de hoogte kwam van het verraad, was hij natuurlijk dodelijk ongerust en radeloos.

Maar weer kwam er hulp van onverwachte zijde. Nuaym ibn Masud, een der leiders van de Ghatafan, had vermoedelijk goed contact met Musaylima en onderkende de betekenis van een Profeet voor de Arabieren. Koopman Nuaym was een zeer uitgekookte onderhandelaar. Ook hij toog naar Ibn Asad en vertelde hem dat hij gehoord had dat de belegeraars, mocht hun aanval onverhoopt mislukken, echt niet van plan waren om zijn stam nog te hulp te komen tegen de moslims. Hij ried Ibn Asad dringend aan om in ruil voor diens deelname zekerheid te eisen in de vorm van gijzelaars. Ja, dat vond Ibn Asad een geruststellend idee.

Hierna ging Nuaym naar Usayd en vertelde dat hij gehoord had dat de Qurayza wel mee wilden werken, maar alleen als die hen zijn twee zoons als gijzelaars zou toesturen. Dat hij hem dit echter afried, aangezien Ibn Asad deze ongetwijfeld aan Mohammed zouden uitleveren als de belegering misliep, in de hoop op diens genade. Usayd stuurde onmiddellijk een paar mensen naar Ibn Asad om opheldering. Die verzekerde hen dat hij inderdaad die eis stelde. Nou, dan zouden de belegeraars het wel zonder de Qurayza zien te redden. Dan moesten ze het maar zelf weten als de bestorming op niets zou uitlopen.

 

Diezelfde nacht brak er een noodweer uit – de zoveelste geluks-redding van Mohammeds project. De tenten van de belegeraars waaiden om, hun vuren doofden in de slagregen. De Ghatafan hielden het voor gezien. Maar ook de Mekkanen en zelfs de Nadir gaven nu de hoop op, nu ze niet meer op de Qurayza konden rekenen. Totaal gedemoraliseerd laadden vervolgens alle belegeraars hun spullen op hun dromedarissen en vertrokken dezelfde nacht, weg van dat verschroeide en barre oord.

 

Toen de dag aanbrak en de moslims over hun verdedigingswal naar de kampen van de vijanden keken, zagen ze dat die verdwenen waren. Er werden verspieders uitgestuurd, want het moest een hinderlaag zijn om hen uit hun verdediging te lokken. Maar toen de verspieders terugkeerden met de zekerheid dat de aanvallers echt waren vertrokken, al een heel eind onderweg waren en geen enkel teken vertoonden om nog te stoppen, was de opluchting onbeschrijfelijk.

 

Bij de Arabische stammen in de verre omtrek verbreidde zich de mare van de onoverwinnelijkheid van Mohammeds strijdkrachten, nu die zo’n grote legermacht – de aanvallers waren aanvankelijk wel drieduizend man sterk geweest, een grotere legermacht had het schiereiland nimmer gekend – hadden weten te weerstaan. Het leverde Mohammeds beweging een nieuwe toestroom van jonge strijders op, gelukzoekers en ander tuig, grif toetredend tot de Islam.

 

Mohammed wilde nu afrekenen met de Qurayza. Ook al hadden die in de praktijk geen hand tegen hem uitgestoken en spaden en houwelen en manden geleverd voor het werk aan de grachten, ze hadden zich toch laten bepraten door Huyayy en hem toegestaan het getekende Contract te verscheuren. Maar vooral aasde Mohammed op hun onroerend goed en overige bezittingen: hij moest nu nog meer monden zien te voeden en krijgers bewapenen. Hij produceerde een gepast recitaat van Boven dat beval om met de Qurayza af te rekenen. En ja hoor, God beval het hem: de Qurayza hadden Allah’s Verdrag geschonden!

De moslims grendelden de versterkingen van de Qurayza hermetisch af. Het siert Huyayy dat hij niet, tegelijk met de overige belegeraars, naar huis was vertrokken maar met zijn zoons bij de Qurayza was ingetrokken om zijn belofte na te komen.

De belegering duurde maar liefst 25 dagen. Het geschrei van de kinderen werd onverdraaglijk voor de Aws, die immers met de Qurayza geallieerd waren. Hun leider bepleitte genade voor de Qurayza en een vrije aftocht, net zoals de Nadir en de Qaynuqa hadden gekregen. Maar Mohammed wist dat hij dan zijn vijanden alleen maar weer sterker zou maken: de Qanuqa en vooral de Nadir hadden het meest aan de belegering bijgedragen, meer nog dan de Mekkanen. Nee, Mohammed was nu onverbiddelijk. Een gepaste ingeving van Allah, hem overgebracht door de engel Jibreel (Gabriël), was duidelijk geweest: alle mannen van de Qurayza dienden gedood te worden, en hun vrouwen en kinderen dienden als slaven te worden verhandeld.

De volgende dag gaven de Qurayza zich over. Alle weerbare mannen werden geboeid en naar het marktplein gevoerd. De moslims stormden gretig de versterking binnen en maakten zich meester wat van hun gading was. Zelfs de armste mujahideen en ansar kreeg nu een behoorlijk huis tot zijn beschikking, plus een paar joodse vrouwen en meisjes als slavinnen.

 

Mohammed had op het marktplein een grote geul laten graven. Dat werd een massagraf. Urenlang duurde het, tot alle Qurayza-mannen – het schijnt tussen de 700 en 800 mannen geweest te zijn – waren onthoofd of anderszins gedood. Het moet een gruwelijk bloedbad geweest zijn. Mohammed heeft er de hele dag bij gezeten. Hij wilde de verantwoordelijkheid voor deze moorden geheel op zichzelf laden, zodat geen enkele moslim zich bezwaard hoefde te voelen of voor weerwraak hoefde in te zitten. Wellicht heeft Mohammed zelfs enig genoegen beleefd toen ook het hoofd van zijn doodsvijand Huyayy in de groeve rolde.

 

Ik vermoed dat Ali’s vertrouwen in zijn oom hier zwaar op de proef gesteld is: het was geheel niet Ali’s stijl om zo met verslagen vijanden om te gaan. De redenering er achter kon hij, na die hachelijke belegering waaraan ze alleen met ongelooflijk geluk ontsnapt waren, natuurlijk wel begrijpen. Maar toch … Ook de bronnen hebben er duidelijk moeite mee; en pas nog (juni 2014) las ik in een kranteartikel over de wreedheid van de ISIS-strijders, dat refereerde aan deze massamoord.

 

Toen na de massamoord op de Qurayza-mannen de vrouwen en meisjes als slavinnen werden langs geleid om te worden uitgezocht door de gegadigden , wierp Mohammed zijn mantel over één van de fraaiste jongedames en verklaarde haar tot zijn slavin. Ze heette Rayhana bint Zayyeed en we krijgen het nog over haar.

 

Wat is er in Mohammed gevaren, de eerst zo zachtmoedige en beschaafde hanif? De rechtvaardige Hashim-nazaat? Wat de latere Koran betreft, Korankundigen – heel andere lui dan Korangeleerden – constateren dat Mohammeds ingevingen vanaf nu ook een agressievere toon hebben dan de recitaties tot nu toe hadden.

Constateren is één, verklaren is twee. Wat ik denk is, dat de intensieve gesprekken met de Pers Salman invloed op Mohammed hebben gehad. Die heeft natuurlijk, als de grote redder van de stad, menig schouderklopje links en rechts in ontvangst genomen. Ik denk dat Salman Mohammed duidelijk heeft gemaakt dat hij, als hij de Qurayza vrije aftocht zou geven zoals hij dat aan de Qaynuqa en de Nadir had gegeven, hij alleen maar meer doodsvijanden zou blijven kweken. Zachtmoedigheid is mooi, maar daarmee word je geen staatsman en bouw je geen rijk. Zoveel had Salman van de Romeinen wel geleerd. Mohammed, en diens vrienden Abu Bakr en Uthman niet minder, hebben vast heel wat aan staatkundige maar ook militair-strategische inzichten, die voor Arabieren totaal nieuw waren, van Salman opgestoken.

Andersom heeft Salman, die eerst al het Zoroastrisme waarin hij was opgevoed, had ingeruild voor het Christendom, zich nu tot de Islam bekeerd. Dat Salman een als een zeer waardevolle aanwinst werd beschouwd, werd duidelijk toen zowel de muhajireen als de ansar Salman als een van de hunne wilden claimen, Mohammed verklaarde dat Salman tot Mohammeds gezin behoorde.

  1. het verdrag van Hudaybiyya, febr. 628

Dit hele verdere jaar 627 genoten de moslims van de rust en de behaalde buit. Althans, de bronnen weten niks te melden verder. Ik vermoed dat de Vrienden met de behaalde buit van de Quraiza een karavaan naar Syrië hebben uitgerust, want handel is handel.

 

Maar begin 628 wilde Mohammed naar Mekka, op de gebruikelijke pelgrimstocht in het voorjaar. Het was in de heilige maand, waarin vechten verboden was, dus ze lieten hun harnassen en slagwapens thuis. De Mekkanen zouden hen gewoon moeten toelaten, want in deze maand had iedereen het recht om de Ka’aba te bezoeken en de tawaaf te doen.

 

Eind februari vertrok hij met 1400 volgelingen. Met kamelen en andere dieren om er te offeren, en met alleen hun persoonlijke ponjaard, want het was wel Arabië, weet je, geen overheid of politie die je even kunt bellen als je door iemand belaagd wordt.

Toen ze bij de laatste halteplaats boven Mekka arriveerden, Huddaybiyya, waar een bron is, wachtten hen daar de twee vooruit gezonden verspieders op met de mededeling dat de Mekkanen niet van plan waren hen als pelgrims toe te laten.

Mohammed stuurde een afgezant, op zijn eigen kameel, met de boodschap dat Mohammed en zijn gevolg ongewapend waren en alleen ter pelgrimage gekomen waren, hun offers wilden brengen en vervolgens meteen naar Medina zouden teruggaan. Maar de afgezant werd uitgejouwd en bedreigd, en de kameel zelfs verminkt.

Nu vroeg Mohammed Omar. Die zou zeker overtuigend overkomen, had bij Badr geen Quraysh gedood en had zelfs na afloop nog met Udday staan keuvelen. Maar blaaskaak Omar durfde niet, gezien de kwalijke ontvangst van de afgezant, en zei dat hij in Mekka niemand had die hem zou beschermen maar dat Uthman daar wel veel familie had.

Dat was zo. Dus werd nu Uthman afgezonden.

Die werd inderdaad vriendelijk ontvangen, en als hij de tawaaf wilde doen kon hij zijn gang gaan. Utman zei dat hij was gekomen in naam van Mohammed en de rest. Nu kreeg hij de wind van voren en hij werd zelfs in hechtenis genomen.

Het bericht van zijn mislukking en hechtenis bereikte de moslims zelfs in de vorm van een executie van Uthman. Mohammed riep zijn volgelingen bijeen en liet hen een voor een de eed van trouw zweren.

Het bericht hiervan bereikte weer de Mekkanen en nu bonden ze wat in. Ze wilden het niet op een bloedvergieten laten aankomen. Ze stuurden Uthman terug, vergezeld van een afgezant hunnerzijds om te onderhandelen.

Dit resulteerde in het Verdrag van Hudaybiyya, dat inhield dat Mohammed zijn pelgrimage niet dit jaar maar volgend jaar zou doen; dat ze een periode van tien jaar vrede met elkaar overeenkwamen; dat elke stam in Arabië vrij zou zijn om een verdrag met elk hunner te sluiten ; en dat de moslims beloofden het volgende jaar niet langer dan drie dagen in Mekka te zullen blijven.

 

Het Verdrag werd in tweevoud opgesteld … door Ali! Want die had tussen de bedrijven door lezen en schrijven geleerd, van de krijgsgevangen schrijvers van Badr. Ali was het Verdrag begonnen met de aanhef “In naam van Allah en diens profeet Mohammed …”, maar de Mekkaanse afgevaardigde had geprotesteerd tegen deze aanhef. Mohammed verzocht Ali om de aanhef te schrappen. Ali weigerde. Toen greep Mohammed de pen en kraste de aanhef zelf door.

De Mekkanen waren er erg gelukkig mee en beschouwden het als een overwinning op de moslims. Veel moslims beschouwden het als een nederlaag: ze hadden gerekend op een triomf-intocht in de stad waaruit ze eertijds verdreven waren – precies de reden waarom hen de toegang door de Mekkanen ontzegd was – en nu zouden ze dus onverrichterzake terug moeten keren naar Medina. Maar Mohammed bleef bij zijn besluit en produceerde bovendien een ingeving van Boven.

De opvliegende Omar was ziedend en stapte op Abu Bakr af. Die verklaarde echter dat hij zich neerlegde bij de beslissing van de Boodschapper van Allah.

Omar besloot nu om samen met alle ontevredenen de hele Mohammed-beweging te verlaten. Maar toen hij hiertoe opriep, bleek niemand bereid om de zopas afgelegde eed van trouw aan Mohammed te breken.

Omar zag dat hij z’n hand overspeeld had en kroop in zijn schulp.

Mohammed gaf aan om nu maar ter plekke het pelgrimsritueel van het hoofd kaalscheren en de meegebrachte offerdieren slachten, te voltrekken. Maar dat bleek van zijn kant weer teveel gevraagd: niemand verroerde een vin.

Mohammed keerde teleurgesteld terug in zijn tent. Een van zijn vrouwen, Umm Salamah, zei dat hij gewoon zelf zijn hoofd moest kaal scheren en zijn offerdieren slachten. De anderen zouden zijn voorbeeld heus wel volgen. En zo geschiedde.

 

Maar niet van harte. Het Verdrag moge politiek voor Mohammed gunstig zijn geweest, hij had er het vertrouwen van zijn volgelingen ernstig mee op de proef gesteld. Van velen althans, maar niet dat van Ali. In zijn ogen had zijn vereerde oom, na diens gruwelijke wraak op de Qurayza , zijn reputatie van een apostel van de vrede hersteld.

 

Wat was voor Mohammed toch de reden geweest van zijn ongelooflijke toegeeflijkheid aan de Mekkanen? Uit dit Verdrag bleek de bijzondere gewiekstheid van Mohammed. Of is het ook weer Salman geweest die hem hierbij heeft ingefluisterd?

Ten eerste. Mohammed was met dit Verdrag wel mooi door de Quraysh als een gelijkwaardige partij erkend. Ten tweede: Medina als moslim-stadstaat was door de Quraysh als een politieke realiteit aanvaard. Ten derde: het moslim-zijn werd vanaf nu door Mekka, en dus door heel Arabië, als een gelijkwaardige geloofskeuze beschouwd. De moslims binnen Mekka zelf hoefden niet langer voor vervolging te vrezen. Ten vierde: de overige Arabische stammen hoefden als ze met Mohammed een verdrag aangingen, geen represailles van de Quraysh meer te duchten.

 

Mohammeds vreedzame opstelling bij het sluiten van dit Verdrag heeft zijn beweging inderdaad geen windeieren gelegd. Vanaf nu sloten andere stammen zich veel makkelijke bij hem aan. Twee jaar later keerde Mohammed terug naar Mekka, niet met 1400 volgelingen maar met 10.000. En zonder slag of stoot zou hij Mekka binnentrekken als overwinnaar. Maar zo ver zijn we nu nog niet.

  1.     Mohammed en zijn vrouwen


De wijze beslissing van Umm Salamah toen Mohammed het even niet meer wist toen zijn volgelingen botweg weigerden om hun pelgrimsritueel bij Hudaybiyya af te maken in plaats van in Mekka zelf, was niet de enige keer dat hij door haar tot een wijs besluit kwam, of door een vrouw gered werd. Ik hoef maar te wijzen op de rol van Khadija in zijn besluit tot het profeetschap, of op Umm Amarah die zijn leven redde in de nederlaag bij de Uhud. Dus wordt het tijd voor een aparte paragraaf over Mohammeds harem.

Zoals onderstaand staatje laat zien was Umm Salamah zijn vijfde vrouw. Laat me maar even doorgaan over haar.

Ze had met haar man Abu Salama vanaf het begin tot de Vriendenkring behoord en was vriendin van Khadiya geweest. Ze was 29 jaar en had drie kinderen toen haar man bij de Uhud sneuvelde. Toen haar rouwperiode voorbij was, dongen zowel Abu Bakr als Omar naar haar hand. Ze wees de aanzoeken af. Ook toen Mohammed haar vroeg maakte ze bezwaren. Ze had evenmin als Khadija andere vrouwen naast zich geduld en had geen zin om nu, als bijna dertigjarige en bovendien moeder van drie kinderen, als vijfde in de rij aan te sluiten (ik vermoed dat ze vooral zo’n verwend nest als Aisha niet boven zich zou kunnen verdragen). Maar Mohammed wilde haar er echt heel graag bij hebben: hij kende haar intelligentie, politiek inzicht en toewijding aan zijn geloof.

Ze heeft het ten volle waar gemaakt. Ze werd de topvrouw, niet alleen van zijn harem maar van de hele moslimgemeenschap. Ze nam deel aan alle beraadslagingen en aan de belangrijkste veldtochten en stond Mohammed met raad en daad bij. Ze hoorde zeer uitgesproken tot de vreedzame fractie van de moslimpolitiek en steunde dus ook Ali. Ze overleefde al Mohammeds vrouwen (ze is 84 jaar geworden) en heeft 378 hadiths (overgeleverde vertellingen over Mohammed) op haar naam staan, nog iets meer dan Aisha.

 

Zij is het geweest die op zeker moment het bezwaar heeft geuit dat die ingevingen van Allah aan Mohammed (ze wist heus wel dat hij die zelf bedacht naar het hem uit kwam, maar dat heeft ze nooit laten merken want ze was zeker zo’n bekwaam politica als Mohammed zelf) al te vaak in het voordeel van de mannen uitvielen, en nooit eens tegemoet kwamen aan de belangen van de vrouwen. En geloof het of niet: de volgende dag had Allah hem met een recitatie bedacht die de vrouw in het zonnetje zette. Dit heeft het leven van ontelbare miljoenen moslima’s of hun vernedering ietsje verlicht.

 

Over Aisha hadden we het al even: bij het bouwen van de moskee in Medina had Mohammed er kleine appartementen tegenaan laten bouwen, waarvan één voor zichzelf, één voor Sawda en één voor het meisje Aisha.

Het was de vrouw van Uthman geweest die Mohammed had aangeraden, om aan Abu Bakr te vragen hem zijn jongste dochter, toen 6/7 jaar, als vrouw te beloven. Aisha was voorlopig met haar zusje Asma thuis blijven wonen. Maar toen Mohammed en Abu Bakr veilig in Medina waren aangekomen, heeft de laatste zijn gezin ook laten overkomen. Aisha was toen 9/10 jaar en dus oud genoeg, voor Arabische maatstaven, om door Mohammed, toen 53 jaar, ‘geconsumeerd’ te worden.

Vond de Arabieren heel normaal toen. Waarom?

Het was een macho-volk. Een mannenleven bestond uit vechten en roven. Je wilt als macho niet het risico lopen dat een geroofde bruid alreeds bevrucht is door een andere macho. Je bent pas zeker dat haar baby’s van jou zijn als ze nog maagd is als je ze in je huis krijgt, en vervolgens houd je haar gedurende haar vruchtbare fase gevangen in je huis. Simpel toch?

Toch blijft het ‘consumeren’ van een 9 á 10-jarig meisje moeilijk te rijmen met de vrouwvriendelijke en beschaafde hanif zoals Mohammed zich gedurende zijn tijd met Khadija altijd getoond had. Hanifs namen juist afstand van die heidense machocultuur. Maar de eer van de man zit in die veetelers-culturen waar de Bedoeïenen toe behoren, erg diep. De eer van een man bevindt zich tussen de benen van de vrouw, van de zusters en van de dochters van de man.

Mohammed was een Arabier, maar heus geen pedofiel. Khadiya was 15 jaar ouder dan hij en daar is hij heel gelukkig mee geweest, tot aan haar overlijden. Sawda bint Zam’a, die door Mohammed al een paar dagen na Khadija’s overlijden ten huwelijk gevraagd werd, was ook ouder dan hij: van de leeftijd van haar vriendin Khadija. Sawda had niet lang daarvoor haar man verloren. Veel mannen hadden het maar raar gevonden: Sawda was niet alleen ouder, ze was ook niet bepaald een schoonheid. Maar Mohammed stond nu overal alleen voor en zocht een bekwame huishoudster en een vervang-moeder voor zijn dochters. Ook Sawda heeft hem nimmer teleurgesteld. Ze ontfermde zich ook over het kind Aisha toen die als 9-jarige bij Mohammed in trok, en ze overleefde Mohammed tien jaar.

En misschien was Aisha toch niet het verwende nest zoals ik haar tot nu toe afschilder. Misschien was ze wel heel vrolijk, optimistisch en geestig, en zong ze veel. Vermoedelijk laadde Mohammed in zijn kommervol bestaan zich op in haar gezelschap.

Ik geloof er niks van dat het vroege gehuwd worden aan een 53-jarige voor haar traumatisch is geweest. Omdat dat in de toenmalige Arabische cultuur niks bijzonders was. Bovendien werd ze getrouwd met een aanzienlijk man. Ik denk dat het voor haar erger was dat Mohammed aan coitus interruptus deed; zodat haar nooit moederschap deelachtig geworden is. Het lijkt er bovendien op dat ze wel degelijk initiatieven ontplooide naar jongere mannen. Er moet iets geweest zijn tussen haar en de stoere Ali. Misschien dat die haar avances ooit heeft afgewezen uit solidariteit met Mohammed. Zeker is dat ze een keer een avontuurtje beleefd heeft met een jongeman, onderweg bij een veldtocht. Op een rustplek was ze zogenaamd gaan plassen, en was de karavaan verder getrokken in de mening dat ze alweer in haar howdah zat. De volgende ochtend kwam ze aan, voorop bij de kameel van een jongeman, die haar had ‘gered’. Niemand geloofde hun verhaal dat ze was terug geglipt naar haar plasplek omdat ze haar halssnoer daar was verloren; en dat de karavaan toen zonder haar was verdergegaan; en dat ze gelukkig door de jongeman was opgepikt. Ali schijnt toen tegen Mohammed gezegd te hebben: “Er zijn zoveel vrouwen, u kunt gemakkelijk een andere nemen”, wetend dat ze sowieso een lastig secreet was. Maar Mohammed produceerde de volgende ochtend een ‘ingeving’ waarin Allah hem had verzekerd van Aisha’s onschuld. Aisha heeft dit Ali nooit vergeven, en heel veel later, toen Ali dan eindelijk als vierde man Mohammed mocht opvolgen, nam zij deel aan de oppositie tegen hem.

Aisha heeft ook al vroeg lezen en schrijven geleerd en was bepaald leergierig. Maar het werd inderdaad wel een bitch en heeft het Mohammed ook best moeilijk gemaakt. Ze heeft een haat ontwikkeld tegen Ali en Fatima, en is een factor geworden in de splitsing tussen latere Ummayyaden-partij (nog later de Soennieten) en de Hashimieten-partij (nog later de Sji’ieten) .

Nu moet ook gezegd zijn dat het geen pretje was om deel van Mohammeds harem uit te maken. Mohammed leefde uiterst sober. Dat deed hij al in zijn rijke tijd met Khadija, maar in de doodarme beginperiode van Medina leden ze altijd honger. Toen de buit van de veldslagen begon binnen te vloeien, waren het altijd de overige armen van Medina die er eerst van profiteerden, en zijn vrouwen het laatst.

Ook hun behuizing was armoe troef. De aanbouwtjes aan de moskee waren piepklein: 2,5 meter lang en 1,70 breed, en je kon er net rechtop in staan. Gekookt werd er buiten, onder een afdak, vooral door Sawda. Tenminste, als er wat te koken viel. Het appartement voor Mohammed zelf was stukken groter, want daar moest veel in vergaderd worden. Maar ook dat was tegen de moskee aangebouwd.

De onderste rij cijfers geven Mohammeds levensjaren weer, zij het dat die tot 632 hebben gereikt. Je ziet dat tien van zijn vrouwen hem hebben overleefd.

 

Weduwen kwamen meestal heel moeilijk aan een nieuwe man bij de Arabieren. Ettelijke van Mohammeds vrouwen had hij alleen maar getrouwd om hen aan een redelijk bestaan te helpen. De man van Hafsa, dochter van Omar, had bij Badr het leven gelaten, en Omar deed heel erg zijn best om een nieuwe man voor haar te vinden. Maar zowel zijn vrienden Uthman en Abu Bakr moesten haar weigeren – vermoedelijk pruimden hun vrouwen Hafsa niet want dat was een nog ergere bitch dan Aisha – en Omar beklaagde zich bij Mohammed. Die nam Hafsa op in zijn harem; vermoedelijk heeft Aisha erg voor haar gepleit, want ze waren vriendinnen. Ze werden nu ‘twee handen op één buik’ en zouden in Mohammeds laatste dagen een rol spelen in het hem laten opvolgen door hun vaders.

De broer van Hafsa, Abdullah, was echter een vroom, toegewijd en integer knaapje, toen pas een jaar of 15. Hij zou later heel vroom elke uitspraak en elke handeling van de Profeet onthouden en navolgen, ook al was die op zich onbetekenend. Mohammeds kameel had op deze of gene reis op die plek toevallig een paar keer omgedraaid alvorens neer te knielen; de Profeet was afgestegen en had daar toen zijn gebeden gedaan; om daarna zijn weg te vervolgen. Welnu, als Abdallah toevallig ook langs die plek kwam, liet hij ook zijn kameel een paar keer draaien om … etc.

 

Zo ontfermde Mohammed na Badr zich over nog een weduwe, Zaynab. Zaynab was bijzonder lief en attent voor iedereen, en ze hielp en ondersteunde waar ze maar kon. Aisha, Hafza en Zaynab, vrijwel van dezelfde jonge leeftijd, konden het goed met elkaar vinden. Helaas werd Zaynab al na 8 maanden ernstig ziek en overleed. Ze werd begraven op het kerkhof iets buiten Medina. Ze zouden er uiteindelijk allemaal belanden, op dat kerkhof. Het bestaat nog steeds.

Het kerkhof in de huidige staat

Aisha en Hafsa waren het op een gegeven moment beu dat alle overige armen van Medina rijkelijk bedeeld werden na elke oorlogsbuit, en dat Mohammed zijn eigen vrouwen altijd oversloeg. Ze besloten om bij hem hun beklag te gaan doen.

Mohammed zat er maar een beetje verslagen bij. Toen kwamen net Abu Bakr en Omar om iets met hem bespreken en ze vroegen wat er aan de hand was. Mohammed vertelde dat zijn vrouwen ontevreden waren met hem. Toen kregen Aisha en Hafsa een pak slaag van hun vaders.

Mohammed loste het die nacht op met een ingeving van Boven (Soera 33, vers 28 en 29). Hij stelde hen voor de keus: of hem verlaten en voor de luxe te gaan, of bij hem blijven en genoegen te nemen met zijn soberheid. Ze kozen er toch voor om bij hem te blijven.

Ze zouden het weldra ook wat beter krijgen na de verovering van Khaybar (gaat de volgende paragraaf over) en vooral van de Fadak-oase.

 

De volgende op het lijstje is Zaynab bint Jahsh. Dat was een volle nicht van Mohammed, jongste dochter van zijn tante. Ook jong weduwe geworden. Deze Zaynab was behoorlijk ambitieus. Mohammed haar had toegewezen aan zijn aangenomen zoon Zaïd, maar daar was ze niet tevreden over; ze was telg van een aanzienlijke stam, en Zaïd was immers slaaf geweest? Nee, ze wou één van Mohammeds vrouwen worden.

Toen Mohammed een keer onverwacht langs kwam, trok hij haastig de deur weer dicht, een verontschuldiging mompelend. In verwarring, want ze was ontkleed geweest, en hij was nogal gevoelig voor vrouwelijk schoon. Zaynab vertelde het voorval lachend aan Zaïd. Die was al lang op de hoogte van haar ambitie en stelde Mohammed voor om van haar te scheiden.

Het voorval (ik vermoed dat Zaynab Mohammed had zien aankomen en dat ze zich haastig ontkleed had), had deze inderdaad het hoofd op hol gebracht. Maar hij was bang voor praatjes van zijn tegenstanders: die zouden hem zeker beschuldigen van incest. Nee, niet omdat ze zijn volle nicht was, maar omdat ze de vrouw was van zijn aangenomen zoon (voor Arabieren is de eer van de man gelegen …etc.)

Zaïd drong aan, hem verzekerend dat Zaynab echt niets van hemzelf wilde weten. En weer was het Allah die Mohammed met een ingeving te hulp kwam: Soera 33:37. Allah wilde gewoon dat hij Zaynab tot vrouw zou nemen want, zo verzekerde Allah, het is een heidense gewoonte om je aangenomen zoon als een echte zoon te beschouwen. Er diende met het heidense verleden gebroken te worden. Mohammed kon altijd op Allah aan, zoals je ziet.

 

Rayhana bint Zayyeed. Na de massamoord op de Qurayza-mannen bij het massagraf, de afrekening met laatste der drie Joodse stammen van Medina, toen de vrouwen en kinderen als slaven verdeeld werden en Rayhana aan de beurt was, deed Mohammed bij monde van Ibn Ishaq het volgende: “He threw his cloak over her and declared her one of his wives.”

Terwijl hij luttele uren daarvoor haar man had laten ombrengen, wenste hij haar diezelfde nacht nog tot zich te nemen. Getuigt niet echt van empathie, zou ik zeggen. Ze kon hem alleen maar van zich af houden door te verklaren dat ze haar maanstonde had.

Mohammed zei haar dat hij haar zou vrij verklaren als ze de Islam zou accepteren. Ze weigerde. Ze wilde gewoon Jodin blijven, en weigerde dus ook om een hijab te dragen (zie foto). Later schijnt ze toch, waarschijnlijk onder invloed van Oem Salama, te zijn bijgetrokken en moslima geworden te zijn.

Echt gelukkig zal ze niet geweest zijn met wat haar allemaal overkomen was; ze overleed al in 631, een jaar voor Mohammeds overlijden.

Umm Habiba, die van huis uit Ramlah heette, was een dochter van Abu Sufyan, bij een andere vrouw dan Hind. Ze was een nicht van Uthman. Wellicht ook een weduwe, en op voorspraak van Uthman vrouw van Mohammed geworden. Ze komt nog een keer in het verhaal voorbij.

 

Safihah bint Huyayy was de dochter van Mohammeds vijand Huyayy, sjeik van de Bani Nadir die door Mohammed uit Medina was weggewerkt met achterlating van hun bezittingen en die zich in de rijke oasestad Khaybar hadden gevestigd. Bij het beleg van Medina was Huyayy gemene zaak gaan maken met de laatst overgebleven Joodse stam, de Qurayza. Toen die stam na het voor de moslims zo fortuinlijk afgelopen beleg door Mohammed schuldig was verklaard en de mannen werden onthoofd tijdens een massaslachting, was ook Safihah’s vader onthoofd.

Safihah zelf was in Khaybar getrouwd met haar neef Kinana, die nu stamhoofd van de Nadirstam werd en schatbewaarder van de hele stad. Haar verhaal wordt vervolgd bij de inname van Khaybar.

Ook de schone Safihah en pas 17-jarige baarde, moslima geworden, Mohammed geen kind. Niettemin waren Aisha en Hafza bijzonder op haar gebeten, en bleven haar als een verachtelijke Jodin pesten. Mohammed nam het voor haar op en ried haar aan bij de volgende pesterij te wijzen op haar hoge afkomst als een verre nazate van de profeet Aaron en van Mozes zelf. Op zich een teken dat Mohammed zijn Islam zeer schatplichtig aan het Jodendom heeft geacht.

Safiha zou later de partij van kalief Uthman kiezen, hem van voedsel en water voorzien toen deze belegerd werd. Ze overleed in 672 en ook zij kreeg haar graf in de Jannat al-Baqi, het kerkhof bij Medina, waar alle vrouwen en gelieven van de Profeet, alsmede hijzelf, begraven liggen.

 

Dat ook deze jeugdige vrouwen niet zwanger werden van Mohammeds nachtelijke bezoeken, kwam doordat Mohammed coitus interruptus toepaste. Ik vermoed dat hij gewoon te arm was om zijn vrouwen kinderen te laten krijgen: hij had nu al moeite genoeg om hen allen te voeden. Hij kon ook niet één van hen zwanger laten worden want dat zou hem de woede van de overige jonge vrouwen hebben bezorgd. Dat zijn zaad er nog steeds vruchtbaar genoeg voor was, gaat nu blijken. Dat bijzondere geval is de Christen-slavin Maria al-Qibtiyya.

Mohammed stuurde in augustus 628 (dus daar krijgen we het nog over) een brief naar verschillende potentaten in de regio waarin hij deze verzocht om zich tot het nieuwe geloof te bekeren. Tot de aangeschreven machthebbers behoorde de patriarch van een Melkitische (Grieks-orthodoxe) gemeenschap in Alexandrië. Deze schreef terug dat hij al van geloof voorzien was maar deed zijn welwillende antwoordbrief vergezeld gaan van geschenken. Behalve de muilezelin Duldul en een bundel mooie kleren waren dat de mooie slavin Maria en haar zuster Sirin.

Mohammed schonk Sirin aan de dichter Hassan ibn Thabit maar behield Maria als concubine.

Tot grote verontwaardiging van Aisha en Hafsa – ook enkele der andere jonge vrouwen zal het gestoken hebben – bleek Mohammed weldra bijzonder verkikkerd op Maria.

Mohammed bracht altijd de nacht door bij een van zijn vrouwen, om toerbeurt om jaloezie te vermijden. Maar bij deze Maria leek hij niet weg te slaan. Hafsa loerde een keer naar binnen en zag hen vrijen! Toen de anderen dat hoorden, waren de poppen aan het dansen. Toen Maria enige maanden later ook nog zwanger bleek te zijn, keerden ze zich als één vrouw tegen Maria. Maria vluchtte de stad uit en maakte voor zichzelf een hut in Mohammeds boomgaard.

En wat deed Mohammed? Hij trok bij Maria in en bleef bijna een maand lang bij haar; ze moesten het maar bekijken, die feeksen. En natuurlijk produceerde hij weer een passende ingeving van Boven: Soera 66 vers 4. Natuurlijk weer in duistere taal, maar uitleggers geven de Soera ongeveer als volgt weer: “Als jullie beiden (doelend op Aisha en Hafsa) berouw tonen tegenover God, is dat beter voor jullie. Want jullie harten zijn van het rechte pad aan het afdwalen door je te keren tegen de Profeet. Maar die wordt beschermd door God en zijn engel Gabriël. Hij geniet de steun van de engelen en van de rechtgelovigen.”

Het is nooit meer goed gekomen tussen Aisha en Mohammed, ook al is het een ‘gewapende vrede’ gebleven, uit wederzijds opportunisme. Maar dat Mohammed bij deze slavin een kind gemaakt heeft en niet bij zijn als favoriete aangemerkte Aisha, heeft haar intens gegriefd. En op zijn sterfbed heeft Mohammed dat moeten ondervinden. Maar zover is het nu nog niet.

In maart 630 beviel Maria van een zoon. Mohammed was buiten zichzelf van blijdschap: eindelijk een zoon! Toch nog. Als 60-jarige! Een zoon! Hij noemde hem Ibrahim. Hij vierde diens geboorte met het uitdelen van een maat graan aan alle arme families, en besteedde Ibrahim uit aan de zorg van Umm Sayf, een vroedvrouw, die zeven geiten bezat en dus genoeg melk had voor de pasgeborene.

Toen zijn vrouwen zagen hoe blij Mohammed was, trokken de meesten wat bij. Oem Salama en Sawda zullen zeker Maria bijgestaan hebben bij de bevalling. Die zal ook niet in dat hutje hebben plaatsgevonden.

Als trotse vader liep Mohammed elke dag een uur lang rond met zijn zoon in de armen. Toen hij op zekere middag zo bij Aisha binnen liep, en haar verzekerde dat de kleine groeide als kool en echt wel op hem leek, zei ze pinnig dat elke baby met zoveel melk zou groeien als kool en dat ze helemaal geen gelijkenis zag. Ja, dat was ook niet echt fijngevoelig van Mohammed, om Aisha zo te confronteren. Zou Ali nooit gedaan hebben.

Ik heb het idee dat dit jaar met Maria de gelukkigste tijd voor Mohammed geweest is sinds zijn vroege huwelijksjaren met Khadijja. Ik vermoed ook dat Mohammed er beter aan gedaan had om de kleine gewoon bij zijn moeder te laten en dat borstvoeding heel wat beter is dan geitenmelk. In elk geval stierf de kleine Ibrahim nog hetzelfde jaar 630. Mohammed was ontroostbaar.

Nog één vrouw te gaan. Maymuna bint al-Harith was rond de 30 toen ze de 58-jarige Mohammed ten huwelijk vroeg. Dat was toen deze in 629 voor het eerst weer de hadjj had kunnen doen, met zijn moslims, ingevolge het Verdrag van Hudaybiyyah het jaar daarvoor. Wat Barrah (zo heette ze, maar Mohammed noemde haar Maymuna) bewogen heeft is mij onbekend. Ze was een halfzuster van de overleden Zaynab, en van Asma, één van de vrouwen van Abu Bakr. Wellicht was ze weduwe en wist ze dat die makkelijk bij Mohammed terecht konden, zeker als ze fruitig waren. In elk geval stemde Mohammed toe en ze huwden in Sarif, 16 km buiten Mekka.

 

Zijn de vrouwen beter af geworden door de Islam vergeleken met de tijd vóór de Islam, de Jahiliya, de tijd der ‘onwetendheid’ zoals die door de moslimgeleerden smadelijk genoemd wordt?

Ik dacht het niet. In de tijd dat de Arabieren nog vrijelijk veelgodenvereerders waren, was er sowieso verdraagzaamheid tegenover elkaars geloof. Het was dan wel een machisten-maatschappij, maar de vrouwen genoten toen toch veel meer vrijheid. Ze reisden zonder toestemming te hoeven vragen van echtgenoot of broers, ze konden naakt de tawaaf doen rond de Ka’aba zonder bang te hoeven zijn voor geile verkrachters, ze konden zeker zo goed sura’s (kernachtige spreuken of verzen) produceren als mannen, ze vergezelden de mannen bij hun gazwa’s, om bijstand te verlenen en aan te moedigen met krijgsgezangen en vooral: ze konden rijkdom verwerven. Zoals bijvoorbeeld Khadija, die van twee overleden mannen geërfd had en door eigen ondernemingszin de rijkste vrouw van Mekka geworden was. En menig profeet was een vrouw.

 

Naakt de tawaaf doen? Dat was een oeroude religieuze traditie rond de verering van de baetyls, de heilige stenen, een vorm van verering die algemeen was in Arabië en de Levant. Om de vereiste rituelen zo zuiver mogelijk te doen, ontdeed men zich van de kleding waarin met alledaagse zondige daden deed. Mohammed maakte er voor moslims een einde aan en toen hij de Ka’aba van Mekka van heidendom gezuiverd had, mocht het van hem ook daar niet langer. Maar ook vandaag mogen de moslims niet in hun gewone kleren aan de tawaaf doen: die moeten ze uittrekken, tot en met hun schoenen. Ze moeten een linnen doek om zich heen slaan en slippertjes dragen. Ach, de islam draagt meer ‘heidense’ elementen in zich dat de twee andere monotheïsmen bij elkaar.

  1. De slag om Khaybar, 628

De Joodse Nadirstam was verdreven uit Medina. Naar een tamelijk gezochte aanleiding, vergelijkbaar met die welke de massamoord op de Qurayza moest rechtvaardigen. Vermoedelijk doordat het weerstaan van het grootste leger dar Arabië ooit had aanschouwd, een toestroom van strijders had veroorzaakt, die zeer welkom waren maar wel gevoed en gehuisvest moesten kunnen worden.

De Nadir, immers succesvolle kooplui en ambachtslieden, en ook de Qaynuqa, beroemde wapensmeden, waren met open armen ontvangen door de Joodse stammen in de Khaybar-oase, 150 km ten noorden van Medina.

Ook Khaybar was – net als Medina – als oase gevormd door lava-uitvloeiingen van vroegere vulkaanerupties, waardoor winterregens die elders in de dorre woestijn via wadi’s verzonken in het droge zand, worden opgevangen in natuurlijke bekkens die rijkvloeiende bronnen opleveren.

Ook daar hadden zich vanaf 70 AD Joodse stammen gevestigd om er graanvelden en andere voedselgewassen te telen. Maar de oase was vooral beroemd om zijn dadelpalmen. Wat voor ons ‘water naar de zee dragen’ betekent, betekende in toenmalig Arabië ‘dadels naar Khaybar dragen’. En dadels vormden voor Arabieren het hoofdvoedsel.

Ook daar woonden de stammen in afgezonderde versterkingen, gescheiden door lava-uitlopers of moerassen, en omringd door velden en palmboomgaarden. De forten, woonhuizen, stallen en pakhuizen waren tegen de hellingen gebouwd zodat ze makkelijker te verdedigen waren. Je moet steeds bedenken dat er geen overheid was om te hulp te roepen als rechten werden bedreigd, en dat de Bedoeïenen-stammen leefden van roofovervallen op waar maar wat te halen viel. Iedere familie, clan of stam woonde in versterkingen en burchten.

De Nadir integreerden daar snel en werden onder Huyayy zelfs de leidende stam. Maar de meeste Nadir verlangden terug naar hun eigen Medina en hun eigen huizen en bezittingen. Het was dan ook Huyayy geweest die de Mekkanen tot een Entschluss-aanval op Medina had overgehaald, en die voor het grootste leger had gezorgd dat Arabië ooit bij elkaar had gezien. Na het mislukte beleg hadden de Nadir, op hun leider Huyayy na wiens gegeven woord hem noodlottig was geworden, zich weer in Khaybar teruggetrokken. Maar voor Mohammed bleven ze een bedreiging vormen.

Een niet onbelangrijk argument voor Mohammed om het waagstuk van de verovering van Kaybar aan te gaan, was zijn behoefte aan inkomen voor het onderhoud van zijn vrouwen, aan middelen voor zijn groeiende aanhang van kansloze jonge Arabieren die zich bij hem aansloten om een beter bestaan te krijgen. En vooral zijn behoefte aan ‘kapitaal’ waarmee hij verdere veroveringstochten zou kunnen financieren. Als hij er in zou slagen, het rijke Khaybar te veroveren, zou hij in één klap van én zijn grootste vijanden én van al zijn financiële problemen verlost zijn. Ik vermoed dat zijn raadsman Salman ook hier een behoorlijke inbreng heeft gehad.

 

Er had zich ook een dringende reden aangediend voor een spoedige aanval op Khaybar. De mare van Mohammeds toegeeflijke verdrag van Hudaybiyya had niet alleen Omar en diens medestanders een nederlaag toegeschenen, het had ook de Joden in Khaybar de indruk gegeven dat de moslims aan het verzwakken waren. De nieuwe leider van Khaybar bezocht de Ghatafan-Bedoeïenenstammen tussen Khaybar en Medina en spoorde hen aan om raids uit te voeren op de landbouwvelden en weidegronden bij Medina. Die deden dat graag.

Een perceel waar Mohammeds kamelen graasden werd overvallen. De jongen die de kamelen hoedde werd bij de raid gedood. De aanvallers gingen er met de kamelen van door en ook met diens moeder die toevallig zijn eten was komen brengen. Gelukkig hadden moslims de overvallers nog weten tegen te achterhalen en de moeder en de kamelen te heroveren.

Maar voor Mohammed was het duidelijk dat hij de dingen niet langer op hun beloop kon laten.

 

In mei 628 vertrok het moslimleger, ruim 1500 voetvolk en ruim 150 ruiters. Tegenover een stad als Khaybar was dat toch een waagstuk. Het was op dat moment misschien wel de sterkst verdedigbare stad van Arabië, topleverancier van de beste en fraaiste harnassen, helmen en zwaarden. Het omvatte acht forten. Het sterkste ervan was al-Qamus, dat ook nog eens de best getrainde vechters van de hele stad huisveste en waarvan de aanvoerder Merhab de befaamdste vechtersbaas was van heel het toenmalige Arabië.

De moslims echter beschikten over een fanatieke strijdersmeute, vol vertrouwen dat hun Allah hen onoverwinnelijk maakte. Maar belangrijker: ze beschikten over Salman, die niet alleen nieuwe kennis had over belegeringstechnieken maar ook over de gedisciplineerde Romeinse en Perzische manieren van veldslagen leveren. Heel wat effectiever dan die van de Arabieren, bij wie het alleen ging om buit behalen en persoonlijk heldendom; door snelle verrassingsaanvallen en wegwezen zodra het tegenzat. Hit and run, dat was de Bedoeïenen- manier van slag leveren.

 

Salman (soort Rinus Michels) leerde dat de kracht van een leger bestond uit opvolgen van orders van commandanten aan luitenants met ieder zijn eigen afdelingsbanier, en ingevolge een tevoren uitgedokterd aanvalsplan. Hij had in de voorafgaande maanden afdelingen gevormd van de beschikbare strijdkrachten; had zelfs pogingen ondernomen tot het drillen ervan, en discipline geoefend: strikte gehoorzaamheid aan je luitenant.

Salman had ook de plaatselijke situatie verkend, en een plan ontworpen om fort voor fort aan te vallen en in te nemen, te beginnen met de makkelijkste.

 

Inderdaad wisten de moslims het ene na het andere fort in te nemen. Met behulp van het wapentuig dat uit de veroverde opslagplaatsen tevoorschijn kwam – en dat bleken soms ook belegeringsmachines te zijn – werden de volgende onder handen genomen.

Maar het al-Qamus-fort bleek inderdaad het struikelblok. Abu Bakr met zijn afdeling liep er op stuk. Omar met de zijne faalde eveneens. De moraal onder de moslims zakte.

Mohammed haalde die avond alles uit de kast en beloofde dat wie het fort zou innemen, voor altijd als de ‘leeuw van de Islam’ te boek zou staan. Hij zou de volgende dag iemand uitverkiezen om het wonderzwaard Dhu’l Fiqar te mogen dragen.

Zodra de zon was opgestaan, stond menig moslimaanvoerder paraat om de standaard van Mohammed in ontvangst te nemen en Dhu’l Fiqar omgord te krijgen. Maar Mohammed vroeg waar Ali was. Die was nog in zijn tent, bezig zijn harnas aan te trekken. Mohammed reikte Ali de standaard en omgordde hem met Dhu’l Fiqar.

Vandaag ging het om alles of niets.

En het zou alles worden. Het spannendste moment was, toen na een paar bestormingen er even gepauzeerd werd en Merhab volgens de Arabische oorlogvoering Ali uitdaagde voor een tweegevecht.

Merhab was groot van gestalte, op en top geharnast. Hij droeg twee zwaarden, elk aan een andere zij; maar zijn sublieme wapen was … een drietandige lans.

Ali was middelmatig qua lengte maar wel behoorlijk fors gebouwd. Hij had rossig haar en een wilde baard. Ali was eigenlijk in alles het tegendeel van de schreeuwerige maar als het er op aankwam niet bijster dappere Omar. Ali zei nooit veel, dronk nooit en drong zich nooit op. Hij bekeek elke situatie in alle rust en wist vervolgens van geen wijken.

Ook nu niet. Hij deinsde wel achteruit toen Merhab hem met dat vreemde wapen aanviel. Maar hij herstelde zich, zette zijn sublieme schermkunst in, weerde de drietand met een schijnbeweging af en in dezelfde seconde sloeg Dhu’l Fiqar dwars door Merhabs helm én hoofd.

 

Onverwacht beroofd van hun aanvoerder trokken de Joodse strijders zich terug binnen hun burcht Qamus. Door middel van Salmans aanwijzingen en een buitgemaakte, van dadelpalm vervaardigde, stormram werd een bres geslagen. Er volgde een man tegen man gevecht waarbij Ali zijn schild verloor. Hij rukte een deur uit zijn hengsels en gebruikte dat verder als schild.

De overwinning was een feit toen de belegerden zich overgaven; ze hadden 93 man verloren, waaronder hun kampioen Merhab. De moslims 19.

 

De verovering van Khaybar is één van de bepalendste momenten geweest in de hele onderneming van Mohammed. De muhajireen, de Mekkaanse volgelingen van Mohammed, waren, net als Mohammed zelf, totaal berooid in Medina gearriveerd en voor hun eten afhankelijk van de ansar, de Medinese Bedoeïenen. Dat was geen vetpot. De in beslag genomen bezittingen van de drie Joodse stammen van Medina hadden zeker al behoorlijk verlichting gebracht, maar de muhajireen waren stadmensen, geen agrarische ondernemers zoals de Joden, en het beschikbare voedsel moest met een groeiend aantal al even onproductieve strijders gedeeld worden.

Met de verovering van Khaybar viel de moslims een enorme rijkdom in de schoot. Een schat aan goud en zilver, gedurende eeuwen door de nijvere Joden vergaard in hun fortificaties. Grote kuddes paarden, kamelen, rundvee, schapen en geiten in hun stallen en weiden. Uitgestrekte bouwgronden en dadelpalmboomgaarden. Maar vooral wegens de opbrengst aan dadels, het hoofdvoedsel van de Arabieren. [Vergelijkt u het maar met de verovering van de oliebronnen door IS in Irak en Syrië.]

Aisha zou later vertellen dat het pas na de verovering van Khaybar was geweest dat ze zoveel dadels had kunnen eten dat ze verzadigd was. Khaybar was buiten kijf de rijkste oase van heel Arabië van die tijd.

 

Natuurlijk konden de moslims die opbrengst aan dadels niet zelf produceren. Ze waren handelaren, geen producenten. Mohammed had zijn moslims bovendien nodig als krijgers: hij wilde zijn Islam verbreiden over heel Arabië, dat was de bedoeling van zijn hele project. Mohammed liet dus de Joden van Khaybar in het bezit van hun land en vee en boomgaarden, maar bedong de helft van alle productie. Dat betekende alleen aan dadels al per jaar 200.000 korven, zo rijk was Khaybar. Mohammed benoemde een gouverneur en vestigde een moslimgarnizoen in het al-Qamusfort om de afdracht zeker te stellen.

 

Een kleinere Joodse oase, Fadak, niet ver van Khaybar, gaf zich hierna zonder strijd over aan de moslims. Ook daar benoemde Mohammed een gouverneur. Hij bestemde de helft van de productie van Fadak tot inkomen voor zijn vrouwen en zichzelf. En tot erfenis voor zijn dochter Fatima en haar man Ali, de held van Khaybar. Vanaf nu was Mohammed van zijn geldzorgen af.

 

Mohammed had zich uit de buit aan slavinnen van de overwonnen Nadirstam voor zichzelf de jonge en schone Safiha, de dochter van de door hem na het beleg van Medina vermoorde Nadir-sjeik Huyayy, uitgekozen. Ik heb haar al vermeld onder Mohammeds vrouwen, maar nu haar verhaal.

Safiha was, als gezegd, getrouwd met haar jonge en knappe neef Kinina, die Huyyayy was opgevolgd als Nadirleider en o.m. schatbewaarder van de Nadir was. Kinina werd nu door de moslims wreed gemarteld om hem de plek van de Nadirschat te ontwringen. Onder meer door een vuur te ontsteken op zijn borst. Kinana stierf zonder het geheim te hebben prijsgegeven.

Terwijl ze bezig waren Kinana te martelen, kwam er iemand binnen die vertelde dat Dihiya, een van Mohammeds strijders, zich had meester gemaakt van Safiha. Nou en? Ja maar, Safiha was heel fraai, die hoorde toe aan de Profeet. (De boodschapper misgunde Dihiya de fraaie buit en was daarom naar Mohammed gelopen.) Mohammed stuurde Bilal om Safiha op te halen. Bilal vond de schone, in gezelschap van haar twee nichten. Hij nam ze alle drie mee en de verontwaardigede Dihiya ging ook mee.

Niet bepaald fijngevoelig om de meisjes te confronteren met het misvormde lijk van hun broer en haar echtgenoot, en ze begonnen dan ook deerlijk te krijsen. Mohammed liet het lijk afvoeren en berispte Bilal om zijn gebrek aan fijngevoeligheid.

Mohammed zag dat de boodschapper gelijk had. Safiha was fraai en pas zeventien. Hij schonk aan de boodschapper één der nichtjes als slavin, aan Dihiya het andere en beloofde hem bovendien zeven kamelen uit de buit. Want sorry, hij moest inderdaad de dochter en echtgenote van een sjeik zelf als vrouw nemen, fatsoenshalve zie je.

Over fijngevoeligheid gesproken, Mohammed wenste haar diezelfde nacht nog te bezitten. De gechoqueerde Safiha wist de Profeet zich voorlopig van het lijf te houden door te zeggen dat ze ongesteld was. De volgende ochtend vroeg zag Mohammed een der ansars bij zijn tent staan. Die had daar de hele nacht op en neer gelopen. Waarom dat? vroeg Mohammed hem. De goede man was bang geweest dat een vrouw wier vader eertijds en nu zojuist haar jonge echtgenoot door de Profeet waren gedood, wraak zou hebben willen nemen.

 

Toch is Khaybar de Profeet op een andere manier noodlottig geworden: hij heeft er een vergiftiging opgelopen die hem drie jaar later zou doen overlijden. Of het door een vergiftigde pijl is geweest of door gif dat in een maaltijd was gedaan, weet men niet. Vanaf Khaybar is zijn gezondheid achteruitgegaan.

 

Bij de verovering van Khaybar moet ik ook denken aan waar IS zich door laat inspireren. Die verovert eerst oliebronnen en andere geldbronnen. Vervolgens verklaren ze alle andersgelovigen tot ongelovigen, vermoorden de mannen, op voorbeeld van Mohammeds massamoord op de Qurayza-mannen, eigenen zich de vrouwen toe als slavinnen voor eigen gebruik en de verkoop, en eigenen zich de woningen toe om met dit alles duizenden jonge ‘jihadisten’ uit de westerse landen te lokken. Om met hen heel het Midden-Oosten en verder te veroveren. Pure Islam toch? In elk geval treden ze in de voetsporen van de profeet.

  1. De tweede pelgrimage naar de Ka’aba (629)

In februari 629 was het Verdrag van Hudaybija met de Mekkanen een jaar oud: tijd voor de hadj. Opnieuw reisde Mohammed met zijn moslims naar Mekka. Nu met tweeduizend man sterk, dus logistiek een hele onderneming.

Ook voor de Mekkanen was het een opgave. Mohammed had laten weten, te rekenen op een ongestoorde pelgrimage voor zijn gelovigen, en verzocht dus om de haram,
het terrein rond de Ka’aba, vrij te laten van ongelovigen. Van zijn kant beloofde hij, ingevolge het Verdrag, om de godenbeelden met rust te laten en na drie dagen weer met zijn mensen te vertrekken.

De belangrijkste Quraysh hadden besloten om er dan maar een driedaagse picknick van te maken in de bergen. Vanaf de hoogte rond de Ka’aba konden zij, onder het genot van een goed glas wijn, bekijken wat de moslims daar beneden allemaal zouden uitvreten. En voor hun ogen ontrolde zich een wonderlijk schouwspel. Voorop ging de 60-jarige Mohammed op zijn kameel, die aan de teugel werd meegevoerd door Abdullah ibn Rawaha, een geletterde ansar-dichter. Ibn Rawaha was de man geweest die als eerste contact had gezocht met Mohammed, en die hem naar Medina had gehaald. Hij kreeg nu de eer om de Profeet Mekka binnen te leiden.

Mohammeds kameel werd gevolgd door een gedisciplineerde en schier eindeloze stoet in het wit geklede moslims, die het overwinningslied zongen dat de Profeet van Boven had ontvangen. Steeds opnieuw het Overwinningslied, tot allen zich rond de Ka’aba hadden verzameld.

Toen beklom Bilal het heilige gebouw en riep de moslims op tot het gebed, zoals ze dat in de moskee in Medina inmiddels gewend waren.

De Quraysh waren onder de indruk. Een nooit gezien vertoon van discipline zoals die menigte gehoorzaamde aan de oproep van … een slaaf! Een ex-slaaf weliswaar, maar toch. En in de witgeklede menigte was ook geen enkel onderscheid in rijk en aanzienlijk of arm en onaanzienlijk: allen waren gehuld in hetzelfde wit.

De preek van Mohammed, vanaf de trap van de Ka’aba, was vanaf die afstand niet te volgen, maar de vrome aandacht van de menigte zei genoeg. Hierna deed de menigte, voorafgegaan door Mohammed, weer op zijn kameel, de tawaaf, de zevenmalige rondgang om de Ka’aba, die dus ook voor moslims een heilig gebouw was, zijnde gesticht door Ibrahim, de oudste dienaar van Allah.

Hierna verliet de hele stoet, nog even ordelijk en gedisciplineerd, het terrein om terug te keren naar hun tenten buiten de stad.

De volgende dag voltrok zich op dezelfde tijd hetzelfde ritueel en ook de dag daarop.

De Quraysh wilden, toen de moslims na de derde keer de stad weer verlaten hadden, eindelijk weer naar huis, en stuurden iemand naar Ali om hem te vragen of dat kon. Volgens hen waren de drie dagen nu om. Ali ging met hun vraag naar Mohammed, en die gaf onmiddellijk orders om de tenten af te breken. De moslims vertrokken nog diezelfde avond en legden in de koele maannacht een flink eind af op weg naar huis.

Misschien het beste gevolg van deze triomfantelijke performance van zijn nieuwe geloof in Mekka is geweest dat twee belangrijke jonge Mekkanen, Khalid bin al-Walid en Amr bin Aas, zo onder de indruk waren geraakt van dit vertoon dat ze naar Medina vertrokken, hun diensten aan Mohammed aanboden en moslims werden. Een aanwinst voor hem en zijn beweging: ze zouden als generaals belangrijke overwinningen op hun naam schrijven. Te uwer herinnering: het was Khalid geweest die in de slag bij de Uhud de overwinning van de Mekkanen had ingeleid door zijn slimme omtrekkende beweging en aanval van achter. Khalid was een militair genie, maar verder een gevoelloze schoft. Dat laatste zou hem opbreken en roemloos laten sterven.

  1. De slag bij Mootah, sept. 629

In augustus 629 liet Mohammed een brief opstellen en versturen naar alle heersers van de hem bekende wereld. Hij moet het sinds Khaybar en de succesvolle hadj naar Mekka, hoog in de bol gekregen hebben. De brief, bevattende een beleefde uitnodiging om toe te treden tot de Islam, zijnde het nieuwe Licht der Wereld, was gericht aan de Byzantijnse keizer, de Negus van Abessinië, de Romeinse gouverneur van Egypte, de prins van de Ghassaniden die nu de Syrische vazalstaat vormden van de Byzantijnen, aan de leider van de Banu Hanifa in zuidoost Arabië, en zo nog wat hoge leiders.

Weinig machthebbers verwaardigden zich op Mohammeds brief te reageren. Eén reactie was een leuke: die van de Patriarch van de Melkiden in Alexandrië, die hem Maria en Ibrahim hebben opgeleverd. En de muilezel Duldul natuurlijk.

Een minder leuke was die van de Prins van de Ghassaniden, Shorhail. Residerend in Bosra, een belangrijke handelsstad, oostelijk van de Dode Zee, in het huidige Jordanië, las die de brief en achtte zich zo beledigd door zo’n uitnodiging van een belachelijke woestijnprofeet dat hij de brenger ervan liet executeren. Mohammed, die zich al een grote speler achtte op het wereldtoneel, beschouwde dit als een flagrante schending van internationaal geldende afspraken om afgezanten ongemoeid te laten. Hij voer er over uit in zijn vrijdagpreek in de moskee en rustte een leger van 3000 man uit. Als aanvoerder benoemde Mohammed zijn aangenomen zoon Zaïd. Tweede man werd ibn Rawaha, de vrome ansar-dichter die Mohammeds kameel had mogen leiden naar de Ka’aba. Als derde vaandeldrager benoemde Mohammed Ali’s broer Jaafar.

Jaafar was kort daarvoor teruggekeerd uit het christelijke Abessinië (Axum), waar de benarde Mekkaanse moslims welkom waren geweest en waar velen hunner een bestaan hadden opgebouwd. Maar Jaafar had zulke goede dingen over zijn broer gehoord dat hij nu ook terug was gekomen om zijn steentje bij te dragen. Mohammed was heel blij geweest bij het onverwachte weerzien en zond hem nu mee in plaats van Ali.

 

De Ghassaniden waren als vazallen van de Byzantijnen miafysitische christenen geworden. Shorhail versterkte zijn eigen troepen met een contingent Romeinse soldaten van het garnizoen in Bosra en wachtte de moslims rustig op bij het plaatsje Mootah.

Bij aankomst werd het de moslims meteen duidelijk dat ze tegenover een onhaalbare overmacht stonden. Zaïd stelde voor om voorlopig niet aan te vallen en versterkingen af te wachten, waarvoor hij terstond iemand terugstuurde.

Maar de vrome ansar ibn Rawaha riep dat dit een teken van gebrek aan vertrouwen in Allah en diens Profeet was: ze moesten gewoon aanvallen en zich desnoods doodvechten. Zie je, daar heb je het geloofsfanatisme van de ansar al.

Wie dit ronduit gekkenwerk vond was Khalid; maar naar hem werd nog niet geluisterd.

 

Want Ibn Rawaha kreeg zijn zin en de aanval tegen de overmacht werd ingezet. En het bleek inderdaad gekkenwerk. De eerste vaandeldrager die sneuvelde was Mohammeds trouwe Zaïd. Ibn Rawaha nam de standaard over en legde ook al snel het loodje. De derde, Ali’s broer Jaafar onderging hetzelfde lot, maar niet nadat eerst zijn ene hand met de standaard was afgehakt, vervolgens zijn andere hand, waarna hij de standaard nog onder een oksel overeind wist te houden. Maar niet lang: hij werd van achter aangevallen en geveld. Onmiddellijk greep Walid nu de standaard en die wist, zich werend als een leeuw en tot zes maal toe een nieuw zwaard vragend, staande te houden tot de tegenpartij wegens invallend duister de strijd staakte. Morgen was er weer een dag tenslotte.

 

Beide partijen trokken zich met medenemen en begraven van hun gevallenen terug in hun kampementen. De moslims beraadden zich. Na veel over en weer geredeneer werd Khalid nu tot de nieuwe aanvoerder gekozen.

Khalid overtuigde de moslims dat de strijd voortzetten echt gekkenwerk was, en dat de Islam daar niet mee gediend zou zijn. Het ging er, gezien de absolute overmacht, nu om dat ze met zoveel mogelijk overlevende strijders in Medina zouden kunnen terug keren. Hij legde daartoe een bijzonder sluw plan voor en dat werd inderdaad uitgevoerd.

De moslims ontkwamen zonder verdere verliezen naar de voor hen veilige woestijn. De Romeinen wagen zich daar met hun paarden niet in. De woestijn was het domein van de Bedoeïenen, die beschikten over dromedarissen, de ‘schepen der woestijn’. Trouwens, waarom zouden de Romeinen ook: dat zootje woestijnnomaden zou zijn lesje nu wel geleerd hebben.

 

In plaats van als helden ontvangen te worden in Medina, werden de terugkeerders door ettelijke ansar van het kaliber van Abdullah met hoon overladen, zodat Mohammed tussenbeide moest komen, betogend dat deze helden het tegen een overmacht van Romeinen hadden weten uit te houden en dus eigenlijk overwinnaars waren.

 

Maar het was wel degelijk een nederlaag. Te wijten aan onvoldoende kennis omtrent de wereld buiten de Arabische woestijn.

Een nederlaag die niet zonder gevolgen bleef. De Bedoeïenen-stammen namen grif aan dat de macht van de moslims door deze nederlaag gebroken was en dat ze met gerust hart een ghazwa (strooptocht) op Medina zouden kunnen ondernemen. De eerste dreiging kwam van Bedoeïenen ten noorden van Medina, de Qad’ha.

Mohammed stuurde een legertje van 300 man onder leiding van Amr, de kameraad van Khalid. De laatste was zo teleurgesteld door de smadelijke ontvangst na de terugkeer van Mootah dat hij feestelijk bedankte voor de eer.

Maar ook Amr bleek een bekwaam aanvoerder. Toen ze de Bedoeïenen genaderd waren, zag hij dat de Qad’ha een aantal nabuurstammen hadden weten mee te krijgen. Het was weliswaar een wanordelijke verzameling krijgers, maar wel een overmacht. Dus hij viel niet aan, en stuurde iemand terug om versterking te vragen. Ditmaal zond Mohammed die onmiddellijk: 200 man, waarvan 30 ruiters. Onder leiding van Abu Obaidah, een van Mohammeds vroegste Vrienden en volgelingen, vriend van Abu Bakr en algemeen geacht. Ook Abu Bakr en Omar waren meegekomen.

Obaidah veronderstelde dat hij nu de leiding zou overnemen, maar Amr liet zich niet overbluffen en hield de leiding.

Die nacht was het koud, en velen maakten een vuurtje om zich te warmen. Amr verbood het. Omar en Abu Bakr lieten zich niet commanderen en hielden hun vuurtje aan. Amr kwam er op af en maakte hen duidelijk dat hij het vuur persoonlijk zou doven door hen er op te gooien. Omar keek naar Abu Bakr. Die zei: wij zijn maar kooplui, Omar. Amr heeft verstand van oorlogvoeren, we moeten gewoon doen wat hij zegt. En hij maakten hun vuur uit.

De volgende dag joegen de moslims de Bedoeïenen op de loop. Natuurlijk wilden de moslims er meteen achteraan, belust op buit. Amr verbood het.

Ze keerden terug naar Medina. Daar bekloeg Omar zich bij de Profeet over de onbeschofte behandeling door Amr. Amr legde uit dat vuurtjes aan de Bedoeïenen zouden hebben verraden dat de moslims met weinig troepen waren. Een achtervolging van de Bedoeïenen in een terrein dat die op hun duimpje kenden maar waar de moslims onbekend mee waren, zou zeker op een nederlaag zijn uitgedraaid.

De Profeet stelde Amr in het gelijk. Bovendien was het de Bedoeïenen met deze slag voldoende duidelijk gemaakt dat er met de moslims nog steeds niet te spotten viel.

  1. De verovering van Mekka, februari 630

Dat Mohammed met zijn Islam door de Bedoeïenen als een flagrante inbreuk op hun aloude woestijncultuur werd gevoeld, en door de Mekkaanse rijken als een ziekte die met alle middelen diende te worden bestreden, die overtuiging leefde nog steeds bij velen. En ook de Mekkanen hadden nieuwe hoop gekregen door de nederlaag van de moslims tegen de christelijke en Byzantijnse Ghassaniden.

Na hun aanvankelijke triomfgevoelens over het door Mohammed zo gewillig getekende Verdrag van Hudaybijah hadden de Mekkanen inmiddels ingezien dat Mohammed hen hiermee toch een oor had aangenaaid; dat ze hiermee het bestaan van een zelfstandige moslimstaat in hun Hejaaz hadden erkend, alsmede de Islam van Mohammed als een reëel geloof.

Maar nu gebleken was dat de moslims toch niet onoverwinnelijk waren met hun beweging, hoopten ze het Verdrag ongedaan te kunnen maken. Elke aanleiding was welkom.

 

Het Verdrag had beide partijen toegestaan, overeenkomsten aan te gaan met wie ze wensten. Daar hadden twee elkaar op leven en dood bevechtende Bedoeïenenstammen, de Banu Khoza’a en de Banu Bakr, gebruik van gemaakt en elk was een alliantie aangegaan: de Banu Khoza’a met Mohammed en de Banu Bakr met de Quraysh.

Het Verdrag had tot nu toe wederzijds bloedvergieten verhinderd. Maar al twee maanden na het bekend worden van de nederlaag van de moslims bij Mootah vielen Banu al-Dil, van de Banu Bakr, een groep Khoza’a aan; beide groepen waren op bedevaart in Mekka. De Khoza vluchtte naar de haram,
het besloten terrein rond de heilige Ka’aba waar niet gevochten mocht worden; de Bakr zetten echter zelfs daar de aanval voort en doodden verscheidene Khoza’a. De overigen Khoza’a vluchtten de huizen van bevriende families binnen.

Het kwalijke was niet alleen dat de Quraysh dit niet verhinderd hadden, maar dat zelfs enige Quraysh hadden meegevochten, waaronder nota bene één der ondertekenaars van het Verdrag.

Het stamhoofd van de Khoza’a begaf zich naar Medina en bekloeg zich over de flagrante schending van het Verdrag. Mohammed stuurde onmiddellijk een afgevaardigde naar de Quraysh met de keuze: óf bloedgeld betalen voor de omgekomen Khoza’a, óf het Verdrag opzeggen.

Veel heethoofden onder de Quraysh gingen nu voor het laatste, en ze kregen de meerderheid mee.

De afgevaardigde keerde met deze boodschap terug.

 

Abu Sufyan, de leider van de Mekkanen, en enige andere ouderen kregen het nu echter benauwd. De Mekkanen waren geen partij meer voor Mohammeds strijdmacht. Het opzeggen van het Verdrag, nog vóór de daarin afgesproken tien jaar, zou hun ondergang kunnen betekenen.

Abu Sufyan reisde af naar Medina. Daar was men echter al van zijn komst op de hoogte.

Aangekomen begaf Abu Sufyan zich eerst naar het huis van zijn dochter Ramla, die nu als Umm Habiba een van de vrouwen van de Profeet was geworden. Hij zette zich bij haar neer op het kleed, in afwachting van een welkomstdrankje. Maar Umm Habiba trok het kleed onder hem vandaan: dat zat de Profeet altijd! Daar mocht hij als ongelovige niet op zitten!

Na deze grove belediging begaf Abu Sufyan zich naar Abu Bakr en Omar. Maar die deelden hem mee dat Mohammed hem niet wenste te ontvangen.

Mohammed had het ultimatum niet zomaar gesteld: het was nu tijd voor spijkers met koppen! De opzegging van het Verdrag kwam hem bijzonder goed uit, nu hij zich met de dag beroerder begon te voelen. Hij voelde dat hij die afgesproken tien jaar niet zou halen.

Er restte Abu Sufyan niets anders dan met lege handen terug te keren naar Mekka.

 

Mohammed mobiliseerde zijn troepen. Begin februari 630 vertrokken ze naar Mekka, en nu niet ter pelgrimage.

Het bericht van de komst van het moslimleger veroorzaakte nu paniek in Mekka. De daar wonende leden van Banu Hashim en Banu Muttalib verlieten de stad en sloten zich bij hun familielid Mohammed aan. Het moslimleger had de tenten opgeslagen in de oase Merr ad-Dharran, een paar kilometer buiten de stad. Mohammeds oom Abbas bin Abdul Muttalib uitte zijn bezorgdheid dat het op een enorm bloedbad zou uitdraaien. Mohammed zei: dat hangt helemaal van de Mekkanen zelf af.

Abbas leende Mohammeds muilezel Duldul en reed het kamp uit. Overal brandden kampvuurtjes, op orders van Mohammeds generaals: dan konden de verspieders van de Mekkanen een indruk krijgen van wat er te wachten stond. Buiten het kamp stuitte Abbas op Abu Sufyan en diens metgezel. Ze waren poolshoogte komen nemen en waren radeloos bij de aanblik van die zee van kampvuren.

Abbas liet Abu Sufyan achter zich op Duldul zitten en zorgde zo voor een vrijgeleide door het kamp. Op weg naar Mohammeds tent werden ze aangehouden door Omar. Die gaf luid en duidelijk te kennen dat hij Sufyan ter plekke wilde kelen. Abbas zei dat hij borg stond voor Sufyan. Ze begaven ze zich naar Mohammeds tent. Maar die was moe van de reis – en dat was geen smoesje –, wilde eerst zijn nachtrust en zou hen morgen te woord staan.

De volgende ochtend meldde het drietal zich door het ongeduld van Omar al vroeg bij Mohammed. Omar vroeg toestemming om Sufyan ter plekke te mogen doden, en trok alvast zijn zwaard . Mohammed nodigde Sufyan beleefd uit om de Islam te accepteren. Dat was voor Sufyan wel erg veel gevraagd. Maar Abbas verzekerde hem dat bij weigering Omar niet langer zou kunnen worden tegengehouden. Dus zei Sufyan, om het vege lijf te redden, de door Abbas voorgezegde vereiste geloofsbelijdenis na.

Hierna verzocht Abbas aan Mohammed om van zijn kant een toezegging te doen. Mohammed zegde Sufyan toe dat het leven van elke Mekkaan in Sufyans huis zou worden gespaard, alsook dat van elke Mekkaan die bij de binnenkomst van de moslims in de stad binnenshuis zou blijven.

 

Abu Sufyan was behoorlijk opgelucht. Hij haastte zich terug naar Mekka en riep een bijeenkomst samen. Op de trap van de Ka’aba staand deelde hij de voorwaarden van Mohammed mee.

Nu ontstak zijn vrouw Hind in grote woede. Ze greep hem bij zijn baard en riep tot de Mekkanen dat haar man kinds geworden was. Dat ze hun stad moesten verdedigen en strijden tot de laatste man.

Maar hoe ze ook schreeuwde, ze kreeg van nagenoeg niemand bijval. Luid schreiend liep ze naar huis.

 

De volgende dag organiseerde Mohammed de inname van de stad. Hij posteerde op alle wegen erheen blokkades zodat niemand er meer ongezien in of uit kon. Ali met de standaard en een afdeling ruiterij posteerde hij aan de hoofdweg naar de stad. Aan de andere kant van de stad een afdeling infanterie onder Khalid. Mohammed gaf strikte orders om niemand te doden tenzij die zelf aanviel.

 

Nu bevond zich in Mohammeds gelederen ene Hateb. Diens familie was in Mekka achtergebleven toen hij zelf elf jaar geleden met de moslims was mee gevlucht naar Medina. Om zijn familie te redden in geval het op een nederlaag voor Mohammed zou uitdraaien en de wraak van de Quraysh ook hen zou treffen, schreef hij Mohammeds aanvalsplan op een briefje en liet die een koopvrouw voor een paar dirhams Mekka binnensmokkelen. Helaas voor hem had iemand hem met die vrouw bezig gezien en die stelde Mohammed op de hoogte. Mohammed gaf aan Ali’s blokkade de opdracht, de vrouw tegen te houden. Ze kwam zingend met haar koopwaar aangelopen en hield zich van de domme. Een brief? ze wist van niks. Hoe de bewakers ook haar mand omkeerden en haar kleren doorzochten, geen brief te vinden. Ali wist dat ze loog en legde haar het zwaard op de keel. Toen trok ze de brief uit d’r haar. Omar wilde nu Hateb ter plekke de kop afhakken maar Mohammed kende de arme stumper die gewoon iets voor zijn familie had willen doen. Hij zei dat Hateb dapper had mee gevochten in de slag bij Badr en dat ze hem moesten laten gaan.

 

Op zijn favoriete vrouwtjeskameel, met de jonge zoon van Zaïd voor zich op het zadel, trok Mohammed over de hoofdweg Mekka binnen. Hij hield het hoofd gebogen en zong zacht het Overwinningslied mee. Ali reed aan het hoofd van de cavalerie, met de standaard.

De intocht verliep zonder bloedvergieten. Op enkele doden na bij de door Khalid bemande blokkade, maar die hadden zich verzet, beweerde Khalid. Ja, er heerste veel dronkenschap onder de Arabieren in die jaren.

 

Acht jaar tevoren was Mohammed berooid en als een dief in de nacht uit Mekka weggeslopen. Maar nu hij als overwinnaar terugkeerde, wenste hij geen machtsvertoon. Het belangrijkste moest nog gebeuren: de Ka’aba moest ontdaan worden van de 360 godenbeelden, de schande van de door Ibrahim zelf gestichte Ka’aba.

Na afgestegen te zijn ontbood hij Ali.

Samen met hem, zonder wie dit alles niet zou hebben plaatsgevonden, besteeg hij de trap. Ze lieten de deur door de sleutelbewaarder openen. Een voor een werden de godenbeelden naar buiten gedragen, stuk geslagen en op een hoop gegooid onderaan de trap. Het beeld van Hubal, dat Abu Sufyan op een kameel had meegevoerd bij de grote aanval op Medina, stond op een hoge sokkel. Mohammed zette zich met zijn rug tegen de sokkel en liet Ali op zijn schouders klimmen. Zo kon Ali het beeld van de sokkel werpen.

Hierna waren de muurschilderingen in de Ka’aba aan de beurt. Ze werden er afgeschrobd met het heilige water van de Zamzambron. Er was ook een afbeelding van Maria en haar kind Jezus. Die mocht blijven. Want zij was de Moeder van Allah.

 

Het belangrijkste werk was nu verricht. Mohammed ontbood Bilal. Hij liet deze weer het dak beklimmen en de oproep voor het gebed doen. De hele menigte der moslims bad mee.

De doodvermoeide Mohammed besteeg zijn kameel en reed, gevolgd door al zijn volgelingen, zevenmaal rond de nu van afgodsbeelden gezuiverde Heilige Ka’aba.

 

Zo moet je je het Mekka voorstellen ten tijde van Mohammed. Afbeelding na lang scrollen bij Afbeeldingen gevonden. Dank u wel. Je ziet de Ka’aba, behangen met kleden. En je ziet het vergaderhuis. De open ruimte is de haram. Je ziet het bloedhete dal, zonder enige beschuttende begroeiing tussen de bergen gelegen. Vanwege de Zamzambron was het niettemin door de inspanningen van de voorouders van Mohammed, de Hashimclan, het belangrijkste pelgrimsoord van het schiereiland geworden

 

Hierna liet hij de Mekkanen uit hun huizen roepen en zich bij de Ka’aba verzamelen. Hij stond, omringd van zijn lijfwacht uiteraard en met zijn troepen op enige afstand, op de trap, de plaats voor alle belangrijke mededelingen.

 

Daarop had hij dertig jaar geleden gestaan toen hij zijn jonge slaaf Zaïd, als huwelijksgeschenk van Khadija gekregen, tot vrij man verklaarde toen die door diens vader en ooms was gevonden en werd teruggeëist, maar die toen te kennen had gegeven toch bij Mohammed te willen blijven. Zaïd had het leven had gelaten in de ongelijke strijd tegen de Romeinen; maar zijn zoontje was nu bij Mohammed.

 

Nu deelde Mohammed vanaf deze plaats de Mekkanen mee dat hij hen al het hem aangedane onrecht vergaf. Dat hij hen in vrijheid liet en hun bezittingen onaangetast. Dat hij slechts hun bayat (loyaliteitsverklaring) eiste, aan hem en aan de Islam. Dat hij niet meer dan de normale belastingafdracht aan zijn gouverneur eiste. Dat hij zo spoedig mogelijk de stad weer zou verlaten en terug zou keren naar Medina; maar dat de Ka’aba vanaf nu de plaats van Allah zou zijn voor heel Arabië; zoals de Ka’aba dat in feite al vanaf zijn stichting door Ibrahim geweest was.

 

De Mekkanen durfden hun oren niet te geloven. Iedereen wist welk een ellende en vernedering zij hem en zijn verwanten tot nu toe bezorgd hadden; nu waren zij in zijn macht en kwamen zij er toch zonder wraak mee weg? Dit was een voor Arabieren ongelooflijk vertoon van zachtmoedigheid.

Eén voor één kwamen de Mekkaanse mannen hun eed van loyaliteit en hun geloofsverklaring afleggen door hun hand op die van Mohammed te leggen en uit te spreken dat Allah de Ene Ware God was en dat Mohammed diens profeet was.

Dat de Mekkanen het niet allemaal zo grif deden blijkt uit het feit dat Abu Bak z’n oude vader, Abu Qahafa, persoonlijk naar de Profeet moest voeren.

De vrouwen liet hij hetzelfde doen op de hand van Omar. Hind deed dit, door Abu Sufyan geduwd en knarsetandend, als allerlaatste der vrouwen.

 

Niet allen mochten profiteren van zijn amnestie. Wie hij zeker door Ali wilde laten terechtstellen was de Ethiopiër Wahshi, de vrijgelaten slaaf van Sufyan en Hind; die had Mohammeds betreurde oom Hamza gedood. Toch bloedwraak dus. Maar Wahshi bleek al een week eerder uitgeweken te zijn naar Taïf.

Ook de bij Badr gevangengenomen jongeman die, vanwege zijn geletterdheid, door Mohammed in dienst genomen was als schrijver, raakte nu in de penarie. Abdulah was een aangenomen zoon van de broer van Uthman, een van Mohammeds Vrienden. Mohammed had meer schrijvers in dienst genomen maar deze Abdullah was bijzonder bekwaam. Hij had onder meer Ali leren lezen en schrijven en die was daar goed in geworden. Zo goed dat Ali tot een van de twee belangrijkste noteerders van de Koran was geworden. Mohammed had Ali het Verdrag van Hudaybiyah laten schrijven. Maar ook Aisha had toen veel van Abdullah geleerd.

Het was fout gegaan toen Abdullah bij het opschrijven van de vaak toch wel stuntelig vormgegeven recitatieven beter ‘lopende’ versies had voorgesteld. Mohammed had toen zo makkelijk gezegd: ja, doe dát maar, dat hij steeds meer was gaan twijfelen aan de goddelijke herkomst ervan. Tenslotte was hij afgehaakt en was teruggegaan naar Mekka. Daar had hij verkondigd dat de ‘ingevingen van Boven’ van Mohammed gewoon uit diens eigen koker afkomstig waren. Dit was Mohammed ter ore gekomen. Nou, dat kon die natuurlijk niet hebben. Dus wilde hij nu ook Abdullah laten onthoofden. Maar Uthman wist Mohammed te bepraten. Mohammed kon Uthman natuurlijk moeilijk verplichten tot bloedwraak op zichzelf! Toch een moeilijke beslissing voor een Profeet.

  1. De organisatie van de moslimstaat

Als je, lezer, nu soms dacht dat Mohammeds klus hiermee geklaard was, dan heb je het mis. Toegegeven, Mohammed was nu, na twintig jaar van moeizaam profeetschap, waarvan de laatste tien jaar barre ellende en krappe overleving, de baas geworden over de mensen die het hem zo moeilijk gemaakt hadden. Maar denk niet dat bijvoorbeeld de leden van de Banu Umayya nu overtuigde moslims waren. Ze hadden alleen geen macht meer; maar hun stille vijandschap tegen de hele moslimbeweging en tegen Mohammed in het bijzonder bleef onverminderd groot. Uiterlijk waren ze onderdanig, maar Mohammed keek er wel voor uit om iemand van hen, hoe bekwaam ze er ook voor waren, een leidende functie te geven in zijn nieuwe moslimstaat.

 

Mohammed stond nu voor de taak om een begin te maken met waar het hanif Zayyeed en hemzelf en zijn Vrienden allemaal om begonnen was: om alle Bedoeïenen te bekeren tot het Eenheidsgeloof in Allah. Zodat de handel voortaan onbelemmerd door overvallen kon opbloeien; net zoals dat bij de Christenen en de Joden en de Perzen het geval was, in wier landen de ‘wilde stammen’ alle onder één gezag gebracht waren, door middel van een aan hen opgelegd Eenheidsgeloof.

Omdat hanif Zayyeed en Mohammed en de Vrienden er als Arabieren noch de God van de Joden, noch de god van de Perzen, noch die der Romeinen (Byzantijnen), voor wensten aan te wenden – dan zouden ze immers aan één der grootmachten schatplichtig worden – hadden ze ervoor gekozen om hun eigen Allahgeloof te ontwikkelen en dat aan de Arabische stammen op te leggen. Voor dat grote doel nu was met de verovering van Mekka slechts de eerste steen gelegd. En zelfs die steen was nog broos.

 

Tot nu toe was de Arabische Bedoeïen arm maar wel vrij en eigen baas. De enige binding (loyaliteit) die hij kende was die aan de eigen stam, de eigen clan en de eigen familie. Die loyaliteit zou de vrijgevochten Bedoeïen nu moeten gaan inruilen voor de loyaliteit aan de umma, de gemeenschap der Islamgelovigen. Ga er maar aan staan. Als we vandaag naar de Arabieren kijken is de Islam daar nog steeds niet bijster in geslaagd.

Is het Christendom dan een effectievere Eenheidsideologie geweest bij het bestrijden van de stamloyaliteit dan de Islam? Het valt natuurlijk buiten het bestek van dit Mohammed-verhaal, maar het zou mij niet verbazen als de hiërarchische organisatie van de Kerk (kapellaan-pastoor-deken-bisschop-kardinaal-paus), de kloosterorden en .. . het celibaat van de clerus ook hierbij een rol heeft gespeeld.

Maar de hoofdrol is natuurlijk voor de economie. De groeiende macht van de burgerij en de tanende macht van de landbouw-elite. Verlichting, Franse revolutie, opkomst van de industrie. Dat hebben de moslimlanden allemaal nog niet gehad. Vandaar dat de bevrijding van de moslims van hun ‘oude vormen en gedachten’ niet met een simpele ‘Arabische Lente’ valt te bewerkstelligen. Maar de weg die de moslimlanden te gaan hebben, hoeft natuurlijk niet zo lang te zijn als die voor de westerse landen geweest is: de vrije markt economie sijpelt ook daar door, langs de haarvaten van hun samenlevingen.

De vergelijking van de geloofs-inhoud van beide ideologieën valt echter uit in het nadeel van het Christendom, want daarin wint de Islam het op enkele punten. Die is tenslotte zes eeuwen jonger.

 

Terug naar Mohammed in Mekka. Waar moest hij nu mee beginnen?

Medina was al de stad van de Profeet, Mekka was het vanaf nu ook. Wat lag meer voor de hand dan het onderwerpen van het Hejaaz-gebied tussen beide steden?

Natuurlijk vinden we het in deze realistische bewoordingen niet terug in de bronnen. Die schrijven dat veel stammen rond Mekka nog heidenen waren en dat de Profeet hen wilde uitnodigen om tot de Islam toe te treden. De bronnen gaan er van uit dat de lezer begrijpt dat, wanneer een stam, vooral met het oog op de inherente belastingplichtigheid, op zo’n uitnodiging niet in zou gaan, die er dan wel even bij geholpen zou worden door Mohammeds troepen. Geen enkele stam was opgewassen tegen het moslimleger. Zelfs elke stammencoalitie had het tot nu toe moeten afleggen.

Er waren in dat gebied ook stammen die de Islam al wel geaccepteerd hadden maar hun belasting nog niet betaald hadden. Die dienden nu ook tot de orde geroepen.

Mohammed bleef 15 dagen in Mekka om alle zaken te regelen en om nieuwe stadsbestuurders te onderrichten in de Islam. Hij stuurde mensen naar de verschillende stammen met een brief om zonder bloedvergieten toe te treden tot de Islam en hun godenbeelden te vernietigen.

 

Khalid was één van die afgevaardigden. Hij ging eerst naar Naklah en zag er op toe dat de Banu Shayban het beeld van hun godin Al-Uzza vernietigden. Khalid had een troepenmacht van 350 man bij zich, dus dat wilde wel.

Nu trok hij op naar de Banu Jadhima. Het merendeel ervan had zich al tot de Islam bekeerd, maar ze waren nog achterstallig in het betalen van belasting. Het geval wil dat leden van die stam voorheen een karavaan die vanuit Yemen op de terugweg naar Mekka was, hadden overvallen en dat daarbij Khalids oom het leven had gelaten. De overvallers van toen vreesden nu Khalids bloedwraak, en hadden zich bewapend. Het merendeel der Jadhima riep hen toe dat dit een bloedbad zou uitlokken; dat ze nergens bang voor hoefden zijn omdat de profeet ook de Mekkanen amnestie had verleend, en vreedzaamheid preekte. Tenslotte legden ze de wapens neer.

Helaas. Khalid toonde zich hier al de schurk die hij eigenlijk was. Ondanks Mohammeds strenge instructies liet hij toch een aantal van hen ombrengen: ouderwetse Bedoeïenen-bloedwraak. Toen Mohammed dit vernam, hief hij de armen ten hemel en stuurde Ali met een behoorlijke som geld naar de Banu Jadhima. Ali betaalde elke getroffen familie ruim bloedgeld. Bovendien liet hij de rest van wat hij had meegekregen, bij hen achter want misschien was er nog iets over ‘t hoofd gezien. Kijk, dat was Ali.

  1. De slag bij Hunayn

Ettelijke Bedoeïenenstammen dáchten er niet over om hun traditionele bestaan vaarwel te zeggen, om hun oorlogsgoden die dit bestaan altijd hadden gezegend, te vernietigen, en zich aan die rare profeet te onderwerpen, zoals steeds meer stammen dit nu leken te doen.

De opstand werd aangezwengeld door de Hawazin. Hun leider Malik ibn Awt had nog drie andere Bedoeïenenstammen, de Thaqeef onder leiding van Uthman ibn Abdullah, de Banu Sa’ad en de Banu Jashm, bereid gevonden om samen het kwaad keren nu het zich nog niet had kunnen verbreiden. De Mekkanen hadden zich zonder slag of stoot overgeven, de slappelingen. Maar deze coalitie zou sterk genoeg zijn om Arabië van dit onheil te verlossen.

Eind januari 630 verzamelden ze zich en trokken op naar Mekka.

Mohammed mobiliseerde terstond al zijn troepen. Hij wilde het niet op een belegering laten aankomen (tussen die onbetrouwbare Mekkanen) en trok de aanvallers tegemoet. Vol vertrouwen, want hij beschikte, met inbegrip van een detachement Mekkanen dat hij nu voor het eerst inzette, over een leger van 12.000 man. Tegen het vallen van de avond werd kamp gemaakt bij Hunayn, nabij de toegang tot de vallei.

Bij het eerste ochtendgloren braken ze al op. Het was nevelig en nog tamelijk donker. Mede daardoor liep de voorste colonne, onder aanvoering van Khalid nota bene, in een hinderlaag. Ze moesten door een nauwe bergpas. De Bedoeïenen, via verspieders van elke beweging op de hoogte, hadden zich verdekt op de hoogten opgesteld. Toen Khalids kameelrijders-colonne grotendeels in de kloof was, kreeg die een lawine van rotsblokken over zich heen, met verpletterde doden als gevolg, en totale paniek. De kamelen sloegen verwilderd op hol. De overlevenden en de kamelen met hun lange benen en hun angstig geloei renden voor hun leven terug, overliepen de hoofdgroep waar de paniek ook toesloeg.

Abu Sufyan, die met het detachement Quraysh aan de slag deelnam, werd opgewonden van vreugde en riep dat de moslims nu de Rode Zee in zouden worden gedreven. Zijn kameraad Hikda bin Umayya juichte dat ‘de betovering van Mohammed gebroken was’.

Mohammed bevond zich met enkele getrouwen op een heuvel. Ali had zich tussen hen en het strijdgewoel opgesteld. Toen hij Uthman bin Abdullah zag aankomen met het vaandel van de Thaqeef, viel hij diens kameel aan. De kameel struikelde. Uthman viel en werd door Ali gedood.

Abu Jerdel, vaandeldrager van de Banu Jashm, ging hierna een tweegevecht met Ali aan en legde het af.

Het sneuvelen van twee van hun generaals deed de Bedoeïenen aarzelen. Mohammed liet nu zijn oom Abbas, die ook over een enorm stemgeluid beschikte, de ansar-troepen toeroepen. Deze trouwe moslimstrijders waren de eersten die zich herstelden. Op hun voorbeeld hergroepeerde de rest zich, en ze wisten hun kamelen tot rust te brengen.

De Bedoeïenen bleven zich dapper teweerstellen. Vooral hun vrouwen toonden zich geharde krijgers. Maar, traditioneel als ze waren, hadden die hun kinderen bij zich. Dat bleken nu handenbinders. Het duurde niet lang of nu waren het de Bedoeïenen die in paniek raakten en op de vlucht sloegen. Achtervolgd door een op buit beluste overmacht aan moslims.

De buit was niet gering, want nu ze de strijd verloren achtten, trachtte iedere Bedoeïen alleen het vege lijf te redden. Alles wat hij achter liet zou de achtervolging ophouden.

Mohammed gaf orders om vrouwen, kinderen en slaven te sparen. Hij verordende dat alle buitgemaakte dieren en overige buit op één plek moesten worden samengebracht en bewaakt.

Met zijn hoofdmacht trok hij nu op naar Taïf. Dat was het laatste nog niet onderworpen bastion in dit deel van de Hejaaz.

Onderweg stuitten ze op een groepje rond een lijk. Het was van een vrouw. Gedood door Khalid. Kennelijk had deze vrouw zich te dapper teweer gesteld. Alweer een negeren van Mohammeds orders door Khalid. Hij stuurde iemand naar hem toe om nogmaals luid en duidelijk de orders over te brengen: vrouwen, kinderen en slaven ontzien.

Mohammed rekende op een moeizaam beleg van Taïf, maar dat viel alles mee. Taïf volgde het voorbeeld van Mekka, en gaf zich zonder slag of stoot gewonnen. Verstandig. Dat scheelde bloedvergieten. Hun bedrijvigheid en landbouwproductie konden blijven doorgaan, zij het na een pro forma bekering, net als de Mekkanen. En een door een moslimgarnizoen te innen producten-afdracht, dat was voor Mohammeds plan voorlopig genoeg.

 

Wie, tot verrassing van Mohammed, zich daar in Taïf bij hem meldde, was Wahshi de Ethiopiër. Nu ook Taïf was ingenomen, wist hij dat er aan Mohammed niet langer meer te ontkomen zou zijn. Hij wist echter ook dat Mohammed tot vergiffenis bereid was indien iemand berouw toonde en zich bekeerde. Welnu, daartoe was Wahshi bereid.

Toen Mohammed hem zag, trok een donkere wolk over zijn gezicht. Hij hoorde Wahshi’s woorden aan met afgewend gelaat. Na een ijzige stilte klonk Mohammeds gesmoorde stem: “Ga, en laat ik je nooit meer zien.”

Wahshi werd een trouwe moslim, en is Mohammed braaf uit de weg blijven gaan. Onder diens opvolger heeft hij zijn eigen reputatie hersteld, zoals we nog zullen zien.

 

Mohammed liet in Taïf een garnizoen achter onder leiding van een gouverneur die daar verder orde op zaken moest stellen, en keerde terug naar Jirana, de oase waar hij de oorlogsbuit had laten verzamelen. Elke groepering die aan de slag had deelgenomen, kreeg zijn deel.

Ook het detachement van de Quraysh kreeg zijn deel. Het deel van de krijgsbuit voor de laatsten viel zelfs bijzonder groot uit! Abu Sufyan geloofde zijn ogen niet. Niet alleen dat er geen woord werd vuil gemaakt aan zijn gejuich over de veronderstelde nederlaag van de moslims, hij kreeg nu ook nog het grootste deel van de buit toebedeeld!

Het zette kwaad bloed bij de ansar.

Mohammed riep ze die avond bijeen in zijn tent in het kampement. Hij sprak ze als volgt toe. Waren jullie geen veelgodenvereerders voordat ik bij jullie kwam, en nu niet meer? Waren jullie niet hopeloos met elkaar in gevecht, en door mij niet meer? Waren jullie niet straatarm en nu niet meer? De ansar zwegen.

Mohammed ging verder. Wat laten jullie nu je hoofd op hol brengen door die spullen? Die dienen om de harten van die Mekkanen te vermurwen. Dadelijk laat ik hen in Mekka achter en ik ga met jullie mee naar jullie stad. Want ik zal jullie nooit verlaten!

Hiermee raakte hij de gevoelige snaar. Mohammed was een Mekkaan. De ansar waren bang dat hij, nu hij zijn vijanden daar verslagen had, als overwinnaar in Mekka zou willen blijven. Nu verzekerde hij hen van zijn trouw aan hun stad.

Hun bezwaren verdampten. Ze snapten dat Mohammed, als hij inderdaad Mekka de rug zou toekeren en naar hun stad zou vertrekken, iets moest doen om dat met een geruster hart te kunnen doen.

 

Mohammed stelde Akib ibn Usaid, van de Banu Hashim, aan als gouverneur van Mekka. Voor het salaris van één dirham per dag. En Mu’adh bin Jabal stelde hij aan als leraar van zijn nieuwe religie, ook voor één dirham per dag.

Hierna aanvaardde hij, met de rest van zijn troepen, de terugreis naar Medina.

  1. Veldtocht tegen Tabuk, oktober 630

Het jaar 630 was heet en droog, zelfs voor Arabische begrippen. Niettemin bereidde Mohammed een veldtocht tegen de Ghassaniden en hun Romeinse broodheer voor. Het was bittere noodzaak. Steeds vaker ondervonden Medinese karavanen vijandigheden van Bedoeïenen en werden individuele moslims lastig gevallen om hun geloof. Allemaal doordat de moslims sinds de nederlaag bij Mootah nog steeds door sommige Bedoeïenenstammen als kwetsbaar werden gezien. Hij moest koste wat het kostte de reputatie van onoverwinnelijkheid herstellen.

Hij liet alle stamhoofden van de Hiyaz bezoeken van wie hij maar kon vermoeden dat ze Islam-beweging steunden, met strijders of desnoods alleen met geld. Zo bracht hij een strijdgroep van 30.000 manschappen bij elkaar. Opnieuw het grootste leger had Arabië ooit had aanschouwd.

Ondanks de slopende hitte bereikte de strijdmacht eind september een waterplaats in de nabijheid van Tabuk. Daar liet hij een kamp opslaan om eerst wat bij te komen van de tocht.

Maar er was geen vijand te bespeuren. Geen Ghassaniden. Geen Romeinen. Veel te heet waarschijnlijk. Zijn verspieders wisten hem geen spoor van tegenstand te melden.

 

 

Binnen beide rode omtrekken ligt Tabuk. Het hoort enerzijds tot de Hejaaz, de regio van Medina en Mekka. Anderzijds maakt het ook deel uit van de regio van de Byzantijnse vazalstaat van de Ghassaniden. Daar had Mohammed zich in september 629 op verkeken en dat had zijn trouwe Zaïd het leven gekost, en Ali’s broer Jaafer, onder vele
anderen.

 

Mohammed verbleef er enkele weken, vol van diplomatieke activiteiten. Verzond en ontving boodschappers. Hierna ontbond hij zijn nutteloos geworden legermacht en liet elke afdeling op eigen gelegenheid afreizen zodra ze zich voldoende hersteld achtten en in eigen tempo.

Zelf bleef hij het langst. Hij had de omringende Bedoeïenenstammen voldoende laten zien tot welk een troepenmacht de moslims in staat waren. Menige stam was uit eigen beweging zijn onderwerping komen aanbieden. De oase Daum-tul-Janval, die strategisch gelegen was tussen Medina en Syrië, kreeg een permanent moslimgarnizoen dat de karavanen van Medina voortaan onmiddellijke bijstand zou kunnen verlenen.

Vlak voor de afreis kwamen de monniken van het St. Catharinaklooster van de Sinaï-vallei Mohammed bezoeken. Hij verleende hen audiëntie en stelde een Charter voor hen op, als gelijkwaardige gelovigen van Het Boek. Het Charter bood hun dezelfde garanties voor veiligheid en onschendbaarheid als het Charter dat hij voor de Joodse stammen van Khaybar had opgesteld.

 

Het was november 630 toen Mohammed eindelijk weer terug was in zijn geliefde Medina. Het was de laatste velddocht geweest onder zijn eigen aanvoering.

  1. De Proclamatie van Al-Tawbah, december 630

Het pelgrimseizoen brak aan, tijd voor de hadj. Maar Mohammed gaf te kennen dat hij zich niet goed voelde en dus niet de kracht had voor de reis. Hij stelde Abu Bakr aan het hoofd van de 300 Medinese pelgrims. Die reisden af.

Wel een belangrijke pelgrimage, besefte Mohammed toen ze vertrokken waren. Niet alleen moslims zouden naar de Ka’aba komen, maar ook pelgrims van nog niet bekeerde stammen. Die heidenen zouden volgens hun traditie nu weer naakt de tawaaf rond de Ka’aba doen. Maar die was nu heilig! Dat moest dus nu niet langer. Hij had een monotheïstisch geloof gesticht, gericht op disciplinering. Die hield vooral in: beperking van de individuele vrijheid, met name van de seksuele beleving. Aangezien de vrouwen de godinnen waren van de liefde en de seks, dienden deze stringent beteugeld te worden, en de mannen droegen er de verantwoordelijkheid voor.

Deze seksschuwe opvatting van Mohammed (terwijl hij er persoonlijk wel pap van lustte), alsmede een voor deze gelegenheid geproduceerde soera, zijn de oorzaak geworden van een oceaan van leed, tot op de dag van vandaag.

 

De Ka’aba van Mekka moest het centrum worden van Islamitisch Arabië. Daar mocht geen achterlijke Bedoeïenen-geloofstraditie meer plaatsvinden, en al helemaal geen seks-gerelateerde uitingen ervan. Maar zouden Akib ibn Usaid, zijn gouverneur, en Abu Bakr dat voor elkaar kunnen krijgen?

Diezelfde nacht produceerde hij de soera ‘Al-Tawbah”, hetgeen ‘afstandname’ of ‘berouw’ betekent.

Een voor de uiteindelijke ideologie van de Islam vormgevende soera. Vooral de ‘zwaard-verzen’ erin zijn berucht: “En als de heilige maanden voorbij zijn [bedoeld: de vier maanden waarin ten behoeve van de seizoenskaravanen niet gevochten mag worden], doodt dan de veelgodendienaars waar je ze vinden kunt, neem ze gevangen, wacht ze op in een hinderlaag. Maar als ze berouw tonen, dagelijks vijf maal bidden en belasting betalen, laat ze dan vrij. Want Allah bemint de rechtvaardigen die Hem vrezen. ”

[Dit vers is de vrijbrief voor elke Taliban of Al-Shahaab godsdienstfanaat of IS-strijder. Die achten zich helaas niet gehouden aan die vier maanden dat ze niet mogen moorden met autobommen, bomgordels en halsafsnijdingen.]

 

Mohammed stuurde Ali met de soera de pelgrims achterna, op Mohammeds snelste kameel.

Abu Bakr was verstoord dat Ali was opgedragen om de soera voor te dragen. Maar hij legde zich neer bij Ali’s verzekering dat alleen de profeet zelf of iemand van zijn naaste familie gerechtigd was om een goddelijke ingeving bekend te maken.

Nadat Ali de Soera van de profeet had voorgedragen, voegde hij er uit eigen koker nog aan toe, dat voortaan geen veelgodendienaar nog zou worden toegelaten tot de heilige Ka’aba en niemand meer naakt de tawaaf zou mogen verrichten. Maar dat deze maatregel pas over vier maanden van kracht zou worden, zodat voorlopig ieder zijn pelgrimage nog volgens eigen traditie zou kunnen voltooien.

Dat laatste was typisch Ali: luid en duidelijk, maar met beschaafd inlevingsvermogen.

Misschien dat hij er daarom op gestaan had de boodschap zelf over te brengen.

 

Voor Abu Bakr was het vanaf nu duidelijk dat Ali een andere, menselijkere en vromere, vorm van Islam voorstond dan welke Abu Bakr zelf voor ogen stond: een Islam die op onderwerping en disciplinering was afgestemd. Hoor je hier niet al de strijd tussen de latere Soennieten en de latere Sjiieten brommen?

  1. Ali’s expeditie naar Yemen, december 631

Het jaar ervoor had Mohammed Khalid naar Yemen gestuurd om de stammen aldaar te verzoeken, de Islam te omhelzen. Khalid was zeker een bekwaam legeraanvoerder en strateeg, maar voor zending was hij niet in de wieg gelegd. Hij was zonder succes terug gekeerd.

Nu kreeg Ali de opdracht. Hij arriveerde in december bij de eerste stam aldaar, de Madhhaj, en nodigde het stamhoofd beleefd uit om de Islam te accepteren. Die wees het aanbod honend van de hand en riep zijn mannen op om de moslims te verjagen met stenen en pijlen. Ali gaf nu orders om aan te vallen. Al gauw smeekte het stamhoofd om genade. Ali weerhield zijn mannen van het buit maken. Hij bood opnieuw de Islam aan, en nu accepteerde de stam het.

En niet alleen de Madhhaj maar nu ook de nabuurstam, de Hamdan.

 

Mohammed was heel blij. Temeer omdat nu een hele reeks stammen delegaties begonnen af te zenden naar Medina om Mohammed hun bondgenootschap aan te bieden en hun bereidheid om de Islam te accepteren.

Mohammeds doel om heel Arabië te verenigen in één geloof, leek hiermee eindelijk echt vorm aan te nemen.

  1. Mohammeds laatste pelgrimage, eind februari 632

Sinds de verovering van Khaybar was Mohammed niet meer de oude geweest. Hij kon ook niet meer slapen. Vaak verliet hij ‘s nachts zijn huis. Aisha was hem eens gevolgd. Hij bleek dan naar het kerkhof te gaan, om daar graf na graf langs te gaan, langs alle betreurde geliefden en gesneuvelden. Vooral bij Ibrahims grafje toefde hij lange tijd.

Van Mohammed is gezegd dat hij elke nacht bij een van zijn vrouwen doorbracht, op eerlijke toerbeurt om jaloezie te vermijden. Als ze van hun beurt wilden afzien, meldden ze hem dat tijdig. Ik vermoed dat hij nog steeds het liefst bij Maria de nacht doorbracht, te oordelen naar een sneer van Aisha die verderop even ter sprake komt.

Het kan ook zijn dat hij in zijn eigen huis, die vooral als saqifa (vergaderruimte) dienst deed, een eenvoudig bed had laten maken door Ali, vanwege zijn toenemende kwaal.

Mohammed kwam ook heel graag bij Ali, vanwege zijn geliefde dochter Fatima en vooral ook vanwege zijn twee kleinzoons, die hij graag op schoot nam en met wie hij op zijn schouders zittend rond liep. Mohammed was echt gek op kinderen.

 

Hoewel hij zich bepaald niet fit voelde, wilde Mohammed in februari toch, nu de heilige Ka’aba geheel ge-islamiseerd was, zijn laatste hadj doen.

Hij benoemde de ansar Abu Dujana als gouverneur van Medina tijdens zijn afwezigheid.

De mare van zijn voornemen had de ronde gedaan en toen hij afreisde trok een enorme menigte moslims mee. Werkelijk elk gebaar en daad van de Profeet werd waargenomen en als voorbeeld vastgelegd, zozeer werd hij nu geadoreerd. Hoewel hij de reis moest afleggen, liggend op een bed in een vrouwen-howdah.

 

Even een afbeelding scoren van een howdah. Hm, je hebt er ook in de vorm van een draagstoel aan lange burries tussen twee kamelen. Vermoedelijk heeft Mohammed die laatste gehad: verderop in deze paragraaf laat hij met een drietal ervan een verhoog improviseren voor een belangrijke toespraak.

 

Begin maart arriveerde de menigte in Mekka.

Na enkele dagen rust deed Mohammed de voorgeschreven processie rond de Ka’aba en het zeven maal op en neer lopen tussen de Safa en de Marwa. Dat zijn twee heuvels nabij de Ka’aba. Het vermoedelijk van Waraqa afkomstige verhaal is dat Ibrahim daar zijn vrouw Hagar met haar baby Ismaël op bevel van God had achtergelaten. Hagar was op zoek gegaan naar water voor haar kind. Ze had de baby op de grond gelegd en eerst de Safa bestegen om rond te speuren, en vervolgens de Marwah. Dit zou ze tot maar liefst zeven keer toe gedaan te hebben. Intussen had de schreiende baby met zijn kleine voetjes liggen trampelen. Toen ze bij hem terug kwam bleek daar een bron ontsproten te zijn, de Zamzam.

De Safa ligt 100 m van de Ka’aba, de Marwah 350 m. Ze liggen 300 m van elkaar. Zeven keer op en neer lopen tussen beide is ruim twee kilometer. Voor de verzwakte Mohammed was dit uiterst vermoeiend, maar hij wist dat elk van zijn handelingen zou worde nagevolgd. Dus hij hield vol.

De volgende dag begaf hij zich naar de Arafat. Op zijn kameel uiteraard, want die 70 m hoge rotsheuvel ligt ruim 20 km van de Ka’aba. Terwijl de menigte zich aan de voet ervan verzamelde, stelde Mohammed zich met zijn gevolg op de helling op. Daar hield hij zijn afscheidsrede.

Hij zei dat dit zijn laatste bezoek aan Mekka zou zijn en dat hij zijn belangrijkste punten nog eens naar voren wilde brengen.

Dat Allah de Ene was en dat die geen gezelschap had. [Hiermee nam hij voor zijn Islam duidelijk afstand van het Christendom van de Byzantijnen.]

Dat ze Allah moesten aanbidden en gehoorzamen.

Dat ze elke dag hun voorgeschreven gebeden moesten doen.

Dat ze de vastenmaand moesten onderhouden.

Dat ze de belasting voor de armen moesten betalen en het Huis van God (de Ka’aba) bezoeken zo vaak ze konden.

Dat ze verantwoording voor hun daden zouden moeten afleggen aan God, voor wie ze binnen afzienbare tijd zouden verschijnen.

Dat ze de gewoonten en praktijken van hun heidense voortijd vaarwel moesten zeggen, met name bloedwraak en het heffen van rente.

Dat ze de eer, het leven en de eigendommen van een ander moesten eerbiedigen en dat alle moslims elkaars broeders waren.

Dat ze weliswaar rechten hadden over hun vrouwen, maar dat ze ook plichten hadden ten opzichte van hen; dat ze hun vrouwen moesten behandelen met liefde, vriendelijkheid, respect en genegenheid.

Dat ook hun slaven kinderen van Allah waren en dat ze dus niet met wreedheid behandeld mochten worden; dat ze hen hetzelfde eten moesten geven als wat ze zelf aten en hen dezelfde kleren moesten geven als welke ze zelf droegen.

 

Toen iemand vroeg wie ze moesten gehoorzamen als Mohammed er niet meer zou zijn, antwoordde hij dat zijn familie (dus Fatima en Ali en hun zonen), zijnde het meest van zijn boodschap doordrongen, de richtpunten voor alle moslims zouden zijn.

 

De dag na zijn afscheidsrede aanvaardde Mohammed de thuisreis, en met hem de menigte moslims die met hem mee gekomen was.

In Khumm, niet ver van Mekka, liet hij halt houden. Het ligt op de kruising van een aantal wegen, omdat er een permanente waterplaats is, de Ghadeer. Voor dat de verschillende groepen daar uiteen zouden gaan, wilde Mohammed nóg iets belangrijks meedelen. Omdat het er vlak was, liet hij van howdahs, de draagstoelen tussen twee kamelen, een verhoog bouwen. Daarop staand hield hij de volgende rede.

 

O moslims! Wie is jullie goeroe? De menigte antwoordde: dat ben jij, Mohammed!

Mohammed: En wie zal jullie leidsman zijn wanneer ik er niet meer ben? Ik zal hem jullie laten zien!

Hij verzocht Ali, zich bij hem te vervoegen. Toen die naast hem stond, nam hij Ali’s hand, hield die omhoog en riep: Dit is jullie leidsman als ik er niet meer zal zijn. Gehoorzaam hem zoals je mij gehoorzaamd hebt.

 

Hiermee wees Mohammed onomstotelijk Ali als zijn opvolger aan. En dit is niet alleen de sjiitische versie van het verhaal, deze wordt ook door gezaghebbende soenitische commentatoren ondersteund. De auteurs van mijn belangrijkste bron voor dit verhaal sommen acht commentatoren op. Ze sommen ook 23 belangrijke moslims op die bij dat gebeuren aanwezig geweest zijn en die later bijgedragen hebben aan de hadiths. Opvallend is dat daaronder niet Mohammeds Vrienden zoals Abu Bakr en Omar worden genoemd.

Veel soenitische historici bestrijden de keus van Mohammed voor Ali als zijn opvolger, wijzend op diens herhaalde keus voor Abu Bakr om hem te vervangen bij het voorgaan in de dagelijkse gebeden in de moskee. Omar mocht hem dan niet vervangen, maar wel Abu Bakr. Ali had hij daarbij niet eens genoemd. Dus duidelijk genoeg, toch?

  1. Mohammed gaat dood, juni 632

Teruggekeerd in Medina werd Mohammed, na weer een nachtelijk toeven op het kerkhof – waar hij misschien een longontsteking bij had opgelopen – bedlegerig. En zijn koorts verergerde alleen maar. Hij verordende nu een veldtocht naar Syrië. Want, zo zei hij, de nederlaag bij Mootha tegen de Ghassaniden en de Romeinen van drie jaar terug moest nog steeds gewroken worden. De veldtocht moest geschieden onder aanvoering van Usama, de twintigjarige zoon van Zaïd. Diens vader was toen aanvoerder was geweest en was er gesneuveld.

En iedereen moest mee, ook zijn Vrienden Abu Bakr en Omar.

 

Vreemd. Abu Bakr en Omar waren op grootvaderleeftijd. Moesten die nu dienen onder een onervaren twintigjarige? En Ali dan? Waarom moest die thuisblijven? Ali’s broer Jaafer, die zo’n heldendood gestorven was bij Mootha, die diende toch door Ali zelf gewroken te worden?

 

De Vrienden maakten bezwaren. Waarom moest dat nu ineens? Het was al drie jaar geleden. En ze hadden toch al een veldtocht naar Syrië gemaakt? En toen was er toch niets aan de hand gebleken? En kon die veldtocht dan niet beter wachten tot hij weer hersteld was?

Nee, Mohammed stond er op: het moest nu, en wel onmiddellijk, en onder leiding van Usama.

 

De Vrienden wilden er niet aan, vooral omdat ze wel aanvoelden wat Mohammed bewoog.

Mohammed was een paar dagen zo ziek dat hij niets kon. Maar toen hij even overeind kon komen en naar de moskee kon strompelen, gaf hij daar de strijdbanier aan Usama en het bevel om op de appèlplaats Jorf, een paar kilometer buiten Medina, zijn strijdmacht te verzamelen. Ja, ook Abu Bakr en Omar, Uthman en Abu Obaida, Abdur Rahman en andere oude strijdmakkers dienden zich daar te melden. Nee, Ali niet, die moest bij hem blijven.

 

De meeste strijders vertrokken naar Jorf. De Vrienden echter weigerden aanstalten te maken.

Wat er aan de hand was, was het volgende.

 

Mohammed had al veel langer lang in de gaten dat de benoeming van Ali tot zijn opvolger niet in goede aarde viel bij de Vrienden. Die hadden niet voor niks hem door dik en dun gesteund en die 23-jaar lange lijdensweg met hem doorlopen. Ze hadden zich van al hun rijkdom en bezittingen laten beroven door de Quraysh van Mekka, omdat ze in Mohammed geloofden. Ja, nee, niet echt in diens ‘ingevingen van Boven’, maar wel in het succes van zijn streven naar het Eenheidsgeloof, dat ook het hunne was.

De overwinning was nu eindelijk zeker gesteld. En nu wilden ze hun investeringen terug. Ze wilden met de verworven macht hun rijkdom graag tienvoudig terug verdienen.

Als Ali, de zachtmoedige en toegeeflijke, opvolger zou worden, zou die overwinning niks opleveren, daar kon je donder op zeggen. Dan zou alles naar de armen en de religie gaan. Mohammed, met zijn renteloze leningen aan de armen, had daarmee wel veel aanhang verworven maar nu die aanhang er was, moest het afgelopen zijn met dat egalitaire gedoe. De Vrienden wilden de macht gebruiken om te incasseren. Ze waren tenslotte geen Hashimieten, ze behoorden tot de rijken zoals de Umayyaden.

 

Want in feite ging deze controverse al terug de machtsgreep van de Umayyaden-clan over de revenuen van de Ka’aba en de pelgrimage daarheen. Om die revenuen hadden ze toen al de Hashim-clan aan de kant gedrongen. Met Ali zou die clan opnieuw aan de macht komen. En dat was de opzet van Mohammeds veldtochtverordening! Hij wilde hen uit de buurt hebben als hij zou sterven. Zodat Ali en de Hashim-clan hem dan in alle rust zouden kunnen opvolgen.

 

Mohammed kon zich heel goed verplaatsen in de overwegingen van de Vrienden. Hij was er zelf heel lang van uit gegaan dat het Abu Bakr en Omar en Uthman zouden zijn die hem zouden opvolgen. Tenslotte, ze waren kooplui onder elkaar en daar geldt altijd en overal: vóór wat hoort wat.

Zij waren zijn sahaba (Vrienden). Ze vertegenwoordigden de muhajireen-stroming van zijn beweging. Maar de ansar van Medina waren Vrome volgers van zijn nieuwe religie geworden en hadden een diep-gelovige stroming aan zijn beweging toegevoegd. Die Vroomheid was scherp tot uiting gekomen in de slag bij Mootah, waar de Vrome ibn Rawaha de moslims zich had willen laten doodvechten; en bij de terugkeer van het verslagen moslimleger. Daartegenover vertegenwoordigde iemand als Khalid duidelijk de muhajireen-mentaliteit: pakken wat je pakken kunt; en die vroomheid is alleen maar de vlag waaronder je dit kunt toedekken.

 

Mohammed moest van beide uitersten niets hebben. Vooral sinds het doodgaan van zijn Ibrahim en het daaraan voorafgaande gedoe met Aisha en Hafsa was hij zich steeds meer bewust geworden van een tweespalt in zijn beweging. Hij wilde een middenweg tussen geloofsfanatisme en winzucht. Die middenweg vertegenwoordigden Ali en Fatima en ook Umm Salama.

Ali moest hem dus opvolgen. Bij de pelgrimage van vorig jaar, 630, had hij Abu Bakr nog met het leiderschap belast. Maar toen die was afgereisd, besefte hij ineens dat hij toen al duidelijkheid had moeten verschaffen over zijn keuze.

Hij herstelde zijn fout door Ali na te sturen met de belangrijke Soera al-Tawba. Bij het brengen daarvan, Abu Bakr opzij dringend, had de 31-jarige Ali duidelijk leiderschap getoond. Ali was zijn man. En na afloop van zijn laatste pelgrimage had hij bij de Khumm Ghadeer-waterplaats in alle openbaarheid zijn keuze voor Ali bekend gemaakt, en Ali en zijn naaste familieleden als richtpunten voor het Islamgeloof aangewezen. Waarmee hij ook zijn positiekeuze tussen de Vrome ansar-stroming en de pragmatische mudjahireen-stroming had aangegeven.


Nu hij ging sterven wist hij dat zijn keuze nog allerminst geaccepteerd werd door de Vrienden. Hij wilde hen dus uit de buurt hebben. Als ze op veldtocht zouden zijn, zou Ali zijn opvolging kunnen consolideren voordat ze zouden zijn teruggekeerd.

De Vrienden had
dit door. Ze bleven treuzelen, ze lieten Usama in Jorf wachten. Ze deden alsof ze naar Jorf gingen, maar kwamen telkens terug om nog iets belangrijks op te halen. Of ze reden wat op en neer, vragend hoe het met Mohammed was. Abu Bakr bleef zelfs gewoon in zijn kledingzaak in Sunh, een voorplaatsje van Medina. Sinds het optreden van Ali met de Soera al-Tawba had hij Mohammeds keuze voor Ali al beseft. Hij moet dit zeker met Aisha en Hafsa besproken hebben, of andersom. Ook al ben ik er van overtuigd dat beide vrouwen betrokken zijn geweest bij de op handen zijnde machtsgreep van de Vrienden, in de islambronnen blijft de rol van vrouwen principieel onderbelicht.

Het lijdt geen twijfel of de Mekkaanse shahaba (Vrienden) hebben bij Abu Bakr in Sunh beraadslaagd over wat hen te doen stond als Mohammed inderdaad zou overlijden. Het is Omar geweest die in de uren van Mohammeds dood als gevolmachtigde van deze groep zou optreden.

 

Mohammed had nog nooit iemand vervloekt. Zelfs over zijn kwelgeesten Abu Jahl en Abu Lahab had hij nimmer een vervloeking uitgesproken. Maar nu, in zijn machteloosheid, sprak hij zijn vervloeking uit over zijn oude Vrienden, wegens hun pertinente ongehoorzaamheid aan de Profeet.

Hielp niet. Ze bleven thuis ‘uit bezorgdheid voor hun oude strijdmakker die nu duidelijk van de wap was – Aisha en Hafsa lieten niet na dit te benadrukken – en zo ziek dat ze hem niet konden verlaten ‘.

 

Wie zich ook voorbereidden op Mohammeds dood waren de ansar. Het gedrag van de Quraysh, hun weigering om zich uit Medina te laten wegsturen, sprak voor hen boekdelen. Die mujahireen hadden al vanaf hun komst naar Medina, hoe berooid ze er ook gearriveerd waren, zich als stadse Mekkanen verheven gevoeld boven de boerse ansar. Mohammed had zich consequent als Vredestichter en Profeet opgesteld. Hij had de ansar als zijn trouwste strijders hoog in ere gehouden en velen van hen erefuncties laten vervullen, met name Ibn Rawaha, de man die met veel sluwheid en durf enkele tegenstanders in Khaybar uit de weg geruimd had in de paar jaar vóór dat de hele oase door de moslims was veroverd.

 

Maar nu Mohammed hen ging ontvallen, zouden de muhajireen zeker de macht van Mohammed overnemen en hen als tweederangs moslims gaan behandelen. De oudsten van de ansar kwamen bijeen in de saqifa van de Banu Saida, een clan van de Khazraj.
Ze besloten dat ze meteen na Mohammeds overlijden op de proppen zouden moeten komen met een eigen leider. Maar wie?

Ja, de algemeen geachte Saad ibn Ubayda natuurlijk. Die had zich altijd al als onpartijdige vredestichter opgesteld toen ze als doodsvijanden tegenover elkaar stonden, als Khazraj contra Aws.

Ze hadden zich vóór de komst van Mohammed zowat doodgevochten tegen elkaar en waren uit pure uitputting akkoord gegaan met een Vredestichter van buiten. En ze waren inderdaad ansar (helpers) geworden van die Vredestichter, Mohammed. Maar nu die dreigde weg te vallen en ze zonder hem het met elkaar eens moesten zien te worden over een gezamenlijke Leider, begon de oude vete weer op te spelen. Saad was immers een Kharzay.

 

Mohammed lag inderdaad op sterven en vrouwen en zijn naaste familie verzamelden zich rond zijn sterfbed. Aisha stelde zich op als hoofdvrouw, en drong waar mogelijk Fatima en Ali naar de achtergrond. Ze steunde Omar, die moest verhinderen dat Mohammed in zijn laatste ogenblikken wellicht nog iets zou zeggen of doen wat de belangen van de Vrienden
zou kunnen doorkruisen.

En zie je wel. In zijn uiterste nood verzocht Mohammed om pen en papier, teneinde zijn laatste wil te kunnen dicteren. Umm Salama belastte zich met die taak en haalde het benodigde schrijfgerei. Omar zag de bui meteen hangen. Hij riep dat Mohammed aan het ijlen was in zijn koorts, en dat hij nu mogelijk gevaarlijke teksten zou kunnen dicteren, dingen die in strijd waren met de goddelijke ingevingen zoals die al vast lagen.

Een heftig meningsverschil brak los. Umm Salama deed haar uiterste best om Mohammed de gelegenheid te geven, zijn laatste wil vast te leggen. Maar Omar griste het schrijfgerei uit haar handen. Een geweldig gekrakeel was het gevolg.

De totaal uitgeputte Mohammed gaf te kennen dat ze allemaal weg moesten. Hij begreep dat ook zijn laatste list was mislukt. Zijn krachten begaven het.

Ze werden weer stil. Ali en Fatima en Umm Salama bleven, en ook Aisha, Hafsa en de andere vrouwen van Mohammed achtten zich daartoe gerechtigd. Ook Omar bleef zich ophouden in een hoekje. Hij moest het risico uitsluiten dat Mohammeds keus voor Ali als zijn opvolger zwart op wit op papier zou komen te staan en als zijn testament zou worden vastgelegd.

Waarom heeft Ali zich toen niet geweerd tegen Omar? Waarom heeft hij, als Mohammeds favoriete schrijver, zich niet beschikbaar gesteld om diens laatste wil te noteren? En heeft hij Omar niet de deur uitgegooid toen die Umm Salama verhinderde dit te doen? En heeft Fatima haar man toen niet krijsend uitgescholden om zijn laffe gelatenheid?

Fatima zal zeker krijsend tekeer gegaan zijn. Maar voor Ali lagen de kaarten al lang duidelijk. De opzet van Mohammed met die idiote veldtocht naar Mootah en de weigering van de Vrienden om zich naar Jorf te begeven. Net als de ansar had hij alleshaarscherp door, en het gedrag van Aisha, Hafsa en Omar was er alleen maar de bevestiging van. Maar wat zou hij winnen bij het verhinderen van Omar? Hij wist hoe Omar zich had gedragen toen Mohammed het in Omar’s ogen vernederende Verdrag van Hudaibiya had gedragen. Hij had zich willen afsplitsen! Fitna! Het is dat Omar toen niemand had mee gekregen. Maar nu tekenden de tegenstellingen zich veel scherper af. Ali koos er voor om tot elke prijs fitna te vermijden. Tot elke prijs.

Pas toen de doodsreutel Mohammed’s sterven aankondigde, verontschuldigde Omar zich en vertrok haastig.

  1. Mohammed’s overlijden, 8 juni 632; Abu Bakr kalief

Waaraan is hij overleden? Zoveel auteurs zoveel verschillende versies van deze laatste uren, maar nergens wordt een ziekte gediagnosticeerd. Veel verhalen maken melding van een vergiftiging welke hij in Kahybar heeft opgelopen; andere verhalen melden dat hij een kou gevat heeft bij het te lang staan treuren bij de graven op het kerkhof; dan ligt een longontsteking voor de hand. Allemaal vermelden ze hoofdpijn, velen ook koorts. Aan dokters deden ze kennelijk niet, daar in Medina. Zijn enige medicatie zal bestaan hebben uit de huismiddeltjes van zijn vrouwen.

Inzake de hoofdpijn gaat een verhaal dat Mohammed langs Aisha’s appartement kwam en haar hoorde jammeren over hoofdpijn. Hij ging binnen en vroeg: waarom jammer je niet over mijn hoofdpijn? Nee, zei ze, hou jij je hoofdpijn maar mooi, want anders ga je toch maar met andere wijven aan de rol. Mohammed had ondanks zijn hoofdpijn moeten lachen. De laatste keer waarschijnlijk.

Grofweg moet je soenitische verhalen scheiden van de sjiitische. De soenitische laten hem graag sterven in het huis van Aisha, maar de meeste laten hem toch in zijn eigen huis sterven.

Ik houd het er op dat hij de laatste adem uitblies in het bijzijn van zijn vrouwen en zijn trouwe Ali en Fatima en zijn kleinzoons, en andere leden van de Hashimfamilie..

En dat het moment van zijn overlijden buiten de saqifa duidelijk werd door het opklinkend gejammer van de vrouwen.

 

Terwijl Ali vanaf nu met oom Abbas bezig was met het afleggen van het lijk en het regelen van het afscheid nemen van Mohammed, zetten zich her en der koortsachtige beraadslagingen in gang.

 

Om te beginnen in de saqifa van de Banu Saida. De belangrijkste leider van de ansar, Saad ibn Ubada, was op dat moment ten prooi aan hoge koorts. Hij was wel aanwezig maar was te ziek om het woord te voeren, hij liet het over aan zijn zoon Qays.

De ansar moesten nu onmiddellijk de knoop van een gezamenlijke Leider zien door te hakken. Saad had duidelijk de beste papieren. Maar hij was wel een Khazraj-leider. Dus zouden de Aws met hem als Leider als tweederangs-ansar moeten leven. Dat nooit. Maar wat dan?

 

Omar had ogenblikkelijke iemand naar Sunh gestuurd om Abu Bakr op te halen. Hij spoedde zich naar de moskee, want daar verzamelden zich velen om te weeklagen, radeloos nu de Profeet hen verlaten had en met elkaar te overleggen wat er nu moest gebeuren. Omar begon te schreeuwen dat de Profeet helemaal niet dood was. De Profeet was, net als Mozes, naar Allah; maar hij zou na veertig dagen terugkomen. Hij bedreigde met zijn zwaard degenen die doorgingen met hun geweeklaag en gejammer, en legde hen het zwijgen op. Want de Profeet zou hen zeker niet zomaar in de steek laten, zo was de Profeet niet. De Profeet was alleen maar even heengegaan naar Allah maar zou daarna weer terug komen.

 

Eindelijk arriveerde Abu Bakr. Hij begaf zich eerst naar Mohammeds lijk en betoonde zijn medeleven. Vervolgens haastte hij zich naar de moskee. Hij liet Omar zich koest houden, en deelde het gezelschap officieel het overlijden van de Profeet mee. Het waren tussen haakjes voornamelijk mujahireen die daar bijeen waren; de meeste ansar zaten braaf in Jorf en hun sjeiks in de saqifa van de Banu Saida.

Abu Bakr deelde de aanwezigen mee dat er acuut een besluit over Mohammeds opvolging genomen diende te worden. Want zodra de stammen zouden vernemen dat Mohammed dood was, zouden die zich ontslagen achten van hun Verdrag met hem. Dat de moeilijkheid was dat Mohammed eigenlijk niets officieels had vastgelegd over zijn opvolging. Want alles wat hij officieel placht vast te leggen, deed hij in recitaties, ingegeven door Allah. Nou, er was geen enkel recitaat bekend over zijn opvolging. Dat gedoe daar bij de Khumm-Ghadeer waterplaats kon in dit licht niet serieus genomen worden. Als Mohammed dat echt gemeend had, zou hij daar iedereen de eed van trouw aan Ali hebben laten afleggen, zoals ‘t hoort. Dat was niet gebeurd. Dus moest men er niet meer in zien dan een welverdiend eerbewijs aan zijn adoptief-zoon en zijn familie.

Een bijkomend argument was dat Ali amper 32 jaar oud was en de Vrienden dubbel zo oud. Dus Ali zou hen ruimschoots overleven en tijd genoeg krijgen om toe te groeien naar de hoogste leiding.

Omar voegde er aan toe dat de Profeet en zijn familie leden van de Hashim-clan waren en dat de Arabieren het zeker niet op prijs zouden stellen dat zowel het geestelijke leiderschap als het wereldlijke bestuur in handen van één familieclan zouden komen, ook al was dit Mohammeds eigen clan. Hij stelde dus voor dat ze het geestelijke leiderschap aan Mohammeds Hashim-familie zouden toevertrouwen, zoals dat in Mekka al jaren de praktijk was en zoals de Profeet dat bij Ghadeer vermoedelijk had willen beklemtonen, en dat voor het wereldlijke bestuur iemand van een andere Quraysh-clan zou worden gekozen.

Daar leek de meerderheid het mee eens, al klonken er proteststemmen.

Het beraad werd onderbroken door de gehaaste binnenkomst van een zekere Bashir bin Saad. Hij was een Khazraj, maar een vijand van de Saad-familie; hij was fel tegen de benoeming van Saad als de Leider en wist dat hij dit alleen kon verhinderen door de Quraysh aan de macht te helpen. Hij had zich nu naar de Moskee
gerept en bracht Omar fluisterend op de hoogte van wat zich in de saqifa van de
Banu Saida aan het afspelen was.
Omar stelde meteen fluisterend Abu Bakr op de hoogte. Abu Bakr verontschuldigde zich: er was iets aan de hand in de saqifa van de Bany Saida en daar moest hij nu onmiddellijk heen. Maar hij zou hen allen graag later op de dag in de moskee terugzien.

Omar en Abu Bakr haastten zich naar de saqifa van de Banu Saida. Onderweg zagen ze Obaida. Die moest met hen meekomen, dan zouden ze met z’n drieën zijn: altijd beter.

De harde stemmen van de ansar, al van buiten de saqifa hoorbaar, verstomden bij hun binnenkomst. Ze zetten zich vriendelijk knikkend maar zwijgend neer.

Terstond richtte Thabit bin Qays, een ansar-spreker, het woord tot hen. Hij wreef hen aan dat zij, Mekkanen, de macht in Medina wilden grijpen nu Mohammed dood was; terwijl zij als muhajireen in deze stad de minderheid vormden, daar tien jaar geleden totaal berooid waren aangekomen en altijd door hen, de ansar, ondersteund hadden moeten worden.

Dat de ansar sindsdien steeds in de frontlinies hadden gevochten en de Islam tot de overwinning hadden gebracht. Dat deze overwinning ten koste van veel ansar-gesneuvelden tot stand gebracht was; dat zij, Abu Bakr en Omar, daar bijzonder weinig aan hadden bijgedragen, was iedereen bekend. Maar dat zij daar nu toch de vruchten van meenden te mogen opeisen. Nou, dat dat dan over zijn lijk zou moeten.

Omar sprong woedend op, gereed om een gepast weerwoord te berde te brengen. Maar Abu Bakr hield hem tegen, liet hem zich weer neerzetten en nam het woord.

Abu Bakr zei dat Thabit heel terecht de verdiensten van de ansar voor de Islam had uiteengezet. Dat hun offers tot in der eeuwigheid op de dankbaarheid en goedgunstigheid van Allah en de umma zouden mogen rekenen. Maar dat het er nu om ging om de boodschap van de Profeet over heel Arabië te verbreiden. Dat vereiste het Leiderschap van de stam die bij de Arabieren het hoogste aanzien genoot. Dat was de stam van de Profeet, de Quraysh. De Quraysh die in dit gezelschap voor dit Leiderschap het meest in aanmerking kwamen, waren Omar en Ubayda. Het was dus nu aan hen, ansar, om één van deze beide Quraysh te kiezen.

Omar protesteerde hierop dat hij zichzelf niet als de beste man zag. Zeker niet in de aanwezigheid van de echte beste man, en dat was – en hij greep de hand van Abu Bakr – deze.

Er ontstond hevig gemompel onder de ansar. Abu Bakr had wel degelijk een punt naar voren gebracht: er moest ook aan de Bedoeïenen in de hele Hejaaz gedacht worden, en die zouden wellicht geen Khazray of Aws als Hoogste Leider accepteren. Bovendien konden de ansar zelf het niet eens worden over een gezamenlijke kandidaat. Abu Bakr genoot ook onder hen van alle Quraysh zeker het meeste respect. Van de andere kant, het perspectief dat de Mekkanen nu de baas zouden gaan spelen over hun stad was voor de ansar onverteerbaar.

Eén hunner kwam met een tussenvoorstel. Het Leiderschap kon over twee mannen verdeeld worden: één muhajireen en één ansar. Met een tweemanschap zou geen der beide partijen gaan heersen over de andere.

Maar daar kon Abu Bakr weer niet mee akkoord gaan. Hij begon uiteen te zetten waarom niet, maar werd daarin onderbroken doordat er buiten de saqifa iets aan de hand scheen te zijn. Het geroezemoes van een grote menigte zwol daar aan.

Een groot aantal Bedoeïenen van de nabije Hejaaz was na het bekend worden van het overlijden van de Profeet naar Medina gekomen om zich op de hoogte te stellen van de gebeurtenissen. Nu hadden ze vernomen dat de ansar bijeen waren om uit hun midden een Leider te kiezen in de plaats van de Profeet en diens macht over de stad over te nemen. Dat was geheel niet naar de zin van deze Bedoeïenen en ze omsingelden nu de saqifa van de Banu Saida.

De woordvoerders van de ansar raakten nu helemaal in onzekerheid. Bashir bin Saad greep de gelegenheid aan om de knoop door te hakken. Hij liep op Abu Bakr toe, nam diens hand en legde de zijne erop, luid roepend dat in elk geval hij zijn bayat (eed van trouw) aan Abu Bakr aflegde.

De ene na de andere ansar volgde nu zijn voorbeeld. Weldra was het een komen en gaan van ansari: het pleit binnen de saqifa van de Banu Saida was beslist door de onverwachte komst van de Bedoeïenen.

 

Bashir bin Saad was intussen naar buiten gegaan en sprak de Bedoeïenen toe. Hij deelde hen mee dat hier binnen het beraad over de opvolging van de betreurde Profeet had plaatsgevonden en dat de keuze was gevallen op Mohammeds oudste vriend, de Quraysh
Abu Bakr.

En een gejuich van de Bedoeïenen was het antwoord: de keus was dus niet op een Aws of een Khazray gevallen! Het zwol aan tot stormachtig toen Abu Bakr verscheen. De altijd bedachtzame en wijze kledingkoopman genoot ook bij hen bekendheid.

Abu Bakr sprak de Bedoeïenen toe. Dat hij geroerd was door hun blijk van bezorgdheid over het bestuur van de Hejaaz na het wegvallen van de Profeet. Maar dat de toestand nu onder controle was. Dat ze konden begrijpen dat de mensen hier nu nog te zeer overstuur waren om hen gepast te kunnen ontvangen. Dat zij, geachte Bedoeïenen, nu maar het beste weer naar huis konden gaan, in de zekerheid dat alles in orde zou komen. Dat de mensen in Medina nu eerst wilden rouwen. Maar dat zij, geachte Bedoeïenen, over enige tijd zeker van harte welkom zouden zijn in de stad.

 

Toen hij uitgesproken was, bleef hij rustig maar zwijgend staan, wachtend op hun vertrek, en hooguit op opmerkingen reagerend door herhaling van wat hij al gezegd had.

Na nog wat woorden ten afscheid vertrok de menigte Bedoeïenen. Pas toen de laatsten waren gegaan kwam Abu Bakr weer in beweging.

Vergezeld door Omar en Obaida begaf hij zich regelrecht … nee, niet naar het doodsbed van de Profeet. Dat kon nog wel even wachten. De opvolging was nog steeds niet in kannen en kruiken. Abu Bakr had alleen de bayat (eed van trouw) van de sjeiks der ansar. Nog niet die van de ansar in Jorf en nog niet die van de muhajireen.

 

In de moskee was nu een veel groter aantal mensen verzameld. Het ansar-leger uit Jorf was teruggekeerd naar de stad.

Abu Bakr besteeg het preekgestoelte, waarop hij nu al twee weken lang Mohammed had vervangen. Omar en Obaida stelden zich ernaast op.

Hij deelde de muhajireen mee dat hij in de saqifa van de ansar van de daar aanwezige familiehoofden de eed van trouw had mogen ontvangen. Dus dat die hem als de opvolger van de Profeet aanvaardden. Dat hij dit als een zware opdracht voelde, en hij niet wist of hij in staat zou zijn om deze zware taak op zich te nemen. Maar dat hij niemand wilde teleurstellen, en zeker niet zijn overleden vriend, de Profeet. En dat, indien zij, de aanwezigen hier,
eveneens hun vertrouwen in hem zouden stellen, hij hoopte ook hen niet te zullen teleurstellen.

Veel stemmen riepen dat de Profeet toch Ali had bestemd als zijn opvolger!

Abu Bakr herhaalde zijn overweging dat de Profeet bij Ghadeer zeer zeker zijn hoge achting had laten merken voor de trouwe en dappere Ali en dat hij die terecht in de hoogte had gestoken; maar dat hij hen niet gevraagd had om aan Ali de bayat af
te leggen. Dat de Profeet bovendien niet Ali had aangewezen als zijn vervanger op dit preekgestoelte om voor te gaan in het gebed.

Abu Bakr legde er vervolgens sterk de nadruk op dat er haast geboden was om duidelijkheid te verschaffen over de opvolging; de noodzaak waarvan al gebleken was door de komst van de Bedoeïenen van buiten Medina. Dat hij de aanwezigen niet wilde vastpinnen op de keuze voor hemzelf door de ansar in hun saqifa, maar dat het aan de aanwezigen hier in de moskee was om de opvolger van de Profeet te kiezen.

 

Hij nodigde hen uit om te stemmen en vroeg de aanwezigen wie zich kandidaat wilde stellen.

Deze of gene werd door anderen genoemd en vooral Ali, maar aangezien die niet aanwezig was, wees vrijwel iedereen weldra op Abu Bakr zelf.

Nu nam Omar Abu Bakr’s hand, legde de zijne erop en sprak met luide stem zijn bayat uit. Obaida volgde. Vervolgens kwamen alle aanwezigen dit voorbeeld volgen.

 

Perzische miniatuur: Na Aboe Bakr’s verkiezing tot kalief zweren de aanwezigen hem trouw. Naast hem: Omar. Rechts het preekgestoelte.

 

Abu Bakr en Omar beseften dat hun afwezigheid bij het rouwbetoon over het overlijden van de Profeet nu wel erg zou beginnen op te vallen. Maar het afleggen van de eed aan Abu Bakr door alle mannen van Medina en van de vrouwen aan Omar nam de gehele verdere dag in beslag, en was uiterst vermoeiend voor de 70-jarige Abu Bakr. Omar was toen 48, dus die kon nog wat hebben.

Maar bij het vallen van de nacht moest de ceremonie echt onderbroken worden. Ze zouden er de volgende ochtend mee verder gaan.

 

Mohammeds lijk was buiten zijn woning op een baar gelegd: de menigte was te groot om iedereen de gelegenheid te geven om afscheid te nemen. Het gejammer van vooral de ansar-vrouwen was tot ver buiten Medina te horen.

Ali stond de hele dag aan het hoofdeinde van de baar de wacht te houden: hij liet zijn geliefde Profeet en tweede vader geen moment alleen nu die echt weerloos geworden was. Bovendien wenste hij zich niet te mengen in de opvolgingskwestie die zeer zeker urgent was – de komst van de Bedoeïenen was duidelijk genoeg – maar waarbij zijn eigen kandidatuur alleen maar fitna zou kunnen opleveren. Intussen was de grafdelver van het kerkhof bezig met het delven van Mohammeds graf.

In de vroege ochtend werd het lijk van Mohammed gewassen, behalve door Ali en zijn oom Abbas, in het bijzijn van Fahdl ibn Abbas, Qathm ibn Abbas, Usama bin Zaid bin Haritha en de ansar Aus bin Khuli.

Hierna werd het opnieuw op de baar gelegd, en naar het kerkhof gedragen.

Ali inspecteerde het graf, verwijderde er nog wat losse kluiten uit en vlijde, geholpen door Mohammeds oom Abbas, het lichaam er in. Het lijk werd met de uitgegraven aarde bedekt en Ali begoot de grafheuvel met water uit de speciale bron die bij Mohammed altijd favoriet geweest was.

Het weeklagen van de vrouwen bij het graf zou nog de hele dag en nacht doorgaan.

 

Een andere verhaal is dat Mohammed begraven werd op de plek van zijn doodsbed. Gezien de vele nachtelijke uren dat Mohammed op de begraafplaats van zijn geliefden had doorgebracht, lijkt mij dit minderwaarschijnlijk.

  1. Hoe stond Ali tegenover de machtsgreep van Omar en Abu Bakr?

Ali was bepaald niet onkundig van wat er zich intussen allemaal had afgespeeld en was niet echt verrast door de actie van Omar en Abu Bakr, hoe fout die ook was.

Hij begreep de beweegredenen van de Vrienden volkomen. Ze hadden heel wat moeten inleveren om Mohammed in zijn streven te blijven steunen. Met name Abu Bakr’s inzet was zo volhardend en zo enorm geweest dat zij, muhajireen, daar nu niet eens zouden zitten in Medina, als heersers over Medina en de Hejaaz, zonder de inspanningen en de risico’s van Abu Bakr.

Ali kende ook de beweeggronden voor een geslepen koopman als Abu Bakr, om deze enorme investering in Mohammeds project te doen. Die lag niet in het hiernamaalse van Mohammeds religieuze boodschap, maar in het hiernumaalse ervan: de disciplinering van de vecht- en roofzuchtige Bedoeïenen. Ten behoeve van een ongestoorde handel op het schiereiland.

Ali wist dat ook Mohammed wist dat de motieven van Quraysh als Abu Bakr en Omar om Mohammed in zijn project te steunen, van puur politieke en zakelijke aard waren geweest. Gedurende het driejarige verblijf van de Hashims in de kloof hadden de Vrienden het geloof in het project klaarblijkelijk verloren en hadden aan hun zakelijke belangen de voorrang gegeven. Maar toen Mohammed onverwacht aanhang had gevonden bij mensen in Yathrib, begonnen ze hun kaarten weer op hem te leggen. Abu Bakr had Mohammed geholpen om uit Mekka te vluchten, en hij en Uthman hadden geld voorgeschoten voor de bouw van de eerste moskee. Maar Mohammed had er op gestaan om alles terug te betalen zodra hij weer over geld kon beschikken. Zelfs de kameel van Abu Bakr voor de vlucht had hij terug willen betalen.

De vele veldslagen hadden Abu Bakr en Omar alleen in de achterhoede bijgewoond en ze waren bij de eersten geweest om te vluchten zodra de kansen keerden. Omar was wel een imponerende verschijning en trok al snel zijn zwaard om zijn argumenten kracht bij te zetten, maar bij een veldslag zag je hem er zelden mee zwaaien. Terwijl Ali er keer op keer voor gekozen had om zijn leven te wagen voor de Profeet en zijn project.

Ali wist dat Mohammed heus wel wist wat hij aan zijn Vrienden had, maar ook dat dezen hem bij zijn streven wel degelijk onschatbaar van dienst waren geweest. Ook Mohammed was een berekenende opportunist geweest, zij het niet voor eigenbelang maar voor zijn project. Dat berekenende bleek bijvoorbeeld na Hunain, toen Mohammed aan de trouweloze Mekkanen zo’n groot deel van de oorlogsbuit had toebedeeld. Ook had hij Abu Bakr, en niet Ali, gevraagd om hem bij z’n ziekte in de moskee te vervangen als voorganger bij het vrijdaggebed. Dat had betekend dat hij Ali toch nog te jong had geacht om hem als plaatsvervanger op de kansel te laten optreden. Hoewel, ik heb ook ergens gelezen dat het Aisha geweest is die dit tegen de wil van de zieke Mohammed had weten door te drijven.

Trouwens, Ali betwijfelde ook zelf of hij wel oud genoeg was om een acceptabele opvolger van de Profeet te zijn. Na afloop van de laatste hadj had Mohammed weliswaar zijn keuze voor het eerst openlijk verklaard op het howdahs-podium bij Ghadeer. Maar teruggekeerd in Medina had het vervolg moeten gekregen hebben: het organiseren van een bayat op de hand van Ali, van iedereen en vooral van de Vrienden. Maar die confrontatie had Mohammed blijkbaar niet aangedurfd. Uit angst voor fitna: voor een hernieuwde dreiging van Omar om zich af te splitsen, zoals bij Hudaybiya twee jaar geleden. Dat was toen gesust door de opstelling van Abu Bakr, de enige door wie Omar zich liet beteugelen.

Mohammed had zich beperkt tot die laatste wanhoopspoging: de veldtocht naar Syrië. Zoals Ali had kunnen voorspellen was die faliekant mislukt. Zelfs een wilsverklaring op zijn sterfbed had Omar Mohammed verhinderd, zo helder lagen de kaarten.

Het was nu aan hem, Ali, om het beste voor de umma te beslissen. Op zijn strepen gaan staan? Zeker, hij zou op de steun van een meerderheid van de Medinezen, met name van de ansar, kunnen rekenen. Maar waar hij dan ook op zou kunnen rekenen zou fitna zijn. Zou dat de voortzetting van Mohammeds project ten goede komen?

Ali had zich al in een vroeg stadium voorgenomen om zich terug te trekken als kandidaat voor Mohammeds opvolging, hoezeer dat ook diens laatste wens was.

Ali besloot de ook door hem zeer gerespecteerde en wijze Abu Bakr, nu deze zijn politieke keuze al in daden had omgezet, het voordeel van de twijfel te geven. Abu Bakr was evengoed ook al oud.Dat hij een paar keer Omar en Ubayda als de beste kandidaten had aangewezen, was niet alleen uit valse bescheidenheid geweest, maar ook omdat hij als een berg tegen de verantwoordelijkheid op zag. Ali’s beste jaren daarentegen lagen nog voor hem, Mohammeds laatste wil zou heus nog wel vervuld worden.

  1. Overzicht van de machtsgreep van Omar en Abu Bakr

De dagen van Mohammeds overlijden zijn cruciaal geweest voor het hele project van Mohammed: het tot stand brengen ven een Eenheidsgeloof voor de ‘wilde stammen’ der Bedoeïenen, en voor de vorm die het na zijn overlijden zou gaan aannemen.

Cruciaal zelfs voor de miljarden levens van de mensen in de eeuwen die daar op gevolgd zijn. We hebben vandaag heel erg te lijden door het feit dat Mohammeds project bij zijn sterven door een aantal muhajireen is gekaapt. Er zou precies gebeuren waar deze tot in zijn laatste ogenblikken voor gevreesd had, en zelfs erger dan hij zich toen had kunnen voorstellen.

Zo cruciaal dat ik deze dagen nog eens doorneem.

Het gaat om maandag 8, dinsdag 9 en woensdag 10 juli 632.

 

– 8 juni — De sjeiks van de ansar zijn al vanaf de vroege ochtend bijeen in de saqifa van één van de Kharzay-clans, de Banu Saida, uit bezorgdheid voor de plannen van sommige muhajireen en met name Omar; ze willen tijdig een eigen Leider voor hun stad paraat hebben op het moment dat de Profeet, tot dan toe de autocratische Leider, er niet langer is; maar veel clans van de Aws-stam zijn allergisch voor een Kharzay-Leider over hun stad; terwijl de rivaliserende Kharzay wel een door iedereen, ook door Mohammed, zeer hoog aangeschreven kandidaat in de aanbieding hebben: Sa’ad ibn Ubada; er was vooral één opposant tegen diens unanieme benoeming: Bashir bin Saad, een Kharzay nota bene, maar die een wrok koesterde tegen de clan van Sa’ad. Een ongeluk te meer was dat net die dag Sa’ad met hoge koorts te kampen had en niet zelf aan het beraad kon deelnemen.

    — In de moskee waren veel muhajireen bijeen gekomen, uit bezorgdheid over de     komende gebeurtenissen nu de Profeet op sterven lag.

— Rond drie uur ‘s middags steeg het geweeklaag van de vrouwen op uit Mohammeds saqifa. Omar kwam naar de moskee gestormd. Hij had al iemand naar Sunh gestuurd om Abu Bakr te waarschuwen, maar hij wilde nu zorgen dat er geen foute keuzes gemaakt zouden worden in de moskee. Hij schreeuwde de jammerende menigte toe dat Mohammed niet echt dood was en dat deze alleen op bezoek gegaan was bij Allah; maar dat hij zo weer terug kon komen.

Gelukkig arriveerde Abu Bakr al gauw, en die besteeg de kansel, waar hij al een paar weken     de Profeet vervangen had. Abu Bakr zei dat de Profeet dan wel overleden was, maar dat de beraadslagingen over diens opvolging al in volle gang waren en dat de kudde niet zonder herder zou komen te verkeren.

— Toen was Bashir bin Sa’ad uit de ansar-saqifa naar
de moskee gekomen en stelde Omar op de hoogte van de beraadslagingen van de ansar. Omar en Abu Bakr haastten zich naar de saqifa, vergezeld van Bashir en onderweg Obaida oppikkend; dit viertal daar kreeg de keuze op Abu Bakr dankzij de onverwachte toestroom van Bedoeïenen van buiten de stad.

— Ali en de Hashimfamilie waren intussen in beslag genomen door de begrafenisbesognes en konden geen deelnemen aan de beslissingen

— De mare van Mohammeds overlijden had ook de ansar-strijders in Jorf bereikt en die kwamen naar de moskee.

— Omar en Abu Bakr, teruggekeerd in de moskee, zouden daar de verdere dag in beslag     genomen worden door het in ontvangst nemen van de onderdanen-eedafleggingen van de stadsbewoners.

 

– 9 juni — Al vroeg waren Abu Bakr en Omar weer present in de moskee en namen de hele verdere dag de bayats af. Wie er niet verschenen waren, behalve Sa’ad ibn Ubada en nog wat ansars, de Hashimieten en vooral Ali; maar die was druk doende met de ter aarde bestelling van de Profeet, dus die was voorlopig verontschuldigd.

De eedafleggingen duurden tot laat in de avond.

 

-10 juni — Het eerste wat Abu Bakr vandaag deed was een bezoek brengen aan het verse graf van de Profeet op het kerkhof mij Medina. Maar een condoleancebezoek aan diens familie kon er niet af. Hij begaf zich naar de moskee en zond van daar uit iemand naar het huis van Ali om die uit te nodigen zijn bayat aan hem te komen afleggen. Zoals te verwachten keerde de bode terug met de mededeling van Ali’s weigering. Hierop ontstak Omar in woede, ging thuis zijn harnas aantrekken, verzamelde een bewapende knokploeg en toog naar Ali’s woning. Daar vond hij, zoals te verwachten, de deur gesloten, en gaf order om hout te verzamelen teneinde de deur in brand te steken. De kinderen binnen begonnen te huilen en Zubayr, een shahaba die aan Ali’s kant stond en die bij hem op bezoek was, trad naar buiten.

Omar riep hem toe dat hij zijn eed aan Abu Bakr moest komen afleggen. Zubayr zei dat hij dat niet van plan was en dat hij zijn zwaard zou trekken als ze zouden blijven zeuren. Maar toen gaf Omar zijn knokploeg bevel om Zubayr z’n zwaard af te pakken en hem mee te voeren naar de moskee. En daar legde Zubayr gedwongen zijn eed af.

Ali wachtte het gedoe niet af, hij begaf zich naar de moskee. Er had zich al een menigte verzameld bij zijn huis en die vergezelde hem. Omar ontving hem dreigend en verzocht hem zonder omwegen om zijn bayat aan Abu Bakr te doen. Ali gaf Omar de raad zijn gemak te houden. Hij wendde zich tot de aanwezigen en vertelde dat de Profeet tot in zijn laatste ogenblikken te kennen had willen geven dat Ali hem zou opvolgen. Dat de Profeet al dagen tevoren had willen verhinderen dat iemand anders dan Ali hem zou opvolgen. En dat Omar het geweest was die de Profeet hierin de voet dwars gezet had, tot op diens sterfbed. En hij vertelde van Mohammeds verzoek om zijn laatste wil op schrift te laten zetten en het optreden van Omar hierbij.

Er viel een stilte.

Omar schreeuwde dat Ali niet de zoon van de Profeet doch slechts diens jonge neefje was. En dat het sowieso geen pas gaf om het profeetschap een erfelijke aangelegenheid te laten worden. Dat het ging om de keuze voor de meest geschikte man. Ali gaf ten antwoord dat hij ieder van de aanwezigen uitdaagde om te zien wie hem zou kunnen overtreffen in het paraat hebben van de meeste uitspraken van de Profeet; en dat er genoeg van de aanwezigen getuige waren geweest van de keuze van de Profeet op de stopplaats bij Ghadeer-Khumm, waar hij, staande op de van howdahs geïmproviseerde verhoging, Ali’s hand had hooggeheven en hem als zijn opvolger had aangewezen.

Hierop onderbrak de ansar Bashir hem en riep: Waarom heb je dit alles niet eerder naar voren gebracht, Ali. Ik zou mijn eed van trouw aan jou hebben gegeven in plaats van aan Abu Bakr!

Ali vervolgde: Hoe dan ook, nu zo velen van jullie je eed al aan Abu Bakr hebben gezworen en de wens van de Profeet wetens en willens hebben genegeerd, is het voor mij duidelijk dat er een keuze is gemaakt. Ik trek me terug en ga me wijden aan het op schrift stellen van de boodschap van de Profeet.

    Hij trad op Abu Bakr toe, deed zijn bayat en verliet de moskee.

 

De aanwezigen bleven in verwarring achter. Ali had velen de ogen geopend en het gevoel gegeven dat ze zich door Omar en Abu Bakr in de luren hadden laten leggen. Omar had zijn gewone blaaskakerij verloren en zat zwijgend teneer, alsof schaamte hem overvallen had. Abu Bakr herpakte zich en nam het woord.

    Dat hij de verontwaardiging van de jonge Ali heel goed begreep. Die had zich altijd     bewonderenswaardig dapper geweerd en had zich inderdaad zeer verdiept in de boodschap van     de Profeet: hij zou zeker een goede opvolger van de Profeet worden. En die had dat inderdaad     te kennen gegeven bij Ghadeer-Kumm. Maar de Profeet had dat later niet bevestigd door hen     te verzoeken om op de hand van Ali trouw te komen zweren. In tegendeel, hij had nadien zijn     voorkeur voor hem, Abu Bakr, laten blijken door zich door hem, Abu Bakr, te laten     vervangen bij het voorgaan in het gebed in de moskee en niet Ali.

Maar de jonge Ali zou zeker zijn kans op de opvolging zeker krijgen. Voorlopig leek het de wens van de Profeet dat hij, Abu Bakr, de profeet als eerste zou opvolgen. Hij zou morgen nog met Ali gaan praten. En hiermee besloot hij de bijeenkomst.

 

  1. Hoe het verder ging

Dit waren de drie dagen van het overlijden van Mohammed. Beslissende dagen voor de toekomst van de Islam en voor de vorm die het project van Mohammed zou gaan aannemen.

Mohammed had voordien inderdaad altijd een pragmatische houding aan de dag had gelegd – een houding die voor de voortgang van zijn project ongetwijfeld de meest juiste was geweest. Deze houding had hij in zijn laatste jaar laten varen, en begon steeds meer aan een spirituele inhoud van zijn leer de voorkeur te geven boven de politieke die tot dan toe zijn beslissingen had bepaald. In zijn laatste dagen had hij getracht, deze spirituele kant de overhand te laten krijgen door middel van een opvolging door Ali. Daartoe dienden zijn Vrienden aan de zijlijn plaats te nemen. Helaas waren die daar niet in getrapt. Zelfs zijn laatste poging: een geschreven testament, hadden ze weten te verhinderen. Mohammed is daardoor een bitter einde beschoren geworden.

 

De Vrienden waren er in geslaagd om de beweging van Mohammed op het spoor
te krijgen dat later het soennitische zou worden. Het was voor hen zaak om de ‘coup’ in een definitieve overwinning om te zetten. Ali zou zeker voortgaan in het werven van aanhang onder de armen door het verstrekken van gratis leningen en andere bankfaciliteiten. Dat kon hij met Fatima’s inkomsten uit de Fadak oase. Maar, zo redeneerden de Vrienden, Abu Bakr was nu immers de autocratische opvolger van de Profeet? Dus hij kon autocratisch verordonneren dat die inkomsten voortaan aan de umma, de gemeenschap der gelovigen, zou toekomen? De umma waarin zij het voor ‘t zeggen hadden?

 

Maar om daar nu al meteen werk van te gaan maken zou een al te schril licht werpen op hun politiek. Abu Bakr wilde eerst laten zien dat hij geheel in de lijn van de Profeet wilde handelen.

Dus zond hij alle strijdkrachten terug naar Jorf, en hij ging ditmaal zelf mee. De expeditie naar het Shamgebied (het gedeelte van Arabië tussen de Hejaaz en Syrië) moest nu eindelijk, volgens de laatste orders van Mohammed, worden ondernomen. De Profeet was zelf niet meer bij machte geweest om deze in gang te zetten, zijn opvolger Abu Bakr zou de klus klaren.

Halverwege haakten Abu Bakr en Omar af. Er was een ijlbode achterna gekomen en het bleek dat hun bestuursverplichtingen hen helaas, helaas moesten laten terugkeren naar Medina.

 

Het moslimleger vervolgde de expeditie. Ze troffen geen enkele tegenstand. Na twee maanden keerden de troepen, in september 632, terug naar Medina, met wat van Bedoeïenenstammen geroofde schapen en kamelen. Wat een schijnvertoning.

 

Evengoed waren er stammen die, vernomen hebbende dat Mohammed dood was, zich ontslagen achtten van hun verplichting om belasting af te dragen. Een van deze stammen was de Banu Yerbo. Hun leider, Malik, was goed bevriend geweest met Mohammed, was moslim geworden en was op de hoogte van de onfrisse gang van zaken bij Mohammeds opvolging. Dus hij wilde eerst zien aan wie hij precies de belastingafdracht zou moeten doen.

Abu Bakr stuurde er meteen zijn bloedhond Khalid op af. En met de nu volgende gang van zaken laat de ‘coup’ van de Vrienden al meteen zijn ware gezicht zien. Het voorbeeld dat vandaag door de criminelen van IS wordt gevolgd als zijnde de ware Islam. De Islam van Abu Bakr en de Vrienden ja, niet de Islam van de Mohammed van diens laatste wil, en al helemaal niet de Islam van Ali, van de meeste Hashimieten en van de meeste ansar.

Macht corrumpeert alles en iedereen. Macht had zelfs de goede Mohammed gecorrumpeerd toen hij de 750 mannen van de Joodse Banu Qurayza had laten afslachten. En nu had Abu Bakr de macht, en dus ook de geniale maar schurkachtige generaal Khalid.

Malik had, als hooggewaardeerde leider, een wonderschone dame in zijn harem, Leila. Daar had Khalid zijn zinnen op gezet. Toen Malik hem ontving, had hij al meteen begrepen dat hij een verloren man was. Hoe hij ook betoogde dat hij een vrome moslim was geworden en derhalve bereid tot belastingafdracht aan de umma, Khalid bleef onverbiddelijk. Alle Yerbo-mannen, inclusief Malik, werden gebonden door Khalids overmachtige legermacht van 4000 manschappen, en afgeslacht. Khalid oogstte zijn begeerde Leila.

De ansar Abu Qatada, een onderaanvoerder, was zodra hij doorkreeg wat er te gebeuren stond, spoorslags terug gekameeld naar Medina en had Abu Bakr op de hoogte gebracht van Khalids ongehoord snode optreden tegen Malik. Maar .. Abu Bakr vond het signaal dat hiermee afgegeven was aan alle overige potentiële belastingafdracht-weigeraars opwegen tegen Khalids inderdaad verwerpelijke optreden, en hield hem de hand boven het hoofd.

Voor Omar echter had Khalid hiermee afgedaan, en dat zou deze later ondervinden. Dat siert Omar dan wel weer.

Er waren meer stammen die zich nu ontslagen achtten van betalingen aan de moslims. Zoals die van Hadramaut en Kinda. Niet in staat zich teweer te stellen tegen Mohammeds moslimlegers waartegen zelfs een verbond van Bedoeïenen-stammen niet tegen opgewassen was gebleken, hadden ze zich een gouverneur moeten laten opleggen die toezag op de belastingafdrachten. Nu de Profeet overleden was, weigerden ze die belastingafdrachten langer te doen. Abu Bakr zond er Ikrima bin Abu Jahl met een leger op af om de moslim-autoriteit aldaar te herstellen. Ikrima nam de opstandelingenleider, Ash’ath gevangen en voerde hem gevankelijk naar Medina. Ash’kath vroeg Abu Bakr om vergiffenis. Abu Bakr schonk hem die niet alleen, maar gaf hem zelfs zijn eigen zuster tot vrouw.

 

Tulayah, de sjeik van de Banu Assad, een Ghatafan-stam ten oosten van Medina in de Nejd, had al enige nederlagen tegen de moslimlegers geleden, met verlies van grote aantallen kamelen en schapen. Hij had met de Mekkanen deelgenomen aan de mislukte belegering van Medina in 625.

In 630 had hij de Islam geaccepteerd, maar het jaar erop verklaarde hij zich tot Profeet en ontving spontane recitaties van Boven, want dat kunstje kende hij ook wel. Veel Bedoeïenenstammen erkenden zijn Profeetschap en hij ontwikkelde zich tot een serieuze concurrent van Mohammed.

Na Mohammeds dood bracht hij een coalitie bijeen om Medina aan te vallen. Het was juli 632. Abu Bakr belastte Ali er mee om deze concurrent uit te schakelen. Hij gaf deze echter zo weinig troepen mee, die bovendien voornamelijk gerekruteerd waren uit leden van de Hashim-clan, dat Ali begreep dat het de opzet van Abu Bakr was om hem en zijn clan zich uit geloofsijver te laten doodvechten. Dus hij ging de strijd tegen de overmacht niet aan en vroeg om versterking. Abu Bakr kon er niet om heen om deze toe te zenden. Nu werd Tulayha’s legermacht verslagen en teruggedreven naar Zhu Hussa, zijn stad. Dat vond Ali mooi genoeg. Voor een definitieve afrekening was zijn legertje nog steeds niet toereikend. Hij trok zich weer terug in zijn huis, om zich aan zijn Koranwerk te wijden.

Omdat Tulayah dus nog steeds niet was uitgeschakeld, werd nu Khalid er op af gestuurd. Die versloeg de troepen van Tulayah definitief bij Buzakha. De meeste van Tulayah’s coalitie-stammen accepteerden de Islam. Tulayah zelf ontsnapte naar Syrië.

Toen Syrië onder Omar’s kalifaat in 634 werd ingelijfd, accepteerde Tulayah de Islam en betuigde persoonlijk eer aan Omar. Hij nam vervolgens verdienstelijk deel aan enkele moslim-veldslagen en stierf als moslim. Net zo makkelijk.

Hier eerst maar weer een kaartje van het internet geplukt. Dit kaartje laat ook goed de nagenoeg lege woestijnen van Arabië zien. Waar ik hier ook even de nadruk op wil leggen: alle moslim-acties gedurende de kalifaten van Abu Bakr, Omar en Uthman werden aangestuurd vanuit Medina. De rol van Mekka was voor dit verhaal over het begin van de Islam uitgespeeld sinds Mohammed het ontvlucht was.

Er waren meer Profeten. In Yemen trad Aswad Ansi al vanaf 630 op als Profeet en Waarzegger. Ook hij reciteerde ingevingen van Boven in Soera’s, en verrichtte wonderen zoals Musaylima. Met zijn gerekruteerde volgelingen veroverden hij het merendeel van Yemen en ook Najran. Na dit succes achtte hij zich niet langer slechts de Profeet van God, maar beschouwde zich als Rahman, de Barmhartige, in eigen persoon. Je moet het natuurlijk niet te gek willen maken. Mohammed stuurde er zijn generaal Qays ibn Hubayra op af en die maakte er een einde aan.

 

De Profeet Musaylima van de Banu Hanifa, die Mohammeds Profeetschap met groot succes had weten te imiteren in het gebied boven de Nafud woestijn, meende dat hij nu sterk genoeg was om ook diens heerschappij over de rest van Arabië te kunnen imiteren, en hij beraamde een grootse veldtocht. Tegen hem nu zette Abu Bakr zijn bloedhond Khalid in. De veldslag van Yamaha in 634 betekende het einde van Musaylima’s Profeetschap en van diens geestelijke rijk.

Wie daar, in Khalids gelederen, het beslissende doelpunt scoorde, was Wahshi de Ethiopiër. Hij was moslim geworden, maar hanteerde nog steeds zijn vertrouwde werpspies. Hij is het geweest die Musaylima daarmee heeft weten uit te schakelen.

 

Sajah was van de Banu Tamim, waartoe ook de Banu Hanifa behoorde. Ze had van Mohammed, Musaylima en Tulayah gezien dat je met Profeetschap een eind kon komen. Nou, ze had al succes als waarzegster, dus Profeetschap ging haar uitstekend af. Ze wist een strijdmacht van 4000 man te rekruteren en rukte daarmee op naar Medina, onderweg nog wat meer troepen van stammen verzamelend. Tot ze vernam dat Tulayah het had afgelegd tegen Khalid.

Nu zocht ze extra versterking door zich aan te sluiten bij Musaylima. Ze trouwde zelfs met Musaylima en ze accepteerde diens profeetschap. Toen Musaylima in de slag bij Yamama de dood had gevonden door Wahshi’s werpspies, bekeerde ze zich tot de Islam. Net zo makkelijk.

 

En zo stonden er nog een paar kandidaat-profeten op, in navolging van het succes van Mohammed. Waarmee maar gezegd wil zijn dat het toen zeker zo makkelijk was om als Profeet een groep volgelingen achter je te krijgen als voor Lou de Palingboer of Jomanda vandaag.

Wat is het kenmerk van de Ware Profeet? Zijn succes. Wat maakt een sekte tot godsdienst? Het succes ervan. Wat maakt een afgod tot God? Idem dito.

  1. Het overlijden van Fatima

Abu Bakr’s tamelijk doorzichtige poging om Ali op het veld van eer te laten sterven door hem met een veel te kleine troepenmacht af te sturen op een veel machtigere Tulayah was dus mislukt. En Ali ging maar door met het verstrekken van renteloze leningen aan de armen, en zich van een staag groeiende aanhang verzekeren. Dat kon hij door de stage inkomsten uit de Oase Fadak. Door Mohammed aan zijn lievelingsdochter Fatima geschonken.

Ik heb tot nu toe te weinig aandacht besteed aan Fatima, dus even een inhaalslagje.

Fatima was het laatste kind dat Mohammed met Khadija gekregen had en ze was zijn oogappel. Ze werd geboren toen Mohammed al in moeilijkheden was met zijn leerverkondiging. Ze is daarom niet uitbesteed geweest aan een min in een of ander buitendorp, maar geheel door Khadija zelf gezoogd. Als klein meisje moest ze vernemen dat Mohammed, toen hij aan het bidden was in de Ka’aba, door zijn aartsvijand Abu Jahl belaagd was. Die had tegen een paar kornuiten geroepen: halen jullie eens wat slachtafval, dan zullen we hem lekker laten ruiken. Fatima hoorde dat haar vader vol kamelendarmen was gegooid. Ze rende er heen, ontdeed haar onverstoorbaar doorbiddende vader van de drek en schold Abu Jahl uit voor alles wat lelijk was. Want ze was niet op haar mondje gevallen. Het is door dit voorval geweest dat Mohammeds oom Hamza, teruggekomen van de jacht en gehoord hebbende van het gebeuren, Abu Jahl een klap met zijn boog heeft verkocht met de mededeling dat hij, Hamza, nu ook moslim zou worden.

Fatima heeft ook de drie hongerjaren in de kloof meegemaakt, en is later met Zaid en anderen ontkomen naar Yathrib.

Daar was ze, inmiddels 19 jaar oud, nog steeds niet getrouwd. Hoewel ze voor iedereen een gewilde partij was. Zowel Abu Bakr als Omar waren onder de gegadigden. Maar ze wees iedereen af, en Mohammed dwong haar niet.

Ali, intussen 23 jaar, was ook een gegadigde; maar die durfde niet. Daar speelt in mee dat een meisje, van jongs af opgegroeid met een gezinslid, afkerig is van seks met iemand die als broer aanvoelt. Dat voelt als incest.

Het was na de verloren slag bij Uhud, waar Ali zich als een leeuw geweerd had, dat Mohammeds vrouwen er nu bij Ali op aandrongen om een aanzoek te doen. Ali begaf zich schoorvoetend naar Mohammed, maar hij kreeg de vraag niet over zijn lippen. Mohammed vroeg hem of hij misschien om de hand van Fatima kwam. Ali knikte met gebogen hoofd. Mohammed beloofde het haar te vragen.

Terwijl Fatima bij de voorgaande aanzoeken steeds geweigerd had, bleef ze nu stil.

Dat werd door Mohammed opgevat als een toestemming, en blij gaf hij zijn dierbare aanstaande schoonzoon opdracht om geld voor een bruidsschat te gaan bijeensprokkelen. Hij ried hem aan – Ali had immers geen rooie cent – om zijn schild te verkopen aan Uthman. [Deze zou vervolgens bij het trouwfeest het schild als huwelijksgeschenk voor de bruidegom meebrengen. Kom zeg, Ali was een onmisbare vechter bij elke veldslag, die mocht voor geen goud sneuvelen bij gebrek aan een goed schild; en Uthman zelf bleef het liefst thuis als er gevochten moest worden. Slim weer van Mohammed.] Aisja en Umm Salama verzorgden het bruiloftsmaal met dadels en vijgen, schapenvlees en brood, gekregen van enkele ansar families. [Dit heb ik allemaal van een Wikipedia-artikel over Fatima, en dat steunt weer op hadiths. Veel van mijn tekst komt van Wikipedia. Daar maak ik elk jaar geld aan over: Wikipedia doet het zonder reclame- of dergelijke inkomsten. Het wil onafhankelijk blijven.]

Het huwelijk werd gezegend met vijf kinderen, waarvan twee jongens, en Mohammed was er heel gelukkig mee.

Maar het bleef armoe troef. Ali verdiende zijn dadels met het sjouwen van huiden vol water voor de velden van de boeren. Fatima moest alles zelf doen: voor de kinderen zorgen, de was doen, water halen, zorgen voor eten, vaak ook voor Mohammed. Haar handen waarmee de het graan plette met de rolsteen op de maalsteen zat vaak vol blaren, evenals haar schouders door het torsen van de waterkruiken. Dochter Zaynab werd in 628 geboren, de enige van de drie meisjes waar ik de naam van ben te weten gekomen. Ali zorgde ook voor het gesprokkelde hout, naast het voedsel dat hij voor zijn harde werken kreeg.

Na de verovering van Khaybar en Fadak kregen ze het beter. Fatima kreeg twee huishoudelijke hulpen. Maar ze bleef het huishouden toch vooral zelf doen: ze was het sloven gewend en die meisjes moesten nog veel leren. Ze was ook best wel een ongemakke tante. Ze was niet uit hartstocht met Ali getrouwd, en een jonge sterke man wil ook wel eens hartstocht. Maar toen hij een keer te lang bleef kijken naar de jongste dochter van Abu Jahl, was de boot aan. Ali heeft er tijdens haar leven nooit een tweede vrouw bij genomen, dat gevecht ging hij niet aan met de zeer vrome Fatima.

Toen, na de begrafenis van Mohammed, Omar naar Ali’s huis kwam om van de daar aanwezige Hashimieten de solidariteitsverklaring te eisen, schijnt het er zodanig ruig aan toe gegaan te zijn dat de zwangere Fatima er een miskraam aan overhield. Daar is zij niet meer van hersteld.

 

Zo. Nu weer terug naar Abu Bakr en diens besluit om het Ali onmogelijk te maken om door middel van de inkomsten uit Fadak en Khaybar een gratis bank van lening te spelen voor de armen en zich alzo van een groeiende aanhang te voorzien.

Nu hij de autocratische heerser van Medina was en kon uitmaken wat juist was, maakte Abu Bakr uit dat de Profeet, zijnde de Boodschapper van Allah zelf, geen erfgenamen had. Dus dat het eigendom van Fadak aan de umma, de gemeenschap der gelovigen, toebehoorde en niet aan Fatima en haar gezin. Hij produceerde er zelfs een Soera voor, welke hij uit de mond van de Profeet zelf zei onthouden te hebben.

Omar belastte zich met de aankondiging van het besluit van de nieuwe Leider van Medina, en reed geharnast en met een gevolg naar het huis van Fatima.

Fatima was ziek. De ziekte en dood van haar geliefde vader, het politieke gedoe om zijn opvolging en het domweg passeren van haar Ali, en de daarop gevolgde miskraam, hadden haar gestel gesloopt. Ze was bij gebrek aan eetlust sterk vermagerd. Maar nu haar ook nog dit onrecht werd aangedaan, ging ze ouderwets als een leeuwin te keer tegen Omar en Abu Bakr.

Tevergeefs, en van Ali kreeg ze ook al geen steun. Die ging geen van te voren al uitzichtloos gevecht aan. Dat zou alleen fitna in de umma opleveren. Hij had zijn bayat aan Abu Bakr gegeven en die had ‘t nu voor het zeggen.

Nu ze ook nog van haar Fadak beroofd was, wilde Fatima niet langer leven. Ze wilde ze gewoon verenigd worden met haar geliefde vader in de hemel.

Ze wilde per se niet dat Abu Bakr de dienst van haar uitvaart zou leiden en z’n schijnheilige praatjes over haar lijk zou houden; ze liet Ali laten zweren om dat niet te laten gebeuren. Ali en zijn ooms en neven begroeven haar volgens haar laatste wens ‘s nachts, en ze groeven drie graven. Hiermee bood ook haar graf geen gelegenheid tot dat schijnvertoon.

Dit alles gebeurde in 633, ruim een half jaar na Mohameds overlijden.

Ali bleef als weduwnaar achter, de kost verdienend als tuinder voor zijn vijf kinderen. Hasan en Hoesein waren nu 8 en 6 jaar, dus die konden al een handje meehelpen. Zaynab was pas 5. En dan nog twee meisjes waarvan ik verder niets weet. De twee hulpen zullen gebleven zijn, en dan was er nog de trouwe Umm Salama en nog enkelen van Mohammeds vrouwen.

In 634 werd Musaylima en zijn Banu Hanifa verslagen, veel mannen gedood en veel vrouwen en kinderen als slaven afgevoerd naar Medina. Ettelijke mensen van die stam deden een goed woordje bij Ali ten behoeve van één der vrouwen, Khawlah. Ze was van een voorname Hanifa-familie. Ali kreeg haar op zijn verzoek van Abu Bakr, en trouwde haar, zodat ze van slavernij gevrijwaard bleef. Ze schonk ze hem een derde zoon, die hij Mohammed noemde, en die later een groot aanzien verwierf als een zeer vroom en ascetisch man. Het is ook zo dat de mannen van de Banu Hanifa krachtige ondersteuners werden van de latere ‘fractie Ali’ (shi’a Ali), tegenover de ‘fractie Ummayya’ – wat zou uitmonden in de splitsing tussen de moslims die we kennen als die tussen Sji’ieten en Soennieten.

  1. Soennieten versus Sjiieten

Met het veroordelen van Ali tot armlastigheid hadden de Vrienden hem de mogelijkheid ontnomen om voor de arme ansar een instantie te betekenen buiten de Vrienden om. Hiermee zegevierde de pragmatische en politieke muhajireen- opvatting over de meer spirituele boodschap van Mohammed, die ook die van de meeste ansar geworden was; en over de mentaliteit van de Hashim-clan. De splitsing tussen de latere soennieten en de sjiieten tekende zich in volle scherpte af en zou de verdere geschiedenis van de Islam bepalen.

 

De splitsing is waar je de prioriteit legt bij een nieuw geloof: bij het goede (sociale) in de mens, dan wel bij het geld van en de macht over de mens.

Zarathustra was het te doen geweest om het goede (sociale) in de mens.

De Judaïstische patriarchen was het te doen geweest om het geld van de joodse boerenfamilies, dus om politieke macht ook. Voor het goede (sociale) namen ze van het Zoroastrisme een aantal elementen mee ter aankleding en verfraaiing van de eigenlijke doelstelling van hun Judaïsme: geld en macht.

Het Christendom begon als een Judaïstische afsplitsing en heeft als Kerk altijd opportunistisch meegebogen met de heersende machten (het CDA laat het nog steeds leuk zien): heeft de nadruk op het goede (sociale) altijd als een groot banier voor zich uitgedragen maar daarachter in alle politieke stellingnames de eigenlijke bedoeling van de kerkelijke machthebbers en het Vaticaan harteloos nagestreefd.

Mohammed stond er heel lang dubbel in. Natuurlijk stond het door Waraqa en Zayyeed bedachte en door Mohammed gerealiseerde project in eerste instantie ten dienste van de ongestoorde karavaanhandel van Mekka. Maar geleidelijk was daarin de religieuze beleving van de eredienst aan Allah bij vele gelovigen en ook steeds meer bij Mohammed zelf hoofdzaak geworden, en het stoppen van de ghazwa’s en de stammentwisten een welkom neveneffect.

Hij wist evenwel dat het bij zijn Vrienden andersom lag en dat die vooral nu het succes daar was, hun investering in geld en lijfsgevaar vergoed wilden zien. Tot op het laatst van zijn leven had Mohammed niet geweten hoe hij de prioriteit van zijn Islam-project definitief naar het religieuze kon doen overhellen.

De Vrienden hebben het voor hem beslist. Zij hebben daarmee de Islam gemaakt tot wat hij geworden is: een geloof zoals het Christendom. Dus met het Goede (“Vrede”) in het vaandel maar daarachter alle ruimte voor potentaten en andere machthebbers. Voor de gewone moslimman biedt het als troost de macht over vrouw, zusters en dochters, tussen wier benen de eer van de moslimman gelegen is.

 

  1. Islam?

Welbeschouwd was er de eerste jaren na Mohammeds overlijden nog niet meer dan wat vandaag IS tot stand tracht te brengen: een kalifaat dat zich uitstrekte over het merendeel van het Arabische schiereiland. Een sterke legermacht die in de veroverde stammenregio’s gouverneurs als onderkoningen aanstelde die belastingen moesten innen en afdragen aan Medina. Met als enig doel: als politiek project in stand blijven, dus zorgen dat de strijders te eten hebben en dat ze hun families via hun soldij in leven kunnen houden.

De gelegenheid tot het realiseren van dit politieke project was ook te mooi. De twee grootmachten die hun wereld tot voor kort hadden beperkt, lagen op apegapen ; de gebieden die tot dan toe door hen beheerd werden, lagen voor het grijpen.

Toen Amr bin al-As naar kalief Omar schreef om te vragen of hij Egypte mocht veroveren, was zijn argument: “Egypte is de rijkste provincie [van de Romeinen; daar haalde Rome zijn granen] en hij is slecht verdedigd. ‘ Dus niks ‘verbreiding van het geloof’. Dat speelde bij de Vrienden-kaliefen geen enkele rol.

Omar was als kalief echter niet langer blaaskaak, hij bleek een voorzichtig bestuurder. Generaal Amr kende de aarzeling van Omar, en wist dat deze hem tot afwachten zou manen; maar hij was zo zeker van zijn zaak dat hij alvast op trok naar Egypte. Toen Omars ijlbode hem bereikte, wachtte hij met het openen van de brief tot hij zijn leger binnen de grenzen van Egypte had.

Eenmaal daar bleek de verovering bepaald geen makkelijke klus. Toch heeft Amr de macht van de Byzantijnen in Noord-Afrika weten uit te schakelen en de basis gelegd voor de uitbreiding van heel Noord-Afrika en het Iberisch schiereiland. De verovering van heel Europa vanaf die route is pas tot staan gebracht door Karel Martel bij Poitiers in 732.

Pas vanaf toen zijn de Arabieren pas echt werk gaan maken om van de Islam een Eenheidsgodsdienst te gaan maken, met een Boek (de Koran), met plichtenleer (sharia).

De Islam is meer een rechtssysteem dan een godsdienst. Maar wetten kent de Islam niet. Alleen plichten. Rechtsregels en rechterlijke uitspraken die daarop gebaseerd zijn worden bij ieder geval beredeneerd vanuit oudere uitspraken en juridische traktaten door een rechtsgeleerde (faqih), en die doet dan een uitspraak (fatwa).

  1. De ‘rechtgeleide ‘ kaliefen

Typisch een soennitische term. Daarmee worden achtereenvolgens Abu Bakr, Omar, Uthman en Ali aangeduid. De eerste drie behoorden tot de directe Vrienden die Mohammeds project met hun geld hadden geholpen en die na diens dood recht meenden te hebben op ‘terugbetaling’ daarvoor. Ali was een even onmisbare hulp geweest, niet met geld maar met moed en vechtkracht; die meende recht op opvolging te hebben omdat Mohammed dat met even zoveel woorden luid en duidelijk had te kennen gegeven op de terugweg van zijn laatste pelgrimage naar Mekka. Maar … zijn keuze niet had bekrachtigd door een bayat-ceremonie; dat was voor de Vrienden teken genoeg geweest en ze hadden zich van de opvolging verzekerd.

Verspreiding van het Arabische Rijk door:

I Mohammed (630-632)

II Aboe Bakr (632-634)

III Omar (634-644)

IV Uthman (644-66)

Ook al wist Ali (die echt niet dom was) dat Mohammeds poging om zich door hem te laten opvolgen, een niet-haalbare kaart was, het neemt niet weg dat de samenzwering van Aisha en haar vader en Omar en nog wat Mekkanen een sluwe coup is geweest. Maar nu: zand erover.

Bij Mohammeds dood was een behoorlijk deel van het schiereiland (I) ge-islamiseerd. Abu Bakr heeft vervolgens goed leiding gegeven aan de onderwerping van stammen die zich door M.’s overlijden ontslagen achtten van hun eed van trouw aan hem en heeft op wat voor onfrisse manieren door legeraanvoerders als bloedhond Khalid dan ook (vandaag ten voorbeeld aan IS) de rest van het schiereiland (II) onder zijn gezag weten te brengen. Het betrof vooral de stammen waarvan de leiders zich ook met het profeetschap hadden getooid en die in al in par. 35 he b genoemd.

Nadat al deze Arabische stammen zich weer gedwee onder het moslimjuk hadden gevoegd, richtte Abu Bakr zijn aandacht naar de Arabische stammen die tot voor kort bufferstaten van de Byzantijnen enerzijds en de Sassaniden (Perzen) anderzijds waren geweest, maar die, nu beide grootmachten zich tegen elkaar hadden uitgeput, welkom zouden kunnen zijn als bufferstaten voor de Arabieren.

En weer was het generaal Khalid die de cruciale overwinningen wist te boeken. Maar dat zou Abu Bakr niet meer meemaken. Na twee jaar werd hij ziek en op zijn sterfbed benoemde hij niet Ali maar Omar tot zijn opvolger.

– tenslotte was dit aanzienlijk lichter dan het van de Perzen en de Romeinen was geweest –

***

  1. De Koran

Ook dat is geen bundel wetten en verhalen zoals de Bijbel, maar een samenbundeling van simpele en korte recitatieven tot lange Bijbelse preken – deze laatste hap-snap door een toehoorder genoteerd als een college-dictaat – en Bijbelse voorkennis bij het gehoor veronderstellende; alsmede reacties op gebeurtenissen in Arabië of in Mohammeds privé-leven; vermaningen aan de jonge moslimgemeente van Medina.

De Arabieren lazen niet; de ‘ingevingen’ werden door aanhangers in het geheugen opgeslagen; enkelingen die wel konden lezen en schrijven, noteerden er een paar op palmbladeren of kamelenbotten.

Toen

***

 

  1. En nu genoeg over het begin van de Islam

 

Want het gaat mij inzake alle menselijke dingen over het begin ervan: dan snap je het vervolg beter. Over het vervolg zijn er geschiedenisboeken, over het begin veel minder. Het begin van het Judaïsme, het begin van het Christendom, het begin van de Islam … het was allemaal in nevelen gehuld toen ik me er in ging verdiepen.

Ik kan me voorstellen dat de religieuze autoriteiten die nevel het liefst willen behouden. Maar de wind of change van de globaliserende vrije markt economie is opgestoken. Die zoele wind tast de permafrost aan waarop hun bolwerken gebouwd. Hun bolwerken beginnen te verzakken want permafrost is een ondeugdelijke bouwgrond. De religieuze autoriteiten van de Islam mogen dan op oliebronnen zitten, maar ook zij kunnen de wind of change niet keren. Dit boekje bewijst dat een ijverige amateur het begin van de monotheïstische systemen zelf bij elkaar kan googelen.

 

De onderwerping en disciplinering van de Bedoeïenen door middel van een Arabisch Eenheidsgeloof, vergelijkbaar met (en geënt op) dat van de Joden en de Christenen, het project van Mohammed en zijn Vrienden, beoogde in zijn aanzet niet meer te omvatten dan het Arabische schiereiland. Maar door de ineenstorting van het Perzische rijk lag dat ook open voor verovering, en nou ze toch bezig waren …

 

De veroveringstocht van IS en bijbehorende misdadigheid zijn een pure imitatie van het voorbeeld dat de Ummayyaden hierbij hebben gegeven. Dus wie roept dat het optreden van IS “Niets met de Islam te maken” heeft, kent dus het begin van de Islam niet.

 

Het is de geld- en machtshonger van de Vrienden (in eerste instantie begrijpelijk en te rechtvaardigen) en vooral die van hun opvolgers geweest die van de Islam een puur veroveringsgeloof heeft gemaakt. Nogmaals, de gelegenheid maakte deze kwalijke dief.

De Hashimitische stroming, van Ali en diens familie, is door de Umayyaden (nakomelingen van Hind en vooral in de persoon van haar zoon Moe’awija) sluw uitgeschakeld. Voor dat verhaal gewoon ‘Umayyaden’ googelen

Vandaag zijn die laatsten de Soennieten, terwijl de Hashimitische stroming is uitgemond in het Sjiitisme.

Dat laatste zou wat meer van de zachtmoedigheid en eenvoud van Ali moeten hebben, maar ik betwijfel of Ali’s geest nog merkbaar is. Ook bij de Sjiieten speelt macht haar rol.

Misschien iets voor u om het uit te zoeken?

 

Frans Couwenbergh, humanosoof. © 2015

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

commentaren